Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Douane- en Accijnswet BES

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Wet van 16 december 2010 tot vaststelling van de Wet Douane- en Accijnswet BES (Douane- en Accijnswet BES)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen zodat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorzien in een belastingstelsel op het terrein van de accijnzen en het douanerecht en wordt voorzien in een regeling betreffende handels- en dienstenentrepots op het moment dat in het kader van de staatkundige vernieuwing van het Koninkrijk der Nederlanden deze eilanden als openbaar lichaam onderdeel gaan uitmaken van het land Nederland;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

  • a. aangever: persoon die op eigen naam een aangifte doet of de persoon in wiens naam een aangifte wordt gedaan;

  • b. aangifte: de handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt aan goederen een bepaalde douanebestemming te willen geven;

  • c. carnet ATA: het bij het ATA-Verdrag (Trb. 1963, 128) vastgestelde internationale document dat wordt gebruikt ten behoeve van de tijdelijke in- en uitvoer van goederen;

  • d. besloten terreinen: terreinen die door gebouwen dan wel door muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare weg zijn afgescheiden;

  • e. brief: postzending in de betekenis die daaraan in het Algemeen Postverdrag (Trb. 1981, 75) wordt gegeven;

  • f. ambtenaren: degenen die namens de inspecteur een taak uitoefenen;

  • g. document: aangifte ten aanzien waarvan de inspecteur na registratie, binnen een bepaalde geldigheidsduur toestemming verleent tot het volgen van de daarin vermelde douanebestemming van goederen en die meer in het bijzonder dient ten geleide van goederen in doorgaand vervoer of ter dekking van de in-, op- of uitslag van goederen;

  • h. inspecteur of ontvanger: functionaris die met de toepassing van deze wet is belast en als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën, in voorkomend geval, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen;

  • i. douaneformaliteiten: alle handelingen die de belanghebbenden en de inspecteur of de ontvanger dienen te verrichten om aan de wettelijke regelingen te voldoen;

  • j. wettelijke regelingen: bij of krachtens wet vastgestelde regels inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen;

  • k. douanekantoor: elk overheidskantoor waar de in de wettelijke regelingen voorgeschreven douaneformaliteiten kunnen worden vervuld;

  • l. douaneschuld: een op een persoon rustende verplichting tot betaling van het bedrag aan invoerrechten en kosten die uit hoofde van de douanewetgeving verschuldigd zijn;

  • m. douanetoezicht: activiteiten die door de inspecteur worden ontplooid om te zorgen voor de naleving van de wettelijke regelingen;

  • n. douaneverklaring: bij het Algemeen Postverdrag vastgesteld formulier CN22/23 ten behoeve van de in- en uitklaring en de aangifte van postzendingen bij de inspecteur;

  • o. erf: het onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terrein;

  • p. gebouwen: bouwwerken alsmede onroerende tanks en de daarbij behorende leidingen;

  • q. goederen: alle zaken die kunnen worden ingedeeld in het tarief van invoerrechten;

  • r. douanewetgeving: de bepalingen van of krachtens de hoofdstukken I, II en III van deze wet;

  • s. invoer van goederen: in het vrije verkeer van één van de BES eilanden brengen van goederen;

  • t. goederen in het vrije verkeer: goederen die zijn ingevoerd dan wel goederen die op één van de BES eilanden zijn verkregen, of een combinatie van beide;

  • u. invoerrechten: douanerechten die ter zake van de invoer van goederen verschuldigd zijn;

  • v. persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;

  • w. schuldenaar: elke persoon die een douaneschuld verschuldigd is;

  • x. verificatie: aan een onderzoek onderwerpen van de aangifte, van alle bij te voegen documenten alsmede van de goederen;

  • y. woning: de ruimte waar een persoon zijn privé huiselijk leven leidt die gevormd wordt door een slaapplaats en alle vertrekken en overdekte ruimten die daarmee samen een geheel vormen, waarbij tot bewoning bestemde gedeelten van vervoermiddelen niet worden aangemerkt als woning;

  • z. marktdeelnemer: persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;

  • aa. handels- en dienstenentrepot: een op grond van hoofdstuk V als zodanig op de BES eilanden aangewezen terrein of terreinen, gebouw of gebouwen, waar goederen kunnen worden opgeslagen, verwerkt, bewerkt, gemonteerd, verpakt, tentoongesteld en uitgeslagen dan wel andere behandelingen kunnen ondergaan, en waar of van waaruit diensten kunnen worden verleend;

  • bb. Koninkrijk: het Koninkrijk der Nederlanden;

  • cc. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES eilanden;

  • dd. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Rijk;

  • ee. BES eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • ff. accijnsgoed:

    • 1°. op Bonaire: benzine, bier, wijn, overige alcoholhoudende producten en tabaksproducten;

    • 2°. op Saba en Sint Eustatius: benzine;

  • gg. accijnsgoederenplaats: iedere plaats op de BES eilanden waar op grond van de bepalingen van hoofdstuk IV accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden;

  • hh. beschikking: een voor bezwaar vatbare schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is en die door de inspecteur of ontvanger is genomen op grond van deze wet;

  • ii. douanecontrole: door of namens de inspecteur verrichte specifieke handelingen voor de correcte toepassing van de wettelijke regelingen; dergelijke handelingen kunnen ondermeer inhouden verificatie, onderzoek van de boekhouding van personen of ondernemingen en onderzoek van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen;

  • jj. douanevertegenwoordiger: iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten bij de inspecteur of ontvanger;

  • kk. aanbrengen: mededeling aan de inspecteur in de vereiste vorm dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de inspecteur aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole;

  • ll. inklaren: het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten bij het binnenbrengen en aanbrengen van goederen;

  • mm. uitklaren: het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten om goederen uit te laten gaan;

  • nn. USD: dollar van de Verenigde Staten van Amerika;

  • oo. tijdelijke opslag: het opslaan van goederen in daarvoor door de inspecteur goedgekeurde ruimten in afwachting van het krijgen van een toegestane douanebestemming;

  • pp. douane-entrepot: inrichting, andere dan een ruimte voor tijdelijke opslag, waar goederen onder douaneverband, in afwachting van het volgen van een nadere douanebestemming, zonder verschuldigdheid van invoerrechten kunnen worden opgeslagen;

  • qq. denatureren: het voor menselijke consumptie en voor de vervaardiging van dranken ongeschikt maken van alcoholhoudende vloeistof.

Artikel 1.2

Deze wet is van toepassing op het grondgebied van de BES eilanden met inbegrip van hun luchtruim, hun maritieme binnenwateren en territoriale zeeën, en elk gebied buiten de territoriale zeeën grenzend aan de BES eilanden, waarin het Koninkrijk, in overeenstemming met het internationale recht, jurisdictie of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan, het bovenliggende water en luchtruim.

Artikel 1.3

  • 1 De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, het onder zich houden op of verlaten van één van de BES eilanden van toepassing zijn.

  • 2 Onze Minister van Financiën sluit met Onze Ministers wie het mede aangaat convenanten aangaande de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de functionarissen die ressorteren onder de rijksbelastingdienst met betrekking tot de douanecontrole van de in het eerste lid bedoelde verboden of beperkingen.

  • 3 De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve bijstand en samenwerking inzake goederen en goederenverkeer.

Artikel 1.4

  • 1 Krachtens deze wet worden op de BES eilanden de volgende belastingen geheven:

    • a. invoerrechten; en

    • b. accijnzen.

  • 2 Krachtens deze wet worden regels gesteld betreffende handels- en dienstenentrepots op de BES eilanden.

Hoofdstuk II. Formele bepalingen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden bepalingen vastgesteld met betrekking tot douanekantoren.

  • 2 De inspecteur stelt de openingstijden van de douanekantoren vast.

  • 3 De beheerder van een luchthaven, haven of handels- en dienstenentrepot alsmede de beheerder van een douane-entrepot, accijnsgoederenplaats of een ruimte voor tijdelijke opslag van goederen, stelt voor de ambtenaren, kosteloos, adequate kantoor- en visitatieruimte ter beschikking ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden.

  • 4 De inspecteur kan op verzoek toestaan dat de douaneformaliteiten op andere plaatsen en tijden worden verricht, voor zover de noodzaak daartoe wordt aangetoond en het belang van de douane zich daar niet tegen verzet.

Artikel 2.2

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen vastgesteld waarin de belanghebbende ter zake van het verrichten van werkzaamheden kosten aan het Rijk is verschuldigd.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de tarieven van de kosten die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 2.3

  • 1 De in het tweede lid van artikel 2.2 bedoelde tarieven worden zodanig vastgesteld dat de verschuldigde kosten de werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen.

  • 2 De inspecteur stelt het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde kosten bij beschikking vast.

Artikel 2.4

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de modellen en authenticiteitskenmerken van de formulieren voor de verklaring tot inklaring, bedoeld in artikel 2.10, voor de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 3.9 en voor het enig document, waarbij tevens het aantal exemplaren waaruit een formulier bestaat en de toelichting op het gebruik van een formulier, vastgesteld.

  • 2 De modellen, bedoeld in het eerste lid, strekken tot het verkrijgen van de gegevens welke zijn vereist voor de heffing en inning van invoerrechten, en voor de statistiek.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de tarieven van de vergoedingen worden vastgesteld, tegen betaling waarvan de formulieren en toelichtingen, bedoeld in het eerste lid, verkrijgbaar zijn.

Artikel 2.5

  • 1 De douanevertegenwoordiger heeft geen bijzondere rechten ten opzichte van de door hem vertegenwoordigde persoon.

  • 2 De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger op eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.

  • 3 Een douanevertegenwoordiger woont op de BES eilanden of is daar gevestigd en dient aan de inspecteur te verklaren dat hij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt, en aan te geven of het een directe dan wel indirecte vertegenwoordiging betreft.

  • 4 De persoon die verklaart niet te handelen als douanevertegenwoordiger of die verklaart als douanevertegenwoordiger te handelen zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht op eigen naam en voor eigen rekening te handelen.

  • 5 De inspecteur is bevoegd van degene die verklaart als douanevertegenwoordiger te handelen, het bewijs te eisen dat hem door de vertegenwoordigde persoon vertegenwoordigingsbevoegdheid is verleend.

  • 6 Indien door de inspecteur wordt geconstateerd dat een douanevertegenwoordiger zodanig laakbare handelingen heeft gepleegd dat gevreesd wordt, dat bij voortzetting van de vertegenwoordiging ernstige schade wordt berokkend aan de belangen van de opdrachtgevers of aan het Rijk, wordt hem een waarschuwing uitgereikt met vermelding van de feiten waarop zij is gegrond.

  • 7 De inspecteur kan, na gedane waarschuwing, een douanevertegenwoordiger, al dan niet tijdelijk, uitsluiten van het optreden namens een ander, indien deze bij herhaling de handelingen, bedoeld in het zesde lid, heeft gepleegd. Deze beslissing tot uitsluiting wordt schriftelijk meegedeeld aan de betrokkene met vermelding van de duur van de uitsluiting.

Artikel 2.6

  • 1 De inspecteur kan bij beschikking een persoon die in het kader van een bedrijf of beroep aangifte doet op eigen naam en voor eigen rekening op een schriftelijke aanvraag als douane-expediteur toelaten. De inspecteur kan aan een toelating voorwaarden verbinden.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens en informatie die bij een aanvraag tot toelating als douane-expediteur dienen te worden gevoegd en kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de kwalificaties waarover een douane-expediteur moet beschikken.

  • 3 De douane-expediteur die niet op de BES eilanden woont of is gevestigd, is gehouden op de BES eilanden domicilie te kiezen alvorens hij werkzaamheden als toegelaten douane-expediteur gaat verrichten.

  • 4 De douane-expediteur heeft een voorrecht op alle vermogensbestanddelen van de opdrachtgever voor de door hem ten behoeve van zijn opdrachtgever betaalde invoerrechten, andere belastingen, heffingen, retributies dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn opdrachtgever te wijten gedurende een jaar na de aan het Rijk gedane betaling.

  • 5 Aan de toelating tot douane-expediteur worden in elk geval de volgende voorwaarden verbonden: de douane-expediteur stelt een doorlopende zekerheid voor de douaneschuld die kan ontstaan uit hoofde van door hem gedane aangiften en is gehouden aan zijn opdrachtgever een factuur te verstrekken waarin ten behoeve van deze laatste aan de ontvanger van het desbetreffend BES eiland betaalde invoerrechten, andere belastingen, heffingen, retributies, dan wel rente en kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn opdrachtgever te wijten, duidelijk en afzonderlijk zijn omschreven.

  • 7 De inspecteur kan een toelating als douane-expediteur bij beschikking weigeren aan een persoon die, in de laatstverlopen vijf jaren vanaf het moment van ontvangst van de schriftelijke aanvraag door de inspecteur, wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld indien dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf of diens eerdere toelating als douane-expediteur ingevolge het achtste lid is ingetrokken.

  • 8 De inspecteur kan op grond van laakbare handelingen van de douane-expediteur, gepleegd in de uitoefening van zijn bedrijf als douane-expediteur, diens toelating als douane-expediteur bij beschikking intrekken, indien hij in de drie jaren daarvoor aan de douane-expediteur wegens gepleegde laakbare handelingen een waarschuwing, houdende de feiten waarop zij is gegrond, heeft uitgereikt.

  • 9 In afwijking van het achtste lid kan de inspecteur de toelating als douane-expediteur bij beschikking onmiddellijk intrekken, indien de douane-expediteur onherroepelijk is veroordeeld wegens een strafbaar feit, indien dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.

  • 10 Aan de douane-expediteur wiens toelating is ingetrokken, wordt, behoudens in bijzondere gevallen, een nieuwe toelating niet verleend voordat vijf jaren sedert de intrekking zijn verlopen.

Artikel 2.7

  • 1 Niet op de BES eilanden gevestigde lucht- of scheepvaartmaatschappijen zijn verplicht bij ondertekende verklaring, te deponeren bij het douanekantoor waar de goederen aankomen, domicilie op het desbetreffend BES eiland te kiezen voor alles wat de uitvoering van de wettelijke regelingen betreft, indien een luchtvaartuig of schip van deze lucht- of scheepvaartmaatschappijen een luchthaven of haven op de BES eilanden aandoet.

  • 2 Indien niet aan het eerste lid wordt voldaan, worden de desbetreffende maatschappijen geacht voor gemelde doeleinden domicilie te hebben gekozen op het douanekantoor waar de goederen aankomen op het desbetreffend BES eiland.

Artikel 2.8

  • 1 De inspecteur verstrekt op verzoek en binnen een redelijke termijn inlichtingen over de toepassing van deze wet en de daarop gegronde bepalingen.

  • 2 De te verstrekken inlichtingen zullen tevens informatie omvatten over hetgeen naar het oordeel van de inspecteur met betrekking tot een bepaalde transactie van betekenis kan zijn voor de belanghebbende, ook indien in het verzoek geen welbepaalde vraag daaromtrent is opgenomen.

  • 3 De inlichtingen worden kosteloos verstrekt. Indien de inspecteur echter extra kosten moet maken, met name voor analyse, expertises of voor de terugzending van de goederen naar de aanvrager, kan hij van de aanvrager een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten verlangen.

Artikel 2.9

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de gevallen aangewezen waarin de inspecteur op schriftelijk verzoek bij beschikking bindende inlichtingen over de toepassing van wettelijke regelingen op specifiek omschreven goederen kan verstrekken. Een bindende inlichting bindt de inspecteur slechts voor zover volledige overeenstemming bestaat tussen het in de inlichting omschreven goed en het aangegeven goed en heeft uitsluitend gelding ten aanzien van goederen die worden in- of uitgevoerd na de datum waarop de inlichting door de inspecteur is verstrekt.

  • 2 Een bindende inlichting is, gerekend vanaf de datum waarop de beschikking van kracht wordt, gedurende een jaar geldig.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, verliest een bindende inlichting haar geldigheid indien zij:

    • a. ten gevolge van een wijziging van de wettelijke regelingen niet meer met het geldende recht in overeenstemming is;

    • b. niet langer verenigbaar is met volkenrechtelijke verplichtingen ten gevolge van de sluiting of wijziging van overeenkomsten die gelding hebben in het Rijk of met bindende internationale afspraken over de uitleg van die overeenkomsten;

    • c. niet langer verenigbaar is met een besluit over de uitleg van wettelijke regelingen of met een gerechtelijke uitspraak; of

    • d. overeenkomstig artikel 2.85, tweede lid, wordt ingetrokken of gewijzigd, mits aan de verkrijger van de inlichtingen daarvan vooraf kennis wordt gegeven.

  • 4 De datum waarop de bindende inlichting haar geldigheid verliest, is de datum waarop de vaststelling of wijziging van een wettelijke regeling of internationale overeenkomst in werking is getreden, onderscheidenlijk de internationale afspraak, de gerechtelijke uitspraak of het besluit, bekend is gemaakt.

  • 5 In afwijking van het tweede lid, mag de verkrijger van een bindende inlichting deze nog gedurende een periode van zes maanden na de bekendmaking van het verlies van de geldigheid overeenkomstig het derde lid, onderdelen c of d, gebruiken, indien hij op basis van de bindende inlichting en vóór de vaststelling van de betreffende maatregel, vaste en definitieve overeenkomsten voor de aankoop of de verkoop van de betreffende goederen heeft gesloten.

Titel 2. In-, uit- en doorvoer

Afdeling 1. Douanestelsel

Artikel 2.10

  • 1 Goederen die over zee of door de lucht de BES eilanden worden binnengebracht, worden onverwijld en rechtstreeks vervoerd naar de plaatsen waar douanekantoren zijn gevestigd en worden aldaar aangebracht en met een daartoe strekkende verklaring ingeklaard.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden regels gesteld ten aanzien van de aanlevering van gegevens met betrekking tot binnen te brengen goederen, binnen een daarbij te stellen termijn.

  • 3 De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door de persoon die de goederen de BES eilanden heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen heeft belast nadat deze zijn binnengebracht.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden categorieën van vaartuigen en luchtvaartuigen aangewezen waarvoor de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt.

  • 5 De inspecteur kan op schriftelijk verzoek en onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid, voor zover de in het geding zijnde financiële belangen zich daar niet tegen verzetten.

  • 6 Goederen aangevoerd over zee of door de lucht worden, behoudens tegenbewijs, geacht uit zee, onderscheidenlijk door de lucht op de BES eilanden te zijn binnengekomen.

  • 7 Het eerste lid is niet van toepassing op goederen die zich bevinden aan boord van schepen of luchtvaartuigen die de territoriale zee dan wel het luchtruim van één van de BES eilanden doorkruisen zonder een op deze eilanden gelegen haven of luchthaven als bestemming te hebben.

Artikel 2.11

  • 1 Ingeklaarde goederen worden met toestemming en onder toezicht van de inspecteur, gelost op bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgestelde uren en plaatsen.

  • 2 De inspecteur bepaalt binnen welke termijn de lossing plaatsvindt.

  • 3 De lossing kan eerst geschieden nadat de aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten is verzekerd dan wel een document is verkregen op een aangifte voor een douanebestemming als bedoeld in artikel 2.15.

  • 4 De inspecteur kan, rekening houdend met de aard van de goederen of met de douanebestemming van de goederen, een lossing buiten de vastgestelde uren en plaatsen toestaan. Zonodig wordt bij het vervoer naar een andere plaats verzegeling toegepast of vindt dit vervoer plaats onder bewaking.

  • 5 Het eerste lid is niet van toepassing op goederen waaraan de bestemming doorvoer wordt gegeven en die rechtstreeks worden doorgevoerd in het vervoermiddel waarin zij zijn aangevoerd.

Artikel 2.12

  • 1 Ingeklaarde goederen kunnen onder dekking van de op de verklaring tot inklaring afgegeven akte, tijdelijk worden opgeslagen in door de inspecteur goedgekeurde ruimten, op terreinen of op andere locaties en onder door hem te stellen voorwaarden. De opslag geschiedt met toestemming van de inspecteur en onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

  • 2 De aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten wordt overgenomen door de beheerder van een ruimte voor tijdelijke opslag, zonder dat daarvoor opnieuw aangifte behoeft te worden gedaan.

  • 3 Aan goederen in tijdelijke opslag wordt binnen een termijn van eenentwintig dagen na het indienen van de verklaring tot inklaring, een bestemming gegeven als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid.

  • 4 Indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de beheerder, de in het derde lid genoemde termijn, verlengen tot ten hoogste dertig dagen.

Artikel 2.13

  • 1 Goederen zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het moment dat ten aanzien daarvan verplichtingen moeten worden nagekomen uit hoofde van wettelijke regelingen.

  • 2 Goederen aangetroffen op de BES eilanden worden, behoudens tegenbewijs, geacht onder douanetoezicht te zijn.

  • 3 Het douanetoezicht wordt beëindigd op het moment waarop de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn nagekomen dan wel ophouden te bestaan.

Artikel 2.14

  • 1 Goederen onder douanetoezicht die bij de inspecteur zijn aangebracht, bevinden zich tot het moment waarop zij zijn vrijgegeven dan wel tot het moment dat zij de BES eilanden daadwerkelijk verlaten onder douaneverband.

  • 2 Ter verzekering van de identiteit van goederen onder douaneverband, kan de inspecteur identificatiemaatregelen treffen dan wel de goederen onder bewaking stellen.

Artikel 2.15

  • 1 Aan ingeklaarde goederen en goederen in tijdelijke opslag wordt een van de volgende douanebestemmingen gegeven:

    • a. invoer;

    • b. tijdelijke invoer;

    • c. doorgaand vervoer;

    • d. douane-entrepot of handels- en dienstenentrepot;

    • e. actieve veredeling;

    • f. doorvoer, rechtstreeks zonder overlading dan wel met overlading; of

    • g. invoer met opslag in accijnsgoederenplaats.

  • 2 Anders dan in het geval van tijdelijke opslag, wordt de aangifte voor de douanebestemmingen, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk gedaan, doch uiterlijk binnen tweemaal vierentwintig uur na de indiening van de verklaring tot inklaring. Op verzoek van de aangever kan de inspecteur in naar zijn oordeel gerechtvaardigde gevallen toestaan dat deze termijn wordt verlengd met maximaal twee dagen.

  • 3 Het doorgaand vervoer van goederen geschiedt onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

Artikel 2.16

  • 1 Aan goederen die zijn overgebracht naar een douane-entrepot of naar een handels- en dienstenentrepot, of die overgaan van het regime van tijdelijke opslag naar de opslag in een douane-entrepot of opslag in een accijnsgoederenplaats of opslag in een handels- en dienstenentrepot, wordt de douanebestemming douane-entrepot, accijnsgoederenplaats of handels- en dienstenentrepot, gegeven.

  • 2 Voor de in- of uitslag is toestemming van de inspecteur vereist.

  • 3 Aan goederen in een douane-entrepot of in een handels- en dienstenentrepot die bestemd zijn om te worden overgebracht naar een ander douane-entrepot, naar een andere handels- en dienstenentrepot of naar een plaats buiten de BES eilanden, dan wel bestemd zijn om ten invoer te worden aangegeven, wordt de douanebestemming douane-entrepot ter overbrenging naar een ander douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot onderscheidenlijk doorvoer of invoer gegeven.

  • 4 Aan goederen in een handels- en dienstenentrepot die bestemd zijn om te worden overgebracht naar een andere handels- en dienstenentrepot, een douane-entrepot of naar een plaats buiten de BES eilanden, dan wel bestemd zijn om ten invoer te worden aangegeven, wordt de douanebestemming uitslag uit een handels- en dienstenentrepot ter overbrenging naar een andere handels- en dienstenentrepot of naar een douane-entrepot onderscheidenlijk doorvoer of invoer gegeven.

  • 5 De overbrenging en de doorvoer van goederen geschiedt onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

Artikel 2.17

Goederen in het vrije verkeer, die van de ene plaats in een openbaar lichaam over zee of door de lucht naar een andere plaats in hetzelfde openbaar lichaam worden gebracht, worden bij aankomst op die andere plaats als herkomstig uit het vrije verkeer beschouwd, voor zover zulks blijkt uit overgelegde bescheiden en de bij vertrek eventueel aangebrachte douaneverzegeling of andere identificatiemaatregel van de douane ongeschonden wordt bevonden.

Artikel 2.18

  • 1 Aan goederen die zich op rechtmatige wijze in het vrije verkeer bevinden en bestemd zijn om naar een plaats buiten één van de BES eilanden te worden gebracht, kan een van de volgende douanebestemmingen worden gegeven:

    • a. uitvoer onder krediet of met teruggaaf van accijns van:

      • 1°. bier;

      • 2°. wijn;

      • 3°. overige alcoholhoudende producten;

      • 4°. sigaretten;

      • 5°. rooktabak;

      • 6°. sigaren of cigarillo’s;

      • 7°. benzine;

    • b. tijdelijke uitvoer;

    • c. uitvoer in andere dan in onderdelen a of b bedoelde gevallen.

  • 2 Goederen die ten uitvoer zijn aangegeven en goederen waaraan de douanebestemming doorvoer is gegeven, worden bij een douanekantoor aangebracht en na de afgifte van een akte op de verklaring tot uitklaring en de toestemming tot vertrek van de inspecteur, rechtstreeks en onverwijld buiten één van de BES eilanden gebracht.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden categorieën van vervoermiddelen, waarin of waarop goederen worden vervoerd, aangewezen waarvoor de verplichting genoemd in het tweede lid niet geldt.

  • 4 Goederen aanwezig in of op schepen op weg naar zee of bestemd om aanstonds naar zee te vertrekken, zomede goederen die op het punt staan in die schepen te worden opgenomen, worden aangemerkt als goederen die over zee één van de BES eilanden zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats op één van de BES eilanden en het vervoer zal geschieden zonder dat het schip één van de BES eilanden uitgaat.

  • 5 Goederen aanwezig in luchtvaartuigen, klaar voor vertrek, en goederen die op het punt staan in die luchtvaartuigen te worden geladen, worden aangemerkt als goederen die door de lucht één van de BES eilanden zullen uitgaan.

Artikel 2.19

  • 1 Goederen die ten uitvoer of ten doorvoer zijn aangegeven, kunnen, in afwachting van het inladen in het uitgaande vervoermiddel, onder door de inspecteur te stellen voorwaarden tijdelijk worden opgeslagen in de door hem goedgekeurde ruimten, op terreinen of op andere locaties.

  • 2 Ter dekking van de opslag dient het document dat is afgegeven op de aangifte voor een van de douanebestemmingen, bedoeld in artikel 2.18, dan wel, ingeval van voorafgaande tijdelijke invoer, het voor die douanebestemming afgegeven document.

Artikel 2.20

  • 1 Goederen die over zee of door de lucht zijn aangevoerd, waarvan de belanghebbende niet bekend is en die zich op haven- of luchthaventerreinen bevinden, blijven onder beheer en verantwoordelijkheid van de vervoerder die de goederen heeft binnengebracht.

  • 2 Indien aannemelijk is dat de goederen, bedoeld in het eerste lid, als bagage door een reiziger zijn binnengebracht, besluit de inspecteur na overleg met de desbetreffende vervoerder, of het eerste lid wordt toegepast.

Artikel 2.21

  • 1 Goederen kunnen op verzoek van degene op wiens naam het voor de goederen afgegeven document is gesteld, aan het Rijk worden afgestaan indien:

    • a. deze zich onder douaneverband bevinden; of

    • b. daaraan de douanebestemming invoer is gegeven, doch de goederen nog niet zijn vrijgegeven.

  • 2 Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van goederen ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat daarmee een strafbaar feit is gepleegd, of ten aanzien waarvan de inspecteur bij de controle van de desbetreffende aangifte te kennen heeft gegeven dat een onderzoek zal worden uitgevoerd.

Artikel 2.22

  • 1 Goederen als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, kunnen op verzoek van degene op wiens naam het voor de goederen afgegeven document is gesteld, onder toezicht van de inspecteur worden vernietigd.

  • 2 Voor de eventuele resten en afvallen van vernietiging wordt aangifte ten invoer gedaan.

  • 3 De inspecteur kan een beschikking tot het doen vernietigen van de goederen afgeven indien de betreffende goederen geen toegelaten douanebestemming kunnen krijgen in verband met de toepassing van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid. De inspecteur stelt de houder van de goederen in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. De aan de vernietiging verbonden kosten komen te zijner laste.

Artikel 2.23

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de instelling van een terrein van toezicht, waarvan de omvang wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Financiën.

  • 2 Bij de krachtens het eerste lid te stellen regels wordt, met inachtneming van de nodig geachte onderscheidingen, het vervoer, de uitslag, de inslag of het voorhanden hebben van bepaalde goederen verboden of slechts toegestaan, voor zover de inspecteur daarvoor op schriftelijk verzoek ontheffing heeft verleend.

Artikel 2.24

Bij regeling van Onze Minister van Financiën, teneinde de goede werking van deze wet te waarborgen, kunnen bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:

  • a. de formaliteiten voorafgaand aan en aangaande het binnenbrengen op en het verlaten van de BES eilanden van schepen en luchtvaartuigen en de aan boord van deze schepen en luchtvaartuigen aanwezige goederen;

  • b. het reizigersverkeer en postverkeer;

  • c. de tijdelijke opslag;

  • d. de douaneaangifte, mede ten dienste van de statistiek van de in-, uit- en wederuitvoer;

  • e. het onderzoek van goederen en monsterneming;

  • f. identificatiemaatregelen, middelen daaronder begrepen;

  • g. zekerheid;

  • h. het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de doorvoer dan wel de vernietiging van goederen;

  • i. de invoer van goederen met betaling van de verschuldigde invoerrechten onderscheidenlijk de invoer met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten al dan niet na tijdelijke uitvoer;

  • j. het doorgaande vervoer van binnengebrachte goederen, meer in het bijzonder de doorvoer en de overbrenging naar een ruimte voor tijdelijke opslag, een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot;

  • k. de invoer van goederen waarvoor met toepassing van de regeling actieve veredeling, bedoeld in artikel 3.96, vrijstelling van invoerrecht wordt verleend, alsmede de uitvoer van goederen waarvoor met toepassing van de regeling passieve veredeling, bedoeld in artikel 3.80 gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrecht bij wederinvoer wordt verleend;

  • l. de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling van invoerrecht;

  • m. de uitvoer van goederen en de uitgaande opslag;

  • n. het wijzigen van de douanebestemming die aan goederen is gegeven;

  • o. de in-, op- en uitslag, het behandelen alsmede het tentoonstellen van goederen in een handels- en dienstenentrepot;

  • p. diplomatiek goederenverkeer.

Artikel 2.25

  • 1 In de krachtens artikel 2.24 getroffen regeling komen in elk geval bepalingen voor:

    • a. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen ten aanzien van goederen die aan de kust zijn gestrand, gered of opgevist;

    • b. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen, indien in geval van nood, een binnenkomend vaartuig of luchtvaartuig zich niet onverwijld en rechtstreeks begeeft naar een plaats als bedoeld in artikel 2.10;

    • c. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen, indien in geval van nood, een uitgaand vaartuig of luchtvaartuig zich niet onverwijld en rechtstreeks buiten één van de BES eilanden begeeft.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de voorwaarden worden vastgesteld waaronder, in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgezien van de heffing van invoerrechten, hetzij omdat de betreffende goederen geacht worden herkomstig te zijn uit het vrije verkeer, hetzij omdat de goederenbeweging kan worden aangemerkt als rechtstreekse doorvoer.

Artikel 2.26

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen verboden of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld die bij het binnenbrengen op, onderscheidenlijk verlaten van de BES eilanden, van toepassing zijn.

  • 2 Aan goederen waarvan de invoer is verboden, doch die overigens op regelmatige wijze zijn binnengebracht en aangegeven, wordt, tenzij bijzondere wetten zich daartegen verzetten, de douanebestemming doorvoer of wederuitvoer gegeven. De verplichting tot het doen van aangifte rust op de belanghebbende bij de goederen.

  • 3 In bijzondere gevallen kan, in afwijking van het eerste lid, door de inspecteur worden toegestaan dat voor verboden goederen tevens afstand van de goederen wordt gedaan overeenkomstig artikel 2.21, of dat een verzoek tot vernietiging wordt gedaan overeenkomstig artikel 2.22, eerste en tweede lid, onder de voorwaarden, bedoeld bij die artikelen.

Afdeling 2. Aangiften

Artikel 2.27

  • 1 Van het voornemen om aan goederen een douanebestemming te geven als bedoeld in de artikelen 2.15, 2.16 en 2.18, wordt aangifte gedaan.

  • 2 Aangifte kan worden gedaan bij elk douanekantoor en binnen de vastgestelde openingstijden.

  • 3 Aangifte kan worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen aan de inspecteur te tonen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de bestemming waarvoor deze goederen zijn aangegeven.

  • 4 De aangever is woonachtig of gevestigd op de BES eilanden.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op personen:

    • a. die aangifte ten uitvoer of tijdelijke invoer doen;

    • b. die incidenteel aangifte doen.

Artikel 2.28

  • 1 De inspecteur staat toe dat goederen onder douaneverband door of vanwege degene die daarvan aangifte zal doen, onder toezicht van de inspecteur aan onderzoek en monsterneming worden onderworpen, voordat aangifte wordt gedaan.

  • 2 Voor het geven van een bestemming aan de monsters die onder toezicht van de inspecteur zijn genomen, behoeft geen aparte aangifte te worden gedaan, voor zover de aangifte voor de betreffende goederenzending mede betrekking heeft op het gedeelte van de zending dat voorwerp is van monsteronderzoek.

Artikel 2.29

  • 1 Aangifte wordt elektronisch, dan wel in gevallen waarin dat is voorgeschreven of toegestaan, mondeling, schriftelijk of door middel van een andere handeling gedaan.

  • 2 Een aangifte voor de douanebestemming invoer of voor tijdelijke invoer kan door middel van een andere handeling als bedoeld in het eerste lid, worden gedaan voor de persoonlijke bagage van reizigers, mits de goederen voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen.

  • 3 De andere handeling, bedoeld in het eerste lid, kan, indien de verplichting bestaat om de goederen bij een douanekantoor of op enige andere door de inspecteur aangewezen plaats aan te brengen, bestaan uit:

    • a. het gebruik van het groene kanaal, niets aan te geven, bij een douanekantoor waar een dubbel controlekanaal aanwezig is; of

    • b. het passeren van een douanecontrolepost waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is, zonder aldaar uit eigen beweging aangifte te doen.

Artikel 2.30

  • 1 Voor het doen van schriftelijke aangifte worden de formulieren – in originele vorm en in het vereiste aantal exemplaren – gebruikt, waarvan de modellen overeenkomstig artikel 2.4 zijn vastgesteld, behalve in geval van een vereenvoudigde aangifte.

  • 2 Het formulier dat wordt gebruikt voor het doen van aangifte wordt door de aangever volledig en naar waarheid ingevuld volgens de daarbij behorende toelichting en wordt door hem gedagtekend en ondertekend.

Artikel 2.31

  • 1 De aangever overlegt bij het doen van aangifte alle bescheiden die overeenkomstig artikel 2.36 vereist zijn.

  • 2 Indien handels- of administratieve bescheiden, met behulp waarvan de aangifte wordt gedaan, in een andere taal zijn gesteld dan het Engels, het Spaans of het Nederlands kan de inspecteur een vertaling daarvan eisen.

Artikel 2.32

  • 1 Aangifte wordt gedaan in de Nederlandse taal.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kunnen in de gevallen waarin aangifte wordt gedaan met behulp van formulieren voorzien in een internationale overeenkomst, dan wel met gebruikmaking van een handels- of administratief bescheid, aangifte eveneens worden gedaan in een andere taal, mits het hier te lande gebruikelijke letterschrift wordt gebruikt.

Artikel 2.33

  • 1 Indien de aangifte voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 2.30 tot en met 2.32 wordt de aangifte dadelijk door de inspecteur aanvaard en geregistreerd. De datum van aanvaarding wordt op het formulier vermeld.

  • 2 Indien de aangifte niet kan worden aanvaard, wordt daarvan, onder teruggave van het betreffende formulier, gemotiveerd mededeling gedaan aan de aangever.

  • 3 Tegen het niet aanvaarden van de aangifte staan geen bezwaar en beroep open.

Artikel 2.34

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het wijzigen of buitenwerking stellen van een aangifte nadat deze is aanvaard, doch voordat een aanvang is gemaakt met de controle daarvan.

Artikel 2.35

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het doen van een:

    • a. onvolledige aangifte; en

    • b. vereenvoudigde aangifte.

  • 2 Bij een onvolledige aangifte aanvaardt de inspecteur, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een aangifte die niet alle vereiste gegevens bevat of waar niet alle vereiste bescheiden zijn bijgevoegd. De derde afdeling van deze titel is van toepassing.

  • 3 Bij een vereenvoudigde aangifte aanvaardt de inspecteur, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een handels- of administratief document, dat geheel of ten dele in de plaats treedt van een aangifteformulier of van een of meerdere gegevens in dat aangifteformulier.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, bevat in elk geval bepalingen over de gegevens die minimaal zijn vereist ter verzekering van de identiteit van de goederen of ter berekening van de verschuldigde invoerrechten, alsmede over de termijn waarbinnen een onvolledige aangifte moet zijn aangevuld met de nog ontbrekende gegevens.

  • 5 Voor het doen van een onvolledige aangifte en van een vereenvoudigde aangifte is zekerheidstelling vereist.

Artikel 2.36

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bescheiden die worden gevoegd bij het formulier waarmee aangifte wordt gedaan.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, bevat in elk geval regels met betrekking tot:

    • a. de aard van de bij te voegen bescheiden, te weten informatie ten behoeve van de controle op de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens en ten behoeve van de toepassing van de wettelijke regelingen en de authenticiteitskenmerken van dergelijke bescheiden;

    • b. de talen waarin de bescheiden mogen zijn gesteld en de gevallen waarin een vertaling kan worden geëist;

    • c. de voorwaarden waaronder de inspecteur kan toestaan dat andere informatiedragers dan originele schriftelijke stukken kunnen dienen als een bescheid als bedoeld in onderdeel a; de voorwaarden hebben in geval van elektronisch berichtenverkeer mede betrekking op de wijze waarop de authenticiteit van dergelijk verkeer wordt gewaarborgd.

Artikel 2.37

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de afgifte en controle van certificaten inzake goederenverkeer bij de uitvoer van goederen van oorsprong uit de BES eilanden ten behoeve van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen elders. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:

    • a. de aard en wijze van verkrijging van bedoelde certificaten;

    • b. het model, het drukken van formulieren en de procedure voor afgifte van bedoelde certificaten en de taak van de inspecteur daarbij; en

    • c. de controle van de door de inspecteur afgegeven certificaten.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

    • a. het model van het certificaat van oorsprong voor de uitvoer van goederen;

    • b. de voorwaarden voor de bepaling van de oorsprong van goederen die op de BES eilanden geheel en al zijn voortgebracht dan wel goederen waarvan de bestanddelen zijn ingevoerd, maar op de BES eilanden een substantiële bewerking hebben ondergaan; en

    • c. de wijze van verkrijging, de voorwaarden voor afgifte en de controle van bedoeld certificaat alsmede het drukken van certificaten van oorsprong.

Artikel 2.38

Artikel 2.29 is van overeenkomstige toepassing op de verklaring tot inklaring en de verklaring tot uitklaring als bedoeld in artikel 2.10 onderscheidenlijk artikel 2.18.

Afdeling 3. Controle van aangiften, vrijgave en wegvoering van goederen

Artikel 2.39

  • 1 Aangiften die aanvaard zijn worden onderworpen aan controle door de inspecteur, teneinde de nakoming van wettelijke regelingen te verzekeren.

  • 2 De controle geschiedt gelijktijdig met of direct na aanvaarding van de aangifte.

  • 3 De inspecteur schrijft de aangegeven goederen af van een eventueel voorafgaand document, uiterlijk vrijgave van de goederen, bedoeld in artikel 2.42.

Artikel 2.40

  • 1 Het onderzoek van een groep of partij goederen of de controle achteraf van aangiften kan geschieden door middel van een gedeeltelijk onderzoek.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het gedeeltelijk onderzoek wordt uitgevoerd en kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan de onderzoeksresultaten dan wel de controle achteraf van aangiften, deel uitmakend van het deelonderzoek, als beslissend worden aangemerkt voor de gehele groep of goederen waartoe de onderzochte goederen, onderscheidenlijk de gehele groep van aangiften, waartoe de gecontroleerde aangiften behoren.

  • 3 De inspecteur geeft voorrang aan het onderzoek van levende dieren, spoedig aan bederf onderhevige goederen en andere goederen waarvan hij het spoedeisende karakter onderschrijft.

  • 4 De aangever is, op vordering van de inspecteur, gehouden de goederen aan te wijzen en deze op zijn kosten te vervoeren naar een door de inspecteur aangewezen plaats. Indien dezelfde goederen ook door andere diensten worden gecontroleerd, zal de inspecteur bevorderen dat het onderzoek gecoördineerd, en waar mogelijk op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip als het onderzoek van de douane wordt verricht.

  • 5 De inspecteur staat op verzoek van de aangever toe dat deze aanwezig is bij het onderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. De inspecteur kan de aangever verplichten bij het onderzoek aanwezig te zijn, indien diens medewerking het onderzoek kan vergemakkelijken.

  • 6 Bij douanecontrole van een aangifte worden de resultaten van het onderzoek van de goederen geacht overeen te komen met de aangifte indien de bevonden verschillen blijven binnen de spelingen die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën zijn vastgesteld.

  • 7 Van de uitkomst van het onderzoek doet de inspecteur mededeling aan de aangever.

Artikel 2.41

  • 1 De inspecteur kan, overeenkomstig artikel 2.60, ten behoeve van de indeling in het geharmoniseerde systeem en waardevaststelling, alsmede met het oog op de toepassing van andere wettelijke regelingen, monsters nemen van goederen.

  • 2 Op verzoek van de aangever is de inspecteur gehouden monsters te nemen.

  • 3 Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd aan de belanghebbende teruggegeven, zodra de inspecteur bepaalt dat het kan worden gemist.

Artikel 2.42

  • 1 De inspecteur geeft toestemming tot wegvoering van de goederen of geeft, indien aan de goederen de douanebestemming invoer wordt gegeven, de goederen vrij, indien:

    • a. de controle van de aangifte is beëindigd en aan de voorwaarden voor het volgen van de aangegeven douanebestemming is voldaan;

    • b. de invoerrechten, welke verschuldigd zijn of kunnen worden, zijn betaald of de daarvoor door de inspecteur verlangde zekerheid is gesteld;

    • c. de eventuele invoer- of uitvoervergunningen zijn verkregen; en

    • d. geen overtreding van de wettelijke regelingen is vastgesteld.

  • 2 De inspecteur kan de goederen ook vrijgeven, indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat de aangever alle daartoe vereiste formaliteiten zal vervullen en de invoerrechten die verschuldigd zijn of kunnen worden, kunnen worden berekend.

  • 3 Indien de inspecteur een onderzoek van de goederen of een monsterneming nodig acht, geeft hij de goederen slechts vrij voor zover geen verboden of beperkingen op de goederen van toepassing zijn en nadat zekerheid is gesteld.

Artikel 2.43

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

  • a. het buitenwerking stellen van een document;

  • b. het wedergeldig verklaren van een document;

  • c. het ongeldig maken van een document; en

  • d. het verlengen van de geldigheidsduur van een document.

Artikel 2.44

  • 1 Degene te wiens naam een document ten geleide van goederen is afgegeven, draagt ervoor zorg dat het document, ten bewijze dat de goederen op regelmatige wijze hun bestemming hebben gevolgd, wordt gezuiverd.

  • 2 Daartoe dient de persoon, bedoeld in het eerste lid, het betreffende exemplaar van het document in bij de inspecteur op de plaats van bestemming, binnen de termijn die voor het gebruik van het document is bepaald. De douane op de plaats van bestemming zendt dit exemplaar, voorzien van haar bevindingen, terug aan de ambtenaren die belast zijn met de zuivering.

  • 3 Indien het document niet wordt terugontvangen, of wordt terugontvangen zonder te zijn voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen, of slechts voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen voor een gedeelte van de in het document omschreven goederen, doet de inspecteur daarvan mededeling aan de persoon, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Na verloop van vier weken na verzending van de mededeling, bedoeld in het derde lid, wordt het document geheel of gedeeltelijk als ongezuiverd aangemerkt, tenzij belanghebbende aantoont dat de goederen niettemin hun bestemming hebben gevolgd of dat zij zijn teloorgegaan. De inspecteur kan in die gevallen besluiten het document als gezuiverd te beschouwen.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de procedure bij zuivering van documenten.

Artikel 2.45

De inspecteur kan na vrijgave van de goederen, om zich van de juistheid en volledigheid van de gegevens in het document te vergewissen, overgaan tot een controle van alle bescheiden en gegevens betreffende deze goederen of betreffende voorafgaande of latere handelstransacties met deze goederen. De inspecteur kan eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen of tot het nemen van monsters, zolang hij daartoe nog de mogelijkheid heeft.

Afdeling 4. Bijzondere regelingen

Artikel 2.46

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verlening van vergunningen voor:

    • a. het inklaren van goederen, voordat deze op één van de BES eilanden zijn binnengebracht;

    • b. het geven van de douanebestemming invoer aan goederen, voordat deze de BES eilanden zijn binnengebracht;

    • c. de regelmatige toepassing van artikel 2.1, vierde lid, in het bijzonder ten aanzien van de vervulling van douaneformaliteiten en de controle van aangiften, in het bedrijf van een belanghebbende;

    • d. de regelmatige toepassing van artikel 2.42, tweede lid;

    • e. het doen van aangifte achteraf.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde regeling van Onze Minister van Financiën bevat tevens de nodige waarborgen tegen misbruik en de voorwaarde dat voor de betaling van eventueel verschuldigde invoerrechten zekerheid wordt gesteld.

Artikel 2.47

  • 1 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder, vergunning kan worden verleend tot:

    • a. een versnelde wegvoering van ten invoer aangegeven goederen, mits minimaal vierentwintig uur voor de binnenkomst van de goederen de op die goederen betrekking hebbende vrachtbescheiden bij de inspecteur zijn ingediend;

    • b. een versnelde wegvoering van ten uitvoer of ten doorvoer aangegeven goederen, mits minimaal vierentwintig uur vóór het inladen van de goederen in het uitgaande vervoermiddel, de op die goederen betrekking hebbende vrachtbescheiden bij de inspecteur zijn ingediend.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde regeling van Onze Minister van Financiën bevat tevens de nodige waarborgen tegen misbruik.

Afdeling 5. Geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 2.48

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan de status van geautoriseerde marktdeelnemer kan worden toegekend alsmede de voorwaarden waaronder de status van geautoriseerde marktdeelnemer kan worden geschorst of ingetrokken.

  • 2 De status van geautoriseerde marktdeelnemer bestaat uit drie soorten vergunningen: die van geautoriseerde marktdeelnemer douanevereenvoudigingen, die van geautoriseerde marktdeelnemer veiligheid en die van douanevereenvoudigingen en veiligheid.

  • 3 Een marktdeelnemer die op de BES eilanden woont of gevestigd is en aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, gestelde maatstaven voldoet, kan om de status van geautoriseerde marktdeelnemer verzoeken. Deze status wordt op het schriftelijk verzoek van de marktdeelnemer bij beschikking door de inspecteur verleend, indien nodig na overleg met andere bevoegde autoriteiten, en is aan toezicht onderworpen.

  • 4 De geautoriseerde marktdeelnemer dient de inspecteur mededeling te doen van elk feit dat zich na de toekenning van die status voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud daarvan.

  • 5 Teneinde de goede werking van deze wet te waarborgen kunnen bij regeling van Onze Minister van Financiën regels worden vastgesteld met betrekking tot:

    • a. de toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer;

    • b. het soort en de omvang van de faciliteiten die aan geautoriseerde marktdeelnemers kunnen worden toegekend op het gebied van vereenvoudigingen en douanecontroles die verband houden met veiligheid;

    • c. het overleg met en de uitwisseling van informatie met andere autoriteiten.

Titel 3. Ambtelijke bevoegdheden en verplichtingen van personen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 2.49

De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is en kan overeenkomstig de bepalingen van deze titel alle maatregelen nemen die hij daarvoor nodig acht.

Artikel 2.50

  • 1 Bij de uitoefening van zijn taak namens de inspecteur draagt de ambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, afgegeven door of vanwege Onze Minister wie het aangaat of een door hem aangewezen ambtenaar.

  • 2 Het legitimatiebewijs bevat een foto van de ambtenaar en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

  • 3 Het legitimatiebewijs wordt desgevraagd onverwijld aan de belanghebbende getoond.

Artikel 2.51

  • 2 De inspecteur is bevoegd kopieën en uittreksels te maken van de identificatiebewijzen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De inspecteur betracht de nodige zorgvuldigheid bij het omgaan met de krachtens dit artikel verkregen gegevens, kopieën en uittreksels.

Artikel 2.52

  • 1 Een ieder die op de BES eilanden een bedrijf of beroep uitoefent, is gehouden op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers of de inhoud daarvan op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze wet duidelijk blijken.

  • 2 De persoon, bedoeld in het eerste lid, is gehouden de tot een administratie behorende gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de toepassing van de wettelijke regelingen, gedurende ten minste tien jaren te bewaren.

  • 3 De administratie moet zodanig zijn ingericht en worden gevoerd en de gegevensdragers of de inhoud daarvan moeten op zodanige wijze worden bewaard, dat het uitvoeren van de controle door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

  • 4 De administratie behoort te worden gevoerd in het Nederlands, Papiaments of Engels met gebruikmaking van de daarbij gebruikelijke cijfers.

Artikel 2.53

  • 1 Een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de:

    • a. gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de toepassing van deze wet te zijnen aanzien van belang zijn;

    • b. gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks naar keuze van de inspecteur, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die van invloed kunnen zijn op de toepassing van deze wet te zijnen aanzien, voor dit doel ter beschikking te stellen.

  • 2 De gevraagde gegevens en inlichtingen worden kosteloos aan de inspecteur verstrekt.

  • 3 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor een derde, indien deze direct of indirect is betrokken bij transacties van de persoon, bedoeld in het eerste lid. De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, rust, wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

  • 4 De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, elektronisch, mondeling of schriftelijk, zulks naar keuze van de inspecteur en binnen een door hem te stellen termijn.

  • 5 Degene aan wie inzage van gegevensdragers of de inhoud daarvan wordt verzocht, staat toe dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, is de inspecteur bevoegd de gegevensdragers voor dat doel mee te nemen.

  • 6 Niemand kan zich, voor een weigering te voldoen aan de in het eerste lid omschreven verplichtingen, beroepen op een geheimhoudingsplicht uit enigerlei hoofde, zelfs indien deze hem bij wet is opgelegd.

Artikel 2.54

  • 1 De inspecteur is bevoegd bij het uitoefenen van zijn taak, van de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger medewerking te verlangen en van hem kosteloze terbeschikkingstelling van de benodigde werklieden, hulpmiddelen en bijstand te vorderen. De inspecteur kan vorderen dat de medewerking en bijstand overeenkomstig zijn aanwijzingen en onder zijn toezicht worden verleend.

  • 2 Indien de inspecteur dit noodzakelijk acht, is hij bevoegd van de belanghebbende te vorderen dat de vervoermiddelen of andere goederen ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht, naar een door hem aangewezen plaats worden overgebracht.

  • 3 De belanghebbende voldoet onverwijld dan wel binnen de door de inspecteur vastgestelde termijn aan hetgeen krachtens dit artikel door hem is gevorderd of verlangd. Bij gebreke daarvan kan de inspecteur op kosten van belanghebbende en onder diens verantwoordelijkheid in het nodige voorzien.

Artikel 2.55

  • 1 De inspecteur is bevoegd identificatiemaatregelen, waaronder sluitingsmiddelen mede worden verstaan, te treffen met betrekking tot goederen, verpakkingsmiddelen, werktuigen, leidingen, vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan.

  • 2 De beheerder van de zaken, bedoeld in het eerste lid, die door de inspecteur van het voornemen om een identificatiemaatregel tot stand te brengen in kennis is gesteld, draagt ervoor zorg dat de inspecteur deze maatregel op een deugdelijke wijze tot stand kan brengen. Sluitingsmiddelen worden zodanig aangebracht dat, zonder verwijdering of schending daarvan dan wel zonder braak, geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd.

  • 3 Behoudens in gevallen van overmacht, draagt de beheerder ervoor zorg dat de identificatiemaatregel die door de inspecteur is getroffen, in stand blijft.

  • 4 Het bestaan van overmacht wordt door de inspecteur niet aanvaard, tenzij de beheerder daar onverwijld aan de inspecteur mededeling van doet.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de identificatiemaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden getroffen of verwijderd door anderen dan de inspecteur.

Artikel 2.56

  • 1 In het kader van de uitoefening van het douanetoezicht is de inspecteur bevoegd goederen, verpakkingsmiddelen, werktuigen, leidingen, vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan te bewaken, waarin, waaronder of waarop zich goederen bevinden:

    • a. ten aanzien waarvan een douaneschuld bestaat of kan ontstaan;

    • b. waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan;

    • c. waarvan het vervoer aan beperkende voorwaarden is onderworpen.

  • 2 In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de bewaakte goederen kan het Rijk niet aansprakelijk worden gesteld, tenzij zulks te wijten is aan opzet of grove schuld van de inspecteur.

  • 3 De beheerder van de zaken wordt door de inspecteur van het voornemen om tot bewaking over te gaan in kennis gesteld en wijst die zaken desgevorderd aan.

  • 4 De inspecteur en de door hem aangewezen ambtenaren zijn bevoegd personen de toegang te ontzeggen tot vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan, dan wel personen daaruit te verwijderen, voor zover hetzij de werkzaamheden of de veiligheid van de ambtenaren zulks verlangen, hetzij er gegronde vrees bestaat dat die personen goederen aan het douanetoezicht zullen onttrekken.

Artikel 2.57

  • 1 De inspecteur en ambtenaren zijn bevoegd bij een controle geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

  • 2 Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

  • 3 De ambtenaren zijn bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor leven of veiligheid van de ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

  • 4 De inspecteur en ambtenaren zijn bevoegd bij toepassing van het eerste lid zo nodig de hulp in te roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee of andere delen van de krijgsmacht. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.

  • 5 De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding te staan tot het voorgenomen doel en redelijk en gematigd te zijn.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Afdeling 2. Controle van goederen, bescheiden, personen, gebouwen en vervoermiddelen

Artikel 2.58

  • 1 De inspecteur is bevoegd goederen, die zich niet in vervoer bevinden en zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.

  • 2 Bij de onderzoekingen en opnemingen, noodzakelijk naar het oordeel van de inspecteur, van goederen als bedoeld in het eerste lid is de persoon onder wiens beheer zich deze bevinden, gehouden op eerste vordering van de inspecteur deze inzage te verlenen van de bij de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens deze wet bij de goederen aanwezig moeten zijn.

  • 3 De persoon onder wiens beheer zich goederen als bedoeld in het eerste lid bevinden, is gehouden op vordering van de inspecteur terstond stil te staan. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Degene aan wie inzage van de papieren of bescheiden, bedoeld in het tweede lid, wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

Artikel 2.59

  • 1 De inspecteur is bevoegd goederen, die worden vervoerd zonder zich in of op een vervoermiddel te bevinden, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.

  • 2 Ten behoeve van het onderzoek zijn personen die goederen vervoeren die zich niet in of op een vervoermiddel bevinden, op eerste vordering van de inspecteur gehouden terstond stil te staan en hem inzage te verlenen van de bij de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens wettelijke regelingen bij de goederen aanwezig moeten zijn. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Degene aan wie inzage van de papieren of bescheiden, bedoeld in het tweede lid, wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilstaan wordt gedaan.

Artikel 2.60

  • 1 De inspecteur is bevoegd over te gaan tot een onderzoek van goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle ingeval geen aanvaarding van een douaneaangifte heeft plaatsgevonden.

  • 2 Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd, zodra het kan worden gemist, aan de belanghebbende teruggegeven.

Artikel 2.61

  • 1 De inspecteur is te allen tijde bevoegd vervoermiddelen aan onderzoek te onderwerpen.

  • 2 Bij visitatie van een vervoermiddel is de inspecteur bevoegd het vervoermiddel, en de daarin, daaronder of daarop aanwezige goederen, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.

  • 3 Ten behoeve van een visitatie is de inspecteur bevoegd van de bestuurder dan wel de gezagvoerder van het vervoermiddel te vorderen dat deze zijn vervoermiddel vaart laat minderen, bijdraait, landt, stilhoudt, naar een door hem aangewezen plaats overbrengt, aanlegt en de motor buiten werking stelt.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de in het derde lid bedoelde vordering tot stilstaan wordt gedaan.

  • 5 Bij de onderzoekingen en opnemingen, noodzakelijk naar het oordeel van de inspecteur, van goederen die zich in vervoer bevinden, is de gezagvoerder of de bestuurder van het vervoermiddel, of de beheerder van de goederen gehouden op eerste vordering van de inspecteur, deze inzage te verlenen van de bij het vervoermiddel of de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens deze wet bij de goederen aanwezig moeten zijn. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Degene aan wie inzage van de in het vijfde lid bedoelde papieren of bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

Artikel 2.62

  • 1 De inspecteur is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur of dieren, elke plaats te betreden en kan zich doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

  • 2 De bevoegdheid tot visitatie met het oog op de uitoefening van controle strekt zich mede uit tot gebouwen, erven of besloten terreinen, welke met voormelde gebouwen, erven of besloten terreinen middellijk of onmiddellijk gemeenschap hebben alsmede tot havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen.

  • 3 Ter surveillering van de kuststrook heeft de inspecteur toegang tot erven of besloten terreinen, havens en luchthavens die aan de kuststrook grenzen.

  • 4 Bij de in het tweede lid bedoelde visitatie is de inspecteur bevoegd de aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan alle onderzoekingen, doorzoekingen en opnemingen te onderwerpen welke hij nodig oordeelt.

  • 5 Bij de in het tweede lid bedoelde visitatie is de inspecteur tevens bevoegd inzage te verlangen van de registers en andere bescheiden die, krachtens deze wet omtrent de aldaar voorhanden zijnde in- of uitgeslagen goederen, worden bijgehouden of voorhanden moeten zijn.

  • 6 De gebruiker of beheerder van een plaats, gebouw, terrein, erf of besloten terrein, alsmede haven, haventerrein, luchthaven en luchtvaartterrein is gehouden op eerste vordering van de inspecteur toegang te verschaffen tot alle in het eerste en tweede lid bedoelde plaatsen, gebouwen, erven of besloten terreinen, havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen en inzage te verlenen van de in het vijfde lid bedoelde registers of andere bescheiden. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

  • 7 Degene aan wie inzage van de in het vijfde lid bedoelde registers en andere bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

Artikel 2.63

  • 1 Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen, die hun door de inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 2 Onze Minister van Financiën kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.

  • 3 De inspecteur verstrekt kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen.

  • 4 In afwijking in zoverre van artikel 1.2 verstrekt de inspecteur kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de inspecteur die bevoegd is in Nederland, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij de wetgeving die geldt in Nederland en die betrekking heeft op verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van het douanegebied van de Europese Unie dan wel Nederland, of die bij het kiezen van een douanebestemming in Nederland van toepassing zijn.

Artikel 2.64

  • 1 Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner mag slechts door ambtenaren die deze bevoegdheid door de inspecteur toegekend hebben gekregen en voorzien zijn van een daartoe verstrekte bijzondere schriftelijke last van de inspecteur. Bedoelde last wordt slechts bij dringende noodzakelijkheid verstrekt.

  • 2 De last houdt in een aanduiding van de woning, alsmede een nauwkeurige omschrijving van het met de visitatie beoogde doel.

  • 3 De ambtenaren dienen zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden.

  • 4 Van het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren, onder vermelding van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel, een schriftelijk verslag opgemaakt en een afschrift daarvan aan de bewoner uitgereikt of te zijnen behoeve aan de woning bezorgd.

Artikel 2.65

  • 1 De inspecteur kan ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs vorderen van brieven die aan enige instelling van vervoer zijn toevertrouwd.

  • 2 Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend, indien de rechtercommissaris bij het voor het openbare lichaam bevoegde Gerecht in eerste aanleg waarbinnen de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartoe op verzoek van de inspecteur, machtiging heeft verleend.

  • 3 De vordering, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gedaan en de machtiging of het bevel, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend, onderscheidenlijk, gegeven, indien het vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden.

  • 4 Brieven die aan enige instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, worden onverwijld aan de vervoerder ter verzending teruggegeven.

