Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

  • 2 Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 3

  • 1 Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

    • a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

    • b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

    • c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

  • 2 Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:

    • a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen;

    • b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of

    • c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.

  • 3 Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.

Artikel 4

§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

  • a. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste twee maal proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke kunnen leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen, al dan niet in combinatie met alcohol;

  • b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

  • c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

  • d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

  • e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

  • f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

  • g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

  • h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • i. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

  • j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

  • k. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

  • l. [Red: vervallen;]

  • m. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

  • n. betrokkene heeft twee maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, tenzij voor het feit in eerste instantie een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering is uitgevaardigd, dan wel voor deze feiten is tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering uitgevaardigd;

  • o. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet;

  • p. betrokkene, die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 7

Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.

Artikel 8

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • f. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • g. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • i. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.

Artikel 9

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:

  • a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;

  • b. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;

  • c. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;

  • d. demonstratief niet aan de cursus deelneemt;

  • e. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of

  • f. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.

Artikel 10

  • 1 De in artikel 132a, tweede en derde lid, van de wet bedoelde kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde termijn kan niet worden verlengd.

§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 11

  • 1 Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

    • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    • b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    • c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid;

    • d. betrokkene op grond van artikel 8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    • e. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    • f. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

  • 2 Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • e. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • f. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt,

  • g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.

Artikel 13

  • 1 De in artikel 132a, tweede en derde lid, van de wet bedoelde kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 2 Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in artikel 132a, derde lid, van de wet, de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd.

§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer

Artikel 14

  • 1 Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

    • a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

    • b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets of een rijbewijsplichtige landbouw- of bosbouwtrekker of een rijbewijsplichtig motorrijtuig met beperkte snelheid een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • c. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een bromfiets of een rijbewijsplichtige landbouw- of bosbouwtrekker of een rijbewijsplichtig motorrijtuig met beperkte snelheid een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • d. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • e. de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek of van het ingevolge het derde lid, onderdeel a, opgelegde onderzoek, voor zover dit onderzoek is gebaseerd op bijlage 1, onder A, onderdeel IV, geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

  • 2 Het CBR kan afzien van het opleggen van de in het eerste lid bedoelde educatieve maatregel gedrag en verkeer, indien de mededeling, bedoeld in artikel 130 van de wet, is gebaseerd op feiten of omstandigheden, die al eerder hebben geleid tot een mededeling gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, en het CBR in het kader van die eerdere mededeling al een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd.

  • 3 Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. hij bewust op een andere weggebruiker is ingereden;

  • c. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar reeds twee maal aan de educatieve maatregel gedrag en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • g. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt of indien het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.

Artikel 16

Artikel 13, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 6. Alcoholslotprogramma

Artikel 17 [Vervallen per 10-04-2015]

Artikel 18 [Vervallen per 10-04-2015]

Artikel 19

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.

  • 3 Bij de aanvang van het alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 4 In afwijking van het derde lid bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt, indien:

    • a. bij de laatste uitlezing in de eerste periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste driemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l;

    • b. bij een uitlezing in de tweede periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste tweemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l

    • c. bij een uitlezing in de derde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma ten hoogste één maal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    • d. bij een uitlezing in de vierde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma, dan wel bij de laatste uitlezing tijdens een verlenging, géén blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 5 Indien bij de eerstvolgende uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 6 De betrokkene dient, in aanvulling op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra te laten uitlezen, indien:

    • a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;

    • b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onregelmatigheden of technische mankementen zijn;

    • c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd;

    • d. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan 88 µg/l;

    • e. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;

    • f. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan 88 µg/l.

Artikel 20

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan het alcoholslotprogramma indien:

  • a. hij de kosten, bedoeld in artikel 132c, zesde en zevende lid, van de wet niet, niet binnen de gestelde termijn of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet;

  • b. hij niet of niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot, met uitzondering van de in artikel 19, zesde lid, onderdelen a, b of c, genoemde gevallen;

  • c. hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken in het kader van het alcoholslotprogramma zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden van verhindering is opgegeven;

  • d. hij onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de vastgestelde periodieke bijeenkomsten of begeleidingsafspraken verschijnt;

  • e. hij demonstratief niet aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken deelneemt;

  • f. hij zich tijdens de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken agressief gedraagt;

  • g. hij tijdens de vastgestelde bijeenkomsten op andere wijze het groepsproces verstoort;

  • h. hij tijdens het alcoholslotprogramma een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets:

    • I. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of

    • II. waarin een zodanig alcoholslot is ingebouwd waarvan door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat het niet functioneert, of

    • III. waarin wel een alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld;

    • IV. en door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen proces-verbaal is opgemaakt op basis van eigen constatering, dan wel op basis van een bekentenis van de bestuurder of van een verklaring of verklaringen van getuigen, dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

  • i. ten aanzien van hem, tijdens het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet na een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, dan wel indien hij tijdens de duur van het alcoholslotprogramma heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • j. ten aanzien van hem tijdens het alcoholslotprogramma een rijontzegging van kracht is geworden;

  • k. het op zijn naam gestelde rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet of indien een aantekening is gemaakt op grond van artikel 123b, derde lid, van de wet;

  • l. tijdens het alcoholslotprogramma vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd;

  • m. hij de meting of de werking van het alcoholslot heeft omzeild;

  • n. indien tijdens het alcoholslotprogramma uitbouw van het alcoholslot heeft plaatsgevonden zonder dat een ander alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, van de wet is ingebouwd;

  • o. indien tijdens de duur van het alcoholslotprogramma is geconstateerd dat:

    • I. de bij de installatie aangebrachte verzegeling van de behuizing van het alcoholslot of van de bedrading van het alcoholslot is verbroken,

    • II. een voorziening is aangebracht waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, dan wel is gebleken dat het motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking van het alcoholslot of dat met het motorrijtuig is gereden zonder dat periodiek een hertest is afgelegd;

    • III. de software van het alcoholslot zodanig is aangepast of omzeild dat het motorrijtuig kan worden gestart zonder het afleggen van een initieel ademmonster of

    • IV. kan worden gereden zonder dat periodiek een hertest moet worden afgelegd;

  • p. indien tijdens het alcoholslotprogramma is gebleken dat voor de tweede keer bedrading is onderbroken of beschadigd, de behuizing van het alcoholslot is beschadigd of onregelmatigheden zijn geconstateerd betreffende de aansluitpunten tussen de vaste eenheid en de uitleesapplicatie.

Artikel 21

  • 1 De in artikel 132c, zesde lid, van de wet bedoelde kosten worden betaald binnen 10 weken nadat het besluit tot oplegging van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij dat besluit.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.

Artikel 22

Het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

§ 7. Onderzoeken

Artikel 23

  • 1 Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    • c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

    • d. betrokkene niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer, op grond van een of meer van de in artikel 8 genoemde onderdelen a, b, d, e, f, g, h of i.

    • e. betrokkene op grond van artikel 12 niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    • f. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

  • 2 Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien:

    • a. betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer, of

    • b. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens.

  • 3 Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

    • a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;

    • b. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II, of

    • c. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  • 4 Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 5 Het CBR kan, voor zover het een onderzoek naar de rijvaardigheid betreft, afzien van het opleggen van het in het tweede of het derde lid bedoelde onderzoek, indien de mededeling, bedoeld in artikel 130 van de wet, is gebaseerd op feiten of omstandigheden, die al eerder hebben geleid tot een mededeling gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, en het CBR in het kader van die eerdere mededeling al een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd.

Artikel 24

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:

  • a. de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet, of

  • b. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven.

Artikel 25

  • 1 De kosten verbonden aan de oplegging en de kosten verbonden aan de uitvoering van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen in de in artikel 23, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder.

  • 2 De kosten van oplegging van de in artikel 23, derde lid, bedoelde onderzoeken komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder. De kosten van uitvoering van de in artikel 23, derde lid, bedoelde onderzoeken komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder, voor zover het de kosten van het onderzoek zelf betreft.

  • 3 De kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van het onderzoek aan betrokkene is bekendgemaakt, op de wijze zoals vermeld bij dat besluit.

  • 4 Indien betrokkene zich in een zodanige financiële situatie bevindt dat betaling van de uitvoeringskosten binnen de daarvoor gestelde termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de in het tweede lid bedoelde termijn worden verlengd. Geen betalingsregeling is mogelijk voor de uitvoeringskosten van de in artikel 23, derde lid, bedoelde onderzoeken.

  • 5 Het CBR brengt kosten in rekening indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven. Indien de in het eerste lid bedoelde kosten reeds zijn betaald, wordt het verschil tussen de kosten voor het bedoelde onderzoek en de kosten vanwege het niet verschijnen door het CBR terugbetaald aan degene die de in het eerste lid bedoelde kosten heeft betaald.

Artikel 26

  • 1 De kosten van het tweede onderzoek, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.

  • 2 Het CBR brengt kosten in rekening indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het tweede onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven. In dat geval wordt het verschil tussen de kosten van het bedoelde onderzoek en de kosten vanwege het niet verschijnen door het CBR terugbetaald aan degene die de in het eerste lid bedoelde kosten heeft betaald.

