Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg[Regeling vervalt per 01-01-2018.]

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3, 7, 10 en 11 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b. A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;

  • c. ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;

  • d. buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;

  • e. directeur meldkamer: de directeur meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s;

  • f. directeur publieke gezondheid: de directeur publieke gezondheid, bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;

  • g. gewondenspreidingsplan: overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen;

  • h. partners in de acute zorgketen: huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio;

  • i. ROAZ: het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen;

  • j. triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.

Hoofdstuk II. Spreiding en beschikbaarheid

Artikel 2

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.

  • 4 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.

Hoofdstuk III. Landelijke eisen ambulancezorg

§ 1. Algemeen

Artikel 3

De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.

Artikel 4

De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.

Artikel 5

De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.

Artikel 6

Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.

§ 2. De cliënt

Artikel 7

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 8

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:

    • a. op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en

    • b. zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.

§ 3. Prijs en doelmatigheid

Artikel 9

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 4 In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

  • 5 De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.

§ 4. Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s

Artikel 10

De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

Artikel 11

  • 1 Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:

    • a. de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren),

    • b. de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie,

    • c. de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en

    • d. de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.

§ 5. Het personeel

Artikel 12

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.

  • 2 Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.

  • 3 Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.

  • 4 De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.

  • 5 De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.

§ 6. De organisatie

Artikel 13

De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.

Artikel 14

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.

Artikel 15

De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.

Artikel 16

De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.

§ 7. De meldkamer ambulancezorg

Artikel 17

Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.

Artikel 18

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:

    • a. de verdeling van taken in de meldkamer,

    • b. de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement,

    • c. het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur,

    • d. de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens,

    • e. de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en

    • f. het continuïteitsplan voor de meldkamer.

Artikel 19

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.

§ 8. Opschaling

Artikel 20

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:

    • a. de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie,

    • b. de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet,

    • c. de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel,

    • d. de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt,

    • e. de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en

    • f. het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

Artikel 21

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.

§ 9. Regionale eisen ambulancezorg

Artikel 22

  • 1 Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.

  • 2 Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.

Hoofdstuk IV. Gegevensverstrekking ambulancezorg

Artikel 23

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening overlegt aan de minister de volgende gegevens:

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 24

De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk V. Bijzondere ambulancezorg

§ 1. Uitzonderingen

Artikel 25

  • 1 Het in hoofdstuk II van de Tijdelijke wet ambulancezorg bepaalde geldt niet voor:

    • a. vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:

      • van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;

      • in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;

    • b. vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;

    • c. vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009;

    • d. vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt;

    • e. vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;

    • f. vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt;

    • g. het buitenlandvervoer.

  • 2 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.

  • 3 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:

    • a. voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen;

    • b. voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.

§ 2. Landelijke eisen voor buitenlandvervoer

Artikel 26

Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.

Artikel 27

  • 1 De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).

  • 2 Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.

Artikel 28

De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.

Artikel 29

De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.

Artikel 30

De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.

Artikel 31

De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.

Artikel 32

  • 1 De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.

  • 2 In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

Artikel 33

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 34

De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 35

[Red: Wijzigt het Besluit 1-1-2 alarmcentrales.]

Artikel 36

[Red: Wijzigt de PODACS-regeling.]

Artikel 37

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt.

Artikel 38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E.I. Schippers

Bijlage 1. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016

RIVM Briefrapport 2016-0093

Publiekssamenvatting

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016

Het RIVM heeft op basis van gegevens over het jaar 2015 berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Hieruit blijkt dat er overdag op werkdagen 598 ambulances nodig zijn, tien meer dan uit de vorige doorrekening, over 2012. Ook is er een toename van het aantal benodigde ambulances in de avond en nacht en in het weekend. Zo zijn ‘s avonds op werkdagen 28 ambulances meer nodig dan in de vorige doorrekening. In het weekend varieert dit tussen 13 en 24, afhankelijk van de dag en het tijdstip.

De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aantal benodigde ambulances is de stijging van het aantal spoedeisende inzetten met 18,8 procent tussen 2012 en 2015. Dit komt neer op een jaarlijkse groei van gemiddeld 5,9 procent.

De groei van de spoedeisende ambulancezorg kan deels worden verklaard door demografische ontwikkelingen, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Een andere factor is dat mensen in 2015 vermoedelijk eerder en gemakkelijker een beroep doen op de ambulancezorg dan in 2012. Ook zijn meldkamers de afgelopen jaren overgegaan op andere systemen om 112-meldingen te behandelen en is er een nieuw protocol om ambulances sneller in te zetten.

De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen.

In opdracht van het ministerie van VWS is het referentiekader van 2013 geactualiseerd met recente cijfers over de vraag naar en het aanbod van ambulances in Nederland. VWS bespreekt de uitkomsten met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland, waarna de minister het referentiekader vaststelt.

Kernwoorden: ambulancezorg, referentiekader, spreiding en beschikbaarheid, capaciteitsmodel

Synopsis

The Dutch National Ambulance Plan 2016

Based on 2015-data, the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has recalculated the required number of ambulances for each region of the Netherlands. These calculations show that on weekdays during daytime hours, 598 ambulances are needed to meet the demand for ambulance services. That is 10 more ambulances than was calculated in the previous National Ambulance Plan, which was based on 2012-data. For the evening and nighttime, and for the weekends, the number of additional ambulances needed is even larger. On weekday evenings, 28 extra ambulances are needed, and for the weekends, this number varies between 13 and 24, depending on the day and hour.

This increase is attributable to the increased use of urgent ambulance services. The demand for urgent ambulance care increased by 18.8 percent in the period 2012-2015. This is an average increase of 5.9 percent per year. The rise in the demand for urgent care is partly due to demographic developments such as population growth and ageing. In addition, people seem more inclined to make use of ambulance care. The newly implemented dispatch systems in the emergency call centers and a new protocol for a faster dispatch of ambulances may have had an effect on this number.

The ambulance care capacity required in the Netherlands is calculated using a framework that generates the number of ambulances needed to deliver ambulance care in the Netherlands, provided several preconditions are met. These preconditions include the standard response time, which is the maximum time it may take an ambulance to arrive at the site.

The Ministry of Health, Welfare and Sport requested RIVM to update the National Ambulance Plan based on recent data concerning the demand for and provision of ambulance care in the Netherlands. The outcomes were previously discussed with Ambulance Care Netherlands and Health Insurers Netherlands. After publication, the Minister will officially adopt the National Ambulance Plan.

Keywords: ambulance services, EMS, capacity model.

Inhoudsopgave

  Samenvatting 3
     
1 Inleiding 5
     
2 Productiecijfers 2015 6

2.1

Selecties voor productiecijfers

7

2.2

Nadere selecties voor het referentiekader

10

2.3

Gemiddelde ritduur

19

     
3 Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2016 22

3.1

Uitgangspunten en randvoorwaarden

22

3.2

Stapsgewijze actualisatie

23

     
4 Conclusie en discussie 25
     
  Referenties 26
     
  Lijst van afkortingen 27
     
Bijlage 1: Regio-indeling 28
     
Bijlage 2: Spreiding referentiekader 2016 28
     
Bijlage 3: Stapsgewijze actualisatie referentiekader 32

Samenvatting

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het referentiekader wordt periodiek geactualiseerd. In 2016 is het referentiekader opnieuw doorgerekend op basis van productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2015. In deze actualisatie is gebruik gemaakt van dezelfde rekenmodellen als in de vorige doorrekening die in 2013 heeft plaatsgevonden. De doorrekening in 2013 was op basis van de productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2012.

Ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn twee uitgangspunten veranderd:

  • 1. Inzetten van Nederlandse ambulances in het buitenland worden nu wel meegenomen. Dit heeft gevolgen voor de grensregio’s, in het bijzonder voor Zeeland, omdat een deel van de planbare ambulancezorg van deze regio is gericht op Belgische ziekenhuizen. In 2013 werden inzetten in het buitenland niet meegenomen.

  • 2. De 2016-actualisatie maakt gebruik van het rijtijdenmodel van 2016. In 2013 werd gebruik gemaakt van het rijtijdenmodel uit 2012. Hierdoor verschillen de verzorgingsgebieden van standplaatsen iets ten opzichte van de 2013-doorrekening. De herverdeling van spoedeisende inzetten is daarom anders dan in 2013. Deze herverdeling vindt plaats omdat er in het referentiekader van wordt uitgegaan dat een inzet door de dichtstbijzijnde standplaats wordt verzorgd.

Productiestijging 2012–2015

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen, overeenkomend met een stijging van 4,0% per jaar. De toename van het spoedvervoer, inzetten met A1- of A2-urgentie, is 18,8%. Het besteld vervoer is met 1,9% afgenomen. De stijging van 18,8% in 2012–2015 betekent een gemiddelde jaarlijkse groei van 5,9%. De groei van de spoedeisende ambulancezorg kan deels worden verklaard door demografische ontwikkelingen, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Een andere factor is dat mensen in 2015 vermoedelijk eerder en gemakkelijker een beroep doen op de ambulancezorg dan in 2012. Ook zijn meldkamers de afgelopen jaren overgegaan op andere systemen om 112-meldingen te behandelen en is er een nieuw protocol voor het sneller inzetten van ambulances. Het nieuwe protocol moet leiden tot kortere responstijden van ambulances.

Grootste stijging in het aantal A1-inzetten

Van de spoedeisende ambulancezorg steeg het aantal inzetten met A1-urgentie het meest. In de periode 2012–2015 is het aantal inzetten met A1-urgentie met 21,8% toegenomen, wat een gemiddelde groei van 6,8% per jaar betekent. Het aantal inzetten met A2-urgentie steeg in deze periode met 13,3%, gemiddeld 4,3% per jaar. In 2015 bestond 48,7% van de totale productie uit A1-inzetten, 24,7% had A2-urgentie en 26,6% was besteld vervoer. In 2012 was 45,0% van het totaal aantal inzetten onder A1-urgentie uitgevoerd en bestond 30,5% van de productie uit besteld vervoer. Het aandeel A2-inzetten was met 24,6% ongeveer gelijk als in 2015.

Nadere selecties voor het referentiekader

Voor het referentiekader wordt een aantal ritten uit de ritstatistieken niet meegenomen als uitvloeisel van de uitgangspunten van het referentiekader. Zo worden inzetten van zogenaamde ‘rapid responders’, ambulances zonder mogelijkheid voor vervoer van de patiënt, waarbij er tevens een ambulance is ingezet voor vervoer van de patiënt, weggelaten. Ook ritten zonder tijdsregistratie en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen. Door het weglaten van deze ritten en door de herverdeling van spoedritten zijn de cijfers in het referentiekader anders dan de productiecijfers die door Ambulancezorg Nederland zijn gepubliceerd.

Gemiddelde ritduur

In het referentiekader wordt voor de ritduur uitgegaan van de tijd die de ambulance bezig is met een inzet: de tijdsduur tussen het vertrek van de ambulance en het moment dat de inzet eindigt. Deze definitie omvat ook de tijd die de ambulance nodig heeft om na een inzet terug te keren naar de standplaats. De gemiddelde ritduur van A1-inzetten is in 2012–2015 op landelijk niveau met bijna een minuut toegenomen: van 61 minuten en 48 seconde in 2012 naar 62 minuten en 42 seconde in 2015. De gemiddelde ritduur voor A2-urgentie is met één minuut en 14 seconde afgenomen van 64 minuten en 18 seconde in 2012 naar 63 minuten en 6 seconde in 2015. De gemiddelde ritduur van het besteld vervoer is in deze periode vrijwel gelijk gebleven.

Referentiekader-2016

Het aantal inzetten samen met de gemiddelde ritduur bepalen het totaal aantal uren ambulancezorg. In het referentiekader wordt hiervoor het benodigd aantal ambulances berekend. Het resultaat is dat op werkdagen overdag (8–16 uur) er 598 ambulances nodig zijn. Dit zijn tien meer dan in het referentiekader-2013 was berekend. Op werkdagen in de nacht (0–8 uur) zijn er elf ambulances meer nodig, in de avonduren zijn er 28 ambulances meer nodig. In de weekenddagen varieert het aantal extra benodigde ambulances van 13 tot 24, afhankelijk van het tijdstip op de dag.

De stijging van het aantal benodigde ambulances op werkdagen buiten kantooruren is groter dan de stijging binnen kantooruren. Dit is een gevolg van de sterke toename van de vraag naar ambulancezorg buiten kantooruren. Het tijdsblok van 8–16 uur is vermoedelijk te smal om de drukste uren in de ambulancezorg te omvatten. De stijging van het aantal benodigde ambulances in het weekend is voor een belangrijk deel een gevolg van de toegenomen vraag naar spoedeisende ambulancezorg in het weekend. Opvallend is dat ook in de avonduren (16–24 uur) op zondagen een stijging van het aantal benodigde ambulances is te zien.

Discussiepunten

De toename van het aantal benodigde ambulances in het referentiekader-2016 verschilt per regio, per soort dag en per tijdsinterval (blokuur). Het extra aantal benodigde ambulances is voor sommige regio’s op werkdagen in de avonduren twee of soms drie, voor andere regio’s nul. Deze verschillen treden op ondanks het feit dat alle regio’s in de periode 2012–2015 een productiestijging hebben gehad. Er zijn twee verklaringen voor het feit dat niet in alle regio’s een stijging van de productie leidt tot meer benodigde ambulances: de toe- of afname van het besteld vervoer en de ontwikkeling van de gemiddelde ritduur.

