Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregel deskundigheid 2011[Regeling vervallen per 04-07-2012 met terugwerkende kracht tot en met 01-07-2012.]

Geldend van 01-01-2011 t/m 30-06-2012

Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) inzake deskundigheid van beleidsbepalers bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet toezicht trustkantoren (Beleidsregel deskundigheid 2011)

De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten,

Na overleg met de representatieve organisaties en na raadpleging van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 3:8, 3:271, 4:9, eerste lid, en 5:29, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft), artikel 105, derde lid, van de Pensioenwet (Pw), artikel 110, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de artikelen 14, derde lid, 29 en 30 van het Besluit uitvoering Pw en Wvb en de artikelen 4, aanhef en onderdeel b, en 11, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt);

Gelet op artikel 3:100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht, zoals dit artikelonderdeel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet implementatie richtlijn deelnemingen in de financiële sector (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 292, nr. 2) in werking treedt;

Gelet op artikel 3:8 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dit artikel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet introductie premiepensioeninstellingen (Kamerstukken I, 2009–2010, 31 891, nr. A) in werking treedt;

Gelet op artikel 4:9, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zoals dit artikelonderdeel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het financieel toezicht in verband met de bevoegdheid tot aanpassing en terugvordering van bonussen en winstdelingen van bestuurders en dagelijks beleidsbepalers en deskundigheidstoetsing van commissarissen (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 512, nr. 2) in werking treedt;

BESLUITEN

Tot een gezamenlijke beleidsregel deskundigheid:

Leeswijzer [Vervallen per 04-07-2012]

Doelstelling [Vervallen per 04-07-2012]

Het doel van deze beleidsregel is te verduidelijken welke eisen DNB en de AFM stellen aan deskundigheid van beleidsbepalers van ondernemingen die onder hun toezicht vallen en welke aspecten zij bij de toetsing daarvan in aanmerking nemen. Daarnaast verschaft deze beleidsregelinzicht in de samenwerking tussen de toezichthouders bij de toetsing van deskundigheid.

Reikwijdte [Vervallen per 04-07-2012]

Het beleid op het gebied van deskundigheid zoals uiteengezet in deze beleidsregel is van toepassing op alle beleidsbepalers van ondernemingen die op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet toezicht trustkantoren onder toezicht staan van DNB en/of de AFM.

Opzet [Vervallen per 04-07-2012]

De beleidsregel bestaat uit drie hoofdstukken, een bijlage en een toelichting.

Indeling [Vervallen per 04-07-2012]

Hoofdstuk 1 bevat de vereisten voor deskundigheid van beleidsbepalers en de informatie die de toezichthouder gebruikt bij de toetsing. Deze vereisten gelden voor elke onderneming en elke beleidsbepaler, zowel voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler als daarna, wanneer een beleidsbepaler in functie is. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is dat beleidsbepalers doorlopend voldoen aan de vereisten van deskundigheid en dit in hun optreden laten zien.

Om een proportionele toepassing van de deskundigheidsvereisten mogelijk te maken, hebben de toezichthouders de onder toezichtstaande ondernemingen ingedeeld in drie groepen: A, B en C. Dit doet recht aan de uiteenlopende activiteiten, risico’s, omvang en complexiteit van de ondernemingen. Het uitgangspunt is dat alle beleidsbepalers, ongeacht de groep waarvan zij deel uitmaken, voldoen aan het eerste hoofdstuk van de beleidsregel.

Hoofdstuk 2 bevat bepalingen voor de toetsing van deskundigheid voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler van ondernemingen die tot groep B of C behoren en is een nadere uitwerking van onderdeel 1.2.1.

Groep A omvat aanbieders van beleggingsobjecten; banken; clearinginstellingen; entiteiten voor risicoacceptatie; financiële instellingen; financiële holdings; gemengde financiële holdings of verzekeringsholdings met zetel in Nederland; herverzekeraars; levensverzekeraars; marktexploitanten; pensioenfondsen; beroepspensioenfondsen; premiepensioeninstellingen, schadeverzekeraars (vergunninghoudend).

Groep B omvat aanbieders van krediet; beleggingsondernemingen; beheerders van beleggingsinstellingen; beleggingsmaatschappijen; bewaarders.

Groep C omvat financiëledienstverleners met uitzondering van de financiëledienstverleners in groep A en B; betaalinstellingen; elektronischgeldinstellingen; natura-uitvaart-verzekeraars; onderlinge waarborgmaatschappijen met een verklaring; trustkantoren.

Hoofdstuk 3 bevat bepalingen over de evaluatie van de beleidsregel, de intrekking van de huidige beleidsregel deskundigheid van de AFM, de inwerkingtreding van deze beleidsregel en de citeertitel.

Na hoofdstuk 3 is een bijlage met competenties opgenomen, gevolgd door een algemene toelichting en een toelichting op de hoofdstukken 1, 2 en 3.

Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen deskundigheidstoetsing beleidsbepalers [Vervallen per 04-07-2012]

1.1. Definities en begrippen [Vervallen per 04-07-2012]

De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, Wet toezicht trustkantoren en de daarop gebaseerde regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a) beleidsbepaler: een persoon die op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet toezicht trustkantoren en de daarop gebaseerde regelgeving getoetst moet worden op deskundigheid;

  • b) collectief: meer dan één beleidsbepaler, waarbij de beleidsbepalers gezamenlijk het (dagelijks) beleid van de onderneming (mede)bepalen;

  • c) onderneming: een financiële onderneming, gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland, pensioenfonds, beroepspensioenfonds en trustkantoor;

  • d) toezichthouder: DNB, de AFM of DNB en de AFM gezamenlijk;

  • e) klanten: consumenten, cliënten, deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden en beleggers;

  • f) ondernemingen in groep A: aanbieders van beleggingsobjecten; banken; clearinginstellingen; entiteiten voor risicoacceptatie; financiële instellingen; financiële holdings; gemengde financiële holdings of verzekeringsholdings met zetel in Nederland; herverzekeraars; levensverzekeraars; marktexploitanten; pensioenfondsen; beroepspensioenfondsen; premiepensioeninstellingen, schadeverzekeraars (vergunninghoudend);

  • g) ondernemingen in groep B: aanbieders van krediet; beleggingsondernemingen; beheerders van beleggingsinstellingen; beleggingsmaatschappijen; bewaarders;

  • h) ondernemingen in groep C: financiëledienstverleners met uitzondering van de financiëledienstverleners in groep A en B; betaalinstellingen; elektronischgeldinstellingen; natura-uitvaartverzekeraars; onderlinge waarborgmaatschappijen met een verklaring; trustkantoren.

1.2. Deskundigheid [Vervallen per 04-07-2012]

  • 1. Deskundigheid bestaat uit kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De deskundigheid van een beleidsbepaler blijkt in ieder geval uit de opleiding, werkervaring en competenties van de beleidsbepaler en de doorlopende toepassing hiervan. In de bijlage bij deze beleidsregel zijn relevante competenties om deskundigheid aan te tonen opgenomen.

    Beleidsbepalers zijn deskundig met betrekking tot de volgende onderwerpen:

    • A. Bestuur, organisatie en communicatie, waaronder het aansturen van processen, taakgebieden en medewerkers, het naleven en handhaven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen, waaronder het tijdig, juist en duidelijk informeren van klanten en de toezichthouder;

    • B. Producten, diensten en markten waarop de onderneming actief is, inclusief relevante wet- en regelgeving en financiële (en actuariële) aspecten;

    • C. Beheerste en integere bedrijfsvoering, waaronder de administratieve organisatie en interne controle, de waarborging van deskundigheid en vakbekwaamheid binnen een onderneming, de zorgvuldige behandeling van klanten, het risicomanagement, compliance en de uitbesteding van werkzaamheden; en

    • D. Evenwichtige en consistente besluitvorming, waarbij onder meer de belangen van klanten en andere stakeholders een centrale positie innemen.

  • 2. In afwijking van de onderwerpen A tot en met D van onderdeel 1.2.1 zijn voor beleidsbepalers bij pensioenfondsen en beroepspensioenfondsen de in artikel 30, derde lid, van het Besluit uitvoering Pw en Wvb genoemde deskundigheidsgebieden (a tot en met f) en de in artikel 14, derde lid, van het Besluit uitvoering Pw en Wvb genoemde deskundigheidseis met betrekking tot uitbesteding (g) van toepassing:

    • a) het besturen van een organisatie;

    • b) relevante wet- en regelgeving;

    • c) pensioenregelingen en pensioensoorten;

    • d) financieel technische en actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen, actuariële principes en herverzekering;

    • e) administratieve organisatie en interne controle;

    • f) communicatie; en

    • g) uitbesteding.

