Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg[Regeling vervalt per 01-01-2021.]

Geldend van 27-01-2018 t/m heden

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3, 7, 10 en 11 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b. A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;

  • c. ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;

  • d. buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;

  • e. directeur meldkamer: de directeur meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s;

  • f. directeur publieke gezondheid: de directeur publieke gezondheid, bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;

  • g. gewondenspreidingsplan: overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen;

  • h. partners in de acute zorgketen: huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio;

  • i. ROAZ: het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen;

  • j. triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.

Hoofdstuk II. Spreiding en beschikbaarheid

Artikel 2

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.

  • 4 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.

Hoofdstuk III. Landelijke eisen ambulancezorg

§ 1. Algemeen

Artikel 3

De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.

Artikel 4

De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.

Artikel 5

De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.

Artikel 6

Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.

§ 2. De cliënt

Artikel 7

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 8

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:

    • a. op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en

    • b. zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.

§ 3. Prijs en doelmatigheid

Artikel 9

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 4 In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

  • 5 De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.

§ 4. Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s

Artikel 10

De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

Artikel 11

  • 1 Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:

    • a. de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren),

    • b. de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie,

    • c. de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en

    • d. de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.

§ 5. Het personeel

Artikel 12

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.

  • 2 Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.

  • 3 Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.

  • 4 De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.

  • 5 De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.

§ 6. De organisatie

Artikel 13

De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.

Artikel 14

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.

Artikel 15

De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.

Artikel 16

De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.

§ 7. De meldkamer ambulancezorg

Artikel 17

Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.

Artikel 18

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:

    • a. de verdeling van taken in de meldkamer,

    • b. de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement,

    • c. het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur,

    • d. de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens,

    • e. de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en

    • f. het continuïteitsplan voor de meldkamer.

Artikel 19

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.

§ 8. Opschaling

Artikel 20

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:

    • a. de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie,

    • b. de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet,

    • c. de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel,

    • d. de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt,

    • e. de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en

    • f. het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

Artikel 21

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.

§ 9. Regionale eisen ambulancezorg

Artikel 22

  • 1 Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.

  • 2 Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.

Hoofdstuk IV. Gegevensverstrekking ambulancezorg

Artikel 23

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening overlegt aan de minister de volgende gegevens:

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 24

De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk V. Bijzondere ambulancezorg

§ 1. Uitzonderingen

Artikel 25

  • 1 Het in hoofdstuk II van de Tijdelijke wet ambulancezorg bepaalde geldt niet voor:

    • a. vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:

      • van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;

      • in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;

    • b. vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;

    • c. vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009;

    • d. vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt;

    • e. vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;

    • f. vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt;

    • g. het buitenlandvervoer.

  • 2 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.

  • 3 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:

    • a. voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen;

    • b. voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.

§ 2. Landelijke eisen voor buitenlandvervoer

Artikel 26

Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.

Artikel 27

  • 1 De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).

  • 2 Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.

Artikel 28

De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.

Artikel 29

De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.

Artikel 30

De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.

Artikel 31

De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.

Artikel 32

  • 1 De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.

  • 2 In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

Artikel 33

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 34

De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 35

[Red: Wijzigt het Besluit 1-1-2 alarmcentrales.]

Artikel 36

[Red: Wijzigt de PODACS-regeling.]

Artikel 37

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt.

Artikel 38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E.I. Schippers

Bijlage 1. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017

RIVM Briefrapport 2017-0109

Publiekssamenvatting

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017

Op basis van ritgegevens over het jaar 2016 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 608 ambulances nodig, 10 meer dan uit de doorrekening over 2015 bleek. Ook zijn er in de avond, nacht en in het weekend meer ambulances nodig. ’s Avonds op werkdagen zijn er bijvoorbeeld 6 ambulances meer nodig dan in de vorige doorrekening. In het weekend varieert dit tussen 3 en 7 ambulances, afhankelijk van de dag en het tijdstip.

De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aantal benodigde ambulances is de stijging van het aantal ritten. Het aantal spoedeisende ritten steeg in 2016 met 6 procent ten opzichte van 2015, het aantal besteld vervoer inzetten met 2 procent.

De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen.

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2017 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2016.

Kernwoorden: ambulancezorg, referentiekader, spreiding en beschikbaarheid, capaciteitsmodel

Synopsis

Frame of reference for distribution and availability of ambulance care 2017

Based on ride data for 2016, RIVM calculated how many ambulances are needed in the Netherlands. On workdays 608 ambulances are needed during the day, 10 more than calculated for 2015. More ambulances are also needed in the evening, during the night and in weekends. During the evening on workdays, for example, 6 more ambulances are needed than in the previous calculation. On weekends, this varies between 3 and 7 ambulances, depending on the day and time.

The main reason for the increasing number of ambulances needed is the rise in the number of services. The number of emergency services increased by 6 percent in 2016 compared to 2015, while the number of the planned services increased by 2 percent.

The required capacity of ambulance care in the Netherlands is calculated using a national ambulance plan. This is a framework that defines the number of ambulances with which ambulance care can be carried out in the Netherlands, given a number of preconditions, such as the time after notification within which an ambulance must be on site and the distribution of the stations.

On behalf of the Ministry of Health, Welfare and Sport, RIVM updated the national ambulance plan in 2017 with figures on the use of ambulance care in the Netherlands in 2016.

Keywords: ambulance care, national ambulance plan, distribution and availability, capacity model

Inhoudsopgave

Samenvatting 3
     
1 Inleiding 5
     
2 Productiecijfers 2016 6
     

2.1

Productie 2016

6

2.2

Nadere selecties voor het referentiekader

7

2.3

Gemiddelde ritduur

10

     
3 Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2017 11
     
4 Conclusies en discussie 14
   
  Referenties 16
   
  Bijlage 1: Regio-indeling 17
   
  Bijlage 2: Spreiding referentiekader 2017 18
   
  Bijlage 3: Selectie en herverdelen van inzetten 21

Samenvatting

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per RAV-regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het referentiekader wordt periodiek geactualiseerd. In 2017 is het referentiekader opnieuw doorgerekend op basis van productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2016. In deze actualisatie is gebruik gemaakt van dezelfde rekenmodellen als in de vorige doorrekening die in 2016 heeft plaatsgevonden.

Productie 2016 in het referentiekader-2017

De capaciteitsberekeningen van het referentiekader zijn gebaseerd op de productiecijfers over 2016. Op basis van de uitgangspunten en randvoorwaarden van het referentiekader wordt een aantal inzetten uit de productie weggelaten. Dit betreft inzetten zonder tijdenregistratie en inzetten van een rapid responder waarbij er een tweede ambulance is ingezet. Op basis van deze filters wordt 1,2% van de productie over 2016 uit de selectie gefilterd. Het referentiekader gaat uit van 1.297.875 inzetten, waarvan 624.492 met A1-urgentie, 333.771 met A2-urgentie en 339.612 B-inzetten. In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2016 is dat een productiestijging van 4,8%.

Bewerking voor het referentiekader

Voor het referentiekader is er één bewerking van de gegevens, namelijk een herverdeling van spoedritten. Deze herverdeling wordt ook wel een ‘correctie voor burenhulp’ genoemd. Op basis van het adres waar de ambulance de patiënt heeft verzorgd, het ‘afhaaladres’, worden inzetten toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats, op basis van kortste rijtijd. De standplaats bepaalt aan welke RAV de productie voor de capaciteitsberekening wordt toegewezen. De standplaatslocaties zijn afkomstig uit het spreidingsplan van het referentiekader. Door de herverdeling kan een deel van de productie van een RAV worden toegewezen aan een andere RAV. Het totaal aantal inzetten blijft onveranderd door de herverdeling. B-inzetten worden niet herverdeeld maar blijven toegewezen aan de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.

Gemiddelde ritduur

De gemiddelde ritduur is geschat aan de hand van een selectie van ritten met valide tijdenregistratie. Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2016 met 3 minuten en 43 seconden toegenomen naar 66 minuten en 24 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 27 seconden licht toegenomen naar 63 minuten en 30 seconden. De gemiddelde ritduur van het besteld vervoer is in 2016 met 6 minuten en 29 seconden afgenomen tot 73 minuten en 43 seconden.

Uren ambulancezorg in de capaciteitsberekening

De capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden uitgevoerd op regionaal niveau, met differentiatie naar dagsoort en uur van de dag. In het model wordt op detailniveau het aantal uren ambulancezorg bepaald waarvoor ambulancecapaciteit nodig is. In totaal gaat het referentiekader uit van 1.453.909 uren verleende ambulancezorg in 2016, een stijging van 4,4% ten opzichte van 2015. Daarvan zijn 1.001.842 uren spoedeisende ambulancezorg en 452.067 uren besteld vervoer. Het jaar 2016 was een schrikkeljaar waardoor er meer uren beschikbaar waren dan in 2015. De productiestijging van 4,4% kon dus in een iets groter aantal beschikbare uren worden verzorgd. Het capaciteitsmodel rekent met de productiviteit van de ambulancezorg, het aantal uren geleverde ambulancezorg per beschikbaar uur. In 2016 steeg deze met 4,1%, van 159 in 2015 naar 166 in 2016. Op basis van deze cijfers, die per RAV verschillen, is de benodigde capaciteit in het referentiekader berekend.

Resultaten referentiekader-2017

Op werkdagen overdag (8-16 uur) zijn 608 ambulances nodig. Dit zijn tien meer dan in het referentiekader-2016. Op werkdagen in de nacht (0-8 uur) zijn er vier ambulances meer nodig, in de avonduren (16-24 uur) zijn er zes ambulances meer nodig. In de weekenddagen varieert het aantal extra benodigde ambulances van drie tot zeven, afhankelijk van het tijdstip op de dag. Omgerekend naar het aantal benodigde diensten betekent dit dat volgens het referentiekader-2017 er 8.803 diensten ambulancezorg nodig zijn. Een dienst is hierbij gedefinieerd als het verlenen van 8 uur ambulancezorg door een ambulanceteam. Voor het verlenen van ambulancezorg over een etmaal zijn dan drie diensten nodig, voor een week zijn 21 diensten nodig. Het aantal van 8.803 diensten is 1,6% meer dan in het referentiekader-2016 was berekend over het productiejaar 2015.

Discussie: stijging van de productie

Een aantal regio’s met een bovengemiddelde productiestijging is gevraagd naar de achtergronden van de productietoename, de volgende verklaringen zijn gegeven.

  • De stijging in 2016 is incidenteel. Als de lange termijn ontwikkelingen worden beschouwd is de stijging in 2016 niet (significant) verschillend van de veranderingen in de afgelopen jaren. Er zijn sterke regionale schommelingen in productiegroei die kunnen afwijken van landelijke trends.

  • Door een verandering in de indicatie van ambulancezorg op bepaalde meldkamers is er een verschuiving van A1-inzetten naar A2-inzetten geweest. Deze verandering had te maken met een andere codering in het triagesysteem ProQA waardoor meldingen die voorheen met een A1-urgentie werden gecodeerd, A2-urgentie kregen.

  • In sommige regio’s is er een sterke toename geweest van het aantal aanvragen door huisartsen en huisartsenposten. Voor een deel kan dit verklaard worden door veranderingen in het triagesysteem op de huisartsenposten. Ook de toenemende vraag naar zorg in andere delen van het spoedzorgsysteem zorgt voor een extra druk op de ambulancezorg.

  • Veranderingen in het aanbod van SEH’s (afname) hebben veranderingen in de ambulancezorg tot gevolg, met meer inzetten met een langere ritduur. Bovendien zijn er meer voertuigbewegingen nodig om de dekking in een gebied te borgen, omdat ambulances verder weg moeten rijden om patiënten naar een geschikte SEH te brengen.

  • Een sterke stijging van het aantal 112-meldingen, vooral door personen van 70 jaar en ouder. Vermoedelijk komt dit door het feit dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen en door een vergrijzende bevolking. Daarnaast is er een sterke stijging van 112-meldingen in verband met verwarde personen.

  • Een toenemende kans op klachten en claims bij incidenten leidt ertoe dat ambulanceteams patiënten vaker naar een SEH brengen, om deze klachten en claims te voorkomen. Ook wordt nu meer dan vroeger aandacht en tijd besteed aan het volledig maken van registraties van inzetten, met een langere ritduur als gevolg.

Discussie: stijging A2-inzetten

Een deel van de stijging van het aantal A2-inzetten kan verklaard worden door regionale verschillen in het registreren van afgebroken inzetten in het zogenaamde ‘DIA-protocol’. Volgens dit protocol wordt een ambulance onder A2-urgentie ingezet voordat een melding is afgerond. Doel hiervan is het realiseren van een kortere responstijd. Als na afronding van de melding blijkt dat een inzet niet nodig is wordt de inzet afgebroken en wordt de ambulance teruggeroepen. In sommige regio’s komen deze afgebroken inzetten in de productie voor, in andere regio’s niet. Deze diversiteit leidt ertoe dat de productiecijfers van de regio’s niet helemaal vergelijkbaar zijn.