In sommige regio’s is een sterke daling van het besteld vervoer geweest. In de berekening van de benodigde capaciteit kan dit leiden tot één tot twee minder ambulances voor het besteld vervoer. Alle regio’s hebben een stijging van het spoedvervoer gehad. Dit leidt tot één of twee extra benodigde ambulances. Bij regio’s met een daling van het besteld vervoer kan het netto resultaat van het referentiekader-2016 zijn dat er geen extra benodigde ambulances worden berekend.

De capaciteitsberekening van het referentiekader gaat uit van het totaal aantal uren ambulancezorg dat door een regio is geleverd. Een lagere gemiddelde ritduur in combinatie met een productiestijging kan resulteren in nul extra benodigde ambulances. Regio’s hebben de volgende verklaringen gegeven voor een lagere gemiddelde ritduur:

  • Door de CAO-acties in de ambulancesector in 2015 zijn ritgegevens onvolledig geregistreerd.

  • Door de hogere werkdruk krijgen ambulances vaker dan in 2012 een vervolgopdracht nog voordat een inzet volledig is afgerond. Het einde van een inzet wordt dan geregistreerd voordat de ambulance is teruggekeerd naar de standplaats. Hierdoor wordt een kortere ritduur berekend.

  • Een hoger aantal afgebroken ritten. In veel regio’s wordt sinds kort gewerkt volgens het protocol ‘Directe inzet ambulances’. Volgens dit protocol wordt een ambulance uitgestuurd voordat de melding is afgerond. Door de overlap tussen meldtijd, uitruktijd en rijtijd wordt een lagere responstijd gerealiseerd. Als na afronding van de melding blijkt dat een inzet niet nodig is wordt de inzet afgebroken en keert de ambulance terug naar de standplaats. Deze afgebroken ritten hebben een lage ritduur.

Aanbevelingen voor een volgende actualisatie

Er zijn aantal ontwikkelingen in de uitvoering van de ambulancezorg die aanleiding kunnen zijn voor een discussie over en eventuele herziening van een aantal aspecten van het referentiekader. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden of de gegevensbewerking voor het referentiekader aangepast moet worden omdat in de praktijk het protocol Directe inzet ambulances wordt toegepast. Ook kan er een discussie worden gevoerd of de stijging van het aantal inzetten waarbij eerste hulp verleend wordt maar geen vervoer van de patiënt plaatsvindt, aanleiding is voor een aanpassing van de randvoorwaarden en uitgangspunten.

1. Inleiding

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de capaciteit die nodig is om een voldoende geografische dekking te garanderen. Hiervoor is een geografische spreiding van standplaatsen gehanteerd waarmee in elke regio minstens 97% van de bevolking binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een bepaald minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het rekenmodel waarmee de benodigde capaciteit wordt berekend is hierop toegesneden. De berekeningen zijn gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg in een basisjaar. De uitkomsten van het referentiekader vormen de basis voor het bekostigingsmodel voor de ambulancezorg dat door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt beheerd.

De minister van VWS stelt het referentiekader vast. Dat gebeurde voor het eerst in 2004, actualisaties volgden in 2008 en in 2013 (Ministerie van VWS, 2004; 2008; 2013). De eerste versie van het referentiekader is in 2004 opgesteld in het kader van het Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ, 2004). Daar ging een onderzoek naar spreiding en beschikbaarheid aan vooraf (Kommer et al., 2003). De actualisaties in 2008 en 2013 gingen gepaard met een periode van discussie over de randvoorwaarden en uitgangspunten en van uitkomsten van het rekenmodel. De discussie werd gevoerd in een expertteam, een overleg met vertegenwoordigers van de ambulancesector, zorgverzekeraars en het ministerie. Het RIVM ondersteunde de discussie met onderzoek en analyses en verzorgde de definitieve doorrekening van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2009; 2013a). Naast deze rapportages van het referentiekader zijn de afgelopen jaren twee achtergrondrapporten gepubliceerd. In 2011 zijn de modellen van het referentiekader gedocumenteerd (Kommer en Zwakhals, 2011) en in 2013 is een rapportage uitgebracht waarin verschillende analyses van de ambulancezorg zijn gegeven en waarin een aantal modelvarianten is uitgewerkt (Kommer en Zwakhals, 2013). In het rapport uit 2013 is tevens een uitgebreid overzicht gegeven van de randvoorwaarden en uitgangspunten van het referentiekader.

Actualisatie van het referentiekader in 2016

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2016 geactualiseerd op basis van ritgegevens over het productiejaar 2015. Hierbij zijn het spreidings- en capaciteitsmodel dezelfde als in de doorrekening van 2013. De uitgangspunten en randvoorwaarden zijn ook gelijk gebleven, op twee uitgangspunten na. Ten eerste worden nu inzetten van de Nederlandse ambulancezorg in het buitenland wel meegenomen in de ritgegevens. In vorige versies van het referentiekader werden deze inzetten uit de selectie van ritten gefilterd. Ten tweede wordt nu gebruik gemaakt van een in 2016 geactualiseerd rijtijdenmodel. Met het nieuwe rijtijdenmodel worden verzorgingsgebieden van standplaatsen iets anders dan in 2013, toen de 2012-versie van het rijtijdenmodel werd gebruikt. Als gevolg van de andere verzorgingsgebieden is de herverdeling van spoedeisende inzetten anders dan in 2013.

Terminologie

In de toelichting op de bewerking van de ritgegevens voor de doorrekening van het referentiekader is het noodzakelijk om bepaalde kenmerken van de ambulancezorg en de geregistreerde ritgegevens te bespreken. De terminologie die in dit rapport wordt gehanteerd sluit aan bij het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg van Ambulancezorg Nederland (AZN, 2013a).Voor de leesbaarheid wordt in enkele gevallen alternatieve terminologie gebruikt. Meestal wordt de term inzet gehanteerd voor een dienstverlening door een ambulance maar soms spreken we van een rit. In de meeste gevallen vindt er bij een inzet/rit daadwerkelijk vervoer van de patiënt plaats, dit zijn declarabele inzetten. In een aantal gevallen wordt ter plaatse eerste hulp verleend maar vindt geen vervoer van de patiënt plaats. Dit zijn EHGV-inzetten (Eerste hulp geen vervoer). In sommige gevallen wordt geen patiënt aangetroffen of wordt ter plaatse geconcludeerd dat hulpverlening niet noodzakelijk is. In die gevallen is er noch hulpverlening geweest noch vervoer. Dit zijn zogenaamde loze ritten. In al deze gevallen is de ambulance ter plaatse gekomen. Er zijn ook gevallen waarbij de inzet vroegtijdig wordt geannuleerd. Als de ambulance op het tijdstip van annulering al rijdt is er sprake van een afgebroken rit. Als het ambulanceteam wel een opdracht heeft gekregen, maar nog niet is uitgerukt, is er sprake van een geannuleerde rit. Inzetten van de ambulance hebben altijd een urgentiecodering. Voor spoedeisende inzetten is dit een A-urgentie. Bij levensbedreigende situaties wordt een inzet onder A1-urgentie uitgevoerd, anders is er A2-urgentie. Naast de spoedeisende inzetten zijn er ook planbare inzetten. Dit zijn inzetten waarbij een tijdstip wordt afgesproken voor het halen of brengen van een patiënt. Vaak wordt de patiënt van of naar een ziekenhuis of andere zorginstelling gebracht voor therapie of behandeling. Het planbare vervoer wordt soms ook besteld vervoer of B-vervoer genoemd.

De regio-indeling van het referentiekader wijkt af van de reguliere RAV-indeling omdat in het referentiekader de zogenaamde ‘eilandbenadering’ wordt gehanteerd. In deze benadering wordt de capaciteitsberekening voor de Waddeneilanden, voor Goeree-Overflakkee en voor de Zeeuwse (schier-)eilanden apart berekend. Ook wordt de capaciteitsberekening voor de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland apart gedaan, waar deze twee regio’s organisatorisch één geheel vormen. In Bijlage 1 is een nummering gegeven van de regio’s zoals in het referentiekader gehanteerd. Deze nummering wordt in een aantal tabellen in dit rapport gehanteerd. Voor de productiecijfers, zoals gehanteerd in het sectorrapport Ambulances in zicht, hanteren we de term ‘RAV’, voor de indeling van het referentiekader hanteren we de term ‘regio’.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg besproken. Paragraaf 2.1 geeft de cijfers zoals die in het sectorrapport Ambulances in zicht zijn gepubliceerd. De selecties die voor het referentiekader-2016 zijn gedaan worden in paragraaf 2.2 besproken. Paragraaf 2.3 presenteert de gemiddelde ritduur in 2015. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader. De veranderde uitgangspunten en randvoorwaarden worden in paragraaf 3.1 besproken. Paragraaf 3.2 geeft de uitkomsten van de stapsgewijze actualisatie van het referentiekader en sluit af met de uitkomsten van het referentiekader-2016. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en geeft een discussie op de actualisatie van het referentiekader.

2. Productiecijfers 2015

Cijfers over de vraag naar, het aanbod van en de prestaties in de ambulancezorg in Nederland wordt jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in het sectorrapport Ambulances in zicht. Het RIVM verzorgt sinds 2008 de verzameling en analyse van de logistieke gegevens (Ambulancezorg Nederland, 2008; 2009; 2010; 2011; 2012; 2013; 2014; 2015; 2016). In de jaarlijkse cyclus wordt in januari begonnen met het verzamelen van ritgegevens. Meestal zijn de productie- en prestatiecijfers in juni vastgesteld. Voor deze vaststelling is er afstemming van de RIVM-analyses met de 24 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). Er wordt aan elke RAV goedkeuring gevraagd van de door het RIVM geanalyseerde productie- en prestatiecijfers.

In 2016 was meer tijd nodig voor het vaststellen van de ritgegevens omdat van een aantal regio’s de ritgegevens onvolledig of onjuist waren. Onder meer door de CAO-acties onder het ambulancepersoneel in 2015 waren van een aantal regio’s de ritgegevens niet volledig. Ook de invoering van nieuwe automatiseringssystemen in sommige regio’s leidde tot onjuiste of onvolledige datasets. Het oplossen van deze problemen nam tijd in beslag waardoor de doorrekening van het referentiekader later dan gepland is uitgevoerd.

In dit hoofdstuk worden in paragraaf 2.1 de productiecijfers van de ambulancezorg in 2015 besproken. Er is ook een vergelijking gemaakt met de cijfers over 2012. Als groeicijfers over het gebruik van ambulancezorg worden genoemd zijn deze gebaseerd op de productiecijfers in paragraaf 2.1. Voor toepassing in het referentiekader zijn in paragraaf 2.2 een aantal selecties uitgevoerd en bewerkingen gedaan. Onder andere worden spoedeisende inzetten herverdeeld naar dichtstbijzijnde standplaats. Ook hanteert het referentiekader een andere regio-indeling dan de algemeen gehanteerde RAV-indeling. Daarom zijn de cijfers die toegepast worden in het referentiekader minder geschikt voor het bespreken van de groei in het zorggebruik. De gemiddelde ritduur die in paragraaf 2.3 wordt gepresenteerd is een belangrijke parameter in het capaciteitsmodel van het referentiekader omdat deze mede bepalend is voor het totaal aantal uren geleverde ambulancezorg.

2.1. Selecties voor productiecijfers

De ruwe rittendatabases die door de RAV’s worden geleverd bevatten meer dan alleen inzetten van de reguliere ambulancezorg. In sommige regio’s komen in de databases ook inzetten voor van huisartsen, huisartsenposten (HAP’s), thuiszorg, andere zorgverleners of inzetten van mobiele medische teams (MMT’s). Ook worden inzetten van andere vervoerders geregistreerd of inzetten in dienst van de GHOR. Voor de productiecijfers van de reguliere ambulancezorg worden dit soort inzetten uitgesloten. In totaal gaat het om de volgende uitsluitingen:

  • inzetten van andere vervoerders, tenzij de andere vervoerder in opdracht van de RAV een reguliere inzet verzorgde;

  • inzetten uitgevoerd voor een andere zorgaanbieder (first-responder, huisarts, thuiszorg) of organisatie (zoals KNRM, SAR, Koninklijke Marine);

  • inzetten in dienst van de GHOR, OvDG, GGD, RGF;

  • MICU en PICU inzetten, tenzij deze voertuigen in de reguliere paraatheid worden ingezet;

  • standby-inzetten, voor evenementen of multidisciplinaire bijstandverlening;

  • inzetten voor training of voor onderhoud voertuigen.

Voor de productiecijfers worden verder alleen inzetten geselecteerd die voortkomen uit een melding en waarbij de ambulance daadwerkelijk heeft gereden. Dat betekent dat de volgende inzetten worden uitgesloten:

  • voorwaardescheppende inzetten1;

  • geannuleerde inzetten.

En om dubbeltellingen te voorkomen worden de volgende inzetten uitgesloten:

  • inzetten uitgevoerd door een andere RAV.

Deze inzetten zijn overgedragen aan een andere meldkamer ambulancezorg. Een inzet wordt alleen meegeteld bij de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.

