Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Instellingsbesluit Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis

Geldend van 21-12-2012 t/m heden

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 mei 2012, nr. WJZ/409353 (10236), houdende instelling van de Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis (Instellingsbesluit Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • commissie: Commissie als bedoeld in artikel 2;

  • instelling: Amarantis Onderwijsgroep voor Interconfessioneel Onderwijs, alsmede in voorkomend geval haar rechtsopvolger of rechtsopvolgers.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1 Er is een Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis, hierna te noemen de commissie.

  • 2 De commissie heeft tot taak:

    • a. onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot of hebben bijgedragen aan het ontstaan van de financiële problematiek van de instelling zoals die in de loop van 2012 is gebleken of nog zal blijken;

    • b. in kaart te brengen welke financiële beslissingen, investeringsbeslissingen of andere bestuursbeslissingen tot de financiële problematiek hebben geleid en op welke wijze deze beslissingen tot stand zijn gekomen;

    • c. na te gaan op welke wijze de interne toezichthouder van de instelling betrokken is geweest bij de onder b bedoelde beslissingen;

    • d. de handelwijze en bevoegdheidsuitoefening na te gaan van de betrokken externe actoren, waaronder de instellingsaccountant, de inspectie van het onderwijs en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    • e. aanbevelingen te doen, gebaseerd op het onderzoeksmateriaal, over maatregelen die kunnen bijdragen aan het voorkomen van financiële problematiek bij andere instellingen in de bve-sector of scholen in het voortgezet onderwijs.

  • 3 Het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, betreft de periode vanaf 1 januari 2007, alsmede de daaraan voorafgaande periode voor zover deze in het licht van het onderzoek van belang is.

  • 4 In aanvulling op het tweede en derde lid heeft de commissie met ingang van 3 december 2012 tot taak, mede op basis van de kennis, feiten en signalen waarover de commissie de beschikking heeft gekregen bij het onderzoek, bedoeld in het tweede en derde lid, nader onderzoek te doen naar mogelijke persoonlijke bevoordeling, bovenmatig persoonlijk gebruik van faciliteiten of bevoordeling van derden door de betrokken, al dan niet gewezen, bestuurders, leidinggevenden of adviseurs van de instelling of haar rechtsvoorgangers.

  • 5 Het nader onderzoek betreft dezelfde periode als het onderzoek, bedoeld in het tweede en derde lid, en is erop gericht, ten aanzien van de in het vierde lid bedoelde personen vast te stellen hoe hun handelen of nalaten zich verhoudt tot:

  • 6 Indien betrokkenen naar het oordeel van de commissie niet of onvoldoende meewerken aan het nader onderzoek, overlegt de commissie daarover een schriftelijke verklaring aan de Minister. Indien bij het nader onderzoek het vermoeden rijst van strafbare feiten, meldt de commissie dit aan de Minister.

Artikel 3. Instellingsduur

De commissie wordt opgeheven met ingang van de eerste dag van de derde maand nadat zij de eindrapportage, bedoeld in artikel 8, lid 1a, heeft uitgebracht.

Artikel 4. Informatieplicht

De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door deze gewenste inlichtingen.

Artikel 5. Leden

  • 1 Tot leden van de commissie worden benoemd:

    • a. de heer M. van Rijn te Den Haag, lid, tevens voorzitter, tot 5 november 2012;

    • a1. mevrouw drs. F. Halsema te Amsterdam, lid, tevens voorzitter, met ingang van 3 december 2012, ten behoeve van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 2, vierde lid;

    • b. de heer H. van Moorsel te Vinkeveen;

    • c. mevrouw R. de Wit te Heerlen.

  • 2 De commissie wordt bijgestaan door een secretaris.

  • 3 De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

  • 4 Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.

  • 5 De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de commissie.

  • 6 De minister draagt zorg voor een adequate ondersteuning van de commissie.

  • 7 Indien ambtenaren, in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, tot secretaris of medewerker worden benoemd, zijn zij tegenover anderen dan de commissie verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen in het verband van de werkzaamheden van de commissie bekend is geworden.

Artikel 6. Werkwijze

  • 1 De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2 De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is, waaronder, op persoonlijke titel, ambtelijk deskundigen. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Onafhankelijkheid en bevoegdheden

  • 1 De commissie verricht haar werkzaamheden in onafhankelijkheid zonder last of ruggespraak.

  • 2 De commissie kan desgewenst voor haar werkzaamheden een beroep doen op alle kennis die in welke vorm dan ook op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwezig is betreffende haar werkterrein. De medewerking wordt niet dan op grond van wettelijke belemmeringen geweigerd.

  • 3 De leden van de commissie, de secretaris van de commissie en de aan de secretaris toegevoegde medewerkers worden bij dezen, voor zover dat in het kader van het onderzoek van de commissie wordt gevorderd, aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en mogen dientengevolge alle bevoegdheden, genoemd in Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht, toepassen indien dat naar het oordeel van de commissie noodzakelijk is.

Artikel 8. Rapportage

  • 1 De commissie brengt vóór 15 oktober 2012 een eindrapportage uit aan de minister over de bevindingen, voortvloeiend uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid.

  • 1a De commissie brengt vóór 1 februari 2013 een eindrapportage uit aan de minister over de bevindingen die voortvloeien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2, vierde lid.

  • 2 Indien de commissie voorziet dat zij de in dit besluit gestelde rapportagetermijn zal overschrijden dan wel wanneer zij knelpunten ontmoet tijdens de uitvoering van het onderzoek, stelt zij de minister daarvan direct in kennis. De commissie vermeldt hierbij welke knelpunten zich voordoen. Bij dreigende overschrijding van de rapportagetermijn meldt de commissie de oorzaak van de overschrijding en geeft zij een indicatie van de termijn waarop de rapportage wel zal zijn afgerond.

Artikel 9. Geen andere rapportages

De commissie brengt geen andere rapportages uit dan die genoemd in artikel 8, tenzij de minister daarom verzoekt.

Artikel 10. Vergoeding

  • 2 De minister kan de in het eerste lid genoemde arbeidsfactor nader vaststellen indien de omvang van de werkzaamheden van de voorzitter onderscheidenlijk leden daartoe aanleiding geeft.

  • 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland. Deze vergoeding wordt door de secretaris van de commissie afgehandeld.

Artikel 11. Kosten

  • 1 De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in elk geval verstaan:

    • a. de kosten voor vergaderingen en voor secretariële ondersteuning,

    • b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en

    • c. de kosten van publicatie van rapportages.

  • 2 De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de minister aan. Tevens biedt de commissie zo spoedig mogelijk na aanvang van haar onderzoek, bedoeld in artikel 2, vierde lid, een begroting en een planning inzake dat onderzoek aan de minister aan.

Artikel 12. Openbaarmaking

Rapporten, notities, verslagen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht.

Artikel 13. Intellectuele eigendom

De leden van de commissie werken mee aan het tot stand komen van een overeenkomst indien dit naar het oordeel van de minister noodzakelijk is om te komen tot het kosteloos overdragen aan de minister van rechten met betrekking tot intellectuele eigendom.

Artikel 14. Archiefbescheiden

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder als aangewezen is, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 15. Mandaat

  • 1 Voor zover het onderzoek van de commissie betrekking heeft op de sector van de educatie en het beroepsonderwijs, vervult de commissie haar taak op basis van artikel 2.5.6 dan wel artikel 2.5.10 juncto artikel 2.5.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Het bevoegd gezag van de instelling verstrekt conform het bepaalde in artikel 2.5.6 van genoemde wet aan de commissie alle inlichtingen die de commissie voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. De commissie krijgt desgevraagd inzage in informatie, boeken en bescheiden.

  • 2 Voor zover het onderzoek van de commissie betrekking heeft op de sector van het voortgezet onderwijs, vervult de commissie haar taak op basis van artikel 19 van het Bekostigingsbesluit WVO. Het bevoegd gezag van de school verstrekt conform het bepaalde in dat artikel 19 aan de commissie alle inlichtingen die de commissie voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt. De commissie krijgt desgevraagd inzage in informatie, boeken en bescheiden.

  • 4 De commissie oefent de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, slechts uit voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. Bij een verzoek om inlichtingen te verstrekken geeft zij de grondslag aan op grond waarvan dat verzoek wordt gedaan en het doel waarvoor de inlichtingen worden gevraagd.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • 2 Dit besluit vervalt met ingang van de eerste dag van de zesde maand nadat de Commissie de laatste rapportage heeft uitgebracht.

Artikel 17. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart