Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling handel in emissierechten

Geldend van 01-01-2016 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 5 december 2012 nr. IenM/BSK-2012/239553, ter implementatie en uitvoering van het Europese systeem van handel in broeikasgasemissierechten (Regeling handel in emissierechten)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu;

Gelet op EU-richtlijn nr. 2003/87/EG (handel in broeikasgasemissierechten), de EU-verordeningen nr. 920/2010 (register handel in broeikasgasemissierechten), nr. 1031/2012 (veiling broeikasgasemissierechten), nr. 600/2012 (verificatie en accreditatie emissiehandel) en nr. 601/2012 (monitoring en rapportage emissiehandel), de EU-beschikkingen nr. 280/2004 (register handel in broeikasgasemissierechten) en nr. 2009/450 (nadere interpretatie van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG) en de artikelen 16.6, 16.12, 16.13a, 16.14, 16.21, 16.23, tweede lid, 16.29, 16.32, zesde lid, 16.34b, 16.39b, 16.39h in verbinding met de artikelen 16.12 en 16.14, 16.39j, zevende lid, en 16.45 van de Wet milieubeheer;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Besluit 2011/278/EU: Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 130);

  • CDM-projectactiviteit: projectactiviteit als bedoeld in artikel 16.46b, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

  • CDM-raad: raad van bestuur van het mechanisme voor schone ontwikkeling, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Protocol van Kyoto;

  • geaccrediteerde onafhankelijke entiteit: entiteit die is aangewezen volgens de procedure, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 9/CMP.1, Bijlage, sectie E;

  • JI-projectactiviteit: projectactiviteit als bedoeld in artikel 16.46b, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

  • Kyotorekening: rekening in het PK-register, bedoeld in artikel 5 van Verordening EU-register handel in emissierechten;

  • meetverantwoordelijke gas: meetverantwoordelijke als bedoeld in de Begrippenlijst gas, zijnde een onderdeel van de voorwaarden, bedoeld in artikel 12b van de Gaswet;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • multilaterale ontwikkelingsbank: African Development Bank, Asian Development Bank, Caribbean Development Bank, Council of Europe Development Bank, Europees Investeringsfonds, Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, Europese Investeringsbank, Inter American Development Bank, Inter-American Investment Corporation, International Bank for Reconstruction and Development en International Finance Corporation, Multilateral Investment Guarantee Agency of Nordic Investment Bank;

  • nalevingsrapport hydro-elektrische projectactiviteiten: rapport als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onderdeel g, onder 1°;

  • onjuiste opgave: omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag, met uitzondering van de toelaatbare onzekerheid;

  • operationele instelling: instelling die is aangewezen volgens de procedure, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 3/CMP.1, Bijlage, sectie D;

  • rekeninghouder: houder van een

    • 1°. exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten,

    • 2°. vliegtuigexploitantrekening als bedoeld in artikel 17 van de Verordening EU-register handel in emissierechten,

    • 3°. handelsrekening als bedoeld in artikel 18 van de Verordening EU-register handel in emissierechten,

    • 4°. persoonstegoedrekening als bedoeld in artikel 18 van de Verordening EU-register handel in emissierechten of

    • 5°. Kyotorekening;

  • subinstallatie: productenbenchmark-, warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- of procesemissiesubinstallatie als bedoeld in artikel 6 van Besluit 2011/278/EU in verbinding met artikel 3, onderdeel b, c, d of h, van dat besluit;

  • wet: Wet milieubeheer.

Artikel 1a

Deze regeling berust mede op richtlijn nr. 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto (PbEU L 338), op het op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110) en op de artikelen 16.46b, vierde en achtste lid, van de wet.

Artikel 2. Interpretatie en reikwijdte handel in broeikasgasemissierechten luchtvaart

  • 1 De vluchten, bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder a tot en met c, f, g, i en j, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, worden geïnterpreteerd volgens bijlage 1 bij deze regeling.

  • 2 Een commerciële luchtvervoersonderneming die:

    • a. 243 vluchten of meer in een periode van vier maanden uitvoert, en

    • b. vluchten met een totale jaarlijkse emissie van 10.000 ton of meer uitvoert,

    valt gedurende het gehele kalenderjaar waarin deze drempels worden bereikt of overschreden onder de reikwijdte van afdeling 16.2.2 van de wet.

  • 3 De lokale tijd van vertrek van de vlucht bepaalt welke periode van vier maanden als bedoeld in het tweede lid in aanmerking wordt genomen.

  • 4 Bij de toepassing van het tweede lid worden vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder a tot en met i, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3. Begripsbepalingen bij interpretatie handel in broeikasgasemissierechten luchtvaart

Voor de toepassing van artikel 2 en de op dat artikel berustende bijlage wordt verstaan onder:

commerciële luchtvervoersonderneming: exploitant die houder is van een bewijs luchtvaartexploitant (AOC) als bedoeld in deel I van bijlage 6 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109);

CRCO-vrijstellingscode: code voor vluchten aangewezen door het Centraal Bureau voor routeheffingen van de Eurocontrol-organisatie, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, voor de vrijstelling van vluchten van routeheffingen;

periode van vier maanden: periode van vier maanden, beslaande de maanden januari tot en met april, mei tot en met augustus of september tot en met december;

vlucht: één vluchtsector, zijnde één vlucht of één van een reeks van vluchten die begint op een parkeerplaats van het luchtvaartuig en eindigt op een parkeerplaats van het luchtvaartuig.

Hoofdstuk 2. Monitoring broeikasgasemissies

Afdeling 2.1. Inrichtingen

§ 2.1.1. Toepassingsbereik en begripsbepalingen

Artikel 4. Toepassingsbereik

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.1 van de wet.

§ 2.1.2. Aanvraag vergunning en monitoringsplan

Artikel 5. Aanvraag vergunning

  • 1 De aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5 van de wet of de aanvraag tot wijziging, aanvulling of intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 16.20a van de wet, wordt gedaan door of namens degene die de inrichting, waarop de aanvraag betrekking heeft, drijft.

  • 2 Het monitoringsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag.

Artikel 6. Aanvraag vergunning voor CO2-transportactiviteiten

  • 1 De aanvraag om een vergunning voor het transport van CO2, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, bevat gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager van de vergunning degene is die de inrichting drijft als bedoeld in artikel 16.2a, tweede lid, van de wet en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verplichtingen krachtens de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, afdeling 16.2.1 van de wet en deze regeling.

  • 2 De vergunninghouder voor het transport van CO2, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, levert bij een melding van een verandering van de naam of adres van de vergunninghouder gegevens waaruit blijkt dat de vergunninghouder degene is die de inrichting drijft

    als bedoeld in artikel 16.2a, tweede lid, van de wet en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verplichtingen krachtens de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, afdeling 16.2.1 van de wet en deze regeling.

Artikel 7. Monitoringsplan

  • 1 Een monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

  • 2 Indien degene die een inrichting drijft de gegevens, bedoeld in artikel 33, en de gegevens in het kader van een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 42 per afzonderlijke broeikasgasinstallatie heeft verstrekt, wordt per broeikasgasinstallatie een monitoringsplan opgesteld.

  • 3 Overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel vermeldt degene die een inrichting drijft in het monitoringsplan een samenvatting van de procedure als bedoeld in dat artikel. Deze procedure heeft in ieder geval betrekking op de registratie van gegevens met betrekking tot het capaciteitsniveau en het activiteitenniveau alsmede het bijhouden van deze gegevens.

Artikel 8. Indienen van bij het monitoringsplan behorende documenten

  • 1 De in artikel 12 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel bedoelde ondersteunende documenten alsmede het in artikel 33 van die verordening bedoelde bemonsteringsplan worden met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 12 van die verordening ingediend.

