Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed[Regeling vervallen per 01-06-2015.]

Geldend van 01-06-2011 t/m 31-05-2015

Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed

Achtergrond [Vervallen per 01-06-2015]

Het Openbaar Ministerie is belast met opsporing, vervolging en strafvordering ter zake het rijden onder invloed. Bij de uitvoering van deze taak zal het Openbaar Ministerie zoveel mogelijk eenduidig optreden. Deze aanwijzing is hiertoe een instrument.

In deze aanwijzing wordt verstaan onder:

Samenvatting [Vervallen per 01-06-2015]

Deze aanwijzing bestaat uit twee delen. Het eerste deel van de aanwijzing gaat over de opsporing van rijden onder invloed. In dit onderdeel wordt ingegaan op de werkwijze van de politie en tegenonderzoeken bij de ademanalyse en de bloedproef. Het tweede deel van de aanwijzing handelt over het vervolgingsbeleid met betrekking tot rijden onder invloed.

Opsporing [Vervallen per 01-06-2015]

Algemeen [Vervallen per 01-06-2015]

1. Artikel 163 eerste, tweede, zesde en achtste lid, WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

1.1. Bevel tot medewerking [Vervallen per 01-06-2015]

Aan de verdachte met een ademtestuitslag die duidt op alcoholgebruik boven de wettelijke grenswaarde, wordt door de opsporingsambtenaar bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 onder a of artikel 8 lid 3 onder a van de WVW 1994, op grond van artikel 163, lid 1 WVW 1994. Die medewerking betreft ook het meegaan naar het bureau of een andere plaats van ademanalyse1. In het tweede lid van artikel 163 WVW 1994 is immers opgenomen dat de bestuurder ook gevolg dient te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Wordt hier niet aan voldaan dan is sprake van overtreding van artikel 163, lid 2 WVW 1994, strafbaar gesteld als misdrijf in artikel 176, lid 3 WVW 19942. (weigeren ademanalyse)

1.2. Wel of niet aanhouden [Vervallen per 01-06-2015]

Aanhouding van de verdachte is volgens de wettekst van artikel 163, lid 1 en lid 2 WVW1994 en de daarop gebaseerde jurisprudentie geen noodzakelijke voorwaarde voor het verrichten van de ademanalyse en de overbrenging van de verdachte naar een daartoe bestemde plaats.

De verdachte is op grond van artikel 176, lid 3 WVW 1994 zonder meer strafbaar als hij bijvoorbeeld door weg te lopen – weigert medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel ex artikel 163, lid 2 WVW 1994. Het is van belang dat de opsporingsambtenaar het bevel en de daarbij behorende aanwijzingen ondubbelzinnig in het proces-verbaal formuleert, wil een vervolging kansrijk zijn.

Aanhouding van de verdachte verdient wel de voorkeur in die gevallen waarin de verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994, niet is gebaseerd op de uitslag van de ademtest, maar op basis van de interpretatie van het gedrag van de verdachte door de opsporingsambtenaar. Wanneer de verdachte op grond van die interpretatie wordt overgebracht naar het politiebureau voor het verrichten van de ademanalyse verdient aanhouding wel de voorkeur. In deze niet standaard gevallen is de betrokkenheid van de hulpofficier van justitie van belang ter toetsing van de verdenking.

Tot slot houdt de politie de mogelijkheid voor aanhouding bijvoorbeeld als verdachtes gedrag daartoe aanleiding geeft.

1.3. Recht op consultatie [Vervallen per 01-06-2015]

Niet aangehouden verdachten aan wie een bevel medewerking aan de ademanalyse is gegeven nadat via de ademtest een verdenking terzake rijden onder invloed van alcohol boven de wettelijke grens is verkregen, hebben geen recht op rechtsbijstand als zij onmiddellijk na de voltooide ademanalyse worden verhoord.

Verdachtes (bewegings)vrijheid wordt niet in die mate beperkt dat een door de overheid te verwezenlijken recht op rechtsbijstand ontstaat. Het feit dat het verhoor op vrijwillige basis in de beslotenheid van het politiebureau of in een politiebus plaatsvindt, brengt dit recht op consultatiebijstand evenmin mee.

Ingevolge de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor ontstaat het recht op consultatie van een raadsman pas op het moment dat sprake is van een eerste inhoudelijk verhoor van de aangehouden verdachte. De verdachte heeft dus niet dat recht een raadsman te consulteren op grond van de aanhouding alleen.

De verdachte heeft ook geen recht op consultatie van een raadsman als hem een bevel medewerking tot een ademanalyse wordt gegeven. Dan is immers geen sprake van een inhoudelijk verhoor maar van toepassing van een dwangmiddel waaraan de verdachte moet voldoen. Voorts is de ademanalyse gericht op het verkrijgen van gegevens die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaan.

Moment van verhoor [Vervallen per 01-06-2015]

Het verdient aanbeveling dat het verhoor wordt afgenomen na voltooiing van de ademanalyse en niet eerder (zoals tijdens de verplichte wachttijd van twintig minuten) Het bevel medewerking strekt zich namelijk niet uit tot het verhoor van de verdachte en eindigt op het moment van voltooiing van de ademanalyse en de mededeling van de uitslag aan de verdachte. Deze is daarna vrij om te gaan en de medewerking aan het verhoor geschiedt op vrijwillige basis.

