Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Richtlijn voor Strafvordering Regelgeving Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Beleidsterrein Veterinair

Geldend op 04-03-2012

[Regeling vervalt per 31-05-2013]


  • Richtlijn voor Strafvordering Regelgeving Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Beleidsterrein Veterinair
  • Achtergrond

  • Het Openbaar Ministerie kan via het aanbieden van een transactie – artikel 74 Wetboek van Strafrecht (WvSr) – , een strafbeschikking – artikel 257a Wetboek van strafrecht – of via dagvaarding een strafzaak afhandelen. Voor gedragingen, als economisch delict strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (WED), geeft art. 36 WED de mogelijkheid extra voorwaarden te stellen.

    Indien het Openbaar Ministerie een zaak afdoet met inachtneming van bovengenoemde artikelen, zal het voorwaarden stellen bij vrijwillige voldoening waarna het recht tot strafvordering vervalt. Met het oog op de gewenste eenheid in strafvorderingsbeleid in strafzaken heeft het College van procureurs-generaal de onderhavige aanwijzing gegeven.

    Recente voorvallen in de voedselindustrie hebben voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. Zowel het toenemende aantal BSE-gevallen als dierziekte-uitbraken hebben een grote invloed op zowel de landbouweconomie als op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van de producten afkomstig uit de vleesindustrie. Veilige voedingsmiddelen beginnen met diervoeders van voldoende kwaliteit. Ook gebruik van diergeneesmiddelen kan van invloed zijn op humane voedingsproducten.

    De maatschappelijke opvattingen over dierenwelzijn zijn veranderd. Regelgeving door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna ook: EL&I) bestrijkt, onder meer, het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn. Beleidsterreinen die van een enorme maatschappelijke en economische importantie zijn gebleken. Het is dan ook van belang de handhaving van genoemde regelgeving te blijven toetsen aan de maatschappelijke en economische impact.

    Deze richtlijn geeft regels voor het vervolgingsbeleid in het geval de regelgeving op het beleidsterrein ‘veterinair’ niet wordt nageleefd. Het beleidsterrein ‘veterinair’ omvat veiligheid van voedsel van dierlijke oorsprong, diergezondheid, dierenwelzijn, diervoeders en diergeneesmiddelen.

    De afspraken inzake verbaliseringsbeleid tussen OM en de Algemene Inspectiedienst – een bijzondere opsporingsdienst van het Ministerie van EL&I – zijn eveneens in de onderhavige richtlijn opgenomen.

  • Afwijking aangegeven bedragen

  • De aangegeven bedragen zijn bedoeld voor standaardzaken. Onder standaardzaken worden verstaan zaken die een minder ernstig karakter dragen – bijvoorbeeld omdat de verdachte ‘first offender’ is, of omdat hem slechts een gering verwijt kan worden gemaakt – of als blijkt dat de verdachte ernaar streeft de overtredingstoestand te beëindigen. Binnen de door de wet gestelde grenzen kan worden afgeweken van de aangegeven bedragen, hetzij naar beneden, hetzij naar boven, indien de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd daartoe aanleiding geven. Daarnaast geldt onverkort de Aanwijzing ontneming.

  • Polaris

  • In de onderhavige richtlijn voor strafvordering wordt gebruik gemaakt van het Polaris-puntensysteem, zoals beschreven in de Aanwijzing Kader voor strafvordering. Voor de waarde van één sanctiepunt wordt verwezen naar genoemde aanwijzing.

    In de richtlijn zijn voor de opgenomen delicten de basispunten aangegeven. Deze basispunten kunnen verhoogd worden al naar gelang de beoordelingsfactoren die een rol hebben gespeeld bij de betreffende overtreding. De eis ter zitting/Transactiebedragen is de uitkomst van deze weging in Polaris-punten.

    Van deze richtlijn kan slechts gemotiveerd worden afgeweken. Voor de vertaling van de geldelijke strafeis naar gevangenisstraf wordt verwezen naar de Aanwijzing kader voor strafvordering.

    Een overtreding van de regelgeving van het ministerie van EL&I levert, behoudens uitzonderingen, een economisch delict op.

    In het algemeen geldt in geval van overtreding van regelgeving die als economisch delict strafbaar is gesteld dat aan de hand van het totaal aantal strafpunten de sanctie bepaald wordt. Gezien de aard van de delicten geldt bij het bepalen van de op te leggen sanctie de afnemendstrafnutregeling niet.

    Ook gezien de aard van de delicten kan ingeval van economische en milieudelicten zonder beperking een geldtransactie worden aangeboden. Indien de zaak toch voor de rechter gebracht wordt, kan ongeacht de hoeveelheid sanctiepunten een geldboete worden geëist. Waar van belang wordt bij het desbetreffende hoofdstuk aangegeven in welke gevallen van deze algemene waardering afgeweken wordt/kan worden.

    Voor de verdere toelichting op de waarde van de sanctiepunten en de bepaling van de transactie, geldboete of richteis wordt verwezen naar het Polaris-kader voor strafvordering.

  • Beoordelingsfactoren

  • Basisfactoren

      

    professionaliteit

    particulier (niet in het kader van een bedrijf handelend)

    – 50%1

     

    bedrijfsmatig (handelend binnen de kaders van beroepsuitoefening)

    + 100%2

    incidenteel/structureel

    evident incidenteel

    – 50%

     

    evident structureel

    + 100%

    1 Een aan te bieden transactie/te eisen boete wordt gehalveerd aangezien een persoon, die slechts hobbymatig dieren houdt enz. maar desondanks onder de betreffende regeling valt, een minder ernstig verwijt treft.

    2 Een aan te bieden transactie/te eisen boete wordt verdubbeld ingeval van bedrijfsmatig handelen aangezien een bedrijfsmatig houder enz. op de hoogte zal/moet zijn van de regelgeving; producten van bedrijfsmatig gehouden dieren komen in de productieketen, ook vanuit dit oogpunt is zorgvuldig handelen een vereiste; een bedrijfsmatig houder treft derhalve een groter verwijt.

    Delictspecifieke factoren

     

    overtreding tijdens viervoeterincident

    +100%

    overtreding tijdens een dierziektecrisis

    +100%

      

    Recidive

     

    eenmalig

    +50%

    meermalig

    +100%

    Bovenstaande beoordelingsfactoren zijn van toepassing, tenzij in de desbetreffende paragraaf anders is bepaald.

  • Transactie, strafbeschikking of dagvaarden

  • Het is ter beslissing aan de officier van justitie of een zaak via transactie, strafbeschikking of behandeling ter zitting wordt afgedaan. Voor sommige delicten zijn uitgangspunten geformuleerd voor de keuze tussen transactie en dagvaarden.

  • Transactiebedragen/Eis ter zitting

  • Deze richtlijn strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. eis ter zitting in geval van het niet naleven van de betreffende regelgeving.

    Bij niet betalen van een aangeboden transactie wordt voor het bepalen van de eis ter zitting het aangeboden transactiebedrag met 20% verhoogd. Deze regel geldt in beginsel niet bij verzet tegen een opgelegde geldboete door middel van een strafbeschikking (zie daarvoor de Aanwijzing OM-afdoening).

  • Meer strafbare feiten in een zaak

  • Indien sprake is van meer strafbare feiten in één strafdossier, dan dienen de door middel van Polaris bepaalde punten per feit bij elkaar opgeteld te worden. De formulering van een eis vindt plaats voor het totaal van de feiten in een zaak. Gezien de aard van de delicten geldt de afnemendstrafnutregeling niet voor economische delicten.

  • Economisch voordeel

  • Bij het opstellen van de in deze richtlijn opgenomen richtbedragen is primair rekening gehouden met de zwaarte van het geschonden belang dat de regeling beoogt te beschermen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat met dergelijke overtredingen pleegt te worden behaald, kan in voorkomende gevallen ook een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de strafmaat.

    Zodra met het gepleegde delict wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald moet in beginsel een ontnemingsvordering worden ingediend. Als bij de bepaling van de strafmaat het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel een rol heeft gespeeld, moet daar bij de ontnemingsvordering rekening worden gehouden.

  • Samenvatting

  • Deze richtlijn bestaat uit de hoofdstukken I t/m III.

    De respectievelijke hoofdstukken zien op wetgeving van het Ministerie van EL&I binnen het beleidsterrein ‘veterinair’, wetten met zowel commune delicten als wetten waarin opgenomen gedragingen die als economisch delict strafbaar zijn gesteld in de Wet op de Economische delicten.

  • Overgangsrecht

  • Deze richtlijn voor strafvordering is uitsluitend geldig ten aanzien van strafbare feiten gepleegd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

  • Hoofdstuk I. Destructiewet

  • Achtergrond

    Met het oog op de gewenste eenheid in het strafvorderingsbeleid ten aanzien van overtredingen van de Destructiewet zijn door het College van procureurs-generaal tarieven vastgesteld die landelijk als uitgangspunt dienen voor de bepaling van de bedragen die als transactie c.q. eis ter zitting worden gehanteerd. De onderhavige richtlijn ziet op de meest voorkomende overtredingen van regels die bij of krachtens de Destructiewet zijn gesteld. Deze regels betreffen het verbod op onttrekking van destructiemateriaal uit artikel 4 en de op basis van artikel 12 gestelde regels voor eigenaren en houders van destructiemateriaal.

    Laatstbedoelde regels zijn opgenomen in de Regeling dierlijke bijproducten.

    Wettelijk kader

    Overtreding van bij of krachtens de Destructiewet gestelde voorschriften is als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED).

    Gelet op de ernst van de consequenties van de overtreding zijn een aantal artikelen opgenomen in artikel 1a, onder 1 van de WED en een aantal artikelen in artikel 1a, onder 3 van de WED.

    De artikelen 4, 5, eerste en tweede lid en 23 zijn opgenomen in artikel 1a, onder 1 WED en zijn voor zover opzettelijk begaan misdrijven. In dat geval worden ze bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie; voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij economische overtredingen bedreigd met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie;

    de artikelen 3, eerste, tweede en derde lid, 4a, 6, 9, 10, eerste en vijfde lid, 11, 12, 13, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 15, 17 eerste lid, en 25, vierde lid van de Destructiewet zijn opgenomen in artikel 1a, onder 3 van de WED en zijn economische overtredingen; zij worden bedreigd met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

    Transactie/ eis ter terechtzitting

    De hoogte van de transactie verschilt ten aanzien van dezelfde overtreding naar gelang de soort destructiemateriaal. Dit onderscheid heeft te maken met een aantal factoren.

    Met betrekking tot een overtreding van art. 4 Destructiewet geldt het volgende:

    bij de keuze voor de hoogte van de aan te bieden transactie dan wel de te vorderen geldboete is rekening gehouden met de aantallen waarin de desbetreffende dieren gehouden worden, de grootte van het kadaver en de mate van risico die het onttrekken aan verwerking met zich brengt.

    Voor het ontrekken aan destructie van een paard is daarom in een hoger transactiebedrag voorzien dan voor het ontrekken aan de verwerking van een varken.

    Met betrekking tot schapen en runderen speelt het feit dat ze TSE- en BSE-gevoelige dieren zijn mee; kadavers van deze diersoorten leveren categorie 1-destructiemateriaal op, waarop het zwaarste regime van verwerking van toepassing is.

    Met betrekking tot een overtreding van artikel 12 Destructiewet geldt het volgende:

    schapen behoeven anders dan paarden, runderen en varkens geen dagelijkse verzorging. Daardoor bestaat er in het algemeen een verschil in verwijtbaarheid tussen het niet tijdig reageren op en/of melden van een kadaver van een schaap en van andere dieren. Daarnaast speelt bij kadavers van varkens, runderen en schapen het risico van dierziekteverspreiding een belangrijker rol dan bij kadavers van paarden.

    Vanwege het in beide gevallen aanzienlijke risico van dierziekteverspreiding is er ook geen onderscheid gemaakt tussen overtredingen met betrekking tot volwassen varkens en biggen.

    Slachtafval is als afzonderlijke categorie opgenomen.

    Deze richtlijn ziet niet op overtredingen met betrekking tot ander destructiemateriaal dan de expliciet genoemde categorieën.

    artikel 4 Destructiewet; onttrekken destructiemateriaal aan verwerking op het primaire bedrijf

    per varken

    12 pnt.

    per schaap/slachtafval

    30 pnt.

    per rund

    50 pnt.

    per paard

    20 pnt.

    Tot maximaal 5 dieren aanbieden transactie, onttrekken van destructiemateriaal van meer dan 5 dieren → dagvaarden.

    Waar sprake is van onttrekking van destructiemateriaal om andere dan economische motieven en er verwaarlozing van dieren in het spel is → dagvaarden.

    Ontrekken van destructiemateriaal anders dan op het primaire bedrijf (ter opwaardering) → dagvaarden.

    artikel 12 Destructiewet; geen aangifte doen van destructiemateriaal

     

    Per schaap

    5 pnt. + 2 pnt. voor elk schaap meer

    Per rund/ paard/ varken

    10 pnt. + 3 pnt. voor elk dier meer

      

    artikel 12 Destructiewet jo. artikel 2 Regeling dierlijke bijproducten; op verkeerde dag aanbieden van destructiemateriaal

     

    Basisbedrag

    10 pnt.

      

    artikel 12 Destructiewet jo. artikel 3 Regeling dierlijke bijproducten: niet goed afgedekt aanbieden destructiemateriaal bij tweede overtreding na een (geregistreerde) waarschuwing bij eerste overtreding)

     

    Per schaap

    10 pnt.

    Per rund/paard/varken1

    20 pnt.

      

    artikel 12 Destructiewet jo. artikel 3 Regeling dierlijke bijproducten: niet afgedekt aanbieden destructiemateriaal (bij eerste overtreding)

     

    Per schaap

    10 pnt.

    Per rund/paard/varken1

    20 pnt.

      

    Artikel 12 Destructiewet jo. artikel 2, lid 2 Regeling dierlijke bijproducten

    (materiaal dat op overeengekomen vaste dag in de week wordt opgehaald)

     

    Per eenheid/ton materiaal

    10 pnt.

    1 bij overtredingen met betrekking tot varkens geldt bij cumulatie een maximum van 50 pnt.

    Ten aanzien van overtreding van artikel 3 van de Regeling dierlijke bijproducten is een onderscheid gemaakt tussen het niet goed en het geheel niet afdekken van het destructiemateriaal. Het niet goed afgedekt zijn van het materiaal kan een andere oorzaak hebben dan onwilligheid bij de eigenaar of houder. In deze gevallen dient primair getracht te worden te bevorderen dat in de toekomst zorgvuldiger wordt gehandeld.

    Het geheel achterwege laten van afdekking gebeurt altijd opzettelijk en dient steeds tot een proces-verbaal te leiden.

    De cumulatieregeling bij overtredingen met betrekking tot varkens is opgenomen in verband met de in het algemeen intensieve wijze waarop deze dieren worden gehouden. De kans op het gelijktijdig met betrekking tot meerdere dieren niet naleven van de regels is groter dan bij dieren die in kleinere aantallen worden gehouden.

    Vanzelfsprekend kunnen de omstandigheden van het geval voor de officier van justitie aanleiding zijn om in een geval waarop de cumulatieregeling ziet toch een hoger transactiebedrag dan 50 pnt. te hanteren of zelfs tot dagvaarding over te gaan.

  • II.1. De zorg voor de gezondheid van dieren (GWWD hoofdstuk II)

  • De hierna ingevoegde richtlijnen voor strafvordering zijn gebaseerd op hoofdstuk II De zorg voor de gezondheid van dieren van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Deze richtlijn voor strafvordering voor de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bevat richtlijnen voor transactiebedragen en de eis ter zitting. De nadruk in het hoofdstuk met betrekking tot de zorg voor de gezondheid van dieren ligt op het weren van besmettelijke dierziekten.

    Afdeling 1 geeft bepalingen over de algemene gezondheidstoestand van dieren. Op basis van die bepalingen kunnen eisen worden gesteld aan bedrijfsinrichting, hygiëne, gebruik van antibiotica, bestrijding van ongedierte als ook een basis voor een identificatie- en registratiesysteem.

    Afdeling 3 geeft regels en de mogelijkheid regels te stellen tot het weren van besmettelijke dierziekten.

    De prioriteit bij de handhaving van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ligt bij het weren van besmettelijke dierziekten.

    Transactie of dagvaarden

    Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden.

    Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. Daarbij geldt dat in gevallen van (economische en) milieudelicten de hoogte van de aan te bieden transactie geen beletsel voor transigeren vormt.

    Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

    Van belang zijnde besluiten/ regelingen uit hoofdstuk II De zorg voor de gezondheid van dieren:

    Afdeling 1 Algemene gezondheidseisen

    Afdeling 3 De preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten

  • Afdeling 1. Algemene gezondheidseisen
  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 105 en 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en op artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

    Achtergrond

    Recente ontwikkelingen op het gebied van besmettelijke dierziekten onderstrepen de noodzaak van een adequaat functionerend systeem van identificatie en registratie. Door middel van een goed functionerend systeem inzake Identificatie & Registratie (I&R) kan de centrale overheid de volksgezondheid en de bestrijding van dierziekten adequater aanpakken. Bescherming van beide wordt als taak van de overheid gezien en om die reden is per 1 januari 2002 besloten het medebewind, met uitzondering van de I&R-paarden, inzake handhaving van het Productschap voor vee en vlees (PVV) te beëindigen.

    In de Regeling identificatie en registratie dieren 2003 werden een aantal wijzigingen doorgevoerd. Voor schapen en geiten betekende dit een I&R – plicht met ingang van 1 mei 2003 voor alle op een bedrijf aanwezige schapen en geiten. In de voorgaande periode gold die verplichting nog niet voor de al op een bedrijf aanwezige schapen en geiten ouder dan een maand. Hierdoor kon het voorkomen dat er op bedrijven ongemerkte schapen en geiten aanwezig waren die de handhaving bemoeilijkten en daarnaast fraudemogelijkheden creëerden. In de nieuwe Regeling identificatie en registratie van dieren (Stcrt. 15 december 2004, nr. 242, pag. 17) is dan ook gekozen voor een algehele merkplicht om een adequate tracering bij uitbraak van een besmettelijke dierziekte mogelijk te kunnen maken. Daarnaast wordt aan anderen dan de houder van een rund de mogelijkheid geboden om aan de hand van het voice response systeem in het I&R-rund na te gaan of er een verplaatsingsverbod op een rund rust. Op deze manier kunnen houders die een rund willen kopen zich ervan vergewissen of de te kopen runderen volledig geïdentificeerd en geregistreerd zijn. De Regeling geeft naast algemene regels inzake Identificatie & Registratie in een drietal paragrafen aparte regels voor de runderen (paragraaf 5), varkens (paragraaf 6) en schapen en geiten (paragraaf 8). In die paragrafen worden per diersoort onder andere eisen gesteld aan de manier waarop gemerkt moet worden. Daarnaast worden eisen gesteld aan de afvoer, het vervoer en de aanvoer van dieren van en naar een bedrijf en hoe het bedrijfsregister inzake I&R moet worden bijgehouden. In paragraaf 8 zijn vervolgens nog een aantal overige bepalingen opgenomen zoals de verboden ter zake het houden, verhandelen en verplaatsen van dieren in de artikelen 39 en 40.

