Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs[Regeling vervallen per 01-10-2016.]

Geldend van 20-08-2015 t/m 30-09-2016

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 maart 2012, nr. BVE/387639, houdende voorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de studiejaren 2012–2013 tot en met 2014–2015, de verstrekking van aanvullende middelen aan vo-scholen en de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Begripsbepaling nieuwe voortijdig schoolverlater [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Onder een nieuwe voortijdig schoolverlater in deze regeling wordt verstaan de jongere die op 1 oktober:

    • a. niet is ingeschreven bij een onderwijsinstelling terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande jaar wel was ingeschreven bij een onderwijsinstelling en op die datum jonger was dan 22 jaar;

    • b. niet in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de wet; en

    • c. niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs.

  • 2 Onder een nieuwe voortijdig schoolverlater, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan, degene die is opgenomen in bijlage A van de Regeling prestatiebox mbo.

Artikel 3. Gegevens berekening nieuwe voortijdig schoolverlaters [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 4. Doel [Vervallen per 01-10-2016]

Het doel van deze regeling is:

  • a. het verstrekken van subsidie welke ten doel heeft het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 25.000 in het kalenderjaar 2017, zoals bedoeld in hoofdstuk 2;

  • b. het verstrekken van aanvullende middelen voor het voortgezet onderwijs voor het realiseren van de in onderdeel a genoemde beleidsdoelstelling, zoals bedoeld in hoofdstuk 3; en

  • c. het geven van uitvoeringsvoorschriften ter zake van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten, waaronder het vaststellen van de daarvoor beschikbare budgetten, zoals bedoeld in hoofdstuk 4.

Artikel 5. Toepassing Regeling OCW-subsidies [Vervallen per 01-10-2016]

De Regeling OCW-subsidies is van toepassing op de hoofdstukken 2, 2A en 3 van deze regeling.

Hoofdstuk 2. Het regionaal programma voortijdig schoolverlaten [Vervallen per 01-10-2016]

Paragraaf 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 6. Regionaal programma voortijdig schoolverlaten [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het regionaal programma dat in een RMC-regio wordt uitgevoerd met als doel het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, bevat maatregelen die, blijkens een regionale analyse door de contactschool over de RMC-regio, zijn gericht op structurele borging van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten in het onderwijsproces van de onderwijsinstellingen en het bevorderen van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen onderling en gemeenten in de RMC-regio.

  • 2 Van het regionaal programma maakt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 in ieder geval deel uit een maatregel gericht op het voorkomen van uitval van deelnemers die één van de beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met e, van de wet, volgen. Deze verplichting geldt niet voor het kalenderjaar 2016.

  • 3 Het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste één plusvoorziening, bedoeld in artikel 19, onderdeel a.

  • 4 Het bedrag per maatregel van het regionaal programma dient in redelijke verhouding te staan tot het aantal deelnemers en de doelgroep waarvoor de maatregel is bedoeld.

  • 5 Het bevoegd gezag van de contactschool motiveert de keuze van de maatregelen in het regionaal programma op het formulier in bijlage A van deze regeling, als bedoeld in artikel 10.

  • 6 Indien de contactgemeenten van de RMC-regio’s Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond een bijdrage ontvangen op grond van de Decentralisatie-uitkering VSV, kan het regionaal programma van deze RMC-regio’s tevens de afspraken over de maatregelen die met deze decentralisatie-uitkering worden verzorgd, omvatten.

  • 7 Voor het kalenderjaar 2016 kan het regionaal programma voortijdig schoolverlaten bijzondere maatregelen bevatten ten aanzien van de aansluiting van leerlingen in het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs op het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 7. Samenwerking onderwijsinstellingen in RMC-regio [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 In een RMC-regio werken de onderwijsinstellingen en de betreffende RMC-contactgemeente waarvoor door het bevoegd gezag van die onderwijsinstellingen het convenant voor die RMC-regio is ondertekend, samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma voor de desbetreffende RMC-regio.

  • 2 Van de samenwerking, bedoeld in het eerste lid, maakt tevens deel uit een onderwijsinstelling die niet is gevestigd in de betreffende RMC-regio maar waarvan een substantieel aantal deelnemers woonachtig is in deze RMC-regio en waarbij de onderwijsinstelling het convenant voor die RMC-regio heeft ondertekend.

  • 3 In de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, is in elk geval geregeld:

    • a. de onderwijsinstellingen die aan het regionaal programma deelnemen;

    • b. de onderwijsinstelling die optreedt als contactschool;

    • c. welk deel van de subsidie is bestemd voor de beheers- en coördinatiekosten van de contactschool; en

    • d. de afspraken over het besteden van de subsidie die wordt verstrekt op grond van dit hoofdstuk.

  • 4 Onderwijsinstellingen die het in het eerste lid bedoelde convenant hebben ondertekend, komen voor het kalenderjaar 2016 voor subsidie in aanmerking indien zij voor dit kalenderjaar opnieuw een samenwerkingsovereenkomst afsluiten. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8. Contactschool [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, wijzen uit hun midden een onderwijsinstelling aan die optreedt als contactschool in de betreffende RMC-regio.

  • 2 Het bevoegd gezag van de contactschool, bedoeld in het eerste lid, heeft in ieder geval tot taak:

    • a. het informeren van de RMC-contactgemeente en de onderwijsinstellingen waarvan het bevoegd gezag het convenant voor die onderwijsinstellingen voor de desbetreffende RMC-regio heeft ondertekend over deelname aan het regionaal programma dat in die RMC-regio wordt uitgevoerd, en voor het kalenderjaar 2016 het informeren van de RMC-contactgemeente en de onderwijsinstellingen waarvan het bevoegd gezag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 dit convenant had ondertekend;

    • b. het mede namens de overige onderwijsinstellingen, bedoeld in het eerste lid, optreden als aanvrager en ontvanger van de subsidie die wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 2; en

    • c. het uitvoering geven aan de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst inzake de besteding van de subsidie die wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 2.

Artikel 9. Beheers- en coördinatiekosten [Vervallen per 01-10-2016]

Het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool voor de uitvoering van het regionaal programma bedragen jaarlijks niet meer dan 10% van de toegekende subsidie met een maximumbedrag van € 150.000,–.

Artikel 10. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dat als bijlage A bij deze regeling is opgenomen.

  • 3 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt mede ondertekend door de RMC-contactgemeente.

  • 4 Een aanvraag voor subsidie voor het kalenderjaar 2016 wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, dat als bijlage E bij deze regeling is opgenomen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11. Tijdstippen indiening aanvraag, beslissing en betaling [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het bevoegd gezag van de contactschool dient de subsidieaanvraag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 uiterlijk op 15 augustus 2012 in bij de minister. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

  • 2 De minister beslist uiterlijk op 15 oktober 2012 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, vindt plaats in de maand januari van het betreffende kalenderjaar.

  • 4 De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3, vindt plaats in de maand oktober voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 11a. Tijdstippen indiening aanvraag, beslissing en betaling kalenderjaar 2016 [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Voor het kalenderjaar 2016 dient het bevoegd gezag van de contactschool de subsidieaanvraag uiterlijk op 15 september 2015 in bij de minister. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

  • 2 De minister beslist uiterlijk in december 2015 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, vindt voor het kalenderjaar 2016 plaats in de maand januari van het jaar 2016.

  • 4 De betaling van de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3, vindt voor het kalenderjaar 2016 plaats in de maand december van het jaar 2015.

Artikel 12. Besteding van de subsidie [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventuele niet-bestede middelen of overschotten kunnen na afloop van de looptijd van de subsidie worden teruggevorderd.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan subsidie die niet wordt aangewend voor de maatregelen als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, worden besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma, bedoeld in artikel 6, eerste lid. Voorts kan subsidie die niet wordt aangewend voor de maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, worden besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma als bedoeld in artikel 6, derde lid.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt subsidie voor de RMC-regio’s Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond die niet wordt aangewend voor de plusvoorzieningen bedoeld in artikel 6, derde lid, besteed aan de maatregel bedoeld in artikel 6, tweede lid. Het niet aangewende deel van de subsidie voor de maatregelen bedoeld in artikel 6, derde en tweede lid wordt besteed aan andere maatregelen van het regionaal programma, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

  • 4 De contactschool motiveert de keuze van de maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, in het formulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid.

  • 5 De subsidie wordt uiterlijk in 2016 besteed.

Artikel 13. Monitoring en evaluatie [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De effecten van het regionaal programma worden uiterlijk in 2015 geëvalueerd.

  • 2 De contactschool verleent medewerking aan het onderzoek naar de effecten van het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De contactschool draagt er zorg voor dat de onderwijsinstellingen en de RMC-contactgemeente in de RMC-regio meewerken aan het onderzoek naar de effecten van het regionaal programma, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Uitvoeringsvoorschriften inzake projectsubsidie ten behoeve van de uitvoering van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 14. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In deze paragraaf wordt onder RMC-regio niet begrepen de RMC-regio’s Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond.

Artikel 15. Subsidieverstrekking [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een driejaarlijkse subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma, voor de activiteiten bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio waarvoor door het bevoegd gezag van die onderwijsinstellingen het convenant voor die RMC-regio is ondertekend.

  • 2 De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een subsidie voor het kalenderjaar 2016, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en zevende lid, door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio.

Artikel 16. Subsidieplafond [Vervallen per 01-10-2016]

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf zijn de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor het kalenderjaar 2013 € 19.700.000,–.

  • b. voor het kalenderjaar 2014 € 19.450.000,–.

  • c. voor het kalenderjaar 2015 € 19.150.000,–.

  • d. voor het kalenderjaar 2016 € 19.150.000,–.

Artikel 17. Berekening subsidiebedrag [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het bedrag van de subsidie voor een contactschool bestemd voor de RMC-regio wordt bepaald op grond van het aantal deelnemers tot 22 jaar die op 1 oktober 2010 als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij onderwijsinstellingen en die voor de bekostiging worden meegeteld en woonachtig zijn in de betreffende RMC-regio.

  • 2 Het bedrag wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

    Tabel 1. Maximumbedragen beschikbaar per RMC-regio

    Aantal deelnemers tot 22 jaar op de onderwijsinstellingen woonachtig in een RMC-regio

    Bedrag per RMC-regio

    ≤ 12500

    € 175.000,–

    12501–18000

    € 300.000,–

    18001–24000

    € 400.000,–

    24001–30000

    € 500.000,–

    30001–36000

    € 700.000,–

    36001–42000

    € 800.000,–

    42001–60000

    € 1.000.000,–

Artikel 18. Overgangsbepaling [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 In aanvulling op artikel 17, tweede lid, zijn voor de RMC-regio’s Noord-Kennemerland, Oosterschelde, West-Brabant, Flevoland en Gewest Zuid-Limburg voor het kalenderjaar 2013 tevens de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. RMC-regio Noord-Kennemerland: € 214.017,–;

    • b. RMC-regio Oosterschelde: € 67.870,–;

    • c. RMC-regio West-Brabant: € 112.081,–;

    • d. RMC-regio Flevoland: € 65.309,–; en

    • e. RMC-regio Gewest Zuid-Limburg: € 67.933,–.

  • 2 In aanvulling op artikel 17, tweede lid, zijn voor de RMC-regio’s Noord-Kennemerland, Oosterschelde, West-Brabant, Flevoland en Gewest Zuid-Limburg voor het kalenderjaar 2014 tevens de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. RMC-regio Noord-Kennemerland: € 124.843,–;

    • b. RMC-regio Oosterschelde: € 39.591,–;

    • c. RMC-regio West-Brabant: € 65.380,–;

    • d. RMC-regio Flevoland: € 38.097,–; en

    • e. RMC-regio Gewest Zuid-Limburg: € 39.628,–.

Paragraaf 3. Plusvoorzieningen [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 19. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. plusvoorziening: een voorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen en scholen in een RMC-regio, die bestaat uit een gecombineerd programma van onderwijs leidend naar het behalen van een startkwalificatie, zorg, hulpverlening en waar nodig arbeidstoeleiding, dat wordt aangeboden aan jongeren tot 23 jaar, die zodanig ernstige problemen ondervinden op het gebied van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren dat zij de onderwijsinstelling zonder diploma dreigen te verlaten;

  • b. leerling: de leerling aan een school voor het voortgezet onderwijs die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB of artikel 7 van het Bekostigingsbesluit W.V.O., met uitzondering van een leerling die praktijkonderwijs volgt, of de deelnemer aan een opleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de wet die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB;

  • c. armoedeprobleemcumulatiegebied: gebied als bedoeld in de armoedemonitor 2008 van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek;

  • d. apc-leerling: de leerling die woonachtig is in een postcodegebied dat valt in een armoedeprobleemcumulatiegebied in de RMC-regio.

Artikel 20. Te subsidiëren activiteiten [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool een driejaarlijkse subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015, op grond van deze paragraaf, aan het bevoegd gezag van een contactschool voor het in stand houden en ontwikkelen van één of meer plusvoorzieningen in de RMC-regio.

  • 2 De minister verstrekt op aanvraag van een contactschool, aan wie op grond van het eerste lid subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 is verstrekt, aan het bevoegd gezag van de contactschool een subsidie voor het kalenderjaar 2016 voor het in stand houden en ontwikkelen van één of meer plusvoorzieningen in de RMC-regio.

Artikel 21. Subsidieplafond [Vervallen per 01-10-2016]

Het subsidieplafond op grond van deze paragraaf bedraagt € 30.400.000,– per kalenderjaar.

Artikel 22. Berekening subsidiebedrag [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het bedrag van de subsidie voor een RMC-regio wordt bepaald op grond van het aantal apc-leerlingen tot 22 jaar die op 1 oktober 2010 als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij onderwijsinstellingen en voor de bekostiging worden meegeteld bij die onderwijsinstellingen in één RMC-regio.

  • 3 Het bedrag wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

    Tabel 2. Maximumbedragen plusvoorzieningen beschikbaar per RMC-regio

    Aantal apc-leerlingen tot 22 jaar op de onderwijsinstellingen in één RMC-regio

    Bedrag per RMC-regio

    ≤ 100

    € 25.000, –

    101–500

    € 75.000, –

    501–1500

    € 200.000, –

    1501–2000

    € 300.000, –

    2001–3000

    € 450.000, –

    3001–5000

    € 700.000, –

    5001–8000

    € 1.000.000, –

    8001–15.000

    € 1.400.000, –

    15.001–25.000

    € 2.800.000, –

    Meer dan 25.000

    € 5.500.000, –

Artikel 23. Inrichtingswijze [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De plusvoorziening wordt zodanig ingericht dat de leerlingen voor wie de plusvoorziening is bedoeld, hiervan optimaal kunnen profiteren.

  • 2 De inrichting van de plusvoorziening is gericht op continuïteit en structurele borging van de voorziening na afloop van het studiejaar 2015–2016.

Hoofdstuk 2a. Experimenteel onderzoek vsv [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 23a. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In dit hoofdstuk wordt onder een onderwijsinstelling niet verstaan een school voor voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 23b. Experimenteel onderzoek vsv [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De minister kan aan ten hoogste vijf onderwijsinstellingen een subsidie verstrekken ter uitvoering van experimenteel onderzoek in het kader van het voortijdig schoolverlatersbeleid.

  • 2 Voorwaarden voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid zijn in ieder geval:

    • a. het experiment betreft een maatregel op het gebied van één van de volgende thema’s: intake, verzuimbeleid, loopbaanoriëntatie en -begeleiding, geïntegreerde overgang vmbo-mbo of plusvoorziening;

    • b. het experiment betreft een nieuw in te richten variant op één van de thema’s, bedoeld in onderdeel a, die niet eerder is uitgevoerd op de betrokken onderwijsinstelling(en) of in de betrokken RMC-regio;

    • c. het experiment omvat een experimentele groep en een controlegroep waarbij de toedeling van deelnemers plaatsvindt door middel van loting;

    • d. de experimentele groep en de controlegroep dienen van voldoende omvang te zijn om statistisch significante effecten te kunnen waarnemen;

    • e. de variant, bedoeld in onderdeel b, wordt zodanig ingericht dat de uitkomsten overdraagbaar zijn aan andere onderwijsinstellingen;

    • f. de inrichting en uitvoering van het experiment wordt begeleid door het Centraal Planbureau.

Artikel 23c. Subsidieaanvraag, tijdstip indiening aanvraag, beslissing en betaling [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier, dat als bijlage D bij deze regeling is opgenomen.

  • 2 Het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dient de subsidieaanvraag voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 uiterlijk op 1 november 2012 in bij Dienst Uitvoering Onderwijs. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

  • 3 De minister beslist uiterlijk op 18 december 2012 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De betaling van het subsidiebedrag vindt jaarlijks plaats in de maand december.

Artikel 23d. Subsidieplafond [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het totale subsidiebedrag voor de vijf experimenten bedraagt € 750.000,–.

  • 2 Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk is jaarlijks per experiment een bedrag van € 50.000,– beschikbaar.

Artikel 23e. Besteding van de subsidie [Vervallen per 01-10-2016]

De subsidie kan ook worden besteed aan andere activiteiten dan waarvoor zij wordt verstrekt, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Regeling OCW-subsidies.

Artikel 23f. Wijze van verdeling beschikbare middelen [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in artikel 23b, tweede lid.

  • 2 Indien meer dan vijf voorstellen worden ingediend die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in artikel 23b, tweede lid, dan zal de beoordelingscommissie de voorstellen rangschikken, op basis van een aantal criteria, zodanig het subsidieplafond niet wordt overschreden.

  • 3 De criteria, bedoeld in het tweede lid, luiden als volgt:

    • a. verdeling thema’s;

    • b. verwachte effectiviteit;

    • c. opschaalbaarheid en kennisdeling;

    • d. risico-inventarisatie en haalbaarheid.

Hoofdstuk 3. Prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 24. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. de wet: de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • b. bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • c. leerling: leerling als bedoeld in de wet;

  • d. school: een school voor voortgezet onderwijs, met inbegrip van het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum en met uitzondering van een school of afdeling voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • e. schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;

  • f. vmbo: het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs tezamen, als bedoeld in artikel 5, onderdelen b en c, van de wet;

  • g. havo: het hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8 van de wet;

  • h. vwo: het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in artikel 7 van de wet;

  • i. onderbouw: het eerste en tweede leerjaar van het vmbo en het eerste, tweede en derde leerjaar van het havo en vwo;

  • j. bovenbouw vmbo: het derde en vierde leerjaar van het vmbo en het eerste en twee leerjaar van de leergang vmbo-mbo2, bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang vmbo-mbo2 2008–2013;

  • k. bovenbouw havo/vwo: het vierde en vijfde leerjaar van het havo en het vierde, vijfde en zesde leerjaar van het vwo.

Artikel 25. Subsidieverstrekking [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 ambtshalve aanvullende middelen aan het bevoegd gezag van een school dat voor die school ten minste één convenant heeft ondertekend.

  • 2 De aanvullende middelen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, worden telkens voor één jaar verstrekt in de maand oktober voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

  • 3 De aanvullende middelen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, worden telkens voor één jaar verstrekt in de maand november volgend op het desbetreffende kalenderjaar.

  • 4 De minister verstrekt voor het kalenderjaar 2016 ambtshalve aanvullende middelen aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dat voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 in aanmerking is gekomen voor aanvullende middelen op grond van het eerste lid.

Artikel 26. Subsidieplafond [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Het subsidieplafond voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf bedraagt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 jaarlijks maximaal € 17.100.000,–.

  • 2 Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 12.100.000,– bedoeld voor subsidieverstrekking van het vast bedrag, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a.

  • 3 Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 5.000.000,– bedoeld voor subsidieverstrekking van het variabel bedrag, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b.

  • 4 Indien het deel van het subsidieplafond dat is bestemd voor het vast bedrag respectievelijk het variabel bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende middelen naar evenredigheid per school verlaagd.

Artikel 27. Besteding van de subsidie [Vervallen per 01-10-2016]

De aanvullende middelen kunnen ook worden aangewend voor andere activiteiten van de school dan waarvoor de aanvullende middelen worden verstrekt. Terugvordering van eventueel niet-bestede middelen of overschotten vindt niet plaats.

Artikel 28. Verdelingswijze en peilmomenten [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De aanvullende middelen voor een school in een kalenderjaar bestaan uit:

    • a. een vast bedrag dat per schooljaar kan verschillen, berekend op grond van artikel 29; en

    • b. een variabel bedrag dat per schooljaar, per schoolsoort en leerjaren kan verschillen, berekend op grond van de artikelen 30 tot en met 32.

  • 2 Bij de berekening van het vast bedrag, bedoeld in de artikel 29, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

    • a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2011;

    • b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2012;

    • c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2013; en

    • d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2014.

  • 3 Bij de berekening van het variabel bedrag, bedoeld in de artikelen 30 tot en met 32, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

    • a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2012;

    • b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2013;

    • c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2014; en

    • d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2015.

Artikel 29. Berekeningswijze vast bedrag [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De hoogte van het vast bedrag per school wordt bepaald op grond van het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld.

  • 2 Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, tweede lid.

  • 3 De hoogte van het vast bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

    Tabel 3. Maximumbedragen beschikbaar per school

    Aantal leerlingen tot 22 jaar per school

    Bedrag per school

    10–1000

    € 10.000, –

    1001–2000

    € 20.000, –

    2001–6000

    € 35.000, –

    meer dan 6000

    € 75.000, –

Artikel 30. Berekeningswijze variabel bedrag onderbouw [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de onderbouw voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar van die school.

  • 2 Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

  • 3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

  • 4 Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

  • 5 De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar, genoemd in tabel 5.

    Tabel 4. Procentuele norm nieuwe voortijdig schoolverlaters
     

    onderbouw

    bovenbouw vmbo

    bovenbouw havo/vwo

    2012–2013

    1,0%

    4,0%

    0,5%

    2013–2014

    1,0%

    4,0%

    0,5%

    2014–2015

    1,0%

    4,0%

    0,5%

    2015–2016

    1,0%

    4,0%

    0,5%

    Tabel 5. Maximumbedragen per school beschikbaar voor de onderbouw

    Aantal leerlingen in de onderbouw tot 22 jaar

    Bedrag per school

    10–500

    € 2.000, –

    501–1000

    € 4.000, –

    meer dan 1000

    € 6.000, –

Artikel 31. Berekeningswijze variabel bedrag bovenbouw vmbo [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de bovenbouw van het vmbo voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het vmbo tot 22 jaar van die school.

  • 2 Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

  • 3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

  • 4 Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

  • 5 De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het vmbo tot 22 jaar, genoemd in tabel 6.

    Tabel 6. Maximumbedragen beschikbaar per school voor de bovenbouw van het vmbo

    Aantal leerlingen in de bovenbouw van vmbo tot 22 jaar

    Bedrag per school

    10–500

    € 2.000, –

    501–1000

    € 4.000, –

    meer dan 1000

    € 6.000, –

Artikel 32. Berekeningswijze variabel bedrag bovenbouw havo/vwo [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De hoogte van het variabel bedrag voor een school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in de bovenbouw van het havo en vwo voor die school ten opzichte van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo tot 22 jaar van die school.

  • 2 Het aantal leerlingen tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, derde lid.

  • 3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

  • 4 Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm zoals genoemd in tabel 4, dan komt de school in aanmerking voor het variabel bedrag.

  • 5 De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo tot 22 jaar, genoemd in tabel 7.

    Tabel 7. Maximumbedragen beschikbaar per school voor de bovenbouw havo en vwo

    Aantal leerlingen in de bovenbouw havo/vwo tot 22 jaar

    Bedrag per school

    10–500

    € 2.000, –

    501–1000

    € 4.000, –

    meer dan 1000

    € 6.000, –

Artikel 33. Hardheidsclausule [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage A van de Regeling prestatiebox mbo, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 2, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit zal leiden tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende instelling, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, als bedoeld in tabel 4.

  • 2 Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een school de toepassing van de peilmomenten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende school, bedoeld in dit hoofdstuk, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Hoofdstuk 4. Uitvoeringsvoorschriften inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 34. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 35. Vaststelling bedrag en budgetten [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 36. Voorschriften effectrapportage [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 De inrichting van de effectrapportage geschiedt conform bijlage B bij deze regeling.

  • 2 Burgemeester en wethouders dienen de effectrapportage uiterlijk op 1 december van het jaar volgend op het studiejaar waarop deze betrekking heeft, in bij de minister.