1.4. Weigering ademanalyse/bloedproef [Vervallen per 01-06-2015]

Indien de opsporingsambtenaar een bevel tot medewerking geeft waaraan de verdachte geen gevolg geeft, kan aanhouding ter voorgeleiding volgen en wordt proces-verbaal voor weigering ademanalyse/bloedproef opgemaakt, alsmede een inhoudelijk verhoor dat wordt voorafgegaan door een mededeling door de opsporingsambtenaar omtrent het consultatierecht afgenomen.3

Indien de opsporingsambtenaar de verdachte heeft aangehouden voorafgaand aan het eerste inhoudelijke verhoor wordt aan de verdachte het recht op consultatiebijstand door een advocaat meegedeeld. Het verhoor moet worden uitgesteld, indien de verdachte aangeeft dat hij van dit recht gebruik wil maken terwijl er geen raadsman beschikbaar is. De opsporingsambtenaar dient, als er geen raadsman op korte termijn beschikbaar is, de verdachte op een later moment uit te nodigen voor verhoor e.e.a. overeenkomstig de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor.

Indien de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • I. De verdachte verkeerde naar het oordeel van de opsporingsambtenaar onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het besturen van een voertuig zodanig kon verminderen, dat hij niet tot het naar behoren kunnen besturen in staat moest worden geacht;

  • II. De opsporingsambtenaar heeft geen of onvoldoende bijzonderheden met betrekking tot het rijgedrag van verdachte of zijn verdere gedrag geconstateerd, zodat niet gezegd kan worden dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, dat hij niet tot behoorlijke besturen in staat moest worden geacht.

Hoewel in het onder I omschreven geval artikel 163 en artikel 8, lid 1, WVW 1994 cumulatief ten laste gelegd zouden kunnen worden, dient om bewijsreden in een dergelijk geval primair artikel 163 en subsidiair artikel 8, lid 1 WVW 1994 ten laste te worden gelegd.

1.5. Handhaving beginnende bestuurders en deelnemers ASP [Vervallen per 01-06-2015]

De door de politie gebruikte ademtesters zijn voorzien van een afleesindicatie voor beginnende bestuurders en deelnemers aan het ASP tussen 0,2 en 0,5 BAG. Voor andere bestuurders geldt een afleesindicatie vanaf 0,5 promille en hoger. In de aanduidingcategorieën, is een categorie voor beginnende bestuurders en deelnemers aan ASP opgenomen.

De opsporingsambtenaar zal alvorens proces-verbaal te kunnen opmaken, zich altijd vooraf moeten vergewissen van de status van de bestuurder. Is sprake van een beginnende bestuurder en een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist? Is sprake van een deelnemer aan het ASP met een rijbewijs geldig voor uitsluitend categorie B, met beperkingcode 103? Als het rijbewijs wel is vereist, maar niet kan worden getoond, zal de opsporingsambtenaar het rijbewijsregister kunnen raadplegen om duidelijkheid te krijgen over de vraag of sprake is van een beginnende bestuurder. In het rijbewijsregister is vanaf 1 juni 1986 de historische datum van eerste afgifte geregistreerd. In het rijbewijsregister is voor de opsporingsambtenaar tevens zichtbaar of deel wordt genomen aan het ASP.

In het geval de ademanalyse-uitslag reden is voor het opleggen van een rijverbod (een beschikking in de zin van de Awb) zal de opsporingsambtenaar de duur daarvan moeten bepalen aan de hand van een door de politieorganisatie daarvoor vastgestelde tabel. Betrokkene heeft de mogelijkheid van bezwaar. E.e.a. kan vanwege deze afzonderlijk daarvoor in het leven geroepen rechtsgang uitdrukkelijk geen onderwerp van geschil zijn in de strafzaak.

Als de opsporingsambtenaar een ASP-bestuurder aantreft, terwijl het kenteken van het motorrijtuig van de categorie B aan die bestuurder is gekoppeld en door de opsporingsambtenaar is vastgesteld dat het in dat motorrijtuig ingebouwde alcoholslot werkt en een vermoeden bestaat dat hij alcohol heeft gebruikt (rijgedrag, uitgeademde lucht, etc., kunnen zich zevensituaties voordoen4.

  • 1. De ASP-bestuurder blaast minder dan 95 µg/l (= minder dan 0,22 promille);

    Bij een resultaat onder de vervolgingsgrens maakt de opsporingsambtenaar geen proces-verbaal op. Dat is alleen anders als de opsporingsambtenaar op grond van eigen waarneming heeft vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8, lid 1 WVW 1994.

  • 2. De ASP-bestuurder blaast 95 µg/l (0,22 promille of meer), maar niet meer dan 350 µg/l (0,8 promille) [overtreding artikel 8, lid 4, onder b,WVW 1994];

    De opsporingsambtenaar maakt proces-verbaal op voor art 8 lid 4 onder b WVW 1994, doet een mededeling ex artikel 130 WVW 1994, vordert het rijbewijs in op grond van artikel 130 WVW 1994, muteert die invordering altijd in het rijbewijsregister en stuurt dit rijbewijs met een mededeling ex artikel 130 WVW 1994 aan het CBR. Het CBR kan het rijbewijs dan ongeldigverklaren en deelname van betrokkene aan ASP beëindigen

  • 3. De ASP-bestuurder blaast meer dan 350 µg/l (0,8 promille) [overtreding artikel 8,lid,4 onder b,WVW 1994];

    Het rijbewijs moet door de opsporingsambtenaar altijd strafrechtelijk worden ingevorderd. Proces-verbaal volgt voor art. 8 lid, 4 onder b WVW 1994. Proces-verbaal van invordering en het eindproces-verbaal met het rijbewijs dienen binnen 5 werkdagen na de pleegdatum in het bezit van de CVOM te zijn.. De invordering op grond van artikel 164 WVW 1994 dient altijd en direct na invordering van het rijbewijs door de opsporingsambtenaar in het rijbewijsregister te worden genoteerd.

    Door de opsporingsambtenaar wordt een mededeling ex artikel 130 WVW 1994 opgemaakt en de bestuursrechtelijke overgifte van het rijbewijs wordt gevorderd. De opsporingsambtenaar stuurt de mededeling naar het CBR en registreert ook de bestuursrechtelijke vordering tot overgifte van het rijbewijs in het rijbewijsregister.