    Artikel 39 verbiedt het houden, verhandelen, vervoeren, aan- of afvoeren van dieren die niet overeenkomstig de regeling I&R dieren 2003 zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd.

    Artikel 39 regardeert de dieren ten aanzien waarvan de overtreding is gepleegd.

    Artikel 40 verbiedt het aan- en afvoeren of verhandelen van runderen van bedrijven in situaties bedoeld in EG-Verordening 494/98 e.a.

    Artikel 40 regardeert de bedrijven in een nader bepaalde situatie.

    Deze richtlijn geeft regels voor de hoogte van transactie bedragen, voor het aanbrengen ter zitting en de eis ter zitting in geval van overtreding.

    Vervolgings-/verbaliseringsbeleid op basis van de Regeling identificatie en registratie van dieren

    In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

    • op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals omschreven;

    • in geval van recidive wordt verdachte gedagvaard;

    • bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;

    • bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;

    • in geval van overtreding van meer bepalingen van deze Regeling I&R wordt de verdachte gedagvaard;

    • indien de verdachte in de sfeer van de veehandel werkzaam is, dienen de tarieven met 25% te worden verhoogd omdat van hem een voorbeeldfunctie en extra zorgvuldigheid mag worden verwacht en hij veel met deze regels werkt;

    • op het afvoeren van niet-identificeerbare of niet-geregistreerde runderen wordt naast het ontnemen van het genoten voordeel gereageerd met een geldboete.

    Identificatie en registratie van runderen

    Merkplicht algemeen

     

    Het niet overeenkomstig de regeling registreren van dieren door houders, artt. 2, 4, 6

    11pnt./houder/uniek

    bedrijfsnummer (UBN)

    Verkeerde dieren merken, art. 12, lid 2 sub a

    11pnt./rund

      

    Niet voldoen aan de eisen van de merkplicht

     

    Niet voldoen aan eisen van merk, art. 8

    7 pnt./rund

    Merken zonder toestemming van de minister, art. 10

    7 pnt./rund

    Niet op de juiste wijze aanbrengen, art. 11, lid 1

    7 pnt./rund

    Merken aan de hand van onjuiste gegevens, art. 12, lid 2 sub b en c

    7 pnt./rund

    Niet merken van runderen binnen de gestelde termijn, art. 15

    7 pnt./rund

      

    Eisen aan handelen wanneer merk geplaatst is

     

    Er geen zorg voor dragen dat de merken bevestigd blijven, art. 11, lid 2

    11 pnt./rund

    Het niet melden van het verwijderen van merk, art. 11, lid 3

    11 pnt./rund

    Het niet hermerken indien rund merk verloren heeft, art. 16

    7 pnt./rund

      

    Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben, art. 12, lid 1

    7 pnt./merk

      

    Het hergebruiken van merken, art. 11, lid 4

    11 punt/rund

      

    Niet (juist) bijhouden van het voorgeschreven bedrijfsregister, art. 19 jo. 43

    11 pnt./UBN

      

    Niet (tijdig) melden van gegevens in het I&R-systeem rund, artt. 22 en 23

    11 pnt./melding

      

    Verwijderen merken door slachthuis voor weging, art. 25

    11pnt./rund

      

    Niet melden van onjuistheden in merking door slachthuis aan de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV), art. 26

    22 pnt./gebeurtenis

    Identificatie en registratie van varkens

    Merkplicht algemeen

     

    Het niet overeenkomstig de regeling registreren van dieren door houders,

     

    artt. 2, 4, 6

    11 pnt./houder/UBN

    Verkeerde dieren merken, art. 12, lid 2 sub a

    1 pnt./varken

      

    Niet voldoen aan de eisen van de merkplicht

     

    Niet voldoen aan eisen van merk, art. 8

    1 pnt./varken

    Merken zonder toestemming van de minister, art. 10

    1 pnt./varken

    Niet op de juiste wijze aanbrengen, art. 11, lid 1

    1 pnt./varken

    Merken aan de hand van onjuiste gegevens, art. 12, lid 2 sub b en c

    1 pnt./varken

    Niet merken van varkens binnen de gestelde termijn, art. 29

    1 pnt./varken

      

    Eisen aan handelen wanneer merk geplaatst is

     

    Er geen zorg voor dragen dat de merken bevestigd blijven, art. 11, lid 2

    2 pnt./varken

    Het niet melden van het verwijderen van merk, art. 11, lid 3

    2 pnt./varken

    Het niet hermerken indien varken merk verloren heeft, art. 29, lid 5

    1 pnt./varken

      

    Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben, art. 12, lid 1

    4 pnt./merk

      

    Het hergebruiken van merken, art. 11, lid 4

    7 pnt./varken

      

    Niet (juist) bijhouden van het voorgeschreven bedrijfsregister, art. 31 jo. 43

    9 pnt./UBN

      

    Niet (tijdig) melden van gegevens in het I&R-systeem varken, artt. 13 en 32

    11 pnt./melding

      

    Aan- en/of afvoer en vervoer zonder vervoersdocumenten, art. 30

    11 pnt./transport

      

    Niet melden van onjuistheden in merking door slachthuis aan de Voedsel en Warenautoriteit (VWA), art. 33

    22 pnt./gebeurtenis

    Identificatie en registratie van schapen en geiten

    Merkplicht algemeen

     

    Het niet overeenkomstig de regeling registreren van dieren door houders.

    5 pnt./houder<30

    dieren/ UBN

     

    artt. 2, 4, 6, 34, lid 1 en 5, 37

    11pnt./houder<30

    dieren/UBN

     

    Verkeerde dieren merken, art. 12, lid 2 sub a

    2 pnt./schaap

      

    Niet voldoen aan de eisen van de merkplicht

     

    Niet voldoen aan eisen van merk, art. 8

    2 pnt./dier

    Merken zonder toestemming van de minister, art. 10

    2 pnt./dier

    Niet op de juiste wijze aanbrengen, art. 11, lid 1

    2 pnt./dier

    Merken aan de hand van onjuiste gegevens, art. 12, lid 2 sub b en c

    2 pnt./dier

    Niet merken van schapen/geiten binnen de gestelde termijn, art. 34, leden 2 en 3

    4 pnt./dier

      

    Eisen aan handelen wanneer merk geplaatst is

     

    Er geen zorg voor dragen dat de merken bevestigd blijven, art. 11, lid 2

    4 pnt./dier

    Het niet melden van het verwijderen van merk, art. 11, lid 3

    4 pnt./dier

    Het niet hermerken indien schaap/geit merk verloren heeft, art. 34, lid 6

    2 pnt./dier

      

    Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben, art. 12, lid 1

    2 pnt./merk

      

    Niet (juist) bijhouden van het voorgeschreven bedrijfsregister, art. 36 jo. 43

    9 pnt./UBN

      

    Aan- en/of afvoer en vervoer zonder vervoersdocumenten, art. 35

    11 pnt./transport

      

    Niet melden onjuistheden door slachthuis aan VWA, art. 38

    22 pnt./gebeurtenis

      

    Houden van niet overeenkomstig regeling geïdentificeerd of geregistreerd dier,

    11 pnt./rund

    art. 39

    3 pnt./varken

     

    3 pnt./schaap of geit

      

    Verhandelen, vervoeren, aan- of afvoeren niet overeenkomstig art. 39 Regeling geïdentificeerd of geregistreerd dier

     

    Onjuist geïdentificeerd of geregistreerd rund

    17 pnt./rund

    Niet geïdentificeerd of geregistreerd rund

    50 pnt./rund

    Niet of onjuist geïdentificeerd of geregistreerd varken

    3 pnt./varken

    Niet of onjuist geïdentificeerd of geregistreerd schaap of geit

    3 pnt./schaap of geit

      

    Het aanvoeren op, afvoeren van een bedrijf, dan wel het vervoeren of verhandelen van runderen van bedrijven in de situatie als bedoeld in art. 40 van de Regeling

     

    (maximaal 300 pnt./gebeurtenis)

    70 pnt./rund

      

    Niet naar waarheid melden, bijhouden, vermelden gegevens, art. 43

    11 pnt./gebeurtenis

  • Afdeling 3. De preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten
  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 17, eerste lid, 18 en 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Per 1 april 2000 is in werking getreden de Regeling varkensleveringen (RVL). Deze Regeling vervangt de Regeling vervoersbeperkingen varkens, die werd vastgesteld in september 1997 naar aanleiding van de varkenspestepidemie in 1997.

    De Regeling varkensleveringen stelt het aantal toegestane contacten afhankelijk van de veterinaire waarborgen die het desbetreffende bedrijf biedt. Gekozen kan worden uit 4 regimes. Bij elk type bedrijf hoort een specifiek eisenpakket, dat bepalend is voor het toegestaan aantal contacten met andere varkenshouderijbedrijven. Ondernemers kunnen kiezen voor het regime dat het beste bij hun bedrijfsvoering past.

    Vervolgings-/verbaliseringsbeleid

    Op een eerste overtreding zal gereageerd worden met een waarschuwing. Bij overtreding binnen 2 jaar na een waarschuwing zal, naast de bestuursrechtelijk aanzegging van een last onder dwangsom, proces-verbaal worden opgemaakt. Bij overtreding binnen 2 jaar na veroordeling gaat de recidiveregeling in.

    In die gevallen waarin sprake is van een verboden handeling als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Regeling varkensleveringen gelden de volgende transactiebedragen:

     

    de exploitant van een varkenshouderijbedrijf

    50 pnt.

    in geval van recidive

    + 50%

    meermalen recidive

    + 100%

    tijdens epidemie van besmettelijke varkensziekte

    + 100%

    In geval van samenloop met commune en/of economische delicten wordt er gedagvaard.

    In die gevallen waarin sprake is van een handeling in strijd met de bepaling als opgenomen in hoofdstuk 4 van de Regeling varkensleveringen gelden de volgende tarieven:

    Het niet twee dagen van tevoren melden van een vervoer; het betreft een niet- toegestaan vervoer, art. 16, lid 1of lid 7 RVL

     

    Varkenshouder

    30 pnt.

      

    Het niet twee dagen van tevoren melden van een vervoer; het betreft een toegestaan vervoer, art. 16, lid 1 of art. 16, lid 7 RVL

     

    Varkenshouder

    10 pnt.

      

    Het ontvangen van een vervoer zonder bevestigde melding, art. 17, lid 1 of art. 17, lid 3 RVL

     

    Varkenshouder

    10 pnt.

    Exportverzamelplaats

    10 pnt.

      

    Het niet kunnen tonen van een bevestigde melding bij het transport,

     

    art. 16, lid 2 of art. 17, lid 2 RVL

     

    Varkenshouder

    10 pnt.

    Vervoerder

    10 pnt.

      

    Het niet bewaren van bevestigde meldingen gedurende 6 maanden, art. 16, lid 4 RVL

     

    Varkenshouder

    5 pnt.

  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, 15, 17, 18, 23, 25, tweede lid, 26, 30, 31, 77, 81, 94, 100 en 107, 108 en 108a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 10a van de Veewet, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 7, tweede en derde lid van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de artikelen 3 en 5 van het Besluit verdachte dieren, de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke dierziekten, de artikelen 2 en 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen.

    Achtergrond

    In de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: Regeling) worden de uitvoeringsregels op het gebied van preventie, bestrijding, monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s gebundeld. Voorheen waren deze regels opgenomen in een tiental ministeriële regelingen2[1]die alle met het in werking treden van de Regeling zijn ingetrokken.

    Het gaat hierbij onder meer over het aanwijzen van besmettelijke dierziekten, regels over het verzamelen van dieren, hygiënevoorschriften ter voorkoming van besmettelijke dierziekten, regels over de monotoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren, regels ten aanzien van het fokken van schapen ter voorkoming van TSE’s, uitvoeringsmaatregelen tot bestrijding van besmettelijke dierziekten, het aanwijzen van personen of groepen van personen die toegang hebben tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen of terreinen en voorschriften die zijn gesteld over het verlaten van deze gebouwen en terreinen.

    Op het moment dat een besmetting actueel is, wordt door middel van ‘crisisregelgeving’ de bestrijding ingezet. Preventieve maatregelen vormen daarmee het belangrijkste onderdeel van de onderhavige regeling.

    De Regeling is onderverdeeld in een vijftal titels:

    Titel 1 Algemeen

    Titel 2 Preventie besmettelijke dierziekten

    Titel 3 Monitoring

    Titel 4 Zoönosen en TSE’s

    Titel 5 Bestrijding besmettelijke dierziekten

    Titel 1 Algemeen voorziet in begripsbepalingen, aanwijzing van besmettelijke dierziekten, vrijstellingen en termijnen. Voorheen werd hierin voorzien in de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten.

    Titel 2 Preventie besmettelijke dierziekten voorziet in regels met betrekking tot het verzamelen van dieren en geeft hygiënevoorschriften. Regels die voorheen opgenomen waren in de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen, de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren en de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten. Omdat besmettelijke dierziekten zich via het verzamelen van dieren kunnen verspreiden zijn, gelet op de veterinaire risico’s, aan dit verzamelen stringente voorwaarden gesteld. Het uitgangspunt van de regeling is het aantal diercontacten op verzamelcentra te beperken. Ook is een van de oorzaken waardoor dierziekten worden verspreid het contact van dieren met niet goed gereinigde diertransportmiddelen. Deze ongereinigde transportmiddelen en gebruikte hulpmiddelen kunnen dierziekten ongemerkt over grote afstanden verspreiden. Daarnaast vormt het internationale transport van dieren een extra risico voor insleep van dierziekten vanuit landen waar deze ziekten voorkomen. Het doel van de onder deze titel opgenomen voorschriften is het voorkomen van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte door contactbeperking en hygiënemaatregelen.

    Titel 3 Monitoring voorziet in regels die het mogelijk maken inzicht te krijgen in dierziekteproblemen. Voorheen waren deze voorschriften opgenomen in de Regeling bedrijfscontrole dierziekte 1993, de Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003 en de Regeling vaccinatie Newcastle disease.

    Titel 4 Zoönosen en TSE’s codificeert regels over monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en TSE’s bij dieren. Voorheen geregeld in de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen.

    Titel 5 Bestrijding besmettelijke dierziekten geeft voorschriften met betrekking tot de modellen van de waarschuwingsborden en kentekenen, omtrent het onschadelijk maken of vernietigen van gedode, gestorven, zieke en verdachte dieren, van besmette of van besmetting verdachte producten of voorwerpen. Ook staan in titel 5 de regels omtrent het reinigen en ontsmetten van gebouwen terreinen enz. Ook wordt de toegang van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen geregeld.

    Vervolging- en verbaliseringsbeleid

    In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

    • op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals in het onderstaande omschreven;

    • bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;

    • bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;

      of

    • in geval van meervoudige recidive wordt verdachte gedagvaard;

    • in geval er ernstige bezwaren zijn gerezen en er sprake is van een spoedeisend belang wordt tevens een maatregel ex. Art. 28 WED opgelegd.

    • ten tijde van dreigende besmettelijke dierziekte worden de tarieven met 100% verhoogd;

    • bij recidive ten tijde van dreigende dierziekte wordt gedagvaard;

    • waar in het kader van dierziektebestrijding aangescherpte regels gelden, wordt gehandeld volgens/analoog aan het vervolgings- en verbaliseringsbeleid onder paragraaf 3:13 van dit hoofdstuk.

    Hierna worden Titel 2 en Titel 3 nader uitgewerkt.

  • Onderlinge bedrijfscontacten

     
      

    Het is verboden evenhoevigen, niet zijnde varkens en ingeschaarde schapen, van een bedrijf of andere plaats, niet zijnde een erkend verzamelcentrum, af te voeren indien in de periode van 21 dagen voorafgaand aan het voorgenomen vervoer op dat bedrijf of die plaats evenhoevigen zijn aangevoerd.

     

    artikel 16, lid 1

    20 pnt./rund

    Overige dieren

    5 pnt./dier

      

    Het is een bedrijf, niet zijnde een erkend varkens- of runderverzamelcentrum, waarop evenhoevigen worden gehouden verboden om op dezelfde dag evenhoevigen aan te voeren en af te voeren.

     

    artikel 16, lid 5

    10 pnt./rund

    Overige dieren

    5 pnt./dier

      

    Evenhoevigen die binnen Nederland worden gebracht, worden rechtstreeks vervoerd naar en afgeleverd op één bedrijf, één erkend verzamelcentrum of één slachthuis.

     

    artikel 17, lid 1

    20 pnt.

      

    Verzamelen van varkens

     
      

    Onjuist bijladen van varkens

    artikel 19, j° artikel 20, lid 1

    4 pnt./varken

      

    Onjuist opladen van varkens

    artikel 19, j° artikel 20, lid 2

    4 pnt./varken

      

    Het verzamelen van varkens op een varkensverzamelcentrum dat niet voor de desbetreffende categorie varkens door de minister is erkend.

     

    artikel 21

    7 pnt./illegaal verzameld varken

      

    Niet voldoen aan de eisen voor een erkend varkensverzamelcentrum

     

    artikel 23

    50 pnt.

      

    Het aanvoeren van varkens ten behoeve van export op een varkensverzamelcentrum zonder voorafgaande kennisgeving aan de VWA

     

    artikel 25

    15 pnt./geval

      

    Het aanvoeren van varkens ten behoeve van een in Nederland gelegen slachthuis op een varkensverzamelcentrum zonder voorafgaande kennisgeving aan de VWA

     

    artikel 26, lid 1

    10 pnt./geval

      

    Het afvoeren van varkens vanaf een varkensverzamelcentrum is verboden.

