Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging

Geldend van 01-05-2012 t/m heden

Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging

Samenvatting

Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hanteren een (pro)actief en alert voorlichtingsbeleid. Als strafrechtelijk handhaver van de rechtsorde levert het OM een bijdrage aan de maatschappelijke veiligheid. Deze maatschappelijke doelstelling vraagt om een OM dat zichtbaar, merkbaar en herkenbaar is. Het persbeleid sluit daarbij aan en draagt bij aan het verwezenlijken van deze ambities.

Deze aanwijzing ziet op communicatie over de prioriteiten bij de aanpak van criminaliteit en op de voorlichting over de ontwikkeling in concrete onderzoeken en strafzaken door politie en OM. De aanwijzing richt zich in het bijzonder tot woordvoerders van de politie en het OM.

Achtergrond

Kader

Het OM is exclusief belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Daarbij heeft het OM het gezag en de eindverantwoordelijkheid over de opsporing. Strategische keuzes ten aanzien van opsporing (bijvoorbeeld de selectie en omvang van onderzoeken) en strafvorderlijke beslissingen behoren eveneens tot het domein van het OM. In deze aanwijzing worden de verschillende verantwoordelijkheden van OM en politie doorgetrokken naar de wijze waarop OM en politie inhoud geven aan de voorlichting over opsporing en vervolging. Beleid en beslissingen van het OM vormen de kaders waarbinnen de korpschef van politie verantwoordelijk is voor de voorlichting door de politie. De politie is primair verantwoordelijk voor de woordvoering over de feitelijke taakuitoefening door de politie en heeft hierin een eigen taak en verantwoordelijkheid. Het OM is de eindverantwoordelijke voor het voorlichtingsbeleid van zowel OM als politie.

Openheid

De maatschappelijke opdracht van OM en politie1 brengt niet alleen de verantwoordelijkheid mee om in de invulling van hun taak een effectieve bijdrage te leveren aan een veilige en rechtvaardige samenleving. Deze taakstelling vereist ook dat interventies zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn voor slachtoffers, daders en hun omgeving, en dat OM en politie open zijn over hun afwegingen en fouten. De burger heeft het recht goed en tijdig te worden geïnformeerd over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken.

Het communicatiebeleid is gericht op het verstrekken van informatie zowel over actuele onderzoeken en strafzaken als over de prioriteiten bij de aanpak van criminaliteit. Transparantie vergroot het vertrouwen in de rechtsstaat. Dit is in het belang van de opsporing. Wanneer OM en politie – bijvoorbeeld via Burgernet, www.depolitiezoekt.nl of SMS-alert – de hulp van het publiek inroepen bij het oplossen van zaken, zal de bereidheid daartoe groter zijn naarmate het vertrouwen in politie en OM sterker is.

Privacybescherming en onderzoeksbelang

Bij de voorlichting over strafzaken is van groot belang dat de juiste balans gevonden wordt tussen openheid en transparantie enerzijds en de belangen van een eerlijke procesgang en de privacy van de betrokkenen anderzijds. Het OM heeft toe te zien op een eerlijke procesgang waarbij respect wordt getoond voor de positie van de rechter en de verdediging, waarbij recht wordt gedaan aan de verdachte en het slachtoffer en waarbij de privacy van verdachten, (nabestaanden van) slachtoffers en getuigen gewaarborgd is. In beginsel worden geen persoonsgegevens verstrekt wanneer deze verstrekking kan leiden tot identificatie van de persoon en schending van diens privacy. Verstrekking van persoonsgegevens aan de pers die kunnen leiden tot identificatie dient altijd afgestemd te worden met de onderzoeksleiding.

Daarnaast moet ook de balans in het oog gehouden worden tussen enerzijds openheid en transparantie en anderzijds het belang van het onderzoek. Het uitgangspunt hierbij is: openheid waar het mogelijk is, terughoudendheid waar het nodig is. Bij de opsporing en vervolging is de waarheidsvinding het uiteindelijke doel van OM en politie. Het verstrekken van informatie aan de pers kan het onderzoek naar de ware toedracht van een zaak schaden. Daarom kan onderzoeksbelang een reden zijn bepaalde informatie niet te verstrekken.

Opsporingsberichtgeving

Het OM maakt onderscheid tussen persvoorlichting en opsporingsberichtgeving. Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel waarvoor een eigen juridisch kader is opgesteld in de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Opsporingsberichtgeving kan laten zien hoe politie en OM de opsporing ter hand nemen. Daardoor kunnen opsporingsberichtgeving en persvoorlichting elkaar overlappen. Persvoorlichting en opsporingsberichtgeving kunnen beide bijdragen aan een groter vertrouwen in OM en politie. Persvoorlichting en opsporingsberichtgeving kunnen in combinatie met elkaar worden gebruikt als tactisch voorlichtings- en opsporingsmiddel.

Informatieverstrekking

1. Beleid: actief en proactief

De afgelopen jaren is het aantal media – waaronder de sociale media – en de diversiteit van de media sterk gegroeid. Mede daardoor is de behoefte van burgers en journalisten2 aan informatie over onderzoeken en strafzaken gegroeid. Om in deze behoefte te voorzien, zullen de politie en het OM in elke zaak de afweging maken welke informatie op welk moment openbaar gemaakt kan worden.

OM en politie hanteren een (pro)actief en alert communicatiebeleid. Om de doelgroepen te bereiken kan de hele bandbreedte aan communicatiemiddelen worden ingezet, inclusief het internet en de sociale media. Voor al deze media gelden dezelfde hoge normen van zorgvuldigheid, niet in de laatste plaats vanwege het permanente karakter van internet, waarop elke berichtgeving uiteindelijk terechtkomt. De belangen van slachtoffers en nabestaanden worden hierbij nadrukkelijk meegewogen. Ontwikkelingen in de berichtgeving worden nauwgezet gevolgd om te kunnen bepalen of extra berichtgeving gewenst is om de beeldvorming te corrigeren.

Actieve communicatie door OM of politie begint veelal met het uitbrengen van een persbericht of een tweet. De politie meldt dagelijks in persberichten en tweets een veelheid aan incidenten en aanhoudingen. Het OM brengt de media doorgaans via een persbericht op de hoogte van de voortgang van het onderzoek in ernstige zaken. Grote belangstelling voor een bepaalde zaak en onjuiste berichtgeving in de media kunnen reden zijn een persbericht uit te brengen. Voor een meer uitvoerige toelichting op een zaak of een onderwerp kan gebruik worden gemaakt van de website van het OM.

Ook wanneer het OM of de politie de media achteraf gezien (deels) onjuist heeft geïnformeerd, met als gevolg onjuiste berichten in de media, wordt hiervan zo spoedig mogelijk melding gemaakt aan de media. Het ligt voor de hand dat de partij die de onjuiste informatie heeft gemeld de mededeling aan de media doet. Een dergelijke handelwijze levert een bijdrage aan het vergroten van het vertrouwen van de burger in OM en politie. Vanzelfsprekend dient onjuiste berichtgeving die nog niet tot publicatie heeft geleid bij het betreffende medium te worden rechtgezet.

De maatschappelijke taak van het OM vraagt om een OM dat zichtbaar, merkbaar en herkenbaar gericht is op de dader en staat voor het slachtoffer. Het persbeleid sluit daarbij aan en draagt bij aan het verwezenlijken van deze ambities. Als strafrechtelijk handhaver van de rechtsorde wil het OM een bijdrage leveren aan de maatschappelijke veiligheid. Daarbij is samenwerking met bestuurlijke en private partners noodzakelijk. Zo nodig stemmen politie en OM de inhoud van de communicatie en de timing ervan af met de relevante partner.

