Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011

Geldend van 03-02-2011 t/m heden

Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

Besluit:

Artikel 1

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011.

Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

Amsterdam, 18 januari 2011

J.M. Linthorst,

Voorzitter Raad van bestuur UWV.

Bijlage : Protocol zeer moeilijk plaatsbaar 2011

1. De intentie van het Protocol ZMP

Het Protocol Zeer Moeilijk Plaatsbaar bevat een aantal indicatoren om te kunnen beoordelen of een werkzoekende zeer moeilijk plaatsbaar is. Onder zeer moeilijk plaatsbaar verstaan we dat voor een werkzoekende door een (re-integratie)bedrijf of werkgever evident meer inspanningen geleverd moet worden om hem (weer) aan het werk te krijgen of te houden in vergelijking tot andere werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt voor wie begeleiding in aanloop naar of tijdens het werk noodzakelijk is. In de Handleiding die bij dit Protocol hoort wordt dit aspect nader uitgewerkt.

Dit protocol kan op elke werkzoekende worden toegepast. Is een werkzoekende op basis van het Protocol als zeer moeilijk plaatsbaar geïndiceerd? Dan kan zijn status als ZMP consequenties hebben voor:

  • het re-integratie-instrumentarium dat voor de werkzoekende in gezet kan worden en/of

  • de mate van de resultaatsfinanciering van de re-integratiedienstverlening die UWV voor de werkzoekende bij private partners inkoopt.

Deze maatregelen zijn bedoeld om de extra inspanningen en het eventuele financiële risico die de private partners hierdoor lopen te compenseren. Door het afdekken van deze risico’s kan aan de werkzoekende die ZMP is toch die dienstverlening en dat maatwerk worden geboden, dat nodig is om de werkzoekende te plaatsen in arbeid. Op deze manier krijgt de werkzoekende met een ZMP-indicatie een meer gelijkwaardige uitgangspositie t.o.v. de werkzoekende die deze indicatie niet heeft.

Welke functionaris het Protocol kan toepassen staat beschreven in wetten, beleidsregels en/of het Inkoopkader van UWV. Het Protocol is daarmee niet uitsluitend toepasbaar door functionarissen van UWV. Wel ligt het finale oordeel of een werkzoekende ZMP is bij UWV. De ZMP-status dient altijd vooraf – d.w.z. vóór de start van de dienstverlening – door UWV te worden vastgesteld.

2. Beoordeling op indicatoren

Het Protocol bestaat uit een beoordeling van de situatie van de werkzoekende op drie indicatoren. Alle indicatoren geven inzicht in eventuele extra belemmeringen die een werkzoekende kan ervaren bij het weer aan het werk komen. De functionaris die het Protocol toepast, beoordeelt per indicator of de werkzoekende – in vergelijking met overige werkzoekenden met vergelijkbare arbeidsbeperkingen – zeer moeilijk plaatsbaar is. Dit doet hij door het standaardformulier waarin de indicatoren zijn opgenomen in te vullen. De uitkomst na toepassing van het Protocol kan zijn:

  • de werkzoekende is op basis van één indicator ZMP;

  • de werkzoekende is op basis van een combinatie van 2 of 3 indicatoren ZMP;

  • de werkzoekende is op basis van geen van de indicatoren als ZMP aan te merken.

Op het standaardformulier dient per indicator beargumenteerd te worden of er sprake is van dusdanige belemmeringen, dat de werkzoekende als ZMP valt aan te merken.

Uitzondering ZMP op basis van geen van de indicatoren

Uitsluitend in uitzonderingsgevallen bestaat er ruimte om op basis van andere indicatoren dan die in het Protocol zijn genoemd, een werkzoekende als ZMP te indiceren. Voor deze gevallen dient een second opinion-procedure te worden opgesteld. Pas nadat deze procedure is afgerond en tot hetzelfde oordeel wordt gekomen, kan de werkzoekende als ZMP worden geïndiceerd.

3. De indicatoren

In deze paragraaf zijn de indicatoren opgenomen op basis waarvan de toetsing ZMP plaatsvindt. Wat onder elk van de indicatoren wordt verstaan dan wel op welke wijze deze dienen te worden toegepast is te vinden in de Handleiding die bij dit Protocol hoort.

Indicator 1:. Niet aanwezig zijn van direct in een beroep toepasbare vaardigheden en kennis

Bij deze indicator gaat het om de arbeidsmarktrelevantie van de vaardigheden, competenties en kennis van de werkzoekende in relatie tot de arbeidsmarkt.

Het niet aanwezig zijn van direct in een beroep of functie toepasbare competenties, vaardigheden en/of kennis kan een gevolg zijn van het feit dat:

  • een werkzoekende langdurig buiten het arbeidsproces heeft gestaan;

  • dat het laatste beroep waarin de werkzoekende werkzaam was, niet of nauwelijks meer voorkomt op de arbeidsmarkt;

  • dat een werkzoekende als gevolg van medische belemmeringen zijn vaardigheden niet meer kan inzetten.

‘Direct in een beroep of functie toepasbare vaardigheden en kennis’ zijn als volgt geoperationaliseerd:

  • taalvaardigheid;

  • administratieve vaardigheid;

  • computervaardigheid;

  • handvaardigheid;

  • verzorgende, servicegerichte vaardigheid;

  • sociale vaardigheden (= vermogen tot samenwerking).

Indicator 2:. Aanwezigheid van belemmeringen in de persoonlijke situatie

Het gaat hier om belemmeringen die ontstaan door de aanwezigheid van problemen in de persoonlijke situatie van de werkzoekende én/of door de beleving van de werkzoekende van deze problemen.

De belemmeringen in de persoonlijke situatie zijn als volgt geoperationaliseerd:

  • Medische beperkingen

  • Rolidentificatie in uitkeringssituatie

  • Schuldenproblematiek

  • Problemen in de sociale situatie en de beleving daarvan door de werkzoekende.

  • Problemen die zich voordoen in relatie tot de werkzoekende en het werken.

  • (Beleving van) psychologische belemmeringen door de werkzoekende

Indicator 3:. Vraagzijde van de arbeidsmarkt

Bij deze indicator wordt gekeken naar persoons- en achtergrondkenmerken die ertoe leiden dat de werkzoekende een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft vanwege vooroordelen van werkgevers over bepaalde groepen werkzoekenden, dan wel ten aanzien van bepaalde ‘probleemsituaties’ of belemmeringen. Het gaat om de volgende kenmerken:

  • Oudere werknemers;

  • Werknemers met een psychiatrische/psychische problematiek;

  • Werknemers met een bepaalde culturele achtergrond;

  • Zichtbaar fysiek gehandicapte werknemers, afhankelijk van de sector en/of het beroep;

  • Ex-gedetineerden.