§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

  • a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;

  • b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

§ 9. Slotbepalingen

Artikel 29 [Vervallen per 10-04-2015]

Artikel 30

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

I.1. Bediening van het motorrijtuig

  • 1. Een onjuiste bediening van het koppelingspedaal dan wel het gaspedaal, zich manifesterend in het bij herhaling afslaan van de motor dan wel schokkend en slingerend rijden en bochten te ruim nemen dan wel het intrappen van het onjuiste pedaal of het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • 2. een onjuiste bediening van het versnellingsmechanisme, al dan niet in combinatie met het koppelings- of het gaspedaal, waardoor hoorbaar regelmatig de verkeerde versnelling wordt gekozen, langdurig in een te hoge of te lage versnelling wordt gereden en met een te laag of te hoog toerental;

  • 3. een onjuiste bediening van de rem, waardoor bij herhaling abrupt wordt vertraagd en gestopt of met blokkerende wielen wordt geremd;

  • 4. een onjuist gebruik of nalaten van het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers, richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

  • 1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:

    • a. slingerend wordt gereden;

    • b. bij herhaling van de juiste koers wordt afgeweken;

    • c. bij het richting veranderen bochten niet vloeiend worden genomen;

    • d. bij het volgen van bochten in het wegverloop het motorrijtuig uit de bocht ‘zeilt’.

  • 2. Onvoldoende rekening houden met de omvang van het motorrijtuig waardoor bijvoorbeeld bochten te ruim of te krap worden genomen.

  • 3. Overige feiten of omstandigheden waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt:

    • a. het motorrijtuig niet onder controle houden;

    • b. bij herhaling op onjuiste wijze keren, achteruitrijden of parkeren;

    • c. bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen.

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

  • 1. Niet adequaat kijkgedrag

    Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:

    • a) wegrijden;

    • b) naderen en oprijden van kruispunten;

    • c) voorsorteren;

    • d) inhalen en het wisselen van rijstrook;

    • e) invoegen en het uitvoegen;

    • f. dan wel zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.

  • 2. Gebrekkige rijvaardigheid

    Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • c. onjuist invoegen en uitvoegen;

    • d. onnodig remmen en stoppen;

    • e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • f. rakelings passeren van andere weggebruikers en obstakels;

    • g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;

    • h. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • i. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe of interne factoren.

III. rijgedrag

  • 1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:

    • a) andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

    • b) andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden.

  • 2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

    • a) onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers;

    • b) niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • c) niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

    • d) uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;

    • e) met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

    • f) aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand;

    • g) geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het:

      • 1) geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook;

      • 2) blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren.

  • 3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

    • a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • b) onnodig remmen en stoppen;

    • c) snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

    • d) op te korte afstand volgen van voorliggers;

    • e) onjuist invoegen of onjuist uitvoegen.

  • 4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. het inhalen;

    • c. het verlenen van voorrang;

    • d. het naar links of rechts afslaan;

    • e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

    • f. het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook;

    • g. het negeren van een rood verkeerslicht;

    • h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • i. het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • j. het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

IV. Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens

In de hoedanigheid van beginnende bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, twee maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk is veroordeeld, tenzij voor het feit in eerste instantie een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering is uitgevaardigd, dan wel indien voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering is uitgevaardigd:

B. Geschiktheid

I. Lichamelijke geschiktheid

  • a. bewusteloosheid of stoornis in het bewustzijn;

  • b. wegraking / black-out;

  • c. hevige duizeligheid;

  • d. evenwichtsstoornis;

  • e. coördinatiestoornis, ongecontroleerde bewegingen;

  • f. stoornis in het gebruik van één of meer ledematen;

  • g. duidelijk verminderd gezichtsvermogen;

  • h. betrokkene verklaart geneesmiddelen te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de rijvaardigheid beïnvloeden;

  • i. lichamelijk gebrek of functieverlies terwijl op het rijbewijs niet is vermeld dat betrokkene slechts:

    • een motorrijtuig mag besturen dat aan bijzondere eisen voldoet die zijn gericht op dat gebrek of functieverlies;

    • een motorrijtuig mag besturen onder gebruikmaking van kunst- of hulpstukken;

  • j. uit een medische verklaring blijkt van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als bedoeld onder a tot en met i.

II. geestelijke geschiktheid

  • a. verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen;

  • b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;

  • c. ernstig onaangepast rijgedrag;

  • d. agressiviteit in het verkeer;

  • e. paniekaanvallen;

  • f. abnormale opwindingstoestanden;

  • g. poging tot zelfdoding in het verkeer;

  • h. een van de in onderdeel A, subonderdelen I of II, genoemde gedragingen, indien het vermoeden bestaat dat ze het gevolg zijn van onvoldoende geestelijke geschiktheid.

III. Drogerende stoffen

Alcohol

  • a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

  • b. bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;

  • c. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder;

  • d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • e. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;

  • f. bij betrokkene is, als deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet, of

  • g. betrokkene heeft tijdens de duur van het alcoholslotprogramma:

    • een motorrijtuig bestuurd waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet functionerend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of

    • een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet.

Andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen

  • ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke kunnen leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 [Vervallen per 01-10-2015]