    Indien het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave, zal de OvJ bij de CVOM of de officier van justitie bij het (regio)parket het rijbewijs doorgeleiden naar het CBR en daarvan een mutatie maken in het rijbewijsregister. Het CBR kan het rijbewijs vervolgens ongeldig verklaren en het ASP beëindigen.

  • 4. De ASP-bestuurder weigert mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek [artikel 160, lid 5 WVW, dit is een overtreding], maar werkt wel mee aan de ademanalyse, het bloedonderzoek, of het urineonderzoek of verleent toestemming achteraf tot onderzoek van het bloedmonster, terwijl uit dit nadere onderzoek blijkt dat sprake is van een AAG van minder dan 95 ug/l.

    De opsporingsambtenaar maakt en Mulder-beschikking op voor feitcode K 155.

  • 5. De ASP-bestuurder weigert bij een verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994 mee te werken aan een ademanalyse, of het bloedonderzoek of het urineonderzoek, of verleent geen toestemming achteraf tot onderzoek van het bloedmonster[overtreding artikel 163, lid 2, lid 6, lid 8, of lid 9 artikel 9. WVW 1994];

    Door de opsporingsambtenaar wordt proces-verbaal opgemaakt voor art 163, lid,2 lid 6, lid 8 of lid 9, WVW 1994. Het rijbewijs wordt strafrechtelijk ingevorderd op grond van artikel 164,lid 2 onder c WVW 1994. Het proces-verbaal van invordering en het eindproces-verbaal met het rijbewijs dienen binnen 5 werkdagen na de pleegdatum in het bezit van de CVOM te zijn. De opsporingsambtenaar registreert de strafrechtelijke invordering altijd direct na de invordering van het rijbewijs in het rijbewijsregister, maakt een mededeling ex artikel 130 WVW 1994 op, doet de bestuursrechtelijke overgifte van het rijbewijs ex artikel 5, onder o RMRG2010 , stuurt de mededeling aan het CBR.en registreert de bestuursrechtelijke vordering tot overgifte in het rijbewijsregister.

    Indien het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave, zal de officier van justitie bij de CVOM of de officier van justitie bij het (regio)parket het rijbewijs doorgeleiden naar het CBR en daarvan een mutatie maken in het rijbewijsregister. Het CBR kan het rijbewijs vervolgens ongeldig verklaren en het ASP beëindigen.

  • 6. De ASP-bestuurder is onder zodanige invloed van alcohol dat de rijvaardigheid negatief wordt of kan worden beinvloed en het resultaat van de ademanalyse of het bloedonderzoek ontbreken, [overtreding artikel 8,lid,1 WVW 1994];

    Door de opsporingsambtenaar wordt proces-verbaal opgemaakt voor art 8 lid 1, WVW 1994

    Bij een vermoeden dat het AAG > 350 ug/l, wordt door de opsporingsambtenaar tevens het rijbewijs strafrechtelijk ingevorderd. Het proces-verbaal van invordering en het eindproces-verbaal met het rijbewijs dienen binnen 5 werkdagen na de pleegdatum in het bezit van de CVOM te zijn.

    Indien het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave, zal de OvJ bij de CVOM of de officier van justitie bij het (regio)parket het rijbewijs doorgeleiden naar het CBR en daarvan een mutatie treffen in het rijbewijsregister. Het CBR kan het rijbewijs vervolgens ongeldig verklaren en het ASP beëindigen.

  • 7. De ASP-bestuurder is onder zodanige invloed van een andere stof dan alcohol die de rijvaardigheid kan beïnvloeden en het resultaat van de ademanalyse of het bloedonderzoek ontbreken terwijl er een ernstig vermoeden bestaat van het misdrijf van artikel 8, lid 1, WVW 1994 nl. het rijden onder invloed van een stof nl drugs en/of medicijnen [overtreding artikel 8, lid 1 WVW 1994]

    Bij de enkele verdenking van dit feit ontbreekt de wettelijke grondslag voor de strafrechtelijke invordering van het rijbewijs. Artikel 164, lid 3 WVW 1994 luidt namelijk ‘De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht’. Dat heeft betrekking op een situiatie van concrete gevaarzetting, zoals bijvoorbeeld na een ontstaan ongeval of door de opsporingsambtenaar concreet waargenomen onveilig rijgedrag.

De opsporingsambtenaar maakt een proces-verbaal op voor art 8 lid 1 WVW 1994

Dat wordt aan de CVOM gestuurd.

De opsporingsambtenaar maakt ook een mededeling ex artikel 130 WVW 1994, vordert het rijbewijs in op grond van artikel 130 WVW 1994 en stuurt de mededeling en het rijbewijs naar het CBR.

De status van het rijbewijs wordt door de opsporingsambtenaar in het rijbewijsregister genoteerd.

Het CBR kan het rijbewijs vervolgens ongeldig verklaren en het ASP beëindigen.

In het onderstaande schema 1 is het gewijzigde artikel 8 lid 4 WVW1994 na inwerkingtreding van het ASP uitgewerkt voor motorvoertuigen op twee of meer wielen respectievelijk bromfietsen(w.o. begrepen een snorfiets en een brommobiel) of gehandicapten voertuig met motor. Uit het schema volgt voor welke bestuurders op grond van deze nieuwe bepaling, 95 µg/l (0,22 promille) als grenswaarde geldt.

Schema 1.

Motorvoertuig op twee of meer wielen

Bromfiets(w.o. snorfiets en brommobiel) of gehandicaptenvoertuig met motor

Als beginnende bestuurder, bestuurder zonder rijbewijs of deelnemer aan het alcoholslotprogramma besturen van een motorvoertuig op twee of meer wielen met een AAG(-equivalent) van 95 µg/l of meer. Als beginnende bestuurder, bestuurder zonder rijbewijs of deelnemer aan het alcoholslotprogramma besturen van een bromfiets (waaronder begrepen een snorfiets en een brommobiel), dan wel als deelnemer aan het alcoholslotprogramma besturen van een gehandicaptenvoertuig met motor met een AAG(-equivalent) van 95 µg/l of meer.