Discussie: stijging van het aantal benodigde ambulances

De productiestijging van 4,4% in 2016 in de cijfers voor het referentiekader leidt niet tot een evenredige stijging van het aantal benodigde ambulances of diensten. Dit komt door het niet-lineaire karakter van het capaciteitsmodel. In de capaciteitsberekeningen heeft een productiestijging tot gevolg dat de bezettingsgraad van ambulances toeneemt. Deze toename gaat door tot het punt wordt bereikt dat de kans dat er geen ambulance beschikbaar is bij een nieuwe melding meer dan 5% is. Door deze ‘bufferruimte’ stijgen de uitkomsten van het model minder hard dan de inputs.

Aanbevelingen
  • 1. Aanbevolen wordt om meer eenduidigheid te krijgen in het registreren van afgebroken DIA-inzetten zodat de regionale productie van A2-inzetten beter vergelijkbaar wordt. Deze aanbeveling is gericht aan de ambulancesector en moet er toe leiden dat de onzuiverheden in de productiecijfers kleiner worden.

  • 2. Aanbevolen wordt om meer inzicht te krijgen in de effecten van ontwikkelingen in het acute zorgsysteem in zijn geheel op de ambulancezorg. Het acute zorgsysteem is een dynamisch systeem waarin veranderingen in de ene sector effecten kunnen hebben in andere sectoren. Veranderingen in het aanbod van SEH’s kunnen gevolgen hebben voor de ambulancezorg of acute huisartsenzorg (HAP’s). Veranderingen in triage en zorgindicatie kunnen effecten hebben op verschillende delen van het acute zorgsysteem. De vraag is wat de gevolgen zijn voor de benodigde ambulancecapaciteit en paraatheid. Om eerder inzicht te krijgen in mogelijke knelpunten door veranderingen in het acute zorg systeem is het aan te bevelen om een integraal stroommodel te ontwikkelen waarmee deze ontwikkelingen integraal kunnen worden geanalyseerd.

  • 3. Ten slotte wordt aanbevolen om een toekomstverkenning te maken van het referentiekader. In een toekomstverkenning kunnen verschillende beleidsscenario’s worden uitgewerkt voor het gebruik van ambulancezorg. Een basisscenario bij ongewijzigd beleid en alternatieve scenario’s waarin er bepaalde sturing is op de groei van het gebruik van ambulancezorg. De toekomstverkenning kan inzicht geven in de toekomstige benodigde capaciteit en kan behulpzaam zijn voor de planning van opleiding van ambulanceverpleegkundigen en -chauffeurs.

1. Inleiding

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per RAV in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de capaciteit die nodig is om voldoende geografische dekking te garanderen. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een bepaald minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het rekenmodel waarmee de benodigde capaciteit wordt berekend is hierop toegesneden. De berekeningen zijn gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg in een basisjaar.

De minister van VWS stelt het referentiekader vast. Dat gebeurde voor het eerst in 2004, actualisaties volgden in 2008, 2013 en in 2016 (Ministerie van VWS, 2004; 2008; 2013; 2016). De uitkomsten van het referentiekader vormen de basis voor het bekostigingsmodel voor de ambulancezorg dat door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt beheerd. Het RIVM beheert de rekenmodellen voor het referentiekader en rekent deze in opdracht van het ministerie van VWS door (PVAZ, 2004), (Kommer en Zwakhals, 2009; 2013a; 2016). Naast deze rapportages van het referentiekader zijn de afgelopen jaren drie achtergrondrapporten gepubliceerd (Kommer en Zwakhals, 2011; 2013; Kommer et al.; 2017). In het meest recente achtergrondrapport is onderzocht hoe de capaciteitsberekeningen van het referentiekader beter kunnen aansluiten bij de praktijk van dynamisch ambulance management en de uitvoering van besteld vervoer.

Actualisatie van het referentiekader in 2017

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2017 geactualiseerd. Dit rapport geeft hiervan verslag. De rekenmodellen, uitgangspunten en randvoorwaarden zijn gelijk aan het referentiekader-2016. Het enige verschil ten opzichte van 2016 is gelegen in de ritgegevens. Het referentiekader-2016 maakte gebruik van ritgegevens over het productiejaar 2015, het referentiekader-2017 is gebaseerd op ritgegevens over 2016. De ritgegevens, het aantal inzetten en de ritduur, bepalen het aantal uren ambulancezorg waarop de capaciteitsberekeningen zijn gebaseerd.

Terminologie

In de toelichting op de bewerking van de ritgegevens voor de doorrekening van het referentiekader is het noodzakelijk om bepaalde kenmerken van de ambulancezorg en de geregistreerde ritgegevens te bespreken. De terminologie die in dit rapport wordt gehanteerd sluit aan bij het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg van Ambulancezorg Nederland (AZN, 2013). Voor de leesbaarheid wordt in enkele gevallen alternatieve terminologie gebruikt. Meestal wordt de term inzet gehanteerd voor een dienstverlening door een ambulance maar soms spreken we van een rit. In de meeste gevallen vindt er bij een inzet/rit daadwerkelijk vervoer van de patiënt plaats, dit zijn declarabele inzetten. In een aantal gevallen wordt ter plaatse eerste hulp verleend maar vindt geen vervoer van de patiënt plaats. Dit zijn EHGV-inzetten (Eerste hulp geen vervoer). In sommige gevallen wordt geen patiënt aangetroffen of wordt ter plaatse geconcludeerd dat hulpverlening niet noodzakelijk is. In die gevallen is er noch hulpverlening geweest noch vervoer. Dit zijn zogenaamde loze ritten. In al deze gevallen is de ambulance ter plaatse gekomen. Er zijn ook gevallen waarbij de inzet vroegtijdig wordt geannuleerd of afgebroken. Als de ambulance op het tijdstip van annulering al rijdt is er sprake van een afgebroken rit. Als het ambulanceteam wel een opdracht heeft gekregen, maar nog niet is uitgerukt, is er sprake van een geannuleerde rit. Inzetten van de ambulance hebben altijd een urgentiecodering. Voor spoedeisende inzetten is dit een A-urgentie. Bij levensbedreigende situaties wordt een inzet onder A1-urgentie uitgevoerd, anders is er A2-urgentie. Naast de spoedeisende inzetten zijn er ook planbare inzetten. Dit zijn inzetten waarbij een tijdstip wordt afgesproken voor het halen of brengen van een patiënt. Vaak wordt de patiënt van of naar een ziekenhuis of andere zorginstelling gebracht voor therapie of behandeling. Het planbare vervoer wordt soms ook besteld vervoer of B-vervoer genoemd.

De regio-indeling van het referentiekader wijkt af van de reguliere RAV-indeling omdat in het referentiekader de zogenaamde ‘eilandbenadering’ wordt gehanteerd. In deze benadering wordt de capaciteitsberekening voor de Waddeneilanden, voor Goeree-Overflakkee en voor de Zeeuwse (schier-)eilanden apart berekend. Ook wordt de capaciteitsberekening voor de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland apart gedaan, waar deze twee regio’s in de praktijk in veel opzichten organisatorisch één geheel vormen. In Bijlage 1 is een nummering gegeven van de regio’s zoals in het referentiekader gehanteerd. Deze nummering wordt in een aantal tabellen in dit rapport gehanteerd. Voor de productiecijfers, zoals gehanteerd in het sectorrapport Ambulances in-zicht, hanteren we de term ‘RAV’, voor de indeling van het referentiekader hanteren we de term ‘regio’.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg besproken. Paragraaf 2.1 geeft de cijfers zoals de ambulancesector publiceert in het sectorrapport Ambulances in-zicht. De selecties die voor het referentiekader zijn gedaan worden in paragraaf 2.2 besproken. In paragraaf 2.3 zijn de cijfers van de gemiddelde ritduur gegeven. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en geeft een discussie op de actualisatie van het referentiekader.

2. Productiecijfers 2016

Cijfers over de vraag naar, het aanbod van en de prestaties in de ambulancezorg in Nederland wordt jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in het sectorrapport Ambulances in-zicht. Het RIVM verzorgt sinds 2008 de verzameling en analyse van de logistieke gegevens. In de jaarlijkse cyclus wordt in januari begonnen met het verzamelen van ritgegevens. Meestal zijn de productie- en prestatiecijfers in juni vastgesteld. Voor deze vaststelling is er afstemming van de RIVM-analyses met de 24 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). Er wordt aan elke RAV goedkeuring gevraagd van de door het RIVM geanalyseerde productie- en prestatiecijfers.

Dit hoofdstuk beschrijft de selecties van ritgegevens voor het referentiekader. De productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg liggen aan de basis van het referentiekader (paragraaf 2.1). Voor het referentiekader wordt een aantal inzetten uitgesloten, dit gebeurt op grond van de uitgangspunten van het referentiekader (paragraaf 2.2). Voor de schattingen van de gemiddelde ritduur zijn enkele specifieke selecties gedaan (paragraaf 2.3).

2.1. Productie 2016

De productie van de Nederlandse ambulancezorg in 2016 is gegeven in tabel 2.1. Deze cijfers hebben betrekking op de reguliere productie en zijn (2015-data) of worden (2016-data) gepubliceerd in Ambulances in-zicht (AZN, 2016; 2017). Details over de selectie van deze productiecijfers met een toelichting op welke inzetten wel of niet worden meegenomen, zijn gegeven in Bijlage 3.

De totale productie van de ambulancezorg is in 2016 met 4,8% toegenomen. De stijging van het spoedvervoer is met 5,7% ruim twee en een half maal zo groot als de stijging van het besteld vervoer. Opvallend is de sterke stijging van het aantal A2-inzetten in een aantal regio’s en de grote verschillen in groeicijfers tussen de regio’s. Bij inzetten met A2-urgentie varieert de groei tussen -2,2 tot +44%, bij het besteld vervoer varieert het tussen -11,1 en +14,7%. Wel gaat het in sommige gevallen om relatief kleine aantallen inzetten. Ruim 48% van de productie in 2016 bestaat uit inzetten met A1-urgentie. Het aandeel van inzetten met A2-urgentie is 26%, het aandeel besteld vervoer is ook 26%. Een aantal RAV’s is gevraagd naar achtergronden van de productiestijging in 2016. In hoofdstuk 4 wordt dit besproken.

Tabel 2.1: Productiecijfers 2016 per RAV en de verandering ten opzichte van 2015 (bron: AZN 2016; 2017, cijfers bewerkt door RIVM).

nr

RAV

2016

Toename 2015-2016 (%)

A1

A2

B

Totaal

A1

A2

B

Totaal

1

Groningen

26.072

12.992

14.559

53.623

7,0

9,1

3,0

6,4

2

Friesland

24.865

13.349

11.197

49.411

6,3

6,5

4,0

5,8

3

Drenthe

20.827

10.947

10.358

42.132

6,2

3,5

10,4

6,5

4

IJsselland

14.626

10.583

8.996

34.205

1,9

4,1

3,3

2,9

5

Twente

14.474

14.887

10.987

40.348

9,4

3,5

3,5

5,5

6

Noordoost Gelderland

21.417

15.744

11.169

48.330

3,1

7,8

14,7

7,1

7

Midden Gelderland

20.625

13.562

9.562

43.749

3,3

12,8

0,3

5,4

8

Gelderland Zuid

15.557

12.662

11.517

39.736

–1,5

8,3

7,0

3,9

9

Utrecht

36.404

26.632

30.349

93.385

4,1

4,6

2,6

3,7

10

Noord-Holland Noord

25.522

10.350

8.417

44.289

5,6

19,4

2,5

7,9

11

Amsterdam/Waterland

71.227

18.997

38.126

128.350

6,3

12,6

1,0

5,5

12

Kennemerland 1

25.321

11.370

9.760

46.451

1,2

44,0

0,2

8,9

14

Gooi- en Vechtstreek

8.254

3.756

6.176

18.186

–1,3

14,3

1,4

2,5

15

Haaglanden

48.306

23.909

28.538

100.753

0,5

13,8

2,9

4,1

16

Hollands Midden

30.425

12.976

13.636

57.037

0,4

23,4

–4,6

3,5

17

Rotterdam-Rijnmond

53.236

25.980

33.430

112.646

3,2

9,1

2,5

4,3

18

Zuid-Holland Zuid

18.005

8.301

9.449

35.755

2,2

4,9

–0,8

2,0

19

Zeeland

14.504

8.675

5.681

28.860

4,6

2,3

–5,0

1,9

20

Midden- en West Brabant

40.563

25.018

20.832

86.413

2,0

13,4

5,4

5,9

21

Brabant-Noord

21.978

14.152

8.673

44.803

5,9

8,3

8,6

7,2

22

Brabant-Zuidoost

26.473

13.507

12.621

52.601

1,3

12,7

4,0

4,7

23

Limburg Noord

18.518

12.229

6.515

37.262

4,4

–2,2

–11,1

–0,8

24

Zuid Limburg

21.263

12.415

15.526

49.204

5,8

0,2

–3,2

1,4

25

Flevoland

14.413

7.063

4.246

25.722

8,9

10,5

–5,9

6,6

 

Totaal

632.875

340.056

340.320

1.313.251

3,7

9,6

2,2

4,8

1) De productiecijfers van RAV Kennemerland over 2015 zijn gecorrigeerd voor inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. In 2016 zijn inzetten van de ambulancedienst van Schiphol buiten de productie van RAV Kennemerland gehouden.