     

    artikel 28

    4 pnt./varken

      

    Verzamelen van runderen

     
      

    Het verzamelen van runderen op een niet door de minister erkende runderverzamelplaats

     

    artikel 29, lid 1, j° artikel 29, lid 2

    20 pnt. /illegaal verzameld rund

      

    Het onjuist verzamelen van runderen

     

    artikel 29, lid 3, lid 4

    10 pnt./rund

      

    Het afvoeren van runderen van een slachthuis

     

    artikel 29, lid 6

    20 pnt./rund

      

    Het niet voldoen aan de eisen voor een erkend runderverzamelcentrum

     

    artikel 31

    50 pnt.

      

    Het niet voldoen aan de eisen gesteld aan de afvoer van runderen

     

    artikel 32, 33, 34, 35, 36

    10 pnt./rund

      

    Verzamelen van schapen en geiten

     
      

    Het verzamelen van schapen of geiten op een niet door de minister erkend schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum

     

    artikel 39, lid 1, lid 2

    5 pnt./schaap of geit

      

    Onjuist verzamelen schapen of geiten

     

    artikel 39, lid , 3, 4, 5, 6, 7

    3 pnt. /schaap of geit

      

    Het niet voldoen aan de eisen door een erkend schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum

     

    artikel 41

    50 pnt.

      

    Het onjuist afvoeren van schapen/geiten

     

    artikel 42

    3 pnt./schaap of geit

      

    Het ontvangen van schapen of geiten afkomstig van een schapenverzamelcentrum of een geitenverzamelcentrum, op een bedrijf, niet zijnde een slachterij.

     

    artikel 42, lid 6

    3 pnt./schaap of geit

      

    Verzamelen van pluimvee, loopvogels en postduiven

     
      

    Het houden van markten waarop pluimvee, loopvogels of postduiven worden verhandeld in Nederland, het organiseren van wedvluchten van postduiven of het tijdelijk verzamelen op één plaats van pluimvee, loopvogels of postduiven die afkomstig zijn van verschillende plaatsen en vervolgens naar verschillende plaatsen binnen Nederland, niet zijnde slachterijen, worden weggevoerd.

     

    artikel 44

    1 pnt./dier

      

    Tentoonstellingen en keuringen

     
      

    Het niet in kennisstellen van de VWA ten minste 30 dagen voorafgaand aan de datum waarop de tentoonstelling of keuring zal plaatsvinden

     

    artikel 49, lid 1

    20 pnt./organisatie

      

    De houder of eigenaar van de tentoon te stellen of te keuren runderen, schapen of geiten laat deze binnen vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring door een dierenarts klinisch onderzoeken. Bij overtreding geldt:

     

    artikel 49, lid 2: houder/eigenaar

    10 pnt.

      

    De organisator stelt voor aanvang van de tentoonstelling of keuring zeker dat de schapen of geiten individueel geregistreerd staan bij de Gezondheidsdienst voor Dieren en laat runderen, schapen of geiten toe tot de plaats indien zij vergezeld gaan van de door de dierenarts en de houder of eigenaar ondertekende verklaring, bedoeld in het derde lid. Bij overtreding geldt:

     

    artikel 49, lid 4: organisatie

    3 pnt./dier

      

    Onjuiste aanwezigheid, aanvoer of afvoer

     

    artikel 49, lid 6 t/m 9

    3 pnt./dier

      

    Geen voorziening schoeisel-ontsmetting

     

    artikel 50, lid 1: organisatie

    10 pnt.

      

    Geen R&O-voorziening

     

    artikel 50, lid 2: organisatie

    25 pnt.

      

    Niet of onjuist R&O door bestuurder

     

    artikel 50, lid 4 en 5

    10 pnt.

      

    Geen of onjuist R&O-terrein na afloop

     

    artikel 49, lid 7: organisatie

    25 pnt.

      

    Op de juiste wijze bijhouden en bewaren administratie. Bij overtreding geldt:

     

    artikel 51: organisatie

    15 pnt.

      

    Het is verboden een of meer evenhoevigen te vervoeren met een vervoermiddel waaruit uitwerpselen, strooisel of voeder kunnen lopen of vallen.

     

    artikel 57: vervoerder

    15 pnt.

      

    Het afleveren, ontvangen of houden van een of meer evenhoevigen of vervoermiddelen voor evenhoevigen op een slachtplaats (niet zijnde een slachtplaats met geringe capaciteit), verzamelcentrum voor evenhoevigen, of een andere, voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen bestemde of gebruikte plaats, tenzij geregistreerde R&O-plaats.

     

    artikel 58, lid 1: eigenaar slachtplaats/verzamelcentrum

    50 pnt.

      

    Het is verboden een of meer evenhoevigen te ontvangen op een houderij van evenhoevigen of slachtplaats met geringe capaciteit, indien op die plaats geen voorziening voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor evenhoevigen aanwezig is die voldoet aan bijlage 9, deel A.

     

    artikel 59, lid 1, lid 2:

     

    veehouderij

    10 pnt.

    slachtplaats met geringe capaciteit

    30 pnt.

      

    Het is verboden een of meer evenhoevigen te ontvangen op een houderij van evenhoevigen of een slachtplaats met geringe capaciteit, bij een temperatuur van 0 °C of lager, zonder voorziening voor reinigen of ontsmetten.

     

    artikel 59, lid 3:

     

    veehouderij

    10 pnt.

    slachtplaats met geringe capaciteit

    30 pnt.

      

    De vervoerder is verplicht een vervoermiddel, de daarbij behorende voorwerpen daaronder begrepen, waarmee een of meer evenhoevigen worden vervoerd terstond na lossing op de plaats van lossing te reinigen en te ontsmetten en daarvan aantekening te maken in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde geschrift.

     

    artikel 63, lid 1: vervoerder

    25 pnt./vrachtwagen

     

    25 pnt./aanhanger

     

    20 pnt./kleine kar

      

    Het is verboden een ongeladen vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn vervoerd, op de openbare weg te brengen, dan wel op een houderij van evenhoevigen, slachtplaats, verzamelcentrum voor evenhoevigen, of andere plaats waar evenhoevigen verblijven, zonder reinigen en ontsmetten conform de regelgeving.

     

    artikel 64, lid 1, lid 2: vervoerder

    25 pnt./vrachtwagen

     

    25 pnt./aanhanger

     

    20 pnt./kleine kar

      

    Het vervoeren met een vervoermiddel van verschillende diersoorten tegelijkertijd.

     

    artikel 66, lid 1: vervoerder

    15 pnt./vervoerseenheid

      

    Het niet geheel lossen na vervoer van evenhoevigen van een vervoermiddel na aankomst op de plaats van lossing.

     

    artikel 67, lid 1: vervoerder

    15 pnt./ vervoerseenheid

      

    Het niet verlenen van medewerking door de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van de plaats waar evenhoevigen worden gelost, aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de evenhoevigen zijn vervoerd.

     

    artikel 67, lid 2

    15 pnt /geval

      

    Niet reinigen en ontsmetten van wielen en wielkasten van een vervoermiddel zo spoedig mogelijk na de lossing, maar voordat het vervoermiddel dit bedrijf weer verlaat, op de plaats van lossing.

     

    artikel 68, lid 2

    15 pnt.

      

    Niet reinigen en ontsmetten van een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van een of meer evenhoevigen in een lidstaat dan wel in een derde land en dat leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, anders dan in doorvoer in Nederland wordt gebracht.

     

    artikel 69, lid 1

    25 pnt./buitenlandse rit

      

    Niet binnen 24 uur na binnenkomst aan de VWA het bewijs van reinigen en ontsmetten tonen. artikel 69, lid 1

    10 pnt./niet gedane melding

      

    Niet zo spoedig mogelijk reinigen en ontsmetten van een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen in Nederland worden gebracht, afkomstig uit een lidstaat of een derde land, op de plaats van lossing.

     

    artikel 70, lid 1

    25 pnt./buitenlandse rit

      

    De vervoerder toont binnen 24 uur na binnenkomst aan de VWA het bewijs, bedoeld in artikel 76, derde lid, dat de reiniging en ontsmetting is geschied.

     

    artikel 70, lid 1

    10 pnt /niet gedane melding

      

    Het anders dan om te reinigen en ontsmetten op een plaats brengen van een vervoermiddel dat in een lidstaat dan wel in een derde land is gebruikt om een of meer evenhoevigen te vervoeren en dat leeg vanuit die lidstaat, onderscheidenlijk dat derde land, in Nederland wordt gebracht.

     

    artikel 71, lid 1: vervoerder

    25 pnt.

      

    Het door de vervoerder op een andere plaats brengen dan de plaats van aflevering van een vervoermiddel dat is geladen met een of meer evenhoevigen uit een lidstaat dan wel uit een derde land dat anders dan in doorvoer in Nederland wordt gebracht, dan de plaats van aflevering opgenomen in het gezondheidscertificaat.

     

    artikel 71, lid 2: vervoerder

    25 pnt.

      

    Het ontvangen van een ongereinigd, ongeladen vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn of kunnen worden vervoerd op een houderij van evenhoevigen.

     

    artikel 72, lid 1: veehouder

    15 pnt.

      

    Administratieve voorschriften/registraties

     
      

    Het onjuist/niet vermelden van reinigen en ontsmetten in daartoe bestemd geschrift.

     

    artikel 74: vervoerder

    15 pnt.

      

    Het niet bijhouden van een register door de eigenaar of exploitant van een houderij van evenhoevigen, verzamelcentrum voor evenhoevigen, of slachtplaats, dan wel diens vertegenwoordiger, van elk op het bedrijf aanwezig vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen zijn of worden vervoerd.

     

    artikel 77: eigenaar/exploitant

    15 pnt.

      

    Hygiënevoorschriften varkenshouderijbedrijven

     
      

    Op overtreding van de onderstaande voorschriften staat het volgende aantal punten:

     
      

    Op het bedrijf is een zodanige (erf)afsluiting aanwezig rondom de gebouwen waar dieren worden gehouden en rondom het bedrijfsterrein, dat een directe toegang tot deze gebouwen en dat terrein onmogelijk is.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder a

    8 pnt.

      

    In het bedrijf kunnen de ruimten van gebouwen, voor zover in die ruimten een of meer varkens worden gehouden, door een slot afgesloten worden en bij afwezigheid van de houder afgesloten worden.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder b

    8 pnt.

      

    Op het bedrijf zijn in de ruimten van gebouwen, voor zover in die ruimten een of meer evenhoevigen worden gehouden, geen andere landbouwhuisdieren aanwezig en ze kunnen daar ook niet komen.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder c

    8 pnt.

    Op het bedrijf vindt in de gebouwen waar een of meer varkens worden gehouden, deugdelijke ongediertebestrijding plaats.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder d

    8 pnt.

      

    De op het bedrijf aanwezige, lege vervoermiddelen zijn gereinigd en ontsmet.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder e

    8 pnt.

      

    De op het bedrijf aanwezige producten en voorwerpen die van buiten het bedrijf afkomstig zijn, zijn gereinigd en ontsmet, voor zover de aard van die producten en voorwerpen zich niet verzet tegen reiniging en ontsmetting.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder f

    8 pnt.

      

    De op het bedrijf aanwezige personen zijn gekleed in bedrijfskleding en laarzen van het bedrijf.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder g

    10 pnt./persoon

      

    De kadaverplaatsen waarop kadavers ter destructie worden aangeboden, voldoen aan de in bijlage 12 bij deze Regeling opgenomen inrichtings- en gebruikseisen.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder h

    10 pnt.

      

    Op het bedrijf zijn tot het bedrijf behorende drijfschotten voor het verplaatsen van varkens en merktangen voor het aanbrengen van identificatiemerken aanwezig.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder i

    4 pnt.

      

    De eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, heeft al datgene gedaan wat in redelijkheid in zijn vermogen ligt om het optreden van besmettelijke dierziekten op het bedrijf te voorkomen.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder j

    20 pnt.

      

    De eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, behandelt (of laat behandelen) varkens die verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertonen, binnen 24 uur nadat die behandeling is ingesteld, bloed is afgenomen en is ingestuurd ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van een besmettelijke dierziekte.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder k

    40 pnt.

      

    De eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel degene die op dat bedrijf een of meer varkens houdt, voor zover op dat bedrijf varkens mogelijk ten gevolge van een besmettelijke dierziekte zijn gestorven, heeft een representatief aantal van die dieren ter sectie ingestuurd ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van klassieke varkenspest.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder l

    40 pnt.

      

    De eigenaar of exploitant van het bedrijf, dan wel diens vertegenwoordiger, laat eenmaal per twaalf maanden door een geaccrediteerde keuringsinstantie overeenkomstig bijlage 13 een bedrijfsrapport opstellen waaruit blijkt in hoeverre op het bedrijf wordt voldaan aan de in deze regeling gestelde voorschriften en welke voorzieningen eventueel zouden moeten worden getroffen, indien het bedrijf niet of niet volledig aan die voorschriften voldoet en de eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, een exemplaar van dat bedrijfsrapport op het bedrijf bewaart.

     

    artikel 79, lid 1, j° lid 2, onder m

    20 pnt./jaar

  • Titel 3. Monitoring
  • Aviaire Influenza

     

    Het niet onverwijld melden aan het Landelijk LNV dierziekten meldnummer van elke verhoogde sterfte van leghennen, reproductiedieren, vleeskuikens, vleeskalkoenen en van AI-gevoelige dieren.

     

    artikel 89

    50 pnt.

      

    Het niet consulteren van een dierenarts t.b.v. AI-gevoelige dieren in voorgeschreven gevallen

     

    artikel 89, lid 2

    50 pnt.

      

    Newcastle Disease

     

    Het niet vaccineren van de op zijn pluimveebedrijf aanwezige dieren volgens voorschriften tegen Newcastle Disease.

     

    artikel 93

    20 pnt.

  • 3.3. Meldplicht (art. 19 GWWD)
  • Achtergrond

    In het kader van effectieve preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten is een houder van een dier verplicht aangifte te doen van verschijnselen van een besmettelijke ziekte bij dat dier bij een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid GWWD.

    Art. 19, lid 1. Indien een dier verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dier in de gelegenheid is geweest om te worden besmet of drager van smetstof is, geeft de houder hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid GWWD.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    Schapen

    6 pnt /dier met verschijnselen gerelateerd aan de vaststelling van de VWA dierenarts

    Geiten

    6 pnt./dier ,,

    Varkens

    6 pnt./dier ,,

    Runderen

    30 pnt./dier ,,

    pluimvee

    0,5 pnt./dier ,,

    Overige dieren

    8 pnt./dier ,,

    Indien een dier géén verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in de gelegenheid is geweest om te worden besmet, moeten de tarieven gehalveerd worden.

    Art. 19, lid 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van kennis geven, bedoeld in het eerste lid, die voor iedere besmettelijke dierziekte kunnen verschillen.

    Art. 19, lid 3. Indien een besmettelijke dierziekte is aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden de in het tweede lid bedoelde regels in overeenstemming met die minister gesteld.

  • 3.4. Inlichtingen en medewerkingsplicht (art. 20 GWWD)
  • Achtergrond

    Om te kunnen vaststellen of er in een bepaald geval sprake is van een besmettelijke dierziekte en om de oorsprong daarvan zo snel mogelijk op te kunnen sporen, is het van groot belang dat een houder van dieren desgewenst inlichtingen en medewerking verleent.

    Art. 20, lid 1. De houder, bedoeld in artikel 19, eerste lid, GWWD verstrekt naar waarheid alle inlichtingen en verleent alle medewerking aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid, GWWD die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft en doet al datgene dat in zijn vermogen ligt om de aard van de besmettelijke dierziekte zo spoedig mogelijk te doen vaststellen.

    Vervolging- en verbaliseringsbeleid

    Bij opzettelijke tegenwerking, onwaarheden of verzwijgen van informatie

    200 pnt./geval

    Bij overige zaken

    100 pnt./geval

    Art. 20, lid 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een houder van een dier die door een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, GWWD op de hoogte is gesteld van het vermoeden dat dat dier door een besmettelijke dierziekte is aangetast of drager van smetstof is.

    Bij opzettelijke tegenwerking, onwaarheden of verzwijgen van informatie

    200 pnt./geval

    Bij overige zaken

    100 pnt./geval

  • 3.5. Vervoersverbod van of naar besmette of van besmetting verdacht verklaarde gebouwen en terreinen (art. 25 GWWD)
  • Achtergrond

    Om verdere verspreiding van een besmettelijke dierziekte te voorkomen legt art. 25 GWWD door middel van een vervoersverbod het vervoer van of naar gebouwen waar een ‘kenteken als in art. 22’ GWWD is geplaatst aan banden.

    Art. 25, lid 1. Het is verboden dieren van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren, dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen producten of voorwerpen te vervoeren van of naar gebouwen en terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    Bij vervoer van dieren, producten of voorwerpen van een gebouw of terrein met kenteken:

    Inbeslagname dieren en producten of voorwerpen ter ontsmetting of onmiddellijke vernietiging

    + 100 pnt.

    Indien inbeslagname niet is uitgevoerd, de geschatte waarde van de dieren of producten of voorwerpen

    + 100 pnt.

    Indien onder voorwaarden mag worden afgevoerd, bij niet nakomen van de voorwaarden

    + 100 pnt.

    Bij vervoer van producten of dieren naar een gebouw of terrein met kenteken

    + 100 pnt.

    Indien onder voorwaarden mag worden aangevoerd, bij het niet nakomen van de voorwaarden

    + 50 pnt.

    Art. 25, lid 2. De toegang tot gebouwen of terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst of door Onze Minister aangewezen gedeelten daarvan, is aan anderen dan door Onze Minister aan te wijzen personen of groepen van personen verboden.

    Bij overtreding verbod 100 pnt. per persoon.

    Indien betreden onder voorwaarden is toegestaan, bij niet voldoen aan de voorwaarden 50 pnt. per persoon.

  • 3.6. Verblijfsplicht (art. 29 GWWD)
  • Achtergrond

    In het kader van adequate preventie en bestrijding van een besmettelijke dierziekte moet een houder van een ziek of verdacht dier er zorg voor dragen dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat.

    Art. 29, lid 1. Iedere houder van een ziek of verdacht dier is verplicht ervoor zorg te dragen, dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat, tenzij met toestemming of krachtens bevel van Onze Minister.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    Schapen

    6 pnt./dier

    Geiten

    6 pnt./dier

    Varkens

    6 pnt./dier

    Runderen

    30 pnt./dier

    Pluimvee

    0,5 pnt./dier

    Overige dieren

    8 pnt./dier

    Art. 29, lid 2. De toestemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.

