Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregel MMEL en MEL

Geldend van 01-07-2011 t/m heden

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende een beschrijving van de voorwaarden waaronder Master Minimum Equipments worden aanvaard en van de voorwaarden waaronder Master Minimum Equipment Lists worden goedgekeurd, alsmede van enkele hiermee samenhangende onderwerpen (Beleidsregel MMEL en MEL)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op onderdeel OPS 1.030 van Bijlage III van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373), onderdeel M.A.403 (b), onder 2, van Bijlage I van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315) en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van onderdeel OPS 1.030 van Bijlage III van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373) en van onderdeel M.A.403 (b), onder 2, van Bijlage I van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315), gelden de beleidsregels opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel MMEL en MEL.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,
namens deze:

de Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat,

J. Thunnissen

Bijlage

1. Inleiding en doelstelling

Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373) geeft in bijlage III de gemeenschappelijke voorschriften en procedures die van toepassing zijn op commercieel vervoer door de lucht met vleugelvliegtuigen. Deze voorschriften en procedures staan bekend als EU-OPS (verder: EU-OPS).

Onderdeel OPS 1.030 van EU-OPS hanteert de begrippen Master Minimum Equipment List (verder: MMEL) en Minimum Equipment List (verder: MEL). Exploitanten dienen er op grond van OPS 1.030 voor zorg te dragen dat zij voor elk luchtvaartuig dat op hun vergunning tot vluchtuitvoering (verder: AOC) vermeld staat een MEL vaststellen. In deze MEL staat aangegeven of, en zo ja, onder welke voorwaarden, een luchtvaartuig mag worden gebruikt als bepaalde instrumenten, onderdelen of functies bij aanvang van de vlucht buiten werking zijn.

Voor helikopters gelden vergelijkbare eisen. Deze zijn opgenomen in de Joint Aviation Requirements voor Commercial Air Transportation (Helicopters) (verder: JAR-OPS 3).

In EU-OPS en JAR-OPS 3 is voorgeschreven dat de bevoegde nationale autoriteit de door de exploitant opgestelde MEL dient goed te keuren.

Om exploitanten in staat te stellen een MEL op te stellen is, of wordt, voor de meeste typen luchtvaartuigen een MMEL opgesteld. Voordat een exploitant een MMEL mag gebruiken bij het opstellen van een MEL, dient de MMEL door de bevoegde nationale autoriteit aanvaard te zijn.

Uit de genoemde voorschriften volgt dat de bevoegde nationale autoriteit (in Nederland de Inspectie Verkeer en Waterstaat (verder: IVW)) een bepaalde discretionaire ruimte toekomt bij de goedkeuring van een MEL, respectievelijk de aanvaarding van een MMEL. In de onderhavige beleidsregel wordt aangegeven hoe de IVW deze discretionaire ruimte invult.

Daarnaast wordt het beleid neergelegd ten aanzien van een tweetal hiermee samenhangende onderwerpen. Dit betreft ten eerste de mogelijkheden voor exploitanten om af te wijken van de MEL. Ten tweede betreft het de MEL voor niet AOC-houders. Dit laatste punt vindt zijn basis in onderdeel M.A.403 (b), onder 2, van Bijlage I van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315).

2. Aanvaarding MMEL

  • 2.1 De IVW hanteert voor de aanvaarding van een MMEL het volgende beleid:

    • Een door het Europees Agentschap voor de Veiligheid van de Luchtvaart (verder: EASA) of de Joint Aviation Authorities (verder: JAA) goedgekeurde MMEL wordt door de IVW automatisch aanvaard, inclusief alle restricties die er door EASA/JAA aan zijn verbonden.

    • Als er geen door EASA/JAA goedgekeurde MMEL aanwezig is, maar wel een door de autoriteit van de staat van ontwerp goedgekeurde MMEL, wordt deze laatste door de IVW automatisch aanvaard, inclusief alle restricties die er door die autoriteit aan zijn verbonden.

    • Een MMEL die is goedgekeurd door de autoriteit van de staat van ontwerp die toezicht houdt op één of meer luchtvaartmaatschappijen die door de Europese Commissie zijn opgenomen op de lijst van luchtvaartmaatschappijen die het niet is toegestaan binnen de Europese Unie te opereren1wordt door de IVW niet aanvaard voor zover de MMEL is goedgekeurd of uitgebracht gedurende de tijd dat de desbetreffende luchtvaartmaatschappij(en) op die lijst staat(n).

  • 2.2 Voor de toepassing van het beleid zoals opgenomen in paragraaf 2.1 wordt de combinatie van een door de staat van ontwerp goedgekeurde MMEL, tezamen met een EASA/JAA Supplement, door de IVW beschouwd als een door EASA/JAA goedgekeurde MMEL.

  • 2.3 Uitzonderingen op het beleid inzake de aanvaarding van een MMEL zoals opgenomen in de paragrafen 2.1 en 2.2 zullen door de IVW worden gecommuniceerd via de Aeronautical Information Circular Series B (AIC-B).

3. Goedkeuring MEL

  • 3.1 De IVW hanteert voor de goedkeuring van een MEL het volgende beleid:

    Een MEL wordt goedgekeurd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • De MEL voldoet ten minste aan de eisen opgenomen in de, conform paragraaf 2.1, door de IVW aanvaarde MMEL;

    • De MEL voldoet aan de eisen gesteld in de JAA Administrative & Guidance Material, Section Four: Operations, Part Three: Temporary Guidance Leaflet (JAR-OPS), Leaflet No. 26 (verder: TGL 26); en

    • De MEL voldoet aan de eisen gesteld in de laatste revisie van JAR MMEL/MEL subparts A en C (inclusief bijbehorende ACJ’s), waarbij geen sprake mag zijn van een conflict tussen JAR-MMEL/MEL 081 en EU-OPS.

  • 3.2 TGL 26 bevat een stroomschema (verder: Flow Diagram) waarmee bepaald kan worden hoe TGL 26 gebruikt dient te worden bij het opstellen van een MEL. Door de IVW zal dit Flow Diagram gehanteerd worden bij de beoordeling van een MEL.

    Het genoemde Flow Diagram is opgenomen in figuur 1. Er zijn zes eindoordelen, genummerd 1 tot en met 6. Bij ieder eindoordeel is een toelichting opgenomen. Deze toelichting bevat het IVW-beleid terzake.

    De IVW past dit beleid toe bij de beoordeling van een MEL.

    Toelichting bij figuur 1:

    • 1. Een systeem/onderdeel is niet vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL en is ook niet vermeld in TGL 26.

      Het systeem/onderdeel mag niet defect zijn, tenzij het een non-safety gerelateerd item is.
    • 2. Een systeem/onderdeel is niet vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL en is niet verplicht volgens EU-OPS of JAR-OPS 3, maar is wel vermeld in TGL 26.

      De eis zoals vermeld in TGL 26 mag worden overgenomen.
    • 3. Een systeem/onderdeel is vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL, heeft geen vermelding ‘as required by operating regulations’ en betreft geen door de EASA/JAA goedgekeurde MMEL, als bedoeld in paragraaf 2.1.

      De meest restrictieve eis uit de MMEL of TGL 26 dient te worden overgenomen.
    • 4. Een systeem/onderdeel is vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL, heeft geen vermelding ‘as required by operating regulations’ en betreft wel een door de EASA/JAA goedgekeurde MMEL, als bedoeld in paragraaf 2.1.

      De eis uit de EASA/JAA MMEL dient te worden overgenomen.
    • 5. Een systeem/onderdeel is vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL, heeft een vermelding ‘as required by operating regulations’ en is niet opgenomen in TGL 26.

      De eis wordt bepaald in overleg met de IVW.
    • 6. Een systeem/onderdeel is vermeld in de, door de IVW aanvaarde, MMEL, heeft een vermelding ‘as required by operating regulations’ en is opgenomen in TGL 26.

      De eis uit TGL 26 dient te worden overgenomen.

    Waar in TGL 26 ‘JAA MMEL’ staat, dient men te lezen: EASA/JAA MMEL.

  • 3.3 Als voor een systeem/onderdeel in een MMEL een eis is opgenomen en deze daarnaast een vermelding ‘as required by operating regulations’ heeft, geldt dat de eis uit de desbetreffende MMEL wordt vergeleken met de eis uit TGL 26, waarna de meest restrictieve eis in de MEL dient te worden opgenomen. Indien een systeem/onderdeel niet is opgenomen in TGL 26, wordt de eis uit de desbetreffende MMEL opgenomen in de MEL.

  • 3.4 Indien voor een bepaald type luchtvaartuig geen conform paragraaf 2.1 aanvaarde MMEL beschikbaar is, stelt de exploitant een MEL op waarin minimaal de relevante eisen uit TGL 26 worden opgenomen en legt deze MEL ter goedkeuring voor aan de IVW.

    Bijlage 249023.png
  • 3.5 Als een MMEL een verlenging toestaat op een Rectification Interval (verder: RI) – een zogeheten Rectification Interval Extension (verder: RIE) – kan de luchtvaartmaatschappij een procedure ontwikkelen voor een eenmalige extensie op deze RI. De luchtvaartmaatschappij baseert deze procedure op de MMEL en JAR MMEL/MEL waarbij de meest restrictieve mogelijkheid dient te worden toegepast. De luchtvaartmaatschappij neemt de procedure op in het Operations Manual en het Continuing Airworthiness Management Exposition. Voor luchtvaartmaatschappijen waarop EU-OPS van toepassing is, is een RI slechts toegestaan indien de desbetreffende MMEL dit toestaat.

    In alle gevallen meldt de luchtvaartmaatschappij een RIE gegeven op basis van een goedgekeurde procedure binnen 14 dagen bij de IVW.

4. Afwijking MEL door luchtvaartmaatschappij

  • 4.1 Indien een luchtvaartmaatschappij een RI in haar MEL heeft opgenomen, die meer stringent is dan hetgeen in de MMEL is voorgesteld, is voor het toepassen van de in de MMEL opgenomen RI een toestemming benodigd van de IVW. De aanvraag voor het toepassen van deze minder stringente RI wordt onderbouwd, waarbij onder andere aangegeven wordt waarom in het aan de orde zijnde geval van de MEL wordt afgeweken.

  • 4.2 Indien een luchtvaartmaatschappij wil afwijken van door haar in de MEL opgenomen eisen voor non-safety gerelateerde items, is hiervoor een toestemming benodigd van de IVW.

5. Mel voor niet aoc-houders

  • 5.1 Het beleid onder de punten 2 tot en met 4 heeft betrekking op houders van een AOC. Voor categorieën operaties zonder AOC, meer specifiek luchtwerk en vluchten niet tegen vergoeding, kan het herstel van bepaalde defecten ook worden uitgesteld. Hieronder wordt het door de IVW gehanteerde beleid ten aanzien van niet AOC-houders uiteengezet.

  • 5.2 Voor luchtvaartuigen die opereren onder een door de IVW uitgegeven certificaat voor vluchtuitvoering, anders dan een AOC, voor vliegtuigen met een maximaal toegelaten startgewicht van meer dan 5700 kg die niet opereren onder een AOC en voor meermotorige helikopters die niet opereren onder een AOC, geldt het volgende beleid:

    • De IVW accepteert het uitstellen van het herstel van die defecten die conform de door de IVW aanvaarde MMEL voor het desbetreffende type luchtvaartuig of groep luchtvaartuigen mogen worden uitgesteld, onder de voorwaarden en voor de duur zoals in die MMEL is opgenomen, mits deze defecten in een lijst zijn opgenomen die specifiek is toegesneden op het betrokken luchtvaartuig en de betrokken operatie. Deze lijst bevat een verwijzing naar de MMEL waarop zij is gebaseerd.

    • De correcte toepassing van de lijst is de verantwoordelijkheid van degene die het herstel van het defect uitstelt op basis van die lijst.

    • De samensteller van de lijst is verantwoordelijk voor de inhoud van die lijst en vermeldt zijn identiteit op die lijst.

  • 5.3 Voor overige luchtvaartuigen die niet opereren onder een AOC, geldt het volgende beleid:

    • De IVW accepteert het uitstellen van het herstel van die defecten die in de door de IVW aanvaarde MMEL voor het desbetreffende luchtvaartuig of groep luchtvaartuigen mogen worden uitgesteld, onder de voorwaarden en voor de duur zoals in die MMEL is opgenomen.

    • De correcte toepassing van de correcte MMEL is de verantwoordelijkheid van degene die het herstel van het defect uitstelt op basis van die MMEL.

  • ^ [1]

    Deze lijst is te vinden via http://ec.europa.eu/transport/air-ban/list_en.htm.