  • 2 Het bewijs dat een niet geaccrediteerde meetinstantie aan de eisen in artikel 34 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel voldoet, wordt met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 12 van die verordening ingediend.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan degene die de inrichting drijft verzoeken de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten gebundeld aan te leveren.

  • 4 Het bestuur van de emissieautoriteit kan een andere termijn voor de indiening van de documenten vaststellen.

§ 2.1.3. Monitoringsmethodiek en kwaliteitsborging

Artikel 9. Emissiefactor voor aardgas

In het geval van de verbranding van aardgas dat in een landelijk of regionaal gasnetwerk wordt gebruikt, mag degene die een inrichting drijft voor de bepaling van de emissiefactor voor de bronstroom aardgas, waarop niveau 3 als bedoeld in onderdeel 2.1 van bijlage II bij de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van toepassing is, een standaardemissiefactor gebruiken die jaarlijks door de minister wordt gepubliceerd.

Artikel 10. Duurzaamheid van vloeibare biomassa

  • 1 Indien binnen de inrichting vloeibare biomassa wordt gebruikt, verstrekt degene die de inrichting drijft aan het bestuur van de emissieautoriteit een bewijs dat de duurzaamheid van de vloeibare biomassa is aangetoond:

    • a. door een door de Europese Commissie erkend duurzaamheidssysteem of

    • b. een door Nederland of een andere lidstaat geaccepteerd nationaal systeem.

  • 2 In het bewijs, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens opgenomen de hoeveelheid geleverde vloeibare biomassa en de partij waarop de biomassa betrekking heeft.

Artikel 11. Bemonsteringsplan

Goedkeuring van het bemonsteringsplan, bedoeld in artikel 33 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, wordt door het bestuur van de emissieautoriteit onthouden, indien dit plan niet voldoet aan de daaraan in die verordening gestelde eisen.

Artikel 12. Laboratoria

  • 1 Een laboratorium als bedoeld in de artikelen 34 en 42, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel dat in opdracht van degene die een inrichting drijft werkzaamheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van die genoemde verordening verricht, voert die werkzaamheden uit overeenkomstig die verordening en het voor die inrichting geldende monitoringsplan.

  • 2 Het is voor een laboratorium verboden te handelen in strijd met het eerste lid.

Artikel 13. Melding parallelmeting

  • 1 Degene die een inrichting drijft, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een parallelmeting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zal worden uitgevoerd en het laboratorium dat de meting uitvoert. Voor de melding wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

  • 2 Indien een parallelmeting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel geen doorgang vindt, wordt dit elektronisch gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop deze meting zou worden uitgevoerd.

Artikel 14. Melding geen parallelle meting

Indien degene die de inrichting drijft geen gebruik maakt van de resultaten van een parallelle meting als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden aan het bestuur van de emissieautoriteit onder opgave van redenen. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

§ 2.1.4. Melden van wijzigingen van het monitoringsplan

Artikel 15. Wijzigingen van het monitoringsplan

  • 1 Onder significante wijzigingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel worden tevens verstaan veranderingen van de wijze waarop activiteitsgegevens en berekeningsfactoren worden bepaald.

  • 2 De melding van wijzigingen van het monitoringsplan die niet significant zijn, wordt gedaan voor 31 december van de verslagperiode, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

Artikel 16. Tijdelijke wijzigingen van het monitoringsplan

Tijdelijke wijzigingen van het monitoringsplan, bedoeld in artikel 23 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld:

  • a. binnen vijf dagen na het ontstaan van de tijdelijke wijziging of

  • b. in een maandelijks overzicht telkens voor de zesde dag van de volgende maand.

Artikel 17. Standaardformulier

Voor de meldingen wordt gebruikgemaakt van door het bestuur van de emissieautoriteit vastgestelde en elektronisch beschikbaar gestelde standaardformulieren.

§ 2.1.5. Emissieverslag

Artikel 18. Emissieverslag

  • 1 Voor het emissieverslag wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

  • 2 Indien degene die een inrichting drijft de gegevens, bedoeld in artikel 33, en de gegevens in het kader van een aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 42 per afzonderlijke broeikasgasinstallatie heeft verstrekt, wordt per broeikasgasinstallatie een emissieverslag ingediend.

§ 2.1.6. Verificatie en het principe van continue verbetering

Artikel 19. Verificatierapport

Voor het verificatierapport, bedoeld in artikel 27 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 20. Niet afleggen van een bezoek aan een broeikasgasinstallatie

De goedkeuring, bedoeld in artikel 31 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, wordt onthouden, indien degene die de inrichting drijft niet ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit heeft aangetoond dat aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voor het niet afleggen van een bezoek door de verificateur is voldaan.

Artikel 21. Periodiek verslag verbetering van de monitoringsmethode

Goedkeuring van het verslag, bedoeld in artikel 69 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, wordt onthouden, indien het verslag niet voldoet aan de in die verordening gestelde eisen.

Afdeling 2.2. Luchtvaartactiviteiten

§ 2.2.1. Algemeen

Artikel 22. Toepassingsbereik

Deze afdeling heeft het toepassingsbereik van afdeling 16.2.2 van de wet.

§ 2.2.2. Monitoringsplan

Artikel 23. Standaardformulier voor het monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

De monitoringsplannen, bedoeld in artikel 51, eerste en tweede lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 24. Indienen van bij het monitoringsplan behorende documenten

  • 1 De documenten, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a en b, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden tezamen met het monitoringsplan overeenkomstig artikel 51 van die verordening ingediend.

  • 2 Het bestuur van de emissieautoriteit kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop deze documenten worden ingediend.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan een andere termijn voor de indiening van de documenten vaststellen.

Artikel 25. Vereenvoudigde risicobeoordeling

Voor kleine emittenten als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel stelt het bestuur van de emissieautoriteit een vereenvoudigde risicobeoordeling vast overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van die verordening.

§ 2.2.3. Monitoringsmethodiek broeikasgasemissies

Artikel 26. Gebruik biobrandstof

  • 1 Indien een vliegtuigexploitant biobrandstof gebruikt, verstrekt deze aan het bestuur van de emissieautoriteit een bewijs dat de duurzaamheid van de biobrandstof is aangetoond door:

    • a. een door de Europese Commissie erkend duurzaamheidsysteem of

    • b. een door Nederland of een andere lidstaat geaccepteerd nationaal systeem.

  • 2 In het bewijsstuk wordt tevens opgenomen de hoeveelheid geleverde biobrandstof en de partij waarop de biobrandstof betrekking heeft.

§ 2.2.4. Goedkeuring van het monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

Artikel 27. Termijn goedkeuring monitoringsplan voor emissies en tonkilometergegevens

Het bestuur van de emissieautoriteit beslist omtrent goedkeuring van een monitoringsplan als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage, en de artikelen 16.39d, 16.39j, vierde lid, en 16.39n, tweede lid, tweede volzin, in verbinding met artikel 16.39j, vierde lid, van de wet binnen vier maanden na de dag waarop dit bestuur het ontwerp van het monitoringsplan heeft ontvangen.

§ 2.2.5. Emissieverslag en aanleveren tonkilometergegevens

Artikel 28. Emissieverslag

Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 29. Aanleveren tonkilometergegevens

De tonkilometergegevens worden aangeleverd met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

§ 2.2.6. Verificatie en het principe van continue verbetering

Artikel 30. Verificatierapport en continue verbetering

De artikelen 19 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing op luchtvaartactiviteiten.

Hoofdstuk 3. Toewijzing broeikasgasemissierechten

§ 3.1. Aanwijzing veiler

Artikel 31

Als veiler als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302), verantwoordelijk voor het veilen van broeikasgasemissierechten voor Nederland, wordt aangewezen het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit.

§ 3.2. Verstrekken en kwaliteitsborging van gegevens ten behoeve van de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten voor de periode 2013-2020

Artikel 32. Toepassingsbereik

  • 1 Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarin zich installaties bevinden waarin een of meer activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten op grond van artikel 11 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.

  • 2 De artikelen 33 en 35 zijn ook van toepassing op inrichtingen als bedoeld in het eerste lid, die niet in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten.

Artikel 33. Gegevensverstrekking

  • 1 Degene die een inrichting drijft, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit de door dat bestuur overeenkomstig Besluit 2011/278/EU in het standaardformulier, bedoeld in artikel 35, aangewezen gegevens met betrekking tot de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 en, voor zover van toepassing, 2011. De gegevensverstrekking vindt plaats voor de dag die ligt drie maanden na de dag waarop het bestuur van de emissieautoriteit kennisgeving heeft gedaan van het feit dat het standaardformulier op de website van de emissieautoriteit is geplaatst. De kennisgeving, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedaan in de Staatscourant en op genoemde website.

  • 2 Als te verstrekken gegevens kunnen in ieder geval worden aangewezen gegevens die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten over:

    • a. de jaarlijkse productie van de betrokken installaties;

    • b. de jaarlijkse hoeveelheid van de door de betrokken installaties geproduceerde warmte;

    • c. het jaarlijkse verbruik van brandstoffen door de betrokken installaties;

    • d. de jaarlijkse procesemissies van de betrokken installaties;

    • e. het jaarlijkse verbruik van elektriciteit door de betrokken installaties.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, kan voor 1 oktober 2011 het bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om de gegevens per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting te mogen verstrekken. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

  • 4 Het bestuur van de emissieautoriteit informeert degene die de inrichting drijft voor 1 november 2011 omtrent het aantal afzonderlijke broeikasgasinstallaties binnen de inrichting, waarvoor bedoelde gegevens kunnen worden verstrekt.

  • 5 Degene die de inrichting drijft, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 januari 2012 per afzonderlijke broeikasgasinstallatie als bedoeld in het vierde lid, de in het standaardformulier, bedoeld in het eerste lid, aangewezen gegevens. In afwijking van het standaardformulier worden per broeikasgasinstallatie gegevens verstrekt over de gehele basisperiode van 2005 tot en met 2010, en, voor zover van toepassing, 2011.

Artikel 34. Overleggen methodologieverslag

  • 1 Bij het verstrekken van gegevens op grond van artikel 33 wordt een methodologieverslag overgelegd waarin verantwoording wordt afgelegd over die gegevens.

  • 2 Het methodologieverslag wordt opgesteld overeenkomstig Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit. Het verslag bevat ten minste:

    • a. de algemene identificatiegegevens van de inrichting;

    • b. een overzicht van de in de inrichting uitgevoerde activiteiten, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

    • c. een beschrijving van de systeemgrenzen van de inrichting in een schematische weergave, met inbegrip van een beschrijving van de installatie, de subinstallaties en de verbrandings- of proceseenheden;

    • d. een lijst met subinstallaties en de daarbij behorende gegevens;

    • e. de wijze waarop de in artikel 33 bedoelde gegevens zijn bepaald;

    • f. de wijze waarop onduidelijkheden en leemtes in de gegevens zijn geïdentificeerd en behandeld.

  • 3 Het methodologieverslag bevat voorts alle overige informatie die het bestuur van de emissieautoriteit nodig heeft om te kunnen beoordelen of degene die de inrichting drijft, op adequate wijze verantwoording heeft afgelegd over de in artikel 33 bedoelde gegevens en die voor voornoemd bestuur noodzakelijk zijn om voor de betrokken categorie installaties het aantal overeenkomstig artikel 10bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten kosteloos toe te wijzen broeikasgasemissierechten te kunnen berekenen.

Artikel 35. Standaardformulier

De in artikel 33 bedoelde gegevens worden verstrekt en het methodologieverslag wordt opgesteld en overgelegd op een door het bestuur van de emissieautoriteit aangegeven wijze en met gebruikmaking van een door dat bestuur vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 36. Algemene eisen inzake de bepaling van in artikel 33 bedoelde gegevens

  • 1 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de in artikel 33 bedoelde gegevens overeenkomstig Besluit 2011/278/EU.

  • 2 Indien zich binnen de inrichting installaties bevinden waarop afdeling 16.2.1 van de wet van toepassing is en indien op de inrichting op grond van Besluit 2011/278/EU een warmtebenchmark, een brandstofbenchmark of een aan procesemissies gerelateerde benchmark van toepassing is, bepaalt degene die de inrichting drijft het jaarlijkse verbruik van brandstoffen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onder c, en de daarbij behorende parameters onderscheidenlijk de procesemissies, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onder d, en de daarbij behorende parameters voor zover mogelijk overeenkomstig de op de inrichting van toepassing zijnde eisen van deze regeling.

  • 3 Degene die een inrichting drijft, neemt bij het bepalen van de in artikel 33 bedoelde gegevens alle subinstallaties in acht alsmede alle voor de van toepassing zijnde benchmark relevante producten, warmtestromen, brandstofstromen, materiaalstromen en bronnen die samenhangen met de activiteiten, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten. Daarbij worden dubbeltellingen voorkomen.

  • 4 Degene die een inrichting drijft, zorgt ervoor dat de in artikel 33 bedoelde gegevens consistent zijn over de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 en, voor zover van toepassing, 2011. Degene die de inrichting drijft, maakt daartoe zoveel mogelijk gebruik van dezelfde monitoringsmethodieken en gegevensbestanden.

  • 5 Degene die een inrichting drijft, verzamelt, registreert, analyseert en documenteert de in artikel 33 bedoelde gegevens.

  • 6 Degene die een inrichting drijft, bepaalt de in artikel 33 bedoelde gegevens met de hoogst mogelijke graad van nauwkeurigheid waarbij bronnen van onzekerheid zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 37. Ontbreken van gegevens

Indien met betrekking tot de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 of, voor zover van toepassing, 2011 geen gegevens als bedoeld in artikel 33 beschikbaar zijn of indien deze gegevens niet volledig of onduidelijk zijn, worden deze gegevens door degene die de inrichting drijft overeenkomstig Besluit 2011/278/EU op een zodanige wijze geschat dat deze schatting niet leidt tot een te hoge kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten. De wijze waarop tot de schatting is gekomen, wordt opgenomen in het methodologieverslag.

Artikel 38. Verificatierapport van de verificateur

De in artikel 33 bedoelde gegevens en het methodologieverslag gaan vergezeld van een verificatierapport van een hiertoe bevoegde verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling overeenkomstig artikel 39.

Artikel 39. Verificatiewerkzaamheden

  • 1 De verificateur handelt overeenkomstig Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit, bij:

    • a. het uitvoeren van de verificatiewerkzaamheden die nodig zijn om een verificatierapport te kunnen afgeven;

    • b. het constateren van onjuiste opgaven in de in artikel 33 bedoelde gegevens of het methodologieverslag of van het feit dat deze gegevens of dit verslag niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde eisen;

    • c. het mededelen van de onder b bedoelde constateringen aan degene die de inrichting drijft;

    • d. het beoordelen van de materialiteit van de onder b bedoelde constateringen;

    • e. het opstellen van een verificatierapport;

    • f. het doen van een verzoek als bedoeld in het derde lid.

  • 2 De verificateur beoordeelt of de in artikel 33 bedoelde gegevens en het methodologieverslag geen onjuiste opgaven bevatten en niet in strijd zijn met de eisen die zijn gesteld in deze paragraaf.

  • 3 De verificateur verzoekt degene die de inrichting drijft binnen een bepaalde termijn eventueel ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken, afwijkingen in de in artikel 33 bedoelde gegevens of het methodologieverslag te verklaren of, indien noodzakelijk, berekeningen te herzien dan wel de gerapporteerde gegevens bij te stellen, alvorens hij een verificatierapport afgeeft.