Tabel 2.1 geeft een overzicht van de productiecijfers 2012 en 2015. Deze cijfers zijn (2012-data) of worden (2015-data) gepubliceerd in Ambulances in zicht (AZN, 2013; 2016). Er zijn twee verschillen met de cijfers in Ambulances in zicht. Het eerste betreft inzetten van de ambulancedienst Schiphol. In 2012 zijn die niet opgenomen in de productie van RAV Kennemerland, in 2015 wel. In Tabel 2.1 is hiervoor gecorrigeerd, de cijfers van RAV Kennemerland zijn in beide gevallen exclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. De tweede correctie betreft inzetten van de zogenaamde ‘hulpambulance’2 in RAV Haaglanden. In 2012 waren inzetten van de hulpambulance niet in de ritstatistieken opgenomen, in 2015 wel. Het ging toen om 13.574 inzetten. De cijfers in Tabel 2.1 van RAV Haaglanden over 2012 zijn hiervoor gecorrigeerd.

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen, overeenkomend met een stijging van 4,0% per jaar. Het spoedvervoer is toegenomen, het besteld vervoer afgenomen. In de periode 2012–2015 is het aantal inzetten met A1-urgentie met 21,8% toegenomen, wat een gemiddelde groei van 6,8% per jaar betekent. Het aantal inzetten met A2-urgentie steeg in deze periode met 13,3%, dat is gemiddeld 4,3% per jaar. De afname van het besteld vervoer was 1,9%, overeenkomend met een gemiddelde afname van -0,6% per jaar. In 2015 bestond 48,7% van de totale productie uit A1-inzetten, 24,7% had A2-urgentie en 26,6% was besteld vervoer. In 2012 was 45,0% van het totaal aantal inzetten onder A1-urgentie uitgevoerd en bestond 30,5% van de productie uit besteld vervoer. Het aandeel A2-inzetten was met 24,6% ongeveer gelijk als in 2015. De afname van het besteld vervoer is gepaard gegaan met een toename van het A1-vervoer.

De verandering van het aantal inzetten in de periode 2012–2015 verschilt tussen de regio’s en hangt af van de urgentie. De toename van het aantal A1-inzetten varieerde tussen 4,1 (Gooi- en Vechtstreek) en 100,4% (Drenthe). In dezelfde regio’s vonden de grootste veranderingen in het aantal A2-inzetten plaats. Drenthe had een daling van 31,1% van het aantal A2-inzetten, Gooi- en Vechtstreek had met 53,0% de hoogste groei. Dit wijst op een verschuiving in indicatie van A2 naar A1-urgentie (Drenthe) en andersom (Gooi- en Vechtstreek). In 11 regio’s was er een daling van het besteld vervoer, in 6 gevallen was er 10% of meer productievermindering. In 13 regio’s was er een stijging van het besteld vervoer. Deze stijging was tussen de 1 en 10%.

Kanttekening bij de productiecijfers-2015

De laatste jaren wordt door vrijwel alle meldkamers in Nederland gebruik gemaakt van het protocol Directe Inzet Ambulance (DIA). Hierbij wordt een ambulance-opdracht tot vertrek gegeven terwijl de uitvraag van de melding nog niet is voltooid. Er is dan een overlap tussen de meldtijd en de uitruk- en de rijtijd. Als de melding leidt tot een inzet wordt bij DIA een kortere responstijd gerealiseerd.

Bij DIA is de eerste opdrachtverlening onder A2-urgentie. Als de uitvraag van de melding is voltooid zijn er twee mogelijke situaties: (1) de inzet wordt vervolgd, hierbij kan de urgentie worden omgezet naar A1 of de inzet wordt onder A2-urgentie voortgezet, of (2) de inzet wordt afgebroken en de ambulance keert terug naar zijn stationeringsplaats (standplaats of ander vertrekpunt). Het DIA-protocol wordt pas sinds enkele jaren gehanteerd. Geconstateerd is dat er verschillen tussen de regio’s zijn in de manier waarop de afgebroken DIA-inzetten worden geregistreerd. In sommige regio’s worden onder DIA afgebroken inzetten met een aparte code geregistreerd. In andere regio’s worden deze niet onderscheiden van andersoortige (reguliere) afgebroken inzetten. Ook komt het voor dat een regio onder DIA afgebroken inzetten als geannuleerde inzet registreert.

In de selecties van de productiecijfers geldt dat afgebroken inzetten meegenomen worden in de productiecijfers, geannuleerde ritten niet. Door de diversiteit in registratie van afgebroken DIA-inzetten worden in sommige regio’s DIA-inzetten meegenomen in de productie, in andere regio’s niet. Door het ontbreken van landelijke uniformiteit zijn de productiecijfers over 2015 in Tabel 2.1 niet helemaal vergelijkbaar. Dat betekent ook dat de groeicijfers beïnvloed zijn door deze verschillen in registratiewijze.

Valideren van het afhaaladres

Verschillende analyses van de ritgegevens maken gebruik van het ‘afhaaladres’, de locatie waar de ambulance naar toe rijdt om hulp te verlenen. In spoedeisende gevallen is dit de plaats van het incident dat aanleiding geeft tot de ambulance inzet, bij besteld vervoer is dit de locatie waar de patiënt opgehaald wordt, het ziekenhuis, een andere zorginstelling of het woon- of verblijfadres van de patiënt. In de ritgegevens wordt het afhaaladres geregistreerd als een adres, inclusief een zespositie postcode (vier cijfers en twee letters). Het RIVM leidt hiervan een vierpositie postcode af. Ook wordt de vierpositie postcode gevalideerd, dat wil zeggen dat wordt nagegaan of het een bestaande en logische code is. In een aantal gevallen is de postcode niet valide, ofwel omdat een niet-bestaande zespositie postcode is vastgelegd, ofwel omdat een code oneigenlijk wordt gebruikt. Bijvoorbeeld worden de codes ‘9999’ of ‘1111’ vaak oneigenlijk gebruikt. In deze gevallen kan een analyse op basis van de vierpositie postcode van het afhaaladres tot onzuivere uitkomsten leiden. Het RIVM heeft zich ingespannen om een valide vierpositie postcode af te leiden, maar heeft niet altijd kunnen voorkomen dat er soms een onjuiste vierpositie postcode wordt afgeleid.

Er zijn ook inzetten waarbij het afhaaladres of de zespositie postcode niet is geregistreerd. In die gevallen is gekeken naar de plaats van het afhaaladres en is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd als vierpositie postcode van het afhaaladres. Als ook de plaatsnaam van het afhaaladres niet bekend was, is de centroïde van de uitvoerende RAV gebruikt als vierpositie postcode van het afhaaladres.

Van 96,9% van de inzetten in 2015 is de vierpositie postcode bepaald aan de hand van de zespositie postcode van het afhaaladres. Van 2,7% van de ritten is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd. In 0,4% van de gevallen was ook de plaatsnaam niet bekend en is de vierpositie postcode bepaald aan de hand van de centroïde van de RAV.

Tabel 2.1: Productiecijfers 2012 en 2015 naar urgentie in de periode 2012–2015 (bron: AZN 2012; 2016, cijfers bewerkt door RIVM).
     

2012

     

2015

   

nr

RAV

A1

A2

B

Totaal

A1

A2

B

Totaal

1

Groningen

20.181

10.574

15.640

46.395

24.363

11.907

14.140

50.410

2

Friesland

16.095

13.247

11.966

41.308

23.396

12.539

10.769

46.704

3

Drenthe

9.787

15.354

8.826

33.967

19.615

10.575

9.383

39.573

4

IJsselland

12.353

9.426

9.960

31.739

14.355

10.164

8.708

33.227

5

Twente

10.943

13.667

9.859

34.469

13.230

14.386

10.618

38.234

6

Noordoost Gelderland

18.410

13.995

10.837

43.242

20.771

14.603

9.740

45.114

7

Midden Gelderland

15.736

9.833

9.452

35.021

19.963

12.026

9.536

41.525

8

Gelderland Zuid

14.191

8.960

10.547

33.698

15.790

11.696

10.763

38.249

9

Utrecht

29.745

22.375

31.493

83.613

34.978

25.471

29.589

90.038

10

Noord-Holland Noord

21.731

7.586

9.626

38.943

24.167

8.666

8.214

41.047

11

Amsterdam/Waterland

59.397

12.575

36.294

108.266

67.011

16.866

37.739

121.616

12

Kennemerland (1)

21.836

6.016

10.562

38.414

25.022

7.897

9.738

42.657

14

Gooi- en Vechtstreek

8.036

2.148

5.849

16.033

8.363

3.286

6.092

17.741

15

Haaglanden (2)

39.283

14.462

27.104

80.849

48.058

21.002

27.740

96.800

16

Hollands Midden

25.540

9.353

15.036

49.929

30.308

10.512

14.299

55.119

17

Rotterdam-Rijnmond

44.162

20.013

32.671

96.846

51.565

23.804

32.620

107.989

18

Zuid-Holland Zuid

13.819

7.186

9.198

30.203

17.623

7.916

9.523

35.062

19

Zeeland

12.040

6.749

5.725

24.514

13.872

8.476

5.977

28.325

20

Midden- en West Brabant

28.578

20.157

18.612

67.347

39.766

22.053

19.767

81.586

21

Brabant-Noord

15.723

11.784

9.380

36.887

20.744

13.073

7.983

41.800

22

Brabant Zuidoost

19.105

11.090

13.351

43.546

26.139

11.983

12.130

50.252

23

Noord- en Midden Limburg

14.063

10.384

7.150

31.597

17.731

12.506

7.327

37.564

24

Zuid Limburg

17.714

11.048

15.978

44.740

20.088

12.393

16.045

48.526

25

Flevoland

12.367

5.710

4.350

22.427

13.234

6.390

4.512

24.136

 

Totaal

500.835

273.692

339.466

1.113.993

610.152

310.190

332.952

1.253.294

1 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van RAV Kennemerland over 2015 verminderd met inzetten van ambulancedienst Schiphol (533 A1-inzetten, 175 A2-inzetten 9 B-ritten). In 2012 waren inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen in de productie van RAV Kennemerland.

2 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van het B-vervoer van RAV Haaglanden in 2012 verhoogd met 13.574 inzetten van hulpambulances. In 2015 zijn inzetten van de hulpambulance al opgenomen in de productie van RAV Haaglanden.

Tabel 2.1 (vervolg): Productiecijfers 2012 en 2015 naar urgentie in de periode 2012–2015 (bron: AZN 2012; 2016., cijfers bewerkt door RIVM).
   

Groei 2012–2015 (%)

Gemiddelde groei per jaar 2012–2015 (%)

nr

RAV

A1

A2

B

Totaal

Totaal

A1 en A2

A1

A2

B

Totaal

Totaal

A1 en A2

1

Groningen

20,7

12,6

–9,6

8,7

17,9

6,5

4,0

–3,3

2,8

5,7

2

Friesland

45,4

–5,3

–10,0

13,1

22,5

13,3

–1,8

–3,5

4,2

7,0

3

Drenthe

100,4

–31,1

6,3

16,5

20,1

26,1

–11,7

2,1

5,2

6,3

4

IJsselland

16,2

7,8

–12,6

4,7

12,6

5,1

2,5

–4,4

1,5

4,0

5

Twente

20,9

5,3

7,7

10,9

12,2

6,5

1,7

2,5

3,5

3,9

6

Noordoost Gelderland

12,8

4,3

–10,1

4,3

9,2

4,1

1,4

–3,5

1,4

3,0

7

Midden Gelderland

26,9

22,3

0,9

18,6

25,1

8,3

6,9

0,3

5,8

7,8

8

Gelderland Zuid

11,3

30,5

2,0

13,5

18,7

3,6

9,3

0,7

4,3

5,9

9

Utrecht

17,6

13,8

–6,0

7,7

16,0

5,6

4,4

–2,1

2,5

5,1

10

Noord-Holland Noord

11,2

14,2

–14,7

5,4

12,0

3,6

4,5

–5,2

1,8

3,8

11

Amsterdam/Waterland

12,8

34,1

4,0

12,3

16,5

4,1

10,3

1,3

4,0

5,2

12

Kennemerland (1)

14,6

31,3

–7,8

11,0

18,2

4,6

9,5

-2,7

3,6

5,7

14

Gooi- en Vechtstreek

4,1

53,0

4,2

10,7

14,4

1,3

15,2

1,4

3,4

4,6

15

Haaglanden (2)

22,3

45,2

2,3

19,7

28,5

7,0

13,2

0,8

6,2

8,7

16

Hollands Midden

18,7

12,4

–4,9

10,4

17,0

5,9

4,0

–1,7

3,4

5,4

17

Rotterdam-Rijnmond

16,8

18,9

–0,2

11,5

17,4

5,3

6,0

–0,1

3,7

5,5

18

Zuid-Holland Zuid

27,5

10,2

3,5

16,1

21,6

8,4

3,3

1,2

5,1

6,7

19

Zeeland

15,2

25,6

4,4

15,5

18,9

4,8

7,9

1,4

4,9

6,0

20

Midden- en West Brabant

39,1

9,4

6,2

21,1

26,8

11,6

3,0

2,0

6,6

8,2

21

Brabant-Noord

31,9

10,9

–14,9

13,3

22,9

9,7

3,5

–5,2

4,3

7,1

22

Brabant Zuidoost

36,8

8,1

–9,1

15,4

26,3

11,0

2,6

–3,1

4,9

8,1

23

Noord- en Midden Limburg

26,1

20,4

2,5

18,9

23,7

8,0

6,4

0,8

5,9

7,3

24

Zuid Limburg

13,4

12,2

0,4

8,5

12,9

4,3

3,9

0,1

2,7

4,1

25

Flevoland

7,0

11,9

3,7

7,6

8,6

2,3

3,8

1,2

2,5

2,8

 

Totaal

21,8

13,3

–1,9

12,5

18,8

6,8

4,3

–0,6

4,0

5,9

1 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van RAV Kennemerland over 2015 verminderd met inzetten van ambulancedienst Schiphol (533 A1-inzetten, 175 A2-inzetten 9 B-ritten). In 2012 waren inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen in de productie van RAV Kennemerland.

