Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010[Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 08-05-2011 t/m 31-12-2014

Verordening van het Productschap Vee en Vlees van 8 december 2010 houdende regels ter uitvoering van het Fokkerijbesluit betreffende de erkenning van organisaties die één of meer stamboeken bijhouden of instellen en de erkenning van organisaties die verantwoordelijk zijn voor de reglementering van prestatieonderzoek en fokwaardeschattingen (Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010)

Het bestuur van het Productschap Vee en Vlees;

Gelet op artikel 11, eerste lid, van het Fokkerijbesluit en de artikelen 96, 97 en 98 van de Wet op de bedrijfsorganisatie,

Gezien richtlijn nr. 2009/157/EG van de Raad van 30 november 2009 betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG L 323); richtlijn nr. 87/328/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1987 betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting (PbEG L 167); richtlijn nr. 88/661/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PbEG L 382); richtlijn nr. 89/361/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 mei 1989 betreffende raszuivere fokschapen en -geiten (PbEG L 153); richtlijn nr. 90/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1990 betreffende de toelating van raszuivere fokvarkens tot de voortplanting (PbEG L 71); richtlijn nr. 90/119/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1990 betreffende de toelating van hybride fokvarkens tot de voortplanting (PbEG L 71); richtlijn 90/427/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het Intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224); richtlijn nr. 91/174/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 maart 1991 inzake zoötechnische en genealogische voorschriften voor de handel in rasdieren en tot wijziging van de richtlijnen 77/504/EEG en 90/425/EEG (PbEG L 85) en richtlijn nr. 94/28/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen inzake de zoötechnische en genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo’s en tot wijziging van richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG L 178),

Besluit:

1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Deze verordening neemt de terminologie als omschreven in artikel 1 van het Fokkerijbesluit over, en verstaat voorts onder:

a.

productschap

:

Productschap Vee en Vlees;

b.

bestuur

:

het bestuur van het productschap;

c.

voorzitter

:

de voorzitter van het productschap;

d.

Fokkerijbesluit

:

Besluit van 8 augustus 1994, houdende regelen betreffende het fokken van vee en overige diersoorten (Stb. 1994, 696);

e.

erkende organisatie

:

een op grond van deze verordening erkende organisatie;

f.

certificaat met afstammingsgegevens

:

het certificaat als bedoeld in:

     

Beschikking 2005/379/EG van de Commissie van 17 mei 2005 betreffende stamboekcertificaten en gegevens voor raszuivere fokrunderen en sperma, eicellen en embryo’s daarvan (PbEG L. 125), voor runderen en buffels, respectievelijk

     

Beschikking 89/503/EEG van de Commissie van 18 juli 1989 tot vaststelling van het certificaat voor raszuivere fokvarkens en voor sperma, eicellen en embryo’s daarvan (PbEG L 247), voor raszuivere fokvarkens, respectievelijk

     

Beschikking 2005/379/EG van de Commissie van 17 mei 2005 betreffende stamboekcertificaten en gegevens voor raszuivere fokrunderen en sperma, eicellen en embryo’s daarvan

     

Beschikking 90/258/EEG van de Commissie van 10 mei 1990 houdende vaststelling van het zoötechnisch certificaat voor raszuivere fokschapen en -geiten en voor sperma, eicellen en embryo’s daarvan (PbEG L 1451), voor schapen en geiten, en respectievelijk

     

Beschikking 96/79/EG van de Commissie van 12 januari 1996 tot vaststelling van de fokkerijcertificaten voor sperma, eicellen en embryo’s van geregistreerde paardachtigen (PbEG L 109), voor paardachtigen.

2. Toepassingsgebied [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2015]

Deze verordening regelt de erkenning van in Nederland gevestigde organisaties,

  • a. die één of meer stamboeken of registers bijhouden of instellen voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten of paardachtigen;

  • b. die prestatieonderzoek uitvoeren voor runderen en buffels, varkens of voor schapen en geiten, of die verantwoordelijk zijn voor de reglementering en uitvoering van prestatieonderzoek voor runderen en buffels;

  • c. die genetische waarden beoordelen van runderen en buffels, varkens of van schapen en geiten en de geschatte waarden publiceren, of die verantwoordelijk zijn voor de reglementering en uitvoering van de beoordeling van genetische waarden en de publicatie van de geschatte genetische waarden van runderen en buffels.

3. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Aan een organisatie wordt op aanvraag erkenning verleend voor:

    • a. het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten of paardachtigen, indien wordt voldaan aan de in Bijlage I opgenomen erkenningsvoorwaarden;

    • b. de reglementering en de uitvoering van prestatieonderzoek of alleen de uitvoering van prestatieonderzoek voor runderen en buffels, of de uitvoering van prestatieonderzoek voor varkens of schapen en geiten, indien wordt voldaan aan de in Bijlage II opgenomen erkenningsvoorwaarden;

    • c. de reglementering en de uitvoering of alleen de uitvoering van de beoordeling van genetische waarden van runderen en buffels of de uitvoering van de beoordeling van genetische waarden van varkens of schapen en geiten, en de publicatie van de geschatte waarden, indien wordt voldaan aan de in Bijlage III opgenomen erkenningsvoorwaarden.

  • 2 Een erkenning, als bedoeld in het eerste lid, onder a., wordt niet verleend indien:

    • a. niet is gewaarborgd dat de organisatie het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van het Fokkerijbesluit, in acht neemt, of

    • b. voor het ras reeds één of meer erkende organisaties bestaan, en:

      • -

        erkenning van een nieuwe organisatie de instandhouding van het ras in gevaar zou kunnen brengen, of

      • -

        de uitvoering van het zoötechnische programma van één of meer van de reeds erkende organisaties zou kunnen doorkruisen, of, indien het paardachtigen betreft,

      • -

        de paardachtigen van het ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die conform Bijlage I zijn vastgesteld door de erkende organisatie die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt.

4. Aanvraag en verlenen van een erkenning [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Aan een erkenning kunnen nadere voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Een erkenning kan onder beperkingen worden verleend.

  • 3 Een erkenning is geldig voor vijf jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van het besluit waarbij de erkenning is verleend. In bijzondere gevallen kan de voorzitter de erkenning voor een kortere geldigheidsduur verlenen.

  • 4 Alvorens op een aanvraag te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.

  • 5 Op een aanvraag wordt beslist binnen twintig weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan worden verlengd met vier weken.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De aanvraag, ars bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt ingediend bij de voorzitter door indiening van een volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend aanvraagformulier overeenkomstig het bij besluit vastgestelde model.

  • 2 Bij het in het eerste lid bedoelde besluit, stelt het bestuur tevens vast welke documenten ten minste het aanvraagformulier vergezellen.

  • 3 De voorzitter kan aanvullende informatie en documenten verlangen indien hij dat noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag tot erkenning. De voorzitter stelt een termijn voor het indienen van de verlangde aanvullende informatie en documenten.

  • 4 Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

5. Verlenging van een erkenning [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Op aanvraag kan verlenging van een erkenning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar en zo vervolgens telkens voor een periode van vijf jaar. In bijzondere gevallen kan de voorzitter besluiten de verlenging voor een kortere periode te verlenen.

  • 2 De aanvraag tot verlenging wordt ingediend bij de voorzitter door indiening van een volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier aanvraag verlenging overeenkomstig het bij besluit van het bestuur vastgestelde model.

  • 3 Bij het in het tweede lid bedoelde besluit, stelt het bestuur tevens vast welke documenten ten minste het formulier aanvraag verlenging vergezellen.

  • 4 De voorzitter kan aanvullende informatie en documenten verlangen indien hij dat noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag tot verlenging van een erkenning. De voorzitter stelt een termijn voor het indienen van de gevraagde aanvullende informatie en documenten.

  • 5 Alvorens op een aanvraag tot verlenging te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.

  • 6 Het in het tweede lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De aanvraag tot verlenging wordt ten minste drie maanden, maar niet eerder dan zes maanden, voor het verstrijken van de periode waarvoor de erkenning is verleend, ingediend.

  • 2 De voorzitter beslist voor het verstrijken van de periode waarvoor de erkenning is verleend op de aanvraag tot verlenging.

  • 3 Indien de voorzitter niet voor het verstrijken van de periode bedoeld in het tweede lid heeft beslist, wordt de erkenning automatisch verlengd tot de dag waarop de voorzitter op de aanvraag tot verlenging heeft beslist plus één dag.