Artikel 37. Vaststelling RMC-regio’s, aanwijzing gemeenten [Vervallen per 01-10-2016]

De vaststelling van de RMC-regio’s geschiedt conform bijlage C bij deze regeling.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 38. Intrekking regeling [Vervallen per 01-10-2016]

Artikel 39. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-10-2016]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2012.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 40. Citeertitel [Vervallen per 01-10-2016]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Bijlage A. behorende bij artikel 10 van de Regeling regionale aanpak VSV en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Aanvraagformulier Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

1. Contactgegevens [Vervallen per 01-10-2016]

1a Gegevens van de RMC-regio

Nummer RMC-regio

 

Naam RMC-regio

 

Naam VSV-accountmanager (van OCW)

 

Gevraagde subsidie voor de RMC-regio

 

1b Contactgemeente van de RMC-regio

Contactgemeente

 

Naam verantwoordelijke wethouder contactgemeente

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1c Contactschool van de RMC-regio

Naam contactschool

 

BRIN-nummer

 

Voorzitter College van Bestuur

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1d Contactpersoon RMC-contactgemeente

Naam

 

Functie

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1e Contactpersoon contactschool

Naam

 

Functie

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

2. Regionale analyse 2012–2015 [Vervallen per 01-10-2016]

Heeft u een regionale analyse 2012-2105 gemaakt, schriftelijk ter beschikking gesteld aan en besproken met uw VSV-accountmanager?

 

Ja/nee

Wij verklaren in de komende jaren mee te zullen werken aan het monitorings- en evaluatieonderzoek behorende bij deze subsidieaanvraag. Wij hebben de regionale analyse 2012–2015 opgestuurd aan het onderzoeksbureau dat de evaluatie uitvoert.

 

Ja/nee

3. Maatregelen [Vervallen per 01-10-2016]

Per maatregel beantwoordt u de vragen A t/m F [Vervallen per 01-10-2016]

A. Gevraagd subsidiebedrag

  • 1. Totaalbedrag voor de drie schooljaren

  • 2. Onderverdeling van het bedrag over de kalenderjaren 2012, 2013, 2014 en 2015, optellend tot bedrag onder A1.

Een specificatie van de verwachte uitgaven dient u bij vraag 4 (Begroting) te geven,

B. Doelstelling kwalitatief (Specifiek, max. 200 w):

  • 1. Op welke doelgroep is deze maatregel gericht? Een doelgroep kan één van de zes onderwijssoorten en onderwijsniveaus zijn, overeenkomstig de prestatiesubsidies voor scholen

  • 2. Wat gaat deze maatregel verbeteren?

  • 3. Wat is de activiteit?

C. Doelstelling kwantitatief (Meetbaar, max.50w)

  • 1. Op hoeveel verschillende deelnemers wordt deze maatregel maximaal ingezet gedurende de gehele looptijd van de subsidieregeling?

  • 2. Welk bedrag zet u in per deelnemer? (Deel het bedrag bij A1 door het aantal bij C1.)

D. Regie en samenwerking in de RMC-regio (Acceptabel, max. 200 w)

  • 1. Welke (keten)partners zijn bij de uitvoering betrokken (te denken valt bijvoorbeeld aan bedrijfsleven, bureau leerplicht, gemeenten, jeugdhulpverlening, justitiële keten, mbo-instellingen, RMC, sociale dienst, vo-scholen, UWV, particulier onderwijs, speciaal onderwijs)?

  • 2. Welke partner houdt de regie op de maatregel?

  • 3. Hoe wordt de samenwerking met de partners ingevuld?

E. Haalbaarheid en implementatie: (Realistisch & Tijdgebonden, max 200 w):

  • 1. Geef een planning van de maatregel. Wat gaat u per convenantjaar aan deze maatregel doen?

  • 2. Wanneer verwacht u dat de maatregel iets oplevert en welke tussendoelen u wilt behalen?

F. Is er een andere partij dan de convenantpartners (scholen, instellingen en gemeenten) die participeert in deze specifieke maatregel? (max. 200 w)

  • 1. Zo ja, welke partij?

  • 2. Op welke manier draagt deze partij bij aan de uitvoering van deze maatregel?

  • 3. Naam en handtekening van vertegenwoordiger van deze partij (optioneel)

4. Begroting [Vervallen per 01-10-2016]

Beheerskosten

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

  Subtotaal Beheerskosten
 
Maatregel 1 ‘titel maatregel’

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

€ 

  Subtotaal maatregel 1 ‘titel maatregel’
Maatregel 2 ‘Plusvoorziening, subtitel’

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

  Subtotaal maatregel 2 ‘Plusvoorziening, subtitel’
Enzovoorts
 
Totaal van de maatregelen ‘Plusvoorziening, subtitel’
Totaal van de beheerskosten en alle maatregelen
Indien van toepassing

RMC-regio ... besteedt minder dan 75% van het indicatieve bedrag voor de plusvoorzieningen aan plusvoorzieningen, omdat...... (max. 200 woorden).

5. Ondertekening [Vervallen per 01-10-2016]

Naam bevoegd persoon van de contactschool

 

Plaats

 

Datum

 

Handtekening

 

Naam verantwoordelijke wethouder van de RMC-contactgemeente van de RMC-regio

 

Plaats

 

Datum

 

Handtekening

 

Toelichting op het aanvraagformulier [Vervallen per 01-10-2016]

Regionale analyse

Zonder een scherp beeld van de situatie in de regio in 2012 is het niet mogelijk effectieve maatregelen te nemen voor resultaat in 2015. Succesvol vsv-beleid is en blijft een kwestie van ‘sturen op cijfers’. Daarom wordt u gevraagd, bij voorkeur gezamenlijk met de convenantpartners, een regionale analyse 2012–2015 op te stellen.

Via uw vsv-accountmanager ontvangt u een handreiking voor de inhoud en omvang van een regionale analyse. Hij of zij verschaft u ook actuele regio-cijfers. U benut daarnaast uiteenlopende bronnen voor deze analyse.

U hoeft het schriftelijk verslag van uw regionale analyse niet op te sturen naar DUO. De regionale analyse 2012–2015 maakt namelijk geen deel uit van de subsidieaanvraag. De regionale analyse moet wel schriftelijk beschikbaar zijn voor een gesprek met de vsv-accountmanager (uiterlijk in mei 2012). Hij of zij is in dat gesprek uw ‘inspirator’ en ‘kritische spiegel’. U baseert uw voorstellen voor maatregelen vanzelfsprekend op de analyse van de vsv-problematiek in uw regio.

Het schriftelijk verslag van uw regionale analyse moet u terzijnertijd op aanvraag wel opsturen naar een onderzoeksbureau. Dit onderzoeksbureau zal de subsidieregeling integraal monitoren en evalueren gedurende de gehele looptijd. Meedoen met het onderzoek maakt deel uit van de subsidievoorwaarden. Een onderdeel van het evaluatieonderzoek is een vergelijking van de kwaliteit van de 39 regionale analyses 2012–2015. Het oordeel van het onderzoeksbureau speelt geen rol in de toekenning van de subsidie. Meer informatie over het onderzoek zal beschikbaar komen op de website www.aanvalopschooluitval.nl.

Maatregelen

Bij de beantwoording van deze vraag dient u in te gaan op de maatregelen die in uw RMC-regio worden genomen. De maatregelen die u hier voorstelt zijn gebaseerd op uw regionale analyse 2012–2015. U bent vrij in het aantal maatregelen dat u opvoert. Daarbij geven we u in overweging dat het weinig effectief is om veel ‘kleine’ maatregelen zonder samenhang op te voeren, noch om uiteenlopende maatregelen te bundelen tot één ‘grote’ maatregel. Bepaal in overleg met uw vsv-accountmanager over hoeveel projecten u hier het totale subsidiebedrag verdeelt. Het aantal maatregelen hangt normaliter samen met het totaalbedrag van de beschikbare subsidie: grotere RMC-regio’s voeren naar verwachting meer maatregelen op dan kleinere RMC-regio’s.

U geeft per maatregel het totaalbedrag aan over de gehele looptijd van de subsidieregeling. U doet deze subsidieaanvraag namelijk voor een periode van drie kalenderjaren (2013, 2014 en 2015). De subsidie heeft betrekking op activiteiten in de studiejaren 2012–2013, 2013–2014 en 2014–2015 en op basis daarvan dient u een verwachte onderverdeling te geven van de uitgaven. De toegekende middelen worden uitgekeerd in zes delen: in oktober 2012, januari 2013, oktober 2013, februari 2014, oktober 2014 en februari 2015. U bent zelf verantwoordelijk voor eventuele verschillen in de financiering en het uitgavenpatroon.

Voor elke maatregel die uw RMC-regio wil nemen dient u onderstaande vragen (A tot en met F) te beantwoorden.

Let op: Uit artikel 6, tweede lid van de subsidieregeling volgt dat u voor mbo 3/4 minstens één maatregel moet opnemen in uw subsidieaanvraag.

Let op: Op basis van de regionale analyse formuleert u de maatregelen die u inzet. Minstens één van de maatregelen dient een plusvoorziening te omvatten, bestemd voor overbelaste jongeren. Deze maatregel moet als titel krijgen ‘Plusvoorziening, subtitel’, bijvoorbeeld ‘Plusvoorziening, Rebound mbo’. Het indicatieve bedrag voor de plusvoorziening in uw RMC-regio volgt uit de subsidieregeling in combinatie met informatie die u krijgt van uw vsv-accountmanager. Mocht uit uw regionale analyse blijken dat er minder dan het indicatieve bedrag besteed moet worden aan de plusvoorziening om het vsv-resultaat te halen, dan mag het resterende budget ook voor andere maatregelen worden ingezet.

Begroting

Ten eerste specificeert u de kosten die u begroot voor de beheers- en coördinatiekosten. Hierin zijn opgenomen de overkoepelende beheers- en coördinatiekosten en de beheers- en coördinatiekosten van specifieke maatregelen. Uit artikel 9 van de subsidieregeling blijkt dat het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool niet hoger dan 10% van de toegekende subsidie mag zijn met een maximum van €150.000 per jaar.

Vervolgens specificeert u de verwachte kosten voor de maatregel(en) met de titel(s) ‘Plusvoorziening, subtitel’.

Tot slot specificeert u de begrote kosten voor de overige maatregelen.

U geeft aan wat voor kosten u verwacht te maken. Dit kunnen personele of materiële kosten zijn. Naar omvang van de begroting van de maatregel wordt een nadere uitsplitsing van de begrote uitgaven verwacht tot maximaal vijf posten.

Bij inzet van minder dan 75% van het budget dat indicatief beschikbaar is voor de plusvoorziening aan plusvoorzieningen dient u dit te motiveren in het tekstvak (max. 200 woorden).

Bijlage B. behorende bij artikel 36 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Formulier en handleiding herziene RMC-Effectrapportage [Vervallen per 01-10-2016]

Deze herziene RMC-effectrapportage wordt in 2014 voor het eerst gebruikt (over het verslagjaar 2013–2014).

1. Doel van de RMC-effectrapportage [Vervallen per 01-10-2016]

De RMC-effectrapportage geeft invulling aan een wettelijke verplichting en maakt het werk van de 39 RMC-regio’s zichtbaar zodat het beleid zo nodig kan worden aangepast. Tevens kan de rapportage dienen als benchmark voor een individuele RMC-regio ten opzichte van de landelijke resultaten.

In de Wet educatie en beroepsonderwijs (artikel 8.3.2) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 118h) en de Wet op de expertisecentra (artikel 162b) staan de taken van de gemeenten en in het bijzonder de contactgemeenten bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In het zevende lid van voornoemde artikelen staat: ‘Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijkseen effectrapportagevast....’.

Deze wettelijke verplichting is nader ingevuld in artikel 36 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs. Met het invullen van het formulier in deze bijlage geeft de RMC-contactgemeente uitvoering aan deze wettelijke verplichting tot een jaarlijkse inhoudelijke verantwoording.

De RMC-effectrapportage wordt jaarlijks voor 1 december door alle RMC-coördinatoren ingevuld en ingediend bij DUO. In opdracht van het ministerie van OCW wordt daarna een samenvattende rapportage van alle RMC-effectrapportages gemaakt welke in het voorjaar beschikbaar komt. Op die manier wordt het werk van de 39 RMC-regio’s zichtbaar gemaakt. Wanneer daar aanleiding toe is, kan dit rapport een ander accent in de beleidsinzet van het ministerie van OCW bewerkstelligen of een voorgenomen beleidswijziging onderbouwen.

Deze RMC-effectrapportage dient daarnaast in zijn geheel als benchmark. De regionale score van de RMC-functie wordt op een breed palet van kwalitatieve aspecten vergeleken met de landelijke resultaten. Deze landelijke score staat in de samenvattende rapportage die het ministerie van OCW laat maken van alle RMC-effectrapportages. Bij bijeenkomsten van Ingrado of in een ander verband kunnen de resultaten worden besproken.