1. Motorvoertuig op twee of meer wielen, waarvoor een rijbewijs is vereist, wordt bestuurd door:

– beginnende bestuurder

– bestuurder zonder rijbewijs

– deelnemer ASP

2. Motorvoertuig op twee of meer wielen, waarvoor géén rijbewijs is vereist, wordt bestuurd door:

– deelnemer ASP

1. Bromfiets waarvoor een rijbewijs is vereist wordt bestuurd door:

– beginnende bestuurder

– bestuurder zonder rijbewijs

– deelnemer ASP

2. Bromfiets waarvoor géén rijbewijs is vereist óf een gehandicaptenvoertuig met motor wordt bestuurd door:

– deelnemer ASP

2. Tegenonderzoek bij ademanalyse [Vervallen per 01-06-2015]

2.1. Procedure [Vervallen per 01-06-2015]

Artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken regelt dat onmiddellijk na het vernemen van het resultaat van de ademanalyse, de verdachte kan verzoeken om een tegenonderzoek. Dit onderzoek wordt voor rekening van de verdachte verricht in de vorm van een bloedproef of bij medische bezwaren een vervangende urineproef.5De bloedproef is op dit moment als tegenonderzoek het meest doelmatig en biedt de verdachte de meest objectieve vorm van tegenonderzoek.6

In de Nota van Toelichting bij het oorspronkelijke Besluit alcoholonderzoeken7wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de opsporingsambtenaar niet verplicht is de verdachte op de mogelijkheid van dit tegenonderzoek te wijzen. Deze opvatting sluit aan bij de regeling inzake het onderzoek van bloed (of urine) en de jurisprudentie. Het OM sluit zich op dit punt aan bij de jurisprudentie, alsmede de Nota van Toelichting bij het Besluit alcoholonderzoeken. Verwezen wordt naar de arresten HR 15 februari 1983, NJ 1983, 448 en HR 12 april 1983, NJ 1983, 569, waarin werd beslist dat de verdachte niet behoefde te worden medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). In genoemde arresten is niet het voorbehoud gemaakt dat dit anders zou zijn bij verdachten die niet beschikken over een raadsman. Betwist verdachte echter het resultaat van de ademanalyse dan moet dat echter wel voor de opsporingsambtenaren reden zijn om hem te wijzen op de mogelijkheid van het tegenonderzoek8. Indien de verdachte om een bloed- of urineonderzoek vraagt, dient dit uiteraard in het proces-verbaal te worden vermeld.

.

Net als bij de ‘gewone’ ademanalyse of bloedonderzoek dient in het geval van een tegenonderzoek de verdachte zich op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen ruimte in het politiebureau, die hij ter voorkoming van beïnvloeding van de uitkomst van het tegenonderzoek, niet zonder toestemming mag verlaten.

Indien de verdachte toch zonder toestemming die ruimte verlaat, verleent hij onvoldoende medewerking aan het tegenonderzoek en kan de uitslag van dat tegenonderzoek geen betekenis hebben voor het bewijs. Dit dient uitdrukkelijk in het proces-verbaal te worden vermeld.

Verzoekt verdachte een tegenonderzoek, dan zal de opsporingsambtenaar een arts moeten waarschuwen. Indien de verdachte te kennen geeft zelf een arts te willen uitkiezen, dan dient dit verzoek in beginsel te worden gehonoreerd. De verdachte neemt vervolgens contact op met de arts van zijn keuze, waarbij de eis wordt gesteld dat dit niet mag leiden tot onredelijke vertraging van het onderzoek. De door de verdachte gekozen arts zal dan ook moeten aangeven of hij naar verwachting binnen een uur aanwezig zal kunnen zijn. Kan hij deze toezegging niet doen en blijft de verdachte bij zijn verzoek om een tegenonderzoek9, dan zal de opsporingsambtenaar van zijn kant een arts waarschuwen. De arts komt naar het politiebureau om daar de verdachte door middel van een venapunctie de vereiste hoeveelheid bloed af te nemen, c.q. onder zijn toezicht door verdachte urine af te laten staan. De desbetreffende bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek zijn van toepassing.10

Om procedurefouten te voorkomen wordt er nadrukkelijk op gewezen dat artikel 15 van het Besluit alcoholonderzoeken, houdende de één-uursregeling onverkort van toepassing is. Uit het proces-verbaal dient te blijken welke situatie, zoals bedoeld in dat artikel van toepassing is. De mededeling, zoals bedoeld in lid 3 van dat artikel wordt in het proces-verbaal vermeld.

Ook het verzenden van het bloedmonster (of urinemonster) dient te geschieden overeenkomstig de daarvoor geldende regels. De opsporingsambtenaar dient deze situatie te onderscheiden van die waarbij bloedonderzoek in de plaats treedt van de ademanalyse. en geeft daarom aan dat het monster is afgenomen in het kader van een tegenonderzoek na ademanalyse Dit dient de opsporingsambtenaar op de in gebruik zijnde formulieren aan te tekenen.

Het onderzoek van het bloed of de urine wordt verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag. Ingevolge artikel 20 van het Besluit alcoholonderzoeken dient het resultaat van het onderzoek zo spoedig mogelijk aan de verdachte te worden medegedeeld. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het NFI, nu niet de opsporingsambtenaar, maar de verdachte de opdrachtgever is.

