KruimelpadGeldend op 24-05-2013
In deze regeling wordt verstaan onder:
aardgas:
a. drooggas dat bij een temperatuur van –200C onder atmosferische druk geen vloeistoffractie meer afscheidt van het gas en met een dichtheid van 0,82 kg/m3en een calorische waarde van ten hoogste 36,4 MJ/m3,
b. natgas dat naast aardgas ook condensaat bevat met een Condensaat-Gas Ratio kleiner dan of gelijk aan 80 m3/1.000.000 m3, en zuurgas dat naast aardgas minder dan 4,3% zwavelwaterstof bevat,
c. voor zover dit aardgas niet vloeibaar wordt getransporteerd en geen componenten bevat met toxische of explosieve effecten;
aardolieproducten:
a. aardolie,
b. aardgasolie,
c. vloeibare aardolieproducten, en
d. derivaten,
voor zover deze geen componenten bevatten met toxische of explosieve effecten;
besluit: Besluit externe veiligheid buisleidingen;
Carola: softwareprogramma voor het berekenen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van ondergrondse buisleidingen met aardgas, versie nr. 1.0.0;
Rekenmethodiek Bevb: rekenmethodiek behorend bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen, bestaande uit de Handleiding Risicoberekeningen Bevb, versie nr. 1, uitgave 2010 en, indien het betreft ondergrondse buisleidingen:
1°. voor aardgas: Carola, en
2°. voor aardolieproducten: Safeti-NL;
Safeti-NL: softwareprogramma voor het berekenen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van inrichtingen en ondergrondse buisleidingen voor het transport van andere stoffen dan aardgas, versie nr. 6.54, uitgave 2010.
Als categorieën buisleidingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit worden aangewezen:
a. buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 1600 kPa, en
b. buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 1600 kPa.
De artikelen 6, eerste en tweede lid, en 17, eerste en tweede lid, van het besluit zijn niet van toepassing op pijpleidingen als bedoeld in artikel 92, onderdeel a, van het Mijnbouwbesluit waarvan het plaatsgebonden risico in de loop der tijd kleiner wordt voor zover de overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico maximaal 3 jaar voortduurt en het plaatsgebonden risico niet groter is dan 10-5 per jaar.
Artikel 10 van het besluit is niet van toepassing voor zover de exploitant reeds aan de daarin opgenomen meldplichten heeft voldaan op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 100 van het Mijnbouwbesluit.
Voor buisleidingen voor aardgas met een druk tussen 1600 en 4000 kPa:
a. is in afwijking van artikel 6, tweede lid, van het besluit het plaatsgebonden risico op een afstand van 4 meter, gemeten uit het hart van de buisleiding, niet hoger dan 10-6 per jaar, en
b. bedraagt in afwijking van artikel 14, eerste lid, van het besluit de belemmeringenstrook ten minste vier meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van die buisleiding.
1. Artikel 6, tweede lid, van het besluit is niet van toepassing voor zover de overschrijding van de waarde, genoemd in dat lid, het gevolg is van het op grond van een bestemmingsplan toelaten van de aanleg, bouw of vestiging van een risicoverhogend object in de directe omgeving van de buisleiding.
2. De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, is alleen van toepassing op bedrijventerreinen die als zodanig in een bestemmingsplan zijn bestemd en waar de vestiging van kwetsbare objecten is uitgesloten.
Het plaatsgebonden risico, bedoeld in artikel 11 van het besluit, het groepsrisico, bedoeld in artikel 12 van het besluit, en het effect van maatregelen ter beperking van het risico worden berekend met de Rekenmethodiek Bevb.
De waarde, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel b, van het besluit is voor:
a. het groepsrisico: 0,1 maal de waarden, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, en
b. de toename van het groepsrisico: minder dan 10%, voor zover de waarden, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van het besluit niet worden overschreden.
1. Met de Rekenmethodiek Bevb worden gelijkgesteld rekenmethodieken die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, waarvan de resultaten gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de Rekenmethodiek Bevb.
2. De Minister van Infrastructuur en Milieu besluit, gehoord het RIVM, op verzoek van het bevoegd gezag, of die rekenmethodiek gelijkwaardig is aan de Rekenmethodiek Bevb. Daarbij betrekt hij in elk geval de transparantie, reproduceerbaarheid, het toepassingsgebied en de ruimtelijke consequenties van die rekenmethodiek.