2 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van het B-vervoer van RAV Haaglanden in 2012 verhoogd met 13.574 inzetten van hulpambulances. In 2015 zijn inzetten van de hulpambulance al opgenomen in de productie van RAV Haaglanden.

2.2. Nadere selecties voor het referentiekader

De cijfers die worden gehanteerd in het referentiekader wijken iets af van de productiecijfers in tabel 2.1 omdat er een aantal bewerkingen en aanvullende selecties worden gedaan. Deze bewerkingen zijn beschreven in Bijlage 1 van het RIVM rapport Referentiekader-2013 (Kommer en Zwakhals, 2013a). Ten opzichte van 2013 is voor de actualisatie in 2016 één bewerking bijgekomen. Inzetten in het buitenland worden nu niet uitgefilterd. In eerdere doorrekeningen van het referentiekader werden inzetten in het buitenland uit de rittenselectie verwijderd. Dat deze inzetten nu wel worden meegenomen heeft gevolgen voor grensregio’s. In het bijzonder voor Zeeland omdat bij het besteld vervoer in Zeeuws Vlaanderen een groot aantal patiënten van en naar Belgische ziekenhuizen wordt gebracht. In 2015 waren er 364 besteld vervoer inzetten van RAV Zeeland met afhaaladres in België. Een andere bewerking betreft inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. In de ritgegevens van 2012 waren deze inzetten niet aanwezig in de productie van RAV Kennemerland. In 2015 wel. In tabel 2.1 zijn de productiecijfers van RAV Kennemerland gecorrigeerd voor deze inzetten. Voor het referentiekader worden deze inzetten niet in de selectie meegenomen.

Ten opzichte van de productiecijfers in Tabel 2.1 worden voor het referentiekader de volgende inzetten uit de selectie verwijderd:

  • 1. Inzetten zonder tijdsregistratie. Deze worden uitgesloten omdat deze inzetten niet kunnen worden toegedeeld naar het uur van de dag, wat nodig is voor een doorrekening van het referentiekader. De toedeling van inzetten naar tijdstip op de dag is op basis van het tijdstip van vertrek van de ambulance. Als deze niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip van opdrachtverlening aan de ambulance. Als ook dit tijdstip niet bekend is wordt het tijdstip van aankomst bij patiënt gehanteerd en als ook die niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip van melding op de meldkamer. Deze volgorde is gehanteerd omdat dit de beste benadering geeft van het tijdstip waarop de inzet daadwerkelijk plaatsvond. Bij besteld vervoer kan de meldtijd uren of dagen vóór de inzet plaatsvinden, daarom geeft een indeling op basis van meldtijd niet de beste toedeling. Als geen van deze tijdstippen is geregistreerd wordt de inzet uit de selectie verwijderd. In totaal worden hierdoor 174 A1-inzetten, 203 A2-inzetten en 397 B-inzetten uitgefilterd.

  • 2. Inzetten van rapid responders3 waarbij er ook een ambulance is ingezet ten behoeve van vervoer van de patiënt. Inzetten van rapid responders zonder vervoer van de patiënt worden meegenomen in de selecties. Wanneer vervoer heeft plaatsgevonden wordt de inzet van de rapid responder niet in de selecties voor het referentiekader meegenomen. In totaal gaat het om 7.898 A1-inzetten en 5.732 A2-inzetten die worden uitgefilterd.

  • 3. Inzetten door de ambulancedienst van Schiphol. Het gaat hierbij om 533 inzetten met A1-urgentie, 175 inzetten met A2-urgentie en 9 B-ritten.

Naast het uitfilteren van deze inzetten is er een herverdeling van spoedritten:

  • 4. Spoedeisende inzetten, met A1- of A2-urgentie, worden toegedeeld aan de dichtstbijzijnde standplaats, volgens het spreidingsplan van het referentiekader. Deze toedeling wordt gedaan met gebruik van het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. Het besteld vervoer wordt niet herverdeeld naar standplaatsen omdat de berekening van de benodigde capaciteit voor het besteld vervoer op RAV-niveau gebeurt. Het B-vervoer blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering4 die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat het besteld vervoer van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van het besteld vervoer van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De B-ritten van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.

Buitenlandritten in de herverdelingssystematiek

Inzetten in het buitenland betreffen inzetten door Nederlandse ambulances in België en Duitsland. Het gaat hierbij om 415 inzetten met B-urgentie en 57 inzetten met A-urgentie, het merendeel van deze inzetten is gedaan door de RAV’s Zeeland en Midden- en West Brabant. De 415 inzetten met B-urgentie zijn conform bovenstaande punt 4 toegewezen aan de uitvoerende RAV. Deze inzetten zijn ook meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur van het besteld vervoer, zie paragraaf 2.3. De herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats zoals in punt 4 beschreven was voor het spoedvervoer niet mogelijk omdat de afhaaladressen in het buitenland niet in de herverdelingsmethodiek zijn meegenomen. Daarom zijn de 57 inzetten met A-urgentie net als bij het B-vervoer aan de uitvoerende RAV toegedeeld. Deze inzetten zijn niet meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur van spoedeisende inzetten.

Ambulancedienst Schiphol en de herverdelingssystematiek

De productiecijfers van RAV Kennemerland over 2015 bevatten ook inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. De cijfers van Tabel 2.1 zijn gecorrigeerd voor deze inzetten, maar in de landelijke database met ritgegevens kunnen deze inzetten niet worden onderscheiden. Daarom konden deze niet voorafgaand aan de herverdeling worden uitgefilterd maar moest dit na de herverdeling. In de herverdeling van de spoedritten worden inzetten van de ambulancedienst van Schiphol met A1- en A2-urgentie toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. De dichtstbijzijnde standplaats is de standplaats Aalsmeer, behorende bij de RAV Amsterdam-Amstelland. Na de herverdeling zijn de aan standplaats Aalsmeer toegedeelde ritten verminderd met de 708 spoedritten van de ambulancedienst Schiphol. Het B-vervoer wordt niet herverdeeld. Daarom is de productie B-vervoer van RAV Kennemerland verminderd met de negen B-ritten van de ambulancedienst van Schiphol.

Tabel 2.2 geeft de aantallen ritten die op grond van bovenstaande criteria 1–3 zijn uitgefilterd, zowel voor het jaar 2012 als voor 2015 (inclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol). De cijfers uit 2012 zijn ontleend aan de rapportage van het referentiekader-2013 (Kommer en Zwakhals, 2013a). Kaart 2.1 geeft een overzicht van de verzorgingsgebieden van de standplaatsen in het referentiekader. Op basis van deze geografische gebiedsindeling zijn de spoedritten herverdeeld. De gebieden waar een herverdeling van het aantal inzetten plaatsvindt, zijn gegeven in Kaart 2.2. Tabel 2.3 geeft de herverdeelde ritten voor het spoedvervoer. Tabel 2.4 geeft een samenvatting van de herverdeling van de productiecijfers voor het referentiekader. Tabel 2.5 geeft de ritten voor het besteld vervoer. Tabel 2.6 geeft de productiecijfers zoals opgenomen in het referentiekader en een vergelijking met de productiecijfers van het referentiekader-2013.

Tabel 2.3 moet als volgt worden gelezen. De totale productie volgens Tabel 2.1, maar nu zonder de correctie voor de ambulancedienst van Schiphol, staat per RAV gegeven in de onderste rij. In de rijen daarboven staan de ritten die uit de selectie zijn verwijderd. In de rij ‘Buitenland’ zijn inzetten in het buitenland gegeven, deze doen niet mee in de herverdeling. De rij ‘Totaal in herverdeling’ geeft het aantal inzetten dat is gebruikt in de herverdelingssystematiek. Deze ritten zijn verdeeld volgens de cellen in de overige rijen. Bijvoorbeeld worden 429 inzetten van RAV Groningen aan Friesland toegedeeld (vaste land gebied) en 1.302 aan Drenthe. Op een soortgelijke manier ontvangt Groningen 299 inzetten van RAV Friesland en 1.783 inzetten van RAV Drenthe. De kolom ‘Totaal na herverdeling’ geeft het totaal aantal inzetten dat na herverdeling aan een regio wordt toegewezen. Voor de capaciteitsberekening worden daar inzetten in het buitenland bij opgeteld en inzetten van de ambulancedienst Schiphol afgetrokken. Dat brengt het totaal aantal spoedeisende inzetten in het referentiekader op 906.355.

Tabel 2.5 is makkelijker te lezen omdat hier alleen voor de regio’s met een eilandbenadering B-ritten worden herverdeeld. De onderste rij ‘Totale productie’ geeft de productie van het besteld vervoer volgens Tabel 2.1. Het aantal ritten zonder tijdsregistratie en het aantal B-ritten door de ambulancedienst Schiphol worden in mindering gebracht. Vervolgens worden voor de eilanden ritten toegewezen op basis van het afhaaladres. De kolom ‘Totaal in het referentiekader’ geeft het aantal B-ritten dat gebruikt is in het referentiekader.

Het aantal inzetten dat door de herverdeling van spoedritten tussen de regio’s plaatsvind kan afgelezen worden uit Tabel 2.3, in combinatie met het kaartbeeld van Kaart 2.2

Tabel 2.2: Overzicht van de uitgefilterde ritten in de selecties voor het referentiekader in 2012 en 2015(1).
Productiecijfers-2012 A1 A2 B Totaal

Totale productie(1)

500.835

273.692

339.466

1.113.993

         

Ritten in het buitenland

21 –

9 –

523 –

553 –

Ritten zonder tijdsregistratie

3 –

0 –

292 –

3 –

Rapid responder ritten met een vervolgauto

6.121 –

4.164 –

1 –

10.286 –

         

Totale productie in referentiekader-2013

494.690

269.519

338.650

1.102.859

         
Productiecijfers-2015 A1 A2 B Totaal

Totale productie(2)

610.152

310.190

332.952

1.253.294

         

Ritten zonder tijdsregistratie

174 –

203 –

397 –

774 –

Rapid responder ritten met een vervolgauto

7.898 –

5.732 –

0 –

13.630 –

         

Totale productie in referentiekader-2016

602.080

304.255

332.555

1.238.890

1 : De productie 2012 is conform Tabel 2.1 en is exclusief de inzetten van de ambulancedienst van Schiphol en inclusief 13.574 inzetten van de hulpambulance van RAV Haaglanden.

2 : De productie 2015 is conform Tabel 2.1 en is exclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol en inclusief inzetten van de hulpambulance van RAV Haaglanden.

Kaart 2.1: Verzorgingsgebieden van standplaatsen in het referentiekader.
Bijlage 257857.png
Kaart 2.2: Verschil tussen RAV-regio’s en de gebieden die op basis van verzorgingsgebieden van standplaatsen een regio worden toegewezen.
Bijlage 257858.png
Tabel 2.3: Herverdeling van spoedritten op basis van verzorgingsgebieden van de spreiding van het referentiekader: in de kolommen staan de cijfers van de RAV die de productie heeft verzorgd (Tabel 2.1, zonder correctie voor inzetten van ambulancedienst Schiphol), in de rijen zijn de ritten toegedeeld aan de regio in het capaciteitsmodel (zie paragraaf 2.2 voor toelichting op de berekeningswijze).
 

RAV

Regio

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

14

15

16

1

34.286

299

1.783

2

                     

2

429

33.806

261

137

   

2

   

3

         

3

1.302

99

27.570

796

 

1

               

1

4

34

105

362

21.576

37

597

1

 

13

     

1

   

5

26

 

3

423

26.885

168

 

92

       

17

   

6

1

1

2

965

247

33.569

195

24

39

           

7

     

1

 

586

29.411

353

326

         

1

8

2

     

1

2

204

25.101

703

 

2

       

9

   

1

2

 

13

1.686

33

53.972

 

35

1

279

2

225

10

 

7

             

29.681

100

40

     

11

                 

148

19.198

27

     

12

         

1

     

1.181

140

31.214

1

 

110

13

 

1

 

26

     

2

449

17

64.109

1.639

1.097

16

45

14

   

1

 

1

 

1

 

1.662

2

7

3

10.025

1

 

15

   

1

       

7

     

3

 

65.884

793

16

               

380

 

6

209

 

1.311

37.932

17

1

               

1

1

 

1

557

1.711

18

           

1

345

20

         

1

20

             

277

19

   

2

     

21

             

693

             

22

 

1

         

4

1

 

1

       

23

             

7

             

24

1

1

         

16

     

1

     

25

 

69

 

232

 

205

1

 

1

1

3

3

86

   

30

                 

1.030

 

2

     

31

 

103

                         

32

 

711

               

2

       

33

 

337

         

7

             

34

1

103

                         

35

                           

1

36

                             

37

                             

38

                             

39

                             

Totaal in herverdeling

36.083

35.643

29.984

24.160

27.171

35.142

31.502

26.961

57.585

32.064

83.604

33.144

11.507

67.771

40.820

Buitenland

     

1

 

1

 

1

             

Tijdreg(2)

                             

RR(3)

187

292

206

358

445

231

487

524

2.864

769

273

483

142

1.289

 

Totale productie

36.270

35.935

30.190

24.519

27.616

35.374

31.989

27.486

60.449

32.833

83.877

33.627

11.649

69.060

40.820

1 : AMS = Ambulancedienst Schiphol;

2 : Tijdreg= ritten uitgesloten omdat deze geen tijdsregistratie hadden;

3 : RR= ritten van rapid responder uitgesloten omdat er een vervolgauto was.