De kosten van het tegenonderzoek bij ademanalyse, te weten die van de arts, van het onderzoek door het NFI en van het bloedblok komen voor rekening van de verdachte. De verdachte dient – voordat de arts wordt gewaarschuwd –, de kosten van het bloedblok en van de arts op het politiebureau te voldoen. De kosten van het onderzoek door het NFI dienen binnen zes weken na de bloedafname aan het NFI te worden voldaan. Pas nadat ook deze kosten zijn voldaan, gaat het NFI tot het onderzoek over. Hier kan worden aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 1983, NJ 1984, 97 waarin werd bepaald dat het resultaat van de eerste bloedproef voor het bewijs wel mocht worden gebruikt, omdat de verdachte niet tijdig een financiële regeling had getroffen en het daardoor aan zichzelf had te wijten dat het tegenonderzoek (bij bloedproef) niet had plaatsgevonden. De verdachte die dus niet voldoet aan de voorwaarde van betaling van alle kosten binnen de gestelde betalingstermijn, bereikt daarmee dat het bloedproefresultaat of het resultaat van de ademanalyse zondermeer voor het bewijs kan worden gebruikt. Het NFI zal na de betalingstermijn van zes weken na afname van het bloed bij het uitblijven van een betaling het bloedmonster vernietigen.

Aan de verdachte die om een tegenonderzoek, als bedoeld in artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken (tegenonderzoek ademanalyse) heeft verzocht, wordt door de opsporingsambtenaar een brief ter hand gesteld waarin de procedure en de verplichtingen met betrekking tot de betaling van de kosten worden vermeld (zie bijlage 1).

2.2. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse [Vervallen per 01-06-2015]

Op basis van de artikelen 21, eerste en tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken en 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek kan de verdachte, die na tegenonderzoek door het NFI bij ademanalyse nog een tegenonderzoek wenst, hiertoe een van de daartoe aangewezen laboratoria uitkiezen. (zie bijlage 4).

Voor de kosten en de procedure van dit tegenonderzoek wordt hier verwezen naar het tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek.

2.3. Tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek [Vervallen per 01-06-2015]

Het Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek kent de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek te laten verrichten na het onderzoek door het NFI bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 4). De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de verdachte en dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan (zie bijlage 3). Het NFI bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname of het verzamelen van de urine) het bloed- of urinemonster. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.

De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan de afdeling Toxicologie van het NFI. Deze afdeling heeft de onderstaande procedure opgesteld:

  • a. De verdachte of diens raadsman geeft de betreffende officier van justitie kennis van de wens een tegenonderzoek te laten uitvoeren. De officier van justitie deelt de verdachte schriftelijk mede welke laboratoria zijn aangewezen om tegenonderzoek uit te voeren. De verdachte of diens raadsman deelt aan de officier van justitie schriftelijk mede welk laboratorium hij heeft gekozen. De verdachte of diens raadsman neemt tevens contact op met het uitgekozen laboratorium.

  • b. Van de zijde van de officier van justitie wordt in vermelde brief (zie modelbrief, bijlage 2) de verdachte of diens raadsman erop gewezen, dat een alcoholbepaling door het aangewezen laboratorium pas wordt uitgevoerd nadat de kosten vooraf zijn voldaan aan het laboratorium.

  • c. De officier van justitie geeft het NFI schriftelijk kennis van de wens van de verdachte een tegenonderzoek te doen verrichten onder vermelding van: naam en adres verdachte; zaaks- en identiteitsnummer, plaats en datum van ‘aanhouding’ en de naam van het uitgekozen laboratorium.

  • d. Het NFI stelt het uitgekozen laboratorium op de hoogte van het te verwachten onderzoek. Na bevestiging van de betaling vindt verzending van het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster plaats.

  • e. Zodra het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster is verzonden, geeft het NFI hiervan bericht aan de betreffende officier van justitie.

  • f. Het uitgekozen laboratorium deelt het resultaat van het tegenonderzoek mede aan de verdachte of diens raadsman.

Vervolging [Vervallen per 01-06-2015]

1. Artikel 8, lid 1 WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

Een vervolging op basis van artikel 8, lid 1 WVW 1994 komt in aanmerking in de volgende gevallen:

  • bij een AAG lager dan 235 µg/liter respectievelijk 95µg/liter in het geval van een beginnende bestuurder en/of een deelnemer aan het alcoholslotprogramma11(Vergelijk de aanwijzing vliegen onder invloed waarbij de vervolgingsgrens eveneens is vastgesteld op 95µg/liter), terwijl de verdachte verkeert onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid zodanig kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht;

  • wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijnen en/of drugs. M.b.t. medicijn en/of drugsgebruik is van belang dat bij dit gebruik van psychotrope stoffen tot een bewezen- en strafbaarverklaring kan worden gekomen ook als de bestuurder niet daadwerkelijk op gevaarlijke wijze heeft gereden12;

  • wanneer er sprake is van andere omstandigheden dan het weigeren van de ademanalyse/bloedproef waardoor de ademanalyse/bloedproef achterwege is gebleven (bijvoorbeeld als de ademtest of ademanalyse vanwege ontbreken van beschikbaar materiaal niet konden worden verricht en afwijkend rijgedrag is geconstateerd naast de uiterlijke kenmerken);

  • wanneer er sprake is van (vorm)fouten in de procedure betreffende de ademanalyse of de bloedproef, terwijl wel aan alle vereisten voor een vervolging ex artikel 8, lid 1 WVW 1994 is voldaan (bijvoorbeeld indien bij de ademanalyse of bloedproef onherstelbare juridische procedure fouten zijn gemaakt).

2. Artikel 8, lid 2 WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een adem- of bloedmonster is afgenomen, zodat het resultaat van het onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, wordt in beginsel een vervolging op basis van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a of b, WVW 1994 ingesteld.

Ook een poging tot dronken rijden is strafbaar13.

De vraag of het ademanalyseapparaat over een geldige verklaring van goedkeuring beschikt wordt eerst relevant als de verdachte voor of tijdens het ademonderzoek heeft geweigerd (verdere) medewerking te verlenen aan het ademonderzoek en die weigering baseert op het feit dat het ademanalyse apparaat de benodigde verklaring van goedkeuring ontbeert14.

3. Artikel 8, lid 3 WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

3.1. Achtergrond [Vervallen per 01-06-2015]

Het derde lid is aan artikel 8 toegevoegd, omdat uit onderzoek is gebleken dat bestuurders die kort in het bezit zijn van een rijbewijs, relatief vaak betrokken zijn bij verkeersongevallen. Die betrokkenheid hangt samen met onervarenheid en, bij jeugdigen, met overmoedigheid. Een verlaging van het alcoholpromillage van 0,5 naar 0,2 voor deze specifieke groep bestuurders van motorrijtuigen zou dan ook moeten leiden tot minder doden en gewonden in het verkeer.

3.2. Doel [Vervallen per 01-06-2015]

Beginnende bestuurders verbieden een motorrijtuig te besturen, waarvoor een rijbewijs is vereist bij gebruik van alcoholhoudende drank hoger dan 88µg/liter (AAG) of hoger dan 0,2mg/l(BAG.) Met dit verbod wordt afgeweken van het algemene verbod dat de grens legt bij resp. 220µg/liter AAG en 0,5 mg/l (BAG).

3.3. Beginnende bestuurder1516 [Vervallen per 01-06-2015]

Iemand is beginnende bestuurder indien:

  • sedert de datum waarop voor de eerste keer een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken of

  • het voor het eerst afgegeven rijbewijs, een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van de afgifte de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaren zijn verstreken,17en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

De wetgever heeft hiermee voor wat betreft het eerste punt aangesloten bij de definitiebepaling zoals deze was opgenomen in de Regeling maatregelen en rijvaardigheid en rijgeschiktheid. Aan deze regeling is de ‘Maatregel beginnende bestuurder’ toegevoegd.

In lid 6 van artikel 8 WVW 1994 is vermeld dat de in lid 3 genoemde grenswaarden ook van toepassing zijn op in Nederland rijdende bestuurders van motorrijtuigen, die in het bezit zijn van een op hun naam gesteld en door een bevoegde buitenlandse autoriteit afgegeven beginnerrijbewijs.

3.4. Beperking in delictsomschrijving [Vervallen per 01-06-2015]

Naast het feit dat het derde lid geldt voor beginnende bestuurders is ook een andere beperking opgenomen. Het moet namelijk gaan om bestuurders van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is afgegeven. Dit betekent dat artikel 8 lid 3 WVW 199418niet geldt voor bestuurders van landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en rijdende werktuigen. Hiervoor geldt dus 0,5 mg/liter (BAG)/ 220 µg/liter (AAG ).

3.5. Invordering en inhouding van rijbewijzen [Vervallen per 01-06-2015]

In artikel 164, lid 2 onder b WVW94 wordt de grens waarboven de opsporingsambtenaar rijbewijzen dient in te vorderen bij deelnemers aan het ASP gelijk aan die van beginnende bestuurders namelijk 350 AAG/0,8 BAG.

Lid 4 van artikel 164 WVW 1994 dat de bevoegdheid regelt waaronder het OM rijbewijzen kan inhouden is aangepast. Het OM kan bij deelnemers aan het ASP en beginnende bestuurders van een rijbewijsplichtig motorrijtuig het rijbewijs inhouden bij een AAG hoger dan 350 of een BAG hoger dan 0,8 Een uitwerking is aan te treffen in de Aanwijzing inzake de invordering van rijbewijzen en in bijlage II van de de Aanwijzing inbeslagneming.

4. Artikel 8, lid 4, WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

Ook voor bestuurders die zonder rijbewijs rijden, d.w.z. aan wie nimmer enig rijbewijs is afgegeven en voor bestuurders die deelnemen aan het ASP geldt een AAG van 88 en een BAG van 0,2. Dit brengt mee dat voor ervaren bestuurders aan wie een ASP is opgelegd, die met een bromfiets rijden ook 0,2 BAG/88AAG geldt.

Let Op!

De bestuurders van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard worden nooit vervolgd voor artikel 8, lid 4 onder a, WVW 1994. In hun geval is de afgifte datum bepalend voor de vraag of vervolging op grond van het tweede of derde lid van artikel 8 WVW 1994 plaats kan vinden.

5. Artikel 163, lid 9 WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

Ten aanzien van artikel 163, lid 9 WVW 1994 valt met betrekking tot ‘de verdachte die niet in staat is zijn wil kenbaar te maken’ een drietal situaties te onderscheiden:

  • a. De verdachte die door zijn fysieke dan wel psychische hoedanigheid niet in staat is zijn wil kenbaar te maken (bijvoorbeeld na betrokkenheid bij een verkeersongeval en aansluitende ziekenhuisopname vanwege verwondingen).

    Bestaat de verdenking dat hij onder invloed van alcohol gereden heeft, dan kan het bloedmonster met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of politieambtenaar, door een arts worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij de verdachte om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is

    Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Weigert hij, dan kan hij vervolgd worden op basis van artikel 163, lid 9 WVW 1994, strafbaar gesteld in artikel 176, lid 3 WVW 1994. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. Het oordeel van de medicus is bepalend voor de beoordeling of verdachte in staat moet worden geacht zijn wil te bepalen.

  • b. De verdachte die niet in staat moet worden geacht zijn wil kenbaar te maken ten gevolge van overmatig alcoholgebruik.

    Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad komt ook deze categorie in aanmerking voor vervolging op grond van artikel 163, lid 9 WVW 1994, strafbaar gesteld in artikel 176, lid 3 WVW 1994.

    Het criterium om te bepalen of verdachte onder het negende lid of onder de regeling van het tweede of het zesde lid valt, ligt met name in de aanspreekbaarheid van de verdachte. Reageert hij niet of geeft hij – al dan niet daarnaar gevraagd – aan dat hij niet begrijpt wat er gebeurt, dan moet worden overgegaan naar de regeling van artikel 163, lid 9 WVW 1994. Ook hier is het oordeel van de arts die de bloedproef moet afnemen een goede maatstaf bij de beantwoording van de vraag of verdachte simuleert. Een en ander moet dan ook in het proces-verbaal verwerkt worden.

  • c. Indien verdachte is komen te overlijden.

    In een dergelijk geval bestaat er binnen de WVW 1994 geen enkele basis om na het overlijden (bijvoorbeeld aan de gevolgen van een verkeersongeval) alsnog bloed af te nemen. Gelet op artikel 69 WvSr vervalt het recht tot strafvordering bij het overlijden van verdachte. Indien niet onmiddellijk duidelijkheid bestaat omtrent de doodsoorzaak dan heeft het OM de mogelijkheid om een opdracht tot sectie te geven (art. 73, lid 1 onder a, van de Wet op de Lijkbezorging). Vanzelfsprekend zal met die bevoegdheid uiterst terughoudend moeten worden omgegaan.

    Opmerking: In het convenant afspraken OM en de Onderzoeksraad van veiligheid zijn omtrent sectie en onderzoeken op basis van de Rijkswet Onderzoeksraad van veiligheid specifieke afspraken opgenomen.

Strafvordering [Vervallen per 01-06-2015]

Zie de richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed.

1. Aanvragen van een voorlichtingsrapport [Vervallen per 01-06-2015]

Uitgangspunt is dat in beginsel steeds ten behoeve van de strafmaatbepaling een voorlichtingsrapport bij de Verslavingsreclassering kan worden aangevraagd indien:

  • de verdachte voor de derde maal binnen een termijn van vijf jaren een soortgelijk delict heeft gepleegd;

  • gebleken is van andere bijzondere omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte.

2. Overtredingen van 160, lid 6 en lid 6 WVW 1994 [Vervallen per 01-06-2015]

In het geval iemand weigert medewerking te verlenen aan een ademtest (artikel 160, lid 5 WVW 1994) of niet voldoet aan de verplichting om het alcoholslot, dan wel de daarvan deel uitmakende ademalcoholtester te tonen of een blaastest op het in het motorrijtuig aanwezige alcoholslot uit te voeren( artikel 160, lid 6 WVW 1994), kan er een administratieve sanctie in de zin van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) worden opgelegd. Doet er zich naast dit ‘Mulderfeit’ een of meer van de in de artikelen 8, 163 en 6 jo. 175, lid 2 WVW 1994 genoemde strafbare feiten voor, dan dient geen beschikking te worden opgelegd ten aanzien van het ‘Mulderfeit’, Er dient dan proces-verbaal worden opgemaakt ter zake van het/de gepleegde strafbare feit(en).

Overgangsrecht [Vervallen per 01-06-2015]

Deze aanwijzing is geldig met onmiddellijke ingang van de datum van inwerkingtreding.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-06-2015]

Modelbrief politie

Betreft: tegenonderzoek ademanalyse

Op de datum als vermeld op het formulier ten behoeve van de afname van een bloed/urinemonster met het hieronder aangebrachte identiteitszegel is van u een bloed- c.q. urinemonster afgenomen door een arts in aanwezigheid van een opsporingsambtenaar.

Deze afname vond plaats op uw verzoek, nadat u de bedoelde arts opdracht had verstrekt. Het monster is overeenkomstig het bepaalde in de regeling bloed- en urineonderzoek gewaarmerkt, verpakt en voorzien van een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel. Een exemplaar hiervan is op dit formulier aangebracht.

Het monster is verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Bepaling van het alcoholgehalte zal niet eerder geschieden dan nadat door u een bedrag van € 91 is gestort op girorekening 569990904 t..n.v. Nederlands Forensisch Instituut, Laan van Ypenburg 6, 2497 GB Den Haag.

Ruimte voor

Identiteitszegel

Betaling van het bovenvermelde bedrag dient uiterlijk binnen 6 weken na de afname van het monster te geschieden onder vermelding van het op dit formulier aangebrachte zegelnummer. Bij het uitblijven van betaling zal na deze periode het monster worden vernietigd. De uitslag van de alcoholbepaling zal door het Nederlands Forensisch Instituut zo spoedig mogelijk na ontvangst van de betaling, worden doorgezonden aan het door u op het rapportformulier vermelde adres.

Bijlage 2 [Vervallen per 01-06-2015]

Modelbrief

PARKET VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE TE

Aan:

Betreft: tegenonderzoek bloedalcoholgehalte

Parketnr:

Naar aanleiding van uw mededeling dat u in bovenvermelde zaak een tegenonderzoek wenst te doen uitvoeren naar het bloedalcoholgehalte, bericht ik u dat u een keuze kunt maken uit de drie op bijgaand informatieblad genoemde laboratoria. Ik verzoek u mij schriftelijk mede te delen op welk laboratorium uw keuze is gevallen, opdat ik ervoor kan zorgdragen dat het bloedmonster c.q. urinemonster naar dat laboratorium wordt verzonden.

Ik wijs u er nog op dat de kosten van het tegenonderzoek voor uw rekening komen en dat het laboratorium eerst tot een tegenonderzoek overgaat nadat het verschuldigde bedrag aan het laboratorium is betaald. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag, de manier waarop kan worden betaald en de gegevens die bij de betaling dienen te worden vermeld, verwijs ik tevens naar bijgaand informatieblad.

Het resultaat van het tegenonderzoek wordt u te zijner tijd door het door u aangewezen laboratorium medegedeeld.

Mocht u echter binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief niet schriftelijk hebben gereageerd, ga ik er van uit dat u op het tegenonderzoek geen prijs meer stelt.