Persvoorlichting wordt actief ingezet om samenhang tussen praktijk en beleid te tonen. Concrete zaken worden zoveel mogelijk in de context geplaatst waarbij ook aandacht wordt geschonken aan de lokale of landelijke beleidsprioriteiten.

Voorlichting over concrete onderzoeken of strafzaken geschiedt – doorgaans vanaf de voorgeleiding aan de rechter-commissaris – door het parket dat voor de zaak verantwoordelijk is.

OM en politie behandelen jaarlijks vele honderdduizenden zaken. Gezien de grote hoeveelheid zaken is het praktisch gezien niet mogelijk alle acties van OM en politie te melden. Er zal dus altijd een zekere selectie

moeten worden gemaakt. Bij de selectie zal met name de maatschappelijke onrust die een zaak teweeg brengt of kan brengen leidend zijn.

Het OM voert een proactief persbeleid over landelijke of lokale thema’s. Dat wil zeggen dat het OM, los van concrete strafzaken, over lokale of landelijke beleidsprioriteiten communiceert met het doel om de burger in staat te stellen zich een adequaat beeld te vormen van de context waarin het OM (toekomstige) concrete strafzaken afdoet.

2. Privacywetgeving

Het juridisch kader voor de voorlichting over opsporing en vervolging wordt bepaald door de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)3.

2.1. Verdachten

Gegevens die direct of indirect redelijkerwijs tot de identificatie van een persoon als verdachte of dader kunnen leiden zijn strafrechtelijke persoonsgegevens en als zodanig bijzondere persoonsgegeven in de zin van de Wbp. Ingevolge art. 10, eerste lid Wobart. 16 Wbp blijft het verstrekken van dergelijke gegevens achterwege tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

In het kader van de voorlichting aan de pers betekent dit dat OM en politie strafrechtelijke persoonsgegevens niet mogen verstrekken wanneer deze verstrekking direct of in combinatie met informatie uit andere bronnen kan leiden tot de identificatie van de verdachte of dader. Bij gegevensverstrekking houden OM en politie in ieder geval rekening met openbare bronnen en met de informatie waarvan het OM of de politie in het concrete geval redelijkerwijs kan aannemen dat de journalist daarover beschikt.

Ook gegevens met betrekking tot godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging van de verdachte zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp en mogen uitsluitend openbaar gemaakt worden indien de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

Wordt een verdachte niet langer als verdachte aangemerkt en heeft over de verdenking in een eerder stadium actieve voorlichting plaatsgevonden, dan dient dit – eventueel in overleg met de verdachte of diens raadsman – actief te worden gemeld.

Uit respect voor slachtoffers kunnen OM en politie terughoudend zijn met het verstrekken van details bij de voorlichting. Sommige details kunnen immers voor slachtoffers of nabestaanden extra pijnlijk zijn als ze breed in de publiciteit komen.

2.2. Andere betrokken partijen

Gegevens over slachtoffers, nabestaanden en getuigen zijn geen strafrechtelijke persoonsgegevens. Onder strafrechtelijke persoonsgegevens vallen evenmin gegevens over rechtspersonen (tenzij dergelijke gegevens informatie verstrekken over bijvoorbeeld een directeur die als verdachte is aangemerkt). Het OM zal ten aanzien van slachtoffers, nabestaanden, getuigen en rechtspersonen een belangenafweging moeten maken tussen het belang van openbaarheid en het belang van deze betrokken partijen (art. 10, tweede lid Wob).

Gegevens met betrekking tot godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging van een slachtoffer, nabestaande of getuige zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp en mogen uitsluitend openbaar gemaakt worden indien de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

3. Verstrekking van persoonsgegevens

Informatie over personen kan worden verstrekt tenzij daardoor de identiteit van de verdachte bekend wordt. In beginsel wordt volstaan met het verstrekken van geslacht, leeftijd en woonplaats. Bij verstrekking van nadere persoonsgegevens zal steeds per geval worden afgewogen of het belang van de verstrekking in redelijke verhouding staat tot het belang van de betrokkene, in het bijzonder diens recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer.

3.1. Beroep

Informatie over het beroep of de functie van een verdachte wordt in beginsel niet verstrekt of bevestigd, behalve wanneer het een militair betreft. Omdat militairen ongeacht het strafbare feit waarvan ze worden verdacht in beginsel voor de militaire rechtbank worden gebracht is het niet mogelijk hun werkgever anoniem te houden. Ook wanneer het delict verband houdt met het beroep van de verdachte, kan het beroep worden vermeld.

3.2. Nationaliteit

Informatie over de nationaliteit van de verdachte wordt in principe niet verstrekt of bevestigd. Houdt de nationaliteit echter verband met het gepleegde delict dan kan van de regel worden afgeweken. Ook de impact die het gepleegde delict heeft op de samenleving kan een reden zijn om wel informatie te geven over de nationaliteit van een verdachte.

3.3. Dreiging onjuiste publicatie

Als het OM of de politie wordt geconfronteerd met een journalist die onjuiste informatie wil publiceren, kan ervoor worden gekozen dat onjuiste verhaal uit de pers te houden door extra informatie aan de bewuste journalist te verstrekken. Door actief informatie te verstrekken in plaats van ‘geen mededelingen’ te doen verschijnt dan óf geen verhaal in de media óf het juiste verhaal. Het verstrekken van deze extra informatie kan echter tot gevolg hebben dat de pers door gegevens te combineren de identiteit van een verdachte weet te achterhalen. Vanzelfsprekend wordt in die gevallen een afweging gemaakt of de situatie de mogelijke schending van de privacy van een verdachte rechtvaardigt. Er vindt in deze gevallen altijd afstemming plaats tussen OM en politie. Ook wordt de advocaat geïnformeerd. Tijdens de terechtzitting moet het OM de beslissing kunnen uitleggen. De woordvoering wordt in deze situaties nadrukkelijk met de onderzoeksleiding afgestemd om te voorkomen dat het onderzoeksbelang wordt geschaad.

3.4. Slachtoffer

De impact van publicatie van details over de zaak kan in de zwaardere zaken (moord, doodslag en zeden) voor het slachtoffer of de nabestaanden groot zijn. Uit respect voor hen betrachten OM en politie terughoudendheid in de communicatie en nemen zij indien mogelijk contact op met het slachtoffer, de nabestaanden of hun raadsman voordat de media geïnformeerd worden.

3.5. Raadsman

Als uit een publicatie of een optreden in de media blijkt dat de raadsman van een verdachte zelf met informatie over de verdachte (of over de zaak) naar buiten is getreden, gaan OM en politie er vanuit dat de verdachte er geen bezwaar tegen heeft dat OM en politie in de media reageren op de uitlatingen van de raadsman. In beginsel zal de informatie niet verder gaan dan de informatie die reeds door de verdachte of diens raadsman is prijsgegeven. Indien mogelijk zal contact met de raadsman worden opgenomen voordat in de media op zijn uitlatingen wordt gereageerd.

Het OM verstrekt niet rechtstreeks de naam van de advocaat aan de media. Wil een vertegenwoordiger van de media in contact komen met de advocaat van een verdachte, dan wordt dat verzoek aan de betreffende advocaat doorgegeven. Het is aan de advocaat om aan het verzoek gehoor te geven of niet. Wel vraagt het OM aan de advocaat om te laten weten of hij op het verzoek van de journalist ingaat of niet.

Aan de media wordt slechts informatie verstrekt over strafprocessuele beslissingen waarmee de verdachte en zijn raadsman bekend zijn.

3.6. Bekende Nederlander

Is of lijkt een bekende Nederlander bij een zaak betrokken als verdachte of slachtoffer, dan is de kans groot dat de media aandacht besteden aan de strafzaak. Ook in zo’n strafzaak geldt onverkort de privacybescherming voor slachtoffer en verdachte. Het OM of de politie kan besluiten te reageren als het feit en de naam al door diverse bronnen is gemeld. Een reden om te reageren kan zijn het rechtzetten van een misverstand of het nuanceren van een eerder bericht in de media. Het OM zal zo mogelijk voordat extra informatie aan de pers wordt verstrekt contact opnemen met de raadslieden van de betrokken partij(en) in de strafzaak om deze te informeren.

4. Berichtgeving in onderzoeken en strafzaken

4.1.1. Verdeling in voorlichtingstaken

Totdat sprake is van de voorgeleiding van een verdachte aan de rechter-commissaris is de berichtgeving in beginsel aan de politie, daarna is de woordvoering aan het OM. Het OM kan besluiten de woordvoering in een eerder stadium over te nemen in verband met het procesrisico of in verband met het ingeschatte afbreukrisico. De politie beperkt zich in alle gevallen tot het verstrekken van operationele informatie over/uit de dagelijkse politiepraktijk.

4.1.2. Samenwerking bij de voorlichting

Vanaf het moment dat een verdachte wordt voorgeleid aan de rechter-commissaris neemt het OM de woordvoering voor zijn rekening. Dan kan er echter nog steeds een belangrijke rol voor de politie weggelegd zijn in de communicatie met de pers. Zo kan communicatie door de politie een bijdrage leveren aan de vermindering van de gevoelens van onrust of onveiligheid. In zo'n geval beperkt de politie zich tot de operationele kant van de zaak. Omdat de woordvoering na voorgeleiding bij het OM ligt, richt de pers in die zaken zijn vragen aan het OM. Wanneer – na onderlinge afstemming tussen OM en politie – blijkt dat de vragen de operationele kant van de zaak betreffen, verwijst het OM de woordvoering voor dat deel terug naar de politie. Zo kan de politie bijvoorbeeld een toelichting geven op een buurtonderzoek of kan de buit van een overval bij de politie worden gefilmd, mits daardoor het verdere onderzoek niet wordt geschaad.

De afdeling persvoorlichting van de politie wordt geïnformeerd voordat het OM in een gevoelige zaak een persbericht verstuurt. Bestaan er van politiezijde inhoudelijke bezwaren tegen het uit te brengen persbericht, dan vindt nadere afstemming plaats. Leidt dat niet tot overeenstemming, dan beslist het OM over het al dan niet uitbrengen van een (gewijzigd) persbericht. Persberichten die (mede) betrekking hebben op ernstige verstoringen van de openbare orde worden ook afgestemd met de betreffende gemeente. OM en politie werken mede door de programmatische aanpak meer dan vroeger samen met andere partners waaronder het bestuur. OM en politie zoeken bij de voorbereiding van de woordvoering waar nodig contact met hen.

4.1.3. Gezamenlijke voorlichting bij geruchtmakende zaken

Geruchtmakende zaken – bijvoorbeeld zaken waar personen bij betrokken zijn die op de een of andere manier in het oog springen, of die in ernstige mate afwijken van de dagelijkse praktijk – overstijgen het operationele niveau. In dit soort zaken trekken OM en politie gezamenlijk op. De woordvoering wordt uit beider naam gedaan, voor persberichten en andere uitingen geldt hetzelfde. De politie beperkt zich in zijn uitingen tot de operationele kant van de zaak, het OM behandelt de juridische en strategische aspecten. Er vindt constant afstemming plaats tussen OM en politie. De communicatie door de politie heeft hierbij als belangrijk doel een bijdrage te leveren aan de vermindering van de gevoelens van onrust of onveiligheid.

In geruchtmakende zaken kan er ook een rol zijn weggelegd voor de gemeente. De rolverdeling van de verschillende partners wordt in de driehoek besproken. Wordt er een verdachte aangehouden, dan kan de politie dat melden op voorwaarde dat daarover afstemming heeft plaatsgevonden tussen politie en OM.

4.2. Communicatiemomenten in het strafproces

Een aantal momenten waarop informatie aan de media wordt verstrekt wordt hieronder uitgewerkt. Steeds zal worden aangegeven welke organisatie informatie verstrekt, in welke gevallen OM en politie gezamenlijk optreden en hoe in voorkomende gevallen de voorlichtingstaken tussen OM en politie zijn verdeeld.

4.2.1. Berichtgeving over incidenten en aanhoudingen

De politie informeert de pers over incidenten en aanhoudingen, zolang het operationele informatie betreft over/uit de dagelijkse politiepraktijk. Indien de berichtgeving risico's voor het strafproces mee kan brengen, overlegt de politie met het OM. Ook als de verwachting is dat een bericht in de media veel aandacht zal krijgen, vindt er overleg plaats met het OM. Zaaksgerelateerde informatie wordt pas aan de pers verstrekt als de informatie is geaccordeerd door de zaaksofficier.

Maatschappelijk gevoelige zaken die grote belangstelling kunnen ondervinden, worden door de betrokken persvoorlichter gemeld aan de persvoorlichter van het Parket-Generaal. Zo nodig informeert de hoofdofficier tevens de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

4.2.2. Berichtgeving na voorgeleiding

Vanaf het moment dat een verdachte wordt voorgeleid aan de rechter-commissaris is de woordvoering aan het OM. Degene die namens het OM de media te woord staat is een professional met ervaring in de omgang met de media. Dat kan een persofficier zijn, maar ook een zaaksofficier of een persvoorlichter, of een officier die is belast met een specialistische beleidsportefeuille (kinderporno of overvallen bijvoorbeeld). In maatschappelijk zeer gevoelige zaken kan de hoofdofficier of hoofdadvocaat-generaal een toelichting geven. Afhankelijk van de aard van de zaak kan ervoor worden gekozen een deel van de voorlichting bij de politie te laten. De communicatie door de politie kan bijvoorbeeld bijdragen aan de vermindering van de gevoelens van onrust of onveiligheid. De politie beperkt zich daarbij steeds tot de operationele kant van de zaak.

De beslissing van de rechter-commissaris om een verdachte al dan niet in bewaring te stellen dient formeel door de rechtbank te worden gemeld, maar in de praktijk is het vaak het OM dat de feitelijke beslissing desgevraagd aan de pers meldt. Voor een toelichting wordt verwezen naar de afdeling persvoorlichting van de rechtbank. Hierover kunnen lokaal nadere afspraken worden gemaakt. Het OM neemt vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid de ruimte om in de media te reageren op beslissingen van de Rechtspraak. Dat doet het OM pas nadat de Rechtspraak over dat voornemen is geïnformeerd om te voorkomen dat de Rechtspraak door de berichtgeving wordt verrast.

4.2.3. Berichtgeving na afdoeningsbeslissing

Voorafgaand aan een zitting kan het OM – bijvoorbeeld op het moment dat de dagvaarding is betekend – aan de media melden waarom tot vervolging is overgegaan. In een zakelijke toelichting geeft het OM dan uitleg over het hoe en waarom van de dagvaarding. Hetzelfde geldt indien voorafgaand aan de zitting in de publieke opinie een beeld over een zaak is ontstaan dat niet strookt met de vaststaande feiten uit het onderzoek. Uitgangspunt is dat een rechtszaak niet in de media wordt gevoerd.

Dagvaardingen worden onder embargo tot aan de zitting door de Rechtspraak ter inzage gelegd in de perskamer van het betreffende gerechtsgebouw of Paleis van Justitie. Als een journalist naar aanleiding van informatie uit de zittingslijsten om de tenlastelegging van een concrete verdachte verzoekt, kan het OM – maximaal een week voor de zitting en onder embargo tot aan de zitting – de geanonimiseerde tenlastelegging aan de journalist mailen.

Zaken die grote maatschappelijke en/of politieke belangstelling ondervinden en die door het OM worden afgedaan – bijvoorbeeld omdat de zaak wordt geseponeerd of omdat de verdachte een bijzondere of hoge transactie wordt aangeboden – worden actief, bijvoorbeeld door middel van een persbericht, gemeld. Dat geldt ook voor schikkingen met rechtspersonen. Bij hoge of bijzondere transacties maakt het persbericht waarin de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij naam wordt genoemd deel uit van de onderhandelingen tussen OM en advocaat.

4.2.4. Berichtgeving tijdens de zitting

Tot de primaire taken van het OM behoort het optreden ter zitting. Daar legt het OM in het openbaar verantwoording af over het eigen handelen en het handelen van functionarissen en instanties die onder het gezag van het OM opereren.

De rechter of de kamervoorzitter van de rechtbank of het hof heeft de bevoegdheid toestemming te verlenen aan vertegenwoordigers van de audiovisuele media voor het filmen van de opkomst van de rechtbank of het hof. Het OM sluit aan bij de beslissing van de rechter of kamervoorzitter van de rechtbank of het hof. Als die toestemming is gegeven, mag ook, gelet op de publieke functie van een officier van justitie, de opkomst van het OM, de voordracht van de zaak én het uitspreken van het requisitoir worden gefilmd, tenzij naar het uiteindelijke oordeel van de hoofdofficier van justitie (die verantwoordelijk is voor de veiligheid van zowel officieren als advocaten-generaal in zijn of haar arrondissement) evidente bezwaren aanwezig zijn met het oog op de veiligheid van de betrokken zaaksofficier/zaaksadvocaat-generaal. Media die het requisitoir willen opnemen moeten dat tijdig melden aan de afdeling persvoorlichting van het betreffende parket.

4.2.5. Berichtgeving na de zitting

Vanzelfsprekend kan na de openbare zitting het requisitoir worden toegelicht aan de pers. Overigens geldt ook na de openbare zitting, waar allerlei privacygevoelige informatie in het openbaar is behandeld, de wettelijke verplichting ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachten, daders, slachtoffers, nabestaanden, getuigen en aangevers.

Zittingen waar minderjarige verdachten terechtstaan zijn besloten. Het OM kan direct na afloop van de besloten zitting de eis tegen de minderjarige verdachte melden en een toelichting daarop geven. In bijzondere gevallen kan, bijvoorbeeld om geruchten tegen te gaan of om onjuiste informatie uit de media te houden, extra informatie over het delict of de verdachte worden gegeven.

4.2.6. Berichtgeving na de uitspraak

Het OM neemt vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid de ruimte om in de media te reageren op uitspraken van de Rechtspraak. Dat doet het OM pas nadat de Rechtspraak over dit voornemen is geïnformeerd. Indien de officier van justitie heeft besloten in hoger beroep te gaan, wordt dat, nadat de betrokken partijen zijn geïnformeerd, door het OM aan de media gemeld. De Cassatiedesk – organisatorisch ondergebracht bij de Landelijke Ressortelijke Organisatie – informeert de media over zaken waarin door het OM beroep in cassatie is ingesteld.

4.3. Bijzondere zaken

  • Het OM beslist of een zaak een ‘cold case’ wordt, dat wil zeggen of een oude nog niet opgeloste zaak, opnieuw zal worden onderzocht. Wanneer het nodig is om dit aan de pers te melden, doet het OM dat. De woordvoering over de opsporing in zo’n zaak ligt echter weer bij de politie. Omdat het doorgaans geruchtmakende zaken betreft, wordt hierover afgestemd met het OM (zie 4.1.3). Informatieverstrekking over reviews is eveneens de verantwoordelijkheid van het OM.

  • Voordat de media worden geïnformeerd, worden eerst de slachtoffers en nabestaanden op de hoogte gesteld.

  • De woordvoering over een tbs’er die zich aan het toezicht heeft onttrokken ligt bij de Dienst Justitiële inrichtingen. De woordvoering betreffende de opsporingshandelingen (bijvoorbeeld opsporingsberichtgeving) ligt bij het Landelijk Parket dat het gezag heeft over de Groep Opsporing Onttrekkingen van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Aanhoudingen worden gemeld door het Landelijk Parket samen met het KLPD, waar het centraal opsporingsteam is ondergebracht. In het geval dat de ontsnapping of onttrekking in een bepaalde buurt tot onrust leidt óf in het geval de ontsnapte tbs’er een rol lijkt te hebben in een strafrechtelijk onderzoek, zal met het betreffende arrondissementsparket en met de betreffende regiopolitie worden afgestemd omdat zij kunnen worden benaderd door de lokale autoriteiten.

  • De woordvoering over de opsporing van een ontsnapte niet-tbs’er ligt in beginsel bij de lokale politie.

  • Als een medewerker van de politie, douane of Bijzondere Opsporingsdienst als verdachte betrokken is bij een bepaalde zaak, ligt de woordvoering bij het OM, ook als er (nog) geen sprake is van een onderzoek door de Rijksrecherche. Een eventuele aanhouding kan – met globale verdenking – worden gemeld door het betreffende politiekorps. De woordvoering over het onderzoek ligt bij het OM. De woordvoering over de arbeidsrechtelijke positie en eventuele disciplinaire maatregelen van de verdachte ligt bij de werkgever van de verdachte.

  • Als sprake is van agressie of geweld tegen een functionaris met een publieke taak, licht het OM de pers actief voor over de afdoening van de strafzaak.

  • Als een medewerker van het OM (een rijksambtenaar, een rechterlijk ambtenaar of een bij de Rijksrecherche aangestelde opsporingsambtenaar) disciplinair wordt ontslagen als gevolg van een integriteitsschending gerelateerd aan het primaire proces, informeert het OM de media hierover. Daarbij wordt aangegeven of de medewerker tot het rechterlijk personeel (officieren van justitie of advocaten-generaal) behoort. In het geval van een disciplinaire maatregel tegen een rechterlijk ambtenaar worden in álle gevallen – dus ongeacht of de schending gerelateerd is aan het primaire proces – de media ingelicht. Dit is in lijn met het publieke karakter van de functie van rechterlijk ambtenaar. Als een medewerker van het OM (een rijksambtenaar, een rechterlijk ambtenaar of een bij de Rijksrecherche aangestelde opsporingsambtenaar) een disciplinaire maatregel krijgt opgelegd – niet zijnde disciplinair ontslag – worden de media desgevraagd geïnformeerd. Over de inhoud van de disciplinaire maatregel wordt in principe niet extern gecommuniceerd.

  • De woordvoering over onderzoeken door de Rijksrecherche ligt bij dat OM-onderdeel dat de Rijksrecherche heeft verzocht onderzoek te doen. Indien woordvoering op de plaats van het delict noodzakelijk is, kan de politie, na afstemming met het OM, de eerste feitelijke woordvoering doen.

Overgangsrecht

Deze aanwijzing is geldig vanaf de datum van inwerkingtreding.

  • ^ [1]

    Deze aanwijzing geldt ook voor de Bijzondere Opsporingsdiensten en de Koninklijke Marechaussee. Waar deze aanwijzing over de politie spreekt, wordt mede gedoeld op deze instanties.

  • ^ [2]

    Persvoorlichting informeert de burger, al dan niet via de journalist. De technische mogelijkheden – bijvoorbeeld blogs – maken dat de grens tussen journalist en burger steeds meer vervaagt. Zowel de burger als de journalist heeft het recht goed en tijdig te worden geïnformeerd over concrete onderzoeken en strafzaken.

  • ^ [3]

    Op de verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan een derde ten behoeve van een vooraf bepaald specifiek doel zijn de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing Wjsg) van toepassing.