  • 4 Indien de in artikel 33 bedoelde gegevens of het methodologieverslag in individuele of geaggregeerde vorm materieel onjuiste opgaven bevatten of in materiële zin niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde eisen, geeft de verificateur een verificatierapport af waarin is aangegeven dat de in artikel 33 bedoelde gegevens en het methodologieverslag niet als bevredigend zijn geverifieerd.

  • 5 De verificateur kan een verificatierapport afgeven over de in artikel 33 bedoelde gegevens en het methodologieverslag, indien hij wegens opgelegde restricties of door andere omstandigheden niet al het noodzakelijke bewijsmateriaal heeft kunnen verkrijgen dat nodig is om te verklaren dat de in artikel 33 bedoelde gegevens of het methodologieverslag in individuele of geaggregeerde vorm materieel onjuiste opgaven bevatten of in materiële zin niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde eisen.

Artikel 40. Informatieverplichting met betrekking tot verificatie

  • 1 Degene die de inrichting drijft, stelt de in artikel 33 bedoelde gegevens, het methodologieverslag alsmede andere voor de verificatie relevante informatie ter beschikking aan de verificateur.

  • 2 Degene die de inrichting drijft, herstelt, voor zover mogelijk, de in artikel 39, eerste lid, onder b, bedoelde onjuiste opgaven alsmede de in artikel 39, eerste lid, onder b, bedoelde strijd met de in artikel 39, tweede lid, bedoelde eisen.

Artikel 41. Eisen aan verificateur

  • 1 De verificateur is voor een of meer activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie volgens de eisen van die verordening.

  • 2 Een verificateur mag niet de in artikel 33 bedoelde gegevens en het methodologieverslag verifiëren van een inrichting waarin activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel worden verricht waarvoor hij niet door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De verificateur houdt een interne verificatiedocumentatie bij die voldoende informatie bevat om daarop het verificatierapport te baseren.

  • 4 De verificateur voldoet aan de eisen die aan verificateurs zijn gesteld in hoofdstuk 3 van en bijlage II bij de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, en in Besluit 2011/278/EU en de daarbij behorende Europese interpretatiedocumenten, zoals die zijn geplaatst op de website van de emissieautoriteit.

§ 3.3. Toewijzing aan nieuwkomers

Artikel 42. Toewijzing aan nieuwkomers

  • 1 Voor de aanvraag om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, eerste lid, van de wet, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

  • 2 De bij de aanvraag verstrekte gegevens gaan vergezeld van een verificatierapport van een verificateur. De artikelen 38 tot en met 41 zijn van overeenkomstig toepassing.

  • 3 Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt een methodologieverslag als bedoeld in artikel 34 gevoegd. De artikelen 34, tweede en derde lid, en 35 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Degene die een aanvraag om kosteloze toewijzing doet, kan de benodigde gegevens per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting verstrekken.

  • 5 Het vierde lid geldt niet voor broeikasgasinstallaties waarvoor al eerder gegevens zijn aangeleverd ter uitvoering van dit artikel of van artikel 33.

  • 6 De minister beslist binnen vier maanden na ontvangst op de aanvraag.

§ 3.4. Toepassing artikel 16.34a van de wet

Artikel 43. Aanleveren gegevens bij een voornemen tot wijziging van het toewijzingsbesluit

  • 1 Indien de minister voornemens is toepassing te geven aan artikel 16.34a van de wet, levert degene die een inrichting drijft, die onder de desbetreffende bedrijfstak of deeltak valt, op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit binnen dertien weken na ontvangst van dit verzoek de benodigde gegevens aan ten behoeve van de berekening van de aantallen broeikasgasemissierechten, met het oog op wijziging van het besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten.

  • 2 De gevraagde gegevens gaan vergezeld van een verificatierapport van een verificateur.

§ 3.4a. Toepassing artikel 16.35c, vijfde lid, van de wet

Artikel 43a. De wijze waarop de gemiddelde marktprijs van een broeikasgasemissierecht wordt bepaald

De gemiddelde marktprijs van een broeikasgasemissierecht, bedoeld in artikel 16.35c, vijfde lid, van de wet, wordt bepaald door de hoeveelheid terug te vorderen broeikasgasemissierechten te vermenigvuldigen met het gemiddelde van de veilingprijs van de tien veilingen waarin de vraag naar broeikasemissierechten in ieder geval leidt tot een veilingprijs boven de reserveprijs, onmiddellijk voorafgaand aan de dagtekening van het dwangbevel, bedoeld in artikel 16.35c, tweede lid, van de wet, waarin Nederland broeikasgasemissierechten heeft aangeboden.

§ 3.5. Wijzigingen broeikasgasinstallatie

Artikel 44. Gehele beëindiging werking broeikasgasinstallatie

  • 1 Indien de werking van een broeikasgasinstallatie geheel wordt beëindigd als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de beëindiging. Onder het geheel beëindigen van de werking van een broeikasgasinstallatie wordt tevens verstaan de omstandigheid dat afdeling 16.2.1. van de wet niet langer van toepassing is.

  • 2 De melding wordt gedaan binnen zes weken nadat de werking van de broeikasgasinstallatie geheel is beëindigd. Indien de werking van de broeikasgasinstallatie geheel is beëindigd in de maand december van enig jaar, wordt de melding gedaan voor 20 januari van het daarop volgende kalenderjaar.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan op verzoek van de vergunninghouder de in artikel 22, eerste lid, onderdeel e, van Besluit 2011/278/EU genoemde termijn van zes maanden verlengen, overeenkomstig het bepaalde in dat onderdeel.

Artikel 45. Gedeeltelijke beëindiging werking broeikasgasinstallatie

  • 1 Indien de werking van een broeikasgasinstallatie gedeeltelijk wordt beëindigd als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de gedeeltelijke beëindiging.

  • 2 De melding wordt gedaan voor 20 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de werking van de broeikasgasinstallatie gedeeltelijk is beëindigd.

Artikel 46. Hervatten productie broeikasgasinstallatie

  • 1 Indien de productie van de broeikasgasinstallatie na gedeeltelijke beëindiging als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van Besluit 2011/278/EU geheel of gedeeltelijk wordt hervat, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de productiehervatting.

  • 2 De melding wordt gedaan voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de productie is hervat.

Artikel 47. Vermindering capaciteit broeikasgasinstallatie

  • 1 Indien de vergunninghouder voornemens is om wijzigingen aan de broeikasgasinstallatie door te voeren, die kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de capaciteit van de broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 3, onder j, van Besluit 2011/278/EU, meldt hij dit voornemen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit.

  • 2 Indien de capaciteit van de broeikasgasinstallatie aanzienlijk wordt verminderd als bedoeld in artikel 3, onder j, van Besluit 2011/278/EU, meldt de vergunninghouder dit schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit onder vermelding van de ingangsdatum van de productievermindering. De melding wordt gedaan binnen zes weken nadat de gewijzigde capaciteit is vastgesteld.

  • 3 Bij een melding als bedoeld in het tweede lid wordt een methodologieverslag als bedoeld in artikel 34 gevoegd. De artikelen 34, tweede en derde lid, en 35 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48. Melding en regels inzake activiteiten in reserve, achtervang of parallelle eenheid (artikel 2, tweede lid, onderdeel e, onder 4°, van het Besluit handel in emissierechten)

  • 1 Een melding als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit handel in emissierechten, gaat vergezeld van:

    • a een bewijs waaruit blijkt dat de reserve, achtervang of parallelle eenheid door een identificeerbare en handhaafbare technische restrictie niet tegelijkertijd in werking kan zijn met andere eenheden, zodanig dat de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I bij het Besluit handel in emissierechten, op geen enkel moment kan worden overschreden, en

    • b. een bewijs dat de technische restrictie, bedoeld in onderdeel a, geplaatst is door een meetverantwoordelijke gas indien de technische restrictie is gericht op de toevoer van gas.

