Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing afdoening van aangiften met betrekking tot de strafbaarstellingen in de Wet internationale misdrijven

Geldend van 01-01-2012 t/m heden

Aanwijzing afdoening van aangiften met betrekking tot de strafbaarstellingen in de Wet internationale misdrijven

Achtergrond

Op 1 oktober 2003 is de Wet internationale misdrijven (WIM) in werking getreden. De aanleiding voor deze wet is de totstandkoming van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ISH), 17 juli 1998, Trb. 2000, nr. 120. Dit verdrag, dat op 1 juli 2002 in werking is getreden, roept een supranationaal strafgerecht, het Internationaal Strafhof in het leven dat bevoegd is ter zake van het misdrijf genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen. Het Internationaal Strafhof is gevestigd in Den Haag. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in het Statuut is bepaald, is door een meerderheid van staten – waaronder Nederland – aangenomen dat de staten die partij zijn bij het Statuut gehouden zijn om de misdrijven die aan de macht van het ISH zijn onderworpen, in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen en voorts om rechtsmacht te vestigen die hun strafgerechten in staat stelt die misdrijven te berechten, ook als ze in het buitenland door niet-nationalen zijn gepleegd. De WIM stelt evenals het Statuut genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven strafbaar en in aanvulling daarop de misdrijven foltering en gedwongen verdwijningen. Voorts wordt een ruime rechtsmacht voor de Nederlandse rechter gevestigd, deels gebaseerd op het universaliteitsbeginsel. Ten slotte wijst de WIM de (relatief) competente rechter aan.

Bij een eerdere brief heeft het College van procureurs-generaal de arrondissementsparketten voorzien van richtlijnen ten aanzien van de behandeling van aangiften inzake ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Het betreft hier de instructies vervat in de brief van 19 april 2002, PaG/O&O/2323. Nu de nationale wetgeving voorziet in een volledige implementatie van de strafbaarstellingen uit het Statuut wordt deze brief ingetrokken en vervangen door de onderhavige aanwijzing.

Samenvatting

In deze aanwijzing worden regels gegeven voor het geval dat bij een arrondissementsparket of bij de politie aangifte wordt gedaan van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 3 tot en met 8a van de WIM. Alleen de WIM is de formele juridische basis voor de afdoening van de hier bedoelde aangiften, niet de bepalingen uit het Statuut. Het gaat hierbij om de volgende delicten: genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, oorlogsmisdrijven en gedwongen verdwijningen.

De hoofdregel van de aanwijzing is dat alleen het Landelijk Parket te Rotterdam beslist over de afhandeling van aangiften van deze delicten. De overige parketten zenden aangiften die betrekking hebben op genoemde delicten onmiddellijk door naar het Landelijk Parket.

1. Algemeen

De kern van de WIM wordt gevormd door de omschrijving en strafbaarstelling van zogenaamde internationale misdrijven, in het bijzonder genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, oorlogsmisdrijven en gedwongen verdwijningen. Deze misdrijven worden zo genoemd omdat ze tot zorg zijn van de internationale gemeenschap als geheel en worden beschouwd als misdrijven tegen het internationale recht. Ook andere misdrijven, zoals piraterij, slavernij, vliegtuigkaping en misdrijven tegen de vrede en agressie, worden wel tot de internationale misdrijven gerekend. Niettemin worden deze misdrijven niet door de WIM bestreken. Het uitgangspunt voor de WIM is geweest om te voorzien in strafbaarstelling van de misdrijven die ook tot de competentie van het Internationaal Strafhof behoren, alsmede in adequate rechtsmacht terzake, zodat Nederland kan voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut van het Internationaal Strafhof. Daarbij gaat het om een categorie misdrijven waarvoor in het internationale recht inmiddels een aantal specifieke regels en leerstukken is ontwikkeld, zoals met betrekking tot het niet verjaren, universele rechtsmacht en de aansprakelijkheid van de meerdere.

De WIM wordt beheerst door het Nederlandse straf- en strafprocesrecht. Daarbij dient echter te worden opgemerkt dat bij een verschil met het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, ingevolge artikel 91 Sr, de bepalingen van de WIM gelden.

Met nadruk zij er op gewezen dat terrorisme als afzonderlijk misdrijf niet in de WIM is opgenomen. Zoals bekend zijn misdrijven met een terroristisch oogmerk opgenomen in het Wetboek van Strafrecht.

Het Landelijk Parket te Rotterdam is door het College van procureurs-generaal aangewezen als het parket dat aangiften met betrekking tot de door de WIM strafbaar gestelde feiten in behandeling neemt en aanbrengt voor de bevoegde rechter1. In het geval dat een aangifte met betrekking tot genoemde misdrijven wordt gedaan bij een ander parket dient deze aangifte ter verdere behandeling onverwijld te worden doorgezonden naar het Landelijk Parket. Dit geldt tevens voor de arrondissementsparketten Den Haag en Arnhem2. Uitzondering hierop vormen alleen de aangiften tegen Nederlandse militairen en met hen gelijkgestelde buitenlandse krijgsgevangenen, waarvan de vervolging conform de Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken plaatsvindt door het arrondissementsparket Arnhem. Bij twijfel of een aangifte een misdrijf in de zin van de WIM betreft wordt deze vraag voorgelegd aan het Landelijk Parket.

2. Rechtsmacht

2.1

De WIM vestigt in artikel 2 van deze wet de rechtsmacht inzake genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen. De wetgever heeft er voor gekozen om ten aanzien van deze misdrijven, neergelegd in artikel 2, eerste lid onder a, een universele rechtsmacht te vestigen met een beperkende voorwaarde. Deze beperkende voorwaarde houdt in dat de verdachte zich in Nederland dient te bevinden op het moment van aangifte en een eventuele positieve vervolgingsbeslissing. In deze situatie zal Nederland hetzij zelf tot vervolging en berechting van betrokkene over kunnen gaan, hetzij hem uitleveren aan een andere staat die ten aanzien van dezelfde feiten om zijn uitlevering heeft gevraagd dan wel een internationaal gerecht dat terzake om overlevering heeft gevraagd.

Naast deze beperkte universele jurisdictie vestigt de WIM voor genoemde misdrijven rechtsmacht op basis van het actief en het passief nationaliteitsbeginsel. Dat wil zeggen dat het feit door of tegen een Nederlander is gepleegd. Als dit laatste het geval is geldt niet de voorwaarde dat de verdachte zich in Nederland dient te bevinden.

Puntsgewijs is de WIM toepasselijk op:

  • een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;

  • een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen, wanneer het feit is begaan tegen een Nederlander;

  • de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijningen.

De eis van dubbele strafbaarheid geldt hierbij niet.

Zoals in art. 2 WIM aangegeven wordt, geldt deze bijzondere regeling in aanvulling op de rechtsmachtbepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht.

Bij twijfel over de beantwoording van de vraag of Nederland in het individuele geval rechtsmacht heeft, zal de officier van justitie bij het Landelijk Parket contact op nemen met het Parket-Generaal (afd. BJZ).

2.2

De hoofdregel is dus, vervat in artikel 2, eerste lid, onder a, dat indien er geen andere wettelijke aanknopingspunten voor de uitoefening van rechtsmacht zijn, er geen rechtsmacht bestaat indien de verdachte zich niet in Nederland bevindt. Aan dit uitgangspunt moet strikt de hand worden gehouden, ook als wordt aangevoerd dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn in Nederland zal arriveren. Of in gevallen, waarin de verdachte op korte termijn in Nederland zal arriveren dan wel regelmatig in Nederland pleegt te verkeren, anticiperend onderzoek kan en moet worden verricht is afhankelijk van de feitelijke achtergronden van de casus waarop de aangifte ziet. Indien zo’n situatie zich voordoet overlegt de officier van justitie bij het Landelijk Parket met het Parket-Generaal (afd. BJZ) alvorens een beslissing te nemen. Het College van procureurs-generaal beslist vervolgens of anticiperend onderzoek moet worden verricht. Hierbij moet worden aangetekend dat zolang Nederland nog geen rechtsmacht heeft, er in ieder geval geen dwangmiddelen kunnen worden toegepast.

2.3

Artikel 15 van de WIM draagt de kennisneming van de internationale misdrijven op aan de rechtbank te Den Haag. De enige uitzondering op deze regel is de al bestaande (militaire) rechtspleging op grond van de Wet militaire strafrechtspraak. Die komt er op neer dat Nederlandse militairen – of met hen gelijkgestelde buitenlandse krijgsgevangenen – voor de door hen gepleegde internationale misdrijven terecht staan voor de militaire kamer van de rechtbank Arnhem.

3. Uitvoeringsconsequenties

Een ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is ingevolge artikel 161 Sv bevoegd daarvan aangifte te doen. Deze bevoegdheid is niet beperkt tot het slachtoffer. Daar tegenover staat de verplichting van opsporingsambtenaren de aangifte in ontvangst te nemen (163, lid 5 Sv). Dit geldt ook voor de misdrijven strafbaar gesteld bij de WIM. De aangifte wordt vervolgens in behandeling genomen door de officier van justitie bij het Landelijk Parket, die beslist of verdere stappen moeten worden ondernomen teneinde de (mogelijke) verdachte te vervolgen.

Het Landelijk Parket kan de overige arrondissementsparketten vragen om opsporingshandelingen te verrichten in verband met de afdoening van de aangiften.

3.1. De aangifte

Nadat de aangifte in behandeling is genomen, beoordeelt de officier van justitie bij het Landelijk Parket of opsporing en vervolging is geïndiceerd. Hierna wordt beschreven welke factoren hij bij die beoordeling betrekt.

3.1.1. Immuniteit

Allereerst dient vastgesteld te worden of de persoon tegen wie de aangifte zich richt immuniteit geniet. Indien kan worden vastgesteld dat er sprake is van immuniteit staat dit in de weg aan de vervolging en kan de aangifte niet verder in behandeling worden genomen.

