Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk

Geldend van 01-07-2012 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 14 juni 2012, nr. IENM/BSK-1012/109051, houdende vaststelling van regels met betrekking tot het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk (Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 3B.7 van het Vuurwerkbesluit;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • afsteekplaats: gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht;

    • afsteekterrein: terrein waar de stellingen voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk worden opgebouwd en het vuurwerk wordt geïnstalleerd, bewerkt en tot ontbranding wordt gebracht;

    • afsteker: toepasser of een persoon in het bezit van een geldig certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit die onder verantwoordelijkheid van de toepasser werkt;

    • assistenten: personen die onder verantwoordelijkheid van de toepasser meewerken aan het vuurwerkevenement en onder toezicht van de afsteker staan;

    • blindganger: vuurwerk dat niet volledig tot ontbranding is gekomen;

    • gevaarlijke stoffen: stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code;

    • grondvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading meteen tot ontbranding komt vanuit het vuurwerk;

    • luchtvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading eerst wordt uitgestoten vanuit het vuurwerk en daarna tot ontbranding komt;

    • melding: melding van het tot ontbranding brengen als bedoeld in artikel 3B.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

    • ponton: dekschuit of drijvend platform met als doel het bieden van een ondersteuning voor het ontbranden van vuurwerk vanaf het water;

    • schietlijst: schietlijst als bedoeld in artikel 3B.3a, tweede lid, onder d, van het Vuurwerkbesluit;

    • toepasser: houder van de toepassingsvergunning;

    • veiligheidsafstand: minimumafstand tussen afsteekplaats en publiek;

    • veiligheidszone: gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan het aantal meters dat als veiligheidsafstand bij het tot ontbranding brengen van het vuurwerk in de buitenlucht ingevolge deze regeling in acht moet worden genomen;

    • vuurwerkevenement: geheel van activiteiten vanaf het opbouwen van de stellingen voor vuurwerk tot het voltooien van de eindcontrole na afloop van het ontbranden van het vuurwerk, alsmede de hieraan gerelateerde activiteiten;

    • weigeraar: vuurwerk dat niet tot ontbranding is gekomen.

  • 2 In deze regeling wordt onder vuurwerk mede verstaan een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik.

Artikel 1.2

Deze regeling is uitsluitend van toepassing op het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk, en het in verband daarmee opbouwen van stellingen en installeren, bewerken en na de ontbranding verwijderen van vuurwerk.

Artikel 1.3

Indien in enig artikel in deze regeling een afmeting is aangegeven in inches geldt als omrekenfactor 1 inch is 25,4 millimeter.

Artikel 1.4

De toepasser draagt er zorg voor dat de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 worden nageleefd.

Artikel 1.5

Op een melding is artikel 3B.3a, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.6

De meldingen, bedoeld in de artikelen 2.3, eerste en tweede lid, 5.1, derde lid, 5.3. eerste lid, en 5.4, derde lid, worden gedaan via de website www.meldpuntvuurwerk.nl van het Meld- en Informatiecentrum van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 1.7

Het is verboden handelingen te verrichten of te doen verrichten in strijd met deze regeling. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, geldt tevens als voorschrift verbonden aan de ontbrandingstoestemming, behoudens voor zover de voorschriften verbonden aan de ontbrandingstoestemming afwijken van deze regeling.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen over het tot ontbranding brengen van vuurwerk

Artikel 2.1

Het afsteekterrein heeft een zodanige grootte dat de afstand vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein in alle richtingen:

  • a. minimaal 10 meter bedraagt, indien uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding wordt gebracht en

  • b. minimaal 25 meter bedraagt, indien professioneel vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht.

Artikel 2.2

  • 1 Tijdens het vuurwerkevenement is ten minste één afsteker aanwezig die de Nederlandse taal beheerst.

  • 2 De afsteker heeft tijdens het vuurwerkevenement zicht op het vuurwerk, de afsteekplaats en, gedurende het tot ontbranding brengen van het vuurwerk, de veiligheidszone. Hij beschikt over doelmatige communicatiemiddelen om contact te kunnen onderhouden met hulpverleningsdiensten en gedeputeerde staten van de provincie waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht.

Artikel 2.3

  • 1 Vuurwerk mag mede tot ontbranding worden gebracht:

    • a. door of onder toezicht van een andere persoon dan de persoon wiens certificaat in de ontbrandingstoestemming is vermeld, mits die persoon in het bezit is van een geldig certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

    • b. op een ander tijdstip dan in de ontbrandingstoestemming is genoemd;

    • c. met een ander aantal vuurwerkartikelen dan in de ontbrandingstoestemming is genoemd, mits dat niet leidt tot een grotere veiligheidsafstand dan die welke op grond van deze regeling of de ontbrandingstoestemming in acht moet worden genomen;

    • d. met een ander vuurwerkartikel in de plaats van een vuurwerkartikel dat in de ontbrandingstoestemming is genoemd, mits:

      • 1°. de toepasser buiten zijn schuld niet over het vuurwerkartikel waarvoor het in de plaats komt, kan beschikken,

      • 2°. het vuurwerkartikel hetzelfde effect teweeg brengt als het effect van het vuurwerkartikel waarvoor het in de plaats komt, en

      • 3°. dat niet leidt tot een grotere veiligheidsafstand dan die welke voor het vuurwerkartikel waarvoor het in de plaats komt op grond van deze regeling of de ontbrandingstoestemming in acht moet worden genomen;

    • e. in afwijking van de ontbrandingstoestemming indien dat in het belang van de veiligheid nodig is,

    mits hiervan uiterlijk vier werkdagen voorafgaand aan het vuurwerkevenement bij gedeputeerde staten van de provincie waar dat evenement zou plaatsvinden elektronisch een melding is gedaan.

  • 2 Indien een vuurwerkevenement wordt afgelast, wordt hiervan zo spoedig mogelijk elektronisch melding gedaan bij het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Vuurwerk mag niet tot ontbranding worden gebracht in afwijking van de melding.

Artikel 2.4

  • 1 Tijdens het vuurwerkevenement is uitsluitend vuurwerk aanwezig dat bestemd is om tot ontbranding te worden gebracht en dat als zodanig vermeld is op de schietlijst.

  • 2 Indien is volstaan met een melding, is tijdens het vuurwerkevenement niet meer dan 200 kilogram consumentenvuurwerk onderscheidenlijk 20 kilogram theatervuurwerk aanwezig.

Artikel 2.5

  • 1 Uitsluitend onbeschadigd en ongebruikt vuurwerk wordt tot ontbranding gebracht.

  • 2 Het vuurwerk wordt tot ontbranding gebracht overeenkomstig de bij het vuurwerk behorende gebruiksaanwijzing of het bij het vuurwerk behorende veiligheidsinformatieblad, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald. Het vuurwerk is beschermd tegen vocht.

  • 3 Handelingen nabij het vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking worden voorkomen.

Artikel 2.6

  • 1 Vuurwerk wordt stabiel opgesteld.

  • 2 De bij het ontbranden van vuurwerk te gebruiken apparatuur en materialen zijn deugdelijk en onbeschadigd en zijn voldoende bestand tegen het disfunctioneren van vuurwerk.

  • 3 Vuurwerk dat loodrecht ten opzichte van het grondvlak is gemonteerd, maar schuin wordt opgesteld, wordt zodanig opgesteld dat de richting waarin het vuurwerk wordt afgestoken een hoek vormt van minimaal 60 graden met het horizontale vlak.

  • 4 Romeinse kaarsen staan direct op de ondergrond of in een daarvoor geschikte constructie.

  • 5 Constructies en ondergrond die worden gebruikt voor het opstellen van vuurwerk zijn brandveilig.

Artikel 2.7

  • 1 Een elektrisch afsteeksysteem is voorzien van een sleutelbeveiliging tegen onbedoeld afsteken.

  • 2 Een elektrisch afsteeksysteem waarbij het afsteekprogramma automatisch wordt doorlopen, is voorzien van een noodstop, zodat het programma kan worden afgebroken.

Artikel 2.8

  • 1 Vuur dat onderdeel is van het vuurwerkevenement heeft geen invloed op het opgestelde vuurwerk.

  • 2 Tijdens een vuurwerkevenement zijn voldoende handblusapparaten aanwezig om een beginnende brand zo snel mogelijk te kunnen bestrijden. Het aantal handblusapparaten bedraagt ten minste:

    • a. twee met een inhoud van ten minste 6 kilogram ABC-poeder of 9 kg schuim bij een buitenevenement;

    • b. één met een inhoud van ten minste 5 kilogram koolzuur bij een binnenevenement.

  • 3 De handblusapparaten zijn voor onmiddellijk gebruik gereed en opgesteld op een goed zichtbare en bereikbare plaats binnen het afsteekterrein. De handblusapparaten zijn goed werkend en goed onderhouden.

Artikel 2.9

  • 1 Op het afsteekterrein wordt niet gerookt en is geen open vuur aanwezig, behoudens het vuur dat benodigd is voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk of vuur dat onderdeel is van het vuurwerkevenement.

  • 2 Voordat wordt begonnen met de opbouw van het vuurwerkevenement, wordt het afsteekterrein, voor zover vrij toegankelijk voor publiek, zodanig afgezet dat duidelijk is dat het afsteekterrein verboden is voor onbevoegden.

  • 3 Het afsteekterrein wordt na afloop van het vuurwerkevenement schoon opgeleverd, uitgaande van de staat van het terrein vóór het vuurwerkevenement.

Artikel 2.10

  • 1 Tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veiligheidszone uitsluitend worden betreden door toezichthouders, de toepasser, de afsteker en assistenten, en de artiesten die deelnemen aan het vuurwerkevenement.

  • 2 Voordat wordt begonnen met het tot ontbranding brengen van vuurwerk, wordt de veiligheidszone, voor zover vrij toegankelijk voor publiek, zodanig afgezet dat duidelijk is dat de veiligheidszone verboden is voor onbevoegden.

  • 3 De veiligheidszone mag na afloop van het vuurwerkevenement niet worden betreden door publiek voordat de veiligheidszone is gecontroleerd op weigeraars en blindgangers en, indien deze niet zijn aangetroffen of deze zijn verwijderd, is vrijgegeven.

Hoofdstuk 3. Vuurwerkevenementen in de buitenlucht

§ 3.1. Veiligheidsafstanden

Artikel 3.1

Bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk in de buitenlucht wordt voldaan aan de artikelen 3.2 tot en met 3.11.

Artikel 3.2

  • 1 Bij het tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk worden de volgende veiligheidsafstanden in acht genomen:

    Aard vuurwerk

    Minimumafstand (in meters)

    a. Grondvuurwerk

    15

    b. Luchtvuurwerk met kaliber tot en met 1 inch

    40

    c. Luchtvuurwerk met kaliber vanaf 1 inch tot 2 inch

    60

  • 2 Indien luchtvuurwerk als bedoeld in het eerste lid schuin is gemonteerd of opgesteld en de schuine stand in de richting van het publiek wijst, wordt bij het tot ontbranding brengen daarvan de ingevolge het eerste lid van toepassing zijnde veiligheidsafstand vermenigvuldigd met een factor 1,5 in acht genomen

Artikel 3.3

  • 1 Bij het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk worden de volgende veiligheidsafstanden in acht genomen:

    Aard vuurwerk

    Minimumafstand (in meters)

    a. Vuurpijlen (schietrichting schuin van het publiek af)

    125

    b. Vuurpijlen (schietrichting overig)

    200

    c. Tekstborden

    15

    d. Grondvuurwerk

    30

    e. Romeinse kaarsen met kaliber tot en met 2 inch

    75

    f. Mines tot en met een kaliber van 4 inch

    60

    g. Mines met een kaliber vanaf 4 inch tot en met 6 inch

    100

    h. Dagbommen kleiner dan 21 cm diameter

    75

  • 2 Bij het tot ontbranding brengen van Romeinse kaarsen met een kaliber groter dan 2 inch, van cakeboxen en van vuurwerkbommen, worden de volgende veiligheidsafstanden in acht genomen:

    Kaliber

    Minimumafstand

    Inch

    Mm

    in meters

    < 3

    < 76,2

    120

    > 3

    > 76,2

    165

    > 4

    > 101,6

    200

    > 5

    > 127

    230

    > 6

    > 152,4

    265

    > 8

    > 203,2

    325

    > 10

    > 254

    390

    > 12

    > 304,8

    455

    > 18

    > 457,2

    645

    > 24

    > 609,6

    845

  • 3 Het kaliber van een vuurwerkbom, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald op basis van de volgende tabel.

    Uitwendige diameter tussen:

    Kaliber (inch)

    63,6 en 76,2 mm

    3

    88,6 en 101,6 mm

    4

    114 en 127 mm

    5

    139,4 en 152,4 mm

    6

    190,2 en 203,2 mm

    8

    241 en 254 mm

    10

    291,8 en 304,8 mm

    12

    444,2 en 457,2 mm

    18

    596,6 en 609,6 mm

    24

  • 4 Een vuurwerkbom met een uitwendige diameter die kleiner is dan 63,6 millimeter wordt aangemerkt als een bom met een kaliber kleiner dan 3 inch.