  • 2 Indien de technische restrictie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet gericht is op de toevoer van gas:

    • a. wordt voorafgaand aan de melding contact opgenomen met het bestuur van de emissieautoriteit;

    • b. geeft het bestuur van de emissieautoriteit aan wie of welke instantie de technische restrictie dient te plaatsen en controleren, en

    • c. gaat de melding in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, vergezeld van een bewijs waaruit blijkt dat de technische restrictie geplaatst is door de persoon of instantie, bedoeld in onderdeel b.

  • 3 In een geval als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit handel in emissierechten, wordt na de melding, bedoeld in het eerste lid, al dan niet in samenhang met het tweede lid, jaarlijks bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend:

    • a. een rapport waarin in ieder geval de gegevens zijn opgenomen van een continue meting van de werking van de technische restrictie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarbij de gegevens met een frequentie van een uur worden opgeslagen. Uit de gegevens blijkt wanneer eenheden die in verbinding staan met de technische restrictie in gebruik zijn geweest;

    • b. een bewijs dat de technische restrictie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in dat jaar is gecontroleerd door een Meetverantwoordelijke gas als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of door de persoon of instantie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en tijdens die controle een test van de werking van de technische restrictie is uitgevoerd.

  • 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel a, kan het bestuur van de emissieautoriteit aangeven welke gegevens opgenomen moeten worden in het rapport, indien:

    • 1°. het betreft een technische restrictie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die niet gericht is op de toevoer van gas, en

    • 2°. het niet mogelijk is om in het rapport de gegevens aan te leveren, bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a.

Artikel 49. Formulier en verificatierapport van de verificateur

  • 1 Voor de meldingen, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 47, wordt gebruikgemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 50. Melden wijzigingen periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012

In afwijking van de termijnen, genoemd in de artikelen 44, tweede lid, 45, tweede lid, 46, tweede lid en 47, tweede lid, worden de bedoelde meldingen uiterlijk 15 augustus 2012 gedaan, indien de wijziging zich heeft voorgedaan in de periode die loopt van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012.

Hoofdstuk 4. Register

Artikel 51. Vergoeding openen en onderhouden van een rekening

  • 1 Voor het onderhouden van een persoonstegoed- of handelsrekening als bedoeld in artikel 18 van de Verordening EU-register handel in emissierechten of een Kyotorekening is degene op wiens verzoek de rekening is geopend een vergoeding verschuldigd aan de emissieautoriteit.

  • 2 De vergoeding bedraagt per rekening € 200 per kalenderjaar.

Artikel 52. Vergoeding dienstverlening aan rekeninghouder

Tegen een vergoeding van € 1.350 per kalenderjaar kan een rekeninghouder gebruikmaken van een of meerdere van de volgende door de emissieautoriteit aangeboden diensten:

  • a. telefonisch contact met de helpdesk op werkdagen tussen 09.00 en 17.00 uur;

  • b. opstellen van rapportages van transacties over een overeengekomen periode tot een maximum van achttien rapportages per kalenderjaar;

  • c. controle door de emissieautoriteit op drie vaste momenten per dag van transactieopdrachten van en naar de rekening;

  • d. actieve informatievoorziening via nieuwsbrieven en aankondigingen van onderhoud en storingen;

  • e. raadplegen van gebruikers bij het bepalen van het tijdstip van onderhoudswerkzaamheden aan het register.

Artikel 53. Aan te leveren informatie aan de nationale administrateur

  • 1 De nationale administrateur kan de rekeninghouder ten minste verzoeken om de volgende gegevens te verstrekken met betrekking tot elke natuurlijke persoon die toegang krijgt tot de rekening:

    • a. een bewijs, waaronder een International Bank Account Number (IBAN) en een bankrekeningnummer, dat deze persoon een open bankrekening heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan wel in een land dat lid is van de Financial Action Task Force;

    • b. een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon;

    • c. een Verklaring omtrent het Gedrag voor Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien een verzoek om een rekening te openen wordt gedaan door of namens een natuurlijke persoon.

  • 3 Indien eenverzoek om een rekening te openen wordt gedaan door of namens een rechtspersoon, kan de nationale administrateur ten minste verzoeken om de volgende gegevens te verstrekken:

    • a. met betrekking tot de rechtspersoon:

      • 1°. een Verklaring omtrent het Gedrag voor Rechtspersonen (VOG RP);

      • 2°. een bewijs, waaronder een International Bank Account Number (IBAN) en een bankrekeningnummer, dat deze persoon een open bankrekening heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan wel in een land dat lid is van de Financial Action Task Force;

    • b. met betrekking tot elk bestuurslid:

      • 1°. een kleurenafdruk van de identiteitsdocumenten van deze persoon;

      • 2°. een Verklaring omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen (VOG NP), indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, of een soortgelijk buitenlands document, indien de betreffende persoon een buitenlandse nationaliteit heeft.

Artikel 54. Weigering tegoedrekening

  • 1 De nationale administrateur kan in het belang van de integriteit van het register een verzoek om een tegoedrekening te openen weigeren, indien uit een risicoanalyse van de bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt dat een verhoogd risico bestaat op oneigenlijk gebruik of misbruik van het register of de rekening, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard.

  • 2 De methode op basis waarvan de risicoanalyse plaatsvindt, legt de nationale administrateur ter goedkeuring voor aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 55. Schorsing persoonstegoedrekening of toegang tot de rekening

Indien een opsporingsdienst een redelijk vermoeden heeft dat met een rekening fraude wordt gepleegd, geld wordt witgewassen, terrorisme wordt gefinancierd of andere ernstige strafbare feiten worden gepleegd, kan die opsporingsdienst de nationale administrateur verzoeken om schorsing van:

  • a. de toegang tot de rekening overeenkomstig artikel 34, derde lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten;

  • b. de toegang tot de desbetreffende broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 97, eerste lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten.

Artikel 56. Verplichtingen voor de houder van een exploitanttegoedrekening, de houder van een vliegtuigexploitanttegoedrekening en de verificateur

  • 1 De houder van een exploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 16 van de Verordening EU-register handel in emissierechten voert in het register de emissiegegevens uit het op de betrokken inrichting betrekking hebbende emissieverslag in overeenkomstig artikel 35, tweede lid, van die verordening.

  • 2 De houder van een vliegtuigexploitanttegoedrekening als bedoeld in artikel 17 van de Verordening EU-register handel in emissierechten voert in het register de emissiegegevens uit het emissieverslag, met betrekking tot de luchtvaartactiviteiten waarvoor hij verantwoordelijk is, in overeenkomstig artikel 35, tweede lid, van die verordening.

  • 3 De verificateur merkt de door hem overeenkomstig artikel 35, vierde lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten goedgekeurde emissies in het register aan als geverifieerd overeenkomstig artikel 35, vijfde lid, van die verordening.

Artikel 57. Bevoegdheid tot opschorten storting toegewezen broeikasgasemissierechten

  • 1 Het bestuur van de emissieautoriteit kan besluiten de bijschrijving van het aantal toegewezen emissierechten op te schorten, voor zover:

    • a. een melding als bedoeld in paragraaf 3.5 tot een significante verlaging van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten kan leiden, of

    • b. de lijst van bedrijfstakken of deeltakken, bedoeld in 16.34a van de wet, tot een verlaging van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten leidt.

  • 2 De nationale administrateur schrijft de toegewezen emissierechten niet bij, indien het bestuur van de emissieautoriteit een besluit tot opschorting van de bijschrijving van het aantal toegewezen emissierechten heeft genomen.

Hoofdstuk 4a. Instemming deelname Kyoto-projecten

Artikel 58

  • 1 Bij een verzoek om instemming met deelname aan een CDM-projectactiviteit worden in ieder geval de volgende gegevens overgelegd:

    • a. in het geval de projectactiviteit reeds door de CDM-raad op grond van overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluiten is geregistreerd: de naam en het registratienummer van de projectactiviteit en de datum van registratie;

    • b. in het geval de projectactiviteit nog niet door de CDM-raad is geregistreerd: de naam van de projectactiviteit zoals deze is opgenomen op de instemming van de bevoegde autoriteit van het land waar de projectactiviteit plaatsvindt.

  • 2 Bij het verzoek om instemming, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende bescheiden overgelegd:

    • a. in het geval de projectdeelnemer een rechtspersoon is: een kleurenkopie van een geldig legitimatiebewijs van de vertegenwoordigingsbevoegde;

    • b. in het geval de projectdeelnemer een natuurlijk persoon is: een kleurenkopie van een geldig legitimatiebewijs;

    • c. een verklaring van de projectdeelnemer dat de deelname aan de projectactiviteit zal voldoen aan de eisen die in het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten aan die deelname zijn gesteld;

    • d. een afschrift van het ontwerp van de projectactiviteit, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 3/CMP.1, Bijlage, sectie G, onder 35, in samenhang met sectie B;

    • e. een afschrift van het in ieder geval nagenoeg gereed zijnde validatierapport, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 3/CMP.1, Bijlage, sectie G, onder 40;

    • f. een afschrift van de instemming van de bevoegde autoriteit van het land waar de projectactiviteit plaatsvindt;

    • g. voor zover het gaat om projectactiviteiten voor het opwekken van elektriciteit door waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW:

      • 1°. een nalevingsrapport hydro-elektrische projectactiviteiten dat op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder is dan achttien maanden en dat door een voor deze projectactiviteiten aangewezen operationele instelling is gevalideerd, of

      • 2°. een verklaring van een multilaterale ontwikkelingsbank dat de projectactiviteit voldoet aan de door de multilaterale ontwikkelingsbank gehanteerde standaarden ten behoeve van milieu en sociaal beleid en die op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder is dan achttien maanden.

  • 3 Het nalevingsrapport hydro-elektrische projectactiviteiten wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

  • 4 De bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, mogen Engelstalig zijn en de bescheiden, bedoeld in het tweede lid mogen elektronisch worden aangeleverd.

Artikel 59

  • 1 Bij een verzoek om instemming met deelname aan een JI-projectactiviteit waarvoor de procedure, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 9/CMP.1, bijlage, sectie E, wordt toegepast, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a. de naam van de projectactiviteit;

    • b. de bescheiden, bedoeld in artikel 58, tweede lid, onderdelen a tot en met d en f tot en met g, met dien verstande dat:

      • 1°. in onderdeel d in plaats van ‘besluit 3/CMP.1, Bijlage, sectie G, onder 35, in samenhang met sectie B’ wordt gelezen: besluit 9/CMP.1, Bijlage, sectie E, onder 31, in samenhang met sectie B;

      • 2°. in onderdeel g plaats van ‘operationele instelling’ wordt gelezen: geaccrediteerde onafhankelijke entiteit, en

    • c. een afschrift van de determinatie, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 9/CMP.1, Bijlage, sectie E, onder 35.

  • 2 Bij een verzoek om instemming met deelname aan een JI-projectactiviteit waarvoor de procedure, bedoeld in het eerste lid, niet wordt toegepast, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a. de naam van de projectactiviteit;

    • b. de bescheiden, bedoeld in artikel 58, tweede lid, onderdelen a tot en met c en f tot en met g, met dien verstande dat in onderdeel h in plaats van ‘operationele instelling’ wordt gelezen: geaccrediteerde onafhankelijke entiteit;

    • c. een afschrift van het rapport inzake de projectactiviteit dat is opgesteld conform de wet- en regelgeving van het land waar de projectactiviteit plaatsvindt, en

    • d. een afschrift van het ontwerp van de projectactiviteit.

  • 3 Op verzoek om instemming met deelname aan en goedkeuring van een JI-projectactiviteit is artikel 58, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

Instemming met deelname aan een CDM-projectactiviteit of met deelname aan een JI-projectactiviteit wordt in ieder geval geweigerd, indien:

  • a. de projectdeelnemer, voor zover het een rechtspersoon betreft, niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, of

  • b. de projectdeelnemer geen houder is van een persoonstegoed- of handelsrekening als bedoeld in artikel 18 van de Verordening EU-register handel in emissierechten, die geregistreerd is in het Nederlandse deel van het EU-register of in het Nederlandse PK-register.

Artikel 61

Voor het in behandeling nemen van een verzoek om instemming met deelname aan een projectactiviteit is de indiener een vergoeding verschuldigd van:

  • a. € 800 voor zover het gaat om een projectactiviteit voor het opwekken van elektriciteit door waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW;

  • b. € 600 voor zover het gaat een projectactiviteit als bedoeld in artikel 59, tweede lid;

  • c. € 400 voor zover het gaat om andere projectactiviteiten.

Artikel 62

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 63. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Artikel 64. Intrekking regelingen en overgangsrecht handel in NOx-emissierechten

Artikel 65. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling handel in emissierechten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

W.J. Mansveld.

Bijlage 1. , behorend bij artikel 2

  • 1. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder a, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    • a. Deze vluchten worden geïnterpreteerd overeenkomstig het exclusieve doel van de vluchten.

    • b. Onder ‘directe familie’ wordt uitsluitend verstaan: echtgenoot, elke als gelijkwaardig aan de echtgenoot beschouwde partner, kinderen en ouders.

    • c. Onder ‘ministers van de regering’ wordt verstaan: leden van de regering van het desbetreffende land. Als zodanig worden niet aangemerkt leden van regionale of lokale regeringen van dat land.

    • d. Onder ‘officiële dienstreis’ wordt verstaan: dienstreis waarbij betrokkene in een officiële hoedanigheid optreedt.

    • e. Onder deze vluchten vallen geen veerdienst- en positioneringsvluchten.

    • f. Als zodanige vluchten worden in ieder geval aangemerkt vluchten met de CRCO-vrijstellingscode ‘S’, voor zover dit wordt bevestigd door een overeenkomstige statusindicator in het vluchtplan.

  • 2. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder b, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    • a. Onder ‘militaire vluchten’ wordt verstaan: vluchten die rechtstreeks verband houden met het verrichten van militaire activiteiten.

    • b. Onder deze vluchten vallen niet militaire vluchten die worden uitgevoerd door civiel geregistreerde luchtvaartuigen en evenmin civiele vluchten die worden uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen.

    • c. Onder douane- en politievluchten worden zowel begrepen door civiel geregistreerde luchtvaartuigen uitgevoerde douane- en politievluchten als door militaire luchtvaartuigen uitgevoerde douane- en politievluchten.

    • d. Als zodanige vluchten worden in ieder geval aangemerkt vluchten met de CRCO-vrijstellingscodes ‘M’, ‘X’ en ‘P’.

  • 3. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder c, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    • a. Onder deze vluchten worden mede verstaan veerdienst- en positioneringsvluchten die worden uitgevoerd met het oog op deze vluchten alsmede vluchten tijdens welke uitsluitend rechtstreeks bij het verlenen van de gerelateerde diensten betrokken uitrusting en personeel worden vervoerd. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen met behulp van publieke of private middelen uitgevoerde vluchten.

    • b. Onder ‘vluchten in verband met opsporing en redding’ wordt verstaan: vluchten tijdens welke opsporings- en reddingsdiensten worden verleend. Hierbij wordt onder ‘opsporings- en reddingsdienst’ verstaan: uitvoering van taken in verband met de bewaking van noodsituaties, communicatie, coördinatie en opsporing en redding, eerste medische hulpverlening of medische evacuatie, met behulp van publieke en private middelen, met inbegrip van samenwerkende luchtvaartuigen, schepen en andere vaartuigen, en installaties.