Tabel 2.3 (vervolg)
 

RAV

       

Regio

17

18

19

20

21

22

23

24

25

Totaal na herverdeling

AMS(1)

Buiten-

land

Totaal in referentiekader

1

               

1

36.371

   

36.371

2

       

1

     

77

34.716

   

34.716

3

     

2

         

29.771

   

29.771

4

               

16

22.742

 

1

22.743

5

                 

27.614

   

27.614

6

1

 

1

 

1

     

37

35.083

 

1

35.084

7

1

               

30.679

   

30.679

8

1

57

 

1

118

 

43

1

 

26.236

 

1

26.237

9

4

36

 

1

 

1

2

 

16

56.309

   

56.309

10

               

23

29.851

   

29.851

11

               

1

19.374

   

19.374

12

1

1

   

1

 

3

   

32.653

   

32.653

13

4

1

       

3

 

21

67.430

-708

 

66.722

14

               

78

11.781

   

11.781

15

1.505

2

       

16

   

68.212

   

68.212

16

76

2

         

1

1

39.918

   

39.918

17

67.537

67

3

6

 

1

     

69.886

 

1

69.887

18

2.389

24.959

 

216

         

27.931

   

27.931

20

80

118

285

58.837

1.037

34

2

   

60.691

 

32

60.723

21

2

 

1

255

31.556

859

855

   

34.221

   

34.221

22

4

   

118

157

36.366

222

2

 

36.876

   

36.876

23

       

376

314

28.299

234

 

29.230

   

29.230

24

           

196

31.870

 

32.085

 

18

32.103

25

               

19.139

19.740

   

19.740

30

                 

1.032

   

1.032

31

                 

103

   

103

32

                 

713

   

713

33

                 

344

   

344

34

                 

104

   

104

35

2.165

39

76

4

         

2.285

   

2.285

36

13

 

2.317

           

2.330

   

2.330

37

   

946

196

         

1.142

   

1.142

38

30

 

12.088

1.063

         

13.181

   

13.181

39

2

4

6.346

           

6.352

 

3

6.355

Totaal in herverdeling

73.816

25.286

22.063

60.699

33.247

37.575

29.641

32.108

19.410

906.986

-708

57

906.335

Buitenland

1

 

3

32

     

18

 

57

     

Tijdreg(2)

374

           

3

 

377

     

RR(3)

1.178

253

282

1.088

570

547

596

352

214

13.630

     

Totale productie

75.369

25.539

22.348

61.819

33.817

38.122

30.237

32.481

19.624

921.050

     

1 : AMS = Ambulancedienst Schiphol;

2 : Tijdreg= ritten uitgesloten omdat deze geen tijdsregistratie hadden;

3 : RR= ritten van rapid responder uitgesloten omdat er een vervolgauto was.

Tabel 2.4: Overzicht van de spoedritten per RAV na herverdeling voor het referentiekader.(1)

Nr.

RAV

Productie 2015

Uitgefilterd tbv referentiekaderobv criteria rapid-responder ritten en tijdsregistratie

Productie in eigen regio

Herverdeeld: productie toegedeeld aan andere regio's

Herverdeeld: productie vanuit andere regio’s toegedeeld

Inzetten in het buitenland en door ambulance-

dienst

Schiphol

Totale productie in referentie-kader

Netto verschil van herverdeling

1

Groningen

36.270

187

34.286

1.797

2.085

 

36.371

288

2

Friesland

35.935

292

35.060

583

920

 

35.980

337

3

Drenthe

30.190

206

27.570

2.414

2.201

 

29.771

-213

4

IJsselland

24.519

358

21.576

2.584

1.166

1

22.743

-1.418

5

Twente

27.616

445

26.885

286

729

 

27.614

443

6

Noordoost Gelderland

35.374

231

33.569

1.573

1.514

1

35.084

-59

7

Midden Gelderland

31.989

487

29.411

2.091

1.268

 

30.679

-823

8

Gelderland Zuid

27.486

524

25.101

1.860

1.135

1

26.237

-725

9

Utrecht

60.449

2.864

53.972

3.613

2.337

 

56.309

-1.276

10

Noord-Holland Noord

32.833

769

30.711

1.353

172

 

30.883

-1.181

11

Amsterdam/Waterland

83.877

273

83.307

297

3.497

-708

86.096

3.200

12

Kennemerland

33.627

483

31.214

1.930

1.439

 

32.653

-491

14

Gooi- en Vechtstreek

11.649

142

10.025

1.482

1.756

 

11.781

274

15

Haaglanden

69.060

1.289

65.884

1.887

2.328

 

68.212

441

16

Hollands Midden

40.820

0

37.932

2.888

1.986

 

39.918

-902

17

Rotterdam-Rijnmond

75.369

1.552

69.702

4.114

2.469

1

72.172

-1.645

18

Zuid-Holland Zuid

25.539

253

24.959

327

2.972

 

27.931

2.645

19

Zeeland

22.348

282

21.697

366

1.308

3

23.008

942

20

Midden- en West Brabant

61.819

1.088

58.837

1.862

1.854

32

60.723

-8

21

Brabant Noord

33.817

570

31.556

1.691

2.665

 

34.221

974

22

Brabant Zuidoost

38.122

547

36.366

1.209

510

 

36.876

-699

23

Noord- en Midden Limburg

30.237

596

28.299

1.342

931

 

29.230

-411

24

Zuid Limburg

32.481

355

31.870

238

215

18

32.103

-23

25

Flevoland

19.624

214

19.139

271

601

 

19.740

330

 

Totaal

921.050

14.007

868.928

38.058

38.058

-651

906.335

0

1 : Inzetten in het buitenland en inzetten van de ambulancedienst Schiphol doen niet mee in de herverdeling van ritten maar zijn wel opgenomen in de productie 2015 in de derde kolom. De totale productie in het referentiekader is opgebouwd uit de totale productie in 2015 verminderd met het aantal uitgefilterde ritten in kolom 4 en vermeerderd met het netto verschil van de herverdeling. Voor de RAV Amsterdam-Waterland moet dit nog worden verminderd met inzetten van de ambulancedienst Schiphol.

Tabel 2.5: Toedeling van besteld vervoer ritten op basis van uitvoerende RAV, met uitzondering van de eilanden en regio 11 (Zaanstreek-Waterland), waarvoor ritten zijn herverdeeld op basis van afhaaladres.
 

RAV

 

Regio

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

14

15

Totaal in referentiekader

1

14.140

                         

14.140

2

 

10.594

                       

10.594

3

   

9.383

                     

9.383

4

     

8.708

                   

8.708

5

       

10.618

                 

10.618

6

         

9.740

               

9.740

7

           

9.536

             

9.536

8

             

10.763

           

10.763

9

               

29.589

         

29.589

10

                 

8.065

       

8.065

11

                   

4.724

     

4.724

12

                     

9.738

   

9.738

13

                   

33.015

     

33.015

14

                       

6.092

 

6.092

15

                         

27.740

27.740

30

                 

149

       

149

31

 

11

                       

11

32

 

95

                       

95

33

 

52

                       

52

34

 

17

                       

17

Totaal

14.140

10.769

9.383

8.708

10.618

9.740

9.536

10.763

29.589

8.214

37.739

9.738

6.092

27.740

 

AMS(1)

                     

9

     

Geen tijdsregistratie

                             

Totale productie

14.140

10.769

9.383

8.708

10.618

9.740

9.536

10.763

29.589

8.214

37.739

9.747

6.092

27.740

 

(1) : AMS = Ambulancedienst Schiphol

Tabel 2.5 (vervolg): Toedeling van besteld vervoer ritten
 

RAV

 

Regio

 

17

18

19

20

21

22

23

24

25

Totaal in referentiekader

16

14.299

                 

14.299

17

 

31.112

               

31.112

18

   

9.523

             

9.523

20

       

19.767

         

19.767

21

         

7.983

       

7.983

22

           

12.130

     

12.130

23

             

7.327

   

7.327

24

               

16.045

 

16.045

25

                 

4.512

4.512

35

 

1.111

               

1.111

36

     

163

           

163

37

     

62

           

62

38

     

3.466

           

3.466

39

     

2.286

           

2.286

Totaal

14.299

32.223

9.523

5.977

19.767

7.983

12.130

7.327

16.045

4.512

332.555(2)

AMS(1)

                   

9(2)

Geen tijdsregistratie

 

397

               

397(2)

Totale productie

14.299

36.620

9.523

5.977

19.767

7.983

12.130

7.327

16.045

4.512

332.961(2)

(1) : AMS = Ambulancedienst Schiphol

(2) : Totaal over alle RAV’s/regio’s.

Tabel 2.6: Productiecijfers 2012 en 2015 per RAV zoals gehanteerd in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg in 2013 en 2016.(1)
     

2012

     

2015

   

nr

RAV

A1

A2

B

Totaal

A1

A2

B

Totaal

1

Groningen

20.017

10.796

15.639

46.452

24.509

11.862

14.140

50.511

2

Friesland

16.084

13.412

11.966

41.462

23.348

12.632

10.769

46.749

3

Drenthe

10.051

14.943

8.826

33.820

19.348

10.423

9.383

39.154

4

IJsselland

11.264

8.806

9.960

30.030

13.247

9.496

8.708

31.451

5

Twente

11.011

13.480

9.859

34.350

13.463

14.151

10.618

38.232

6

Noordoost Gelderland

18.649

14.065

10.837

43.551

20.517

14.567

9.740

44.824

7

Midden Gelderland

15.674

9.847

9.451

34.972

19.074

11.605

9.536

40.215

8

Gelderland-Zuid

13.609

8.647

10.546

32.802

15.108

11.129

10.763

37.000

9

Utrecht

27.115

20.173

31.493

78.781

32.853

23.456

29.589

85.898

10

Noord-Holland Noord

20.755

7.156

9.334

37.245

22.780

8.103

8.214

39.097

11

Amsterdam/Waterland

60.764

12.988

36.292

110.044

68.657

17.439

37.739

123.835

12

Kennemerland

21.327

6.054

10.562

37.943

24.769

7.884

9.738

42.391

14

Gooi- en Vechtstreek

8.215

2.913

5.849

16.977

8.159

3.622

6.092

17.873

15

Haaglanden

38.358

14.457

27.104

79.919

47.502

20.710

27.740

95.952

16

Hollands Midden

25.117

9.264

15.036

49.417

29.412

10.506

14.299

54.217

17

Rotterdam-Rijnmond

42.708

18.924

32.678

94.310

49.747

22.425

32.223

104.395

18

Zuid-Holland Zuid

15.404

7.934

9.198

32.536

19.251

8.680

9.523

37.454

19

Zeeland

12.538

7.023

5.247

24.808

14.327

8.681

5.977

28.985

20

Midden- en West Brabant

28.128

19.852

18.569

66.549

39.013

21.710

19.767

80.490

21

Brabant-Noord

15.279

11.273

9.380

35.932

21.056

13.165

7.983

42.204

22

Brabant Zuidoost

18.956

11.020

13.351

43.327

25.370

11.506

12.130

49.006

23

Noord- en Midden Limburg

13.918

10.119

7.150

31.187

17.304

11.926

7.327

36.557

24

Zuid Limburg

17.547

10.855

15.973

44.375

19.907

12.196

16.045

48.148

25

Flevoland

12.202

5.518

4.350

22.070

13.359

6.381

4.512

24.252

 

Totaal

494.690

269.519

338.650

1.102.859

602.080

304.255

332.555

1.238.890

1 : In deze productiecijfers zijn zowel in 2012 als in 2015 de productie van hulpambulances in RAV Haaglanden meegenomen en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uitgesloten.

Tabel 2.6 (vervolg): Productiecijfers 2012 en 2015 per RAV zoals gehanteerd in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg in 2013 en 2016 (1).
   