    Bij niet voldoen aan de voorwaarden voor toestemming

    Schapen

    3 pnt./dier met verschijnselen gerelateerd aan de vaststelling van de VWA dierenarts

    Geiten

    3 pnt./dier ,,

    Varkens

    3 pnt./dier ,,

    Runderen

    15 pnt./dier ,,

    Pluimvee

    0,25 pnt.dier ,,

    Overige dieren

    4 pnt./dier ,,

  • 3.7. Crisisregelgeving
  • Achtergrond

    Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister onverwijlde voorzieningen noodzakelijk zijn, kan hij bepalen dat door hem in het kader van bestrijding ernstige besmettelijke dierziekten genomen maatregelen onmiddellijk na bekendmaking in werking treden.

    Als zich een crisissituatie voordoet, is van cruciaal belang dat terstond maatregelen genomen worden teneinde verdere verspreiding te voorkomen. Wil een dergelijk crisisinterventie succes hebben, dan is naleving van de genomen maatregelen een vereiste. Het is daarom van belang dat het gewicht van een stipte naleving tot uitdrukking komt in het handhavingsbeleid. De te nemen maatregelen zullen in verhouding staan tot het te beschermen belang. Als een bepaalde maatregel genomen is, is deze uit het oogpunt van crisisbestrijding noodzakelijk. Bij het vaststellen van de tarieven die gehanteerd worden bij overtreding van bedoelde ‘crisisregelgeving’, is verdere precisering naar geschonden belang dan ook niet noodzakelijk. Een verwijzing naar concrete regelgeving en artikelen is niet mogelijk, aangezien het hier regelgeving betreft die in geval van een uitbraak alsdan opgesteld en afgekondigd wordt. Een reeds vooraf opgesteld handhavingsdocument bevordert de snelheid van handelen en de duidelijkheid tijdens een crisis.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    Het vervoeren van dieren waarvoor een vervoersverbod geldt.

    Overtreden van de vervoersbepalingen:

     

    Reguliere veehouder

    225 pnt.

    Particulier/hobby veehouder

    110 pnt.

    Beroepstransporteur

    225 pnt.

    Chauffeur

    45 pnt.

      

    Verboden uitrijden/onjuist toedienen van mest:

     

    Regulier veehouder

    90 pnt.

    Particulier/hobby veehouder

    45 pnt.

    Beroepstransporteur

    90 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Verboden vervoer veevoer/grondstoffen veevoer:

     

    Beroepstransporteur

    90 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Negeren verbod om aangeduide compartimentsgrenzen te overschrijden:

     

    Beroepstransporteur

    90 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Niet voldoen aan stickerverplichting tijdens compartimentering:

     

    Beroepstransporteur

    45 pnt.

    Chauffeur

    10 pnt.

    Bij fraudeleus handelen met stickers verhoging met 100%

     
      

    Verboden vervoer van destructiemateriaal of verbod dierlijke producten zoals melk of sperma, eicellen embryo’s:

     

    Beroepstransporteur

    90 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Vervoer van vuile lege veewagens:

     

    Beroepstransporteur

    110 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Vervoer van schone lege veewagens:

     

    Beroepstransporteur

    45 pnt.

    Chauffeur

    10 pnt

      

    Niet of onvoldoende reinigen en ontsmetten buitenkant vervoermiddel bij verlaten van het bedrijf:

     

    Beroepstransporteur

    90 pnt.

    Chauffeur

    20 pnt.

      

    Niet voldoen aan administratieve verplichtingen tijdens het vervoer van mest/dieren:

     

    Beroepstransporteur

    5 pnt.

    Chauffeur

    10 pnt

      

    Niet in acht nemen bezoekersregeling of niet in acht nemen hygiënevoorschriften:

     

    Bedrijfsmatige bezoeker van percelen of gebouwen met vatbare dieren

    20 pnt.

    Particuliere bezoeker van percelen of gebouwen met vatbare dieren

    20 pnt.

    Reguliere veehouder die bezoek toelaat

    40 pnt.

    Particuliere dierhouder/hobbyist die bezoek toelaat

    10 pnt.

    Betreden overige percelen bijv. jacht of rapen kievitseieren

    10 pnt.

      

    Overige items:

     

    Onbevoegd betreden bedrijven met kenteken ingevolge Regeling toegang personen of groepen van personen tot van besmetting verdachte of besmette gebouwen en terreinen.

    225 pnt.

      

    Overtreding besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen of terreinen.

    225 pnt.

      

    Overtreding van Destructiewet en Uitvoeringsregeling EG-verordening gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten terzake voor de betreffende dierziekte vatbare diersoorten tijdens voorkomen besmettelijke dierziekte (bijv. niet goed afdekken kadavers) normale transactie

    + 100%

    Overtreding Regeling inzake hygiëne voorschriften besmettelijke dierziekten 2000 tijdens voorkomen besmettelijke dierziekte normale transactie

    + 100%

  • II.2. De zorg voor het welzijn van dieren (GWWD hoofdstuk III)

  • De hierna ingevoegde richtlijnen voor strafvordering zijn gebaseerd op Hoofdstuk III ‘De zorg voor het welzijn van dieren’ van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Deze richtlijn voor strafvordering voor de Gezondheids- en welzijnswet (GWWD) voor dieren bevat richtlijnen voor transactiebedragen en de eis ter zitting.

    In hoofdstuk III van de GWWD worden in negen verschillende afdelingen regels gesteld met betrekking tot het welzijn van dieren. De gedachte achter deze bepalingen is dat het welzijn en daarmee de intrinsieke waarde van een dier kunnen worden beschermd.

    Op basis van de afdeling 1 kunnen algemene regels worden gesteld ten aanzien van de manier waarop dieren moeten worden gehouden.

    In afdeling 2 worden regels gesteld ten aanzien van lichamelijke ingrepen bij dieren. Daarbij kan worden gedacht aan regels omtrent het verwijderen of beschadigen van lichaamsdelen van dieren. Daarnaast wordt om welzijnsredenen de wijze waarop embryotransplantaties worden uitgevoerd aan banden gelegd.

    Afdeling 3 maakt het mogelijk regels te stellen voor de gevallen waarin en de manier waarop dieren mogen worden gedood of ritueel worden geslacht.

    Belangrijk uitgangspunt van deze eerste drie afdelingen is het ‘nee-tenzij’ beginsel. Dit betekent dat de gedragingen op basis van afdeling 1 (algemeen houden van dieren), afdeling 2 (Lichamelijke ingrepen) en afdeling 3 (Het doden van dieren) in principe verboden zijn tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan.

    Afdeling 4 geeft de basis voor het stellen van regels voor de huisvesting van dieren. Daarbij gaat het om de eisen waaraan de huisvesting en de huisvestingssystemen van bepaalde aangewezen soorten of categorieën van dieren moeten voldoen.

    Op basis van afdeling 5 en 6 kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het fokken en verkopen, verhuren en verloten van dieren.

    Afdeling 7 biedt o.a. de mogelijkheid door middel van Ministeriële regelgeving uitvoering te geven aan EG-verordeningen.

    Op grond van afdeling 8 kunnen regels worden opgemaakt ten aanzien van vele aspecten van dierenwedstrijden. In deze kan gedacht worden aan doping, hindernisbouw en de verplichte aanwezigheid van een dierenarts.

    Ten slotte kunnen op basis van afdeling 9 regels worden gesteld omtrent het houden van keuringen, markten, verkopingen, tentoonstellingen of andere plaatsen waar dieren worden gehouden of aan het publiek worden getoond.

    Transactie of dagvaarden

    Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij (economische en) milieudelicten. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

    Van belangzijnde besluiten/ regelingen op basis van hoofdstuk III GWWD

    Afdeling 1 Algemene Bepalingen

    Afdeling 7 Het vervoeren van dieren

  • Afdeling 1. Algemene Bepalingen
  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Met het Kalverenbesluit wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn nr. 91/629 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren.

    De werking van het besluit strekt zich uit tot alle kalveren met een leeftijd van zes maanden of jonger, met uitzondering van de kalveren die zich bevinden in een dierproef als beschreven in art. 1a van de Wet op de dierproeven. Uitgangspunt voor de richtlijn en het besluit zijn regels met betrekking tot het houden, huisvesten en verzorgen van kalveren. Hier wordt uitvoering aan gegeven door te verwijzen naar de bepalingen in de bijlage in de richtlijn. In enkele gevallen worden deze bepalingen nader geconcretiseerd in bepalingen van het Kalverenbesluit.

    Het Kalverenbesluit is gebaseerd op de art. 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Overtreding van de nadere voorschriften op basis van art. 35 GWWD gesteld in dit besluit (voorschriften met betrekking tot het houden van dieren) levert op basis van art. 35 jo. 121 GWWD een overtreding op in de zin van het commune strafrecht. Overtreding van de voorschriften gesteld in het Kalverenbesluit op grond van de artikelen 38, 45 (regels met betrekking tot het verzorgen en huisvesten) en 111 levert een economisch delict op als in de zin van de Wet op de economische delicten.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

    • op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals in het onderstaande omschreven;

    • het transactiebedrag bestaat uit een standaardbedrag en een bedrag per dier;

    • bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;

    • bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;

      of

    • in geval van meervoudige recidive wordt verdachte gedagvaard;

    • in geval van een excessituatie waarin ernstige bezwaren zijn gerezen en er sprake is van een spoedeisend belang wordt tevens een voorlopige maatregel ex. art. 28 WED opgelegd;

    • in geval van een excessituatie, zoals in het voorgaande punt beschreven, die met betrekking tot de bedrijfsvoering zeer ingrijpende maatregelen vergt, zal de officier van justitie de waarschuwing geven dat bij voortduring van de situatie een voorlopige maatregel ex art. 29 WED zal worden gevorderd bij de rechter.

    De hierna genoemde artikelen verwijzen steeds naar het Kalverenbesluit.

    A) Het houden van kalveren

     

    art. 2 lid 1

     

    Het aanbinden van kalveren zonder dat sprake is van de uitzondering genoemd in punt 8, eerste zin, van bijlage richtlijn 91/629

     

    standaard

    9 pnt

    per kalf

    1 pnt.

      

    B) De huisvesting van kalveren

     

    art. 2 lid 2 jo. punt 4 tweede alinea van de bijlage 91/629:

    Het ontbreken van een noodvoorziening bij kunstmatige ventilatie waarvan het welzijn en de gezondheid van de kalveren afhankelijk zijn

    23 pnt.

    Het ontbreken van een alarmvoorziening

    23 pnt.

      

    Eenlingbox

     

    art. 3, lid 1 Het huisvesten van kalveren ouder dan acht weken in eenlingboxen

     

    standaard

    9 pnt.

    per kalf

    3 pnt.

      

    art. 4 lid 1 Het niet voldoen aan de eisen van afmetingen van een eenlingbox

     

    standaard

    9 pnt.

    per kalf

    1 pnt.

      

    art. 4 lid 2 Het niet voldoen aan afmetingseisen van vloeroppervlakte bij huisvesting anders dan in eenlingbox

     

    standaard

    9 pnt.

    per te veel gehuisvest kalf

    1 pnt.

      

    art. 5 Het houden van meer kalveren dan het aantal ligboxen

     

    standaard

    9 pnt.

    per te veel kalf

    1 pnt.

      

    Vloeroppervlakte

     

    art. 8 jo punt 10 bijlage van de richtlijn 91/629 Het hebben van vloeren waar kalveren op staan of liggen waaraan zij zich verwonden of pijn door hebben door bijvoorbeeld vloeren die niet stroef zijn, door scherpe uitsteeksels, vloeren zonder stevige, vlakke of stabiele vormen, geen comfortabele en schone ligruimte, geen behoorlijke afvoer

     

    standaard

    9 pnt.

    per kalf dat op vloer staat of ligt

    1 pnt.

      

    art. 8, lid 1 (niet van toepassing op vleesstierkalveren ouder dan twee maanden) Het ontbreken van een vloer die is ingestrooid of voorzien van een kunststofmat, houten lattenvloer of rubber toplaag

     

    standaard

    9 pnt.

    per kalf aanwezig op de vloer

    1 pnt.

      

    art. 8, lid 2 (van toepassing op kalveren die niet zijn aangebonden of worden gehouden in eenlingboxen)

     

    standaard

    9 pnt.

    niet voldoen aan:

     

    ten minste 0,50 m2 voor kalf tot drie maanden

    1 pnt./drie dieren

    per kalf ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m2 aan oppervlakte van de in art. 8 lid 1 bedoelde vloer

    1 pnt./drie dieren

      

    Oppervlakte voor zieke dieren

     

    art. 2 lid 2 jo. punt 6, 3e zin Bijlage richtlijn 91/629:

     

    Het niet afzonderen van zieke en gewonde kalveren in adequate lokalen met droog en comfortabel strooisel

    9 pnt./dier

      

    C) De verzorging van kalveren

     

    art. 2, lid 3 jo. punt 6, 2e zin Bijlage richtlijn 91/629

     

    Het niet op passende wijze verzorgen van kalveren die ziek of gewond lijken

    9 pnt./dier

      

    art. 2, lid 3 jo. punt 13 Bijlage richtlijn 91/629

     

    Kalveren van meer dan twee weken oud moeten over voldoende vers water van passende kwaliteit kunnen beschikken of hun dorst met andere vloeistoffen kunnen lessen

     

    standaard

    9 pnt. + 0,1 pnt/dier

  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 39, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Ter uitvoering van richtlijn 2001/88/EG is het Varkensbesluit met ingang van 1 augustus 2003 gewijzigd.

    Met inwerkingtreden van dit gewijzigde Varkensbesluit zijn de regels aangescherpt.

    Tevens is ten behoeve van de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid de systematiek van het besluit gewijzigd.

    In het gewijzigde besluit wordt niet meer verwezen naar de bijlagen bij de EU-richtlijn; de concrete voorschriften zijn in het besluit opgenomen.

    Alhoewel bij het bepalen van de in deze aanwijzing gegeven regels voor het bepalen van een transactie c.q. richteis, de te ondernemen acties en op te leggen maatregelen het economisch voordeel en het welzijnsprobleem zijn meegewogen, geldt onverkort de Richtlijn voor strafvordering ontneming (Stcrt. 2002, 208).

    Vervolgings-/verbaliseringsbeleid

    In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

    • op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals in het onderstaande omschreven;

    • het transactiebedrag bestaat uit een standaardbedrag en een bedrag per dier;

    • bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;

    • bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;

    • of

    • in geval van meervoudige recidive wordt verdachte gedagvaard;

    • in geval van een excessituatie waarin ernstige bezwaren zijn gerezen en er sprake is van een spoedeisend belang, wordt tevens een voorlopige maatregel ex. art. 28 WED opgelegd;

    • (voor de varkens waarvoor deze excessituatie geldt, moet direct een oplossing worden gezocht. De varkenshouder wordt in de gelegenheid gesteld eerst zelf een legale oplossing aan te dragen. Bij weigering of feitelijk niet voldoen worden deze varkens, na overleg met de officier van justitie, in beslag genomen om in beginsel te worden geslacht.)

    • bij een excessituatie, zoals in het voorgaande punt beschreven, die met betrekking tot de bedrijfsvoering zeer ingrijpende maatregelen vergt (art. 29 i.p.v. art. 28 WED), zal de officier van justitie de waarschuwing geven dat bij voortduring van de situatie een voorlopige maatregel ex art. 29 WED zal worden gevorderd bij de rechter. Aan deze waarschuwing wordt een redelijke termijn gekoppeld waarin de varkens elders legaal kunnen worden gehuisvest.

    A) Het houden van varkens (artikel 2, lid 1, j° artikel, 2a, 2aa, 2b en 3 Varkensbesluit)

     
      

    art. 2a, lid 1 Het niet houden in afzonderlijke groepen van gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen

     

    standaard

    9 pnt.

    per dier

    1 pnt.

      

    art. 2b, lid 2 Onvoldoende ruimte bij een tijdelijk toegestane afzondering als bedoeld in artikel 2aa, lid 1, onderdeel d, voor zover specifiek veterinair advies niet ander luidt

     

    per dier

    6 pnt.

      

    art. 3, lid 1 Het aangebonden houden van zeugen of gelten

     

    standaard

    9 pnt.

    per zeug/gelt

    5 pnt.

      

    art. 3, lid 2 Niet conform varkensbesluit inrichten van varkensstallen wat betreft toegang tot bedoelde ruimte, mogelijkheid rusten en opstaan, zicht op andere varkens

     

    standaard

    9 pnt.

    per dier

    1 pnt.

      

    B) Het huisvesten van varkens (artikel 2, lid 2, jo artikel 4 t/m 11 Varkensbesluit)

     
      

    art. 4, lid 1 j° art. 4, lid 4 en lid 5 Beschikbaar oppervlak voor gelten of zeugen zonder biggen in groep gehouden

     

    standaard

    9 pnt.

    per teveel gehuisveste gelt/zeug:

    1 pnt.

      

    art. 4, lid 2 j° art. 4, lid 4 en lid 5 Beschikbaar oppervlak voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in groep gehouden gelten of zeugen

     

    standaard

    9 pnt.

    per teveel gehuisvest gespeend varken

    0,2 pnt.

    per teveel gehuisvest gebruiksvarken

    1 pnt

    per teveel gehuisveste gelt of zeug niet gehouden in een groep

    0,5 pnt.

      

    art. 4, lid 3 Onvoldoende lengte stallen zeugen/gelten

     

    standaard

    9 pnt.

    per verkeerd gehuisvest varkens

    0,5 pnt.

      

    art. 4a, lid 1 en lid 3 Ongeschikt huisvesten beer zodanig dat hij zich niet kan omdraaien en/of andere varkens kan horen en ruiken

     

    per verkeerd gehuisveste beer

    7 pnt.

      

    art. 4a, lid 2 Onvoldoende beschikbaar oppervlak voor beer

     

    per m2 te weinig vloeroppervlak per berenhok

    2 pnt.

      

    art. 5 Vloereisen

     

    standaard

    9 pnt

    op basis van art. 5 lid 1 per dier

    0,7 pnt.

    op basis van art. 5 lid 2 t/m 6 per dier

    0,5 pnt

    op basis van art. 5 lid 7 per dier

    0,7 pnt.