  • 4 Het derde lid is alleen van toepassing indien:

    • a. de aanvraag tot verlenging tijdig, vergezeld van de vereiste informatie en documenten en op de in artikel 6, tweede lid, voorgeschreven wijze is ingediend, of

    • b. de voorzitter na een indiening, als genoemd onder a., om aanvullende informatie en documenten als bedoeld in artikel 6, vierde lid, heeft verzocht.

6. Intrekking van een erkenning [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De voorzitter trekt een erkenning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in, indien:

    • a. de erkende organisatie niet meer voldoet aan één of meer van de erkenningsvoorwaarden;

    • b. onvoldoende is gewaarborgd dat de erkende organisatie de in artikel 2, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van het Fokkerijbesluit bedoelde voorschriften naleeft;

    • c. de erkende organisatie de bij deze verordening gestelde verplichtingen niet naleeft;

    • d. de voorzitter vaststelt dat de gegevens of documenten, die in het kader van de aanvraag tot erkenning, de aanvraag tot verlenging van de erkenning, of de jaarlijkse rapportage zijn verstrekt, onjuist of onvolledig zijn, of

    • e. de erkende organisatie daarom schriftelijk verzoekt.

  • 2 Het in het eerste lid, onder d., bepaalde is niet van toepassing indien de onjuiste of onvolledige gegevens of documenten niet hebben geleid tot een ander besluit op de aanvraag dan wanneer ten tijde van de beoordeling van de aanvraag wel de juiste en volledige informatie en documenten bekend zouden zijn geweest.

  • 3 Alvorens tot het intrekken, als bedoeld in het eerste lid, onder a. tot en met d., te beslissen, wint de voorzitter advies in bij de desbetreffende Commissie van Advies, genoemd in artikel 10, eerste lid.

  • 4 In afwijking van het derde lid, kan de voorzitter, in zeer uitzonderlijke omstandigheden, een erkenning met onmiddellijke ingang intrekken.

7. Verplichtingen van een erkende organisatie [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Een erkende organisatie is verplicht elke wijziging of omstandigheid waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat die van invloed kan zijn op de vervulling van de erkenningsvoorwaarden of de verplichtingen uit deze verordening, onmiddellijk schriftelijk aan de voorzitter door te geven, vergezeld van beschikbare documenten.

  • 3 Een erkende organisatie stelt de voorzitter ieder kalenderjaar vóór 1 mei in het bezit van een volledig en naar waarheid ingevulde en ondertekende rapportage overeenkomstig het bij besluit van het bestuur vastgestelde model, vergezeld van de daarin aangeduide informatie en documenten.

  • 4 Ingeval verlenging van een erkenning wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 6, vervalt de in het derde lid bedoelde rapportageplicht met betrekking tot die erkenning.

  • 5 Ingeval verlenging van een erkenning wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 6, vervalt de in het derde lid bedoelde rapportageplicht met betrekking tot die erkenning.

  • 6 Het in het derde lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

8. Commissies van advies [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Er is een:

    • a. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Runder- en buffelfokkerij, hierna genoemd Commissie ETR, voor runderen en buffels;

    • b. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Varkensfokkerij, hierna genoemd Commissie ETV, voor varkens;

    • c. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Schapen- en geitenfokkerij, hierna genoemd Commissie ETS, voor schapen en geiten;

    • d. Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Paardenfokkerij, hierna genoemd Commissie ETP, voor paardachtigen.

  • 2 De in het eerste lid genoemde commissies hebben tot taak de voorzitter te adviseren over het verlenen, verlengen en intrekken van erkenningen op de voet van deze verordening.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De commissies, genoemd in artikel 10, eerste lid, bestaan ieder uit een voorzitter en twee leden, en worden bijgestaan door een ambtelijk secretaris. Voorts kunnen een plaatsvervangend voorzitter, plaatsvervangende leden en een plaatsvervangend ambtelijk secretaris worden benoemd. De (plaatsvervangende) voorzitters en de (plaatsvervangende) leden beschikken in ieder geval over deskundigheid op het gebied van fokkerij.

  • 2 De voorzitter benoemt bij besluit voor elk van de commissies de voorzitter, de leden en de ambtelijk secretaris. Plaatsvervangende voorzitters, plaatsvervangende leden en plaatsvervangende ambtelijk secretarissen van de commissies worden eveneens bij besluit van de voorzitter benoemd.

  • 3 De (plaatsvervangende) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de commissies zijn niet verbonden aan het productschap, of een erkende organisatie of anderszins verbonden aan een organisatie waardoor belangenverstrengeling kan optreden.

  • 4 De (plaatsvervangende) voorzitters en de (plaatsvervangende) leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen telkens voor vier jaar worden herbenoemd.

  • 5 De (plaatsvervangend) ambtelijk secretaris is een medewerker in dienst van het productschap, en is geen lid van de commissies.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De commissies, genoemd in artikel 10, eerste lid, stellen een reglement van orde vast waarin zij hun werkwijze regelen.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde reglement van orde behoeft de goedkeuring van het bestuur.

  • 3 De commissies kunnen bij één of meer deskundigen advies of inlichtingen inwinnen.

  • 4 Indien de commissies het noodzakelijk achten voor de advisering, kunnen zij aanvullende gegevens verlangen van de organisatie die de erkenning aanvraagt, onder het stellen van een termijn voor de ontvangst daarvan.

  • 5 De commissies brengen hun advies uit binnen twaalf weken na de ontvangst van het verzoek om advies.

9. Controle [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2015]

De voorzitter verifieert de door de organisatie op de voet van deze verordening aangeleverde gegevens en documenten op juistheid en volledigheid. Deze controle kan ten behoeve van de aanvraag tot erkenning en de aanvraag tot verlenging van erkenning op locatie van de betreffende organisatie plaatsvinden.

10. Gegevensverwerking [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens over erkende organisaties of organisaties die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend, worden in handen gesteld van de voorzitter. De gegevens worden, behoudens aan medewerkers van het productschap, de commissies, genoemd in artikel 10 en desgevraagd aan het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, niet verder bekend gemaakt.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde personen alsmede de (plaatsvervangend) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de in het eerste lid bedoelde commissies zijn gehouden de uit hoofde van hun taak verkregen gegevens vertrouwelijk te behandelen.

  • 3 De voorzitter kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, besluiten tot bekendmaking van getotaliseerde gegevens omtrent groepen van erkende organisaties of organisaties die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend, doch nimmer op zodanige wijze dat daaruit gegevens omtrent een bepaalde organisatie kunnen worden afgeleid.

  • 4 Uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens over organisaties worden aan anderen dan de in het eerste lid genoemde personen en instanties slechts verstrekt voor zover dat in overeenstemming is met de artikelen 8 en 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

11. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001 wordt ingetrokken. Erkenningen die zijn verleend op grond van de Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001 en die nog geldig zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, zijn geldig tot en met uiterlijk 30 september 2011 en worden beheerst door de bepalingen van de Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001.

  • 2 Aanvragen tot erkenning die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog in behandeling zijn, worden aangemerkt als aanvragen tot erkenning als bedoeld in deze verordening.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De verordening wordt aangehaald als: Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010.

  • 2 De verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na haar bekendmaking in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Zoetermeer, 8 december 2010

S.W.A. Lak

voorzitter

S.B.M. Jongerius

secretaris

Bijlage I. Erkenningsvoorwaarden voor organisaties die één of meer stamboeken of registers bijhouden of instellen voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten, of paardachtigen, behorend bij artikel 3, onder a [Vervallen per 01-01-2015]

ALGEMEEN

  • A. Een organisatie die erkend wil worden bezit rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht.

  • B. In de statuten van de organisatie of het huishoudelijk reglement dat in overeenstemming met de statuten is goedgekeurd, is bepaald dat tussen leden of aangeslotenen niet mag worden gediscrimineerd.

  • C. De organisatie toont aan dat zij doeltreffend functioneert.

  • D. De organisatie toont aan dat zij in staat is de controles uit te voeren die voor het bijhouden van de afstamming zijn vereist.

  • E. De organisatie toont aan dat zij voldoende dieren omvat om haar programma tot verbetering van het ras uit te voeren of de instandhouding van het ras te kunnen garanderen, wanneer dat noodzakelijk wordt geacht. In ieder geval toont de organisatie aan dat haar fokkerij- en selectie beleid is gericht op het mijden van inteelt en dat het percentage inteelttoename lager is dan 1% per generatie. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan van dit maximale percentage inteelttoename worden afgeweken.

  • F. De organisatie toont aan dat zij in staat is de gegevens over de zoötechnische prestaties te benutten die voor de uitvoering van het programma tot verbetering of instandhouding van het ras nodig zijn.

  • G. De organisatie heeft voorschriften waarin de kenmerken van het ras of de rassen, inclusief de benaming ervan, zijn omschreven.

  • H. De organisatie heeft voorschriften wat betreft de identificatie en de registratie van de dieren. Deze voorschriften zijn in overeenstemming met de geldende Europese regelgeving en de uitvoeringsvoorschriften daarvan.

  • I. De organisatie heeft voorschriften wat betreft de identificatie en de registratie van de dieren. Deze voorschriften zijn in overeenstemming met de geldende Europese regelgeving en de uitvoeringsvoorschriften daarvan.

  • J. De organisatie heeft in voorschriften de doelstellingen op fokgebied omschreven. Betreft het de instelling van een stamboek voor een nieuw ras, dan omvatten deze voorschriften de gedetailleerde omstandigheden voor het fokken van het nieuwe ras.

  • K. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld wat betreft de methoden voor het gebruikmaken van de gegevens betreffende de zoötechnische prestaties ten behoeve van de beoordeling van de genetische waarden van de dieren.

  • L. De organisatie heeft voorschriften wat betreft de indeling van het stamboek, indien er uiteenlopende voorwaarden voor de inschrijving van de dieren of verschillende wijzen van classificering van de in het stamboek ingeschreven dieren gelden.

  • M. De organisatie verzet zich er niet tegen dat dieren uit Nederland of van herkomst uit een andere lidstaat in haar stamboek worden ingeschreven, indien de dieren voldoen aan de normen van het stamboek.

  • N. Indien de organisatie is gericht op rasverbetering, dan moet de organisatie tevens erkenning vragen en verkrijgen voor het uitvoeren van prestatieonderzoek en het uitvoeren van fokwaardeschatting, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onder ben c. (volgens Bijlage II en III). Dit geldt niet voor een organisatie die alleen is gericht op de instandhouding van het ras.

  • O. De organisatie voldoet aan de voorwaarden die voor de betreffende sector hieronder aanvullend zijn gesteld.

SECTORSPECIFIEK

Runderen en buffels

  • P. De organisatie is een organisatie van verenigde veefokkers of een fokkerijorganisatie.

  • Q. Een organisatie die erkend wil worden voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken voor runderen en buffels, waarborgt dat wat betreft de inschrijving van dieren in een stamboek of register, het volgende wordt nageleefd:

    • -

      het bepaalde in artikel 3, van Richtlijn 2009/157/EG;

    • -

      het bepaalde in Beschikking 84/419/EEG, en

    • -

      het bepaalde in artikel 3 van Richtlijn 87/328/EEG.

  • R. De organisatie waarborgt dat wat betreft de certificaten met afstammingsgegevens die door de organisatie worden afgegeven voor ingeschreven dieren en sperma, eicellen en embryo’s van ingeschreven dieren, het bepaalde in Beschikking 2005/379fEG worden nageleefd.

Varkens

  • S. De organisatie is een organisatie van verenigde veefokkers, een fokkerijorganisatie of een fokkerijgroepering.

  • T. Een organisatie die erkend wil worden voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor varkens, waarborgt dat wat betreft de inschrijving van dieren in een stamboek of register, het volgende wordt nageleefd:

    • -

      het bepaalde in artikel 4, van Richtlijn 88/661/EEG;

    • -

      het bepaalde in Beschikking 89/502/EEG indien het raszuivere varkens betreft en Beschikking 89/504/EEG indien het hybride varkens betreft, en

    • -

      het bepaalde in artikel 2 van Richtlijn 90/118/EEG indien het raszuivere varkens betreft en Richtlijn 90/119/EEG indien het hybride varkens betreft.

  • U. De organisatie waarborgt dat wat betreft de certificaten met afstammingsgegevens die door de organisatie worden afgegeven voor ingeschreven dieren en sperma, eicellen en embryo’s van ingeschreven dieren, het bepaalde in Beschikking 89/503/EG indien het raszuivere varkens betreft en het bepaalde in Beschikking 89/506/EG indien het hybride varkens betreft, worden nageleefd.

  • V. De organisatie is een organisatie van verenigde veefokkers of een fokkerijorganisatie.

  • W. Een organisatie die erkend wil worden voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken voor schapen en geiten, waarborgt dat wat betreft de inschrijving van dieren in een stamboek of register, het volgende wordt nageleefd:

    • -

      het bepaalde in Beschikking 90/255/EEG, en

    • -

      het bepaalde in Beschikking 90/257/EEG.

  • X. De organisatie waarborgt dat wat betreft de certificaten met afstammingsgegevens die door de organisatie worden afgegeven voor ingeschreven dieren en sperma, eicellen en embryo’s van ingeschreven dieren, het bepaalde in Beschikking 90/258/EEG wordt nageleefd.

Paardachtigen

  • Y. De organisatie is een organisatie van verenigde veefokkers of een fokkerijorganisatie.

  • Z. Indien voor een ras reeds een andere organisatie is erkend die het oorspronkelijke stamboek voor het ras bijhoudt, dan neemt de organisatie die erkend wil worden voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor paardachtigen de voorschriften in acht die door de reeds erkende organisatie zijn vastgesteld. Het voorgaande is alleen van toepassing op de voorschriften betreffende:

    • -

      de registratie van de afstamming;

    • -

      de omschrijving van het ras;

    • -

      de indeling van het stamboek en de registers, en

    • -

      de wijze waarop gegevens van de voorouders worden opgevraagd.

  • AA. De organisatie waarborgt dat wat betreft de inschrijving van dieren in een stamboek of register het volgende wordt nageleefd:

    • -

      het bepaalde in artikel 6, van Richtlijn 90/427/EEG;

    • -

      het bepaalde in Beschikking 90/257/EEG, en

    • -

      het bepaalde in Beschikking 96/78/EG

  • BB. De organisatie waarborgt dat wat betreft de registratie van paardachtigen, het bepaalde in Beschikking 96/78/EG wordt nageleefd.

  • CC. De organisatie waarborgt dat wat betreft de certificaten met afstammingsgegevens die door de organisatie worden afgegeven voor sperma, eicellen en embryo’s van ingeschreven dieren, het bepaalde in Beschikking 96/79/EG wordt nageleefd.

Bijlage II. Erkenningsvoorwaarden voor het uitvoeren dan wel reglementeren en uitvoeren van prestatieonderzoek, behorend bij artikel 3, onder b [Vervallen per 01-01-2015]

ALGEMEEN

Runderen en buffels, varkens, schapen en geiten

  • A. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld voor de wijze waarop het prestatieonderzoek wordt verricht, welke waarnemingen daarvoor nodig zijn en de wijze waarop de kwaliteit van de gegevens wordt gegarandeerd. Bij de keuze van dieren (nakomelingen of andere verwante dieren) moet de spreiding zodanig zijn dat een goede vergelijking tussen fokdieren mogelijk is.

  • B. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld voor de wijze waarop de kwaliteit van de gegevens wordt geborgd.

  • C. Het prestatieonderzoek moet gebeuren onder verantwoordelijkheid van de erkende organisatie en moet de prestatie kenmerken omvatten die nodig zijn voor de fokwaardeschatting en het fokdoel. Dit fokdoel is opgesteld door de organisatie die erkend is voor het bijhouden van een stamboek voor het ras.

  • D. Indien van toepassing, voldoet de organisatie aan de desbetreffende voorwaarden van deze bijlage met betrekking tot de kenmerken:

    • -

      exterieuronderzoek;

      vleesproductie;

      melkcontrole;

      voortplanting en gezondheid.

SECTORSPECIFIEK

Runderen en buffels

  • E. Indien de organisatie erkenning aanvraagt voor het uitvoeren van prestatieonderzoek, dan moet de organisatie tevens erkend zijn voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken voor runderen of buffels, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a.. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien het een aanvraag betreft tot erkenning voor de reglementering (en uitvoering) van prestatieonderzoek. Zie daarvoor onderdeel F.

  • F. Indien het een erkenning betreft voor reglementering (en uitvoering) van prestatieonderzoek, dan dient voldaan te zijn aan de voorwaarden van Bijlage I onderdelen A., B., C., P. en R..

  • G. Indien het een erkenning betreft voor reglementering ten uitvoering) van prestatieonderzoek, dan dient bij de vaststelling van de voorschriften voor prestatieonderzoek overeenstemming te zijn met de organisaties die erkend zijn voor het bijhouden van het stamboek voor het betreffende ras (volgens bijlage I) en de organisaties die erkend zijn voor de fokwaardeschatting van dieren van het betreffende ras (volgens bijlage III).

  • H. De organisatie volgt bij het vaststellen van de voorschriften voor het prestatieonderzoek van raszuivere runderen Beschikking 2006/427/EG (houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en van methoden voor de beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokrunderen).

Varkens

  • I. De organisatie heeft een erkenning voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor varkens, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a..

  • J. De organisatie volgt bij het vaststellen van de voorschriften voor prestatieonderzoek van raszuivere en hybride varkens Beschikking 89/507/EG (tot vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en bepaling van de fokwaarde van raszuivere en hybride varkens).

Schapen en geiten

  • K. De organisatie heeft een erkenning voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken af registers voor schapen of geiten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a..

  • L. Een organisatie volgt bij het vaststenen van de voorschriften voor prestatieonderzoek van raszuivere schapen en/of raszuivere geiten Beschikking 90/256/EG (houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokschapen en -geiten).

KENMERKSPECIFIEK

  • M. Indien sprake is van exterieuronderzoek

    De organisatie heeft voorschriften vastgesteld waarin ten minste is bepaald welke gegevens betreffende het exterieuronderzoek worden verzameld, op welke wijze de gegevens verzameld worden en op welke wijze de kwaliteit (betrouwbaarheid) van de gegevens wordt gegarandeerd. In de voorschriften is eveneens bepaald welke minimale eisen zijn gesteld aan de keurmeesters, waarbij in ieder geval is bepaald dat de keurmeesters objectief zijn. Voorts is in de voorschriften in ieder geval bepaald, het aantal keurmeesters, het aantal inspecties per keurmeester en de wijze van bewaking van de kwaliteitinspecties.

  • N. Indien sprake is van vleesproductie

    De organisatie heeft voorschriften vastgesteld waarin ten minste is bepaald op welke wijze de gegevens betreffende het lichaamsgewicht, de leeftijd en eventueel de bevleesdheid en andere karkaskenmerken verzameld worden en op welke wijze de kwaliteit (betrouwbaarheid) van de gegevens wordt gegarandeerd.

  • O. Indien sprake is van melkcontrole

    De organisatie heeft voorschriften vastgesteld waarin ten minste is bepaald op welke wijze de gegevens verzameld worden, hoe de gegevens worden vastgelegd, de eisen die aan de apparatuur worden gesteld, de wijze waarop dit wordt gecontroleerd en de wijze waarop de kwaliteit (betrouwbaarheid) van de gegevens wordt gegarandeerd. De voorschriften bevatten ten minste de resultaten van de kwaliteitscontrole zoals voorgeschreven door ICAR (indien het herkauwers betreft).

  • P. Indien sprake is van voortplanting en gezondheid

    De organisatie heeft voorschriften vastgesteld op welke wijze metingen betreffende voortplanting en gezondheid worden gemeten en op welke wijze de kwaliteit (betrouwbaarheid van de gegevens) wordt gegarandeerd. Mogelijke kenmerken zijn bevruchting (bijvoorbeeld het "non-return"-percentage), de geboorteregistratie en de functionele levensduur (bijvoorbeeld "stayability", leeftijd bij afvoer, periode van productiviteit).

Bijlage III. Erkenningsvoorwaarden voor het uitvoeren dan wel reglementeren en uitvoeren van fokwaardeschatting behorend bij sartikel 3, onder c [Vervallen per 01-01-2015]

ALGEMEEN

Runderen en buffels, varkens, schapen en geiten

  • A. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld voor de wijze waarop de fokwaardeschatting en de publicatie van de geschatte waarden worden verricht en de gegevens die in dat verband nodig zijn.

  • B. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld voor de wijze waarop de kwaliteit van de gegevens wordt geborgd.

  • C. De fokwaardeschatting van een dier moet berekend worden aan de hand van de gegevens over de eigen prestatie en/of gegevens over de prestaties van verwante dieren.

  • D. De statistische methoden die worden gebruikt voor de fokwaardeschatting moeten in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de bevoegde internationale organisaties en moeten garant staan voor een fokwaardeschatting die niet beïnvloed wordt door de belangrijkste milieufactoren of de gegevensstructuur.

  • E. Alle gegevens die zijn verzameld ten behoeve van de fokwaardeschatting van een dier moet beschikbaar worden gesteld aan het productschap.

  • F. De fokwaardeschatting moet gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de erkende organisatie en moet de kenmerken omvatten in overeenstemming met het fokdoel. Dit fokdoel is opgesteld door de organisatie die erkend is voor het bijhouden of instellen van een stamboek voor het ras.

SECTORSPECIFIEK

Runderen en buffels

  • G. Indien de organisatie erkenning aanvraagt voor het (laten) doen van fokwaardeschatting, dan moet de organisatie reeds erkend zijn voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken voor runderen of buffels (Bijlage I) en voor prestatieonderzoek (Bijlage II), als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a. en b. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien het een aanvraag betreft tot erkenning van de reglementering (en uitvoering) van fokwaardeschatting.

  • H. Indien het een aanvraag tot erkenning betreft voor reglementering en uitvoering van fokwaardeschatting dan dient voldaan te zijn aan de voorwaarden van Bijlage I onderdelen A., B., C., P. en R..

  • I. Indien het een aanvraag tot erkenning betreft voor reglementering en uitvoering van fokwaardeschatting, dan dient bij de vaststelling van de voorschriften voor fokwaardeschatting overeenstemming te zijn met de organisaties die erkend zijn voor het bijhouden van het stamboek voor het betreffende ras (volgens bijlage I) en de organisaties die erkend zijn voor het prestatieonderzoek van dieren van het betreffende ras (volgens bijlage II).

  • J. Een organisatie volgt in het vaststellen van de voorschriften ten behoeve van de fokwaardeschatting van raszuivere runderen Beschikking 2006/427/EG (houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en van methoden voor de beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokrunderen).

  • K. Bij de vaststelling van voorschriften voor fokwaardeschatting en publicatie dient afstemming plaats te vinden met de organisatie(s) waarvoor de schatting wordt uitgevoerd en die erkend zijn voor prestatieonderzoek (volgens bijlage II) en voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken (volgens bijlage I).

  • L. De organisatie heeft voorschriften vastgesteld om erfelijke gebreken te monitoren en te publiceren.

  • M. Voor dieren die worden ingezet voor kunstmatige inseminatie (KI) moet een fokwaardeschatting worden uitgevoerd voor in ieder gevat de melkproductie voor dieren van melkrassen en de vleesproductie voor dieren van vleesrassen en de fokwaarden moeten worden gepubliceerd. Andere beschikbare fokwaarden moeten tevens worden gepubliceerd. Deze bepaling geldt niet voor zeldzame rassen.

  • N. Indien het de fokwaardeschatting betreft van KI-stieren voor melkproductiekenmerken geldt dat:

    • -

      in de fokwaardeschatting voor melkproductiekenmerken zowel de melkhoeveelheid en de gehalten (vet- en eiwitpercentages) als alle andere beschikbare en van belang zijnde gegevens over de erfelijke aanleg voor melkproductiekenmerken moeten worden meegenomen;

    • -

      de minimale betrouwbaarheid van de fokwaardeschatting van KI-stieren van de melkrassen 0,5 moet zijn volgens de uitgangspunten van het ICAR hiervoor, waarbij rekening wordt gehouden met alle beschikbare gegevens van verwanten.

Deze bepaling geldt niet voor zeldzame rassen.

Varkens

  • O. De organisatie heeft een erkenning voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken voor varkens (volgens bijlage I), en voor prestatieonderzoek (volgens bijlage III, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a. en b..

  • P. Bij de invulling van de fokwaardeschatting zijn de communautaire voorschriften bepalend. Zodoende dient de fokwaardeschatting in overeenstemming te zijn met Beschikking 89/507/EG (tot vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en bepaling van de fokwaarde van raszuivere en hybride varkens).

Schapen en geiten

  • Q. De organisatie heeft een erkenning voor het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor schapen en geiten (volgens bijlage I), en voor prestatieonderzoek (volgens bijlage II), als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a. en b.

  • R. Een organisatie volgt in het vaststellen van de voorschriften ten behoeve van de fokwaardeschatting van raszuivere schapen en/of geiten Beschikking 90/256/EG (houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokschapen en -geiten).