Groei 2012-2015 (%)

Gemiddelde groei per jaar 2012-2015 (%)

nr

RAV

A1

A2

B

Totaal

Totaal

A1 en A2

A1

A2

B

Totaal

Totaal

A1 en A2

1

Groningen

22,4

9,9

–9,6

8,7

18,0

7,0

3,2

–3,3

2,8

5,7

2

Friesland

45,2

–5,8

–10,0

12,8

22,0

13,2

–2,0

–3,5

4,1

6,8

3

Drenthe

92,5

–30,2

6,3

15,8

19,1

24,4

–11,3

2,1

5,0

6,0

4

IJsselland

17,6

7,8

–12,6

4,7

13,3

5,6

2,5

-4,4

1,6

4,3

5

Twente

22,3

5,0

7,7

11,3

12,8

6,9

1,6

2,5

3,6

4,1

6

Noordoost Gelderland

10,0

3,6

–10,1

2,9

7,2

3,2

1,2

–3,5

1,0

2,4

7

Midden Gelderland

21,7

17,9

0,9

15,0

20,2

6,8

5,6

0,3

4,8

6,3

8

Gelderland-Zuid

11,0

28,7

2,1

12,8

17,9

3,5

8,8

0,7

4,1

5,6

9

Utrecht

21,2

16,3

–6,0

9,0

19,1

6,6

5,2

–2,1

2,9

6,0

10

Noord-Holland Noord

9,8

13,2

–12,0

5,0

10,6

3,2

4,2

-4,2

1,6

3,4

11

Amsterdam/Waterland

13,0

34,3

4,0

12,5

16,7

4,2

10,3

1,3

4,0

5,3

12

Kennemerland

16,1

30,2

–7,8

11,7

19,3

5,1

9,2

–2,7

3,8

6,0

14

Gooi- en Vechtstreek

-0,7

24,3

4,2

5,3

5,9

–0,2

7,5

1,4

1,7

1,9

15

Haaglanden

23,8

43,3

2,3

20,1

29,2

7,4

12,7

0,8

6,3

8,9

16

Hollands Midden

17,1

13,4

–4,9

9,7

16,1

5,4

4,3

–1,7

3,1

5,1

17

Rotterdam-Rijnmond

16,5

18,5

–1,4

10,7

17,1

5,2

5,8

–0,5

3,4

5,4

18

Zuid-Holland Zuid

25,0

9,4

3,5

15,1

19,7

7,7

3,0

1,2

4,8

6,2

19

Zeeland

14,3

23,6

13,9

16,8

17,6

4,5

7,3

4,4

5,3

5,6

20

Midden- en West Brabant

38,7

9,4

6,5

20,9

26,6

11,5

3,0

2,1

6,5

8,2

21

Brabant-Noord

37,8

16,8

–14,9

17,5

28,9

11,3

5,3

-5,2

5,5

8,8

22

Brabant Zuidoost

33,8

4,4

–9,1

13,1

23,0

10,2

1,4

-3,1

4,2

7,1

23

Noord- en Midden Limburg

24,3

17,9

2,5

17,2

21,6

7,5

5,6

0,8

5,4

6,7

24

Zuid Limburg

13,4

12,4

0,5

8,5

13,0

4,3

4,0

0,2

2,8

4,2

25

Flevoland

9,5

15,6

3,7

9,9

11,4

3,1

5,0

1,2

3,2

3,7

 

Totaal

21,7

12,9

–1,8

12,3

18,6

6,8

4,1

–0,6

4,0

5,9

1 : In deze productiecijfers zijn zowel in 2012 als in 2015 de productie van hulpambulances in RAV Haaglanden meegenomen en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uitgesloten.

2.3. Gemiddelde ritduur

In de capaciteitsberekening van het referentiekader wordt het aantal benodigde ambulances bepaald aan de hand van het aantal uren ambulancezorg dat is geleverd. Het aantal uren ambulancezorg wordt berekend door het aantal inzetten te vermenigvuldigen met een gemiddelde ritduur. Om een gemiddelde ritduur te bepalen is het noodzakelijk om eerst de ritduur van een inzet te definiëren.

De definitie die in de actualisatie-2016 is gehanteerd is dezelfde als in het referentiekader-2013 en is als volgt:

  • de ritduur is gedefinieerd als de tijd tussen het tijdstip ‘einde rit’ en het tijdstip ‘vertrek ambulance’; als het tijdstip ‘einde rit’ niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip ‘vrijmelden’.

In de berekening van de gemiddelde ritduur worden, net als in de systematiek van 2013, extreme waarden niet meegenomen:

  • de gemiddelde ritduur voor spoedritten is gebaseerd op ritten met een ritduur kleiner dan 4 uur;

  • de gemiddelde ritduur voor besteld vervoer is gebaseerd op ritten met een ritduur groter dan 10 minuten en kleiner dan 8 uur.

De gemiddelde ritduur wordt per regio (34 regio’s) en urgentietype (3 urgenties), per tijdsinterval van twee uur (12 blokuren) en soort dag (werkdag, zaterdag, zondag) berekend. In totaal is van 3.672 combinaties van regio-urgentie-blokuur-dagsoort de gemiddelde ritduur bepaald. In 214 gevallen is een gemiddelde ritduur van nul minuten berekend. In 210 gevallen is dit omdat er geen ritten zijn verreden in betreffend tijdsinterval. In vier gevallen was er één rit verzorgd, maar deze voldeed niet aan de criteria om te gebruiken voor de gemiddelde ritduur.

De 415 besteld vervoer inzetten in het buitenland in 2015 zijn integraal meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. In de berekening van de gemiddelde ritduur van het spoedvervoer zijn de 57 inzetten in het buitenland niet meegenomen omdat de ritduur wordt bepaald na herverdeling van ritten en de buitenlandritten niet zijn meegenomen in de herverdeling.

Figuur 2.1 geeft de (geaggregeerde) gemiddelde ritduren in 2012 en 2015 per RAV en per urgentieklasse.

  • De landelijke gemiddelde ritduur van A1-inzetten is toegenomen van 61 minuten en 48 secondes in 2012 naar 62 minuten en 42 secondes in 2015, een toename van 1,5%. In ongeveer de helft van de regio’s is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten toegenomen. In 2015 is de variatie van de gemiddelde ritduur van de regio’s afgenomen.

  • De landelijke gemiddelde ritduur van A2-inzetten is afgenomen van 64 minuten en 18 secondes in 2012 naar 63 minuten en 6 secondes in 2015, een afname van 1,9%. In bijna driekwart van de regio’s is de gemiddelde ritduur van A2-inzetten afgenomen. In 2015 is de variatie van de gemiddelde ritduur van de regio’s sterk afgenomen.

  • De landelijke gemiddelde ritduur van het B-vervoer is in 2015 ongeveer gelijk aan 2012. In minder dan de helft van de regio’s is de ritduur afgenomen. In 2015 is de variatie van de gemiddelde ritduur van de regio’s licht afgenomen.

Regionaal zijn er grote verschillen in de verandering van gemiddelde ritduur. Deze is voor A1-inzetten in bijna de helft van de regio’s toegenomen. Per regio varieert de verandering in gemiddelde ritduur tussen een toename van 5 minuten en 30 secondes tot een afname van ruim 5 minuten. Bij A2-inzetten zijn de verschillen nog groter. Daar varieert de verandering in gemiddelde ritduur tussen een toename van ruim 7 minuten tot een afname van ruim 7 minuten. In zeven van de tien regio’s was er een afname van de gemiddelde ritduur. Bij het vergelijken van de gemiddelde ritduur van het besteld vervoer valt op dat een groot aantal regio’s een relatief kleine verandering in gemiddelde ritduur laat zien. Enkele regio’s hebben echter wel een grote verandering, variërend van een toename van bijna 12 minuten tot een afname van ruim 35 minuten.

Figuur 2.2 geeft in een histogram de vergelijking tussen de ritduren in 2012 en 2015 op ritniveau. De toename van het aantal A1-inzetten in 2015 ten opzichte van 2012 is zichtbaar, evenals de lichte verschuiving naar een hogere ritduur. De toename in het aantal A2-inzetten is veel minder groot. De afname van de landelijke gemiddelde ritduur van A2-inzetten is veroorzaakt door een veel hoger aantal inzetten met een lage ritduur. Vermoedelijk is dit gerelateerd aan het aantal geannuleerde inzetten in het kader van DIA (zie paragraaf 2.1 voor een toelichting op het DIA-protocol). De histogrammen van het B-vervoer in 2012 en 2015 zijn opvallend bijna gelijk.

Figuur 2.1: Gemiddelde ritduur in 2012 en 2015 per regio en per urgentieklasse (minuten).
Bijlage 257859.png
Bijlage 257860.png
Bijlage 257861.png
Figuur 2.2: Aantal inzetten naar ritduur in 2012 en 2015, per urgentieklasse (minuten).
Bijlage 257862.png
Bijlage 257863.png
Bijlage 257864.png

3. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2016

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de actualisatie van het referentiekader-2016 gepresenteerd. In paragraaf 3.1 worden de uitgangspunten en randvoorwaarden genoemd die anders zijn dan in het referentiekader-2013. In paragraaf 3.2 wordt stapsgewijs het referentiekader geactualiseerd. Hiermee worden de effecten van de verschillende onderdelen van het capaciteitsmodel zichtbaar. Deze paragraaf sluit af met een tabel met de eindresultaten van de actualisatie.

3.1. Uitgangspunten en randvoorwaarden

Ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn twee uitgangspunten veranderd:

  • 1. Inzetten van Nederlandse ambulances in het buitenland worden nu wel meegenomen.

  • 2. In de 2016-actualisatie wordt gebruik gemaakt van het rijtijdenmodel van 2016.

Door het meenemen van inzetten in het buitenland heeft wordt de productie van bepaalde grensregio’s iets hoger dan de binnenlandse productie alleen. Door het gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel verschillen de verzorgingsgebieden van standplaatsen iets ten opzichte van de 2013-doorrekening. Hierdoor is de herverdeling van spoedeisende inzetten iets anders dan in 2013. Deze herverdeling gebeurt als gevolg van het uitgangspunt dat een inzet door de dichtstbijzijnde standplaats wordt uitgevoerd.

Verder zijn, conform de afspraken met de opdrachtgever, alle andere uitgangspunten en randvoorwaarden gelijk gebleven aan het vorige referentiekader.

3.2. Stapsgewijze actualisatie

Het actualiseren van het referentiekader-2013 naar 2016 is in de volgende vier stappen uitgevoerd.

  • 1. Aanpassen van het aantal dagen en soort dagen, 2012 was een schrikkeljaar en had een ander aantal werkdagen, zaterdagen en zondag dan 2015.

  • 2. Actualiseren van het aantal spoedritten, zie Tabel 2.6.

  • 3. Actualiseren van het aantal besteld vervoer ritten, zie Tabel 2.6.

  • 4. Actualiseren van de gemiddelde ritduur, zie paragraaf 2.3.

De effecten van deze stapsgewijze actualisatie op de landelijke uitkomsten van het referentiekader zijn gegeven in Tabel 3.1. De cijfers per regio zijn opgenomen in Bijlage 3. De uitkomsten van het referentiekader-2016 per regio zijn gegeven in Tabel 3.2. De verschillen ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn gegeven in Tabel 3.3.

De tabellen 3.1, 3.2 en 3.3 geven ook het gewogen gemiddelde van het aantal ambulances. Dit is een maat voor het totaal aantal ambulances over alle dagsoorten en blokuren.

Tabel 3.1: Stapsgewijze actualisatie van het referentiekader-2013 met productiecijfers-2015: aantal benodigde ambulances en het verschil ten opzichte van het referentiekader-2013.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

Gewogen gemiddelde

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

 

Referentiekader-2013

281

588

375

286

414

357

296

388

350

395,8

                     

Stap 1: actualiseren dagsoort

281

590

375

288

416

357

295

387

346

396,1

verschil ten opzichte van referentiekader-2013

0

2

0

2

2

0

-1

-1

-4

0,4

                     

Stap 2: na stap 1 actualiseren spoedvervoer(1)

289

610

398

296

435

381

306

404

365

413,0

verschil ten opzichte van stap 1

8

20

23

8

19

24

11

17

19

16,8

                     

Stap 3: na stap 2 actualiseren van B-vervoer

291

599

401

297

434

381

306

406

369

411,9

verschil ten opzichte van stap 2

2

-11

3

1

-1

0

0

2

4

-1,1

                     

Stap 4: na stap 3 actualiseren van de grd (2)

292

598

403

300

435

381

309

409

368

412,7

verschil ten opzichte van stap 3

1

-1

2

3

1

0

3

3

-1

0,9

                     

Referentiekader-2016

(=resultaat van stap 4)

292

598

403

300

435

381

309

409

368

412,7

1 : Bij het actualiseren van het spoedvervoer zijn ook inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uit de productiestatistieken verwijderd.

2 : grd = gemiddelde ritduur

Tabel 3.2: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2016: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.