      

    art. 7 Onvoldoende lengte vrije ruimte voerligboxen gelten/zeugen

     

    per aanwezige gelt/zeug

    5 pnt.

      

    art. 8 Spleetbreedte roostervloer

     

    standaard

    9 pnt.

    per aanwezig varken

    0,5 pnt

      

    art. 9, lid 1 Onvoldoende voorzien van stal voor beer of zogende zeug van strooisel

     

    per stal

    6 pnt.

      

    art. 9, lid 2 Onvoldoende onderzoek-/speelmateriaal

     

    standaard

    10 pnt.

    per 20 varkens

    + 1 pnt.

      

    art. 10, lid 1 Onvoldoende lichtintensiteit

     

    standaard

    10 pnt.

    + per 20 aanwezige varkens

    4 pnt.

      

    C) Het verzorgen van varkens (artikel 2, lid 3, jo artikel 12 en 13 Varkensbesluit)

     
      

    art. 13, lid 2 Niet permanent voorzien van vers water

     

    standaard

    9 pnt.

    per dier

    0,1 pnt.

      

    art. 13, lid 3 Ontoereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer voor guste en drachtige zeugen/gelten

     

    standaard

    9 pnt.

    per dier

    0,1 pnt.

      

    D) Ingrepen bij varkens

     
      

    art. 15 Onverdoofd castreren van mannelijke varkens ouder dan 7 dagen

     

    varkens

    1 pnt./20 varkens

      

    art. 16, lid 1 Spenen van biggen jonger dan 28 dagen

     

    per big bij gemiddeld een week eerder spenen

    1 pnt./20 biggen

  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Door middel van het ‘Besluit welzijn productiedieren’ wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn nr. 98/58/EG van de Raad van de Europese Unie inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. Het onderhavige besluit stelt regels met betrekking tot de wijze waarop productiedieren moeten worden gehouden, verzorgd en gehuisvest. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan regels met betrekking tot de bewegingsvrijheid van een dier, de manier waarop een productiedier gevoederd dient te worden en de handelswijze in geval van ziekte van een dier.

    Vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren vallen op basis van art. 1, lid 2 niet onder de werkingssfeer van dit besluit.

    In het navolgende worden transactiebedragen genoemd voor de meest voorkomende categorieën productiedieren: runderen, kalveren, schapen/ geiten, varkens, legkippen. Ook bij andere categorieën productiedieren kunnen natuurlijk soortgelijke transacties worden voorgesteld.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

    • op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals in het onderstaande omschreven;

    • het transactiebedrag kan een bedrag per bedrijf of een bedrag per dier zijn. In dat laatste geval bestaat het bedrag uit een aantal punten per dier waarbij in ieder geval rekening moet worden gehouden met een minimumbedrag;

    • bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;

    • bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;

      of

    • in geval van recidive wordt verdachte gedagvaard;

    • in geval van een excessituatie waarin ernstige bezwaren zijn gerezen en er sprake is van een spoedeisend belang wordt tevens een voorlopige maatregel ex. art. 28 WED opgelegd;

    • in geval van een excessituatie, zoals in het voorgaande punt beschreven, die met betrekking tot de bedrijfsvoering zeer ingrijpende maatregelen vergt, zal de officier van justitie de waarschuwing geven dat bij voortduring van de situatie een voorlopige maatregel ex art. 29 WED zal worden gevorderd bij de rechter.

    A) Het houden van productiedieren

     
      

    art. 2, lid 1 jo. art. 3, lid 1Het houden van een dier terwijl de bewegingsvrijheid van het dier op zodanige wijze wordt beperkt dat het dier daardoor onnodig lijdt of letsel wordt toegebracht.

     

    standaard

    9 pnt.

    rund

    1 pnt./dier

    schaap/geit

    1 pnt./dier

    pluimvee (m.u.v. legkip)

    1 pnt /500 dieren

    paard

    1 pnt./dier

      

    art. 2, lid 2 jo. art. 3, lid 2 Het permanent of geregeld aanbinden, vastketenen of immobiliseren van een dier zonder dat voldoende ruimte wordt gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

     

    standaard

    9 pnt.

    rund

    1 pnt./dier

    schaap/geit

    1 pnt./dier

    pluimvee (inclusief legkip)

    1 pnt./500 dieren

    paard

    1 pnt./dier

      

    art. 2, lid 1, jo. art. 3, lid 3 Het houden van een dier zonder dat deze beschermd wordt tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s.

     

    standaard

    9 pnt.

    rund

    1 pnt./dier

    schaap /geit

    1 pnt./dier

    varken

    1 pnt./dier

    kalf

    1 pnt./dier

    pluimvee (m.u.v. legkip)

    1 pnt./500 dieren

    paard

    1 pnt./dier

      

    B) Het verzorgen van productiedieren

     
      

    art. 2, lid 2 jo. art. 4 ,lid 3 Het niet onmiddellijk op passende wijze verzorgen van een dier dat ziek of gewond lijkt, of het niet zo spoedig mogelijk raadplegen van een dierenarts wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt.

     

    rund

    15 pnt./dier

    schaap/geit

    15 pnt./dier

    varken

    15 pnt./dier

    kalf

    15 pnt./dier

    paard

    15 pnt./dier

      

    art. 2, lid 2 jo. art. 4, lid 4 Het niet verstrekken van een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voeder, zodanig dat het dier in een goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.

     

    standaard

    9 pnt.

    rund

    3 pnt./dier

    schaap/geit

    3 pnt./dier

    varken

    3 pnt./dier

    kalf

    3 pnt./dier

    paard

    3 pnt./dier

    pluimvee (inclusief legkip)

    3 pnt./1000 dieren

      

    C) Het huisvesten van productiedieren

     
      

    art. 2, lid 3 jo. art. 5, lid 2 Het niet afzonderen van een ziek of gewond dier in een ziekenboeg met zonodig droog strooisel.

     

    rund

    9 pnt./dier

    schaap/geit

    9 pnt./dier

    varken

    9 pnt./dier

    paard

    9 pnt./dier

      

    art. 2, lid 3 jo. art. 5, lid 4 Het huisvesten van een dier in een stal die in een slechte staat van onderhoud verkeert waardoor het dier zich kan verwonden aan scherpe randen of uitsteeksels.

    9 pnt./stal

      

    art. 2, lid 3 jo. art. 5, lid 7 Het huisvesten van een dier in een stal waarbij de gezondheid en welzijn van het dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, zonder dat de stal is voorzien van een passend noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd als het ventilatiesysteem uitvalt en/ of het ontbreken van een alarmsysteem.

    23 pnt./stal

      

    art. 2, lid 3 jo. art. 5, lid 8 Het dier heeft geen toegang tot een toereikende hoeveelheid schoon water of kan niet op een andere wijze aan zijn behoefte aan water voldoen.

     

    standaard

    9 pnt.

    rund

    3 pnt.

    schaap/ geit

    3 pnt.

    varken

    3 pnt.

    pluimvee (inclusief legkip)

    3 pnt./1000 dieren

    paard

    3 pnt.

  • De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 40, tweede lid, onderdeel c, 45, 108 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    Het Legkippenbesluit 2003 bevat de minimumeisen voor de huisvesting van legkippen in kooien en in huisvestingssystemen die geen gebruik maken van kooien. Deze laatste worden aangeduid met de term alternatieve huisvestingssystemen.

    Met ingang van de inwerkingtreding van het Legkippenbesluit 2003 is het in gebruik nemen van nieuwe niet-aangepaste kooien, de zogenaamde legbatterijen, niet meer toegestaan. Het huisvesten van legkippen in legbatterijen die voor 1 januari 2003 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen, is met ingang van 1 januari 2012 verboden. Huisvesting van legkippen in kooien blijft ook na afschaffing van de legbatterij mogelijk in de zogenaamde aangepaste of verrijkte kooi. In de aangepaste kooi dienen de kippen de beschikking te krijgen over strooisel, zitstokken en een nest.

    Het Legkippenbesluit 2003 is gebaseerd op de artikelen 38 en 45 van de GWWD op grond waarvan regels kunnen worden gesteld aan de wijze waarop dieren worden verzorgd en gehuisvest en is een implementatie van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG L 203) (hierna: de richtlijn).

    Het Legkippenbesluit 2003 ziet op de wijze waarop dieren worden verzorgd en gehuisvest.

    Paragraaf 2 van het Legkippenbesluit 2003 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in alternatieve huisvestingssystemen.

    Paragraaf 3.1 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen.

    Paragraaf 3.2 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien.

    Paragraaf 4 stelt algemene eisen aan het huisvesten en verzorgen.

    Kernbepalingen van het Legkippenbesluit 2003

    Ten aanzien van het houden en huisvesten van legkippen raken de bepalingen ten aanzien van de minimaal beschikbare oppervlakte de kern van de norm.

    Art. 4, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 1111 cm2 – per legkip gehouden binnen een alternatief huisvestingssysteem (‘scharrelkippen’).

    Art. 5, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 750 cm2/600 cm2 – per legkip gehouden in aangepaste kooien (‘volièrekippen’).

    Art. 6, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 550 cm2 – per legkip gehouden in niet-aangepaste kooien (‘legbatterij-kippen’).

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    Houden en huisvesten van legkippen in alternatieve huisvestingssystemen

     
      

    artikel 4, lid 1, onderdeel a (kernbepaling)

     

    Legkippen, gehouden en gehuisvest in een alternatief huisvestingssysteem, beschikken over minimaal 1111 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip.

    10 pnt./ te veel gehouden 1000 kippen

      

    artikel 4, lid 1, onderdeel b t/m g

     

    Aanvullende welzijnseisen aan huisvestingssysteem.

     

    per overtreden norm

    2 pnt./1000 kippen

      

    artikel 4, lid 2

     

    Een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen voldoet aan de vereiste normen.

     

    per overtreden norm

    2 pnt./1000 kippen

      

    artikel 4, lid 3

     

    In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten, voldoet deze ruimte buiten of voldoen de toegangen tot deze ruimte niet aan de vereiste normen.

     

    per overtreden norm

    2 pnt./1000 kippen

    Houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen

    Opzettelijk/onachtzaam handelen bij het houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen.

    Bij het opzetten van nieuwe legronden kan het zijn dat opzettelijk meer kippen worden opgezet dan gezien de voorhanden zijnde capaciteit conform het Legkippenbesluit 2003mogelijk is; ook is het mogelijk dat door onachtzaamheid de kippen niet evenredig verdeeld worden over de hokken. Het gevolg is dat in het ene hok te veel en in een ander hok te weinig kippen zitten. Voor het totaal aantal gehuisveste kippen is er in het laatste geval voldoende ruimte.

    In het geval dat er voor het totaal aantal gehuisveste kippen onvoldoende ruimte is, is er geen sprake van slechte verdeling over de aanwezige hokken maar van een absoluut tekort aan ruimte.

    Als het totaal aan gehuisveste kippen meer dan 2,5% groter is dan de huisvestingscapaciteit wordt proces-verbaal opgemaakt.

    Als bovendien uit een steekproef blijkt dat naast het percentage aan totaal te veel gehuisveste kippen een percentage van 10% of meer van het totaal aantal kippen niet evenredig verdeeld is over de hokken wordt een waarschuwing gegeven. Bij de eerstvolgende oplegronde volgt een hercontrole. Indien bij deze hercontrole wordt vastgesteld dat 10% van de steekproef verkeerd gehuisvest is, wordt proces-verbaal opgemaakt.

    Als het totaal aan gehuisveste kippen niet groter is dan de huisvestingscapaciteit, maar meer dan 10% van de kippen niet beschikt over de vereiste (bruikbare) oppervlakte/grondoppervlakte wordt een waarschuwing gegeven. Bij de eerstvolgende oplegronde volgt een hercontrole. Indien bij deze hercontrole wordt vastgesteld dat 10% van de steekproef verkeerd gehuisvest is wordt proces-verbaal opgemaakt. Een steekproef bestaat uit 10% van het totaal aantal hokken en de uitkomst van de steekproef wordt geëxtrapoleerd naar de totale populatie.

    Houden en huisvesten van legkippen in aangepaste kooien (na 1 januari 2003 gebouwd en in gebruik genomen)

     
      

    artikel 5, lid 1, onderdeel a (kernbepaling)

     

    Legkippen gehuisvest in een aangepaste kooi beschikken over minimaal 750 cm2 oppervlakte, waarvan 600 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip.

    10 pnt./1000 teveel gehouden kippen

      

    artikel 5, lid 1, onderdeel b t/m g

     

    Aanvullende welzijnseisen aan aangepast kooihuisvestingssysteem;.

     

    per overtreden norm

    2 pnt./1000 kippen

      

    artikel 5, lid 2

     

    Eisen aan bodem kooi.

    2 pnt./1000 kippen

      

    Houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien

     
      

    artikel 6, lid 1, onderdeel a (kernbepaling)

     

    Legkippen, gehouden en gehuisvest in een niet-aangepaste kooi (een kooi, waarvan de gebruiker kan aantonen dat de kooi deel uitmaakt van een huisvestingssysteem dat voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik genomen) beschikken over een grondoppervlakte van minimaal 550 cm2 per legkip.

    10 pnt./1000 te veel gehouden kippen

      

    artikel 6, lid 2

     

    Eisen aan bodem kooi.

    2 pnt./1000 kippen

      

    Algemene eisen aan het huisvesten en verzorgen

     
      

    artikel 7

     

    Beperkingen aan geluidsniveau in huisvestingssystemen.

     

    per overtreden norm

    9 pnt./bedrijf

    Het huisvestingssysteem is zodanig opgezet dat een legkip niet kan ontsnappen.

     

    per overtreden norm

    9 pnt./bedrijf

      

    artikel 8

     

    Verplichte dagelijkse inspectie.

    9 pnt./bedrijf

    Ter inspectie doelmatige inrichting.

    23 pnt./bedrijf

      

    artikel 9

     

    Kwaliteit en intensiteit verlichting.

    2 pnt./1000 kippen

      

    artikel 10

     

    Verwijderen uitwerpselen en dode legkippen.

     

    per overtreden norm

    2 pnt./1000 kippen

    Reinigen en ontsmetten.

     

    per overtreden norm, afhankelijk van ernst overtreding

    20 – 100 pnt./bedrijf

  • Afdeling 7. Het vervoeren van dieren
  • Gelet op verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer e n daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97, en de artikelen 59, 59a, eerste en vijfde lid, onderdelen d, e en f,van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

    Achtergrond

    De Regeling Dierenvervoer 2007 (Rdv 2007) geeft regels voor een goede uitvoering van Verordening (EG) 1/2005.

    Strafbaarstelling

    In artikel 9 van de Rdv 2007 is het verbod tot handelen in strijd met de artikelen 3 t/m 9 en 12 van Verordering (EG) 1/2005 opgenomen. Het verbod in artikel 9 is een ministerieel verbod krachtens artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet (GWWD) voor dieren. Artikel 59 GWWD is als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, 4° van de WED.

    De verordening is een rechtstreekse bron van rechten en plichten voor de burger; implementatie is derhalve niet aan de orde. De nationale overheid hoeft slechts uitvoering te geven aan de nationale strafbaarstelling van de in de verordening opgenomen verboden gedragingen.

  • 7.2. Verordening (EG) 1/ 2005
  • Achtergrond

    De verordening (EG) 1/2005 is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap. De verordening ziet op het welzijn van dieren bij het vervoer. Dit belang wordt met name geschonden als er vervoer plaatsvindt van dieren die daartoe niet geschikt zijn, het vervoer geschiedt onder condities die het welzijn of de veiligheid van de dieren benadelen dan wel stress, pijn of letsel veroorzaken of indien er aan de dieren tijdens het transport de nodige verzorging onthouden wordt. Op vervoer van dieren door veehouders met behulp van landbouwvoertuigen vereist door geografische omstandigheden ten behoeve van seizoensgebonden verweiding en op vervoer van eigen dieren met eigen vervoermiddelen over een afstand van ten hoogste 50 km van hun bedrijf zijn enkel de strafrechtelijk te handhaven voorschriften van artikel 3 van de Verordening van toepassing. Voorts is de Verordening niet van toepassing op het vervoer van dieren dat geen verband houdt met een economische bedrijvigheid. Ook is de verordening niet van toepassing op het rechtstreekse vervoer – voorgeschreven door een dierenarts – van dieren van of naar diergeneeskundige praktijken en klinieken.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid.

    Het strafrecht dient in hoofdzaak te worden ingezet bij schending van het belang dat de desbetreffende regelgeving in de kern beoogt te beschermen. Ook ligt er voor het strafrecht een taak als overtreding van een voorschrift de mogelijkheid tot overheidsingrijpen belemmert. Niet optreden tegen deze laatste overtredingen zou de totale handhaving illusoir maken. Bepalingen binnen de regelgeving die direct zien op het te beschermen belang en bepalingen die ertoe dienen overheidscontrole mogelijk te maken zijn de kernbepalingen van de regeling. In de Aanwijzing handhaving milieurecht is aangegeven dat bij overtreding van kernbepalingen in beginsel proces-verbaal wordt opgemaakt. Bij niet kernbepalingen wordt in beginsel geen proces-verbaal opgemaakt.

    Kernbepalingen van Verordering (EG) 1/2005

    Verordening (EG) 1/2005 ziet op de bescherming van dieren tijdens het vervoer. Kernbepalingen uit de verordening zijn die bepalingen die direct verhinderen dat dieren tijdens het vervoer overmatig hinder ondervinden en bepalingen die de overheidscontrole op de naleving mogelijk maken.

    De kernbepalingen binnen Verordening (EG) 1/2005 zijn:

    Art. 3 verbiedt zodanig vervoer dat dieren letsel of onnodig lijden wordt berokkend; art. 3 a t/m h noemt daartoe voorwaarden waaraan bovendien moet worden voldaan.

    Art. 4 stelt de aanwezigheid van bepaalde documenten bij het vervoer verplicht; deze documenten moeten desgevraagd ter beschikking aan de bevoegde autoriteiten gesteld worden.

    Art. 5, lid 2 verplicht de vervoerder een natuurlijk persoon aan te wijzen die verantwoordelijk is voor het vervoer en ervoor te zorgen dat te allen tijde informatie verkregen kan worden.

    Art. 5, lid 3, onderdeel a verplicht de organisator van het transport de verschillende onderdelen van het transport zodanig te coördineren dat het welzijn van de dieren niet in het gedrang komt en dat rekening gehouden wordt met de weersomstandigheden.