  • 5 Vuurwerkbommen die op basis van de uitwendige diameter niet kunnen worden ingedeeld in één van de kalibermaten, bedoeld in het derde lid, worden niet toegepast.

Artikel 3.4

De veiligheidsafstanden die bij het tot ontbranding brengen van theatervuurwerk in acht worden genomen zijn ten minste gelijk aan de afstanden, vermeld in de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad van het vuurwerk, dan wel indien vanwege weersomstandigheden naar het oordeel van gedeputeerde staten van de provincie waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht grotere veiligheidsafstanden dan hiervoor bedoeld in acht moeten worden genomen, ten minste gelijk aan de door dat bestuursorgaan bepaalde veiligheidsafstanden.

Artikel 3.5

Binnen 100 meter vanaf de horizontale projectie van een hoogspanningsleiding wordt geen vuurwerk tot ontbranding gebracht.

Artikel 3.6

  • 1 Tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk zijn binnen de veiligheidsafstand die ingevolge artikel 3.2 onderscheidenlijk 3.3 in acht wordt genomen, vermeerderd met vijftig procent, geen bedrijfsmatig gehouden dieren aanwezig, tenzij de toepasser met de eigenaar van de dieren schriftelijk anders is overeengekomen.

  • 2 Binnen de veiligheidszone bevinden zich tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk geen:

    • a. brandbare objecten, behoudens het tot ontbranding te brengen vuurwerk en materialen die hiervoor nodig zijn;

    • b. voer- of vaartuigen, behoudens een voer- of vaartuig waar vanaf het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht, waarmee het vuurwerk is vervoerd of van een hulpverleningsdienst.

  • 3 Binnen de veiligheidszone bevinden zich geen:

    • a. provinciale wegen of rijkswegen;

    • b. water- of spoorwegen;

    • c. gebouwen, behoudens voor zover is gewaarborgd dat tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk geen personen in of uit het gebouw gaan.

  • 4 Het tot ontbranding brengen van vuurwerk vanaf een dak van een gebouw is toegestaan, indien is gewaarborgd dat tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk geen personen in of uit het gebouw gaan en de aanwezige installaties niet leiden tot gevaarlijke situaties. In dit geval is de veiligheidsafstand op maaiveldniveau gelijk aan de horizontale projectie van de veiligheidafstand ter hoogte van de afsteekplaats.

  • 5 Indien binnen de veiligheidszone gemeentelijke wegen, wandel- en fietspaden of eigen wegen aanwezig zijn, worden deze 15 minuten voor het tot ontbranding brengen van het vuurwerk afgezet.

§ 3.2. Weersomstandigheden

Artikel 3.7

Het tot ontbranding brengen van vuurwerk is verboden indien sprake is van:

  • a. extreme droogte;

  • b. een windsnelheid van 9 meter per seconde of hoger, of

  • c. mist of rook zodanig dat de veiligheidszone niet in zijn geheel is te overzien dan wel het zicht minder bedraagt dan 200 meter.

Artikel 3.8

Bij onweer worden elektrische ontstekingsdraden niet aangesloten, indien het tijdverschil tussen bliksem en donder 10 seconden of minder is. In het geval, bedoeld in de eerste volzin, worden maatregelen getroffen, zodat het vuurwerk niet vroegtijdig af kan gaan.

Artikel 3.9

  • 1 Bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk in de buitenlucht wordt voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2 Stalen mortierbuizen zijn naadloos getrokken en onbehandeld.

  • 3 Bij toepassing van stalen mortierbuizen van 3 inch en groter worden voorzieningen getroffen om het wegspatten van scherven bij een mogelijke explosie te voorkomen.

  • 4 Mortierbuizen en houders voor Romeinse kaarsen worden tijdens het vuurwerkevenement niet herladen.

Artikel 3.10

In geval van een ontbrandingstoestemming en het ontbranden van vuurwerk binnen 15 kilometer afstand van een luchthaven, wordt ten minste 30 minuten voor aanvang van het vuurwerkevenement contact opgenomen met de betrokken verlener van een luchtverkeersdienst als bedoeld in de Wet luchtvaart.

§ 3.3. Tot ontbranding brengen van vuurwerk vanaf water

Artikel 3.11

  • 1 Bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk vanaf het water wordt voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2 Bij het verplaatsen van het vuurwerk over het water naar de ontbrandingslocatie:

    • a. wordt een samenstel van ponton en vaartuig in stand gehouden;

    • b. duurt de verplaatsing niet langer dan redelijkerwijs noodzakelijk is;

    • c. wordt een afstand van ten minste 25 meter tot publiek en andere vaartuigen aangehouden;

    • d. is het vuurwerk doelmatig afgedekt zodat onbedoeld tot ontbranding brengen van vuurwerk door vonken wordt voorkomen.

  • 3 Ten minste 10 minuten voorafgaand aan de verplaatsing, bedoeld in het tweede lid, worden de betrokken haven- of vaarwaterautoriteiten over het tijdstip van vertrek geïnformeerd.

  • 4 Op een vaartuig worden tegelijkertijd met het vuurwerk geen andere gevaarlijke stoffen vervoerd, met uitzondering van de benodigde brandstof voor het vaartuig.

Hoofdstuk 4. Vuurwerkevenementen in een binnenruimte

Artikel 4.1

Bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk in een binnenruimte wordt voldaan aan de artikelen 4.2 tot en met 4.4.

Artikel 4.2

Bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk wordt uitsluitend gebruik gemaakt van theatervuurwerk en consumentenvuurwerk dat in de betreffende binnenruimte veilig kan worden gebruikt.

Artikel 4.3

  • 1 Boven de afsteekplaats is een vrije ruimte aanwezig van ten minste anderhalf maal de maximale hoogte van het effect, vermeld in de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad behorende bij het vuurwerk.

  • 2 De opstelling en ondergrond ter plaatse van de afsteekplaats zijn bestand tegen de gevolgen en eventuele voortplanting van warmtestraling en druk die kunnen vrijkomen door het tot ontbranding brengen van het vuurwerk.

  • 3 De boven de afsteekplaats aanwezige installaties, voorzieningen en voorwerpen zijn bestand tegen de gevolgen en eventuele voortplanting van warmtestraling en druk die kunnen vrijkomen door het tot ontbranding brengen van het vuurwerk.

Artikel 4.4

De veiligheidsafstanden die bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk in een binnenruimte in acht worden genomen zijn ten minste gelijk aan de afstanden, vermeld in de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad van het vuurwerk.

Hoofdstuk 5. Ongewone voorvallen

Artikel 5.1

  • 1 Indien vuurwerk tijdens het tot ontbranding brengen afwijkend gedrag vertoont ten opzichte van de productspecificatie en dit gevaar oplevert voor de omgeving, wordt het resterende vuurwerk van hetzelfde artikelnummer tijdens het betrokken vuurwerkevenement niet meer tot ontbranding gebracht.

  • 2 Een weigeraar blijft ten minste 15 minuten na afloop van het afsteekprogramma onaangeroerd en wordt tijdens het betrokken vuurwerkevenement niet opnieuw aangestoken.

  • 3 Afwijkend gedrag van vuurwerk wordt binnen 48 uur elektronisch gemeld aan gedeputeerde staten van de provincie waar het vuurwerkevenement plaatsvindt met vermelding van:

    • a. plaats en datum vuurwerkevenement;

    • b. soort vuurwerk;

    • c. artikelnummer;

    • d. batchnummer;

    • e. herkomst van het vuurwerk;

    • f. nauwkeurige omschrijving afwijkend gedrag.

Artikel 5.2

  • 1 Nagloeiend vuurwerk wordt met doelmatige middelen gedoofd.

  • 2 Een aangetroffen weigeraar of blindganger wordt met doelmatige middelen onschadelijk gemaakt.

Artikel 5.3

  • 1 Indien het vermoeden bestaat dat er sprake is van een blindganger, wordt deze na afloop van het afsteekprogramma onverwijld gezocht. Indien geen blindganger wordt gevonden, wordt dit elektronisch zo spoedig mogelijk gemeld bij gedeputeerde staten van de provincie waar het vuurwerkevenement heeft plaatsgevonden en de politie.

  • 2 Indien een blindganger achteraf alsnog wordt gevonden, wordt deze onverwijld verwijderd.

Artikel 5.4

  • 1 Indien zich tijdens het vuurwerkevenement een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan of de veiligheid van het publiek niet is gewaarborgd, treft de toepasser onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

  • 2 Bij ongewone voorvallen wordt het vuurwerkevenement onmiddellijk opgeschort en wordt het vuurwerkevenement na overleg met gedeputeerde staten van de provincie waar het vuurwerkevenement plaats zou vinden alleen hervat, als de veiligheid is gewaarborgd.

  • 3 De toepasser meldt een ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk elektronisch aan het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Bij een melding als bedoeld in het derde lid verstrekt de toepasser gegevens met betrekking tot:

    • a. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;

    • b. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;

    • c. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.

Artikel 6.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

J.J. Atsma