Artikel 16 van de WIM omschrijft de categorieën van personen aan wie terzake van de in deze wet omschreven misdrijven immuniteit toekomt. Het gaat daarbij om volkenrechtelijke immuniteit, die zijn grondslag vindt in verdragen of internationaal gewoonterecht. Strafvervolging in het kader van deze wet is uitgesloten ten aanzien van buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken, zolang zij in functie zijn, alsmede andere personen voor zover hun immuniteit door het volkenrechtelijk gewoonterecht wordt erkend. Onder de laatste categorie vallen onder andere de hier te lande geaccrediteerde diplomaten en personen die door het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn aangemerkt als leden van officiële missies. Strafvervolging is tevens uitgesloten voor personen die over immuniteit beschikken op grond van enig verdrag dat binnen het Koninkrijk geldt. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld diplomaten en afgevaardigden naar bijeenkomsten van internationale organisaties en militairen die vallen onder het NAVO-Statusverdrag.

Omtrent de reikwijdte van immuniteiten ingevolge het volkenrechtelijk gewoonterecht bestaat op dit moment onduidelijkheid. Omdat de kwestie van de immuniteit doorgaans speelt in publicitair, politiek en diplomatiek gevoelige zaken zal de officier van justitie, alvorens een beslissing omtrent de instelling van de vervolging te nemen, in de volgende situaties overleggen met het Parket-Generaal (afd. BJZ):

  • Bij twijfel over de vraag of degene op wie de aangifte betrekking heeft immuniteit geniet;

  • In het geval dat wordt aangevoerd dat de immuniteit op korte termijn zal komen te vervallen;

  • In het geval dat internationale ambtenaren zich op een immuniteitsstatus beroepen;

  • In het geval dat voorzienbaar is dat een immuniteitsgerechtigde op afzienbare termijn naar Nederland zal komen, terwijl tevens voorzienbaar zou zijn dat op dat moment de immuniteit zou zijn komen te vervallen.

Het College van procureurs-generaal zal, eventueel na overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken, uitsluitsel geven of in het individuele geval al dan niet sprake is van een immuniteit.

Aparte vermelding verdient het volgende. Het kan voorkomen dat Nederland zelf rechtsmacht heeft over personen die als verdachte, getuige of anderszins ten behoeve van en op bevel of verzoek van het Internationaal Strafhof door de Nederlandse autoriteiten over Nederlands grondgebied naar het terrein van het Strafhof worden geleid. Een eventuele aangifte tegen een persoon die in transit op weg is naar het Internationaal Strafhof, of na vervulling van zijn taken aldaar weer op de terugweg naar zijn staat van herkomst is, zal de officier van justitie reeds moeten afwijzen op de grond van strijdigheid met volkenrechtelijke verplichtingen die op Nederland als gastland van het Strafhof rusten (zie onder andere artikel 87 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof). Het vervolgingsrecht herleeft echter, als de verdachte, na verloop van een termijn waarin hij redelijkerwijs had kunnen vertrekken, toch nog in Nederland blijkt te verblijven.

3.1.2. Voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging binnen een redelijke termijn

Ook dient te worden beoordeeld of er voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging bestaat, waarbij de strafzaak ook nog eens binnen een redelijke termijn zal kunnen worden afgerond. Voor de beantwoording van deze vraag spelen vele factoren een rol waaronder verjaringsregelingen, het bestaan van relevante (rechtshulp)verdragen, de mogelijkheden om (veilig) te werken in relevante landen en de kans dat getuigen bereid en in staat zijn om ten behoeve van de Nederlandse strafzaak een verklaring af te leggen.

Bij de beoordeling of een succesvolle vervolging mogelijk is, dient de vraag te worden betrokken of redelijkerwijs te verwachten is dat voldoende strafrechtelijk bewijs zal kunnen worden verzameld om tot een veroordeling te komen. Ten slotte dient onderzocht te worden of andere staten bereid of bij machte zijn aan een eventueel rechtshulpverzoek te voldoen.

Indien de officier van justitie tot de conclusie komt dat een voldoende reëel perspectief op een succesvolle opsporing en vervolging aanwezig is, neemt hij de aangifte in behandeling.

4. Conclusie

Indien een beslissing is genomen en het onderzoek het toelaat stelt de officier van justitie de aangever op de hoogte van zijn beslissing. Indien niet tot vervolging wordt overgegaan wordt de aangever gewezen op de mogelijkheid ex artikel 12 Sv een klacht bij het gerechtshof te Den Haag respectievelijk Arnhem, in te dienen.

In het geval deze officier van justitie van oordeel is dat een opsporingsonderzoek met het oog op vervolging is geïndiceerd, dan bericht hij de aangever dat hij een strafrechtelijk onderzoek zal gaan instellen. Het verdragsrecht brengt dan een actieve vervolgingsverplichting met zich, waarbij de normale regels van het Wetboek van strafvordering van toepassing zijn.

Overgangsrecht

De WIM heeft geen terugwerkende kracht. Feiten van na 1 oktober 2003 vallen onder de WIM. Feiten die begaan zijn vóór dit tijdstip vallen onder het dan geldende rechtsregime, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitvoeringswet genocideverdrag en de Uitvoeringswet folteringverdrag.