    Art. 5, lid 3, onderdeel b verplicht de organisator een natuurlijk persoon te belasten met het op elk gewenst moment verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteiten.

    Art. 5, lid 4 legt een journaalplicht voor lange transporten op vervoerders en organisatoren.

    Art. 6, lid 1 legt een vergunningsplicht op vervoerder. Afgifte kopie van vergunning aan bevoegde autoriteit;

    Art. 6, lid 3 verplicht het vervoer van dieren volgens de voorschriften in bijlage I.

    Art. 6, lid 4 verplicht de vervoerder enkel personeel met de dieren te laten omgaan dat de vereiste opleiding heeft ontvangen.

    Art. 6, lid 5 verbiedt vervoer indien het voertuig niet bestuurd wordt of het transport niet begeleid wordt door een persoon in bezit van een getuigschrift ex art. 17, lid 2 van de Verordening.

    Art. 6, lid 6 verplicht de vervoerder te zorgen voor de aanwezigheid van een verzorger.

    Art. 6, lid 8 verplicht tot overleggen certificaat van goedkeuring wegvervoermiddel en veeschepen.

    Art. 6, lid 9 stelt bewaarplicht en plicht ter beschikkingstellen navigatiesysteemgegevens.

    Art. 8, lid 1 verplicht de houder van dieren ervoor te zorgen dat de technische voorschriften uit de bijlage I, hoofdstuk I en hoofdstuk III, afdeling I worden nageleefd.

    Art. 8, lid 2 stelt journaalplicht voor houders.

    Art. 9, lid 1 verplicht verzamelcentra te zorgen voor een behandeling van dieren overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I en hoofdstuk III, afdeling 1.

    Art. 9, lid 2, a, b, d en e noemt voorschriften waaraan de exploitanten van verzamelcentra bovendien moeten voldoen en die waar nagelaten impact hebben op het welzijn van de dieren.

    Niet-kernbepalingen binnen Verordening (EG) 1/2005

    De niet-kernbepalingen van Verordening (EG) 1/2005 zijn voorschriften van min of meer administratieve aard en alle overige voorschriften.

    Met betrekking tot de kernbepalingen zal in beginsel proces-verbaal opgemaakt worden, tenzij de officier van justitie op basis van onderzoeksbevindingen concludeert dat strafrechtelijke handhaving in het onderhavige geval niet opportuun is.

    Met betrekking tot die kernbepalingen die zien op controlemogelijkheden wat betreft de naleving zal waar mogelijk bestuursrechtelijk naleving gevorderd worden (*).

    Met betrekking tot de niet-kernbepalingen wordt geen proces-verbaal opgemaakt, tenzij naar het oordeel van de officier van justitie op basis van de onderzoeksbevindingen volgt dat strafrechtelijk optreden geboden is.

    Aangezien er bij strafrechtelijke handhaving van niet-kernbepalingen geen sprake is van standaardzaken zijn er geen modaliteiten opgenomen voor standaardafdoening.

    Internationaal vervoer

    De opgenomen sanctiepunten gelden – indien niet anders aangegeven – in geval van nationaal vervoer. Een factor die van invloed is op het welzijn van de dieren is de duur van het vervoer. Wordt er niet aan de eisen gesteld in het besluit voldaan, dan zal de impact daarvan groter zijn naarmate het vervoer langer duurt. Vervoer naar andere landen zal in het algemeen over grotere afstand en daarmee gedurende langere tijd plaatsvinden. Ook gaat grensoverschrijdend vervoer gepaard met grotere omzetten. Een weging van het aantal punten ligt derhalve in de rede. Om deze verzwarende factoren mee te wegen wordt in voorkomende gevallen het aantal sanctiepunten met een factor 5 verhoogd (**).

    Hierna worden de kernbepalingen van de Verordening (EG) 1/2005 nader uitgewerkt.

    Artikel 3 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

    Op het eigen vervoer van dieren door veehouders t.b.v. seizoensgebonden verweiding en op vervoer van eigen dieren over een afstand van ten hoogste 50 km is enkel artikel 3 van toepassing.

    Gedetailleerdere eisen voor vervoer van niet-eigen dieren en vervoer over een afstand van meer dan 50 km staan in Bijlage I en zijn voor vervoerders, houders en verzamelcentra verplicht gesteld in resp. art. 6, lid 3, art. 8, lid 1 en art. 9, lid 1.

      

    Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

    22 pnt.

    Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

     

    a) vooraf zijn alle nodige voorzieningen getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien;

    35 pnt.

    b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;

    22 pnt./dier

    c) het vervoermiddel is zodanig ontworpen en geconstrueerd, en wordt op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is

    gegarandeerd;

    22 pnt.

    d) de laad- en losvoorzieningen zijn zodanig ontworpen en geconstrueerd, en worden op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd;

    22 pnt.

    e) het personeel dat met de dieren omgaat, heeft daarvoor de nodige opleiding of bekwaamheid, naar gelang van het geval, en voert zijn werkzaamheden uit zonder gebruikmaking van geweld of een methode die de dieren onnodig angstig maakt of onnodig letsel of leed toebrengt;

    22 pnt.

    f) het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden;

    35 pnt.

    g) de dieren beschikken, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, over voldoende vloeroppervlak en stahoogte;

    35 pnt.

    h) de dieren krijgen op gezette tijden water, voeder en rust, in kwaliteit en in kwantiteit afgestemd op hun soort en grootte.

    22 pnt.

      

    artikel 4 Vervoersdocumenten

     

    1. Dieren mogen alleen worden vervoerd wanneer in het voertuig documenten met de volgende gegevens aanwezig zijn:

     

    a) de herkomst en de eigenaar;

     

    b) de plaats van vertrek;

     

    c) datum en uur van vertrek;

     

    d) de plaats van bestemming;

     

    e) de verwachte duur van het voorgenomen transport.

    11 pnt.1

    2. De vervoerder stelt de in lid 1 bedoelde documenten desgevraagd ter beschikking van de bevoegde autoriteit.

    11 pnt.1

      

    artikel 5 Verplichtingen inzake de planning van het vervoer van dieren

     

    1. Het vervoer van dieren mag uitsluitend in opdracht gegeven of uitbesteed worden aan vervoerders met een vergunning volgens artikel 10, lid 1, of artikel 11, lid 1.

    45 pnt.

    2. De vervoerder moet een natuurlijke persoon aanwijzen die voor het vervoer verantwoordelijk is, en ervoor zorgen dat te allen tijde informatie kan worden verkregen over de planning, uitvoering en voltooiing van het gedeelte van het transport waarover hij de leiding heeft.

    45 pnt.

    3. De organisatoren zorgen er voor elk transport voor dat:

     

    a) het welzijn van de dieren niet in het gedrang komt door onvoldoende coördinatie van de verschillende onderdelen van het transport, dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden, en dat

     

    b) een natuurlijke persoon belast wordt met het op elk gewenst moment verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteit over de planning, uitvoering en voltooiing van het transport.

    45 pnt.2

    4. Voor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens moeten de vervoerders en organisatoren voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften inzake het journaal.

    45 pnt.1

      

    artikel 6 Vervoerders

     

    1. Als vervoerder, over een afstand langer dan 65 km, komen alleen personen in aanmerking die in het bezit zijn van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, of, voor lange transporten, overeenkomstig artikel 11, lid 1, afgegeven vergunning.

    45 pnt.

    Wanneer de dieren worden vervoerd, moet van de vergunning een kopie aan de bevoegde autoriteit worden afgegeven.

    111

    3. De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I. (zie Bijlage I Verordening (EG) 1/2005)

     

    4. De vervoerders, over een afstand langer dan 65 km, laten alleen personeel met dieren omgaan dat een opleiding heeft ontvangen met betrekking tot de voorschriften van de bijlagen I en II.

    22 pnt.

    5. Een wegvoertuig waarmee als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, dan wel pluimvee, over een afstand langer dan 65 km, vervoerd worden, mag alleen bestuurd of indien het een verzorger betreft, begeleid worden door een persoon die in het bezit is van een getuigschrift van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 17, lid 2. Het getuigschrift van vakbekwaamheid moet aan de bevoegde autoriteit worden voorgelegd wanneer de dieren worden vervoerd.

    22 pnt.

    6. De vervoerders zorgen ervoor dat iedere partij dieren vergezeld wordt door een verzorger, behalve in de volgende gevallen:

    22 pnt.

    a) de dieren worden vervoerd in afgesloten containers die voldoende worden geventileerd en die, zo nodig, voorzien zijn van voeder- en drinkautomaten die niet kunnen worden omgestoten, en die voldoende voeder en water bevatten voor een transport dat dubbel zo lang duurt als het verwachte transport;

     

    b) de chauffeur treedt tevens op als verzorger.

     

    8. Vervoerders dienen het in artikel 18, lid 2, of artikel 19, lid 2, bedoelde certificaat van goedkeuring aan de bevoegde autoriteit over te leggen wanneer er dieren worden vervoerd.

    11 pnt.1

    9. Vervoerders van lange wegtransporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen – met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen – runderen, schapen, geiten en varkens maken met ingang van 1 januari 2007 voor wegvervoermiddelen die voor de eerste keer in gebruik worden genomen en met ingang van 1 januari 2009 voor alle wegvervoermiddelen gebruik van een navigatiesysteem zoals bedoeld in Bijlage I, hoofdstuk VI, punt 4, 2. Zij bewaren de via zulke navigatiesystemen verkregen gegevens ten minste drie jaar en stellen ze op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit, in het bijzonder wanneer de in lid 4 van artikel 15 bedoelde controles worden uitgevoerd. Uitvoeringsmaatregelen betreffende dit lid kunnen volgens de procedure van artikel 31, lid 2, worden aangenomen.

    110 pnt.1

      

    artikel 8 Houders

     

    1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden. (zie Bijlage 1 Verordening (EG) 1/2005)

     

    2. De houders controleren alle dieren bij aankomst op de plaats van doorvoer of op de plaats van bestemming, en gaan na of zij een lang transport tussen de lidstaten of met derde landen ondergaan, dan wel ondergaan hebben. In het geval van lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen – met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen – runderen, schapen geiten en varkens moeten de houders voldoen aan de bepalingen inzake het journaal van bijlage II.

    11 pnt.1

      

    artikel 9 Verzamelcentra

     

    1. De exploitanten van verzamelcentra zorgen ervoor dat de dieren behandeld worden overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1. (zie Bijage I, Verordening (EG) 1/2005)

     

    2. De exploitanten van verzamelcentra die overeenkomstig de communautaire veterinaire wetgeving zijn erkend, moeten bovendien voldoen aan de volgende voorschriften:

     

    a) zij mogen alleen personeel dat een opleiding met betrekking tot de desbetreffende technische voorschriften van bijlage I heeft gevolgd, met de dieren laten omgaan.

    45 pnt.

    b) zij moeten personen die toegang tot het verzamelcentrum hebben, regematig informeren over de krachtens deze verordening op hen rustende verplichtingen en over de straffen die op overtreding staan;

    22 pnt.

    d) zij moeten in geval van niet-naleving van deze verordening door een persoon die zich in het verzamelcentrum ophoudt, en onverminderd eventuele maatregelen van de bevoegde autoriteit, de nodige maatregelen nemen om een einde te maken aan de geconstateerde overtreding en herhaling ervan te voorkomen;

    45 pnt.

    e) zij moeten de nodige interne voorschriften vaststellen, controleren en handhaven om naleving van de punten a) tot en met d) te garanderen.

    22 pnt.

    1 Waar mogelijk bestuursrechtelijk naleving vorderen.

    2 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

  • Bijlage I. bij Verordening (EG) 1/2005: technische voorschriften

  • (als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a))

    Geschiktheid voor vervoer

    1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

    45 pnt./dier1

      

    2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:

     

    a) wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

     

    b) wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen;

     

    c) wanneer het drachtige dieren betreft waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd is, of dieren die in de week ervoor geworpen hebben;

     

    d) wanneer het pasgeboren zoogdieren betreft waarvan de navel nog niet volledig geheeld is;

     

    e) wanneer het varkens van minder dan drie weken, lammeren van minder dan een week of kalveren van minde dan tien dagen betreft, tenzij zij over minder dan 100 km worden vervoerd;

     

    f) wanneer het honden en katten van minder dan acht weken betreft, tenzij zij vergezeld zijn van hun moeder;

     

    g) wanneer het herten met een bastgewei betreft.

     
      

    3. Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden vervoerd in de volgende gevallen:

     

    a) wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen;

     

    b) wanneer zij vervoerd worden voor de doeleinden van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad (1) indien de ziekte of de verwonding deel uitmaakt van het onderzoeksprogramma;

     

    c) wanneer zij onder veterinair toezicht vervoerd worden ten behoeve van of ingevolge een veterinaire behandeling of diagnose. Dit vervoer mag echter alleen worden toegestaan als het de dieren geen onnodig leed berokkent en zij niet mishandeld worden; en

     

    d) wanneer zij veterinaire procedures hebben ondergaan die verband houden met landbouwpraktijken, zoals onthoorning of castratie, mits de wonden daarvan volledig geheeld zijn.

     
      

    4. Wanneer dieren tijdens het vervoer ziek worden of gewond raken, moeten zij van de andere dieren worden gescheiden en moeten zij zo spoedig mogelijk eerste hulp krijgen. Zij moeten een passende diergeneeskundige behandeling krijgen en, zo nodig, een noodslachting ondergaan of gedood worden op een wijze die geen onnodig lijden veroorzaakt.

    45 pnt./dier1

      

    5. Aan te vervoeren dieren mogen alleen kalmerende middelen worden verstrekt als dat voor het welzijn van de dieren strikt noodzakelijk is; deze middelen mogen alleen worden gebruikt onder toezicht van een dierenarts.

    22 pnt.

      

    6. Zogende koeien, ooien en geiten die niet vergezeld worden door hun jongen, moeten minimaal om de twaalf uur gemolken worden.

    35 pnt. + 10 pnt./dier

      

    7. De voorschriften van punt 2, c) en d), gelden niet voor geregistreerde eenhoevigen indien het doel van het transport is de gezondheids- en welzijnsomstandigheden rondom de geboorte te verbeteren, of voor pasgeboren veulens met het geregistreerde moederpaard, in beide gevallen op voorwaarde dat de dieren permanent begeleid worden door een verzorger die zich gedurende het transport aan hun verzorging wijdt.

     

    1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

    Vervoermiddelen

    1. Bepalingen voor vervoermiddelen in het algemeen

     
      

    1.1 De vervoermiddelen, containers en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat:

    22 pnt.1

    a) letsel en onnodig lijden van de dieren voorkomen wordt en hun veiligheid gegarandeerd is;

     

    b) zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen;

     

    c) zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden;

     

    d) de dieren niet kunnen ontsnappen of eruit kunnen vallen, en zij de bewegingsbelasting kunnen weerstaan;

     

    e) steeds een aan de vervoerde diersoort aangepaste luchtkwaliteit en -hoeveelheid gewaarborgd is;

     

    f) de dieren toegankelijk zijn zodat ze gecontroleerd en verzorgd kunnen worden;

     

    g) zij voorzien zijn van een antislipvloer;

     

    h) het weglekken van urine en uitwerpselen tot een minimum beperkt is;

     

    i) voldoende verlichting aanwezig is om te dieren tijdens het vervoer te kunnen controleren en verzorgen.

     
      

    1.2 In het dierencompartiment en op de verschillende laadvloeren dient voldoende ruimte te zijn om voor adequate ventilatie boven de dieren te zorgen wanneer deze in hun natuurlijke houding rechtop staan, zonder dat zij gehinderd worden in hun natuurlijke bewegingen.

    22 pnt.1

      

    1.3 Bij wilde dieren en, waar nodig, bij andere diersoorten dan als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, vergezellen de volgende documenten de dieren:

     

    a) een waarschuwing dat het om wilde, schuwe of gevaarlijke dieren gaat;

    11 pnt.

    b) schriftelijke instructies betreffende het voederen, drenken en eventueel vereiste speciale verzorging.

    11 pnt.

      

    1.4 Tussenschotten moeten sterk genoeg zijn om het gewicht van de dieren te weerstaan. De uitrusting moet zo ontworpen zijn dat zij snel en gemakkelijk kan worden bediend.

    22 pnt.

      

    1.5 Biggen lichter dan 10 kg, lammeren lichter dan 20 kg, kalveren jonger dan zes maanden en veulens jonger dan vier maanden moeten de beschikking hebben over passend strooisel of gelijkwaardig materiaal dat comfortabel is, en is afgestemd op de vervoerde diersoorten, het aantal vervoerde dieren, de transporttijd en de weersomstandigheden. Dat materiaal moet een adequate absorptie van de urine en de uitwerpselen garanderen.

    22 pnt.1

    1.6 Wanneer het vervoer per schip, vliegtuig of trein naar verwachting meer dan drie uur zal duren, moet de verzorger of een persoon aan boord die de vereiste vaardigheid heeft om deze taak humaan en doeltreffend te verrichten, de beschikking hebben over een voor de diersoort geschikt middel om het te doden, zulks onverminderd de communautaire en nationale wetgevingen betreffende de veiligheid van bemanningen en passagiers.

    11 pnt.

      

    2. Aanvullende bepalingen voor weg- en spoorvervoer

     
      

    2.1 Voertuigen waarin dieren worden vervoerd, moeten op duidelijk zichtbare wijze voorzien zijn van een merkteken waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt, tenzij de dieren worden vervoerd in containers die overeenkomstig punt 5.1 zijn gemerkt.

    22 pnt.

      

    2.2 Wegvoertuigen moeten voorzien zijn van geschikte uitrusting voor het laden en lossen.

    11 pnt.

      

    2.3 Bij het samenstellen van treinen en bij andere rangeermanoeuvres van wagons moeten de nodige voorzorgen worden genomen om schoksgewijze verplaatsingen van wagons waarin zich dieren bevinden, te voorkomen.

    11 pnt.1

      

    3. Aanvullende bepalingen voor het vervoer met roroschepen

     
      

    3.1 Voordat de dieren aan boord gaan, controleert de kapitein:

    45 pnt.

    a) wanneer de voertuigen op gesloten dekken worden geladen, of het vaartuig is uitgerust met een geschikt systeem voor geforceerde ventilatie, een alarmsysteem en een adequaat noodaggregaat;

     

    b) wanneer de voertuigen op open dekken worden geladen, of er voldoende bescherming tegen zeewater wordt geboden.