2. Inhoud van de RMC-effectrapportage [Vervallen per 01-10-2016]

De RMC-functie is ingericht voor jongeren van 18 tot 23 jaar. Als in deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar aantallen jongeren en aantallen meldingen, gaat het om ‘jongeren van 18 tot 23 jaar’, tenzij expliciet anders wordt vermeld. In de praktijk werken RMC-regio’s op allerlei manieren samen met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. In deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar de manier waarop u samenwerkt met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. Een gedetailleerde inhoudelijke verantwoording van de inzet op de 18-minners is hier niet aan de orde, omdat er een jaarlijkse enquête voor alle gemeenten in Nederland naar de uitvoering van de Leerplichtwet bestaat.

Sinds de introductie van het onderwijsnummer in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is het Basisregister Onderwijs (BRON) een betrouwbare dataset geworden voor het genereren van landelijke en regionale cijfers over het aantal voortijdig schoolverlaters. Sinds 2007 wordt BRON gebruikt voor het regionale en landelijke beeld van de bestrijding van de schooluitval. De aantallen voortijdig schoolverlaters worden, samen met diverse achtergrondkenmerken, beschikbaar gesteld door DUO. In de RMC-effectrapportage staat daarom sindsdien het verzamelen van deze basisinformatie niet meer centraal. In 2008 is het vragenformulier in deze zin aangepast en uitgebreid met vragen over de uitvoering van de regionale vsv-convenanten 2008–2011. De RMC-effectrapportage is daarmee een instrument geworden voor de RMC-regio’s om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun aanpak van voortijdig schoolverlaten te toetsen en onderling te vergelijken en om de voortgang te monitoren van de uitvoering van de vsv-convenanten 2008–2011.

Het formulier is nu wederom herzien met als doel een actualisering van de vraagstelling en een verbeterde opbouw van de vragen. Nog meer dan eerst staat de ervaring, de waarneming en de mening van de RMC-functionaris centraal.

In de RMC-effectrapportage staan vragen opgenomen over de wettelijke functies van de RMC-regio. Dit zijn de meld- en registratiefunctie en de doorverwijsfunctie. Deze functies zijn weergegeven in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertise centra:

Bestrijding voortijdig schoolverlaten door gemeente (zoals staat in artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs)
 
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor registratie van de gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 28 heeft gemeld. Burgemeester en wethouders dragen bovendien zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 118g bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet Staatsblad 2001 636 2 1969. Voor de uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschrift en worden vastgesteld.

De opbouw van de vragen in de rapportage is als volgt:

  • 1. Bestuurlijke organisatie en samenwerking binnen de RMC-regio

  • 2. De meld- en registratiefunctie

  • 3. Doorverwijsfunctie

  • 4. Inzet beschikbare middelen (waaronder de RMC-Rijksbijdrage)

  • 5. Terugblik behaalde resultaten bij reduceren van de uitval

  • 6. Good practices (optioneel)

Het invullen van de RMC-effectrapportage [Vervallen per 01-10-2016]

Deze handleiding en het herziene formulier gelden voor het eerst voor de RMC-effectrapportage die wordt ingevuld in het najaar van 2014 met betrekking tot het studiejaar 2013-2014. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van het formulier zoals dat in de afgelopen jaren van kracht was.

DUO verwerkt de vragen in deze handleiding tot een digitaal, eenvoudig in te vullen formulier. DUO verstuurt deze digitale formulieren naar de betrokkenen rond 1 oktober en ontvangt de ingevulde formulieren voor 1 december weer retour. Na een technische controle op de invulling van de formulieren, wordt in opdracht van het ministerie van OCW de set met ingevulde formulieren verwerkt voor een samenvattende rapportage die ook een relatie kan leggen met de antwoorden uit eerdere jaren. Deze rapportage wordt door het ministerie van OCW naar de contactgemeenten gestuurd.

Een aantal van de RMC-regio’s is in subregio’s onderverdeeld. Hoewel deze rapportage in principe op de gehele regio is gericht, kan gekozen worden voor een aparte beantwoording door subregio’s. In dat geval verzamelt de RMC-coördinator van de gehele regio de deelrapportages en stuurt de gehele set in.

Bij het invullen van de ‘ervaringsvragen’ in deel 1 van de vragenlijst kan men ervoor kiezen deze te laten invullen door meerdere betrokken personen uit de regio en de scores op een RMC-bijeenkomst te bespreken. Dat geeft een grotere betrouwbaarheid bij de beantwoording van deze vragen.

Aan het eind van deze handleiding treft u een kort overzicht aan met relevante regelingen, definities en afkortingen. U vult het formulier in na afloop van het studiejaar en in elk geval vóór 1 december van het lopende kalenderjaar. Gevraagd wordt naar de gegevens over het aflopende of zojuist afgelopen studiejaar, hier verder aangeduid met ‘verslagperiode’. De financiële gegevens betreffen de budgetten van het lopende kalenderjaar.

1. Basisgegevens [Vervallen per 01-10-2016]

Deze vraag wordt door elke RMC-regio ingevuld.

Op het titelblad vult u de naam van de RMC-regio in en de datum. De volgende vraag betreft de contactgegevens van de RMC-coördinator.

Naam en nummer RMC-regio  
Naam wethouder  
Naam contactpersoon  
Functie  
Adres  
Postcode  
Plaats  
Telefoonnummer  
E-mailadres  

Bestuurlijke organisatie en samenwerking binnen de RMC-regio [Vervallen per 01-10-2016]

Vraag 1 heeft betrekking op de wettelijke taken van de RMC-contactgemeente van de RMC-regio zoals die in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra benoemd zijn.

De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan onze Minister. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervullen coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband: a. maken zij afspraken met scholen, instellingen en organisaties over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten; b. dragen zij zorg voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van die scholen, instellingen en organisaties; c. organiseren en coördineren zij de melding, registratie en doorverwijzing.

1A. Bestuurlijke organisatie [Vervallen per 01-10-2016]

In vraag 1A wordt gevraagd naar de bestuurlijke overleggen die binnen de RMC-regio plaatsvinden. Hierbij dient u tevens in te gaan op de rol die de RMC-wethouder speelt in deze overleggen.

 

Tabel 1A Bestuurlijke organisatie

1.

Welke bestuurlijke overleggen worden er georganiseerd binnen uw RMC-regio? Noem bij elk overleg ook welke partijen hiervoor uitgenodigd worden. (Max. 75 woorden)

 

2.

Wat is de rol van de wethouder van de RMC contactgemeente in de bestuurlijke overleggen? (Max. 50 woorden)

 

1B. Omvang netwerk [Vervallen per 01-10-2016]

Bij vraag 1B geeft u aan of alle gemeenten in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke gemeenten niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn. Bij vraag 2 en 3 geeft u aan of alle vo-scholen en mbo-instellingen in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke scholen of instellingen niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn.

Bij vraag 1B wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.

 

Tabel 1B

Antwoord

1

a. Nemen alle gemeenten in uw RMC-regio actief deel aan het RMC-netwerk?

 

b. Zo nee, welke niet?

 

c. Wat is de reden dat de onder b genoemde gemeenten niet meewerken?

 

2

a. Nemen alle vo-scholen gevestigd in uw RMC-regio actief deel aan het RMC-netwerk?

 

b. Zo nee, welke niet?

 

c. Wat is de reden dat de onder b genoemde vo-scholen niet meewerken?

 

3

a. Nemen alle mbo-instellingen die volgens de regels van het vsv-convenant 2012-2015 moeten participeren in de RMC-regio actief deel aan het RMC-netwerk?

 

b. Zo nee, welke niet?

 

c. Wat is de reden dat de onder b genoemde mbo-instellingen niet meewerken?

 

1C. De RMC-functie: samenwerking met verschillende partijen [Vervallen per 01-10-2016]

Bij vraag 1C wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.

 

Tabel 1C

Antwoord

Antwoordmogelijkheden

1

Hoe ervaart u de samenwerking met de vo-scholen?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

2

Hoe ervaart u de samenwerking met de mbo-instellingen die belangrijk zijn in de RMC-regio?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

3

Hoe ervaart u de samenwerking met de relevante particuliere onderwijsinstellingen in de RMC-regio?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

4

Hoe ervaart u de samenwerking met OCW (bijvoorbeeld het vsv-accountmanagement)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

5

Hoe ervaart u de samenwerking met de gemeentelijke bureaus Leerplicht in uw RMC-regio (met name op het gebied van 16- en 17-jarigen)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

6

Zijn er afspraken gemaakt over de kwalificatieplicht van 16- en 17-jarigen in uw RMC-regio?1

 

1. Ja

2. Nee

7

Hoe ervaart u de samenwerking met jeugdhulpverlening?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

8

Hoe ervaart u de samenwerking met het (lokale en regionale) bedrijfsleven (voor arbeidsplaatsen, beroepsvormende stages en andere stages)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

9

Hoe ervaart u de samenwerking met de gemeentelijke sociale dienst?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

10

Hoe ervaart u de samenwerking met de justitiële keten (politie, reclassering en veiligheidshuis)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

11

Hoe ervaart u de samenwerking met het UWV?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

12

Hoe ervaart u de samenwerking met de wethouder van de RMC-contactgemeente en met belangrijke wethouders van andere gemeenten?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

13

Hoe ervaart u de samenwerking op bestuurlijk niveau in de RMC-regio?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

14

Hoe ervaart u de samenwerking op de werkvloer tussen de instanties in de RMC-regio?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

15

Hoe ervaart u de samenwerking tussen de subregio’s (indien van toepassing)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

16

Hoe ervaart u de samenwerking met de belangrijkste aangrenzende RMC-regio(’s)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

17

Is er binnen uw RMC-regio sprake van een sluitende aanpak (waarbij alle jongeren in beeld zijn)?

 

1. Ja

2. Nee

18

Met welke partijen mist u de samenwerking en wilt u in de toekomst meer gaan samenwerken? (Max. 50 woorden)

 

1 Hoewel de kwalificatieplicht niet onder de wettelijke verplichting van de RMC-regio valt, vraagt het ministerie van OCW u deze vraag te beantwoorden vanwege de 13 miljoen euro voor de kwalificatieplicht die via de RMC beschikbaar is gesteld.

1D. De RMC-functie: het maken van afspraken in het netwerk [Vervallen per 01-10-2016]

Met het regionale netwerk moet een aantal taken worden vervuld (zie vraag 1B). Naast het tot stand brengen van het regionale netwerk moeten er ook afspraken met elkaar worden gemaakt over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

 

Tabel 1D

Antwoord

Antwoordmogelijkheden

1

In hoeverre slaagt uw RMC-regio erin om tot een breed gedeelde analyse van de vsv-problematiek in de regio te komen?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

2

In hoeverre slaagt uw RMC-regio erin om concrete werkafspraken te maken met scholen, mbo-instellingen en organisaties over hun inzet bij het tegengaan van voortijdig schoolverlaten?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

3

In hoeverre slaagt uw RMC-regio erin om met elkaar regelmatig de voortgang op ieders inzet te monitoren?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

4

In hoeverre slaagt uw RMC-regio erin om elkaar aan te spreken op achterblijvende inzet of achterblijvende resultaten?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

5

In hoeverre slaagt uw RMC-regio erin om de inzet van de financiële middelen (onder andere de middelen voor het Regionaal Programma Voortijdig Schoolverlaten) achteraf te evalueren?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

1E. Knelpunten en succesfactoren in het regionale netwerk [Vervallen per 01-10-2016]

In onderstaande tabel beschrijft u de knelpunten en belemmerende factoren alsook de succesfactoren die u ervaart bij het uitoefenen van de RMC-functie (in vergelijking met het vorige rapportagejaar). U kunt (enkele van) uw antwoorden op de vragen 1B tot en met 1D toelichten bij deze vraag. Ook kunt u hier aangeven aan welke ondersteuning van het vsv-accountmanagement van het ministerie van OCW u behoefte heeft. U heeft maximaal 200 woorden in elk tekstvak voor de beantwoording van deze open vraag.

Tabel 1E

Welke knelpunten en belemmerende factoren ervaart u binnen uw regionale netwerk? (Tot maximaal 200 woorden)

 

Welke factoren dragen bij aan successen binnen uw regionale netwerk? (Tot maximaal 200 woorden)

 

2. De meld- en registratiefunctie [Vervallen per 01-10-2016]

Deze vraag betreft jongeren van 18 tot 23 jaar, conform de wettelijke opdracht van de RMC. Zoals in de inleiding aangegeven, moet de RMC-regio een aantal taken vervullen. Daaronder valt ook het organiseren en coördineren van registratie van voortijdig schoolverlaters.

In het verleden was het verzamelen van informatie over aantallen voortijdig schoolverlaters en hun achtergrondkenmerken een belangrijke taak van de RMC-regio. Met de inzet van BRON als basis voor het bepalen van het aantal voortijdig schoolverlaters heeft deze taak een andere invulling gekregen. Met de komst van BRON en het Digitaal Verzuimloket als instrumenten heeft de RMC-regio de verantwoordelijkheid voor de regionale informatievoorziening behouden. De RMC-regio behoort te stimuleren en te coördineren dat partners tijdig en accuraat BRON en het Digitaal Verzuimloket invullen en gebruiken. Daarnaast moet de RMC-regio gebruik maken van mogelijk andere nuttige informatiebronnen. Het doel hiervan is dat ‘iedere jongere in beeld is’.

Met ‘tijdig’ wordt in onderstaande vragen bedoeld dat de wettelijke termijnen of gemaakte afspraken worden nageleefd en de RMC-trajectbegeleiders geen hinder ondervinden bij hun werk door een trage aanlevering van informatie door scholen.

 

Tabel 2 Meld- en registratiefunctie

Antwoord

Antwoordmogelijkheden

1

Melden de vo-scholen in uw RMC-regio ongeoorloofd verzuim van 18-plussers tijdig via het Digitaal Verzuimloket?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

2

Melden de mbo-instellingen in uw RMC-regio ongeoorloofd verzuim van 18-plussers tijdig via het Digitaal Verzuimloket?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

3

Maken de RMC-trajectbegeleiders in de praktijk gebruik van de gegevens uit het Digitaal Verzuimloket?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

4

Is het aantal meldingen van 18-plussers in het Digitaal Verzuimloket te verwerken met de gegeven RMC-capaciteit?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

5

Geven de vo-scholen in uw RMC-regio tijdig de uitschrijvingen van 18-plussers zonder startkwalificatie door in BRON?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

6

Geven de mbo-instellingen in uw RMC-regio tijdig uitschrijvingen van 18-plussers zonder startkwalificatie door in BRON?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

7

Maken de RMC-trajectbegeleiders in de praktijk gebruik van de gegevens van 18-plussers uit BRON (via de P-leveringen van DUO)?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

8

Hoe is de beschikbaarheid voor de RMC-trajectbegeleiders van andere relevante informatiebronnen?

 

1. Onvoldoende

2. Matig

3. Voldoende

4. Goed

9

Welke informatiebronnen zijn niet toegankelijk of mist u? (Tot maximaal 50 woorden)

 

10

Maken de RMC-trajectbegeleiders in de praktijk gebruik van andere gegevensbronnen zoals de SUWI-gegevens/Mens Centraal? Zo ja, welke bronnen zijn dat? (Tot maximaal 50 woorden)

 

11

Is er binnen uw RMC-regio een meldprotocol?

 

1. Ja

2. Nee

3. Doorverwijsfunctie [Vervallen per 01-10-2016]

Een belangrijke taak van de RMC-functie is om individuele jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten terug te leiden naar school, werk of een combinatie daarvan.

Ook vraag 3 gaat over de jongeren van 18 tot 23 jaar in begeleidingstrajecten onder verantwoordelijkheid van de RMC-functie (dat wil zeggen begeleidingstrajecten die niet onder verantwoordelijkheid van het UWV, mbo-instellingen of andere organisaties staan). Dit sluit aan bij de wettelijke opdracht van de RMC-functie zoals genoemd in de inleiding van dit formulier. De trajectbegeleiding begint met contact zoeken met jongeren op basis van beschikbare informatie. Vervolgens kunnen er intakegesprekken plaatsvinden welke al dan niet leiden tot één of meerdere vervolggesprekken en daaraan gerelateerde activiteiten van RMC-trajectbegeleiders

Met deze vraag wil het ministerie van OCW een beeld krijgen van de omvang van het werk dat de RMC-functie op dit terrein verricht. Worden er voldoende jongeren bereikt en worden er voldoende trajecten met een goed resultaat afgesloten? Deze vraag dient hoofdzakelijk voor de onderlinge benchmark van RMC-regio’s en voor een beoordeling van het verloop van de inzet over de jaren heen. Daarnaast moet het inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval.

In tabel 3A.1 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerst in contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3A.2. Op deze manier wordt (het verloop van) het aantal trajecten in kaart gebracht dat curatief (na uitschrijving, tabel 3A.1) en preventief (voor uitschrijving, 3A.2) is ingezet. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen de vermelding in de P-leveringen van DUO en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.

 

Tabel 3A.1 Het opstarten van begeleidingstrajecten n.a.v. P-leveringen

   

aantal

 

1.

Hoeveel jongeren zijn gedurende het verslagjaar voor het eerst benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was?

   

2.

Met hoeveel van deze jongeren is er daadwerkelijk een intake gevoerd?

   

3.

Hoeveel gesprekken zijn er in het kader van de intake met deze jongeren gevoerd?

   

4.

Van alle jongeren met wie een intakegesprek is gevoerd, hoeveel tijd verstreek tussen de vermelding van de jongere in de P-leveringen van DUO en het intakegesprek?

minder dan 2 weken

 

%

tussen 2 en 4 weken

 

%

meer dan 4 weken

 

%

5.

Met hoeveel jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

   

6.

Met hoeveel van deze jongeren is het begeleidingstraject gedurende het verslagjaar beëindigd?

   

In tabel 3A.2 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerst in contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van signalen via andere kanalen dan de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Het kan hier dus zowel gaan om jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling als jongeren die al uitgeschreven zijn. Hoewel dit buiten de wettelijke taak van de RMC-functie valt, moet deze vraag inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen eerste signaal en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.

 

Tabel 3A.2 Het opstarten van begeleidingstrajecten n.a.v. signalen anders dan de P-leveringen

   

aantal

 

1.

Hoeveel jongeren zijn gedurende het verslagjaar voor het eerst benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was?

   

2.

Hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 stonden op dat moment nog ingeschreven bij een onderwijsinstelling?

   

3.

Hoelang hebben de jongeren zonder inschrijving geen onderwijs gevolgd?

Jongeren die minder dan 1 schooljaar geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 1 tot 2 schooljaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 2 tot 3 schooljaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 3 tot 4 schooljaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 4 schooljaren of langer geen onderwijs hebben gevolgd

   

4.

Met hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 is daadwerkelijk een intake gevoerd?

   

5.

Hoeveel gesprekken zijn er in het kader van de intake met deze jongeren gevoerd?

   

6.

Van alle jongeren met wie een intakegesprek is gevoerd, hoeveel tijd verstreek tussen het eerste signaal en het intakegesprek?

minder dan 2 weken

 

%

tussen 2 en 4 weken

 

%

meer dan 4 weken

 

%

7.

Met hoeveel jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

   

8.

Met hoeveel van deze jongeren is het begeleidingstraject gedurende het verslagjaar beëindigd?

   

In tabel 3B wordt gevraagd naar het aantal jongeren dat in het jaar voorafgaand aan het verslagjaar in begeleiding is genomen en van wie het traject gedurende het verslagjaar doorloopt.

 

Tabel 3B ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters

   

aantal

 

1.

Van hoeveel jongeren die in het verslagjaar in begeleiding waren is het begeleidingstraject in het vorige verslagjaar gestart?

   

2.

Hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 stonden op dat moment nog ingeschreven bij een onderwijsinstelling?

   

3.

Hoelang hebben de jongeren zonder inschrijving geen onderwijs gevolgd?

Jongeren die minder dan 1 studiejaar geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 1 tot 2 studiejaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 2 tot 3 studiejaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 3 tot 4 studiejaren geen onderwijs hebben gevolgd

   

Jongeren die 4 studiejaren of langer geen onderwijs hebben gevolgd

   

4.

Met hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 is daadwerkelijk een intake gevoerd?

   

5.

Hoeveel gesprekken zijn er in het kader van de intake met deze jongeren gevoerd?

   

6.

Van alle jongeren met wie een intakegesprek is gevoerd, hoeveel tijd verstreek tussen het eerste signaal en het intakegesprek?

minder dan 2 weken

 

%

tussen 2 en 4 weken

 

%

meer dan 4 weken

 

%

7.

Met hoeveel jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

   

8.

Met hoeveel van deze jongeren is het begeleidingstraject gedurende het verslagjaar beëindigd?

   

In tabel 3C.1 wordt gevraagd naar het aantal ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters. Dit zijn jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om jongeren die in beeld zijn gekomen op basis van de P-leveringen van DUO. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3C.2.

 

Tabel 3C.1 ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters n.a.v. P-leveringen

   

Aantal

 

1.

Hoeveel van de jongeren die gedurende het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, hebben in eerdere verslagjaren in een begeleidingstraject gezeten dat is afgerond voor de start van het verslagjaar?

   

2.

Met hoeveel van deze jongeren is er daadwerkelijk een intakegesprek gevoerd?

   

3.

Hoeveel gesprekken zijn er in het kader van de intake met deze jongeren gevoerd?

   

4.

Van alle jongeren met wie een intakegesprek is gevoerd, hoeveel tijd verstreek tussen de vermelding van de jongere in de P-leveringen van DUO en het intakegesprek?

minder dan 2 weken

 

%

tussen 2 en 4 weken

 

%

meer dan 4 weken

 

%

5.

Met hoeveel van deze jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

   

6.

Met hoeveel van deze jongeren is het begeleidingstraject gedurende het verslagjaar beëindigd?

   

In tabel 3C.2 wordt gevraagd naar jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om gevallen naar aanleiding van signalen anders dan de P-leveringen van DUO.

 

Tabel 3C.2 ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters n.a.v. signalen anders dan P-leveringen

   

Aantal

 

1.

Hoeveel van de jongeren die gedurende het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, hebben in eerdere verslagjaren in een begeleidingstraject gezeten dat is afgerond voor de start van het verslagjaar?

   

2.

Hoeveel van deze jongeren waren op dat moment nog ingeschreven bij een onderwijsinstelling?

   

3.

Met hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 is er daadwerkelijk een intakegesprek gevoerd?

   

4.

Hoeveel gesprekken zijn er in het kader van de intake met deze jongeren gevoerd?

   

5.

Van alle jongeren met wie een intakegesprek is gevoerd, hoeveel tijd verstreek tussen het eerste signaal en het intakegesprek?

minder dan 2 weken

 

%

tussen 2 en 4 weken

 

%

meer dan 4 weken

 

%

6.

Met hoeveel van deze jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

   

7.

Met hoeveel van deze jongeren is het begeleidingstraject gedurende het verslagjaar beëindigd?

   

Tabel 3D vormt een weergave van alle begeleidingstrajecten en de beëindiging daarvan, per categorie voortijdig schoolverlater. De kolommen ‘Totaal aantal begeleidingstrajecten’ en ‘Aantal beëindigd’ worden automatisch ingevuld met de eerder gegeven informatie.

Tabel 3D Begeleidingstrajecten per categorie

 

Totaal aantal begeleidingstrajecten

Aantal beëindigd

1.

Opgestarte begeleidingstrajecten n.a.v. P-leveringen

   

2.

Opgestarte begeleidingstrajecten n.a.v. signalen

anders dan de P-leveringen

   

3.

‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters

   

4.

‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters n.a.v. P-

leveringen

   

5.

‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters n.a.v.

signalen anders dan P-leveringen

   

Tabel 3E gaat over het aantal afgeronde begeleidingstrajecten binnen het verslagjaar. Onder een begeleidingstraject wordt méér verstaan dan alleen een intakegesprek. Geef bij vraag 1 per waarde aan om hoeveel jongeren het gaat. Bij vraag 2 maakt u een keuze uit de keuzemogelijkheden.

Tabel 3E Afgeronde begeleidingstrajecten in verslagjaar

 
   

Aantal

1.

Hoe lang zaten de jongeren, van wie het begeleidingstraject is afgerond, in een begeleidingstraject?

minder dan 1 maand

 

tussen 1 en 6 maanden

 

meer dan 6 maanden

 
     

keuzemogelijkheid

2.

Hoelang volgt u de herplaatste jongeren?

1. niet

 

2. minder dan een maand

3. 1 tot 3 maanden

4. langer dan 3 maanden

In tabel 3F noteert u de bestemming van de jongeren na beëindiging van het begeleidingstraject.

Tabel 3F Bestemming na beëindiging begeleidingstraject

 

1.

Hoeveel jongeren zijn naar een erkende voltijd opleiding gegaan (ook particulier)?

 

2.

Hoeveel jongeren zijn een combinatietraject gaan volgen (leren/werken, BBL)?

 

3.

Hoeveel jongeren zijn aan het werk gegaan zonder zicht op een startkwalificatie?

 

4.

Hoeveel jongeren zijn geplaatst in een instelling voor intramurale (jeugd-)zorg, een opvangvoorziening, intensief hulpverleningstraject of een penitentiaire inrichting?

 

5.

Hoeveel jongeren hebben het begeleidingstraject beëindigd zonder reguliere dagbesteding?

 

6.

Hoeveel jongeren zijn uit de RMC-regio verhuisd of anderszins niet meer traceerbaar?

 

7.

Hoeveel jongeren hebben een overige bestemming?

 

Tabel 3G gaat over jongeren van 17 jaar oud die door de RMC-functie worden opgepakt. De RMC-functie is gericht op jongeren van 18 tot 23 jaar. Uit praktijk blijkt echter dat vaak ook jongeren die nog 17 jaar zijn maar binnen afzienbare tijd 18 jaar worden al door de RMC-functie in begeleiding worden genomen. Deze vraag brengt die jongeren in beeld.

 

Tabel 3G Jongeren van 17 jaar oud

   

aantal

1.

Hoeveel jongeren van 17 zijn gedurende het verslagjaar benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was?

 

2.

Hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 stonden op dat moment nog ingeschreven bij een onderwijsinstelling?

 

3.

Met hoeveel van de jongeren genoemd onder 1 is daadwerkelijk een intake gevoerd?

 

4.

Met hoeveel jongeren is na het gevoerde intakegesprek een begeleidingstraject gestart?

 

In tabel 3H kunt u in algemene termen opmerkingen kwijt die specifiek zijn voor uw regio (bijvoorbeeld over de achtergrond van jongeren die in begeleiding komen, de trends in omvang van de doelgroep of een verschuiving in de bestemming van jongeren van wie het begeleidingstraject is afgerond).

Tabel 3H Aanvullende opmerkingen (Max 200 woorden)

 

4. Inzet beschikbare middelen (waaronder de RMC-Rijksbijdrage) [Vervallen per 01-10-2016]

Gemeenten kunnen diverse financiële bronnen (deels) bestemmen voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie. Daarnaast is in 2008 structureel 13 miljoen euro verdeeld over de 39 RMC-regio’s voor de uitvoering van de kwalificatieplicht voor jongeren van 16 en 17 jaar. Mogelijk heeft de RMC-functie deze middelen doorgegeven aan gemeenten, mogelijk heeft de RMC zelf de beschikking over dit budget gehouden.

In tabel 4A wordt gevraagd naar een indicatie van alle budgetten waarmee de RMC-functie wordt uitgevoerd in het lopende kalenderjaar.

  Tabel 4A Antwoord Antwoordmogelijkheden

1

Zet de RMC-functie financiële middelen in uit het Regionaal Programma Voortijdig Schoolverlaten (voorheen de plusmiddelen en de programmagelden) voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie?

 

1. nee

2. ja, minder dan 10% van de totale middelen

3. ja, tussen de 10 en 25% van de totale middelen

4. ja, meer dan 25% van de totale middelen

2

Zet de RMC-functie financiële middelen in uit de Decentralisatie-uitkering Jeugd ten behoeve van overbelaste jongeren voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie?

 

1. nee

2. ja, minder dan 10% van de totale middelen

3. ja, tussen de 10 en 25% van de totale middelen

4. ja, meer dan 25% van de totale middelen

3

Zet de RMC-functie middelen in uit het budget dat structureel beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de kwalificatieplicht voor jongeren van 16 en 17 jaar?

 

1. nee

2. ja, minder dan 10% van de totale middelen

3. ja, tussen de 10 en 25% van de totale middelen

4. ja, meer dan 25% van de totale middelen

4

Zet de RMC-functie financiële middelen uit overige bronnen in voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie? Zo ja, Welke? Hoeveel procent van de totale middelen omvatten deze bronnen?

 

5

Worden de financiële middelen waarover de RMC-functie bezit verdeeld onder de afzonderlijke gemeenten binnen de regio?

 

1. nee

2. ja, tussen de 0 en 25% van de totale middelen

3. ja, tussen de 25 en 50% van de totale middelen

4. ja, tussen de 50 en 75% van de totale middelen

5. ja, tussen de 75 en 100% van de totale middelen

6

Heeft de RMC-functie in het lopende kalenderjaar meer of minder financiële middelen tot zijn beschikking in vergelijking met het vorige kalenderjaar (op basis van toegekende budgetten)?

 

1.een reductie van meer dan 10%

2. een reductie van minder dan 10%

3. ongeveer hetzelfde

4. een stijging van minder dan 10%

5. een stijging van meer dan 10%

In tabel 4B wordt gevraagd naar de besteding van het totale budget uit verschillende bronnen waar de RMC-functie over beschikt in het lopende kalenderjaar. Het gaat hier om een globale onderverdeling. Een beleidsmatige beoordeling van de besteding van de middelen volstaat bij de beantwoording van deze vraag. U kunt per categorie invullen hoeveel euro u besteedt, het percentage middelen volgt dan automatisch. Onder de tabel vindt u een toelichting op de gehanteerde begrippen en categorieën.

Let op: tot 2013 werd in de RMC-effectrapportage alleen gevraagd naar een onderverdeling van de Rijksmiddelen (RMC-budget en kwalificatiemiddelen) nu wordt gevraagd naar het totale budget waar de RMC-functie over beschikt, om zo inzichtelijk te maken hoeveel middelen aan de diverse activiteiten van de RMC-functie worden besteed.

 

Tabel 4B Inzet middelen

in euro’s

%

A.

Coördinatie

   

B.

Administratieve ondersteuning/Registratie/ICT

   

C.

Trajectbegeleiding

   

D.

Projecten voor uitgevallen jongeren

   

E.

Projecten ter voorkoming van uitval

   

F.

Versterking leerplicht / kwalificatieplicht

   

G.

Reservering vorig jaar

   

H.

Anders, namelijk…

   
Totaal    
Eventuele toelichting

(Tot maximaal 200 woorden)

 
  • A. Coördinatie = het tot stand brengen van samenwerking op bestuurlijk-, beleids- en uitvoerend niveau ter vermindering en voorkoming van voortijdig schoolverlaten en het organiseren van een sluitende aanpak in de melding, registratie en doorverwijzing van voortijdig schoolverlaters.

  • B. Administratieve ondersteuning/registratie/ICT = administratieve verwerking van meldingen, herplaatsing en uitschrijving en de voorzieningen die daarvoor nodig zijn.

  • C. Trajectbegeleiding = inzet voor de reguliere begeleiding van individuele jongeren terug naar school en/of werk.

  • D. Projecten voor uitgevallen jongeren = groepsactiviteiten voor uitgevallen jongeren met als doel terugleiden naar school en/of werk.

  • E. Projecten ter voorkoming van uitval = groepsactiviteiten voor jongeren met als doel het voorkomen van uitval.

  • F. Versterking leerplicht / kwalificatieplicht = inzet gericht op het versterken van de structuur ter bevordering van de leerplicht en het doen naleven van de kwalificatieplicht voor 16- en 17-jarigen. Dit kan bijvoorbeeld vorm krijgen door extra leerplichtambtenaren, scholing, informatievoorziening of regionalisering.

  • G. Reservering = indien u dit jaar een deel van de rijksbijdrage hebt gereserveerd voor een specifieke uitgave in de toekomst, kunt u dit hier aangeven. Indien u deze verslagperiode een eerder gereserveerd bedrag inzet, kunt u dat aangeven door een negatief bedrag op reservering in te vullen.

  • H. Anders, namelijk…= indien u RMC-gelden inzet voor andere zaken, dan kunt u dat hier invullen.

In tabel 4C wordt ten eerste gevraagd naar het aantal fte’s van RMC-medewerkers. Vervolgens wordt bij punt 2 gevraagd naar het aantal fte’s aan RMC-medewerkers dat zich bezighoudt met het begeleiden van individuele jongeren. Begeleiding kan allerlei vormen hebben, van een telefoontje of mailtje tot een intensieve gesprekscyclus. Een fulltime medewerker die voor 70% trajectbegeleiding doet en voor 20% bezig is met preventieve projecten en 10% coördinatie, telt bij punt 2 voor 0,7 fte mee.

Naast het begeleiden van individuele jongeren heeft een RMC-regio ook projecten, zowel voor reeds uitgevallen jongeren als ter preventie van uitval. Het betreft alle werkzaamheden die direct of indirect gericht zijn op groepen jongeren, gefinancierd uit het totale budget waar de RMC-regio over beschikt. Punt 3 betreft de gezamenlijke inzet op preventieve projecten (gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling, maar die dreigen uit tevallen) en de projecten voor reeds uitgevallen jongeren. Gevraagd wordt naar een inschatting van de fte-inzet per inhoudelijk type project. Een fulltime medewerker die voor 70% werkt voor individuele jongeren, 20% voor het uitvoeren van een verzuimproject en 10% in coördinatie, telt op dit punt in deze tabel mee voor 0,2 fte.

Tabel 4C Inzet personele middelen

fte

1

Hoeveel fte aan medewerkers heeft uw RMC-regio ter beschikking?

 

2

Hoeveel fte zet uw RMC-regio in op het begeleiden van individuele jongeren (18-plus)?

 

3

Hoe is de fte-inzet per inhoudelijk type project?

 
 

a. Overgang vmbo-mbo

 
 

b. Loopbaanoriëntatie en -begeleiding

 
 

c. De aanpak van verzuim (bijvoorbeeld spreekuren)

 
 

d. Overige inhoudelijke projecten:…

 

5. Terugblik behaalde resultaten bij reduceren van de uitval [Vervallen per 01-10-2016]

Bij vraag 5 wordt u gevraagd kort te reflecteren op de behaalde resultaten uit het vorige verslagjaar conform de OCW-cijfers voor de regio met betrekking tot de aanpak van vsv’ers. In artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs staan de taken van de contactgemeente van de RMC-regio. Het zevende lid van dit artikel stelt de verplichting om terug te kijken op behaalde resultaten in vergelijking met de streefcijfers.

Artikel 8.3.2, zevende lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs:

De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de in die regio te behalen resultaten. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.

Betrek in uw antwoord de behaalde resultaten in relatie tot de regionale streefcijfers en de landelijke normen op basis van de definitieve cijfers over het vorig schooljaar. Daarnaast wordt u gevraagd de uitvalpercentages op de verschillende onderdelen (mbo 1, mbo 2, mbo 3/4) te behandelen.

Hoe kijkt u terug op de behaalde resultaten van het vorige verslagjaar (ook in relatie tot de normen en op de verschillende onderdelen)?

Welke factoren hebben bijgedragen aan het behaalde resultaat (rol van de convenanten)?

Wordt de werkwijze binnen uw regio naar aanleiding van behaalde resultaten gewijzigd?

 

6. Good practices (optioneel) [Vervallen per 01-10-2016]

In onderstaande tabel kunt u optioneel twee “good practices” vermelden. U kunt hierbij denken aan voorbeelden over de door u gevoerde aanpak. Deze good practices kunnen worden opgenomen in de projectbank op www.aanvalopschooluitval.nl. OCW is met name geïnteresseerd in projecten met bijzondere samenwerkingspartners en/of met een nieuwe inhoudelijke invalshoek en/of een project dat grondig geëvalueerd is.

Good practices projecten

 

1.

 

Naam project:

 

Doel project:

 

Inhoud project: (maximaal 200 woorden)

 

Betrokkenen:

 

Resultaten: (maximaal 200 woorden)

 

Good practices projecten

 

2.

 

Naam project:

 

Doel project:

 

Inhoud project: (maximaal 200 woorden)

 

Betrokkenen:

 

Resultaten: (maximaal 200 woorden)

 

Definities en omschrijvingen [Vervallen per 01-10-2016]

1. Scholen [Vervallen per 01-10-2016]

Tot de scholen op de onderscheiden sectoren kunnen worden gerekend:

  • Scholen in de vo-sector

  • Scholen voor speciaal voortgezet onderwijs

  • Scholen voor regulier voortgezet onderwijs (waaronder praktijkonderwijs)

  • Instellingen in de BVE-sector. Volgens artikel 1.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs vallen hieronder roc’s, aoc’s en vakinstellingen

2. Voortijdig schoolverlater [Vervallen per 01-10-2016]

Het begrip voortijdig schoolverlater is in het kader van de RMC-functie gedefinieerd als degene:

  • a. die de leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,

  • b. die niet in het bezit is van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en

  • c. die - het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, of - bij de school wordt uitgeschreven of van de school wordt verwijderd.

Voor de afbakening van het begrip voortijdig schoolverlater zijn daarmee de volgende vier elementen van belang:

  • 1) maximum leeftijdsgrens: tot 23 jaar. In deze rapportage wordt als ondergrens 18 jaar gehanteerd, tenzij expliciet wordt aangegeven dat het om een andere leeftijdscategorie gaat.

  • 2) minimum opleidingsgrens: Het niveau van de startkwalificatie is gedefinieerd als een diploma van tenminste havo, vwo of mbo niveau 2. Er is evenmin sprake van een voortijdig schoolverlater in geval van uitstroom uit het onderwijs met een diploma op een hoger gelegen niveau.

    Hoewel jongeren met een getuigschrift praktijkonderwijs of een diploma assistent-opleiding (niveau 1) niet aan de voornoemde opleidingsgrens (van het in algemene zin wenselijk geachte niveau 2 of hoger) van de startkwalificatie voldoen, worden zij niet gerekend tot de groep voortijdig schoolverlaters mits zij een plek op de arbeidsmarkt hebben. Deze individuele uitstromers moeten wel worden gemeld en, na aanvullende actie om te bepalen of ze wel of niet aan het werk zijn, wel worden geregistreerd.

    Jongeren met een getuigschrift praktijkonderwijs of diploma op mbo niveau 1 worden wel gerekend tot de groep vsv'ers wanneer zij niet werkzaam zijn op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst en moeten worden geregistreerd en gevolgd door de RMC-functie. Het doel (en einde) van eventuele begeleiding voor deze groep jongeren is niet het behalen van een startkwalificatie, maar het werkzaam zijn op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst.

    Jongeren die het praktijkonderwijs zonder getuigschrift of een assistent-opleiding zonder diploma verlaten en zich niet meer inschrijven voor een andere opleiding worden uiteraard wel gerekend tot voortijdig schoolverlaters en dienen te worden meegeteld bij de relevante tabellen: voor deze jongeren is ook nadere actie geboden.

  • 3) geen inschrijving bij een onderwijsinstelling: Voortijdig schoolverlater = voortijdig onderwijsverlater. Een voortijdig schoolverlater is feitelijk een voortijdig onderwijsverlater: na de uitschrijving is geen sprake van een nieuwe aansluitende inschrijving bij een onderwijsinstelling. Leerlingen die bijvoorbeeld na het behalen van een vmbo- of mavodiploma zich niet meer inschrijven voor een vervolgopleiding, worden gerekend tot de groep voortijdig schoolverlaters.

  • 4) wel een inschrijving, maar langdurig afwezig. Als een ingeschreven leerling gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 1 maand het onderwijs niet meer volgt.

    Er is geen sprake van voortijdig schoolverlaten in geval van overstap naar een andere opleiding binnen een scholengemeenschap en evenmin in het geval van overstap naar een andere school: als de uitschrijving en inschrijving op elkaar aansluiten is er immers geen sprake van voortijdig ónderwijsverlaten. Er hoeft dan dus ook geen registratie in het kader van de RMC-functie plaats te vinden. Vsv’ers die afkomstig zijn uit het voortgezet speciaal onderwijs (zmok) en het praktijkonderwijs dienen in het kader van de RMC-functie te worden geregistreerd, ongeacht het feit of geconstateerd is dat een minimum startkwalificatie of assistent-opleiding niet binnen bereik van de betreffende jongere ligt.

3. Studiejaar of schooljaar [Vervallen per 01-10-2016]

Een schooljaar, ook wel genoemd studiejaar, is de periode van 1 augustus van een jaar t/m 31 juli van het volgende jaar.

4. Werk [Vervallen per 01-10-2016]

Onder de opvatting van werk bij herplaatsing wordt omwille van eenduidigheid de CBS definitie voor werkzame beroepsbevolking gehanteerd. Conform deze definitie wordt de situatie bedoeld waarin de jongere 12 uur of meer per week betaald werk heeft.

5. Preventie [Vervallen per 01-10-2016]

Onder preventie verstaan we activiteiten bedoeld om schooluitval te voorkomen en die gericht zijn op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen.

6. ‘Continuerende’ voortijdig schoolverlaters [Vervallen per 01-10-2016]

Jongeren waarvan het begeleidingstraject het vorig verslagjaar nog niet was afgerond en dus ook dit verslag jaar nog in dit traject zaten.

7. ‘Recidiverende’ voortijdig schoolverlaters [Vervallen per 01-10-2016]

Jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten. Het gaat hier niet om de jongeren bedoeld bij de definitie ‘continuerende’ vsv’ers.

Lijst van afkortingen

BRON

Basisregistratie Onderwijs

bve

beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

EVC

Eerder verworven competenties

havo

hoger algemeen voortgezet onderwijs

mavo

middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

mbo

middelbaar beroepsonderwijs

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

RMC-functie

Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

roc

Regionaal Opleidingencentrum

so

speciaal onderwijs

vmbo

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

vo

Voortgezet Onderwijs

vso

voortgezet speciaal onderwijs

vsv

voortijdig schoolverlaten

vsv’er

voortijdig schoolverlater

vwo

voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

wvo

Wet op het Voortgezet Onderwijs

Bijlage C. behorende bij artikel 37 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Vaststelling RMC-regio’s [Vervallen per 01-10-2016]

Regio 1:. Oost-Groningen [Vervallen per 01-10-2016]

Bellingwedde, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde, Pekela, Oldambt, Menterwolde.

Regio 2:. Noord-Groningen-Eemsmond [Vervallen per 01-10-2016]

Appingedam, Bedum, Delfzijl, Loppersum, Winsum, Eemsmond, De Marne.

Regio 3:. Centraal en Westelijk Groningen [Vervallen per 01-10-2016]

Groningen, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Slochteren, Ten Boer, Zuidhorn.

Regio 4:. Friesland Noord [Vervallen per 01-10-2016]

Ameland, Boarnsterhim, Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Kollumerland c.a., Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menameradiel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland.

Regio 5:. Zuid-West Friesland [Vervallen per 01-10-2016]

De Friese Meren, Littenseradiel, Súdwest Fryslân.

Regio 6:. Friesland-Oost («de Friese Wouden») [Vervallen per 01-10-2016]

Achtkarspelen, Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland, Tytjerksteradiel, Weststellingwerf.

Regio 7:. Noord- en Midden Drenthe [Vervallen per 01-10-2016]

Aa en Hunze, Assen, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo.

Regio 8:. Zuid-Oost Drenthe [Vervallen per 01-10-2016]

Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen.

Regio 9:. Zuid-West Drenthe [Vervallen per 01-10-2016]

Hoogeveen, Meppel, Westerveld, De Wolden.

Regio 10:. IJssel-vecht [Vervallen per 01-10-2016]

Dalfsen, Hardenberg, Hattem, Heerde, Kampen, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle.

Regio 11:. Stedendriehoek [Vervallen per 01-10-2016]

Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Olst-Wijhe, Voorst, Zutphen.

Regio 12:. Twente [Vervallen per 01-10-2016]

Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo(O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden.

Regio 13:. Achterhoek [Vervallen per 01-10-2016]

Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doesburg, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk.

Regio 14:. Arnhem/Nijmegen [Vervallen per 01-10-2016]

Arnhem, Beuningen, Druten, Duiven, Groesbeek, Heumen, Lingewaard, Millingen a.d. Rijn, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Ubbergen, Westervoort, Wijchen, Zevenaar.

Regio 15:. Rivierenland [Vervallen per 01-10-2016]

Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Neder-Betuwe, Tiel, West Maas en Waal, Zaltbommel.

Regio 16:. Eem en Vallei [Vervallen per 01-10-2016]

Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen, Woudenberg.

Regio 17:. Noordwest-Veluwe [Vervallen per 01-10-2016]

Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde.

Regio 18:. Flevoland [Vervallen per 01-10-2016]

Almere, Dronten, Lelystad, Noord-Oostpolder, Urk.

Regio 19:. Utrecht [Vervallen per 01-10-2016]

Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist.

Regio 20:. Gooi en Vechtstreek [Vervallen per 01-10-2016]

Blaricum, Bussum, Eemnes, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren.

Regio 21:. Agglomeratie Amsterdam [Vervallen per 01-10-2016]

Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam/Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad, Zeevang.

Regio 22:. West-Friesland [Vervallen per 01-10-2016]

Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Stede Broec.

Regio 23:. Kop van Noord-Holland [Vervallen per 01-10-2016]

Den Helder, Harenkarspel, Hollands Kroon, Schagen, Texel, Zijpe.

Regio 24:. Noord-Kennemerland [Vervallen per 01-10-2016]

Alkmaar, Bergen (NH), Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk,

Schermer.

Regio 25:. West-Kennemerland [Vervallen per 01-10-2016]

Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen, Zandvoort.

Regio 26:. Zuid-Holland-Noord [Vervallen per 01-10-2016]

Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Kaag en Braassem, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Zoeterwoude.

Regio 27:. Zuid-Holland-Oost [Vervallen per 01-10-2016]

Alphen aan den Rijn, Bergambacht, Boskoop, Gouda, Nieuwkoop, Schoonhoven, Vlist, Waddinxveen, Nederlek, Ouderkerk, Rijnwoude, Zuidplas, Bodegraven-Reeuwijk.

Regio 28:. Haaglanden/Westland [Vervallen per 01-10-2016]

Delft,’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland, Zoetermeer.

Regio 29:. Rijnmond [Vervallen per 01-10-2016]

Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Dirksland, Goedereede, Hellevloetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Middelharnis, Oostflakkee, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne.

Regio 30:. Zuid-Holland-Zuid [Vervallen per 01-10-2016]

Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik Ido Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Nieuw Lekkerland, Oud Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik, Zwijndrecht.

Regio 31:. Oosterschelde Regio [Vervallen per 01-10-2016]

Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen.

Regio 32:. Walcheren [Vervallen per 01-10-2016]

Middelburg, Veere, Vlissingen.

Regio 33:. Zeeuwsch-Vlaanderen [Vervallen per 01-10-2016]

Hulst, Sluis, Terneuzen.

Regio 34:. West-Brabant [Vervallen per 01-10-2016]

Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Drimmelen, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Steenbergen, Rucphen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert.

Regio 35:. Midden-Brabant [Vervallen per 01-10-2016]

Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk.

Regio 36:. Noord-Oost-Brabant [Vervallen per 01-10-2016]

Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Maasdonk, Mill en St. Hubert, Oss, Schijndel, St. Anthonis, St. Michielsgestel, St. Oedenrode, Uden, Veghel, Vught.

Regio 37:. Zuidoost-Brabant [Vervallen per 01-10-2016]

Asten, Bergeyk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre.

Regio 38:. Gewest Limburg-Noord [Vervallen per 01-10-2016]

Beesel, Bergen, Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray, Weert.

Regio 39:. Gewest Zuid-Limburg [Vervallen per 01-10-2016]

Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal.

Bijlage D. behorende bij artikel 23c van de Regeling regionale aanpak vsv en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Aanvraagformulier subsidie experimenteel onderzoek VSV [Vervallen per 01-10-2016]

Contactgegevens

1. Contactgegevens aanvragende mbo-instelling

Naam mbo-instelling

 

BRIN-nummer

 

Naam RMC-regio

 

Correspondentieadres mbo-instelling

 

Naam bevoegd persoon van de mbo-instelling

 

Naam contactpersoon

 

Functie contactpersoon

 

E-mailadres contactpersoon

 

Telefoonnummer contactpersoon

 

2a. Contactgegevens overige aan het experiment deelnemende onderwijsinstellingen (indien van toepassing)

Naam instelling

 

RMC-regio

 

BRIN-nummer

 

Naam contactpersoon

 

2b. Contactgegevens overige aan het experiment deelnemende onderwijsinstellingen (indien van toepassing)

Naam instelling

 

RMC-regio

 

BRIN-nummer

 

Naam contactpersoon

 

2c. Contactgegevens overige aan het experiment deelnemende onderwijsinstellingen (indien van toepassing)

Naam instelling

 

RMC-regio

 

BRIN-nummer

 

Naam contactpersoon

 

Het experiment [Vervallen per 01-10-2016]

  • 3. Welke thema betreft het experiment waarvoor u subsidie aanvraagt?

    Kruis het antwoord aan dat van toepassing is. U kunt slechts één thema kiezen.
    • Plusvoorziening

    • Loopbaanoriëntatie- en begeleiding

    • Geïntegreerde overgang vmbo-mbo

    • Intake

    • Verzuimbeleid

  • 4. Wat is het experiment waarvoor u subsidie aanvraagt?

    Beschrijf kort de nieuw in te richten variant.
     
     
     
     
     
  • 5a. Wat is het beleid dat nu op dit thema wordt uitgevoerd? In hoeverre wijkt de nieuw in te richten variant waar de experimentgroep mee te maken krijgt af van het beleid waarmee de controlegroep te maken krijgt?

     
     
     
     
     
  • 5b. Op welke manier heeft u geverifieerd dat de nieuw in te richten variant niet eerder is uitgevoerd in de betrokken RMC-regio?

     
     
     
     
     
  • 6. Wat zijn de beoogde activiteiten en tijdsplanning van de nieuwe variant?

    Zet de activiteiten en tijdsplanning per activiteit in onderstaand schema. Beschrijf bij de uitvoeringsfase ook de activiteiten die u (bij gebleken succes) gaat uitvoeren voor het verspreiden van kennis en ervaringen met de variant, het overdragen van (onderdelen van) de variant aan andere onderwijsinstellingen en structurele toepassing van de variant.
    Fase 1 (voorbereidingsfase), periode ...... t/m ..........:

    WAT

    WANNEER

     

    RESULTAAT

    WIE

    activiteit 1 (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    activiteit 2 (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    activiteit 3

    (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    Etc.

    Fase 2 (Uitvoeringsfase), periode ...... t/m ..........:

    WAT

    WANNEER

     

    RESULTAAT

    WIE

    activiteit 1 (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    activiteit 2 (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    activiteit 3

    (korte beschrijving geven)

    van ... tot ....

    eventueel tussenresultaat

    eindresultaat

    door wie:

    Etc.

  • 7a. Wat is de verwachte omvang van de experimentgroep en de controlegroep?

     
     
     
     
     
  • 7b. Geef een globale beschrijving (leeftijdscategorie, opleidingsniveau, etc.) van de groep die deelneemt aan het experiment.

     
     
     
     
     
  • 8. Wat zijn mogelijke risico’s ten aanzien van de haalbaarheid van (onderdelen van) de variant en het onderzoek? Beschrijf eventuele maatregelen om deze risico’s te beheersen.

     
     
     
     
     
  • 9. Geef aan waarom de voorgestelde variant naar verwachting effectief zal zijn.

    Beschrijf de steun uit (buitenlands) wetenschappelijk onderzoek of vanuit praktijkervaring. Geef tevens de verhouding aan tussen de verwachte kosten van de variant en de te verwachten inhoudelijke opbrengsten?
     
     
     
     
     
  • 10. Beschrijf waarom de variant, of onderdelen daarvan, overdraagbaar is naar andere onderwijsinstellingen. Beschrijf tevens de mogelijkheden om de variant structureel (zonder overheidsfinanciering) toe te passen in het onderwijs.

  • 11. Het experiment wordt begeleid door het Centraal Planbureau. Om te kunnen garanderen dat het experiment op een wetenschappelijke manier wordt uitgevoerd, dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. U dient bereid te zijn om:

    • a. een algemeen coördinator aan te stellen die dient als aanspreekpunt voor de onderzoekers, toeziet op de juiste uitvoering van het experiment en verantwoordelijk is voor het verzamelen van de benodigde gegevens voor de onderzoekers.

    • b. de deelnemers door middel van loting toe te laten wijzen aan de experimentele of controlegroep.

    • c. de loting te laten uitvoeren door het Centraal Planbureau.

    • d. de voortgang van het experiment jaarlijks te laten evalueren door het Centraal Planbureau.

    • e. de details van de uitvoering van het experiment tijdens de voorbereiding en naar aanleiding van de eerste tussenresultaten aan te passen op verzoek van het Centraal Planbureau.

    • f. diverse gegevens (zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en etnische achtergrond) van de deelnemers te leveren met waarborging van de privacy.

    • g. vragenlijsten voor te leggen aan de deelnemers van de experiment- en controlegroep. Hierbij hoort ook een cognitieve vaardigheden test.

    • h. gesprekken te organiseren tussen het Centraal Planbureau, personeel en deelnemers van de experiment- en controlegroep.

      Bent u bereid om aan alle voorwaarden (a t/m h) te voldoen?

      • Ja

      • Nee

Ondertekening [Vervallen per 01-10-2016]

Naam bevoegd persoon van de mbo- instelling

 

Plaats

 

Datum

 

Handtekening

 

Dit aanvraagformulier kunt u digitaal invullen via www.duo.nl/zakelijk en vervolgens printen ter ondertekening.

U dient dit aanvraagformulier uiterlijk 1 november 2012 zowel schriftelijk (in enkelvoud) als digitaal in te dienen op het volgende adres:

DUO

Afdeling MUO

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

De digitale versie kunt u mailen naar: muo@duo.nl.

Bijlage E. behorende bij artikel 10, vierde lid, van de Regeling regionale aanpak vsv en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

Aanvraagformulier Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs [Vervallen per 01-10-2016]

1. Contactgegevens [Vervallen per 01-10-2016]

1a Gegevens van de RMC-regio

Nummer RMC-regio

 

Naam RMC-regio

 

Naam VSV-accountmanager (van OCW)

 

Gevraagde subsidie voor de RMC-regio

 

1b Contactgemeente van de RMC-regio

Contactgemeente

 

Naam verantwoordelijke wethouder contactgemeente

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1c Contactschool van de RMC-regio

Naam contactschool

 

BRIN-nummer

 

Voorzitter College van Bestuur

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1d Contactpersoon RMC-contactgemeente

Naam

 

Functie

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

1e Contactpersoon contactschool

Naam

 

Functie

 

Postadres

 

Telefoonnummer

 

E-mailadres

 

2. Maatregelen [Vervallen per 01-10-2016]

Per maatregel beantwoordt u de vragen A t/m D

A. Gevraagd subsidiebedrag

Wat is het totaalbedrag voor het schooljaar 2015–2016?

Een specificatie van de verwachte uitgaven dient u bij vraag 3 (Begroting) te geven,

B. Doelstelling kwalitatief (maximaal 200 woorden)

  • 1. Op welke doelgroep is deze maatregel gericht? Een doelgroep kan één van de zes onderwijssoorten en onderwijsniveaus zijn, overeenkomstig de prestatiesubsidies voor scholen.

  • 2. Wat gaat deze maatregel verbeteren?

  • 3. Wat is de activiteit?

C. Doelstelling kwantitatief (maximaal 50 woorden)

  • 1. Op hoeveel verschillende deelnemers wordt deze maatregel maximaal ingezet gedurende de gehele looptijd van de subsidieregeling?

  • 2. Welk bedrag zet u in per deelnemer? (Deel het bedrag bij A door het aantal bij C1.)

D. Duur

Wat is de duur van de maatregel?

3. Begroting [Vervallen per 01-10-2016]

Beheerskosten

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

  Subtotaal beheerskosten

 
Maatregel 1 ‘titel maatregel’

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

  Subtotaal maatregel 1 ‘titel maatregel’

Maatregel 2 ‘Plusvoorziening, subtitel’

Kostenposten

Kosten

   

 

 

 

 

  Subtotaal maatregel 2 ‘Plusvoorziening, subtitel’

Enzovoorts
 
Totaal van de maatregelen ‘Plusvoorziening, subtitel’

Totaal van de beheerskosten en alle maatregelen

Indien van toepassing

RMC-regio ... besteedt minder dan 75% van het indicatieve bedrag voor de plusvoorzieningen aan plusvoorzieningen, omdat ... (maximaal 200 woorden)

4. Ondertekening [Vervallen per 01-10-2016]

Naam bevoegd persoon van de contactschool

 

Plaats

 

Datum

 

Handtekening

 

Naam verantwoordelijke wethouder van de RMC-contactgemeente van de RMC-regio

 

Plaats

 

Datum

 

Handtekening

 

Toelichting op het aanvraagformulier [Vervallen per 01-10-2016]

Onderwijsinstellingen en RMC-contactgemeenten werken in het verlengingsjaar 2015–2016 samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst. Dit is een voorwaarde om de subsidie voor de uitvoering van het regionaal programma en de plusvoorzieningen te ontvangen. Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst dient samen met het regionaal programma aan de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te worden verzonden.

Aansluiting op regionale analyse 2012–2015

Zonder een scherp beeld van de situatie in de regio is het niet mogelijk effectieve maatregelen te nemen voor resultaat in 2016. Succesvol vsv-beleid is en blijft een kwestie van ‘sturen op cijfers’. Daarom heeft u eerder, al dan niet in afstemming met de convenantpartners, een regionale analyse voor de jaren 2012–2015 opgesteld en met uw vsv-accountmanager besproken. Voor het verlengingsjaar 2015–2016 hoeft u geen nieuwe regionale analyse op te stellen. U baseert uw voorstellen voor maatregelen vanzelfsprekend wel op de eerdere analyse van de vsv-problematiek en de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van uw regio. Uw vsv-accountmanager kan u hierbij ondersteunen.

U heeft het schriftelijk verslag van uw regionale analyse naar het onderzoeksbureau opgestuurd. Het onderzoeksbureau heeft dit verslag gebruikt voor de evaluatie van de subsidieregeling. Meer informatie over het onderzoek zal beschikbaar komen op de website www.aanvalopschooluitval.nl. Het verlengingsjaar 2015–2016 maakt geen onderdeel uit van deze evaluatie. Het onderzoeksbureau evalueert dus ook niet de maatregelen die uw regio in het schooljaar 2015–2016 neemt. Momenteel wordt bekeken hoe, met het oog op de toekomst, lering uit de regionale maatregelen kan worden getrokken.

Maatregelen

Bij de beantwoording van deze vraag dient u in te gaan op de maatregelen die in uw RMC-regio worden genomen. U bent vrij in het aantal maatregelen dat u opvoert. Daarbij geven we u in overweging dat het weinig effectief is om veel ‘kleine’ maatregelen zonder samenhang op te voeren of om uiteenlopende maatregelen te bundelen tot één ‘grote’ maatregel. Bepaal in overleg met uw vsv-accountmanager over hoeveel projecten u hier het totale subsidiebedrag verdeelt. Het aantal maatregelen hangt normaliter samen met het totaalbedrag van de beschikbare subsidie: grotere RMC-regio’s voeren naar verwachting meer maatregelen op dan kleinere RMC-regio’s.

U geeft per maatregel het totaalbedrag aan voor het schooljaar 2015–2016. De toegekende middelen worden uitgekeerd in december 2015. U bent zelf verantwoordelijk voor eventuele verschillen in de financiering en het uitgavenpatroon. Voor elke maatregel die uw RMC-regio wil nemen dient u de vragen A tot en met D te beantwoorden.

Let op: Minstens één van de maatregelen dient een plusvoorziening te omvatten, bestemd voor overbelaste jongeren. Deze maatregel moet als titel krijgen ‘Plusvoorziening, subtitel’, bijvoorbeeld ‘Plusvoorziening, Rebound mbo’. Het indicatieve bedrag voor de plusvoorziening in uw RMC-regio volgt uit de subsidieregeling in combinatie met informatie die u krijgt van uw vsv-accountmanager. Mocht uit uw analyse blijken dat er minder dan het indicatieve bedrag besteed moet worden aan de plusvoorziening om het vsv-resultaat te halen, dan mag het resterende budget ook voor andere maatregelen worden ingezet.

Begroting

Ten eerste specificeert u de kosten die u begroot voor de beheers- en coördinatiekosten. Hierin zijn opgenomen de overkoepelende beheers- en coördinatiekosten en de beheers- en coördinatiekosten van specifieke maatregelen. Uit artikel 9 van de subsidieregeling blijkt dat het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool niet hoger dan tien procent van de toegekende subsidie mag zijn met een maximum van € 150.000 per jaar.

Vervolgens specificeert u de verwachte kosten voor de maatregel(en) met de titel(s) ‘Plusvoorziening, subtitel’. Tot slot specificeert u de begrote kosten voor de overige maatregelen.

U geeft aan wat voor kosten u verwacht te maken. Dit kunnen personele of materiële kosten zijn.

Bij inzet van minder dan 75 procent van het budget dat indicatief beschikbaar is voor de plusvoorziening aan plusvoorzieningen dient u dit te motiveren in het tekstvak (maximaal 200 woorden).