Regio

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 
 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Gewogen gemiddelde

Groningen

16

32

21

17

24

20

17

21

19

22,0

Friesland excl. Waddeneilanden

19

32

23

19

25

23

20

24

22

24,0

Drenthe

13

24

16

13

18

16

14

17

16

17,1

IJsselland

12

23

15

12

17

14

12

15

14

15,9

Twente

11

22

15

12

17

15

12

15

14

15,5

Noordoost Gelderland

13

26

17

13

18

16

13

17

16

17,8

Midden Gelderland

9

18

13

10

14

13

10

14

12

13,0

Gelderland Zuid

10

20

14

10

16

13

11

15

13

14,2

Utrecht

17

39

26

17

29

23

18

26

22

26,0

Noord-Holland Noord excl. Texel

10

18

13

10

14

13

10

14

12

13,2

Zaanstreek-Waterland

6

11

7

6

8

7

6

8

7

7,7

Kennemerland

8

16

11

8

12

10

8

12

10

11,2

Amsterdam-Amstelland

11

36

22

12

21

17

12

19

17

21,1

Gooi en Vechtstreek

3

7

5

3

5

5

3

5

4

4,8

Haaglanden

12

33

20

12

21

18

13

19

17

20,2

Hollands Midden

10

23

15

11

17

14

11

16

14

15,4

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

14

39

24

15

24

21

15

22

20

23,9

Zuid-Holland Zuid

9

17

12

9

13

11

9

12

11

12,1

Midden- en West-Brabant

17

36

23

18

26

23

19

25

22

24,4

Brabant-Noord

10

19

13

10

14

13

11

14

13

13,6

Brabant Zuidoost

10

21

14

10

16

13

11

15

13

14,4

Noord- en Midden Limburg

9

18

12

10

13

12

10

13

12

12,6

Zuid Limburg

7

18

11

7

11

10

7

10

9

11,1

Flevoland

8

13

10

8

10

10

8

10

9

10,0

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Goeree-Overflakkee

3

4

3

3

3

3

3

3

3

3,2

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3,0

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2,0

Walcheren en Bevelanden

6

11

8

6

9

8

7

8

8

8,1

Zeeuws-Vlaanderen

4

7

5

4

5

5

4

5

4

5,1

                     
Totaal

292

598

403

300

435

381

309

409

368

412,7

                     

Totaal Friesland

27

40

31

27

33

31

28

32

30

32,0

Totaal Noord-Holland Noord

12

20

15

12

16

15

12

16

14

15,2

Totaal Rotterdam-Rijnmond

17

43

27

18

27

24

18

25

23

27,1

Totaal Zeeland

15

23

18

15

19

18

16

18

17

18,2

Tabel 3.3: Verschil tussen Referentiekader-2016 en -2013: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok (een lege cel betekent dat er geen verschil is).

Regio

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 
 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Gewogen gemiddelde

Groningen

 

1

2

1

2

1

1

1

1

1,0

Friesland excl. Waddeneilanden

1

1

1

 

1

1

1

1

1

1,0

Drenthe

 

1

1

 

2

1

1

1

1

0,8

IJsselland

                 

0,0

Twente

   

1

1

2

1

     

0,4

Noordoost Gelderland

   

1

           

0,2

Midden Gelderland

 

1

1

1

1

1

 

1

 

0,7

Gelderland Zuid

   

1

 

1

1

1

1

1

0,5

Utrecht

1

 

1

1

1

1

1

2

1

0,8

Noord-Holland Noord excl. Texel

1

–1

1

   

1

 

1

 

0,3

Zaanstreek-Waterland

 

1

             

0,2

Kennemerland

1

–1

1

1

1

1

 

1

 

0,4

Amsterdam-Amstelland

1

 

3

1

1

1

1

1

2

1,3

Gooi en Vechtstreek

   

1

   

1

     

0,3

Haaglanden

1

 

3

1

3

3

2

3

2

1,6

Hollands Midden

 

1

1

1

2

1

 

1

1

0,8

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

1

 

2

2

 

1

1

1

1

1,0

Zuid-Holland Zuid

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1,0

Midden- en West-Brabant

1

1

1

1

1

2

1

2

1

1,1

Brabant-Noord

1

 

1

1

 

1

1

1

2

0,8

Brabant Zuidoost

   

1

 

1

1

1

1

1

0,5

Noord- en Midden Limburg

 

1

 

1

     

1

1

0,4

Zuid Limburg

1

 

1

   

1

     

0,5

Flevoland

 

1

1

   

1

     

0,5

Texel

                 

0,0

Vlieland

                 

0,0

Terschelling

                 

0,0

Ameland

                 

0,0

Schiermonnikoog

                 

0,0

Goeree-Overflakkee

 

1

             

0,2

Schouwen-Duiveland

                 

0,0

Tholen

                 

0,0

Walcheren en Bevelanden

       

1

     

1

0,1

Zeeuws-Vlaanderen

 

1

1

   

1

     

0,5

                     
Totaal

11

10

28

14

21

24

13

21

18

17,0

                     

Totaal Friesland

1

1

1

 

1

1

1

1

1

1,0

Totaal Noord-Holland Noord

1

–1

1

   

1

 

1

 

0,3

Totaal Rotterdam-Rijnmond

1

1

2

2

 

1

1

1

1

1,2

Totaal Zeeland

 

1

1

 

1

1

   

1

0,6

De resultaten van de actualisatie van het referentiekader verschillen per regio en per dagsoort en dagdeel. Het meest opvallend is dat op landelijk niveau op werkdagen overdag (8–16 uur) het aantal extra benodigde ambulances het laagst is, namelijk 10. In de avond (16–24 uur) zijn er 28 meer ambulances nodig, in de nacht (0–8 uur) zijn er 11 meer nodig. De stijging van het aantal benodigde ambulances is voor de weekenddagen groter dan voor de werkdagen. Afhankelijk van de dag en het tijdsblok zijn in het weekend tussen 13 en 24 extra ambulances nodig. Op werkdagen overdag zijn er volgens de nieuwe berekeningen 598 ambulances nodig, in de avonduren 403 en in de nacht 292.

Er zijn 8 regio’s die volgens deze berekeningen geen extra ambulance nodig hebben: IJsselland, de Waddeneilanden, Schouwen-Duiveland en Tholen. Het hoogste aantal extra ambulances krijgen de regio’s Groningen, Friesland, Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond, Zuid-Holland Zuid en Midden- en West-Brabant.

4. Conclusie en discussie

Conclusies

Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2016 geactualiseerd op basis van productiecijfers over 2015. Hierbij is het referentiekader ten opzichte van de eerdere doorrekening uit 2013 op twee punten aangepast:

  • 1. Inzetten van Nederlandse ambulances in het buitenland zijn meegenomen in de productiecijfers.

  • 2. Er is nu gerekend met het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg uit 2016.

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen. De toename van het spoedvervoer, inzetten met A1- of A2-urgentie, is 18,8%. Het besteld vervoer is met 1,9% afgenomen. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van iets lagere productieaantallen, omdat sommige soorten inzetten uit de productie worden gefilterd als gevolg van uitgangspunten van het referentiekader. Voor het referentiekader is uitgegaan van ruim 1,2 miljoen inzetten, een stijging van 12,3% ten opzichte van het referentiekader-2013. De grootste stijging was in het aantal A1-inzetten. Van deze inzetten was bovendien de gemiddelde ritduur in de periode 2012-2015 met bijna een minuut toegenomen. Dit leidt ertoe dat in 2015 meer uren ambulancezorg is geleverd dan in 2012.

Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er nu op werkdagen overdag 598 ambulances nodig zijn. Dat zijn er tien meer ten opzichte van het referentiekader-2013. In de avond- en nachturen en in het weekend is het aantal extra benodigde ambulances tussen 11 en 28. De toename van het aantal benodigde ambulances in de avonduren en weekenddagen is groter dan op werkdagen overdag. De toename verschilt bovendien per regio. Een enkele regio krijgt geen extra ambulance erbij, andere regio’s krijgen voor werkdagen in de avonduren twee tot drie ambulances erbij. Deze verschillende aantallen extra benodigde ambulances worden verklaard door verschillen tussen de regio’s in de ontwikkeling van de productie en in de gemiddelde ritduur.

Discussie

De toename van het aantal benodigde ambulances in het referentiekader-2016 verschilt per regio, per soort dag en per tijdsinterval (blokuur). Sommige regio’s krijgen op werkdagen in de avonduren twee of soms drie ambulances erbij, andere regio’s geen. Deze verschillen treden op ondanks het feit dat alle regio’s in de periode 2012–2015 een productiestijging hebben gehad. Er zijn twee verklaringen voor het feit dat niet in alle regio’s een stijging van de productie leidt tot meer benodigde ambulances: de toe- of afname van het besteld vervoer en de ontwikkeling van de gemiddelde ritduur.

In sommige regio’s is een sterke daling van het besteld vervoer geweest. In de berekening van de benodigde capaciteit kan dit leiden tot één tot twee minder ambulances voor het besteld vervoer. Alle regio’s hebben een stijging van het spoedvervoer gehad. Dit leidt tot één of twee extra benodigde ambulances. Bij regio’s met een daling van het besteld vervoer kan het netto resultaat van het referentiekader-2016 zijn dat er geen extra benodigde ambulances worden berekend.

De capaciteitsberekening van het referentiekader gaat uit van het totaal aantal uren ambulancezorg dat door een regio is geleverd. Een lagere gemiddelde ritduur in combinatie met een productiestijging kan resulteren in nul extra benodigde ambulances. Regio’s hebben de volgende verklaringen gegeven voor een lagere gemiddelde ritduur:

  • Door de CAO-acties in de ambulancesector in 2015 zijn ritgegevens onvolledig geregistreerd.

  • Door de hogere werkdruk krijgen ambulances vaker dan in 2012 een vervolgopdracht nog voordat een inzet volledig is afgerond. Het einde van een inzet wordt dan geregistreerd voordat de ambulance is teruggekeerd naar de standplaats. Hierdoor wordt een kortere ritduur berekend.

  • Een hoger aantal afgebroken ritten. In veel regio’s wordt sinds kort gewerkt volgens het protocol ‘Directe inzet ambulances’. Volgens dit protocol wordt een ambulance uitgestuurd voordat de melding is afgerond. Door de overlap tussen meldtijd, uitruktijd en rijtijd wordt een lagere responstijd gerealiseerd. Als na afronding van de melding blijkt dat een inzet niet nodig is wordt de inzet afgebroken en keert de ambulance terug naar de standplaats. Deze afgebroken ritten hebben een lage ritduur.

Aanbevelingen voor een volgende actualisatie

Er zijn aantal ontwikkelingen in de uitvoering van de ambulancezorg die aanleiding kunnen zijn voor een discussie over en eventuele herziening van een aantal aspecten van het referentiekader. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden of de gegevensbewerking voor het referentiekader aangepast moet worden omdat in de praktijk het protocol Directe inzet ambulances wordt toegepast. Ook kan er een discussie worden gevoerd of de stijging van het aantal EHGV-inzetten aanleiding moet zijn voor een aanpassing van de randvoorwaarden en uitgangspunten.

Referenties

Ambulancezorg Nederland (2009). Ambulances in-zicht 2008. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2010). Ambulances in-zicht 2009. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2011). Ambulances in-zicht 2010. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2012). Ambulances in-zicht 2011. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2013). Ambulances in-zicht 2012. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2013a). Uniform begrippenkader ambulancezorg. Versie 3,0. Zwolle, 13 februari 2013.

Ambulancezorg Nederland (2014). Ambulances in-zicht 2013. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2015). Ambulances in-zicht 2014. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2016). Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: AZN. Nog te verschijnen.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2009). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2011). Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013). Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013a). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. RIVM briefrapport 270412003. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J., A.A. van der Veen, W.F. Botter en I. Tan I. (2003). Ambulances binnen bereik – analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM.

Ministerie van VWS (2004).Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006. Den Haag, 4 juni 2004.

Ministerie van VWS (2008). Herijking landelijk referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk 1CZ-EKZ-2854207. Den Haag, 5 juni 2008.

Ministerie van VWS (2013). Actualisatie referentiekader spreiding en beschikbaarheid. Kamerbrief 131849-106797-CZ. Den Haag, 16 juli 2013.

Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ) (2004). Landelijk referentiekader spreiding- en beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden.

Lijst van afkortingen

ALS Advanced life support

AZN Ambulancezorg Nederland

DIA Directe inzet ambulance

EHGV Eerste hulp geen vervoer

GGD Gemeentelijke gezondheidsdienst

GHOR Geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio

HAP Huisartsenpost

KNRM Koninklijke Nederlandse reddingsmaatschappij

MICU Mobiele intensive care unit

MMT Mobiel medisch team

NZa Nederlandse Zorgautoriteit

OvDG Officier van dienst geneeskundig

PICU Pediatric intensive care unit

RAV Regionale ambulancevoorziening

RGF Regionaal geneeskundig functionaris

SAR Search and rescue

VWS (1) Volksgezondheid, welzijn en sport

(2) Voorwaardescheppend

Bijlage 1:. Regio-indeling

De nummering van de regio’s in de eilandbenadering van het referentiekader en in de productiecijfers van Ambulances in zicht is gegeven in Tabel B1.1.

Tabel B1.1: Regio indeling in de eilandbenadering van het referentiekader.

Nr.

Regio

Nr.