  • 3. Voor de toetsing voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler van de in hoofdstuk 2 genoemde ondernemingen is deskundigheid als omschreven in onderdeel 1.2.1, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.

1.3. Variabelen van toetsing [Vervallen per 04-07-2012]

De toetsing van deskundigheid van een beleidsbepaler geschiedt met inachtneming van:

  • a) de functie van een beleidsbepaler; en

  • b) het soort, de omvang, de complexiteit en het risicoprofiel van de onderneming.

1.4. Collectief [Vervallen per 04-07-2012]

Indien sprake is van een collectief geschiedt de toetsing van deskundigheid met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.

1.5. Momenten van toetsing [Vervallen per 04-07-2012]

De toezichthouder toetst deskundigheid van een beleidsbepaler:

  • a) vóór het aantreden van een beleidsbepaler, bij vergunningaanvraag of registratie, of bij het voornemen tot aantreden als nieuwe beleidsbepaler bij een onderneming die beschikt over een vergunning, dan wel geregistreerd is; en

  • b) na het aantreden van een beleidsbepaler, indien feiten en/of omstandigheden hiertoe redelijke aanleiding geven.

1.6. Informatie en antecedenten [Vervallen per 04-07-2012]

  • 1. Bij het toetsen van deskundigheid van een beleidsbepaler neemt de toezichthouder informatie en antecedenten met betrekking tot deskundigheid in aanmerking.

  • 2. Onder informatie en antecedenten als bedoeld in onderdeel 1.6.1 worden in ieder geval verstaan:

    • a) het volledig ingevulde en ondertekende Meldingsformulier voorgenomen benoeming;

    • b) toezichtinformatie- en antecedenten, zoals formele en informele toezichtmaatregelen;

    • c) het door een onderneming gehanteerde beleid, en de uitkomsten daarvan, voor werving en selectie en voor periodieke beoordeling van beleidsbepalers. Hieronder valt:

      • i) het door de onderneming gedocumenteerde beleid waarin rekening is gehouden met onderdelen 1.2.1, 1.3 en 1.4 en voor pensioenfondsen en beroepspensioenfondsen onderdelen 1.2.1 aanhef, 1.2.2, 1.3 en 1.4;

      • ii) het door de onderneming opgestelde functieprofiel voor de functie waarvoor een beleidsbepaler getoetst wordt en de (schriftelijk vastgelegde) besluitvorming over de selectie van een beleidsbepaler waarbij ook de overwegingen die tot deze uitkomst hebben geleid worden weergegeven; en

      • iii) voor zover van toepassing, de periodieke (schriftelijk vastgelegde) beoordeling van een beleidsbepaler op basis van het functieprofiel en de uitgeoefende functie, inclusief de overwegingen die tot deze beoordeling hebben geleid;

    • d) overige door de onderneming aan te leveren informatie voor zover dit van belang kan zijn bij de toetsing van deskundigheid van een beleidsbepaler;

    • e) overige informatie, waaronder betrokkenheid van een beleidsbepaler bij surséance van betaling of faillissement; en

    • f) openbare informatie.

1.7. Weging van informatie en antecedenten [Vervallen per 04-07-2012]

Bij de weging van de in onderdeel 1.6 genoemde informatie en antecedenten betrekt de toezichthouder de volgende factoren:

  • a) het onderlinge verband tussen de aan informatie of een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

  • b) de belangen die de wet beoogt te beschermen;

  • c) de overige belangen van een onderneming en een betrokken beleidsbepaler;

  • d) de zwaarte van de informatie en het antecedent;

  • e) de ouderdom van de informatie of het antecedent;

  • f) de houding en/of motivering van een betrokken beleidsbepaler ten aanzien van de informatie of het antecedent;

  • g) De combinatie van beschikbare informatie en antecedenten.

1.8. Samenwerking AFM en DNB [Vervallen per 04-07-2012]

Hoofdstuk 2. – Nadere bepalingen voorafgaand aan het aantreden van beleidsbepalers van ondernemingen in groep B en C [Vervallen per 04-07-2012]

1. Algemeen [Vervallen per 04-07-2012]

2.1. Tijdsbestek van ervaring [Vervallen per 04-07-2012]

Voor alle ondernemingen in groep B en C geldt dat algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing. De deskundigheid ten aanzien van de bedrijfsvoering en de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van toetsing.

2.2. Omvang onderneming [Vervallen per 04-07-2012]

Indien een aanbieder van krediet, een beleggingsonderneming, een beheerder van beleggingsinstellingen, een beleggingsmaatschappij, een bewaarder, of een financiëledienstverlener met uitzondering van een bemiddelaar of een adviseur van beleggingsobjecten, van, met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen, in omvang groeit naar een onderneming met meer dan zes personen, dan worden de beleidsbepalers van deze onderneming opnieuw aan de voor hen relevante criteria in hoofdstuk 2 getoetst.

2.3. Toepassing hoofdstuk 1 [Vervallen per 04-07-2012]

Bij de toetsing voorafgaand aan het aantreden van beleidsbepalers van ondernemingen in groep B en C worden in ieder geval de volgende onderdelen van hoofdstuk 1 meegewogen:

2. Aanbieder van krediet; beleggingsonderneming; beheerder van beleggingsinstellingen; beleggingsmaatschappij; bewaarder (groep B) [Vervallen per 04-07-2012]

2.4. Aanbieder van krediet; beleggingsonderneming met uitzondering van een verbonden agent, beheerder van beleggingsinstellingen; beleggingsmaatschappij; bewaarder [Vervallen per 04-07-2012]

  • 1. Een beleidsbepaler van een aanbieder van krediet, beleggingsonderneming, met uitzondering van de verbonden agent, beheerder van beleggingsinstellingen, beleggingsmaatschappij en bewaarder, wordt bij aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1 indien hij of zij aantoont minimaal te beschikken over:

    • a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het dagelijks beleid;

    • b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding;

    • c. algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis, opgedaan in relevante werkomgeving; en

    • d. deskundigheid ten aanzien van de bedrijfsvoering.

    Deze vaardigheden, kennis en deskundigheid zijn opgedaan gedurende ten minste twee jaar werkervaring, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten.

  • 2. Indien bij een in onderdeel 2.4.1 genoemde onderneming met inbegrip van beleidsbepalers ten hoogste zes personen werkzaam zijn, kunnen de minimumvereisten als bedoeld onder a, c en d, van onderdeel 2.4.1, zijn opgedaan gedurende één jaar aaneengesloten werkervaring. Het vereiste onder b, van onderdeel 2.4.1 wordt in dat geval niet getoetst.

  • 3. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.4.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van:

    • a. de leidinggevende vaardigheden (2.4.1.b) voldoende dat minimaal twee van de beleidsbepalers daarover beschikken;

    • b. de specifieke vakinhoudelijke kennis (2.4.1.c) en deskundigheid ten aanzien van de bedrijfsvoering (2.4.1.d) voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt, met dien verstande dat elke beleidsbepaler in ieder geval over de specifieke vakinhoudelijke kennis of over deskundigheid ten aanzien van de bedrijfsvoering beschikt.

2.5. Verbonden agent [Vervallen per 04-07-2012]

Een beleidsbepaler van een verbonden agent wordt bij zijn of haar aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1 indien hij of zij aantoont minimaal te beschikken over algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis, opgedaan gedurende tenminste één jaar werkervaring.

2.6. Minimumvereisten [Vervallen per 04-07-2012]

In aanvulling op de minimumvereisten van de onderdelen 2.4 en 2.5 kan de toezichthouder, indien daartoe redelijke aanleiding bestaat, besluiten deskundigheid van een beleidsbepaler van een daar genoemde onderneming nader te toetsen aan de vereisten van onderdeel 1.2.1.

3. Financiëledienstverlener met uitzondering van een financiëledienstverlener in groep A en B; betaalinstelling; elektronischgeldinstelling; natura-uitvaartverzekeraar; onderlinge waarborgmaatschappij met een verklaring; trustkantoor (groep C) [Vervallen per 04-07-2012]

2.7. Financiëledienstverlener met uitzondering van een financiëledienstverlener in groep A en B; betaalinstelling; elektronischgeldinstelling; trustkantoor [Vervallen per 04-07-2012]

  • 1. Een beleidsbepaler van eenfinanciëledienstverlener met uitzondering van een financiëledienstverlener in groep A en B , betaalinstelling, elektronischgeldinstelling of trustkantoor wordt bij zijn of haar aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:

    • a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid;

    • b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; en

    • c. uitsluitend voor beleidsbepalers van bemiddelaars en adviseurs in beleggingsobjecten, betaalinstellingen, elektronischgeldinstellingen en trustkantoren: algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis.

    Deze vaardigheden en kennis zijn opgedaan in een relevante werkomgeving gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten.

  • 2. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.7.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is voor de toetsing van de leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding voldoende dat één van die beleidsbepalers aantoont daarover te beschikken.

2.8. Kleine financiëledienstverlener met uitzondering van een bemiddelaar in of adviseur van beleggingsobjecten; natura-uitvaartverzekeraar; onderlinge waarborgmaatschappij met een verklaring [Vervallen per 04-07-2012]

Een beleidsbepaler van een financiëledienstverlener, met uitzondering van een bemiddelaar in of adviseur van beleggingsobjecten, van, met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen, natura-uitvaartverzekeraar of onderlinge waarborgmaatschappij met een verklaring, wordt bij zijn of haar aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:

  • i) bestuurlijke ervaring opgedaan gedurende ten minste één jaar in een voor de onderneming relevante werkomgeving; of

  • ii) een HBO-diploma van een voor de onderneming relevante opleiding; of

  • iii) een HBO-diploma en minimaal twee jaar werkervaring in een voor de onderneming relevante werkomgeving; of

  • iv) tien jaar werkervaring in een voor de onderneming relevante werkomgeving, waarvan vijf jaar aaneengesloten.

Hoofdstuk 3. – Slotbepalingen [Vervallen per 04-07-2012]

3.1. Evaluatie [Vervallen per 04-07-2012]

Deze beleidsregel wordt periodiek geëvalueerd, voor het eerst één jaar na inwerkingtreding.

3.2. Intrekking [Vervallen per 04-07-2012]

Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden de Beleidsregel deskundigheid dagelijks beleidsbepalers artikel 4:9 en 5:29 Wft, van de Autoriteit Financiële Markten van 24 maart 2008 (Staatscourant 2008, nr. 69, pag. 21) en de Beleidsregel Deskundigheid dagelijks beleidsbepalers 4:9 Wft, van de Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 (Staatscourant 2006, 251, pag. 44) ingetrokken.

3.3. Inwerkingtreding [Vervallen per 04-07-2012]

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2011. Indien de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst, verschijnt na 31 december 2010, treedt deze beleidsregel in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2011.Beleidsbepalers die aantreden na de inwerkingtreding van deze beleidsregel, worden in het kader van vergunningaanvraag of registratie dan wel voorgenomen benoeming getoetst op basis van deze beleidsregel. Beleidsbepalers waarvan de deskundigheid reeds is vastgesteld voor inwerkingtreding van deze beleidsregel worden niet opnieuw getoetst tenzij hiertoe redelijke aanleiding, bedoeld in onderdeel 1.5.b, bestaat.

3.4. Citeertitel [Vervallen per 04-07-2012]

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel deskundigheid 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam, 15 december 2010

Ondertekend in tweevoud,
De Nederlandsche Bank N.V.,

H.J. Brouwer,

directeur.

Stichting Autoriteit Financiële Markten,

Th.F. Kockelkoren,

bestuurslid.

Bijlage – Competenties in alfabetische volgorde (behorend bij onderdeel 1.2.1) [Vervallen per 04-07-2012]

  • a. Authenticiteit: is consistent in woord en daad, waarbij gedachten en gevoelens ook in lijn zijn met wat hij of zij zegt en doet. Dit betekent tevens het open communiceren van intenties, ideeën en gevoelens, het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid en de toezichthouder juist informeren over de werkelijke situatie en erkennen van risico’s en problemen naar de toezichthouder.

  • b. Besluitvaardigheid: neemt op tijd noodzakelijke beslissingen door het nemen van acties of door zich vast te leggen door middel van het uitspreken van zijn of haar mening en wacht niet onnodig met het maken van keuzes.

  • c. Communicatief vermogen: brengt op een begrijpelijke en acceptabele wijze in een daartoe geëigende vorm een boodschap over aan anderen. Is gericht op duidelijkheid, transparantie en actief feedback geven en nemen.

  • d. Helikopterzicht en oordeelsvorming: kan gegevens en mogelijke handelswijzen tegen elkaar afwegen en tot een logisch oordeel komen.Onderzoekt, herkent en begrijpt de essentiële elementen en vraagstukken. Kan over de eigen portefeuille heen kijken, vooral wanneer problemen spelen die de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen brengen.

  • e. Klant- en kwaliteitsgericht: is gericht op het leveren van kwaliteit en op de mogelijkheden om deze waar mogelijk te verbeteren. Specifiek betekent dit ook dat geen toestemming wordt verleend aan het ontwikkelen en afzetten van producten en diensten op de markt en investeringen in bijvoorbeeld producten, kantoorpanden of deelnemingen, waarvan hij of zij door gebrek aan inzicht in de architectuur, de uitgangspunten of de aannames, de risicós niet voldoende kan inschatten. Signaleert en onderzoekt de wensen en behoeften van klanten en handelt hiernaar, laat klanten geen onnodig risico lopen en zorgt voor juiste, volledige en evenwichtige informatieverstrekking aan klanten. Een transparant verkoopproces, zorgvuldige dienstverlening en passend advies staan hierbij centraal.

  • f. Leiderschap: geeft richting en sturing aan een groep, brengt samenwerkingsverbanden tot stand en handhaaft deze en stimuleert, motiveert en ontwikkelt de beschikbare human resources/borgt de vakbekwaamheid van medewerkers om een beoogd doel tot een goed einde te brengen. Staat open voor en biedt ruimte aan kritische discussies.

  • g. Loyaliteit: identificeert zich met de onderneming en voelt zich betrokken. Kan motiveren dat hij of zij (ondanks eventuele nevenfuncties) voldoende tijd aan zijn of haar functie kan besteden om deze naar behoren te kunnen uitvoeren.

  • h. Omgevingssensitiviteit: heeft oog voor de ontwikkelingen, machtsverhoudingen en gevoelens binnen de onderneming. Is goed geïnformeerd over de relevante (internationale) financiële, economische, maatschappelijke en andere ontwikkelingen in de omgeving van de onderneming alsook over de belangen van stakeholders en kan deze informatie effectief benutten.

  • i. Onafhankelijkheid: is zelfstandig in zijn of haar gedrag, durft eigen standpunten tegenover anderen (en enig deelbelang) te handhaven en te verdedigen in het belang van de onderneming. Opereert hiertoe objectief en kritisch. Herkent en anticipeert op situaties waarin persoonlijke en zakelijke belangen (potentieel) conflicteren.

  • j. Onderhandelingsvaardigheid: ontdekt en benoemt gemeenschappelijke belangen op een wijze die tot overeenstemming leidt.

  • k. Overtuigingskracht: kan door middel van overredingskracht, persoonlijk overwicht en tact invloed uitoefenen op het standpunt van anderen. Is een stevige persoonlijkheid. Is in staat zijn of haar rug recht te houden.

  • l. Samenwerkingsvermogen: heeft oog voor het groepsbelang en levert een bijdrage aan het gemeenschappelijke resultaat. Is tevens in staat in collegiaal verband te functioneren en geen pleitbezorger te zijn van individuele belangen.

  • m. m Strategische sturing: kan een voldoende realistische visie op toekomstige ontwikkelingen vertalen in lange termijn doelstellingen en stelt een strategische planning op voor het realiseren van deze lange termijn doelstellingen, onder meer door het toepassen van scenarioanalyse. Houdt hierbij goed zicht op risicós die de onderneming loopt en neemt bijhorende beheermaatregelen.

  • n. Stressbestendig: blijft gelijkmatig presteren onder hoge (werk)druk en in onzekere omstandigheden.

  • o. Verantwoordelijkheid: Heeft inzicht in interne en externe belangen, weegt deze zorgvuldig af en legt hierover verantwoording af. Toont lerend vermogen en beseft dat zijn of haar handelen invloed heeft op de belangen van stakeholders.

  • p. Voorzittersvaardigheid: kan vergaderingen op efficiënte en effectieve wijze leiden. Is in staat een open sfeer te creëren waarin iedereen gelijkwaardig kan participeren. Heeft oog voor taakvervulling en verantwoordelijkheden van anderen.

De opsomming van deze competenties (a tot en met p) is niet cumulatief en niet limitatief.