     
      

    3.2 Wegvoertuigen en spoorwagons moeten voorzien zijn van een toereikend aantal adequaat ontworpen, goed geplaatste en goed onderhouden bevestigingspunten waarmee ze stevig aan het schip kunnen worden vastgesjord.

    22 pnt.

    Wegvoertuigen en spoorwagons moeten voor de afvaart aan het schip worden vastgesjord zodat zij niet de door beweging van het schip kunnen gaan schuiven.

    22 pnt.

      

    4. Aanvullende bepalingen voor luchtvervoer

     
      

    4.1 De dieren moeten worden vervoerd in voor de soort geschikte containers, hokken of standen, die in overeenstemming zijn met de voorschriften voor levende dieren van de Internationale Luchtvaartorganisatie (IATA) in de in bijlage VI bedoelde versie.

    200 pnt.

      

    4.2 De dieren mogen slechts worden vervoerd onder omstandigheden waarin de luchtkwaliteit, -temperatuur en -druk tijdens het hele transport binnen voor de diersoort passende waarden kunnen worden gehouden.

    200 pnt.

    Vervoer door de lucht zal altijd lange-afstand-vervoer zijn, deze factor is in het puntenaantal meegewogen.

     
      

    5. Aanvullende bepalingen voor het vervoer in containers

     
      

    5.1 Containers waarin dieren worden vervoerd, moeten op duidelijk zichtbare wijze voorzien zijn van een merkteken waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt, en van een teken ter aanduiding van de bovenkant van de container.

    22 pnt.

      

    5.2 Tijdens het vervoer en de hantering moeten de containers steeds rechtop blijven, en moeten schokken en heftige stoten zo veel mogelijk worden vermeden. De containers moeten worden vastgezet om te voorkomen dat ze door de bewegingen van het vervoermiddel gaan schuiven.

    35 pnt.

      

    5.3 Containers van meer dan 50 kg moeten voorzien zijn van een toereikend aantal adequaat ontworpen, goed geplaatste en goed onderhouden bevestigingspunten waarmee zij stevig aan het vervoermiddel waarop zij zullen worden geladen, kunnen worden vastgesjord. Containers moeten voor de aanvang van het transport aan het vervoermiddel worden vastgesjord zodat zij niet door de bewegingen van het vervoermiddel kunnen gaan schuiven.

    35 pnt.

    1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

    Vervoermethoden

    1. Laden, lossen en behandeling van de dieren

     

    1.1 Er moet passende aandacht worden besteed aan de behoeften van bepaalde categorieën dieren, zoals wilde dieren, zodat zij vóór het voorgenomen transport aan de wijze van vervoer kunnen wennen.

    22 pnt.

      

    1.2 Indien het laden of lossen meer dan vier uur duurt, behalve in het geval van pluimvee:

     

    a) moeten er passende voorzieningen aanwezig zijn waar de dieren zich, niet aangebonden, buiten het vervoermiddel kunnen ophouden, en kunnen eten en drinken;

    22 pnt.

    b) moeten de verrichtingen onder toezicht staan van een bevoegde dierenarts en moeten er bijzondere voorzorgen genomen worden om ervoor te zorgen dat het welzijn van de dieren tijdens deze verrichtingen op de juiste wijze wordt gehandhaafd.

     
      

    1.3 De voorzieningen voor het laden en lossen, met inbegrip van de vloeren, moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat:

     

    a) tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden worden voorkomen en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt, en dat de veiligheid van de dieren wordt gewaarborgd; zo mogen met name de vloeren niet glad zijn en moeten er beschuttende zijkanten aanwezig zijn om ontsnappen van de dieren te voorkomen;

    22 pnt.

    b) zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden.

    22 pnt.

      

    1.4 Laadbruggen mogen voor varkens, kalveren en paarden niet steiler zijn dan 20 graden, oftewel 36,4%, en voor schapen en runderen, kalveren uitgezonderd, niet steiler dan 26 graden 34 minuten, oftewel 50%.

    22 pnt.

    a) Wanneer de hellingsgraad meer dan 10 graden is, oftewel 17,6%, moet de laadbrug voorzien zijn van een systeem, bijv. dwarslatten, waardoor de dieren gemakkelijk en zonder risico of problemen het voertuig in en uit kunnen lopen.

    22 pnt.

    b) Hefplatforms en verdiepingen moeten voorzien zijn van veiligheidshekken die voorkomen dat dieren er tijdens het laden of lossen af vallen of ontsnappen.

    22 pnt.

      

    1.5 Goederen die in hetzelfde vervoermiddel als de dieren worden vervoerd, moeten op zodanige wijze worden verstuwd dat zij de dieren geen letsel, lijden of andere ongemakken berokkenen.

    22 pnt.

      

    1.6 Tijdens het laden en lossen moet passende verlichting aanwezig zijn.

    22 pnt.

      

    1.7 Wanneer containers met dieren op het vervoermiddel op elkaar worden gestapeld, moeten de nodige voorzorgen worden genomen om

     

    a) te voorkomen, of, in het geval van pluimvee, konijnen en pelsdieren, zoveel mogelijk te verhinderen, dat urine en uitwerpselen op de dieren eronder vallen;

    11 pnt.

    b) de stabiliteit van de containers te waarborgen;

    22 pnt.

    c) de ventilatie niet te belemmeren.

    22 pnt.

      

    1.8 Het is verboden:

     

    a) de dieren te slaan of te schoppen;

    90 pnt.

    b) op een bijzonder gevoelig deel van het lichaam op zodanige wijze druk uit te oefenen dat het de dieren onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;

    90 pnt.

    c) de dieren met mechanische middelen in een hangende positie te houden;

    90 pnt.

    d) de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;

    90 pnt.

    e) prikstokken of andere puntige voorwerpen te gebruiken;

    90 pnt.

    f) opzettelijk dieren te hinderen die gedreven of geleid worden door een gedeelte waar doorstroming nodig is.

    90 pnt.

      

    1.9 Het gebruik van apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend, moet zoveel mogelijk worden vermeden. Deze instrumenten mogen in elk geval alleen worden gebruikt voor volwassen runderen en volwassen varkens die weigeren zich te verplaatsen, en uitsluitend op voorwaarde dat de dieren vóór zich ruimte hebben om zich voort te bewegen. De schokken mogen niet langer duren dan één seconde, moeten voldoende worden gespreid en mogen uitsluitend op de spieren van de achterpoten worden toegediend. Ook wanneer de dieren niet reageren, mogen de schokken niet herhaaldelijk worden toegediend.

    90 pnt.

      

    1.10 Markten of verzamelcentra dienen, zo nodig, voorzieningen te verstrekken voor het aanbinden van de dieren. Dieren die dit niet gewend zijn, mogen niet worden aangebonden. De dieren moeten toegang tot water hebben.

    22 pnt.

      

    1.11 Dieren mogen in geen geval aan horens, gewei, neusringen of met samengebonden poten worden aangebonden. Kalveren mogen niet worden gemuilkorfd. Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen ouder dan acht maanden moeten tijdens het vervoer een halster dragen, niet-afgerichte paarden uitgezonderd.

    90 pnt.

    Wanneer de dieren moeten worden aangebonden, moeten de gebruikte touwen, tuiers of andere middelen worden gebruikt:

    45 pnt.

    a) die zo sterk zijn dat ze onder normale vervoersomstandigheden niet breken;

     

    b) waarmee de dieren eventueel kunnen gaan liggen, eten en drinken;

     

    c) die zo ontworpen zijn dat ieder risico van wurging of verwonding is uitgesloten, en de dieren snel kunnen worden losgemaakt.

     
      

    1.12 De volgende dieren worden gescheiden behandeld en vervoerd:

    22 pnt.1

    a) dieren van verschillende soorten;

     

    b) dieren van beduidend verschillende grootte of leeftijd;

     

    c) volwassen fokberen en fokhengsten;

     

    d) geslachtsrijpe mannelijke en vrouwelijke dieren;

     

    e) dieren met en dieren zonder horens;

     

    f) dieren die elkaar vijandig gezind zijn;

     

    g) aangebonden en niet-aangebonden dieren.

     
      

    1.13 Het bepaalde in punt 1.12, onder a), b), c) en e), is niet van toepassing als de dieren in bij elkaar passende groepen zijn opgefokt of aan elkaar gewend zijn, als de scheiding leed veroorzaakt of als vrouwelijke dieren vergezeld gaan van jongen die van hen afhankelijk zijn.

     
      

    2. Tijdens het vervoer

     
      

    2.1 De beschikbare ruimte dient ten minste overeen te stemmen met de in hoofdstuk VII voor de desbetreffende dieren en vervoermiddelen vermelde waarden.

    35 pnt.1

    Bij overbelading van meer dan 30%

    + 100%

      

    2.2 Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, merries met hun veulen uitgezonderd, moeten in individuele standen worden vervoerd wanneer het voertuig op een roroschip wordt geladen. Er kan bij nationale regels een afwijking van deze bepaling worden toegestaan, mits deze regels door de lidstaten ter kennis worden gebracht van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

    22 pnt.

      

    2.3 Eenhoevigen mogen niet in voertuigen met meerdere laadvloeren vervoerd worden, tenzij de dieren op de onderste laadvloer geladen worden terwijl de hogere laadvloeren leeg blijven. De inwendige hoogte van het compartiment dient ten minste 75 cm hoger te zijn dan de schofthoogte van het grootste dier.

    35 pnt.1

      

    2.4 Niet-afgerichte eenhoevigen mogen niet in groepen van meer dan vier dieren worden vervoerd.

    22 pnt.1

      

    2.5 De punten 1.10 tot en met 1.13 zijn van overeenkomstige toepassing op het vervoermiddel.

     
      

    2.6 Er moet voor voldoende ventilatie gezorgd worden zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en het soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens het transport. Containers moeten zodanig worden gestuwd dat de ventilatie niet wordt belemmerd.

    22 pnt.1

      

    2.7 Tijdens het vervoer moeten de dieren met passende tussenpozen, en met name met inachtneming van de voorschriften in hoofdstuk V, gedrenkt en gevoederd worden en de gelegenheid krijgen om te rusten, op een wijze die bij hun soort en leeftijd past. Tenzij anders bepaald, moeten zoogdieren en vogels ten minste om de 24 uur gevoederd en ten minste om de 12 uur gedrenkt worden. Water en voeder moeten van goede kwaliteit zijn, en moeten de dieren op zodanige wijze worden aangeboden dat het risico van besmetting tot een minimum beperkt is. De nodige aandacht moet worden besteed aan het feit dat dieren aan de voeder- en drenkmethoden moeten wennen.

    90 pnt.

    1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

    Aanvullende bepalingen voor veeschepen en schepen die zeecontainers vervoeren

    Constructie- en uitrustingsvoorschriften voor veeschepen

     

    1. De sterkte van de latten van hokken en van dekken moet aangepast zijn aan de vervoerde dieren. De sterkteberekeningen voor de latten van hokken en van dekken moeten tijdens de constructie van of de ombouw tot veeschepen worden gecontroleerd door een door de bevoegde autoriteit erkend classificatiebureau.

     
      

    2. De ruimen waarin de dieren zullen worden vervoerd, moeten voorzien zijn van geforceerde ventilatie met voldoende vermogen om de lucht volledig te verversen:

     

    a) 40 luchtverversingen per uur indien het ruim volledig omsloten is en de vrije hoogte maximaal 2,30 meter is;

     

    b) 30 luchtverversingen per uur indien het ruim volledig omsloten is en de vrije hoogte meer dan 2,30 meter bedraagt;

     

    c) 75% van bovengenoemde capaciteit, indien het ruim gedeeltelijk omsloten is.

     
      

    3. De opslag- of productiecapaciteit voor drinkwater moet beantwoorden aan de in hoofdstuk VI vastgestelde voorschriften met betrekking tot de behoefte aan water, rekening houdend met het maximumaantal en het soort dieren dat vervoerd zal worden, en met de maximumduur van de voorgenomen transporten.

     
      

    4. Het drinkwatersysteem moet erop berekend zijn dat elk dierenruim continu van drinkwater kan worden voorzien, ener moeten voldoende drinkautomaten aanwezig zijn zodat alle dieren gemakkelijk en permanent toegang hebben tot drinkwater. Er moet een alternatief pompsysteem voorhanden zijn om de watervoorziening te waarborgen voor het geval het hoofdpompsysteem uitvalt.

     
      

    5. Het afvoersysteem moet voldoende capaciteit hebben om alle afvalwater van hokken en dekken in alle omstandigheden af te voeren. Het afvalwater moet via afvoerpijpen en goten in putten of tanks worden verzameld, vanwaar het door middel van pompen of ejectors wordt geloosd. Er moet een alternatief pompsysteem voorhanden zijn om de afvoer te waarborgen voor het geval het hoofdpompsysteem uitvalt.

     
      

    6. De dierenruimen, drijfgangen en loopbruggen moeten voldoende verlicht zijn. Er moet noodverlichting voorhanden zijn voor het geval het hoofdstroomaggregaat uitvalt. Er moeten voldoende draaglampen aanwezig zijn om de verzorger in staat te stellen de dieren naar behoren te controleren en te verzorgen.

     
      

    7. Alle dierenruimen moeten voorzien zijn van een geschikte brandblusinstallatie en de brandblussers in de dierenruimen moeten beantwoorden aan de meest recente normen van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) met betrekking tot brandbeveiliging, -detectie en -bestrijding.

     
      

    8. De volgende systemen in de dierenruimen moeten aangesloten zijn op een bewakings-, controle- en alarmsysteem in de stuurhut:

     

    a) ventilatie;

     

    b) drinkwatervoorziening en afvoersysteem;

     

    c) verlichting;

     

    d) drinkwaterproductie, indien van toepassing.

     
      

    9. Het hoofdstroomaggregaat moet berekend zijn voor de continue stroomvoorziening van de onder 2, 4, 5, en 6, bedoelde systemen onder normale bedrijfsomstandigheden. Er moet een hulpaggregaat voorhanden zijn dat in staat is het hoofdaggregaat gedurende drie opeenvolgende dagen te vervangen.

    per onderdeel 90 pnt

      

    Voeder- en watervoorziening op veeschepen en schepen die zeecontainers vervoeren

     

    Veeschepen of schepen die zeecontainers vervoeren met als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens voor een transport van meer dan 24 uur moeten vanaf het tijdstip van vertrek voldoende strooisel, voeder en water meevoeren om het voor het voorgenomen transport in tabel 1 vermelde minimumdagrantsoen aan voeder en water te dekken, plus 25%, dan wel, als dat een grotere hoeveelheid is, een extra voorraad strooisel, voeder en water voor drie dagen.

    90 pnt.

    Aanvullende bepalingen voor lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoudigen, runderen, schapen, geiten en varkens

    1. Alle lange transporten

     

    Dak

     

    1.1 Het vervoermiddel moet uitgerust zijn met een dak in een lichte kleur en moet goed geïsoleerd zijn.

    45 pnt.

      

    Vloer en strooisel

     

    1.2 De dieren moeten beschikken over passend strooisel of gelijkwaardig materiaal dat comfortabel is, en is afgestemd op de vervoerde diersoorten, het aantal vervoerde dieren, de transporttijd en de weersomstandigheden. Dit materiaal moet een adequate absorptie van de urine en de uitwerpselen garanderen.

    90 pnt.

      

    Voeder

     

    1.3 Het vervoermiddel moet een hoeveelheid voeder aan boord hebben die toereikend is om aan de behoeften van de dieren in kwestie tijdens het transport te voldoen. Het voeder moet tegen weersinvloeden en verontreinigingen als stof, brandstof, uitlaatgassen, urine en mest beschermd zijn.

    90 pnt.

    1.4 Als voor het voederen van de dieren speciale apparatuur wordt gebruikt, moet die in het vervoermiddel worden meegevoerd.

    35 pnt.

    1.5 Indien in punt 1.4 bedoelde voederapparatuur wordt gebruikt, moet die op zodanige wijze ontworpen zijn dat zij, zo nodig, aan het vervoermiddel kan worden bevestigd om het omstoten of omvallen ervan te voorkomen. Als het vervoermiddel in beweging is en de apparatuur niet in gebruik is, moet deze op een van de dieren gescheiden plaats worden ondergebracht.

    22 pnt.

      

    Tussenschotten

     

    1.6 Eenhoevigen moeten in individuele standen worden vervoerd, met uitzondering van merries met hun veulen.

    35 pnt.1

    1.7 Het vervoermiddel moet van tussenschotten voorzien zijn zodat er gescheiden compartimenten kunnen worden gecreëerd waarbij alle dieren toch vrije toegang tot water hebben.

    22 pnt.1

    1.8 De tussenschotten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij zo geplaatst kunnen worden dat de afmetingen van het compartiment op de specifieke eisen en op de soort, de grootte en het aantal van de dieren zijn afgestemd.

    22 pnt.

      

    Minimumcriteria voor bepaalde diersoorten

     

    1.9 Lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen en varkens zijn, tenzij de dieren van hun moeder vergezeld gaan, uitsluitend onder de volgende voorwaarden toegestaan:

     

    – de als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen moeten meer dan vier maanden oud zijn, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen;

     

    – kalveren moeten meer dan veertien dagen oud zijn;

     

    – biggen moeten meer dan 10 kg zwaar zijn.

     

    Niet-afgerichte paarden mogen geen lange transporten ondergaan.

    45 pnt.

      

    2. Watervoorziening bij vervoer van containers over de weg, per spoor of over zee

     
      

    2.1 Het vervoermiddel en de zeecontainer moeten voorzien zijn van een watervoorzieningssysteem dat de verzorger tijdens het transport te allen tijde onmiddellijk kan navullen zodat elk dier toegang heeft tot water.

    35 pnt.

      

    2.2 De drinkautomaten moeten in goede staat verkeren en zodanig ontworpen en geplaatst zijn dat ze voor de aan boord van het voertuig te drenken dieren toegankelijk zijn.

    35 pnt.

      

    2.3 De totale capaciteit van de watertanks op elk vervoermiddel moet ten minste gelijk zijn aan 1,5% van het netto laadvermogen. De watertanks moeten zodanig ontworpen zijn dat zij na elk transport kunnen worden geleegd en gereinigd, en moeten voorzien zijn van een systeem voor de controle van het waterpeil. Zij moeten aangesloten zijn op de drinkautomaten in de compartimenten en in goede staat worden gehouden.

    35 pnt.

      

    2.4 Van punt 2.3 mag worden afgeweken voor zeecontainers die uitsluitend gebruikt worden op schepen die het water leveren uit eigen tanks.

     
      

    3. Ventilatie bij wegvervoermiddelen en temperatuurbewaking

     
      

    3.1 De ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen moeten zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport, ongeacht of het vervoermiddel stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5 °C en 30 °C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5 °C, afhankelijk van de buitentemperatuur.

    45 pnt.

      

    3.2 De ventilatiesystemen moeten een gelijkmatige verdeling van de lucht over het gehele voertuig kunnen garanderen, bij een minimumluchtstroom van nominaal 60 m3/uur/KN laadvermogen. Zij moeten gedurende ten minste 4 uur onafhankelijk van de motor van het voertuig kunnen werken.

    45 pnt.

      

    3.3 De vervoermiddelen moeten voorzien zijn van een systeem voor de bewaking van de temperatuur, en van een systeem voor de registratie van die gegevens. Er moeten sensoren aangebracht zijn in de delen van de vrachtwagen die, naargelang van het ontwerp, het meest onderhevig zijn aan slechte weersomstandigheden. De geregistreerde temperaturen worden gedagtekend en desgevraagd aan de bevoegde autoriteit voorgelegd.

    35 pnt.

      

    3.4 De wegvervoermiddelen moeten voorzien zijn van een alarmsysteem dat de bestuurder waarschuwt wanneer de temperatuur in de compartimenten waarin zich dieren bevinden, de minimum- of de maximumgrens bereikt.

    35 pnt.

      

    3.5 De Commissie werkt vóór 31 juli 2005 een op het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid gebaseerd verslag uit met ontwerp-maatregelen voor de opstelling van een reeks maximum- en minimumtemperaturen voor vervoerde dieren. Die maatregelen moeten volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure worden aangenomen, rekening houdend met de gebruikelijke temperaturen in bepaalde regio's van de Gemeenschap met bijzondere klimatologische omstandigheden.

     
      

    4. Navigatiesysteem

     
      

    4.1 Wegvervoermiddelen die voor de eerste keer in gebruik worden genomen, moeten met ingang van 1 januari 2007, en alle vervoermiddelen moeten met ingang van 1 januari 2009 voorzien zijn van een passend navigatiesysteem waarmee informatie kan worden geregistreerd en verschaft die gelijkwaardig is aan de informatie in het journaal zoals bedoeld in bijlage II, afdeling 4, alsmede informatie over het openen en sluiten van de laadklep.

    35 pnt.

      

    4.2 De Commissie legt de Raad vóór 1 januari 2008 de resultaten voor van een studie betreffende navigatiesystemen en de toepassing van die technologie in het kader van deze verordening.

     
      

    4.3 De Commissie legt de Raad vóór 1 januari 2010 een verslag voor over de ervaringen met het in punt 4.2 bedoelde navigatiesysteem, vergezeld van de voorstellen die zij nodig acht, met name om te bepalen welke kenmerken van het navigatiesysteem voor alle vervoermiddelen gebruikt moeten worden. De Raad besluit daarover met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

     

    1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

    Transactiebedragen/Eis ter zitting

    Deze richtlijn strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. eis ter zitting in geval van het niet naleven van de betreffende regelgeving. Bij niet betalen van een aangeboden transactie wordt voor het bepalen van de eis ter zitting het aangeboden transactiebedrag met 20% verhoogd.

    Transactie of dagvaarden

    Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij (economische en) milieudelicten. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

    Regeling agressieve dieren

    De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op artikel 73 en artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Achtergrond

    In artikel 73, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het verbod opgenomen om dieren voorhanden te hebben, die behoren tot een, ingevolge artikel 73, eerste lid, door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen soort of categorie. Als diersoorten en categorieën van dieren, als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet zijn in de Regeling agressieve dieren aangewezen, de honden van het Pitbull-Terriër-type.

    Op grond van artikel 107 van de wet is tevens in deze regeling vrijstelling/ontheffing verleend voor onder andere het in artikel 73, eerste lid, van de wet opgenomen verbod, mits aan de in de regeling opgenomen voorschriften en voorwaarden wordt voldaan.

    Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 73, tweede lid, is ingevolge artikel 121 van deze wet een misdrijf. Deze richtlijn heeft tot doel om landelijk tot een eenvormig transactie- en strafvorderingsbeleid te komen, met betrekking tot de overtreding van artikel 73, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

    Voorschriften en voorwaarden opgenomen in de Regeling agressieve dieren

    In de Regeling agressieve dieren zijn in artikel 3 de voorschriften en voorwaarden opgenomen, die zijn verbonden aan de vrijstelling/ontheffing voor artikel 73, tweede lid, van de wet. Deze voorschriften en voorwaarden zijn hierna per onderdeel weergegeven.

    Artikel 3 van de Regeling agressieve dieren luidt als volgt:

    • 1. Het in artikel 73, tweede lid GWWD bepaalde is niet van toepassing, indien:

      • a. de houder beschikt over een dierenpaspoort dan wel een geldig ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 7, derde lid, dat is voorzien van een identificatiemerk waaruit blijkt dat sprake is van een dier dat behoort tot de desbetreffende in bijlage 1 bedoelde soort of categorie;

      • b. het dier is voorzien van een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, dat gelijk is aan het in het dierenpaspoort, bedoeld in onderdeel a, aangebrachte identificatiemerk, en

      • c. het dier ingeval het zich op een voor het publiek toegankelijk terrein of op het terrein van een ander bevindt, kort is aangelijnd en is voorzien van een muilkorf en de houder het dierenpaspoort of ontvangstbewijs bij zich draagt.

    • 2. Het verbod om een dier in Nederland te brengen, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet is niet van toepassing indien voldaan is aan de onderdelen a en b van het vorige lid.

    • 3. Onverminderd het eerste en het tweede lid, is artikel 73, eerste en tweede lid van de wet alleen niet van toepassing indien de houder beschikt over een stamboom van het dier en deze stamboom is erkend door een bij de Fédération Cynologique Internationale aangesloten organisatie.

    Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

    In alle gevallen dient tegen de houder van het dier proces-verbaal te worden opgemaakt. Indien inbeslagname heeft plaatsgevonden, wordt het proces-verbaal met de kennisgeving van inbeslagneming en een eventuele afstandsverklaring die door de rechthebbende is ondertekend binnen 2 x 24 uur aan het openbaar ministerie gezonden.

    Paspoort, tatoeage en identificatiemerk

     

    Indien niet is voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder a en b van de Regeling agressieve dieren volgt inbeslagname van de hond

     

    – met afstandverklaring

    20 pnt. + onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen hond

    – geen afstandverklaring

    dagvaarden van de houder, eis ter zitting: 20 pnt. (verhoogd met 20%) + onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen hond

      

    Niet kort aangelijnd en/of niet voorzien van een muilkorf

     

    Wanneer niet is voldaan aan de voorschriften en voorwaarden het dier kort aan te lijnen en het dier te voorzien van een muilkorf, zoals deze zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder c van de Regeling agressieve dieren, luidt de richtlijn als volgt:

     

    niet (op de juiste wijze) kort aangelijnd en niet (op de juiste wijze) voorzien van een muilkorf

    14 pnt.

    niet (op de juiste wijze) voorzien van een muilkorf

    10 pnt.

    niet (op de juiste wijze) kort aangelijnd

    6 pnt.

      

    Schade, letsel of gevaarzetting

     

    inbeslagname van de hond; dagvaarden van de houder

    eis ter zitting: minimaal 50 pnt. en onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen hond1. Het bedrag van de boete kan worden verhoogd gelet op de schade en/of het letsel.

      

    Niet tonen paspoort/ontvangstbewijs

     

    Indien uitsluitend niet is voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, het dierenpaspoort of ontvangstbewijs bij zich te dragen en dit op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage af te geven, zoals deze zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder c van de Regeling agressieve dieren.

    5 pnt.

    1 Bij het vaststellen van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de waarde van de hond.

    De richtlijnen voor het beleid van het openbaar ministerie en de politie inzake inbeslagneming van 11 oktober 1978 (Stcrt. 1980, 103, d.d. 2 juni 1980) zijn van toepassing.

  • Hoofdstuk III. Kaderwet diervoeders

  • Achtergrond

    In deze richtlijn voor strafvordering zijn het strafvorderings- en transactiebeleid bij overtreding van de Kaderwet Diervoeders vastgelegd. De prioriteit bij de handhaving van de Kaderwet diervoeders ligt bij de bepalingen die het gezondheidsbelang van mens en dier beogen te beschermen.

    Wettelijk kader

    Overtreding van krachtens de Kaderwet diervoeders gestelde voorschriften is strafbaar gesteld in artikel 1 van Wet op de economische delicten (WED).

    Gelet op de ernst van de consequenties van niet-naleving zijn een aantal voorschriften ondergebracht in artikel 1, onder 1 van de WED. Het betreft hier verboden/voorschriften waarbij overtreding gevaar voor de volks- of diergezondheid kan opleveren. Waar de volks- of diergezondheid in een mindere mate in het geding is, zijn de voorschriften krachtens de Kaderwet diervoeders genomen strafbaar gesteld in artikel 1, onder 2 van de WED. Overtreding van voorschriften van administratieve aard of van voorschriften met slechts een ondersteunende functie zijn strafbaar gesteld in artikel 1, onder 4 van de WED.

    In de Kaderwet diervoeders is de mogelijkheid opgenomen bestuurlijke maatregelen te nemen met betrekking tot diervoeders die niet aan de voorschriften voldoen (Hoofdstuk IX Kaderwet diervoeders).

    Kernbepalingen

    Kernbepalingen bij of krachtens de Kaderwet diervoeders zijn die bepalingen die de volks- en diergezondheid voor ogen hebben.

    Transactie of dagvaarden

    Strafrechtelijke handhaving zal plaatsvinden op terreinen waarop deze niet kan worden gemist en zal gericht zijn op de punitieve kant. De keuze voor strafrechtelijke handhaving zal gemaakt worden mede aan de hand van indicatoren als onder meer opzet, recidive, samenloop met andere delicten, directe aantasting of bedreiging van de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu. Voor gecompliceerde zaken is maatwerk van belang waarbij het OM voldoende inzicht moet hebben in de verhouding van de geconstateerde overtreding ten opzichte van de te beschermen belangen. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften. Daar waar de overtreding/het complex van overtredingen een brede impact heeft, is afdoening aan de hand van de richtlijn niet aan de orde. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij economische delicten.

    Meer strafbare feiten in een zaak

    Indien sprake is van meer strafbare feiten in één strafdossier, dan dienen de door middel van Polaris bepaalde punten per feit bij elkaar opgeteld te worden. De formulering van een eis vindt plaats voor het totaal van de feiten in een zaak. Gezien de aard van de delicten geldt de afnemendstrafnutregeling niet voor economische delicten.

    Economisch voordeel

    Bij het opstellen van de in deze richtlijn opgenomen richtbedragen is primair rekening gehouden met de zwaarte van het geschonden belang dat de regeling beoogt te beschermen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat met dergelijke overtredingen pleegt te worden behaald, kan in voorkomende gevallen ook een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de strafmaat.

    Zodra met het gepleegde delict wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald, moet in beginsel een ontnemingsvordering worden ingediend. Als bij de bepaling van de strafmaat het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel een rol heeft gespeeld moet daar bij de ontnemingsvordering rekening worden gehouden.

    Transactie/eis ter terechtzitting

    Gelet op de ernstige consequenties die de niet-naleving van de voorschriften voor de volks- of diergezondheid met zich kunnen brengen, worden aan de volgende basisdelicten als volgt strafpunten toegekend.

    Voorschriften gesteld bij of krachtens:

     

    art. 2 Kaderwet diervoeders

     

    Het bereiden, be- of verwerken, verpakken, etiketteren, voorhanden of in voorraad hebben, vervoeren of in het verkeer brengen van diervoeders

     

    a. die niet gezond, deugdelijk of van gebruikelijke handelskwaliteit zijn

    50 pnt.

    b. die een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier, of voor het milieu

    100 pnt.

    c. op een wijze die misleidend kan zijn

    50 pnt.

      

    art. 3 Kaderwet diervoeders

     

    Het vervoederen, in mengvoeders be- of verwerken of als diervoeder in het verkeer brengen van door de minister aangewezen voedermiddelen.

    100 pnt.

      

    art. 4 Kaderwet diervoeders

     

    In strijd met bij Algemene Maatregel van Bestuur gestelde regels ter zake van diervoeders

     

    a. bereiden, be- of verwerken, verpakken, bewaren, vervoeren, vervoederen en in het verkeer brengen

    25 pnt.

    b. niet voldoen aan bij AMvB gestelde regels m.b.t. de hoedanigheid

    25 pnt.

    c. niet voldoen aan bij AMvB gestelde regels m.b.t. de verpakking

    25 pnt.

    d. niet voldoen aan regels m.b.t. de aanduidingen bij of op verpakkingen etc.

    25 pnt.

    Diervoeders, die door hun aard of samenstelling hiertoe niet geschikt zijn, bestemmen voor een bijzonder doel.

    25 pnt.

    Voorhanden of in voorraad hebben of in het verkeer brengen van diervoeders met andere dan bij communautaire maatregelen aangewezen doelen.

    50 pnt.

      

    art. 5 Kaderwet diervoeders

     

    Voorhanden of in voorraad hebben, in het verkeer brengen, vervoeren of in voormengsels of diervoeders verwerken van een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten.

    50 pnt.

    Voorhanden of in voorraad hebben, in het verkeer brengen, vervoeren of vervoederen van voormengsel of diervoeders met een niet ingevolge een communautaire maatregel toegelaten toevoegingsmiddel of toegelaten voederproteïne.

    50 pnt.

      

    art. 7 Kaderwet diervoeders

     

    Handelen in strijd met een bij een toelating gegeven voorschrift.

    50 pnt.

    Handelen in strijd met de, bij diervoeders waarin toevoegingsmiddelen of vervangende voederproteïnen zijn verwerkt, vermelde voorschriften.

    50 pnt.

      

    Het in ontvangst nemen, in voorraad of voorhanden hebben, vervoeren, verder in het verkeer brengen of vervoederen van door de Minister aangewezen toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of voormengsels, dan wel diervoeders waarin deze zijn verwerkt met betrekking waartoe niet aan artikel 10 is voldaan.

    50 pnt.

      

    art. 8 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan regels gesteld bij AMvB met betrekking tot toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen en voormengsel;

    100 pnt.

      

    art. 9 Kaderwet diervoeders

     

    Het voorhanden of in voorraad hebben, in het verkeer brengen, vervoeren, vervoederen van toegelaten toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en diervoeders met die toevoegingsmiddelen en vervangende voederproteïnen die door de Minister zijn verboden dan wel waar de toelatingsvoorschriften zijn gewijzigd i.v.m. gevaar voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.

    200 pnt.

      

    art. 16 Kaderwet diervoeders

     

    Het brengen in/of buiten Nederland van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders.

    50 pnt.

      

    art. 26 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan verplichtingen op grond van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot diervoeders op de Nederlandse markt.

    200 pnt.

      

    art. 27 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan verplichtingen op grond van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot diervoeders die binnen Nederland worden gebracht.

    200 pnt.

      

    art. 28 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan verplichtingen op grond van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot dieren en dierlijke producten die via drenking of vervoedering schadelijke stof hebben, of kunnen hebben binnengekregen.

    200 pnt.

      

    art. 29 Kaderwet diervoeders

     

    Niet voldoen aan meewerkingsplicht bestuurlijke maatregelen.

    50 – 200 pnt.

      

    art. 31 Kaderwet diervoeders

     

    Het bereiden van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en diervoeders waarvan de verwerking gevaar kan opleveren voor de gezondheid van mens, dier of voor het milieu.

    100 pnt.

      

    art. 32 Kaderwet diervoeders

     

    Meldingsplicht onregelmatigheden diervoeders.

    25 – 200 pnt.

      

    art. 34 Kaderwet diervoeders

     

    Verbod voor veehouders om bepaalde substanties op het bedrijf aanwezig te hebben of te gebruiken.

    100 pnt.

      

    art. 37 Kaderwet diervoeders

     

    Noodmaatregelen.

    200 pnt.

      

    Bij overtredingen van voorschriften waarbij de volks- of diergezondheid in een geringere mate in het geding is zijn aan de basisdelicten de volgende (basis)strafpunten toegekend:

     
      

    Voorschriften gesteld bij of krachtens:

     
      

    art. 10 Kaderwet diervoeders

     

    Verbod om zonder erkenning of registratie bepaalde handeling te verrichten.

     

    Erkenning

    50 pnt.

    Registratie

    25 pnt.

      

    art. 35 Kaderwet diervoeders

     

    Voorschriften en voorwaarden aan vrijstelling of ontheffing;

    50 pnt.

      

    Bij overtreding van voorschriften van administratieve aard of van voorschriften die slechts een ondersteunende functie hebben van reeds onder A genoemde basisdelicten alsmede overtreding van voorschriften waarbij de volks- en diergezondheid niet in het geding is, zijn aan de basisidelicten de volgende (basis)strafpunten toegekend:

     
      

    Voorschriften gesteld bij of krachtens:

     
      

    art. 12 Kaderwet diervoeders

     

    Onderdelen c en d: verplichting om wijzigingen m.b.t. gegevens op grond waarvan erkenning is verleend of registratie heeft plaatsgevonden, te melden aan de overheid.

    25 pnt.

      

    art. 20 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gegeven maatregelen ter bevordering van een goede naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde.

    25 pnt.

      

    art. 33 Kaderwet diervoeders, onderdeel d

     

    Het niet voldoen aan de regels gesteld m.b.t. de herkomst, opslag, bewaring, te gebuiken hulpmiddelen, houden van aantekening en vervoering van dieren.

    25 pnt.

      

    art. 36 Kaderwet diervoeders

     

    Het niet voldoen aan voorschriften met betrekking tot gebruik en productie diervoeders in proefstadium, experimenten etc.

    25 pnt.

  • ^ [1]
    • a. Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000

    • b. Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000

    • c. Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen

    • d. Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993

    • e. Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003

    • f. Regeling vaccinatie Newcastle Disease

    • g. Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten

    • h. Regeling inzake het verlaten van besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen

    • i. Regeling toegang personen of groepen van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen

    • j. Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten