Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling Protocol inzake de beheers- en beleidsmatige positie van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Protocol KIM)

Geldend van 01-01-2012 t/m heden

Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 december 2011, nr. IENM/BSK-2011/163545, houdende vaststelling van het Protocol inzake de beheers- en beleidsmatige positie van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Protocol KIM)

I. Algemeen

  • 1 Het KiM is een onafhankelijke eenheid binnen het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), die strategische kennisproducten levert ten behoeve van de beleidsvorming op het gebied van mobiliteit. Dat betekent dat (het formuleren van) strategische kennisvragen een essentieel onderdeel moet zijn van het beleidsproces. Daarmee kan de kwaliteit van de strategische beleidsontwikkeling toenemen.

    Het KiM stelt onafhankelijke, wetenschappelijk verantwoorde verkenningen en analyses op die relevant zijn voor de beleidsvorming op het gebied van mobiliteit. Door het KiM verricht onderzoek dient inhoudelijk onafhankelijk te zijn van het beleid, omdat beleidsonderzoek een verkennend en toetsend karakter heeft. Met onderzoek kan worden nagegaan in hoeverre het (voorgenomen of gevoerde) beleid bijdraagt aan overheidsdoelstellingen. Als de uitkomsten van deze toetsing worden beïnvloed door het beleid zelf, kan deze toetsende rol niet adequaat worden vervuld. Spelregels om de inhoudelijke onafhankelijkheid van het KiM te waarborgen zijn opgenomen in dit protocol.

  • 2 De wijze waarop het KiM zijn taken uitvoert en de wijze waarop het daarbij samenwerkt met de beleidsdirectoraten-generaal, Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport, vereisen goede afspraken waarbij de respectievelijke beleids- en beheersverantwoordelijkheden duidelijk zijn aangegeven. Deze regeling voorziet daarin. Voorts schetst deze regeling de kaders voor de samenwerking tussen het KiM en de planbureaus. Ook de relatie met de Tweede Kamer wordt beschreven.

II. Taken

  • 1 Het KiM levert een wetenschappelijke bijdrage aan de ontwikkeling en evaluatie van beleid. Dit geschiedt door:

    • a. het zelf uitvoeren van onderzoek en analyses;

    • b. het bijeenbrengen en bewerken van elders geproduceerde kennis of informatie op het gebied van mobiliteit.

      Aan deze hoofdtaken zijn een aantal afgeleide taken verbonden:

    • c. het adviseren omtrent de aard en omvang van wetenschappelijke ondersteuning bij de beantwoording van beleidsvragen;

    • d. het verlenen van opdrachten voor het verrichten van extern onderzoek voor IenM;

    • e. het aangeven van de mogelijke consequenties van beleidskeuzes;

    • f. het actief verspreiden van (internationale) kennis.

III. Aansturingskaders

Bij de uitvoering van zijn taken als een onafhankelijke eenheid binnen het ministerie van IenM geldt dat op het KiM de algemene bevoegdheden en verplichtingen van toepassing zijn die voor iedere IenM-dienst gelden. In de hierna volgende paragrafen worden de bijzondere regelingen beschreven die met betrekking tot de beleids- en beheersmatige aansturing gelden voor het KiM.

  • 1 De onderzoekportefeuille van het KiM wordt grotendeels vraaggestuurd gevuld. Ten aanzien van deze `onderzoekagenda' dient een onderscheid gemaakt te worden tussen a) de langere termijn onderzoekprogrammering met een thematisch karakter en b) de besluitvorming met betrekking tot acute, niet-geprogrammeerde onderzoekwensen.

  • 2 Een goede onderzoekprogrammering is van vitaal belang. In de eerste plaats wordt in het proces van programmeren op gestructureerde wijze helderheid verkregen over de behoeften bij het beleid aan wetenschappelijk gefundeerde kennis. Door het thematisch bundelen van de diverse concrete behoeften kan, in de tweede plaats, het wetenschappelijk onderzoek worden verdiept en wordt de cumulatie van kennis bevorderd. In de derde plaats verschaft het onderzoekprogramma een beoordelingskader voor de te ondernemen onderzoekactiviteiten en is het tevens een sturingsinstrument voor de eigen organisatie: op welke wijze en met welke middelen zal uitvoering aan de programmering worden gegeven?

Communicatie binnen IenM

  • 3 Het KiM communiceert actief met andere delen van het ministerie van IenM door middel van presentaties, gesprekken en informele contacten. De directeur van het KiM is agendalid van de Bestuursraad, zodat hij zich kan oriënteren op de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsoverwegingen. Alle producten van het KiM worden – al dan niet in samengevatte vorm – ter kennis gebracht van de departementsleiding en worden besproken met de leiding van de dienstonderdelen die het aangaat.

Werkplan

  • 4 De inhoudelijke sturing krijgt invulling door de ontwikkeling van een strategisch onderzoekbeleid. Dit komt tot uiting in een jaarlijks werkplan van het KiM. Het werkplanproces kent de volgende drie fasen:

    • a. Inventarisatie.

      Op basis van het vele informele overleg dat zowel rond het interne als het externe onderzoek plaatsvindt, en van de besprekingen over de voortgang van onderzoekondersteuning op de diverse beleidsprogramma's en taakterreinen kan een eerste inventarisatie worden opgemaakt van de belangrijkste strategische beleidsproblemen en de hieraan gekoppelde behoeften aan wetenschappelijke ondersteuning. Gelijktijdig hieraan kan, bijvoorbeeld met behulp van brainstormsessies en strategische beleidsconferenties, reeds informeel bij de leiding van de IenM-onderdelen over de aard van de wetenschappelijke bijdragen aan IenM-beleid worden gesproken. Het is hierbij van belang dat naast concrete onderzoekwensen vooral ook te onderzoeken trends, toekomstige beleidsonderwerpen, maatschappelijke ontwikkelingen die voor IenM van belang zijn, etc., worden opgetekend. De Strategische Kennis- en Innovatie-agenda van IenM fungeert als een belangrijke basis voor deze inventarisatie.

      Deze `ruwe' inventarisatie wordt door het KiM verwerkt: er vindt een thematische bundeling plaats en van concrete onderzoekwensen wordt nagegaan of deze onderzoekwaardig (is over het onderwerp inderdaad nog onvoldoende bekend?) en onderzoekbaar (kan onderzoek antwoord geven op de gestelde vragen?) zijn. Tevens wordt een indicatie gegeven van de termijn waarbinnen de gevraagde kennis wordt opgeleverd en de mate waarin het KiM in de productie van de kennis investeert.

    • b. Advisering.

      De aldus `veredelde' inventarisatie wordt vervolgens in een formele adviesronde voorgelegd aan onder meer de Programmaraad (zie punt 8) van het KiM. In deze ronde dient vooral op mogelijke blinde vlekken gelet te worden en dient beoordeeld te worden welk gewicht de aangedragen thema's hebben gelet op het belang voor de beleidsvorming op (middel)lange termijn. Dit advies wordt verwerkt in een document dat wordt besproken met de departementsleiding.

    • c. Besluitvorming.

      De secretaris-generaal stelt het document vast.

Ongevraagd onderzoek

  • 6 Het KiM kan naast gevraagde beleidsonderzoeken ook ongevraagde onderzoeken uitvoeren. Deze worden opgenomen in de onderzoeksprogrammering. Als het KiM een ongevraagd onderzoek uitvoert, wordt de departementsleiding daarover door het KiM geïnformeerd.

Onderzoek in opdracht van anderen

  • 7 Verzoeken aan het KiM tot het doen van onderzoek door instanties die niet vallen binnen het ambtsbereik van de minister van IenM (aan te duiden als externen) worden afgewogen in samenhang met het vastgestelde onderzoekprogramma. Dit geldt ook ten aanzien van vragen die vanuit de Tweede Kamer aan de minister worden gesteld om het KiM onderzoeken te doen verrichten en voor onderzoek ter ondersteuning van het werk van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur. De departementsleiding beoordeelt dergelijke verzoeken. Daarbij gelden de volgende criteria:

    • a. het gevraagde onderzoek is een afgeleide van eerder door het KiM verricht onderzoek.

    • b. het gevraagde externe onderzoek vormt in afgeleide zin een aanvulling op c.q. versterking van door het KiM verricht of nog te verrichten onderzoek;

    • c. extern onderzoek mag niet ten koste gaan van de primaire taakstelling;

    • d. de omvang van te verrichten extern onderzoek mag in geld uitgedrukt niet meer belopen dan 10% van het totale KiM-budget.

Afstemming met de Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat

  • 8 Ook de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat houdt zich bezig met vragen die het beleid ondersteunen. In zijn algemeenheid geldt dat vragen met een strategische of wetenschappelijke achtergrond primair bij het KiM zullen worden behandeld en vragen met een meer tactisch-operationele achtergrond bij de DVS.

Programmaraad

  • 9 De Programmaraad van het KiM bestaat uit vertegenwoordigers van de beleidsdirectoraten-generaal, de Inspectie Leefomgeving en Transport en Rijkswaterstaat.

    De Programmaraad heeft een belangrijke rol bij de totstandkoming van het werkplan van het KiM. Zoals hiervoor beschreven in punt 5, wordt in intensieve interactie met de beleidsonderdelen van IenM een inventarisatie gemaakt van de onderzoekswensen. Het is van belang dat deze inventarisatie door vertegenwoordigers op hoog niveau vanuit de beleidsonderdelen, vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport en vanuit RWS wordt bezien op compleetheid.

Wetenschappelijke normen

  • 10 De resultaten van het werk van het KiM worden bepaald door de eisen van wetenschappelijke kwaliteit. Het KiM wordt geleid door een hoogleraar of iemand met vergelijkbare kwaliteiten.

  • 11 De kwaliteit van het werk van het KiM wordt geborgd door een systeem van externe audits. Dit kan via ‘peer reviews’ of visitaties door (beleids)onderzoekers van buiten IenM. Het gaat met name om gerenommeerde wetenschappers en deskundigen bij andere planbureaus. De bevindingen van de externe audits worden gepubliceerd.

  • 12 De medewerkers van het KiM nemen deel aan het (internationaal) wetenschappelijk forum.

IV. Voorlichting, publiciteit en externe contacten

  • 1 De minister en zijn ambtenaren respecteren de uitkomsten van de door het KiM uitgevoerde onderzoeken. Zij verstrekken geen dienstopdrachten aan het KiM om formuleringen, uitkomsten, onderzoeksmethoden of veronderstellingen te veranderen.

  • 2 De onderzoeken van het KiM zijn in principe openbaar en worden geplaatst op de eigen website van het KiM. Het tijdstip van publicatie is in beginsel niet later dan drie maanden na afronding van het onderzoek. In voorkomende gevallen kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de onderzoeken deel uitmaken van de voorbereiding van een grote beleidsnota, waarbij alle relevante onderzoeksrapporten gelijktijdig met het uitbrengen van de nota worden gepubliceerd. In zulke gevallen zal overleg met de departementsleiding plaatsvinden. Op actieve en passieve openbaarmaking is te allen tijde de Wet Openbaarheid van Bestuur van toepassing.

  • 3 Door middel van publicatie van dit protocol in de Staatscourant wordt vastgelegd dat de inhoud van de publicaties van het KiM niet het standpunt van de minister van IenM behoeven weer te geven.

  • 4 De persvoorlichting over KiM-rapporten en de beleidsmatige implicaties daarvan wordt verzorgd door de Directie Communicatie van IenM.

  • 5 Directie en medewerkers van het KiM kunnen desgevraagd worden betrokken bij het werk van adviesorganen, zoals de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur. In deze situaties zal de nadruk meestal liggen op het verstrekken van gegevens, uitvoeren van wetenschappelijke analyses en opstellen van prognoses.

  • 6 Medewerkers die namens het KiM optreden, volgen terzake de instructies van de directeur van het KiM. Zij informeren de Directie Communicatie over contacten met de pers of voorgenomen publicaties. Zij leggen bij publiek optreden het accent op beschrijvingen, analyses en prognoses. Zij kiezen geen positie in partijpolitieke debatten en onthouden zich van uitspraken over puur politieke kwesties of personen.

  • 7 Bij verzoeken van derden die op basis van openbaar of gepubliceerd materiaal kunnen worden beantwoord, wordt de informatie als vorm van publieksvoorlichting verschaft. Externe verzoeken om aanvullende analyses en doorrekening worden volgens de hiervoor in dit Protocol omschreven wijze behandeld.

V. Samenwerking met de planbureaus en de Dienst Verkeer en Scheepvaart

  • 1 Het KiM werkt intensief samen met de planbureaus CPB, SCP en PBL. Producten als verkenningen worden in hoge mate gebaseerd op onderzoek dat door de planbureaus wordt uitgevoerd. Over de programmering wordt overleg gevoerd met de planbureaus.

  • 2 Er wordt gestreefd naar projectmatige samenwerking met de planbureaus. Uitwisseling van medewerkers wordt nagestreefd.

  • 3 Met de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) worden afspraken gemaakt over taakverdeling en samenwerking. De door DVS verzamelde basisinformatie, de DVS-modellen en de resultaten van andere DVS-studies zullen belangrijke bronnen van kennis vormen voor het KiM. In de afspraken met DVS wordt snelle en directe toegang tot deze bronnen gewaarborgd.

Dit protocol treedt in werking op 1 januari 2012.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen