Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit subsidieprogramma wereldwijd werken met water[Regeling vervallen per 15-07-2015.]

Geldend van 01-01-2014 t/m 14-07-2015

Besluit houdende vaststelling van het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 15-07-2015]

Als subsidieprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat, wordt vastgesteld het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 1a [Vervallen per 15-07-2015]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieprogramma wereldwijd werken met water.

Artikel 2 [Vervallen per 15-07-2015]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 15 juli 2015, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor de vervaldatum zijn verleend.

Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

J.J. Atsma

Bijlage als bedoeld in artikel 1 van het Besluit houdende vaststelling van het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water [Vervallen per 15-07-2015]

Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water [Vervallen per 15-07-2015]

Inhoudsopgave [Vervallen per 15-07-2015]

§ 1. Begripsomschrijvingen

§ 2. Doel en thema’s subsidieprogramma

§ 3. Eisen aan de aanvraag

§ 4. Weigeringsgronden

§ 5. Subsidieplafond

§ 6. Integrale kostensystematiek en geïndexeerd uurtarief

§ 7. Subsidiepercentages

§ 8. Verdeling van de beschikbare gelden deltalanden

§ 9. Verdeling van de beschikbare gelden doellanden en budgetoverheveling

§ 10. Aanwijzing uitvoeringsinstantie

§ 11. Indiening van aanvragen

§ 12. Voorschotverlening

§ 13. Vaststelling van de subsidie

Bijlage A: lijst van deltalanden

Bijlage B: lijst van doellanden

Bijlage C: scoretabel en wegingsfactoren

Bijlage D: aanvraagformulier

§ 1. Begripsomschrijvingen [Vervallen per 15-07-2015]

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

  • deltaland: land dat is opgenomen in bijlage A;

  • doelland: land dat is opgenomen in bijlage B;

  • kaderregeling: Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat;

  • penvoerder: aanvrager die tevens als gemachtigde van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband optreedt;

  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van ondernemingen, onderzoeksinstellingen of non-gouvernementele organisaties uit een lidstaat van de Europese Unie, waarvan ten minste twee deelnemers in Nederland gevestigd zijn, die gezamenlijk een project uitvoeren.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

In bijlage A zijn deltalanden opgenomen. Het gaat om een vijftal landen die, net als Nederland, gelegen zijn in een delta en waarmee Nederland een langdurige samenwerkingsrelatie is aangegaan op het terrein van waterproblematiek. Bijlage B bevat een lijst van doellanden. Het betreft een historisch gegroeide lijst van landen waarin de in Nederland gevestigde watersector reeds langere tijd actief is. De doellanden worden thans beleidsmatig herbeoordeeld. Naar verwachting zal in de loop van 2011 een nieuwe lijst van doellanden worden gepubliceerd.

Een deltaland is altijd ook een doelland. Daarentegen is niet elk doelland een deltaland. Beide definities zijn nodig omdat er twee separate budgetten beschikbaar zijn waarvoor twee rangschikkingen zullen worden gemaakt: één voor deltalanden en één voor doellanden. Waar in dit subsidieprogramma gesproken wordt over doellanden, wordt gedoeld op de doellanden inclusief de deltalanden. Waar gesproken wordt over deltalanden wordt alléén gedoeld op de deltalanden die zijn opgenomen in bijlage A.

Een project waarvoor uit hoofde van dit subsidieprogramma subsidie wordt verstrekt, wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband bestaat uit ondernemingen, onderzoeksinstellingen of non-gouvernementele organisaties uit een lidstaat van de Europese Unie. Gemeenten, provincies en waterschappen worden niet apart genoemd. Zij kunnen niettemin deel uitmaken van een samenwerkingsverband indien de werkzaamheden die zij voor het project verrichten als economische activiteiten moeten worden aangemerkt. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan activiteiten die ook door een adviesbureau of een consultant verricht zouden kunnen worden. Gemeenten, provincies en waterschappen worden dan aangemerkt als ondernemingen.

§ 2. Doel en thema’s subsidieprogramma [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. De staatssecretaris kan subsidie verstrekken voor de uitvoering in een of meer doellanden van:

    • a. een milieu-haalbaarheidsproject als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder q, van de kaderregeling, waarmee een rapport tot stand wordt gebracht inzake de haalbaarheid van een milieu-investeringsproject als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder m, aanhef en onder 1°, van de kaderregeling, gericht op oplossingen voor waterproblematiek in het doelland;

    • b. een pilotproject als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder e, van de kaderregeling, gericht op oplossingen voor waterproblematiek in het doelland, waarbij het betreffende product, procédé of dienst in een proefopstelling wordt gedemonstreerd of gevalideerd;

    • c. een combinatieproject bestaande uit een combinatie van een pilotproject als bedoeld in onderdeel b met een kennisversterkingsproject, gericht op kennisversterking in het doelland van oplossingen voor waterproblematiek in het doelland, welk project geen betrekking heeft op:

      • 1°. de loonkosten van personeel in dienst van de aanvrager uit het doelland;

      • 2°. de loon- en verplaatsingskosten van degenen die de opleiding volgen; of

    • d. een combinatieproject bestaande uit een combinatie van projecten als bedoeld onder a, b of c, waarbij de deelprojecten:

      • 1°. van elkaar zijn te onderscheiden;

      • 2°. een duidelijke inhoudelijke samenhang met elkaar vertonen, dat voldoet aan het bepaalde in het derde lid.

  • 2. De staatssecretaris kan subsidie verstrekken voor de uitvoering in één of meer deltalanden van een combinatieproject als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, dat voldoet aan het bepaalde in het derde lid.

  • 3. De projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben betrekking op een of meer van de volgende thema’s met betrekking tot waterproblematiek:

    • a. klimaat;

    • b. voedsel en ecosystemen;

    • c. drinkwater en sanitatie;

    • d. veiligheid;

    • e. governance.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Artikel 7 van de kaderregeling bepaalt dat de minister op aanvraag subsidie kan verstrekken voor de uitvoering van een project. In het subsidieprogramma zijn drie projectsoorten uit artikel 5 van de kaderregeling opgenomen. Deze projecten dienen in het kader van dit subsidieprogramma gericht te zijn op oplossingen voor waterproblematiek in doellanden. Het betreft experimentele ontwikkelingsprojecten, milieu-haalbaarheidsprojecten en opleidingsprojecten.

Een experimenteel ontwikkelingsproject is in het kader van dit subsidieprogramma afgebakend tot een pilotproject. Dat wil zeggen dat een product, procédé of dienst (tevens) in een proefopstelling dient te worden gedemonstreerd of gevalideerd. Een proefopstelling is altijd kleinschalig in vergelijking met de investering in een eindproduct. Een dergelijke eindinvestering valt uitdrukkelijk niet onder een pilotproject. Wel is het toegestaan dat de proefopstelling, indien die te duur is om uitsluitend voor demonstratie- of validatiedoeleinden te worden gebruikt, na afloop van het project blijft behouden. Eventuele opbrengsten (bijvoorbeeld een verkoopprijs) worden dan in mindering op de subsidiabele kosten gebracht. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt, dat de term experimenteel ontwikkelingsproject uit de kaderregeling geen betrekking heeft op de term ontwikkeling als gebruikt in het begrip ontwikkelingssamenwerking, maar op ontwikkeling in technische, wetenschappelijke of organisatorische zin.

Een milieu-haalbaarheidsproject is een onderzoek naar de haalbaarheid van een milieu-investeringsproject als bedoeld in de kaderregeling. Het is echter niet vereist dat het milieu-investeringsproject ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. In die zin kan het milieu-haalbaarheidsproject op zichzelf staan. Haalbaarheidsprojecten die geen betrekking hebben op milieu-investeringsprojecten vallen niet onder dit subsidieprogramma.

Een opleidingsproject als bedoeld in de kaderregeling is in het kader van dit subsidieprogramma afgebakend tot een kennisversterkingsproject. Het project moet leiden tot kennisversterking van werknemers van of natuurlijke personen betrokken bij relevante partijen in het doelland en gericht zijn op oplossingen voor waterproblematiek. Het accent in een kennisversterkingsproject ligt op het opleiden of trainen om nieuwe technieken of systemen te kunnen hanteren of gedrag aan te passen. Bij een kennisversterkingsproject mag het niet gaan om reguliere gebruiksinstructies of standaard gebruiksaanwijzingen. Deze vormen onvoldoende basis om voor subsidie voor een kennisversterkingsproject in aanmerking te komen. Het moet gaan om benodigde opleidingen of trainingen die noodzakelijk zijn om het betreffende product, procédé of de dienst in de praktijk naar behoren te kunnen hanteren of toepassen of om de daarvoor noodzakelijke gedragsverandering te bewerkstelligen, anders dan door middel van reguliere gebruiksinstructies of standaard gebruiksaanwijzingen. De uitvoering van een kennisversterkingsproject geschiedt door een samenwerkingsverband waar de aanvrager uit het doelland zelf geen deel van uitmaakt. De aanvrager behoeft daarom zelf geen loonkosten voor opleiders of voor begeleiders en adviseurs te maken. Uit een oogpunt van efficiënte afhandeling van de subsidie en het vermijden van mogelijke problemen rond verantwoording en controle van kosten, is besloten om loonkosten van de aanvrager voor deze activiteiten voor alle duidelijkheid geen deel van het project uit te laten maken. Hetzelfde geldt voor de verplaatsingskosten en de loonkosten van degenen die de opleiding volgen. Op deze wijze wordt bereikt dat uitsluitend de kosten van activiteiten die door het samenwerkingsverband worden uitgevoerd deel van het project uitmaken. Opgemerkt zij dat deze kosten een marktconform tarief dienen te vertegenwoordigen.

Een combinatieproject van de genoemde projecten is mogelijk, als de activiteiten van de deelprojecten een duidelijke inhoudelijke samenhang met elkaar vertonen. Bovendien moeten de deelprojecten in de aanvraag van elkaar kunnen worden onderscheiden.

Het is in beginsel mogelijk dat een combinatieproject in meer dan één land tegelijk wordt uitgevoerd. Gelet op de separate budgetten en rangschikkingen voor doellanden en deltalanden moet een onderscheid gemaakt worden naar projecten die voor de ene dan wel de andere rangschikking in aanmerking komen. Uit het eerste lid, aanhef en onderdeel d, volgt dat, om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, een combinatieproject uitgevoerd moet worden in alléén doellanden. Het tweede lid is opgenomen om aan te geven dat een combinatieproject ook betrekking kan hebben op alléén deltalanden. Een combinatieproject dat bijvoorbeeld uitgevoerd wordt in zowel Egypte (een doelland dat ook een deltaland is) als in China (een doelland dat géén deltaland is) kan alleen meedingen in de rangschikking voor doellanden op grond van § 9. Verder moeten de activiteiten van een combinatieproject een duidelijke samenhang met elkaar vertonen om als één project te kunnen worden aangemerkt. Indien dat niet het geval is, dienen aparte aanvragen te worden ingediend.

De voornoemde projecten moeten betrekking hebben op een of meer van de in het derde lid van de onderhavige paragraaf genoemde thema’s met betrekking tot waterproblematiek. Deze thema’s worden beschreven in het Nationaal Water Plan.

§ 3. Eisen aan de aanvraag [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. Een aanvraag voor een milieu-haalbaarheidsproject of een pilotproject kan uitsluitend worden ingediend indien:

    • a. de aanvraag wordt ingediend door de penvoerder die door de overige deelnemers van het samenwerkingsverband bij de aanvraag is gemachtigd als gemachtigde op te treden.

    • b. bij de aanvraag een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers van het samenwerkingsverband wordt overgelegd;

  • 2. Een aanvraag voor een kennisversterkingsproject kan uitsluitend worden ingediend indien:

    • a. de aanvrager in een doelland gevestigd is;

    • b. de aanvrager wordt vertegenwoordigd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • c. bij de aanvraag een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers van het samenwerkingsverband wordt overgelegd;

  • 3. Een aanvraag voor een combinatieproject dat een kennisversterkingsproject als deelproject bevat kan uitsluitend worden ingediend indien:

    • a. sprake is van één samenwerkingsverband;

    • b. de penvoerder tevens de aanvrager van het kennisversterkingsproject vertegenwoordigt;

    • c. ten aanzien van het deelproject voor het overige voldaan wordt aan de voor dat deelproject geldende bepalingen.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Subsidie voor een milieu-haalbaarheidsproject en een pilotproject kan uitsluitend worden aangevraagd door de deelnemers van een samenwerkingsverband. Dit past binnen de doelstelling van het subsidieprogramma om, onder meer, een bundeling van krachten in de watersector te bewerkstelligen. Bij de aanvraag dient een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst te worden overgelegd. Op die manier wordt aan de vereiste samenwerking een solide basis gegeven. Dat vergroot de kans op een succesvolle uitvoering van het project. De deelnemers van het samenwerkingsverband worden ieder voor hun eigen aandeel als aanvrager en, na subsidieverlening, als subsidieontvanger aangemerkt. Zij worden vertegenwoordigd door een van de deelnemers van het samenwerkingsverband, de penvoerder. De penvoerder dient de aanvraag in en voert de correspondentie. Aan hem wordt de subsidie ook uitbetaald. De penvoerder wordt daartoe door de andere deelnemers van het samenwerkingsverband bij de aanvraag gemachtigd. Een penvoerder is als deelnemer van het samenwerkingsverband dus tevens aanvrager en, na verlening van de subsidie, subsidieontvanger. Een eventuele derde-gemachtigde, bijvoorbeeld een subsidieadviseur, is geen deelnemer van het samenwerkingsverband en kan dus ook geen aanvrager en subsidieontvanger zijn.

Subsidie voor een kennisversterkingsproject kan uitsluitend worden aangevraagd door een aanvrager uit het doelland. Dit hangt samen met het feit dat een opleidingsproject uit de kaderregeling is bestemd voor de werknemers van of de natuurlijke personen betrokken bij de aanvrager van de subsidie. Ook het kennisversterkingsproject moet worden uitgevoerd door een samenwerkingsverband. Op deze wijze passen ook kennisversterkingsprojecten binnen het doel van de subsidieregeling om, onder meer, een bundeling van krachten in de watersector te bewerkstelligen. De aanvrager van een kennisversterkingsproject wordt vertegenwoordigd door een van de deelnemers van het samenwerkingsverband. Deze wordt door de aanvrager in het aanvraagformulier gemachtigd de subsidie aan te vragen, de correspondentie te voeren en de uitbetaling van de subsidie te ontvangen.

In geval van een combinatieproject waarvan een kennisversterkingsproject deelproject is, mag er maar één samenwerkingsverband zijn en is de penvoerder tevens degene die de aanvrager van het kennisversterkingsproject vertegenwoordigt. Dit is zo bepaald omdat de deelprojecten van een combinatieproject altijd een duidelijke inhoudelijke samenhang met elkaar moeten vertonen.

Met nadruk wordt vermeld dat een aanvraag voor een combinatieproject of een project dat in meer dan één doelland wordt uitgevoerd als een samenhangend geheel wordt beoordeeld en niet gedeeltelijk zal worden gehonoreerd, bijvoorbeeld voor één deelproject.

§ 4. Weigeringsgronden [Vervallen per 15-07-2015]

Een aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien:

  • a. het onvoldoende aannemelijk is dat de continuïteit van het samenwerkingsverband voor de korte of middellange termijn voldoende is gewaarborgd;

  • b. de subsidie na beoordeling van de aanvraag minder zou bedragen dan € 25.000,–;

  • c. de subsidiabele kosten van een pilotproject in totaal meer dan € 600.000,– bedragen;

  • d. de subsidiabele kosten van een milieu-haalbaarheidsproject in totaal meer dan € 150.000,– bedragen;

  • e. de subsidiabele kosten van een kennisversterkingsproject in totaal meer dan € 250.000,–bedragen;

  • f. de subsidiabele kosten van een combinatieproject in totaal meer bedragen dan de subsidiabele kosten die ten hoogste zijn toegestaan voor het deelproject met de hoogst toegestane subsidiabele kosten;

  • g. het onvoldoende aannemelijk is dat een project uiterlijk 31 december 2015 kan worden voltooid;

  • h. het onvoldoende aannemelijk is dat het project is voortgekomen uit een duidelijke behoefte in het doelland;

  • i. in het kader van een project geen gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare of gangbare technieken om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

  • j. een aanvrager die een grote onderneming is bij de aanvraag niet schriftelijk aantoont dat de subsidie leidt tot:

    • een wezenlijke toename van de omvang of reikwijdte van het project of de activiteit, of

    • een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de aanvrager voor het project of de activiteit, of

    • een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt ontplooid;

  • k. de aanvraag op één of meer van de rangschikkingscriteria, genoemd in paragraaf 8, tweede lid, minder dan twee punten behaalt of de beoordeling van de aanvraag, na toepassing van de wegingsfactoren als vermeld in de tabel opgenomen in bijlage C, leidt tot een lagere uitkomst dan 65 punten.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

In deze paragraaf zijn de afwijzingsgronden omschreven die niet reeds in de kaderregeling of de Algemene wet bestuursrecht worden genoemd.

De afwijzingsgrond genoemd onder a heeft betrekking op de continuïteit van het samenwerkingsverband. Gelet op het doel van het subsidieprogramma om, onder meer, een bundeling van krachten in de watersector te bewerkstelligen, moet de continuïteit van het samenwerkingsverband op de korte of middellange termijn voldoende gewaarborgd zijn. Uit de aanvraag moet derhalve naar voren komen dat de samenwerking in het samenwerkingsverband meer betekent dan alleen een samenwerking ad hoc voor de uitvoering van het subsidieproject. De samenwerking in het kader van het project dient gevolgd te worden door een zekere en bestendige vorm van verdere samenwerking na het project.

De afwijzingsgrond genoemd onder b, dat de subsidie niet minder dan € 25.000,– bedraagt, is opgenomen omdat projecten een zekere minimale omvang moeten hebben om een bijdrage van betekenis te kunnen leveren aan de doelstellingen van het subsidieprogramma. Niet het aangevraagde subsidiebedrag is bepalend, maar het subsidiebedrag dat na beoordeling van de aanvraag door de uitvoeringsinstantie wordt berekend.

De afwijzingsgronden onder c t/m f hebben betrekking op de maximale omvang van de projecten die voor subsidie in aanmerking komen, uitgedrukt in subsidiabele kosten. De keuze hiervoor is gemaakt, omdat wordt beoogd het uitvoeren van projecten van relatief beperkte omvang te stimuleren. Met deze projecten kan bij succesvolle uitvoering een basis worden gelegd voor het doen van investeringen in andere, eventueel ook grotere projecten. Deze grotere investeringen zijn niet het onderwerp van dit subsidieprogramma. Gelet op de toepasselijke bepalingen van de kaderregeling omtrent subsidiabele kosten (artikelen 11, 12 en 17) zullen de subsidiabele kosten in de meeste gevallen de reële kosten van een project omvatten. De mogelijk niet voor subsidie in aanmerking komende projectkosten, indien al aanwezig, zullen naar verwachting dan ook beperkt zijn. Uiteraard geldt daarbij wel dat de kosten rechtstreeks aan de uitvoering van het project toegerekend moeten kunnen worden om subsidiabel te zijn. Voor alle duidelijkheid bepaalt artikel 24 van de kaderregeling dat winstopslagen bij transacties binnen een groep, financieringskosten en rentevergoedingen, de kosten tot verwerving van de subsidie en de BTW – als deze kan worden verrekend – niet tot de subsidiabele kosten behoren. Met nadruk wordt er op gewezen dat projecten die worden ingediend met hogere subsidiabele kosten dan de genoemde maximale bedragen zullen worden afgewezen, ook als de overschrijding gering is. Hiervoor zal na sluiting van de tender geen herstelmogelijkheid worden geboden. Het is voor aanvragers dus zaak om het project zodanig in te richten, dat deze maximale bedragen niet worden overschreden. Daarbij moet het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd een zelfstandig en afgerond geheel zijn. Het aanvragen van subsidie voor een deel van een groter project wordt derhalve niet gehonoreerd, tenzij het deel waarvoor subsidie wordt gevraagd als een zelfstandig en afgerond geheel kan worden aangemerkt. Dit zal door de uitvoeringsinstantie worden beoordeeld.

De afwijzingsgrond onder f betekent dat voor een combinatieproject de subsidiabele kosten van het project in totaal niet meer mogen bedragen dan de subsidiabele kosten die zijn toegestaan voor het deelproject met de hoogst toegestane subsidiabele kosten. Voorbeeld: de subsidiabele kosten van een combinatieproject met als deelprojecten pilotproject en kennisversterkingsproject bedragen maximaal € 600.000,–, zijnde de maximale subsidiabele kosten van een pilotproject. Een stapeling boven dit maximum is derhalve niet mogelijk.

Op grond van de afwijzingsgrond genoemd onder g moet het ten tijde van de aanvraag aannemelijk zijn dat het project binnen twee jaar na de subsidieverlening kan worden afgerond. Deze termijn past bij het soort projecten waarvoor subsidie kan worden verleend. Het gaat hier om een uiterste termijn.

De afwijzingsgrond genoemd onder h heeft betrekking op de vraaggestuurdheid van het project. Als onvoldoende aannemelijk is dat het project is voortgekomen uit een duidelijke behoefte uit het doelland, wordt de aanvraag afgewezen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat aanvragers een project uitvoeren ter positionering van hun eigen producten, technieken of diensten, zonder zich daarbij uitdrukkelijk te laten leiden door de behoefte in het doelland.

De afwijzingsgrond genoemd onder i houdt verband met minimale milieu-eisen waar een project aan moet voldoen. In een project moet gebruik gemaakt worden van de best beschikbare of gangbare technieken om milieuschade te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een aanvraag wordt geacht hier in elk geval niet aan te voldoen, als gehandeld wordt in strijd met op het project van toepassing zijnde milieuwetgeving.

De afwijzingsgrond opgenomen onder j houdt verband met eisen die in de kaderregeling aan een grote onderneming worden gesteld op grond van het van toepassing zijnde Europese staatssteunkader. Er moet een stimulerend effect zijn vastgesteld voordat de subsidie aan een grote onderneming toelaatbaar wordt geacht. Beschreven wordt hoe dit stimulerend effect door de onderneming zelf moet worden aangetoond.

De afwijzingsgrond genoemd onder k heeft betrekking op de inhoudelijke eisen die aan projecten worden gesteld. In paragraaf 8, tweede lid, zijn de rangschikkingscriteria voor aanvragen voor projecten in doellanden opgenomen. Deze criteria zijn op grond van paragraaf 9, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor projecten in deltalanden. Om tot een rangschikking te worden toegelaten, moet de beoordeling leiden tot ten minste het resultaat zoals onder k beschreven, anders wordt de aanvraag afgewezen. Zie hiervoor ook de tabel opgenomen in bijlage C. Daarmee wordt voorkomen dat projecten van onvoldoende kwaliteit, die voor het overige aan de eisen en voorwaarden voldoen, toch moeten worden gerangschikt.

In artikel 34 van de kaderregeling zijn een aantal algemene afwijzingsgronden opgenomen. Een aanvraag wordt afgewezen als die niet voldoet aan het bepaalde in de kaderregeling of dit subsidieprogramma. Zo zal een aanvraag die niet past binnen de doelstelling van het subsidieprogramma worden afgewezen. Voorts wordt een aanvraag afgewezen, indien de staatssecretaris aanwijzingen heeft dat de aanvrager het project onvoldoende kan financieren. Voor de beoordeling van de haalbaarheid van de financiering wordt gekeken naar de eigen middelen die de aanvrager kan inzetten en naar de middelen waarvan de aanvrager aantoont dat derden die ter beschikking zullen stellen. Daarnaast wordt het bedrag van de aangevraagde subsidie meegenomen in de beoordeling. Voorts wordt de subsidie geweigerd indien de staatssecretaris aanwijzingen heeft dat de technische, organisatorische of economische haalbaarheid van het project onvoldoende is. Ook mogen de werkzaamheden van het project niet zijn begonnen vóór het indienen van de subsidieaanvraag. Voor die tijd mogen ook nog geen verplichtingen ten behoeve van het project zijn aangegaan. Wel mag voor die tijd ter voorbereiding van de aanvraag het samenwerkingsverband worden opgericht. Indien er een bevel tot terugvordering van de Europese Commissie bestaat ten aanzien van aan een onderneming verstrekte staatssteun, mag aan die onderneming geen subsidie worden verstrekt. Tot slot bepaalt artikel 34 van de kaderregeling dat geen subsidie mag worden verstrekt aan een onderneming in moeilijkheden in de zin van de toepasselijke Europese richtsnoeren of verordening.

Daarnaast zijn de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zo wordt de subsidie geweigerd indien er reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet zullen plaatsvinden, dat niet aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan, dat niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd, en bij onjuiste of onvolledige gegevensverstrekking indien dat geleid zou hebben tot een onjuiste beschikking, in geval van faillissement, surseance van betaling, of indien daartoe een verzoek is ingediend.

Tot slot wordt gewezen op de samenloopbepaling van artikel 6 van de kaderregeling in geval van andere subsidie(s) voor het project. Uit hoofde van dit subsidieprogramma wordt slechts subsidie verstrekt, indien en voor zover met de totale subsidie voor het project de maximum subsidie die op basis van dit subsidieprogramma kan worden verstrekt niet wordt overschreden. Dit houdt verband met het feit dat de totale subsidie voor een project de in de Europese staatssteunkaders opgenomen steunplafonds niet mag overschrijden. Hiermee komt tevens het additionele karakter van de financiering door middel van het subsidieprogramma tot uiting.

§ 5. Subsidieplafond [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. Het subsidieplafond voor 2014 bedraagt € 2.000.000,–.

  • 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, is beschikbaar voor aanvragen die met ingang van het van kracht worden van het subsidieplafond voor 2014 tot 25 februari 2014 worden ontvangen.

  • 3. Van het bedrag, genoemd in het eerste lid, is € 1.000.000,– beschikbaar voor aanvragen met betrekking tot projecten die worden uitgevoerd in deltalanden en € 1.000.000,– voor aanvragen met betrekking tot projecten die worden uitgevoerd in doellanden.

§ 6. Integrale kostensystematiek en geïndexeerd uurtarief [Vervallen per 15-07-2015]

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Artikel 12, tweede lid, van de kaderregeling maakt het mogelijk dat in een subsidieprogramma kan worden bepaald dat de aanvrager de loonkosten mag berekenen op basis van een integrale kostensystematiek. Die mogelijkheid wordt hier geboden. Het derde en vierde lid van artikel 12 van de kaderregeling geven hieromtrent nadere voorschriften. Voor een toelichting op de integrale kostensystematiek wordt verwezen naar de toelichting op artikel 12 van de kaderregeling. Hier wordt slechts vermeld dat aanvragers niet verplicht zijn om gebruik te maken van de integrale kostensystematiek. Voorts wordt dit gebruik alleen toegestaan, als deze wijze van kostenberekening door de betreffende aanvrager gewoonlijk wordt gehanteerd. Het is derhalve niet toegestaan om alleen voor het subsidieproject de integrale kostensystematiek te hanteren.

Het uurtarief als genoemd in het tweede lid wordt gehanteerd indien de aanvrager bij toepassing van artikel 12, tweede lid, van de kaderregeling geen integraal uurtarief hanteert. Dit uurtarief geldt ook wanneer, zonder toepassing van de integrale kostensystematiek, geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid voor het project wordt verricht. Dit is het geval als een zelfstandig ondernemer die geen loon ontvangt arbeid voor het project verricht.

§ 7. Subsidiepercentages [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. De subsidie voor een milieu-haalbaarheidsproject bedraagt:

    • a. voor een onderzoeksinstelling of een non-gouvernementele organisatie 80 procent van de subsidiabele kosten, indien de activiteiten die zij verricht geen economische activiteiten vormen;

    • b. voor een kleine onderneming 70 procent van de subsidiabele kosten;

    • c. voor een middelgrote onderneming 60 procent van de subsidiabele kosten;

    • d. voor een grote onderneming 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie voor een pilotproject bedraagt:

    • a. voor een onderzoeksinstelling of een non-gouvernementele organisatie 80 procent van de subsidiabele kosten, indien de activiteiten die zij verricht geen economische activiteiten vormen;

    • b. voor een kleine onderneming 45 procent van de subsidiabele kosten;

    • c. voor een middelgrote onderneming 35 procent van de subsidiabele kosten;

    • d. voor een grote onderneming 25 procent van de subsidiabele kosten.

  • 3. De percentages genoemd in het tweede lid, onder b, c en d, worden met 15 procentpunten verhoogd, indien aan het bepaalde in artikel 8, derde lid, onder c, van de kaderregeling wordt voldaan.

  • 4. De subsidie voor een kennisversterkingsproject bedraagt:

    • a. voor een aanvrager 80 procent van de subsidiabele kosten, indien de activiteiten die hij verricht geen economische activiteiten vormen;

    • b. voor een onderneming 60 procent van de subsidiabele kosten.

  • 5. De subsidie voor een milieu-haalbaarheidsproject en een pilotproject wordt per deelnemer van het samenwerkingsverband afzonderlijk berekend.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

In deze paragraaf zijn de subsidiepercentages vastgelegd. Voor activiteiten van onderzoeksinstellingen en non-gouvernementele organisaties die geen economische activiteiten vormen, maakt de kaderregeling hogere subsidiepercentages mogelijk dan voor ondernemingen. Dat houdt verband met het feit dat subsidie aan ondernemingen staatssteun vormt en de subsidiepercentages op basis van Europese steunkaders aan maxima zijn gebonden. Deze maxima voor de verschillende projectsoorten zijn vastgelegd in de kaderregeling, waar het subsidieprogramma onder valt. Voor onderzoeksinstellingen en non-gouvernementele organisaties die geen economische activiteiten uitvoeren, gelden deze maxima niet. Het subsidiepercentage voor deze aanvragers is bepaald op 80 procent voor alle projectcategorieën. De activiteiten die worden uitgevoerd door gemeenten, provincies of waterschappen zijn alleen subsidiabel voor zover het economische activiteiten betreft. Zie in dit verband de toelichting op paragraaf 1. Voor deze activiteiten gelden de subsidiepercentages die voor ondernemingen gelden.

Op grond van artikel 1 van de kaderregeling is een onderneming elke eenheid, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, die een economische activiteit uitoefent. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Opgemerkt zij, dat deze begrippen op grond van Europees recht niet beperkt mogen worden uitgelegd. Als vuistregel kan worden aangehouden dat de activiteiten van onderzoeksinstellingen en non-gouvernementele organisaties die tot hun kerntaken behoren, geen economische activiteiten vormen. Indien deze instellingen of organisaties tevens economische activiteiten uitvoeren, dient er sprake te zijn van een gescheiden boekhouding tussen de economische en niet economische activiteiten en dient alle winst opnieuw te worden geïnvesteerd in de kerntaken. Wanneer hier niet aan wordt voldaan, worden zij als onderneming aangemerkt.

De basis subsidiepercentages voor een pilotproject zijn voor ondernemingen: 25 procent voor een grote onderneming, 35 procent voor een middelgrote onderneming en 45 procent voor een kleine onderneming. Deze percentages worden echter met 15 procentpunten verhoogd, derhalve tot 40, 50 en 60 procent, op grond van artikel 8, derde lid, onder c, van de kaderregeling, wanneer ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. er sprake is van een samenwerkingsverband tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen, waarbij geen van de ondernemingen meer dan 70 procent van de subsidiabele kosten van het project draagt, en,

    • er ten minste één kleine of middelgrote onderneming als partner bij het project betrokken is, of,

    • de samenwerking wordt in ten minste twee verschillende lidstaten van de Europese Unie uitgevoerd;

  • b. er sprake is van een samenwerkingsverband tussen een onderneming en een onderzoeksinstelling in het kader van coördinatie van nationaal beleid op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, waarbij:

    • de onderzoeksinstelling ten minste 10 procent van de subsidiabele kosten van het project draagt, en

    • de onderzoeksinstelling het recht heeft de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren, voor zover deze afkomstig zijn van het project.

Gelet op het feit dat er bij een pilotproject in alle gevallen sprake dient te zijn van uitvoering van een project door een samenwerkingsverband, is het de verwachting dat deze verhoging in vrijwel alle gevallen kan worden toegepast. Aanvragers kunnen hier bij de opzet van hun project ook rekening mee houden. De verhoging kan reeds worden toegepast als ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen deelnemers van het samenwerkingsverband zijn, waarvan ten minste één kleine of middelgrote onderneming, en geen van de ondernemingen van het samenwerkingsverband meer dan 70 procent van de subsidiabele kosten van het project draagt.

Voor de begrippen kleine en middelgrote onderneming wordt in artikel 1 van de kaderregeling aansluiting gezocht bij de daar genoemde verordening van de Europese Commissie. Een grote onderneming is dan een onderneming die geen kleine of middelgrote onderneming is. Op www.partnersvoorwater.nl is als hulpmiddel een stroomdiagram beschikbaar, waarmee kan worden bepaald hoe een onderneming in dit verband dient te worden gekwalificeerd. Aan dit hulpmiddel kunnen echter geen rechten worden ontleend. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een onderneming om na te gaan of zij als een kleine, middelgrote of grote onderneming moet worden aangemerkt. Dit zal zo nodig door de uitvoeringsorganisatie worden getoetst.

§ 8. Verdeling van de beschikbare gelden deltalanden [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. De verdeling van de voor projecten in deltalanden beschikbare gelden vindt plaats in volgorde van rangschikking van de aanvragen voor projecten in deltalanden die in behandeling zijn genomen en niet zijn afgewezen, te beginnen met het hoogst gerangschikte project.

  • 2. De rangschikking geschiedt op basis van de volgende criteria:

    • a. de mate waarin het project en de resultaten daarvan bijdragen aan mogelijkheden tot opschaling van de gedemonstreerde of gevalideerde of onderzochte oplossing voor waterproblematiek in de periode na voltooiing van het project;

    • b. De mate waarin het project bijdraagt aan duurzame bundeling van krachten van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen uit de watersector;

    • c. De mate waarin het project de unieke kwaliteiten op het gebied van water van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit;

    • d. De mate waarin het project bijdraagt aan oplossingen voor de wereldwaterproblematiek;

    • e. De kwaliteit van de aanvraag ten aanzien het activiteitenplan, inclusief de begroting en de toelichting daarop.

  • 3. Aan de rangschikkingscriteria, genoemd in het tweede lid, wordt elk maximaal 5 punten toegekend, waarop de wegingsfactoren worden toegepast als vermeld in de tabel opgenomen in bijlage C bij dit subsidieprogramma, wat leidt tot een totaal aantal punten van maximaal 100.

  • 4. Indien twee of meer aanvragen voor projecten in deltalanden op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen en deze plaats samenvalt met het op grond van §5, vierde lid, voor die projecten beschikbare deel van het subsidieplafond, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

  • 5. Indien het bedrag dat in een periode beschikbaar is voor aanvragen in deltalanden niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het in die periode beschikbare bedrag voor aanvragen in doellanden.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Dit subsidieprogramma kent, zoals in paragraaf 5, onderdeel 4 bepaald, aparte budgetten en aparte rangschikkingen voor deltalanden en doellanden. De rangschikking van aanvragen voor projecten in deltalanden vindt plaats vóór afwikkeling van de rangschikking van aanvragen voor projecten in doellanden. Op deze wijze kunnen aanvragen voor subsidie voor projecten in deltalanden die vanwege hun plaats in de rangschikking en budgetuitputting op grond van deze paragraaf niet in aanmerking komen voor subsidie, meegenomen worden in de rangschikking op grond van paragraaf 9. Deltalanden zijn immers, gelet op de begripsomschrijving, óók doellanden.

De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op basis van het tendersysteem. Dit betekent dat de aanvragen met elkaar worden vergeleken en worden gerangschikt op basis van de criteria genoemd in het tweede lid. Om tot de rangschikking te worden toegelaten, moeten aanvragen in behandeling zijn genomen en niet zijn afgewezen (zie de afwijzingsgronden genoemd in paragraaf 4). Eén van de afwijzingsgronden is, dat aanvragen ten minste 65 punten moeten behalen op de in het tweede lid genoemde criteria om tot de rangschikking te worden toegelaten. Indien dat niet het geval is, wordt een aanvraag afgewezen (zie paragraaf 4, onder k en de toelichting op dit onderdeel).

De rangschikkingscriteria opgenomen in het tweede lid sluiten aan bij de doelen van het subsidieprogramma: duurzame bundeling van krachten in de watersector, versterking van de internationale positie van de watersector en bijdragen aan oplossingen voor de wereldwaterproblematiek.

Onder a: met de mate waarin het project of de resultaten daarvan bijdragen aan mogelijkheden tot opschaling wordt bedoeld, dat de aanvrager aannemelijk maakt dat de aanpak of technologie van het project op grotere schaal toegepast gaat worden of repliceerbaar is, of dat er een reële mogelijkheid bestaat voor het implementeren van de resultaten of aanbevelingen van de uitgevoerde studie. Dit criterium is in meer of mindere mate van belang voor alle drie genoemde doelen van het subsidieprogramma. Het is daarom als cruciaal criterium apart opgenomen. De subsidie fungeert hiermee in feite als aanjager voor implementatie van de betreffende technologie of methodologie.

Onder b: met de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame bundeling van krachten van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen uit de watersector, wordt gedoeld op een blijvende samenwerking tussen de in het project samenwerkende partijen. Het dient in de aanvraag aannemelijk te worden gemaakt dat de samenwerking tussen deze partijen na afloop van het project zal worden bestendigd, met name in het implementeren van de gedemonstreerde, gevalideerde of onderzochte aanpak of technologie.

Onder c: met de mate waarin het project de unieke kwaliteiten op het gebied van water van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit, wordt gedoeld op de ontsluiting van innovatieve of vernieuwende kennis, technologieën of methodologieën voor het oplossen van waterproblematiek. Dit criterium past in een subdoel van het programma Partners voor Water inzake het delen van kennis en kunde op het gebied van water met landen die daaraan behoefte hebben.

Onder d: bij de mate waarin het project bijdraagt aan oplossingen voor de internationale waterproblematiek dient aannemelijk te worden gemaakt dat het project bijdraagt aan het oplossen van een waterprobleem relevant voor het doelland of de regio van het doelland waar het project wordt uitgevoerd. Voorts heeft de Nederlandse overheid zich ten doel gesteld om met behulp van haar internationale waterbeleid bij te dragen aan de VN Millennium Development Goals. Omdat het subsidieprogramma een instrument is van dat internationale waterbeleid wordt het project mede beoordeeld op haar bijdrage aan de VN Millennium Development Goals, uiteraard indien en voor zover deze relevant zijn voor het betreffende project. De Millenium Development Goals worden omschreven op de website www.un.org/millenniumgoals

Onder e: de aanvragen worden eveneens beoordeeld op de kwaliteit van het activiteitenplan inclusief de begroting en de toelichting daarop. Dit wordt als volgt nader toegelicht:

  • zijn het activiteitenplan en de begroting en de toelichting daarop eenduidig, helder en ter zake doende geformuleerd;

  • onder welke meetbare of observeerbare voorwaarden of vormen kan het project als geslaagd, of ten minste als afgerond worden beschouwd;

  • is duidelijk wie de verschillende activiteiten uitvoert en wie daarvoor verantwoordelijk is;

  • is het project vanuit technisch, organisatorisch en economisch of financieel oogpunt bezien haalbaar;

  • is er een duidelijke en adequate planning.

Na toepassing van de wegingsfactoren vermeld in de tabel opgenomen in bijlage C kan voor de rangschikkingscriteria een puntentotaal van maximaal 100 punten worden behaald.

Het vierde lid bepaalt dat wanneer meerdere aanvragen na rangschikking op dezelfde plaats terechtkomen en tussen die aanvragen een keuze moeten worden gemaakt vanwege het bereiken van het voor deltalanden beschikbare subsidieplafond, loting de definitieve rangschikking zal bepalen.

Wanneer het budget dat beschikbaar is ten behoeve van deltalanden niet volledig wordt benut, gaat het resterende bedrag over naar het in die periode voor doellanden beschikbare budget.

§ 9. Verdeling van de beschikbare gelden doellanden en budgetoverheveling [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. De verdeling van de voor projecten in doellanden beschikbare gelden vindt plaats in volgorde van rangschikking van de aanvragen voor projecten in doellanden die in behandeling zijn genomen, niet zijn afgewezen en voor zover ze waren opgenomen in de rangschikking op grond van §8 niet zijn gehonoreerd, te beginnen met het hoogst gerangschikte project.

  • 2. § 8, tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de rangschikking van aanvragen voor projecten in doellanden.

  • 3. § 8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de toekenning van punten aan aanvragen voor projecten in doellanden.

  • 4. Indien twee of meer aanvragen voor projecten in doellanden op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen en deze plaats samenvalt met het op grond van § 5, vierde lid en § 8, vijfde lid, voor die projecten beschikbare deel van het subsidieplafond, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

  • 5. Indien het bedrag beschikbaar voor aanvragen voor projecten in doellanden in de eerste in § 5, derde lid, genoemde periode niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor de aanvragen voor projecten in deltalanden die in de tweede in § 5, derde lid, genoemde periode worden ontvangen.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Dit artikel komt grotendeels overeen met het bepaalde in paragraaf 8, maar dan toegespitst op aanvragen voor projecten in doellanden. De rangschikking van aanvragen voor projecten in doellanden vindt plaats na afwikkeling van de rangschikking van aanvragen voor projecten in deltalanden. Aanvragen voor projecten in deltalanden, die door hun plaats in de rangschikking en het beschikbare budget op grond van § 8 worden toegekend, worden niet opgenomen in de rangschikking voor projecten in doellanden. Omgekeerd worden de niet toegekende aanvragen voor projecten in deltalanden die wel in de rangschikking op grond van § 8 waren opgenomen maar door uitputting van de gelden niet gehonoreerd werden, opgenomen in de rangschikking van aanvragen voor projecten in doellanden.

Rangschikking en het toekennen van punten vindt overeenkomstig het gestelde in paragraaf 8 plaats. Ook in dit artikel is een bepaling over loting opgenomen, met dien verstande dat voor het subsidieplafond niet alleen gekeken wordt naar het separaat voor doellanden beschikbare subsidieplafond, maar ook naar eventueel van de rangschikking voor deltalanden resterende overgehevelde middelen. Mocht na verdeling van de gelden voor doellanden het budget nog steeds niet zijn uitgeput, dan wordt het uit de eerste periode overgebleven bedrag toegevoegd aan het voor de tweede periode beschikbare bedrag voor aanvragen voor projecten in deltalanden.

§ 10. Aanwijzing uitvoeringsinstantie [Vervallen per 15-07-2015]

Als uitvoeringsinstantie als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel l, van de kaderregeling wordt aangewezen Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Het subsidieprogramma wordt namens de staatssecretaris uitgevoerd door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, divisie NL EVD Internationaal, unit Partners voor Water.

§ 11. Indiening van aanvragen [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. Een aanvraag wordt gericht aan de staatssecretaris en ingediend bij de aangewezen uitvoeringsinstantie met gebruikmaking van een volledig ingevuld aanvraagformulier als bedoeld in bijlage D bij dit subsidieprogramma en gaat vergezeld van de daarin genoemde bescheiden.

  • 2. Een aanvraag dient, om in behandeling te worden genomen, ingediend te worden en door de uitvoeringsorganisatie ontvangen te zijn in:

    Een aanvraag dient, om in behandeling worden genomen, ingediend te worden en door de uitvoeringsorganisatie ontvangen te zijn binnen de in § 5, tweede lid, genoemde periode, de laatste dag eindigend om 16:30 uur.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Een aanvraag voor de eerste periode kan, ingevolge § 5, tweede lid, worden ingediend vanaf de inwerkingtreding van het subsidieprogramma en moet uiterlijk op 28 april 2010 om 16.30 uur bij de uitvoeringsinstantie zijn ontvangen. Voor de tweede periode kan, ingevolge § 5, tweede lid, een aanvraag worden ingediend vanaf 1 juli 2011 en deze moet uiterlijk op 15 september 2011 om 16.30 uur zijn ontvangen. Bij het vaststellen van het subsidieplafond kan jaarlijks de eerste en tweede periode waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend, worden vastgesteld. Aanvragen die te laat worden ontvangen, worden niet in behandeling genomen. Hieraan wordt strikt de hand gehouden, ook voor wat betreft het tijdstip van 16.30 uur. Dit houdt verband met het tenderkarakter van het subsidieprogramma, waarbij alle aanvragers gelijke kansen moeten hebben.

Een aanvraag zal pas in behandeling worden genomen als deze voldoet aan alle formele vereisten en voldoende gegevens bevat om de aanvraag te kunnen beoordelen. Daartoe moeten alle in het aanvraagformulier gevraagde gegevens zijn verstrekt en alle gevraagde bijlagen bij de aanvraag zijn gevoegd. In geval van een incomplete aanvraag zal uit hoofde van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht slechts eenmalig een termijn van zeven kalenderdagen worden gegund om de aanvraag aan te vullen. Is de aanvraag daarna nog steeds incompleet, dan zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen. Een per telefax of e-mail ingediende aanvraag geldt altijd als een incomplete aanvraag omdat een originele handtekening ontbreekt, ook al is de aanvraag voor het overige misschien compleet. Met het indienen van een aanvraag per telefax of per e-mail kan derhalve alleen worden bereikt dat een aanvraag, zij het incompleet, nog op tijd door de uitvoeringsinstantie wordt ontvangen. De ongestoorde en tijdige ontvangst van een per telefax of e-mail ingediende aanvraag kan echter niet worden gegarandeerd en komt voor rekening en risico van de aanvrager.

Voor de eerste tender kan een aanvraag worden ingediend vanaf de inwerkingtreding van het subsidieprogramma. Voor de tweede tender is dat vanaf 1 juli 2011. Dit houdt verband met de wens alleen actuele projecten in aanmerking te nemen, in het bijzonder op het punt van planning en kosten. Te vroeg ontvangen aanvragen zullen niet in behandeling worden genomen en worden geretourneerd. Volledigheidshalve wordt vermeld dat een aanvraag voor de eerste periode die te laat wordt ontvangen of die niet of te laat wordt aangevuld en daarom buiten behandeling wordt gelaten, opnieuw moet worden ingediend om met de tweede periode mee te kunnen doen. Dit geldt uiteraard ook voor de aanvragen die op inhoudelijke gronden of wegens overschrijding van het subsidieplafond worden afgewezen.

Voorafgaand aan de aanvraag bestaat de mogelijkheid om het voorgenomen project aan de uitvoeringsinstantie voor te leggen. Dit voorgenomen project wordt door de uitvoeringsinstantie met de aanvrager besproken op kansen en tekortkomingen. Op die manier kan beter voorbereid een aanvraag worden ingediend en kan worden voorkomen dat tijd en energie in weinig kansrijke aanvragen wordt gestoken. Overigens kan aan een positieve grondhouding van de uitvoeringsorganisatie tegenover het voorgenomen project geen recht op subsidie worden ontleend. Omgekeerd betekent een negatieve grondhouding niet dat een ingediende aanvraag zal worden afgewezen. De uiteindelijk ingediende aanvraag zal op zijn eigen merites worden beoordeeld. Het is niet verplicht om een voorgenomen project aan de uitvoeringsorganisatie voor te leggen, maar dat wordt wel sterk aanbevolen. Om het voorgenomen project op een gestructureerde wijze aan de uitvoeringsorganisatie voor te leggen, is hiervoor een zogenaamd ‘projectideeformulier’ beschikbaar op www.partnersvoorwater.nl

De gegevens van de aangewezen uitvoeringsinstantie zijn:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Divisie NL EVD Internationaal

Unit Partners voor Water

Postbus 20105

2500 EC Den Haag

Poststukken kunnen ingeleverd worden op het volgende adres:

Prinses Beatrixlaan 2

2595 AL Den Haag

Telefoon: 088-6028058

Telefax: 070-3043737

Website: www.partnersvoorwater.nl

E-mail: info@partnersvoorwater.nl

§ 12. Voorschotverlening [Vervallen per 15-07-2015]

Een voorschot bedraagt ten hoogste 90 procent van de maximale hoogte van de subsidie.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Voorschotverlening wordt geregeld in artikel 44 van de kaderregeling. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel is de maximale hoogte van een voorschot, normaal gesproken 80 procent, in dit subsidieprogramma vastgesteld op 90 procent van de maximale subsidie. Voorschotten worden ambtshalve verleend. Een apart verzoek is niet nodig. De hoogte en de tijdstippen van uitbetaling van de subsidiebedragen worden in de beschikking tot subsidieverlening vermeld.

Artikel 35 van de kaderregeling verplicht de subsidieontvanger onverwijld een melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Indien op basis van artikel 35 van de kaderregeling een melding wordt gedaan, kan dat uiteraard ook gevolgen hebben voor de bevoorschotting.

Uitgangspunt bij de ambtshalve verstrekking van voorschotten is de gedachte van high trust. Keerzijde van dit uitgangspunt van high trust is dat wanneer dit vertrouwen wordt beschaamd de subsidieverlening in beginsel volledig zal worden ingetrokken en de verstrekte voorschotten inclusief wettelijke rente zullen worden teruggevorderd. Artikel 35 van de kaderregeling speelt hierbij een cruciale rol. Op grond van dit artikel dient de subsidieontvanger het project uit te voeren overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en dient het dit uiterlijk op het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen tijdstip te voltooien. In geval van het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van het project kan de beschikking tot subsidieverlening op verzoek van de subsidieontvanger worden gewijzigd of ingetrokken. Cruciaal daarbij is dat de subsidieontvanger verplicht is onverwijld een melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt:

  • niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of

  • niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Bij naleving van deze meldingsplicht geeft de subsidieontvanger er blijk van het in hem gestelde vertrouwen niet te beschamen. Dit betekent niet dat er geen sprake kan zijn van intrekking of terugvordering van de subsidie als de omstandigheden die worden gemeld daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld als het project niet of niet verder zal worden uitgevoerd. Maar de belangenafweging die plaatsvindt in het kader van intrekking en terugvordering zal in geval van schending van de meldingsplicht normaal gesproken aanleiding zijn tot volledige intrekking van de subsidieverlening en terugvordering van de verstrekte voorschotten, inclusief wettelijke rente. Dit kan in een dergelijk geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger, door niet te melden, misbruik maakt van het uitgangspunt van high trust dat ten grondslag ligt aan de ambtshalve bevoorschotting. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht uiteraard niet geldt voor wijzigingen waarmee de uitvoeringsinstantie op verzoek van de subsidieontvanger eerder heeft ingestemd.

§ 13. Vaststelling van de subsidie [Vervallen per 15-07-2015]

Indien een subsidie tussen € 25.000,– en € 125.000,– is verleend, wordt bij de aanvraag een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten gevoegd. Daarbij wordt aangegeven:

  • a. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;

  • b. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

  • c. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;

  • d. wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten inclusief bijdragen van derden is; en

  • e. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

Toelichting [Vervallen per 15-07-2015]

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de kaderregeling dient de aanvraag tot subsidievaststelling binnen 13 weken na afloop van het project te worden ingediend. Daarvoor dient gebruik te worden gemaakt van het bij de uitvoeringsorganisatie verkrijgbare formulier, dat tevens verkrijgbaar is via www.partnersvoorwater.nl

De vaststelling van subsidie bij een verleende subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten als bedoeld in het tweede lid. De opgave van de gerealiseerde kosten en opbrengsten vormt de grondslag voor de berekening van het vast te stellen subsidiebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Een format van de bedoelde verklaring is verkrijgbaar via www.partnersvoorwater.nl Indien de subsidiabele kosten lager zijn dan begroot, wordt de subsidie lager vastgesteld. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag vastgesteld. Ook deze wijze van verantwoording vloeit voort uit de gedachte van high trust. Steekproefsgewijs kunnen de opgegeven totalen worden gecontroleerd. Indien blijkt dat het vertrouwen is beschaamd, zal de subsidievaststelling worden ingetrokken en de uitbetaalde subsidie worden teruggevorderd.

Voor een verleende subsidie van € 125.000,– of meer bepaalt artikel 45, vierde lid, van de kaderregeling in het kader van de subsidievaststelling dat rekening en verantwoording wordt afgelegd omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en een accountantsverklaring wordt overgelegd volgens het format dat als bijlage bij de kaderregeling is opgenomen. Dit format wordt bij de beschikking tot subsidieverlening als bijlage verstrekt en is ook verkrijgbaar via www.partnersvoorwater.nl.

Opgemerkt zij dat voor een milieu-haalbaarheidsproject en een pilotproject de omvang van de verleende subsidie per deelnemer van het samenwerkingsverband in aanmerking wordt genomen om te bepalen welk verantwoordingsregime voor die deelnemer van toepassing is. De voor het project in totaal verleende subsidie is daarvoor dus niet bepalend. Dit kan met zich meebrengen dat niet alle deelnemers van het samenwerkingsverband onder hetzelfde verantwoordingsregime vallen. Voor een kennisversterkingsproject wordt de in totaal voor het project verleende subsidie voor het bepalen van het verantwoordingsregime wel in aanmerking genomen, omdat dit project één subsidieontvanger kent, zijnde de aanvrager uit het doelland. De eventueel vereiste accountantscontrole in geval van een kennisversterkingsproject kan plaatsvinden bij degene die de aanvrager vertegenwoordigt.

Bijlage A bij paragraaf 1 van het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water [Vervallen per 15-07-2015]

Lijst van deltalanden [Vervallen per 15-07-2015]

Bangladesh

Egypte

Indonesië

Mozambique

Vietnam

Bijlage B bij paragraaf 1 van het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water [Vervallen per 15-07-2015]

Lijst van doellanden [Vervallen per 15-07-2015]

Angola

Bangladesh

Brazilië

China

Colombia

Egypte

Estland

Ethiopië

Georgië

Ghana

Hongarije

India

Indonesië

Kazachstan

Kenia

Maleisië

Mali

Mexico

Mozambique

Oekraïne

Polen

Roemenië

Rusland

Slowakije

Thailand

Turkije

Vietnam

Zuid-Afrika

Bijlage C bij paragraaf 4, onder k, en paragraaf 8, derde lid, van het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water [Vervallen per 15-07-2015]

Scoretabel en wegingsfactoren
   

Puntenaantal op grond van beoordeling:

Wegingsfactor

Uitkomst

A

De mate waarin het project of de resultaten daarvan bijdraagt aan mogelijkheden tot opschaling van de gedemonstreerde of gevalideerde of onderzochte oplossing voor waterproblematiek.

Maximaal 5

6

Maximaal 30

 

Minimaal vereist 2

B

De mate waarin het project bijdraagt aan duurzame bundeling van krachten van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen uit de watersector.

Maximaal 5

4

Maximaal 20

 

Minimaal vereist 2

C

De mate waarin het project de unieke kwaliteiten op het gebied van water van in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit.

Maximaal 5

4

Maximaal 20

 

Minimaal vereist 2

D

De mate waarin het project bijdraagt aan oplossingen voor de wereldwaterproblematiek.

Maximaal 5

4

Maximaal 20

 

Minimaal vereist 2

E

De kwaliteit van de aanvraag ten aanzien van het activiteitenplan inclusief de begroting en de toelichting daarop.

Maximaal 5

2

Maximaal 10

 

Minimaal vereist 2

 

Totaal aantal punten

   

Minimaal vereist 65

 

Maximaal 100

Bijlage D, bedoeld in paragraaf 11, eerste lid [Vervallen per 15-07-2015]

Aanvraagformulier, met inbegrip van activiteitenplan, behorend bij het Subsidieprogramma Wereldwijd werken met water

Dit formulier met het bijbehorende activiteitenplan kan worden gedownload vanaf www.agentschapnl.nl/partnersvoorwater.

Een elektronische versie van het aanvraagformulier en de bijlagen, zoals het activiteitenplan en de begroting, dienen te worden toegezonden aan:

info@partnersvoorwater.nl.