    • c. Onder ‘vluchten in het kader van brandbestrijding’ wordt verstaan: vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd ten behoeve van de verlening van diensten voor brandbestrijding vanuit de lucht, zijnde het gebruik van luchtvaartuigen om natuurbranden te bestrijden.

    • d. Onder ‘humanitaire vluchten’ wordt verstaan: uitsluitend voor humanitaire doeleinden uitgevoerde vluchten die bedoeld zijn om hulpverleningspersoneel en hulpgoederen zoals voedsel, kleding, onderdak en medische en andere goederen tijdens of na een noodsituatie of ramp te vervoeren of om personen uit een plaats waar hun leven of gezondheid door die noodsituatie of ramp wordt bedreigd te evacueren naar een toevluchtsoord in dat land of een ander land dat bereid is dergelijke personen op te vangen.

    • e. Onder ‘medische noodvluchten’ wordt verstaan: vluchten die uitsluitend tot doel hebben de verlening van medische noodhulp te vergemakkelijken, indien onmiddellijk en snel vervoer essentieel is, door het vervoeren van medisch personeel, medische benodigdheden, met inbegrip van uitrusting, bloed, organen en geneesmiddelen, of zieken of gewonden en andere direct betrokkenen.

    • f. Als zodanige vluchten worden in ieder geval aangemerkt vluchten met de CRCO-vrijstellingscodes ‘H’ en ‘R’ en vluchten die in veld 18 van het vluchtplan zijn aangeduid als STS/SAR, STS/FFR, STS/HUM, STS/MEDEVAC of STS/HOSP.

  • 4. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder f, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    Als zodanige vluchten worden in ieder geval aangemerkt vluchten met de CRCO-vrijstellingscode ‘T’ en vluchten die in veld 18 van het vluchtplan zijn aangeduid als RMK/‘Training flight’.

  • 5. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder g, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    • a. Onder deze vluchten vallen geen veerdienst- en positioneringsvluchten.

    • b. Voor vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met het oog op wetenschappelijk onderzoek geldt dat het wetenschappelijk onderzoek geheel of gedeeltelijk tijdens de vlucht wordt uitgevoerd. Het vervoer van wetenschappers of onderzoeksuitrusting is hiervoor op zich niet voldoende.

    • c. Als vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met het oog op het controleren, testen of certificeren van luchtvaartuigen of grond- of boordapparatuur worden in ieder geval aangemerkt vluchten met de CRCO-vrijstellingscode ‘N‘ en vluchten die in veld 18 van het vluchtplan zijn aangeduid als STS/FLTCK.

  • 6. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder i, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    Onder vluchten in het kader van openbaredienstverplichtingen (ODV) binnen ultraperifere gebieden worden uitsluitend verstaan ODV-vluchten binnen één ultraperifeer gebied of tussen twee ultraperifere gebieden.

  • 7. Vluchten als bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder j, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten

    • a. Het commerciële kenmerk houdt verband met de exploitant en niet met de desbetreffende vluchten. In verband hiermee worden alle door een commerciële luchtvervoersonderneming uitgevoerde vluchten in aanmerking genomen om te bepalen of die exploitant onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten valt, ook al worden die vluchten niet tegen vergoeding uitgevoerd.

    • b. Vluchten die onder bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder a tot en met i, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vallen, blijven buiten beschouwing.

    • c. De lokale tijd van vertrek van de vlucht bepaalt welke periode van vier maanden in aanmerking wordt genomen om te bepalen of een exploitant onder of boven de drempels, bedoeld in bijlage I, onder ‘Luchtvaart’, onder j, eerste gedachtestreepje, bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, valt.

    • d. Uitsluitend in aanmerking worden genomen vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Trb. 1957, 16) van toepassing is, waarbij onder ‘luchtvaartterrein’ wordt verstaan: een afgebakende zone op het land of op het water, met inbegrip van gebouwen, installaties en uitrusting, bestemd om geheel of gedeeltelijk te worden gebruikt voor de aankomst, het vertrek en het grondverkeer van luchtvaartuigen.

Bijlage 2. , behorend bij artikel 58, derde lid

Model nalevingsrapport hydro-elektrische projectactiviteiten

COMPLIANCE REPORT ASSESSING APPLICATION OF ARTICLE 11 b (6) OF EMISSIONS TRADING DIRECTIVE TO HYDROELECTRIC PROJECT ACTIVITIES EXCEEDING 20 MW

Section 1: Description of the project
1: Summary description of the CDM project activity Please complete

Name of the project

 

Project ID Number

 

Location

 

Name of the watercourse

 

Date of completion of the Compliance Report

 
1.1. Project area  

1. Description of the watershed:

– Political and administrative boundaries

– Communities located along

– Principal land use patterns

– Existing and planned river flow modifications

– Average annual runoff (m3)

 

2. Average annual river flow (m3/s)

 

3. Average annual river runoff before and after project's implementation (m3)

 

4. State briefly what impacts other hydrological projects have had on the river basin within 50 km (untouched, affected, significantly affected by other activities)

 

5. Ecological description of the surroundings (forest, cultivated land, wasteland, cultural heritage sites etc.) conservation value

 
1.2. Project-related activities  

1. Type of water infrastructure (i.e. storage reservoir, run-of-river, other)

 

2. Related infrastructure being built as part of the project (i.e. roads, transmission lines, bridges)

 

3. Installed generation capacity (MW)

 

4. Load factor

 

5. Average annual energy production (MWh)

 

6. What role does the project play in the national/regional electricity supply (base load, peak load, load balancing services for the grid, support for intermittent renewables, etc.)?

 

7. Estimated annual emission reduction potential (tCO2e)

 

8. At what stage is the project’s construction at the time of this application?

 

9. What other direct purposes does the project serve (irrigation, flood control, water storage for drought protection, water-based transport, leisure facilities, aqua-culture, industrial and municipal water supply, etc)?

 
1.3. Project components Water-flow: structures and changes  

1. Production capacity-submerged area (W/m2)

 

2. Retention structure/retarding structure (if present)

 

3. Type of water diversion

 

4. Length of diversion

 

5. Type of water inlet

 

6. Reservoir (if present)

 

7. Dam height (from the foundation)

 

8. Crest length

 

9. Reservoir area at average water level

 

10. Total reservoir capacity (m3)

 

11. Backwater length

 

12. Submerged area in total

 

13. Submerged residential area

 

14. Submerged farmland/grassland

 

15. Number of displaced inhabitants

 

16. Production capacity/submerged area(W/m2)

 
Section 2: Assessment of compliance with the WCD criteria. Please complete this form with full explanation for all items. If a criterion is not relevant to the project, please explain why.

Criteria

Description

Sources1

Validator’s Assessment

1. Gaining Public Acceptance      
1.1. Stakeholder consultation      

1. Describe how the relevant stakeholders were identified.

     

2. Are any of these people minority groups, especially indigenous people and if so, what special efforts were taken to identify and meet their needs?

     

3. How many people have to be resettled due to the project?

     

4. Resettled people/annual energy production (number/GWh)

     

5. How many people were otherwise affected by the project (e.g. through loss of land, reduced productivity of fishing or hunting, etc.)?

     

6. Describe how the affected local people and other relevant stakeholders have been informed and involved in the decision-making process of building the power plant.

     

7. Describe how the affected local people and relevant stakeholders have been informed about the impacts of the project on their quality of life

     

8. How have the affected local and indigenous communities participated in the decision-making process?

     

9. How will the economic and social impacts of the project on the affected local communities, indigenous people and/or other relevant stakeholders be addressed?

     

10. How do compensation and benefit agreements correspond with the identified needs and rights of the stakeholders negatively affected upstream and downstream due to the project?