RAV

1

Groningen

1

Groningen

2

Friesland exclusief Waddeneilanden

2

Friesland

3

Drenthe

3

Drenthe

4

IJsselland

4

IJsselland

5

Twente

5

Twente

6

Noordoost Gelderland

6

Noordoost Gelderland

7

Midden Gelderland

7

Midden Gelderland

8

Gelderland Zuid

8

Gelderland Zuid

9

Utrecht

9

Utrecht

10

Noord-Holland Noord exclusief Texel

10

Noord-Holland Noord

11

Zaanstreek-Waterland

11

Amsterdam-Waterland

12

Kennemerland

12

Kennemerland

13

Amsterdam-Amstelland

-

-

14

Gooi en Vechtstreek

14

Gooi en Vechtstreek

15

Haaglanden

15

Haaglanden

16

Hollands Midden

16

Hollands Midden

17

Rotterdam-Rijnmond exclusief Goeree-Overflakkee

17

Rotterdam-Rijnmond

18

Zuid-Holland Zuid

18

Zuid-Holland Zuid

19

Zeeland

20

Midden- en West-Brabant

20

Midden- en West-Brabant

21

Brabant-Noord

21

Brabant-Noord

22

Brabant Zuidoost

22

Brabant Zuidoost

23

Noord- en Midden Limburg

23

Noord- en Midden Limburg

24

Zuid Limburg

24

Zuid Limburg

25

Flevoland

25

Flevoland

30

Texel

   

31

Vlieland

   

32

Terschelling

   

33

Ameland

   

34

Schiermonnikoog

   

35

Goeree-Overflakkee

   

36

Schouwen-Duiveland

   

37

Tholen

   

38

Walcheren en Bevelanden

   

39

Zeeuws-Vlaanderen

   

Bijlage 2:. Spreiding referentiekader 2016

Tabel B2.1: Standplaatsen in het spreidingsmodel van het referentiekader.

nr

RAV

Vierpositie

postcode

Plaatsnaam standplaats

1

Groningen

9364

Nuis

   

9502

Stadskanaal

   

9541

Vlagtwedde

   

9561

Ter Apel

   

9611

Sappemeer

   

9641

Veendam

   

9672

Winschoten

   

9723

Groningen-Zuid

   

9741

Groningen-Noord

   

9901

Appingedam

   

9951

Winsum

   

9965

Leens

   

9982

Uithuizermeeden

2

Friesland

8431

Oosterwolde

   

8448

Heerenveen

   

8471

Wolvega

   

8522

Skasterlan (gem.)

   

8531

Lemmer

   

8601

Sneek

   

8723

Koudum

   

8871

Harlingen (Midlum)

   

8881

Terschelling

   

8899

Vlieland

   

8912

Leeuwarden

   

8924

Leeuwarden

   

9011

Boarnsterhim (gem.)

   

9071

Leeuwarderadeel (gem.)

   

9101

Dokkum

   

9163

Nes

   

9166

Schiermonnikoog

   

9202

Drachten

   

9219

Smallingerland (gem.)

   

9285

Buitenpost

3

Drenthe

7741

Coevorden

   

7811

Emmen

   

7891

Klazienaveen

   

7903

Hoogeveen

   

7943

Meppel

   

7971

Havelte

   

9301

Roden

   

9401

Assen

   

9411

Beilen

   

9468

Annen

   

9531

Borger

4

IJsselland

7418

Deventer

   

7701

Dedemsvaart

   

7711

Nieuwleusen

   

7731

Ommen

   

7771

Hardenberg

   

8013

Zwolle

   

8103

Raalte

   

8261

Kampen

   

8281

Genemuiden

   

8331

Steenwijk

5

Twente

7447

Hellendoorn

   

7475

Markelo

   

7483

Haaksbergen

   

7541

Enschede

   

7556

Hengelo

   

7572

Oldenzaal

   

7602

Almelo

   

7651

Tubbergen

   

7681

Vroomshoop

6

Noordoost Gelderland

3843

Harderwijk

   

3852

Ermelo

   

7005

Doetinchem

   

7051

Varsseveld

   

7102

Winterswijk

   

7207

Zutphen

   

7271

Borculo

   

7311

Apeldoorn

   

8081

Elburg

   

8181

Heerde

7

Midden Gelderland

3772

Barneveld

   

6661

Elst (Gld)

   

6701

Wageningen

   

6711

Ede

   

6828

Arnhem

   

6901

Zevenaar

   

6951

Dieren

8

Gelderland-Zuid

4002

Tiel

   

4041

Kesteren

   

4101

Culemborg

   

4191

Geldermalsen

   

5301

Zaltbommel

   

6524

Nijmegen

   

6602

Wijchen

   

6651

Druten

9

Utrecht

3436

Nieuwegein

   

3447

Woerden

   

3561

Utrecht (Vader Rijndreef)

   

3582

Utrecht (Andreaelaan)

   

3608

Maarssen

   

3645

Vinkeveen

   

3707

Zeist

   

3811

Amersfoort Centrum

   

3823

Amersfoort Noord

   

3903

Veenendaal

   

3941

Doorn

10

Noord-Holland Noord

1616

Hoogkarspel

   

1625

Hoorn (Noord Holland)

   

1741

Schagen

   

1761

Anna Paulowna

   

1771

Wieringerwerf

   

1786

Den Helder

   

1791

Texel (Den Burg)

   

1823

Alkmaar Noord

11

Zaanstreek-Waterland

1141

Monnickendam

   

1442

Purmerend

   

1502

Zaandam

   

1521

Wormerveer

12

Kennemerland

1962

Heemskerk

   

1969

Heemskerk

   

1981

Velsen

   

2015

Haarlem

   

2131

Hoofddorp

13

Amsterdam-Amstelland

1018

Amsterdam

   

1075

Amsterdam

   

1105

Amsterdam Zuidoost

   

1185

Amstelveen

   

1431

Aalsmeer

14

Gooi- en Vechtstreek

1213

Hilversum Zuid

   

1404

Bussum

15

Haaglanden

2274

Voorburg

   

2544

Den Haag

   

2564

Den Haag

   

2627

Delft

   

2671

Naaldwijk (Westland)

   

2718

Zoetermeer

16

Hollands Midden

2211

Noordwijkerhout

   

2333

Leiden

   

2353

Leiderdorp

   

2405

Alphen aan den Rijn

   

2461

Ter Aar

   

2801

Gouda

   

2861

Bergambacht

17

Rotterdam-Rijnmond

2907

Capelle aan den IJssel

   

2922

Krimpen aan den IJssel

   

3038

Rotterdam

   

3083

Rotterdam

   

3118

Schiedam

   

3201

Spijkenisse

   

3223

Hellevoetsluis

   

3247

Dirksland

   

3252

Goedereede

18

Zuid-Holland Zuid

2957

Nieuw-Lekkerland

   

3286

Klaaswaal

   

3311

Dordrecht

   

3331

Zwijndrecht

   

4204

Gorinchem

   

4231

Meerkerk

19

Zeeland

4301

Zierikzee

   

4323

Schouwen-Duiveland (gem.)

   

4335

Middelburg

   

4354

Vrouwenpolder

   

4401

Yerseke

   

4411

Rilland

   

4462

Goes

   

4501

Oostburg

   

4535

Terneuzen

   

4561

Hulst

   

4695

Sint-Maartensdijk

20

Midden- en West-Brabant

4255

Nieuwendijk (Noord Brabant)

   

4283

Giessen

   

4611

Bergen op Zoom

   

4651

Steenbergen

   

4701

Roosendaal

   

4721

Rucphen (gem.)

   

4761

Zevenbergen

   

4811

Breda

   

4851

Breda-Zuid (Ulvenhout)

   

4901

Oosterhout (Noord Brabant)

   

5018

Tilburg

   

5047

Tilburg

   

5142

Waalwijk

21

Brabant-Noord

5231

s-Hertogenbosch

   

5281

Boxtel

   

5341

Oss

   

5363

Velp (Noord Brabant)

   

5405

Uden

   

5441

Oeffelt

   

5463

Veghel

22

Brabant-Zuidoost

5541

Reusel

   

5571

Bergeijk

   

5611

Eindhoven

   

5657

Eindhoven

   

5701

Helmond

   

5751

Deurne

   

6026

Maarheeze

23

Noord – en Midden Limburg

5801

Venray

   

5854

Bergen (Limburg)

   

5912

Venlo

   

5981

Panningen

   

6003

Weert

   

6045

Roermond

   

6101

Echt

24

Zuid Limburg

6166

Geleen

   

6229

Maastricht

   

6291

Vaals

   

6411

Heerlen

25

Flevoland

1326

Almere

   

3899

Zeewolde

   

8223

Lelystad

   

8251

Dronten

   

8304

Emmeloord

   

8308

Nagele

Bijlage 3:. Stapsgewijze actualisatie referentiekader

Tabel B3.1: Referentiekader-2013: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.

Referentiekader-2013

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 
 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Gewogen gemiddelde

Groningen

16

31

19

16

22

19

16

20

18

21

Friesland excl. Waddeneilanden

18

31

22

19

24

22

19

23

21

23

Drenthe

13

23

15

13

16

15

13

16

15

16

IJsselland

12

23

15

12

17

14

12

15

14

16

Twente

11

22

14

11

15

14

12

15

14

15

Noordoost Gelderland

13

26

16

13

18

16

13

17

16

18

Midden Gelderland

9

17

12

9

13

12

10

13

12

12

Gelderland Zuid

10

20

13

10

15

12

10

14

12

14

Utrecht

16

39

25

16

28

22

17

24

21

25

Noord-Holland Noord excl. Texel

9

19

12

10

14

12

10

13

12

13

Zaanstreek-Waterland

6

10

7

6

8

7

6

8

7

7

Kennemerland

7

17

10

7

11

9

8

11

10

11

Amsterdam-Amstelland

10

36

19

11

20

16

11

18

15

20

Gooi en Vechtstreek

3

7

4

3

5

4

3

5

4

4

Haaglanden

11

33

17

11

18

15

11

16

15

19

Hollands Midden

10

22

14

10

15

13

11

15

13

15

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

13

39

22

13

24

20

14

21

19

23

Zuid-Holland Zuid

8

16

11

8

12

10

8

11

10

11

Midden- en West-Brabant

16

35

22

17

25

21

18

23

21

23

Brabant-Noord

9

19

12

9

14

12

10

13

11

13

Brabant Zuidoost

10

21

13

10

15

12

10

14

12

14

Noord- en Midden Limburg

9

17

12

9

13

12

10

12

11

12

Zuid Limburg

6

18

10

7

11

9

7

10

9

11

Flevoland

8

12

9

8

10

9

8

10

9

9

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Goeree-Overflakkee

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Walcheren en Bevelanden

6

11

8

6

8

8

7

8

7

8

Zeeuws-Vlaanderen

4

6

4

4

5

4

4

5

4

5

                     

Totaal

281

588

375

286

414

357

296

388

350

396

                     

Totaal Friesland

26

39

30

27

32

30

27

31

29

26

Totaal Noord-Holland Noord

11

21

14

12

16

14

12

15

14

11

Totaal Rotterdam-Rijnmond

16

42

25

16

27

23

17

24

22

16

Totaal Zeeland

15

22

17

15

18

17

16

18

16

15

Tabel B3.2a: Stap 1: referentiekader na actualiseren van het aantal dagen van 2012 naar 2015: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 
 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Gewogen gemiddelde

Groningen

16

31

19

16

22

19

16

20

18

21

Friesland excl. Waddeneilanden

18

31

22

19

24

22

19

23

21

23

Drenthe

13

23

15

13

17

15

13

16

15

16

IJsselland

12

23

15

12

17

14

12

15

14

16

Twente

11

22

14

11

16

14

12

15

14

15

Noordoost Gelderland

13

26

16

13

18

16

13

17

16

18

Midden Gelderland

9

17

12

9

13

12

10

13

11

12

Gelderland Zuid

10

20

13

10

15

12

10

14

12

14

Utrecht

16

39

25

16

28

22

17

24

21

25

Noord-Holland Noord excl. Texel

9

19

12

10

14

12

10

13

12

13

Zaanstreek-Waterland

6

10

7

6

8

7

6

7

7

7

Kennemerland

7

17

10

7

11

9

8

11

9

11

Amsterdam-Amstelland

10

36

19

11

20

16

11

18

14

20

Gooi en Vechtstreek

3

7

4

3

5

4

3

5

4

4

Haaglanden

11

33

17

11

18

15

11

16

15

19

Hollands Midden

10

22

14

10

15

13

11

15

13

15

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

13

40

22

14

24

20

14

21

19

23

Zuid-Holland Zuid

8

16

11

8

12

10

8

11

10

11

Midden- en West-Brabant

16

35

22

17

25

21

17

23

20

23

Brabant-Noord

9

19

12

10

14

12

10

13

11

13

Brabant Zuidoost

10

21

13

10

15

12

10

14

12

14

Noord- en Midden Limburg

9

18

12

9

13

12

10

12

11

12

Zuid Limburg

6

18

10

7

11

9

7

10

9

11

Flevoland

8

12

9

8

10

9

8

10

9

9

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Goeree-Overflakkee

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Walcheren en Bevelanden

6

11

8

6

8

8

7

8

7

8

Zeeuws-Vlaanderen

4

6

4

4

5

4

4

5

4

5

                     
Totaal

281

590

375

288

416

357

295

387

346

396

                     

Totaal Friesland

26

39

30

27

32

30

27

31

29

31

Totaal Noord-Holland Noord

11

21

14

12

16

14

12

15

14

15

Totaal Rotterdam-Rijnmond

16

43

25

17

27

23

17

24

22

26

Totaal Zeeland

15

22

17

15

18

17

16

18

16

18

Tabel B3.2b: Stap 1: verschil tussen tabel B3.2a en het referentiekader-2013 in tabel B3.1: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok (lege cel = geen verschil).
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 
 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Gewogen gemiddelde

Groningen

                   

Friesland excl. Waddeneilanden

                   

Drenthe

       

1

         

IJsselland

                   

Twente

       

1

         

Noordoost Gelderland

                   

Midden Gelderland

               

–1

 

Gelderland Zuid

                   

Utrecht

                   

Noord-Holland Noord excl. Texel

                   

Zaanstreek-Waterland

             

–1

   

Kennemerland

               

–1

 

Amsterdam-Amstelland

               

–1

 

Gooi en Vechtstreek

                   

Haaglanden

                   

Hollands Midden

                   

Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee

 

1