2.2. Nadere selecties voor het referentiekader

Voor de capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden drie soorten inzetten uit de productie niet meegenomen. Het gaat dan om inzetten zonder tijdenregistratie, inzetten van rapid responders waarbij er een tweede voertuig is ingezet en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. Na het uitfilteren van deze inzetten is er nog een bewerking van de ritgegevens, hierbij worden de spoedritten herverdeeld naar de dichtstbijzijnde (op basis van kortste rijtijd) standplaats en de bijbehorende RAV, op basis van de locatie van het incident, het ‘afhaaladres’.

  • 1. Inzetten zonder tijdsregistratie

    Deze inzetten worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen omdat deze niet kunnen worden toegedeeld naar het uur van de dag. In totaal worden hierdoor 1.589 inzetten uitgefilterd: 469 A1-inzetten, 412 A2-inzetten en 708 B-inzetten. Dit komt overeen met 0,1% van de totale productie in 2016.

  • 2. Inzetten van rapid responders 1 met inzet van een tweede voertuig

    De inzet van de rapid responder wordt in het referentiekader als ‘dubbel’ gezien en niet meegenomen in de productie. In totaal worden om deze reden 13.085 inzetten uitgefilterd: 7.253 A1-inzetten en 5.832 A2-inzetten. Dit komt overeen met 1,4% van het totaal aantal spoedeisende inzetten in 2016.

  • 3. Ambulancedienst Schiphol

    Inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen. In 2016 waren deze inzetten niet in de productiecijfers van RAV Kennemerland meegenomen, cijfers van de ambulancedienst van Schiphol hoefden dus niet te worden uitgefilterd.

Bijlage 3 geeft details van deze selecties.

Tabel 2.2: Uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2017.

Productiecijfers-2016

A1

A2

B

Totaal

Totale productie 1

632.875

340.056

340.320

1.313.251

         

Inzetten zonder tijdsregistratie

469 –

412 –

708 –

1.589–

Rapid responder inzetten met een vervolgauto

7.914 –

5.873 –

0 –

13.787 –

         

Totale productie in referentiekader

624.492

333.771

339.612

1.297.875

Aandeel in totale productie (%)

98,7

98,2

99,8

98,8

1) De productie 2016 is conform Tabel 2.1.

Herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats

De capaciteitsberekening van het referentiekader is gebaseerd op 1.297.875 inzetten in 2016. Dit komt overeen met 98,8% van de totale productie. Op de inzetten wordt nog een bewerking uitgevoerd voordat deze in de capaciteitsberekeningen worden gebruikt. Spoedeisende inzetten, met A1- of A2-urgentie, worden toegedeeld aan de dichtstbijzijnde standplaats. Deze toedeling is gebaseerd op een berekening van verzorgingsgebieden van standplaatsen van het spreidingsplan van referentiekader. Deze kunnen afwijken van de werkelijke standplaatsen. De spoedritten worden toegewezen aan de verzorgingsgebieden op basis van het afhaaladres van de inzet. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt dus een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. Het besteld vervoer wordt niet herverdeeld. Het B-vervoer blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering2 die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat het besteld vervoer van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van het besteld vervoer van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De B-inzetten van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.

Inzetten in het buitenland

Spoedeisende inzetten in het buitenland worden wel meegenomen in de capaciteitsberekeningen maar vallen buiten de herverdeling. Het betreft hier reguliere inzetten in de grensstreek met Duitsland en België. Inzetten van specifieke buitenlandvervoerders, voor bijvoorbeeld repatriëring van patiënten uit het buitenland, vallen buiten de reguliere productie. Spoedritten in het buitenland worden niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten omdat buitenlandse adressen niet voorkomen in de verzorgingsgebieden van standplaatsen. De buitenlandse inzetten worden toegewezen aan de uitvoerende RAV. De ritgegevens zijn wel meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. In 2016 zijn 519 inzetten in het buitenland uitgevoerd, 81 inzetten met A1-urgentie, 47 met A2-urgentie en 391 B-inzetten.

Tabel 2.3 geeft een overzicht op RAV-niveau van het aantal inzetten dat uit de selectie is gefilterd en de aantallen inzetten in de herverdeling van spoedritten tussen regio’s. In bijlage 3 is een tabel opgenomen met een detailoverzicht van de aantallen inzetten in de herverdeling. Tabel 2.4 geeft de aantallen inzetten naar urgentie zoals in het capaciteitsmodel van het referentiekader gehanteerd.

Tabel 2.3: Overzicht van de spoedritten per RAV na selecties en herverdeling voor het referentiekader.

Nr.

RAV

Productie 2016

Uitgefilterd obv criteria uit Tabel 2.2

Netto verschil van herverdeling van spoedritten

Totaalaantal spoedritten in referentiekader

Waarvan inzetten in het buitenland (2)

1

Groningen

39.064

201

456

39.319

0

2

Friesland

38.214

311

233

38.136

0

3

Drenthe

31.774

0

–115

31.659

1

4

IJsselland

25.209

397

–1.572

23.240

2

5

Twente

29.361

512

618

29.467

1

6

Noordoost Gelderland

37.161

201

–347

36.613

3

7

Midden Gelderland

34.187

618

–847

32.722

0

8

Gelderland Zuid

28.219

536

–623

27.060

107

9

Utrecht

63.036

2.694

–1.590

58.752

0

10

Noord-Holland Noord

35.872

707

–1.289

33.878

0

11

Zaanstreek-Waterland (1)

21.030

0

187

21.217

0

12

Kennemerland

36.691

583

–205

35.904

0

13

Amsterdam-Amstelland

69.194

1.184

2.713

70.725

0

14

Gooi- en Vechtstreek

12.010

144

619

12.485

0

15

Haaglanden

72.215

692

480

72.003

0

16

Hollands Midden

43.401

0

–712

42.689

0

17

Rotterdam-Rijnmond

79.216

2.047

–2.047

75.122

0

18

Zuid-Holland Zuid

26.306

233

3.006

29.079

0

19

Zeeland

23.179

306

840

23.713

3

20

Midden- en West Brabant

65.581

1.233

66

64.414

0

21

Brabant-Noord

36.130

601

1.242

36.771

0

22

Brabant-Zuidoost

39.980

400

–745

38.835

0

23

Limburg Noord

30.747

462

–587

29.698

1

24

Zuid Limburg

33.678

292

–52

33.334

10

25

Flevoland

21.476

314

268

21.430

0

 

Totaal

972.931

14.688

0

958.263

128

1) De productie van RAV Zaanstreek-Waterland is bepaald op basis van afhaaladres.

2) Naast de spoedritten in het buitenland zijn er ook 391 B-inzetten in het buitenland uitgevoerd. Deze B-inzetten zijn meegenomen in de capaciteitsberekeningen.

Tabel 2.4: Productiecijfers 2016 per regio zoals gehanteerd in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017.

Regio

A1

A2

B

Totaal

1

Groningen

26.393

12.926

14.559

53.878

2

Friesland

23.993

12.735

11.009

47.737

3

Drenthe

20.685

10.974

10.358

42.017

4

IJsselland

13.379

9.861

8.996

32.236

5

Twente

14.754

14.713

10.987

40.454

6

Noordoost Gelderland

21.058

15.555

11.169

47.782

7

Gelderland Midden

19.676

13.046

9.561

42.283

8

Gelderland Zuid

14.937

12.123

11.517

38.577

9

Utrecht

34.267

24.485

30.349

89.101

10

Noord-Holland Noord

23.345

9.386

8.290

41.021

11

Zaanstreek-Waterland

16.511

4.706

4.969

26.186

12

Kennemerland

24.651

11.252

9.760

45.663

13

Amsterdam-Amstelland

55.915

14.810

33.157

103.882

14

Gooi en Vechtstreek

8.287

4.198

6.176

18.661

15

Haaglanden

48.288

23.715

28.538

100.541

16

Hollands Midden

29.739

12.950

13.636

56.325

17

Rotterdam-Rijnmond

49.107

23.601

31.584

104.292

18

Zuid-Holland Zuid

19.874

9.206

9.449

38.529

20

Midden- en West-Brabant

39.858

24.556

20.832

85.246

21

Brabant-Noord

22.397

14.374

8.673

45.444

22

Brabant-Zuidoost

25.817

13.018

12.621

51.456

23

Limburg Noord

18.065

11.633

6.515

36.213

24

Zuid Limburg

21.091

12.243

15.526

48.860

25

Flevoland

14.411

7.019

4.246

25.676

30

Texel

773

372

127

1.272

31

Vlieland

71

51

18

140

32

Terschelling

416

368

72

856

33

Ameland

196

198

68

462

34

Schiermonnikoog

53

55

30

138

35

Goeree-Overflakkee

1.652

762

1.139

3.553

36

Schouwen-Duiveland

1.450

880

178

2.508

37

Tholen

773

382

76

1.231

38

Walcheren en Bevelanden

8.546

5.217

3.271

17.034

39

Zeeuws-Vlaanderen

4.064

2.401

2.156

8.621

 

Totaal

624.492

333.771

339.612

1.297.875

2.3. Gemiddelde ritduur

In de capaciteitsberekening van het referentiekader wordt het aantal benodigde ambulances bepaald aan de hand van het aantal uren ambulancezorg dat is geleverd. Het aantal uren ambulancezorg wordt berekend door het aantal inzetten van tabel 2.4 te vermenigvuldigen met een gemiddelde ritduur. De ritduur is gedefinieerd als de tijd tussen het tijdstip ‘einde rit’ en het tijdstip ‘vertrek ambulance’. Als het tijdstip ‘einde rit’ niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip ‘vrijmelden’. In de berekening van de gemiddelde ritduur worden extreme waarden niet meegenomen:

  • de gemiddelde ritduur voor spoedritten is gebaseerd op ritten met een ritduur kleiner dan 4 uur;

  • de gemiddelde ritduur voor besteld vervoer is gebaseerd op ritten met een ritduur groter dan 10 minuten en kleiner dan 8 uur.

De gemiddelde ritduur wordt per regio (34 regio’s) en urgentietype (3 urgenties), per tijdsinterval van twee uur (12 blokuren) en soort dag (werkdag, zaterdag, zondag) berekend. In totaal is van 3.672 combinaties van regio-urgentie-blokuur-dagsoort de gemiddelde ritduur bepaald. Inzetten in het buitenland in 2016 zijn integraal meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. Tabel 2.5 geeft een overzicht van de geaggregeerde gemiddelde ritduur per regio en urgentieklasse en een vergelijking met de cijfers van 2015.

Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2016 met 3 minuten en 43 seconden toegenomen naar 66 minuten en 24 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 27 seconden licht toegenomen naar 63 minuten en 30 seconden. De gemiddelde ritduur van het besteld vervoer is in 2016 met 6 minuten en 29 seconden afgenomen tot 73 minuten en 43 seconden.

Tabel 2.5: Gemiddelde ritduur per regio in 2015 en 2016 naar urgentieklasse (minuten en decimalen).

RAV

A1

A2

B

2016

Verschil tov 2015 (%)

2016

Verschil tov 2015 (%)

2016

Verschil tov 2015 (%)

1

Groningen

70,5

0,0

67,3

–4,9

75,8

–11,6

2

Friesland

68,8

–0,2

67,5

–5,0

76,3

–12,4

3

Drenthe

61,9

2,8

57,7

–2,1

67,7

–17,2

4

IJsselland

68,2

–0,5

66,0

–3,1

83,1

–17,0

5

Twente

66,6

2,9

66,9

1,2

77,8

–8,3

6

Noordoost Gelderland

66,4

–1,0

63,2

–7,8

68,7

–22,4

7

Gelderland Midden

57,9

–1,3

56,9

–4,8

69,0

–12,3

8

Gelderland Zuid

61,9

0,1

57,2

–2,6

74,9

–14,6

9

Utrecht

66,4

–1,4

63,3

–4,9

76,0

–9,8

10

Noord-Holland Noord

64,8

–0,7

58,9

–9,0

75,8

–10,1

11

Zaanstreek-Waterland

58,4

0,9

56,0

–10,8

64,4

–23,4

12

Kennemerland

59,7

0,6

49,2

–18,5

65,7

–13,4

13

Amsterdam-Amstelland

57,1

–2,9

58,7

–2,8

74,6

0,2

14

Gooi en Vechtstreek

53,6

2,1

54,1

–1,7

54,5

–7,0

15

Haaglanden

60,7

0,3

59,7

–4,4

64,9

–7,3

16

Hollands Midden

65,4

2,5

59,5

–4,3

69,5

–8,0

17

Rotterdam-Rijnmond

64,6

–1,1

57,5

–6,4

69,9

–9,8

18

Zuid-Holland Zuid

63,0

0,3

58,4

–3,7

64,0

–11,1

20

Midden- en West-Brabant

60,7

1,3

55,4

–3,6

66,4

–12,7

21

Brabant-Noord

63,4

0,5

57,6

–6,6

73,6

–13,8

22

Brabant-Zuidoost

57,5

–2,6

52,1

–8,6

70,1

–12,5

23

Limburg Noord

63,5

–1,2

63,1

–1,9

70,2

–19,2

24

Zuid Limburg

55,1

0,0

53,8

–3,0

60,2

–12,2

25

Flevoland

58,1

–2,2

60,2

–3,5

63,8

–14,7

30

Texel

97,9

–3,8

86,1

–17,7

116,6

7,5

31

Vlieland

68,8

–15,7

78,6

–5,8

83,1

–0,9

32

Terschelling

89,6

2,0

92,2

4,5

99,1

–11,3

33

Ameland

76,9

1,4

74,5

–7,8

92,7

–13,0

34

Schiermonnikoog

69,8

–19,0

69,7

–18,9

104,2

–2,5

35

Goeree-Overflakkee

68,5

–0,3

67,2

–1,7

88,4

–4,7

36

Schouwen-Duiveland

81,9

–3,9

81,6

–4,3

90,6

–11,9

37

Tholen

80,8

3,5

75,7

–1,2

95,1

9,6

38

Walcheren en Bevelanden

67,0

–1,8

66,5

–8,7

79,4

–17,4

39

Zeeuws-Vlaanderen

66,6

–1,1

62,3

–6,4

78,2

–12,7

 

Landelijk

66,4

5,9

63,5

0,7

73,7

–8,1

3. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2017

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de doorrekening van het capaciteitsmodel van het referentiekader gepresenteerd. Het capaciteitsmodel en de manier waarop de berekening van de benodigde capaciteit plaatsvindt, is beschreven in achtergrondrapporten (Kommer en Zwakhals, 2011; 2013). Zonder in de details van deze rapporten te treden schetsen we hier kort de globale berekeningswijze.

Input: aantal uren ambulancezorg

Het capaciteitsmodel van het referentiekader berekent het aantal benodigde ambulances aan de hand van de ritgegevens in hoofdstuk 2. Het aantal inzetten vermenigvuldigd met de gemiddelde ritduur geeft een aantal uren ambulancezorg waarvoor de capaciteit wordt bepaald. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van 1.453.909 uren ambulancezorg, waarvan 1.001.842 uren spoedeisende inzetten en 453.067 uren besteld vervoer. Het referentiekader-2017 gaat uit van 4,4% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2016.

Berekeningswijze

Het capaciteitsmodel bestaat uit drie deelmodellen: een model voor spoedvervoer, een model voor de geografische paraatheid en een model voor besteld vervoer. Het deelmodel voor het spoedvervoer berekent aan de hand van de zogenaamde ‘faalkans’-methode hoeveel ambulances nodig zijn om in 95% van de gevallen een ambulance beschikbaar te hebben. ‘Beschikbaar’ betekent hier aanwezig om ingezet te worden. Het aantal benodigde ambulances wordt per regio opgehoogd met het aantal standplaatsen van het spreidingsplan van het referentiekader. Deze zijn gegeven in Bijlage 2. Tot slot wordt in het deelmodel voor het besteld vervoer de benodigde capaciteit voor het verzorgen van het besteld vervoer berekend, op basis van het aantal uren besteld vervoer. In de berekening wordt een bezettingsgraad gehanteerd en er vindt een overheveling plaats van restcapaciteit van het spoedvervoer naar het besteld vervoer.

Uitkomsten: aantal ambulances

Het eindresultaat van het capaciteitsmodel is het aantal benodigde ambulances per dagsoort en per blokuur. Aan de hand van deze aantallen benodigde ambulances is het aantal diensten per week bepaald. Een dienst is hier gedefinieerd als een werkduur van een ambulanceteam van 8 uur. Er wordt in het referentiekader geen onderscheid naar dienstvorm (parate dienst, aanwezigheidsdienst of 24-uurs dienst). Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, het aantal werkdagen in een week.

Tabel 3.1 geeft de resultaten van een stapsgewijze actualisatie van het referentiekader-2016 naar 2017. De resultaten worden als volgt verklaard:

  • Omdat er in 2016 meer zaterdagen waren dan in 2015 zijn in het capaciteitsmodel meer uren beschikbaar om de productie van 2016 te verzorgen. Hierdoor worden minder benodigde ambulances berekend in vergelijking met het referentiekader-2016. Het omgekeerde geldt voor de zondagen: daarvan waren er in 2016 minder dan in 2015. Hierdoor moet de productie in minder uren worden verzorgd, met als gevolg een hoger benodigd aantal ambulances.

  • Door de productiestijging van het spoedvervoer zijn vooral op werkdagen overdag en op zaterdagen overdag en ’s avonds meer ambulances nodig.

  • Het zelfde effect is er door de stijging van het besteld vervoer.

  • Het actualiseren van de gemiddelde ritduur heeft een wisselend effect. Op bepaalde blokuren en dagsoorten worden meer ambulances berekend, op andere blokuren minder.

Tabel 3.2 geeft de aantallen benodigde ambulances per regio, dagsoort en blokuur, tabel 3.3 geeft het verschil met het referentiekader-2016. In Nederland zijn op werkdagen overdag 608 ambulances nodig. Dat is tien meer dan in het referentiekader-2016. In de avonduren en nacht en op weekenden varieert het aantal extra benodigde ambulances tussen drie en zeven.

Tabel 3.4 geeft het aantal benodigde diensten per week. In heel Nederland zijn per week 8.803 diensten nodig. Dat is 136 meer dan in het referentiekader-2016, een toename van 1,5%. De toe- of afname van het aantal diensten in het referentiekader-2017 ten opzichte van 2016 verschilt per regio. Negen regio’s hebben meer dan 2% groei in het aantal diensten, elf regio’s hebben tussen nul en twee procent groei. Twee regio’s hebben een afname van het aantal diensten.

Tabel 3.1: Resultaten van de stapsgewijze actualisatie van het refrentiekader-2016 naar 2017: landelijk totaal aantal ambulances.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

Diensten1

0-8

8-16

16-24

0-8

8-16

16-24

0-8

8-16

16-24

0. Referentiekader-2016

292

598

403

300

435

381

309

409

368

8.667

1. Dagen van het jaar aanpassen

292

598

403

297

427

374

310

415

375

8.663

2. A-vervoer aanpassen

294

604

405

301

441

383

313

414

376

8.743

3. B-vervoer aanpassen

295

609

407

301

444

386

314

413

375

8.788

4. Gemiddelde ritduur aanpassen

296

608

409

303

442

388

315

415

375

8.803

                     
verschil per stap                    

1. Dagen van het jaar aanpassen

0

0

0

–3

–8

–7

1

6

7

–4

2. A-vervoer aanpassen

2

6

2

4

14

9

3

–1

1

80

3. B-vervoer aanpassen

1

5

2

0

3

3

1

–1

–1

45

4. Gemiddelde ritduur aanpassen

1

–1

2

2

–2

2

1

2

0

15

                     
Cumulatief verschil ten opzichte van referentiekader-2016                    

1. Dagen van het jaar aanpassen

0

0

0

–3

–8

–7

1

6

7

–4

2. A-vervoer aanpassen

2

6

2

1

6

2

4

5

8

76

3. B-vervoer aanpassen

3

11

4

1

9

5

5

4

7

121

4. Gemiddelde ritduur aanpassen

4

10

6

3

7

7

6

6

7

136

1) Het aantal diensten is het aantal per week, berekend als vijf maal het aantal ambulances op werkdagen plus het aantal ambulances in de weekenden.

Tabel 3.2: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2017: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.

Regio

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

Groningen

16

32

21

17

24

20

18

22

20

Friesland excl. Waddeneilanden

19

33

23

19

25

23

20

24

22

Drenthe

13

25

17

14

18

16

14

17

16

IJsselland

12

23

15

12

17

15

13

15

14

Twente

12

23

15

12

17

15

12

16

14

Noordoost Gelderland

13

26

17

13

19

16

13

18

16

Midden Gelderland

9

19

13

10

15

13

10

14

12

Gelderland Zuid

10

21

14

10

16

13

11

15

13

Utrecht

17

40

26

17

30

24

18

26

23

Noord-Holl. N excl. Texel

10

18

13

10

14

13

11

14

13

Zaanstreek-Waterland

6

11

8

6

8

8

6

8

7

Kennemerland

8

18

11

8

13

11

8

12

10

Amsterdam-Amstelland

11

35

22

12

21

18

13

20

17

Gooi en Vechtstreek

3

7

5

3

5

5

3

5

4

Haaglanden

12

33

21

13

21

19

13

20

18

Hollands Midden

11

23

16

11

17

15

12

16

14

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

15

39

24

15

25

21

16

22

20

Zuid-Holland Zuid

9

17

12

9

13

11

9

12

11

Midden- en West-Brabant

18

37

25

18

28

23

19

25

23

Brabant-Noord

10

20

13

10

15

13

11

15

13

Brabant-Zuidoost

10

22

14

11

16

13

11

15

13

Limburg Noord

9

18

12

10

13

12

10

13

12

Zuid Limburg

7

18

11

7

11

10

7

10

10

Flevoland

8

13

10

8

10

10

8

10

9

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Goeree-Overflakkee

3

4

3

3

3

3

3

3

3

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Walcheren en Bevelanden

6

11

8

6

8

8

7

8

8

Zeeuws-Vlaanderen

4

7

5

4

5

5

4

5

5

 

Totaal

296

608

409

303

442

388

315

415

375

                   

Totaal Friesland

27

41

31

27

33

31

28

32

30

Totaal Noord-Holl. Noord

12

20

15

12

16

15

13

16

15

Totaal Rotterdam-Rijnm.

18

43

27

18

28

24

19

25

23

Totaal Zeeland

15

23

18

15

18

18

16

18

18

Tabel 3.3: Verschil van de capaciteitsberekeningen tussen het referentiekader-2017 en 2016: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.

Regio

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

0-8 uur

8-16 uur

16-24 uur

Groningen

0

0

0

0

0

0

1

1

1

Friesland excl. Waddeneilanden

0

1

0

0

0

0

0

0

0

Drenthe

0

1

1

1

0

0

0

0

0

IJsselland

0

0

0

0

0

1

1

0

0

Twente

1

1

0

0

0

0

0

1

0

Noordoost Gelderland

0

0

0

0

1

0

0

1

0

Midden Gelderland

0

1

0

0

1

0

0

0

0

Gelderland Zuid

0

1

0

0

0

0

0

0

0

Utrecht

0

1

0

0

1

1

0

0

1

Noord-Holl. N excl. Texel

0

0

0

0

0

0

1

0

1

Zaanstreek-Waterland

0

0

1

0

0

1

0

0

0

Kennemerland

0

2

0

0

1

1

0

0

0

Amsterdam-Amstelland

0

–1

0

0

0

1

1

1

0

Gooi en Vechtstreek

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Haaglanden

0

0

1

1

0

1

0

1

1

Hollands Midden

1

0

1

0

0

1

1

0

0

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

1

0

0

0

1

0

1

0

0

Zuid-Holland Zuid

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Midden- en West-Brabant

1

1

2

0

2

0

0

0

1

Brabant-Noord

0

1

0

0

1

0

0

1

0

Brabant-Zuidoost

0

1

0

1

0

0

0

0

0

Limburg Noord

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Zuid Limburg

0

0

0

0

0

0

0

0

1

Flevoland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Texel

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Vlieland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Terschelling

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Ameland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Schiermonnikoog

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Goeree-Overflakkee

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Schouwen-Duiveland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Tholen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Walcheren en Bevelanden

0

0

0

0

–1

0

0

0

0

Zeeuws-Vlaanderen

0

0

0

0

0

0

0

0

1

 

Totaal

4

10

6

3

7

7

6

6

7

 

Totaal Friesland

0

1

0

0

0

0

0

0

0

Totaal Noord-Holl. Noord

0

0

0

0

0

0

1

0

1

Totaal Rotterdam-Rijnm.

1

0

0

0

1

0

1

0

0

Totaal Zeeland

0

0

0

0

–1

0

0

0

1

Tabel 3.4: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2017: aantal diensten per week.

Regio

Aantal diensten referentiekader-2017

Aantal diensten referentiekader-2016

Absoluut verschil

Relatief verschil (%)

Groningen

466

463

3

0,6

Friesland excl. Waddeneilanden

508

503

5

1,0

Drenthe

370

359

11

3,0

IJsselland

336

334

2

0,6

Twente

336

325

11

3,3

Noordoost Gelderland

375

373

2

0,5

Midden Gelderland

279

273

6

2,2

Gelderland Zuid

303

298

5

1,7

Utrecht

553

545

8

1,4

Noord-Holl. N excl. Texel

280

278

2

0,7

Zaanstreek-Waterland

168

162

6

3,6

Kennemerland

247

235

12

4,9

Amsterdam-Amstelland

441

443

–2

–0,5

Gooi en Vechtstreek

100

100

0

0,0

Haaglanden

434

425

9

2,1

Hollands Midden

335

323

12

3,6

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

509

502

7

1,4

Zuid-Holland Zuid

255

255

0

0,0

Midden- en West-Brabant

536

513

23

4,3

Brabant-Noord

292

285

7

2,4

Brabant-Zuidoost

309

303

6

1,9

Limburg Noord

265

265

0

0,0

Zuid Limburg

235

234

1

0,4

Flevoland

210

210

0

0,0

Texel

42

42

0

0,0

Vlieland

42

42

0

0,0

Terschelling

42

42

0

0,0

Ameland

42

42

0

0,0

Schiermonnikoog

42

42

0

0,0

Goeree-Overflakkee

68

68

0

0,0

Schouwen-Duiveland

63

63

0

0,0

Tholen

42

42

0

0,0

Walcheren en Bevelanden

170

171

–1

–0,6

Zeeuws-Vlaanderen

108

107

1

0,9

         

Totaal

8.803

8.667

136

1,5

         

Totaal Friesland

676

671

5

0,7

Totaal Noord-Holl. Noord

322

320

2

0,6

Totaal Rotterdam-Rijnm.

577

570

7

1,2

Totaal Zeeland

383

383

0

0,0

4. Conclusies en discussie

Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2017 geactualiseerd op basis van productiecijfers over 2016. Hierbij zijn de rekenmodellen onveranderd ten opzichte van de vorige doorrekening uit 2016.

Productiestijging

De productie van de Nederlandse ambulancezorg wordt door Ambulancezorg Nederland gepubliceerd in de sectorraportages Ambulances in-zicht. De productie volgens deze rapportage is in 2016 met 4,8% toegenomen naar ruim 1,3 miljoen inzetten. Het aantal inzetten met A1-urgentie is met 3,7% toegenomen, het aantal inzetten met A2-urgentie met 9,6% en het besteld vervoer is met 2,2% toegenomen. Voor het referentiekader worden op basis van uitgangspunten van het referentiekader ruim 15.300 inzetten uit de productie gefilterd. Het merendeel van de uitgefilterde inzetten zijn inzetten van rapid responders waarbij er een vervolginzet is geweest van een reguliere ambulance. Voor de capaciteitsberekening wordt uitgegaan van 98,8% van de totale productie. De capaciteitsberekeningen gaan uit van het totaal aantal uren ambulancezorg in 2016. Hiervoor is de gemiddelde ritduur van belang. Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2016 met 3 minuten en 43 seconden toegenomen naar 66 minuten en 24 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 27 seconden licht toegenomen naar 63 minuten en 30 seconden. De gemiddelde ritduur van het besteld vervoer is in 2016 met 6 minuten en 29 seconden afgenomen tot 73 minuten en 43 seconden. In het capaciteitsmodel wordt gerekend op het niveau van regio, dagsoort en uur van de dag en zijn de gemiddelde ritduren gedifferentieerd. In totaal wordt voor het referentiekader uitgegaan van 1.453.909 uren ambulancezorg, waarvan 1.001.842 uren spoedeisende inzetten en 453.067 uren besteld vervoer. Het referentiekader-2017 gaat uit van 4,4% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2016.

Aantal benodigde ambulances en diensten

Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er op werkdagen overdag 608 ambulances nodig zijn. Dat zijn er tien meer ten opzichte van het referentiekader-2016. In de avond- en nachturen en in het weekend is het aantal extra benodigde ambulances tussen drie en zeven. De toename van het aantal benodigde ambulances in de avonduren en weekenddagen is groter dan op werkdagen overdag. De toename verschilt per regio. Een enkele regio krijgt volgens het model geen extra ambulance erbij, andere regio’s krijgen voor werkdagen in de avonduren tot twee ambulances erbij. Deze verschillende aantallen extra benodigde ambulances worden verklaard door verschillen tussen de regio’s in de ontwikkeling van de productie en in de gemiddelde ritduur. Ook het aantal beschikbare uren speelt hierbij een rol. Het jaar 2016 was een schrikkeljaar, had een werkdag meer en had minder zon- en feestdagen dan 2015. Volgens het referentiekader-2017 zijn er 8.803 diensten nodig. Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, het aantal werkdagen in een week. Ten opzichte van het referentiekader-2016 zijn in 2017 136 meer diensten nodig, een toename van 1,6% ten opzichte van het referentiekader-2016.

Discussie

Productiestijging – achtergronden

Voor dit onderzoek is bij zes RAV’s met een meer dan gemiddelde productiestijging navraag gedaan over de achtergronden van de deze stijging. Enkele RAV’s gaven aan dat de stijging in 2016 incidenteel was en in het licht van de lange termijn ontwikkelingen moet worden gezien. Veranderingen in het zorggebruik per regio zijn grillig en een productiegroei in het ene jaar kan afgewisseld worden met een -daling in het volgende jaar. Per urgentieklasse kunnen fluctuaties nog groter zijn. Landelijke trends worden niet in elke regio gevolgd.

Andere factoren die door de regio’s worden genoemd zijn hieronder beschreven.

  • Demografie en sociale omgeving

    Enkele regio’s geven aan dat er een sterke stijging is van het aantal 112-meldingen en dan vooral door personen van 70 jaar en ouder. Vermoedelijk komt dit door het feit dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen en door een vergrijzende bevolking. Daarnaast is er volgens een aantal RAV’s een sterke stijging van 112-meldingen in verband met verwarde personen.

  • Veranderingen in triage en indicatie

    Door een verandering in de indicatie van ambulancezorg op meldkamers die werken met het systeem ProQA is er een verschuiving van A1-inzetten naar A2-inzetten geweest. Deze verandering had te maken met een andere codering in het triagesysteem waardoor meldingen die voorheen met een A1-urgentie werden gecodeerd nu A2-urgentie kregen.

  • Toenemende druk op het spoedzorgsysteem

    In sommige regio’s is er een sterke toename geweest van het aantal aanvragen door huisartsen en huisartsenposten. Deels verklaart men dit door veranderingen in het triagesysteem op de huisartsenposten. Daarnaast is genoemd dat door de concentratie van specialistische spoedeisende zorg ambulances langer onderweg zijn om patiënten naar een SEH te brengen. Met een langere ritduur als gevolg. Een ander gevolg hiervan is dat ambulances langer moeten rijden om terug te gaan naar hun standplaats. Hierdoor zijn gebieden langere tijd zonder dekking. Meldkamers kunnen dit opvangen door het dynamisch ambulancemanagement en het verplaatsen van andere ambulances. Over het geheel gezien betekent dit dat er meer voertuigbewegingen zijn. Ook wordt de overbelasting van SEH’s genoemd, met opnamestops als mogelijk gevolg. Opnamestops dwingen ambulances om naar andere SEH’s te gaan om hun patiënten te bezorgen, met langere ritduren en lagere dekkingsgraden als mogelijke gevolgen.

  • Voorzichtigheid door grotere kans op klachten

    Door regio’s is genoemd dat ambulanceteams tegenwoordig vaker dan vroeger patiënten naar een SEH brengen om klachten en claims te voorkomen. De klachten en claims komen van patiënten en van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die toeziet op de kwaliteit van de uitvoering van de zorg. Ook wordt nu meer dan vroeger aandacht en tijd besteed aan het volledig maken van registraties van inzetten, met een langere ritduur als gevolg.

  • Registratie-effect protocol ‘Directe Inzet Ambulances’

    Vermoedelijk is een deel van de stijging van het aantal A2-inzetten een effect van het registreren van inzetten bij het zogenaamde Directe Inzet Ambulance (DIA) protocol. Hierbij wordt een ambulance opdracht tot vertrek gegeven terwijl de uitvraag van de melding nog niet is voltooid. Als de uitvraag van de melding is voltooid kan blijken dat een inzet niet nodig is. De inzet van de ambulance wordt dan afgebroken. Het DIA-protocol wordt pas sinds enkele jaren gehanteerd. Geconstateerd is dat er verschillen tussen de regio’s zijn in de manier waarop afgebroken DIA-inzetten worden geregistreerd. In sommige regio’s worden deze buiten de productie gehouden, in andere regio’s tellen ze mee in de productie, met een hoge groei van A2-inzetten als gevolg. Het is wenselijk dat er meer uniformiteit komt in de registratie van afgebroken DIA-inzetten zodat de productiecijfers beter van de regio’s vergelijkbaar zijn.

Deze achtergronden hebben overeenkomsten met factoren die naar voren kwamen in het RIVM-onderzoek naar de modelontwikkeling voor het referentiekader (Kommer et al., 2017).

Aanbevelingen

Het actualiseren van het referentiekader leidt tot de volgende aanbevelingen.

  • 1. Meer eenduidigheid in registratie van afgebroken DIA-inzetten

    De regionale verschillen in de registratie van afgebroken DIA-inzetten heeft tot gevolg dat de productie van A2-inzetten tussen de regio’s niet helemaal vergelijkbaar is. De ene regio laat afgebroken DIA-inzetten weg uit de productie de andere regio neemt deze ritten mee. Deze ruis op de vergelijkbaarheid is onwenselijk en daarom is er de aanbeveling aan de ambulancesector om meer eenduidigheid te realiseren in het registreren van afgebroken DIA-inzetten.

  • 2. Effecten van ontwikkelingen in de acute zorg

    Er zijn ontwikkelingen in de acute zorg waarvan het niet duidelijk is wat de mogelijke effecten zijn op de benodigde ambulancecapaciteit en de paraatheid in een regio. Voorbeelden hiervan zijn de concentratie van specialistische SEH-zorg, zoals beroertezorg en cardiologische spoedzorg, en de toenemende belasting van acute huisartsenzorg, waardoor ambulances patiënten naar andere ziekenhuizen brengen of ambulances vaker worden ingezet. De gevolgen van deze ontwikkelingen op de benodigde capaciteit en de paraatheid zijn niet helemaal duidelijk. Aanbevolen wordt om hier onderzoek naar te doen. Een integraal stroommodel van de acute zorg zou zeer waardevolle inzichten kunnen geven in de mogelijke effecten en knelpunten in het acute zorgsysteem.

  • 3. Toekomstverkenning van het referentiekader

    Als derde wordt aanbevolen om een toekomstverkenning te maken van de benodigde capaciteit van het referentiekader. Zo’n toekomstverkenning kan verschillende beleidsscenario’s schetsen voor de groei van het gebruik van ambulancezorg. Een basisscenario bij ongewijzigd beleid en alternatieve scenario’s waarin er bepaalde sturing is op de groei van het gebruik van ambulancezorg. De toekomstverkenning kan inzicht geven in de toekomstige benodigde capaciteit en kan behulpzaam zijn voor de planning van opleiding van ambulanceverpleegkundigen en -chauffeurs.

Referenties

Ambulancezorg Nederland (AZN) (2013). Uniform begrippenkader ambulancezorg. Versie 3,0. Zwolle, 13 februari 2013.

Ambulancezorg Nederland (AZN) (2016). Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (AZN) (2017). Ambulances in-zicht 2016. Zwolle: AZN. Nog te verschijnen.

Kommer, G.J., A.A. van der Veen, W.F. Botter en I. Tan. (2003). Ambulances binnen bereik – analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2009). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2011). Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013). Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013a). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. RIVM briefrapport 270412003. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. RIVM briefrapport 2016-0093. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J., S.L.N. Zwakhals, E. Over (2017). Modellen referentiekader ambulancezorg 2016. Ontwikkeling modellen voor DAM, B-vervoer en rijtijden. RIVM rapport 2015-0190. Bilthoven: RIVM.

Ministerie van VWS (2004). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006. Den Haag, 4 juni 2004.

Ministerie van VWS (2008). Herijking landelijk referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk 1CZ-EKZ-2854207. Den Haag, 5 juni 2008.

Ministerie van VWS (2013). Actualisatie referentiekader spreiding en beschikbaarheid. Kamerbrief 131849-106797-CZ. Den Haag, 16 juli 2013.

Ministerie van VWS (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. Bijlage bij Kamerbrief over aanpak drukte acute zorgketen. Kamerbrief 1002963-153940-CZ. Den Haag, 5 oktober 2016.

Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ) (2004). Landelijk referentiekader spreiding- en beschikbaarheid - Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden.

RIVM (2015). Trendanalyse spoedeisende ambulancezorg. Brief met kenmerk 039/2015 V&Z/AvB/GJK/tv. Bilthoven, 19 maart 2015.

Bijlage 1: regio-indeling

De nummering van de regio’s in de eilandbenadering van het referentiekader en in de productiecijfers van Ambulances in-zicht is gegeven in Tabel B1.1.

Tabel B1.1: Regio indeling in de eilandbenadering van het referentiekader (links) en de RAV indeling zoals gehanteerd in het sectorrapport Ambulances in-zicht.

Nr.

Regio

Nr.

RAV

1

Groningen

1

Groningen

2

Friesland exclusief Waddeneilanden

2

Friesland

3

Drenthe

3

Drenthe

4

IJsselland

4

IJsselland

5

Twente

5

Twente

6

Noordoost Gelderland

6

Noordoost Gelderland

7

Midden Gelderland

7

Midden Gelderland

8

Gelderland Zuid

8

Gelderland Zuid

9

Utrecht

9

Utrecht

10

Noord-Holland Noord exclusief Texel

10

Noord-Holland Noord

11

Zaanstreek-Waterland

11

Amsterdam-Waterland

12

Kennemerland

12

Kennemerland

13

Amsterdam-Amstelland

14

Gooi en Vechtstreek

14

Gooi en Vechtstreek

15

Haaglanden

15

Haaglanden

16

Hollands Midden

16

Hollands Midden

17

Rotterdam-Rijnmond exclusief Goeree-Overflakkee

17

Rotterdam-Rijnmond

18

Zuid-Holland Zuid

18

Zuid-Holland Zuid

19

Zeeland

20

Midden- en West-Brabant

20

Midden- en West-Brabant

21

Brabant-Noord

21

Brabant-Noord

22

Brabant-Zuidoost

22

Brabant-Zuidoost

23

Limburg Noord

23

Limburg Noord

24

Zuid Limburg

24

Zuid Limburg

25

Flevoland

25

Flevoland

30

Texel

   

31

Vlieland

   

32

Terschelling

   

33

Ameland

   

34

Schiermonnikoog

   

35

Goeree-Overflakkee

   

36

Schouwen-Duiveland

   

37

Tholen

   

38

Walcheren en Bevelanden

   

39

Zeeuws-Vlaanderen

   

Bijlage 2: spreiding referentiekader 2017

Tabel B2.1: Aantal standplaatsen per regio (in de eilandbenadering van het referentiekader) in het spreidingsmodel van het referentiekader.

Nr

Regio

Aantal standplaatsen

1

Groningen

13

2

Friesland

16

3

Drenthe

11

4

IJsselland

10

5

Twente

9

6

Noordoost Gelderland

10

7

Midden Gelderland

7

8

Gelderland Zuid

8

9

Utrecht

11

10

Noord-Holland Noord

7

11

Zaanstreek-Waterland

4

12

Kennemerland

5

13

Amsterdam-Amstelland

5

14

Gooi- en Vechtstreek

2

15

Haaglanden

6

16

Hollands Midden

7

17

Rotterdam-Rijnmond

7

18

Zuid-Holland Zuid

6

20

Midden- en West-Brabant

13

21

Brabant-Noord

7

22

Brabant-Zuidoost

7

23

Limburg Noord

7

24

Zuid Limburg

4

25

Flevoland

6

30

Texel

1

31

Vlieland

1

32

Terschelling

1

33

Ameland

1

34

Schiermonnikoog

1

35

Goeree-Overflakkee

2

36

Schouwen-Duiveland

2

37

Tholen

1

38

Walcheren en Bevelanden

5

39

Zeeuws-Vlaanderen

3

 

Totaal

206

Tabel B2.2: Locaties (plaatsnaam en vierpositie postcode) van de 206 standplaatsen in het spreidingsmodel van het referentiekader per RAV.

nr

RAV

Vierpositie postcode standplaats

Plaatsnaam standplaats

1

Groningen

9364

Nuis

   

9502

Stadskanaal

   

9541

Vlagtwedde

   

9561

Ter Apel

   

9611

Sappemeer

   

9641

Veendam

   

9672

Winschoten

   

9723

Groningen-Zuid

   

9741

Groningen-Noord

   

9901

Appingedam

   

9951

Winsum

   

9965

Leens

   

9982

Uithuizermeeden

2

Friesland

8431

Oosterwolde

   

8448

Heerenveen

   

8471

Wolvega

   

8522

Skasterlan (gem.)

   

8531

Lemmer

   

8601

Sneek

   

8723

Koudum

   

8871

Harlingen (Midlum)

   

8881

Terschelling

   

8899

Vlieland

   

8912

Leeuwarden

   

8924

Leeuwarden

   

9011

Boarnsterhim (gem.)

   

9071

Leeuwarderadeel (gem.)

   

9101

Dokkum

   

9163

Nes

   

9166

Schiermonnikoog

   

9202

Drachten

   

9219

Smallingerland (gem.)

   

9285

Buitenpost

3

Drenthe

7741

Coevorden

   

7811

Emmen

   

7891

Klazienaveen

   

7903

Hoogeveen

   

7943

Meppel

   

7971

Havelte

   

9301

Roden

   

9401

Assen

   

9411

Beilen

   

9468

Annen

   

9531

Borger

4

IJsselland

7418

Deventer

   

7701

Dedemsvaart

   

7711

Nieuwleusen

   

7731

Ommen

   

7771

Hardenberg

   

8013

Zwolle

   

8103

Raalte

   

8261

Kampen

   

8281

Genemuiden

   

8331

Steenwijk

5

Twente

7447

Hellendoorn

   

7475

Markelo

   

7483

Haaksbergen

   

7541

Enschede

   

7556

Hengelo

   

7572

Oldenzaal

   

7602

Almelo

   

7651

Tubbergen

   

7681

Vroomshoop

6

Noordoost Gelderland

3843

Harderwijk

   

3852

Ermelo

   

7005

Doetinchem

   

7051

Varsseveld

   

7102

Winterswijk

   

7207

Zutphen

   

7271

Borculo

   

7311

Apeldoorn

   

8081

Elburg

   

8181

Heerde

7

Midden Gelderland

3772

Barneveld

   

6661

Elst (Gld)

   

6701

Wageningen

   

6711

Ede

   

6828

Arnhem

   

6901

Zevenaar

   

6951

Dieren

8

Gelderland-Zuid

4002

Tiel

   

4041

Kesteren

   

4101

Culemborg

   

4191

Geldermalsen

   

5301

Zaltbommel

   

6524

Nijmegen

   

6602

Wijchen

   

6651

Druten

9

Utrecht

3436

Nieuwegein

   

3447

Woerden

   

3561

Utrecht (Vader Rijndreef)

   

3582

Utrecht (Andreaelaan)

   

3608

Maarssen

   

3645

Vinkeveen

   

3707

Zeist

   

3811

Amersfoort Centrum

   

3823

Amersfoort Noord

   

3903

Veenendaal

   

3941

Doorn

10

Noord-Holland Noord

1616

Hoogkarspel

   

1625

Hoorn (Noord Holland)

   

1741

Schagen

   

1761

Anna Paulowna

   

1771

Wieringerwerf

   

1786

Den Helder

   

1791

Texel (Den Burg)

   

1823

Alkmaar Noord

11

Zaanstreek-Waterland

1141

Monnickendam

   

1442

Purmerend

   

1502

Zaandam

   

1521

Wormerveer

12

Kennemerland

1962

Heemskerk

   

1969

Heemskerk

   

1981

Velsen

   

2015

Haarlem

   

2131

Hoofddorp

13

Amsterdam-Amstelland

1018

Amsterdam

   

1075

Amsterdam

   

1105

Amsterdam Zuidoost

   

1185

Amstelveen

   

1431

Aalsmeer

14

Gooi- en Vechtstreek

1213

Hilversum Zuid

   

1404

Bussum

15

Haaglanden

2274

Voorburg

   

2544

Den Haag

   

2564

Den Haag

   

2627

Delft

   

2671

Naaldwijk (Westland)

   

2718

Zoetermeer

16

Hollands Midden

2211

Noordwijkerhout

   

2333

Leiden

   

2353

Leiderdorp

   

2405

Alphen aan den Rijn

   

2461

Ter Aar

   

2801

Gouda

   

2861

Bergambacht

17

Rotterdam-Rijnmond

2907

Capelle aan den IJssel

   

2922

Krimpen aan den IJssel

   

3038

Rotterdam

   

3083

Rotterdam

   

3118

Schiedam

   

3201

Spijkenisse

   

3223

Hellevoetsluis

   

3247

Dirksland

   

3252

Goedereede

18

Zuid-Holland Zuid

2957

Nieuw-Lekkerland

   

3286

Klaaswaal

   

3311

Dordrecht

   

3331

Zwijndrecht

   

4204

Gorinchem

   

4231

Meerkerk

19

Zeeland

4301

Zierikzee

   

4323

Schouwen-Duiveland (gem.)

   

4335

Middelburg

   

4354

Vrouwenpolder

   

4401

Yerseke

   

4411

Rilland

   

4462

Goes

   

4501

Oostburg

   

4535

Terneuzen

   

4561

Hulst

   

4695

Sint-Maartensdijk

20

Midden- en West-Brabant

4255

Nieuwendijk (Noord Brabant)

   

4283

Giessen

   

4611

Bergen op Zoom

   

4651

Steenbergen

   

4701

Roosendaal

   

4721

Rucphen (gem.)

   

4761

Zevenbergen

   

4811

Breda

   

4851

Breda-Zuid (Ulvenhout)

   

4901

Oosterhout (Noord Brabant)

   

5018

Tilburg

   

5047

Tilburg

   

5142

Waalwijk

21

Brabant-Noord

5231

s-Hertogenbosch

   

5281

Boxtel

   

5341

Oss

   

5363

Velp (Noord Brabant)

   

5405

Uden

   

5441

Oeffelt

   

5463

Veghel

22

Brabant-Zuidoost

5541

Reusel

   

5571

Bergeijk

   

5611

Eindhoven

   

5657

Eindhoven

   

5701

Helmond

   

5751

Deurne

   

6026

Maarheeze

23

Limburg Noord

5801

Venray

   

5854

Bergen (Limburg)

   

5912

Venlo

   

5981

Panningen

   

6003

Weert

   

6045

Roermond

   

6101

Echt

24

Zuid Limburg

6166

Geleen

   

6229

Maastricht

   

6291

Vaals

   

6411

Heerlen

25

Flevoland

1326

Almere

   

3899

Zeewolde

   

8223

Lelystad

   

8251

Dronten

   

8304

Emmeloord

   

8308

Nagele

Bijlage 3: selectie en herverdelen van inzetten

Deze bijlage geeft een beschrijving van de selectie van inzetten voor de productiecijfers van de ambulancezorg, de nadere selecties voor het referentiekader en de herverdeling van spoedritten die voor het referentiekader wordt uitgevoerd. Ook wordt een toelichting gegeven op de validatie van het ‘afhaaladres’, deze validatie is nodig voor de herverdeling van spoedritten.

Selectie van inzetten voor productiecijfers

De productie en prestaties van de Nederlandse ambulancezorg wordt jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in de sectorrapportages Ambulances in-zicht. In opdracht van AZN verzamelt en analyseert het RIVM de logistieke gegevens van de ambulancezorg ten behoeve van deze jaarlijkse rapportages. In dit proces worden ruwe ritgegevens door de RAV’s aan het RIVM aangeleverd. Op deze ruwe gegevens worden selecties gedaan voor de productiecijfers. Deze selecties worden aan de RAV’s voorgelegd en na goedkeuring door de RAV’s vastgesteld.

Selecties voor productiecijfers voor Ambulances in-zicht

De ruwe rittendatabases die door de RAV’s worden geleverd bevatten meer dan alleen inzetten van de reguliere ambulancezorg. In sommige regio’s komen in de databases ook inzetten voor van huisartsen, huisartsenposten (HAP’s), thuiszorg, andere zorgverleners of inzetten van mobiele medische teams (MMT’s). Ook worden inzetten van andere vervoerders geregistreerd of inzetten in dienst van de GHOR. Dat is mogelijk omdat de gegevens via de meldkamer ambulancezorg worden geregistreerd en een RAV ook een inzet ten behoeve van andere organisaties en zorgverleners kan verlenen. Voor de productiecijfers van de reguliere ambulancezorg worden dit soort inzetten uitgesloten. In totaal gaat het om de volgende uitsluitingen:

  • inzetten van andere vervoerders, tenzij de andere vervoerder in opdracht van de RAV een reguliere inzet verzorgde;

  • inzetten uitgevoerd voor een andere zorgaanbieder (first-responder, huisarts, thuiszorg) of organisatie (zoals KNRM, SAR, Koninklijke Marine);

  • inzetten in dienst van de GHOR, OvDG, GGD, RGF;

  • MICU en PICU inzetten, tenzij deze voertuigen in de reguliere paraatheid worden ingezet;

  • standby-inzetten, voor evenementen of multidisciplinaire bijstandverlening;

  • inzetten voor training of voor onderhoud voertuigen.

Voor de productiecijfers worden verder alleen inzetten geselecteerd die voortkomen uit een melding en waarbij de ambulance daadwerkelijk heeft gereden. Dat betekent dat de volgende inzetten worden uitgesloten:

  • voorwaardescheppende inzetten3;

  • geannuleerde inzetten.

En om dubbeltellingen te voorkomen worden de volgende inzetten uitgesloten:

  • inzetten uitgevoerd door een andere RAV.

Deze inzetten zijn overgedragen aan een andere meldkamer ambulancezorg. Een inzet wordt alleen meegeteld bij de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.

De selectie van reguliere inzetten op bovengenoemde criteria gebeurt door in de ritgegevens selecties te maken op bepaalde kenmerken. In de ritgegevens wordt eerst een selectie gedaan op ‘vervoerder’, de organisatie die de inzet heeft verzorgd. In een RAV kunnen meerdere vervoerders actief zijn. Via het kenmerk ‘vervoerder’ worden reguliere inzetten geselecteerd en worden inzetten voor andere organisaties, zoals huisartsenposten of MMT, uitgesloten. De wijze van registreren verschilt per regio en niet alle regio’s registreren inzetten voor andere organisaties op deze wijze. Daarom worden nadere selecties gedaan op de kenmerken ‘standplaats’ en ‘ambulance’. Een ambulance wordt geïdentificeerd aan het wagennummer. Tot slot wordt ook een selectie gedaan op het kenmerk ‘soort vervoer’. Per regio is maatwerk vereist voor de selectie van de reguliere productie.

Valideren van het afhaaladres

Voor sommige analyses wordt gebruik gemaakt van de geografische kenmerken van de inzet, de locatie van het ‘afhaaladres’. Bijvoorbeeld voor het bepalen van het aantal overschrijdingen per regio of voor de herverdeling van spoedeisende inzetten aan de dichtstbijzijnde standplaats, zoals gebeurt voor het referentiekader. Het ‘afhaaladres’ is de locatie waar de ambulance naar toe rijdt om zorg te verlenen. In spoedeisende gevallen is dit de plaats van het incident dat aanleiding geeft tot de ambulance inzet, bij besteld vervoer is dit de locatie waar de patiënt opgehaald wordt, het ziekenhuis, een andere zorginstelling of het woon- of verblijfadres van de patiënt. In de ritgegevens wordt het afhaaladres geregistreerd als een adres, inclusief een zespositie postcode (vier cijfers en twee letters). Het RIVM leidt hiervan een vierpositie postcode af. Ook wordt de vierpositie postcode gevalideerd, dat wil zeggen dat wordt nagegaan of het een bestaande en logische code is. In een aantal gevallen is de postcode niet valide, ofwel omdat een niet-bestaande zespositie postcode is vastgelegd, ofwel omdat een code oneigenlijk wordt gebruikt. Bijvoorbeeld worden de codes ‘9999’ of ‘1111’ vaak oneigenlijk gebruikt. In deze gevallen kan een analyse op basis van de vierpositie postcode van het afhaaladres tot onzuivere uitkomsten leiden. Het RIVM heeft zich ingespannen om een valide vierpositie postcode af te leiden, maar heeft niet altijd kunnen voorkomen dat er soms een onjuiste vierpositie postcode wordt afgeleid.

Er zijn ook inzetten waarbij het afhaaladres of de zespositie postcode niet is geregistreerd. In die gevallen is gekeken naar de plaats van het afhaaladres en is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd als vierpositie postcode van het afhaaladres. Als ook de plaatsnaam van het afhaaladres niet bekend was, is de centroïde van de uitvoerende RAV gebruikt als vierpositie postcode van het afhaaladres.

Van bijna 98% van de inzetten, spoedeisende inzetten en besteld vervoer, kon de 4-positie postcode worden afgeleid van de 6-positie postcode. Van 1,5% van de inzetten is de 4-positie postcode afgeleid van de gemeente of plaatsnaam van de inzet. Van 1% van de inzetten is de 4-positie postcode afgeleid van de RAV die de inzet heeft verzorgd. Voor de herverdeling van de spoedeisende inzetten voor het referentiekader betekent dit dat vrijwel alle spoedeisende inzetten op een valide wijze is toegerekend aan de dichtstbijzijnde standplaats. Een zeer klein aantal inzetten is toegekend aan een standplaats die de centroïde van de RAV in haar verzorgingsgebied heeft. Dit heeft geen gevolgen voor de capaciteitsberekeningen omdat deze op RAV-niveau worden gedaan.

Nadere selecties voor het referentiekader

Voor het referentiekader wordt een aantal inzetten uit de productie niet meegenomen. Deze worden uit productie gefilterd op grond van bepaalde uitgangspunten van het referentiekader. Het gaat om de volgende inzetten.

  • 1. Inzetten zonder tijdsregistratie

    Deze inzetten worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen omdat deze niet kunnen worden toegedeeld naar het uur van de dag. In totaal worden uit de 2016-productiecijfers hierdoor 1.589 inzetten uitgefilterd: 469 A1-inzetten, 412 A2-inzetten en 708 B-inzetten. Dit komt overeen met 0,1% van de totale productie in 2016.

  • 2. Inzetten van rapid responders met een ‘vervolgauto’

    Inzetten van rapid responder4 waarbij er ook een ambulance is ingezet ten behoeve van vervoer van de patiënt worden niet meegenomen in de productie. De inzet voor het vervoer van de patiënt wordt wel meegenomen. Inzetten van rapid responders zonder vervoer van de patiënt worden wel meegenomen in de selecties. In totaal gaat het om 13.085 inzetten die worden uitgefilterd: 7.253 A1-inzetten en 5.832 A2-inzetten. Dit komt overeen met 1,4% van het totaal aantal spoedeisende inzetten in 2016.

  • 3. Ambulancedienst Schiphol

    Inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen. In 2016 waren deze inzetten niet in de productiecijfers van RAV Kennemerland meegenomen, cijfers van de ambulancedienst van Schiphol hoefden dus niet te worden uitgefilterd.

Tabel B3.1 geeft per RAV de aantallen inzetten die op grond van bovenstaande criteria 1 en 2 zijn uitgefilterd.

Tabel B3.1: Overzicht van de uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2017.

Totale productie

A1

A2

B

totaal

632.875

340.056

340.320

1.313.251

Uitgefilterd vanwege ontbrekende tijdenregistratie

7

Midden Gelderland

3

2

1

6

17

Rotterdam-Rijnmond

466

410

707

1.583

 

Totaal

469

412

708

1.589

Uitgefilterde inzetten van rapid responders

1

Groningen

160

41

201

2

Friesland

208

103

311

3

Drenthe

4

IJsselland

185

212

397

5

Twente

122

390

512

6

Noordoost Gelderland

105

96

201

7

Midden Gelderland

369

244

613

8

Gelderland Zuid

201

335

536

9

Utrecht

1.327

1.367

2.694

10

Noord-Holland Noord

499

208

707

11

Amsterdam -Waterland

1.001

183

1.184

12

Kennemerland

385

198

583

14

Gooi- en Vechtstreek

94

50

144

15

Haaglanden

443

249

692

16

Hollands Midden

17

Rotterdam-Rijnmond

786

385

1.171

18

Zuid-Holland Zuid

153

80

233

19

Zeeland

215

91

306

20

Midden- en West Brabant

660

573

1.233

21

Brabant-Noord

329

272

601

22

Brabant-Zuidoost

159

241

400

23

Limburg Noord

204

258

462

24

Zuid Limburg

138

154

292

25

Flevoland

171

143

314

 

Totaal

7.914

5.873

13.787

Totaal aantal inzetten in referentiekader-2017

624.492

333.771

339.612

1.297.875

Herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats

Voor het referentiekader wordt een bewerking op de ritaantallen gedaan. Hierbij worden spoedeisende inzetten, met A1- of A2-urgentie, toegedeeld aan de dichtstbijzijnde standplaats, volgens het spreidingsplan van het referentiekader. Deze toedeling wordt gedaan met gebruik van het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg. Elke postcodegebied in Nederland wordt toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. Zo worden ’verzorgingsgebieden’ van standplaatsen van het referentiekader bepaald. Spoedritten met het afhaaladres in een verzorgingsgebied worden toegewezen aan de bijbehorende standplaats. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt alleen een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. Het besteld vervoer wordt niet herverdeeld. Het B-vervoer blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering5 die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat het besteld vervoer van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van het besteld vervoer van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De B-inzetten van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.

Inzetten in het buitenland

Inzetten van Nederlandse RAV’s in het buitenland zijn meegenomen in de capaciteitsberekeningen. Het betreft hier reguliere inzetten. Inzetten van specifieke buitenlandvervoerders, voor bijvoorbeeld repatriëring van patiënten uit het buitenland, vallen buiten de reguliere productie. In 2016 zijn 519 inzetten in het buitenland uitgevoerd, 81 inzetten met A1-urgentie, 47 met A2-urgentie en 391 B-inzetten. Het gaat hier om spoedeisende inzetten of besteld vervoer in Duitsland of België. Deze inzetten zijn niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten omdat buitenlandse adressen niet zijn opgenomen in de verzorgingsgebieden van standplaatsen. Deze verzorgingsgebieden zijn alleen bepaald voor Nederlandse postcodegebieden. Inzetten in het buitenland toegewezen aan de uitvoerende RAV. De ritgegevens zijn wel meegenomen in de capaciteitsberekeningen en in de berekening van de gemiddelde ritduur.

Tabel B3.2: Overzicht van spoedritten in het buitenland en het aantal spoedritten in de herverdeling voor het referentiekader -2017.
   

A1

A2

Totaal

A1 en A2

Totaal aantal inzetten in referentiekader-2017

624.492

333.771

958.263

         

Inzetten in het buitenland, deze spoedritten zijn niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten

1

Groningen

     

2

Friesland

     

3

Drenthe

 

1

1

4

IJsselland

 

2

2

5

Twente

1

 

1

6

Noordoost Gelderland

2

1

3

7

Midden Gelderland

     

8

Gelderland Zuid

66

41

107

9

Utrecht

     

10

Noord-Holland Noord

     

11

Amsterdam -Waterland

     

12

Kennemerland

     

14

Gooi- en Vechtstreek

     

15

Haaglanden

     

16

Hollands Midden

     

17

Rotterdam-Rijnmond

     

18

Zuid-Holland Zuid

     

19

Zeeland

2

1

3

20

Midden- en West Brabant

     

21

Brabant-Noord

     

22

Brabant-Zuidoost

     

23

Limburg Noord

1

 

1

24

Zuid Limburg

9

1

10

25

Flevoland

     
 

Totaal

81

47

128

Totaal aantal inzetten in herverdeling van spoedritten in het referentiekader

624.411

333.724

958.135

Resultaat van de herverdeling van spoedritten

Het resultaat van de herverdeling van spoedritten is gegeven in tabel B3.3. Deze moet als volgt gelezen worden. In de kolommen staan de RAV’s die de productie hebben verzorgd, in de rijen staan de regio’s aan welke de inzetten zijn toegewezen volgens de herverdeling.

Bijvoorbeeld heeft RAV Groningen 38.863 spoedritten verzorgd volgens de productiecijfers die zijn meegenomen in het referentiekader. Dat is de totale productie volgens de cijfers in Ambulances in-zicht-2016 exclusief de uitgefilterde inzetten van rapid responders en ritten zonder tijdenregistratie. Van de 38.863 inzetten heeft Groningen

  • 36.961 uitgevoerd in verzorgingsgebieden van eigen standplaatsen;

  • 441 inzetten zijn toegewezen aan de regio Friesland exclusief Waddeneilanden omdat het afhaaladres van deze inzetten valt in verzorgingsgebieden van Friese standplaatsen van het referentiekader;

  • 1.368 inzetten zijn toegewezen aan de regio Drenthe omdat het afhaaladres van deze inzetten ligt in verzorgingsgebieden van Drentse standplaatsen;

  • 55 inzetten zijn toegewezen aan de regio IJsselland;

  • 36 inzetten aan de regio Twente;

  • 1 inzet aan de regio Utrecht;

  • en 1 inzet aan de regio Hollands Midden.

Andersom worden 373 inzetten van de productie van RAV Friesland, 1.980 inzetten van RAV Drenthe, 1 inzet van de RAV IJsselland, 1 inzet van de RAV Twente, 2 inzetten van de RAV Gelderland Zuid en 1 inzet van ‘Overige RAV’s’ toegewezen aan de regio Groningen. In totaal worden 39.319 spoedritten meegenomen in de capaciteitsberekeningen voor de regio Groningen (exclusief inzetten in het buitenland). Van de productie van RAV Groningen zijn volgens de herverdeling 1.902 spoedinzetten aan een andere regio toegewezen en er zijn 2.358 inzetten van andere RAV’s aan de regio Groningen toegewezen. Netto heeft de regio Groningen 456 spoedeisende inzetten ontvangen. Zie ook tabel 2.3 in paragraaf 2.2.

Zoals eerder gezegd worden spoedritten in het buitenland niet meegenomen in de herverdeling, voor de capaciteitsberekening worden die opgeteld bij het totaal aantal ritten per rij in tabel B3.3.

Regio

 

1

2

3

4

5

6

7

8

Ov. RAV’s

Totaal

1

Groningen

36.961

373

1.980

1

1

   

2

1

39.319

2

Friesland excl. Waddeneil.

441

35.791

275

145

       

76

36.728

3

Drenthe

1.368

129

29.211

935

1

2

1

11

0

31.658

4

IJsselland

55

110

297

22.038

25

687

 

1

25

23.238

5

Twente

36

 

2

428

28.776

209

 

13

2

29.466

6

Noordoost Gelderland

   

3

1.013

44

35.182

251

28

89

36.610

7

Midden Gelderland

     

5

 

698

31.319

323

377

32.722

8

Gelderland Zuid

   

2

 

1

1

226

25.725

998

26.953

9

Utrecht

1

 

1

3

 

9

1.769

24

56.945

58.752

10

Noord-Holland Nrd excl. Texel

 

5

     

1

   

32.725

32.731

12

Kennemerland

     

1

 

2

   

35.900

35.903

13

Amsterdam-Amstelland

 

3

 

5

       

70.717

70.725

14

Gooi en Vechtstreek

           

1

 

12.484

12.485

15

Haaglanden

             

6

71.997

72.003

16

Hollands Midden

1

 

1

       

11

42.676

42.689

17

Rotterd.-Rijnm. excl. G-Overfl.

         

1

 

1

72.706

72.708

18

Zuid-Holland Zuid

             

419

28.661

29.080

20

Midden- en West-Brabant

             

211

64.203

64.414

21

Brabant-Noord

 

4

       

1

772

35.994

36.771

23

Limburg Noord

             

14

29.683

29.697

24

Zuid Limburg

           

1

15

33.308

33.324

25

Flevoland

 

80

1

236

 

164

   

20.949

21.430

31

Vlieland

 

122

           

0

122

32

Terschelling

 

784

           

0

784

33

Ameland

 

394

           

0

394

34

Schiermonnikoog

 

108

           

0

108

38

Walcheren en Bevelanden

         

1

   

13.762

13.763

 

Overige regio’s

               

73.558

73.558

 

Totaal

38.863

37.903

31.773

24.810

28.848

36.957

33.569

27.576

697.836

958.135

Tabel B3.3: Herverdeling van spoedritten voor het referentiekader-2017, RAV’s 1 tot en met 8.

Tabel B3.3 vervolg: Herverdeling van spoedritten voor het referentiekader -2017, RAV’s 9 tot en met 17.

Regio

9

10

11

12

14

15

16

17

Ov. RAV’s

Totaal

2

Friesland excl. Waddeneilanden

 

3

1

       

4

36.720

36.728

4

IJsselland

8

1

       

2

 

23.227

23.238

5

Twente

           

1

 

29.465

29.466

6

Noordoost Gelderland

34

           

1

36.575

36.610

7

Midden Gelderland

321

 

51

         

32.350

32.722

8

Gelderland Zuid

717

2

1

     

1

2

26.230

26.953

9

Utrecht

56.373

1

34

1

264

4

226

2

1.847

58.752

10

Noord-Holl. Nrd excl. Texel

 

32.449

183

71

     

1

27

32.731

11

Zaanstreek-Waterland

 

161

21.030

23

       

3

21.217

12

Kennemerland

 

1.382

226

34.161

 

2

121

 

11

35.903

13

Amsterdam-Amstelland

501

13

67.454

1.553

1.104

4

37

1

58

70.725

14

Gooi en Vechtstreek

1.926

1

27

6

10.422

2

2

 

99

12.485

15

Haaglanden

1

1

1

2

 

69.552

729

1.701

16

72.003

16

Hollands Midden

413

 

6

287

 

1.422

40.500

43

18

42.689

17

Rotterd.-Rijnm. excl. G.-Overfl.

     

1

 

535

1.780

70.315

77

72.708

18

Zuid-Holland Zuid

25

 

1

1

 

2

1

2.681

26.369

29.080

20

Brabant-Noord

20

 

2

       

61

64.331

64.414

22

Brabant-Zuidoost

1

3

         

2

38.829

38.835

23

Limburg Noord

             

1

29.696

29.697

24

Zuid Limburg

             

2

33.322

33.324

25

Flevoland

2

3

23

2

76

 

1

 

21.323

21.430

30

Texel

 

1.145

           

0

1.145

35

Goeree-Overflakkee

             

2.321

93

2.414

36

Tholen

             

7

2.323

2.330

38

Walcheren en Bevelanden

             

24

13.739

13.763

 

Overige regio’s

               

116.773

116.773

 

Totaal

60.342

35.165

89.040

36.108

11.866

71.523

43.401

77.169

533.521

958.135

Regio

18

19

20

21

22

23

24

25

Ov. RAV’s

Totaal

1

Groningen

 

1

           

39.318

39.319

2

Friesland excl. Waddeneil.

             

68

36.660

36.728

4

IJsselland

             

14

23.224

23.238

5

Twente

       

1

     

29.465

29.466

6

Noordoost Gelderland

     

1

     

53

36.556

36.610

7

Midden Gelderland

     

3

1

1

   

32.717

32.722

8

Gelderland Zuid

71

 

2

108

1

93

   

26.678

26.953

9

Utrecht

19

       

2

 

19

58.712

58.752

10

Noord-Holl. Nrd excl. Texel

         

1

 

20

32.710

32.731

11

Zaanstreek-Waterland

             

3

21.214

21.217

12

Kennemerland

   

1

2

1

4

   

35.895

35.903

13

Amsterdam-Amstelland

       

3

 

1

46

70.675

70.725

14

Gooi en Vechtstreek

       

1

   

97

12.387

12.485

15

Haaglanden

   

2

   

8

   

71.993

72.003

16

Hollands Midden

1

1

1

   

2

   

42.684

42.689

17

Rotterd.-Rijnm. excl. G-Overfl.

59

4

11

   

1

   

72.633

72.708

18

Zuid-Holland Zuid

25.776

4

170

         

3.130

29.080

20

Midden- en West-Brabant

115

277

62.659

1.024

43

2

   

294

64.414

21

Brabant-Noord

 

2

202

33.806

928

1.056

   

777

36.771

22

Brabant-Zuidoost

   

141

226

38.201

258

3

 

6

38.835

23

Limburg Noord

     

359

400

28.666

257

 

15

29.697

24

Zuid Limburg

1

       

190

33.115

 

18

33.324

25

Flevoland

             

20.842

588

21.430

35

Goeree-Overflakkee

30

61

2

         

2.321

2.414

36

Schouwen-Duiveland

 

2.323

           

7

2.330

37

Tholen

 

988

164

         

0

1.152

38

Walcheren en Bevelanden

 

12.745

993

         

25

13.763

39

Zeeuws-Vlaanderen

1

6.464

           

0

6.465

 

Overige regio’s

               

34.211

34.211

 

Totaal

26.073

22.870

64.348

35.529

39.580

30.284

33.376

21.162

684.913

958.135

Bijlage 2. bij ministeriële regeling CZ-3131585

Gegevens ex artikel 23, eerste lid, onder b

  • 1. Capaciteit:

    • standplaatsen (ultimo van het jaar): aantallen en locaties,

    • aantal in te zetten ambulances per standplaats (ultimo van het jaar),

    • aantal ambulances naar soort (ambulance, zorgambulance, rapid responder), ultimo van het jaar,

  • 2. Productie (ritten naar categorie) per jaar:

    • aantal A1-ritten met ambulance,

    • aantal A1 ritten met rapid responder,

    • aantal A2-ritten,

    • aantal B-ritten met ambulance,

    • aantal B-ritten met zorgambulance,

    • aantal EHGV-ritten6,

    • aantal loze ritten7,

    • aantal voorwaardenscheppende ritten,

    • aantal A1-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal A2-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal B-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal ritten ten behoeve van een buitenlandse buurregio,

    • aantal inzetten van een buitenlandse buurregio binnen de RAV regio,

    • aantal voorwaardenscheppende ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal MICU-ritten

  • 3. Prestaties (gemiddeld per jaar) :

    • tijdsduur aanname en uitgifte A1-ritten in minuten:seconden,

    • uitruktijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • aanrijtijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • responstijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • percentage A1-ritten binnen 14 minuten bij de patiënt,

    • percentage A1 ritten binnen 15 minuten bij de patiënt,

    • percentage A1-ritten binnen 16 minuten bij de patiënt,

    • tijdsduur aanname en uitgifte A2-ritten in minuten:seconden,

    • uitruktijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • aanrijtijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • responstijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • percentage A2 ritten binnen 30 minuten bij de patiënt,

  • 4. Personeel (ultimo van het jaar):

    • Beschikbaar personeel in fte, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):

    • Beschikbaar personeel in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):

    • leeftijdsopbouw werkzame personen:

      jonger dan 20 jaar;

      20 tot en met 24 jaar

      25 tot en met 29 jaar

      30 tot en met 34 jaar

      35 tot en met 39 jaar

      40 tot en met 44 jaar

      45 tot en met 49 jaar

      50 tot en met 54 jaar

      55 tot en met 59 jaar

      60 jaar en ouder

    • aantal medewerkers in dienst gedurende:

      korter dan 1 dienstjaar

      1 tot en met 4 jaar

      5 tot en met 9 jaar

      10 tot en met 14 jaar

      15 tot en met 19 jaar

      20 tot en met 24 jaar

      25 tot en met 29 jaar

      30 tot en met 34 jaar

      35 tot en met 39 jaar

      40 jaar en langer

    • aantal agressiegerelateerde incidenten jegens de eigen medewerkers (zie de toelichting op artikel 12, vierde lid, van de onderhavige regeling)

  • 5. Ingeroosterde uren per jaar

    • Totaal aantal ingeroosterde diensturen van ambulanceteams naar dienstsoort per jaar (parate uren, aanwezigheidsuren en beschikbare uren)

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de RAV de juistheid van de gegevens bevestigt.

Bijlage 3. bij ministeriële regeling CZ-3131585

Gegevens ex artikel 33, eerste lid, onder b

  • 1. Capaciteit (ultimo van het jaar):

    • a. aantal ambulances

  • 2. Productie (per jaar):

    • a. aantal ambulanceritten vanuit het buitenland gespecificeerd naar land en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).

    • b. aantal ambulanceritten vanaf een (Nederlandse) luchthaven gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).

    • c. aantal begeleide patiënttransporten, anders dan met een ambulance, gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisdres).

  • 3. Personeel (ultimo van het jaar):

    • a. formatie van vaste krachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).

    • b. formatie van oproepkrachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de buitenlandvervoerder de juistheid van de gegevens bevestigt.

  • ^ [1]

    Een rapid responder, ook wel ‘solo-ambulance’ genoemd, is een ambulanceverpleegkundige die zelfstandig een inzet verzorgt, al dan niet in afwachting van een ambulance of andere zorgverlener. Een rapid responder kan zorg verlenen op ALS-niveau (Advanced Life Support), maar heeft geen mogelijkheid tot vervoer van de patiënt. Het voertuig van de rapid responder is een fiets, motor of een auto (zonder de mogelijkheid tot ‘liggend’ vervoer).

  • ^ [2]

    In de ‘eilandbenadering’ van het referentiekader worden de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse (schier-)eilanden als aparte regio’s beschouwd, de benodigde capaciteit wordt voor deze ‘eilanden’ apart berekend.

  • ^ [3]

    Voorwaardescheppende inzetten zijn inzetten die worden gedaan in het kader van Dynamisch ambulance management om de paraatheid/dekking in een gebied te verbeteren. Een ambulance wordt dan verplaatst naar een strategische locatie zonder een opdracht voor hulpverlening.

  • ^ [4]

    Een rapid responder, ook wel ‘solo-ambulance’ genoemd, is een ambulanceverpleegkundige die zelfstandig een inzet verzorgt, al dan niet in afwachting van een ambulance of andere zorgverlener. Een rapid responder kan zorg verlenen op ALS-niveau (Advanced Life Support), maar heeft geen mogelijkheid tot vervoer van de patiënt. Het voertuig van de rapid responder is een fiets, motor of een auto (zonder de mogelijkheid tot ‘liggend’ vervoer).

  • ^ [5]

    In de ‘eilandbenadering’ van het referentiekader worden de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse (schier-)eilanden als aparte regio’s beschouwd, de benodigde capaciteit wordt voor deze ‘eilanden’ apart berekend.

  • ^ [6]

    EHGV-rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij de noodzaak tot vervoer na onderzoek van de patiënt niet is gebleken.

  • ^ [7]

    Loze rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij blijkt dat er geen noodzaak was tot hulpverlening.