De officier van justitie,

Bijlage 3 [Vervallen per 01-06-2015]

Informatieblad tegenonderzoek bloedproef

Bij de betaling aan het laboratorium van uw keuze moet duidelijk worden vermeld: 'tegenonderzoek bloedalcoholbepaling' en de naam en het adres van de verdachte. Bij gebruikmaking van een giro- of bankrekening van een ander dan de verdachte zelf (bijvoorbeeld van echtgeno(o)t(e) of raadsman) mag dit geen aanleiding tot misverstanden kunnen geven.

De kosten van het tegenonderzoek bedragen € 136,13. Pas na betaling van dit bedrag voert het laboratorium het tegenonderzoek uit.

Bijlage 4 [Vervallen per 01-06-2015]

Laboratoria

Laboratorium der Apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

1e Oosterparkstraat 179

1091 HA Amsterdam-Oost

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen

Oostersingel 59

Postbus 30001

9700 RB Groningen

  • ^ [1]

    Conclusie AG Fokkens onder 8 ,HR 3.7.2001, LJN: ZD2847; Zie ook HR 12 september 2006, 564, LJN AV6178.

  • ^ [2]

    Dit artikel kan als een lex specialis worden gezien ten opzichte van artikel 184Sr. Weliswaar bevat art. 176, lid 3 (jo art 163, lid 2) WVW 1994 niet het bestanddeel opzet, maar dit wordt wel geïmpliceerd. (HR 13-3-2007, NJ 2007m 166, LJN AZ6664)

  • ^ [3]

    De opsporingsambtenaar heeft ook de mogelijkheid om de verdachte op straat te horen zonder dat de verdachte aangehouden wordt. In dat geval waarbij niet wordt aangehouden dient verdachte niet op zijn consultatierecht te worden gewezen.

  • ^ [4]

    Indien een ervaren of beginnend bestuurder aan wie een ASP is opgelegd met een bromfiets aan het verkeer deelneemt geldt voor hem op grond van het bepaalde in artikel 8, lid 4 onder b WVW1994 0,2 BAG/88 AAG.

    Voorts geldt artikel 8, lid 4 onder bWVW1994 als specialis ten opzichte van artikel 8, lid 3 WVW1994 in het geval het een beginnend bestuurder betreft.

  • ^ [5]

    Bij het uitvoeren van het onderzoek dient verder op dezelfde wijze te worden gehandeld als wanneer op initiatief van de opsporingsambtenaar tot het afnemen van een bloedmonster (of urinemonster) zou zijn overgegaan. De artikelen 12 t/m 15, 18 t/m 21 (met uitzondering van het eerste en het tweede lid) en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken, respectievelijk de artikelen 3 t/m 7 en 8 t/m 13 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 2005, 188) zijn van (overeenkomstige) toepassing.

  • ^ [6]

    In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van het OM bij het zgn. Ademanalysearrest (HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467).

  • ^ [7]

    Stb.1987 nr. 432.

  • ^ [8]

    NJ 1998 nr. 140, Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 21 november 1997.

  • ^ [9]

    Uiteraard kan de verdachte zijn verzoek om een tegenonderzoek herroepen, indien de arts van zijn keuze niet binnen een uur beschikbaar blijkt te zijn. Dit dient in het proces-verbaal te worden vermeld.

  • ^ [10]

    Een en ander is geregeld in artikel 11 van de Regeling bloed- en urineonderzoek.

  • ^ [11]

    Aan personen met een buitenlands rijbewijs, in Nederland woonachtig d.w.z. in GBA ingeschreven kan ook een ASP worden opgelegd, terwijl dan tegelijk dat buitenlandse rijbewijs ongeldig wordt verklaard. De ASP cijfercodering 103 wordt op het NL rijbewijs in veld 12 vermeld. De houder van dit in het buitenland afgegeven rijbewijs zal zijn weliswaar nog geldige in een andere EG/EER–staat afgegeven rijbewijs moeten omwisselen tegen een NL rijbewijs voor de categorie B met ASP-code.

  • ^ [12]

    HR 1-6-2004, VR 2005 nr.43 en HR 21-12-2004, VR 2005 nr. 44.

  • ^ [13]

    HR 17-9-2002, NJ 2004 nr. 352.

  • ^ [14]

    HR, 25-1-2005, strafkamer nr. 01579/04, HR 1-4-2003, NJ 2003 nr. 304.

  • ^ [15]

    In lid 4 onder a van artikel 8 WVW 1994 is vermeld dat de in lid 3 genoemde grenswaarden ook van toepassing zijn op bestuurders aan wie nimmer enig rijbewijs is afgegeven. Dit betreft de bij artikel 107, lid 1 WVW 1994 geregelde gevallen. De betekenis van lid 4 strekt zich niet uit over de door het CBR ongeldig verklaarde rijbewijzen. Wanneer een bestuurder van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard toch onder invloed van alcohol boven de wettelijke grens rijdt, pleegt die bestuurder zowel het misdrijf van artikel 9, lid 2 WVW 1994, als het misdrijf van artikel 8 WVW 1994. Of lid 2 of lid 3 van artikel 8 WVW 1994 aan de verdachte kan worden verweten is afhankelijk van de datum van afgifte van dat door het CBR ongeldig verklaarde rijbewijs. Voor beginnende bestuurders geldt het derde lid en voor ervaren bestuurders geldt het tweede lid.

  • ^ [16]

    Vanaf 1 juni 2011is de grenswaarde van 0,2 BAG ook van toepassing op deelnemers aan het ASP. Dit is geregeld in artikel 8, lid 4 onder b WVW 1994.

  • ^ [17]

    In wetsvoorstel 32403, nr 8 wordt voorgesteld om in artikel 8, derde lid WVW1994 de tekst: ‘indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’ te vervangen door ‘indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Deze wijziging is beoogt op het moment dat het experiment begeleid rijden in werking treedt.

  • ^ [18]

    Sinds 1 oktober 2006.