     

11. Was a Stakeholders Forum held with a broad local community participation (based on a customary and national law)? Describe the process and its outcome, and the response of project developer, local and national authorities?

     
1.2. Transparency      

1. Was key project documentation (e.g., social and environmental impact assessments) made publicly available before a decision to start construction was made?

     

2. In what form was project documentation made available to stakeholders? Was it the original EIA etc. or was it in another form e.g., a summary of positive and negative effects of the hydrological construction

     

3. How many of the total number of stakeholders have had access to the key documentation and have been actively involved?

     

4. Is there a negotiated agreement between the stakeholders and project owner(s)? If so, is it publicly available?

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 1:      
2. Comprehensive Options Assessment      
2.1. Needs      

1. What priority is given to hydropower in national development or energy planning (e.g. relevant government decisions)?

     

2. What are the needs for hydropower at regional and local level?

     

3. What are the regional/national supply needs of the electric system (renewable base load, peak load or load balancing of the grid, support of intermittent renewables)?

     

4. Describe safeguards for equitable access to water resources. How do hydropower projects contribute to efficient water resources management?

     

5. Does this hydropower project provide financial incentives to develop a multi-purpose project?

     
2.2. Alternatives      

1. Describe the examination of alternatives to the project that have been considered (include details of feasibility studies and do-nothing options analysis that have been conducted).

     

2. Have stakeholders been involved in the identification of the options? Describe process and outcome of that involvement

     

3. What are the main reasons behind the project choice and site selection (social, environmental, economic, and technical)?

     

4. What are the consequences of non-action for the local and global environment?

     

5. On the project assessment level, describe project variants and types of technology considered in comparison with the selected option.

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 2:      
3. Addressing Existing Dams/hydroelectric projects      

1. For hydroelectric projects with dams, please describe the national requirements and routines for monitoring and reporting regarding:

– emergency warning,

– sediment management,

– safety system,

– maintenance system,

– environmental impact,

– social impact,

– implementation of compensation agreements.

     

2. For non-dam projects, describe details of the continuous monitoring of the project (environmental and quality assurance)

     

3. How have relevant outstanding social and environmental issues from existing dams/hydroelectric projects in the river basin been addressed?

     

4. Have national regulations been enforced for existing dams and what can be concluded with regard to compliance?

     

5. Will the implementation of safety measures and evacuation plans be independently audited?

     

6. Provisions for maintenance and decommissioning:

– What provisions have been made for maintenance and refurbishment (eg. a maintenance and refurbishment fund)?

– What arrangements are made for decommissioning at the end of the plant lifetime, if any (e.g. decommissioning set aside fund)?

– Describe provisions for emergency drawdown and decommissioning.

– Are they sufficiently flexible to accommodate changing future needs and values, including ecosystem needs and ecosystem restoration (Guideline 12)?

– Does the licence for project development define the responsibility and mechanisms for financing decommissioning costs?

– Describe economic, environmental, social and political factors that may point against future decommissioning, if this has been recognised as the best solution

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 3:      
4. Sustaining Rivers and Livelihoods      
4.1. Water use ratio2      

Water use ratio (ratio of natural flow, agricultural water, industrial water, domestic water...) including

1. population of the river basin area (106 inhabitants);

2. natural mean flow (km3/year);

3. demand (km3/year);

4. water use ratio (%);

5. comparison of water demand with natural mean flow;

6. storage capacity (km3);

7. annual water consumption by type of users (hm3/year): agricultural and farming, domestic use, industrial use

     
4.2 Impact Assessment (Note: both positive and negative impacts should be included here)

What Impact Assessments have been carried out and on which regulations were they based on? – Describe the major impacts in each of the following categories and the mitigation measures for negative impacts:

     
4.2.1. Environmental Impacts

Describe environmental impacts of the project (including impact on water quality (temperature, oxygen, etc.), soil, air quality, GHG emissions, biodiversity, habitats, risk of erosion caused by inundation etc.)

     
4.2.2. Environmental Flow Assessment

1. Describe how the environmentally safe minimum flow has been determined.

2. Describe the measures taken to minimise the impact of reduced flow in the affected river.

3. Describe the measures taken to maintain ecosystems, productive fisheries and other aqua-cultures downstream and upstream.

4. Describe the activities the project developer will undertake before flooding the land (e.g. clearing of vegetation or other preparations).

5. Describe any other compensatory measures addressing environmental impacts of the project.

     
4.2.3. Social Impact Assessment

1. Describe social impacts of the project (including resettlement, impacts on other land or river use e.g. fishing, agriculture, hunting and use of other types of natural resources and including benefits to individuals and communities)

2. Describe any identified health impacts due to the project.

3. Describe impacts on religious and cultural heritage.

4. Describe the liability provisions safeguarding the implementation of the planned measures.

5. Is the project planned in a responsible way in order to sustain livelihoods and the environment?

     
4.3 Cumulative Impacts

Describe the cumulative impacts of all hydrological structures existing in the river basin using variables such as:

1. flow regime,

2. water quantity,

3. productivity,

4. water quality species composition of different rivers in the same river basin.

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 4:      
5. Recognising Entitlements and Sharing Benefits      

Are Mitigation, Resettlement and Development Action Plans (where applicable – including commensurate compensation packages) in place? Provide details:

1. Demonstrate that the construction of the plant did not lead to worsening of the living conditions of the local residents and resettled families

2. Were compensation and benefit agreements planned in consultation with affected groups?

3. What standards were the measures based on? (e. g. national standards or other)

4. Were the affected people satisfied with the compensation packages?

5. Benefits for the affected people (individuals and communities): In what way will the affected local and indigenous population’s livelihoods be improved due to the project?

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 5:      
6. Ensuring Compliance      
6.1. Compliance measures:      

1. What will be done to ensure that relevant laws, regulations, agreements (including resettlement and compensation agreements) and recommendations are followed?

     

2. Are the compensation agreements legally binding – through treaties, administrative acts or other safeguards?

     

3. Is the cost of the compensation package included in the financial plan?

     

4. Does the project developer already operate other hydroelectric power stations? If so, have there been any conflicts between the project developer and stakeholders related to the development, operation and compensatory measures related to these projects? If so, describe the cause of the conflict and how it was resolved.

     
6.2. Monitoring and evaluation during crediting period:      

1. Describe conditions in place for monitoring and evaluation of environmental and socio-economic impacts of the project.

2. What provisions have been made to ensure that all measures not yet implemented at the time of validation will be put in place as appropriate, and monitored (for example through an independent auditing panel or auditor, or through self-auditing etc.)?

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 6:      
7. Sharing rivers for peace, development and security.      

Does the project have trans-boundary impacts? – If so, give details of agreement(s) between affected countries, considering international recommendations for trans-boundary water projects and describe how this affects the project.

     
Validator’s Conclusions concerning Priority 7:      
Validator’s assessment as to how the project respects the seven strategic priorities outlined in the World Commission on Dams November 2000 Report ‘Dams and Development – A New Framework for Decision-Making’      

1 Such as process documentation, stakeholders and issues identification, consultation strategies, resources planning, compensation plans, timetables, information sharing, written agreements with stakeholders, records of interviews, results of surveys/polls, minutes of meetings of the Stakeholders Forum, project documentation, Environmental Impact Assessments, documents related to local spatial planning, government and local authorities permits and agreements, description of methodologies used, decommissioning plans (where appropriate), other related environmental impact and social impact studies, etc.

2 Water Use Ratio – an environmental indicator which refers to the withdrawal of water for irrigation, industry, household use. A ratio of 25% or higher is generally an indicator of water stress. Important water demanding activities affect seriously its quantity and in consequence the availability of water resources. Some of these driving forces are urbanization, industry and agricultural production. The increase in impervious surface has the effect of reducing water infiltration and aquifer recharge