Artikel 2.66

  • 1 De inspecteur is bevoegd aan lijfsvisitatie te onderwerpen:

    • a. personen die aanwezig zijn in of op de terreinen van toezicht, bedoeld in artikel 2.62;

    • b. personen die zich bevinden in of op een buiten de BES eilanden komend vervoermiddel of dit vervoermiddel juist hebben verlaten, waarbij personen die zich in de territoriale zee, de aansluitende zone en de maritieme binnenwateren ophouden, worden geacht zich te bevinden in een vervoermiddel komend uit een plaats gelegen buiten de BES eilanden;

    • c. personen die zich bevinden in of op een naar een plaats buiten de BES eilanden vertrekkend vervoermiddel of die zich naar een zodanig vervoermiddel begeven;

    • d. personen die zich bevinden in een handels- en dienstenentrepot of die een handels- en dienstenentrepot juist hebben verlaten;

    • e. personen die zich bevinden in een douane-entrepot, dan wel in, op of onder een gebouw, erf, terrein of vervoermiddel waarin of waarop tijdelijke opslag van goederen is toegelaten, alsmede personen die een zodanig douane-entrepot, terrein, erf, gebouw of vervoermiddel juist hebben verlaten; en

    • f. personen die zich bevinden in een fabriek of accijnsgoederenplaats, waarin goederen zijn opgeslagen die aan de heffing van accijnzen zijn onderworpen, of personen die juist een dergelijk pand hebben verlaten.

  • 2 Op vordering van de inspecteur zijn reizigers, daaronder mede begrepen de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, gehouden onverwijld hun plaats- of vervoerbewijs te tonen.

  • 3 Personen die aan lijfsvisitatie worden onderworpen, zijn op eerste vordering van de inspecteur gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hem aangewezen plaats.

  • 4 Onder lijfsvisitatie wordt verstaan:

    • a. het onderzoek aan de kleding; het onderzoek aan de kleding omvat het betasten van de kleding, het nauwkeurig onderzoek van de hoofdbedekking en het schoeisel;

    • b. het verwijderen van de bovenkleding, teneinde deze aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen;

    • c. het uitwendig en inwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam, zonodig met de daartoe benodigde ontkleding;

    • d. het geheel ontkleden en het uitwendig schouwen van het lichaam;

    • e. het onderzoek van het onderlichaam; onder onderzoek van het onderlichaam wordt verstaan het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam; het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.

  • 5 Lijfsvisitatie geschiedt op een besloten plaats door personen die, indien zij geen arts of verpleegkundige zijn, van hetzelfde geslacht zijn als de persoon die aan de visitatie wordt onderworpen.

  • 6 Tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, wordt pas overgegaan na toestemming van een ambtenaar die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen.

  • 7 Onder lijfsvisitatie wordt mede verstaan het onderzoek met behulp van apparatuur waarmee door kleding van de betrokken persoon kan worden gekeken.

  • 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het geheel ontkleden of tot het onderzoek van het onderlichaam en met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen kan worden gekeken en het gebruik daarvan. Hierbij kan worden bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is bij het gebruik van deze apparatuur.

Afdeling 3. Inbewaringneming en inbeslagneming

Artikel 2.67

  • 1 Indien met betrekking tot goederen onder douanetoezicht de belanghebbende bij de goederen nalaat de bij wettelijke regelingen voorgeschreven verplichtingen na te komen, kunnen de goederen door de inspecteur in bewaring worden genomen.

  • 2 Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt tot de inbewaringneming niet overgegaan voordat deze in staat is gesteld binnen een door de inspecteur te stellen termijn, aan zijn verplichtingen te voldoen.

  • 3 Indien de belanghebbende bij de goederen onbekend is, worden de goederen terstond in bewaring genomen. Van de inbewaringneming wordt mededeling gedaan in twee plaatselijk verschijnende dagbladen met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt schriftelijk mededeling omtrent de inbewaringneming aan belanghebbende gedaan.

  • 4 De inspecteur treedt op als bewaarnemer en draagt zorg voor de opslag en inventarisatie van die goederen. De overbrenging en de opslag geschieden op kosten van de belanghebbende. In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de in bewaring genomen goederen kan het Rijk niet aansprakelijk worden gesteld, tenzij zulks te wijten is aan de opzet of grove schuld van de inspecteur.

  • 5 Indien binnen één maand na de mededeling omtrent de inbewaringneming de verplichtingen niet alsnog zijn nagekomen, kunnen de goederen overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels in het openbaar worden verkocht of in bijzondere gevallen worden vernietigd. Onderhandse verkoop is toegestaan in de gevallen waarin de gerechtvaardigde vrees bestaat dat de opbrengst van een openbare verkoop minder zal bedragen dan de douaneschuld.

  • 6 Verboden goederen waaraan, in strijd met artikel 2.26, niet de bestemming doorvoer of wederuitvoer is gegeven, worden slechts verkocht onder de voorwaarde dat de koper aan de verplichting tot doorvoer of wederuitvoer voldoet. Wordt niet aan deze voorwaarde voldaan, dan worden de goederen vernietigd op kosten van de koper.

  • 7 De termijn, bedoeld in het tweede lid, geldt niet, indien de goederen aan spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn, of indien de bewaring of het onderhoud ervan gevaar oplevert dan wel hoge kosten meebrengt. De goederen kunnen in dat geval onmiddellijk worden verkocht, nadat van het voornemen daartoe op een bij regeling van Onze Minister van Financiën te bepalen wijze algemene bekendheid aan is gegeven.

  • 8 De opbrengst van de goederen – in geval van uitoefening van het recht van verhaal hetgeen is overgebleven – wordt, na aftrek van de verschuldigde invoerrechten en de kosten, uitgekeerd aan de belanghebbende bij de goederen die binnen één jaar na de mededeling omtrent de inbewaringneming zulks vordert, bij gebreke waarvan de opbrengst of hetgeen is overgebleven aan het Rijk vervalt. Voor zover de goederen na het verstrijken van die termijn niet zijn verkocht, vervallen de goederen aan het Rijk.

Artikel 2.68

  • 1 Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 2.61, derde lid genomen dwangmaatregelen te verijdelen, alsmede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.

  • 3 Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad en, indien deze niet de eigenaar van de goederen is en de identiteit en het adres van de eigenaar vaststaat, tevens aan de eigenaar. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling zo spoedig mogelijk in twee plaatselijk verschijnende dagbladen.

  • 4 Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan het Rijk, tenzij bij een rechterlijke onherroepelijke beslissing als bedoeld in het zesde lid, de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.

  • 5 De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij het Gerecht in eerste aanleg daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde, een met redenen omkleed klaagschrift indienen.

  • 6 Het Gerecht in eerste aanleg beslist zo spoedig mogelijk, na de inspecteur te hebben gehoord.

  • 7 Het Gerecht in eerste aanleg zendt onverwijld afschrift van het klaagschrift en van zijn beschikking aan de inspecteur.

  • 8 Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan het Rijk vervallen vervoermiddelen en voorwerpen, onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.

Titel 4. Heffing, inning en invordering

Afdeling 1. Ontstaan douaneschuld en schuldenaar

Artikel 2.69

  • 1 Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien:

    • a. aan invoerrechten onderworpen goederen worden ingevoerd, tenzij aan de goederen de douanebestemming invoer van aan invoerrechten onderworpen goederen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling wordt gegeven;

    • b. aan dergelijke goederen de douanebestemming tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de invoerrechten wordt gegeven;

    • c. wordt afgezien van een verleende vrijstelling van invoerrechten.

  • 2 De douaneschuld ontstaat voor de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde douanebestemmingen op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard. De douaneschuld ontstaat in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op het tijdstip waarop wordt afgezien van de vrijstelling.

  • 3 Schuldenaren zijn:

    • a. de aangever; en

    • b. in geval van indirecte vertegenwoordiging eveneens de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan.

  • 4 Indien een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde douanebestemmingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven zijn de personen die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt en wisten, of redelijkerwijze hadden moeten weten, dat die gegevens onjuist of onvolledig waren, eveneens schuldenaar.

Artikel 2.70

  • 1 Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan invoerrechten onderworpen goederen:

    • a. op onregelmatige wijze op één van de BES eilanden worden binnengebracht; of

    • b. uit een handels- en dienstenentrepot of een douane-entrepot op onregelmatige wijze op één van de BES eilanden worden binnengebracht.

  • 2 Goederen zijn op onregelmatige wijze binnengebracht, indien niet is voldaan aan de artikelen 2.10 en 2.16.

  • 3 De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.

  • 4 Indien het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden de invoerrechten berekend naar het tarief geldend op het vroegste tijdstip waarvan wordt vastgesteld dat de douaneschuld ontstond.

  • 5 Schuldenaren zijn de personen die:

    • a. de goederen op onregelmatige wijze hebben binnengebracht;

    • b. aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;

    • c. de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht.

Artikel 2.70a

  • 1 Indien aan de in artikel 2.29, tweede lid, bedoelde voorwaarden is voldaan, worden de betrokken goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 2.10, eerste lid en wordt de aangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de in artikel 2.29 bedoelde andere handeling wordt verricht.

  • 2 Indien bij een controle blijkt dat de in artikel 2.29 bedoelde andere handeling wordt verricht zonder dat de binnenkomende goederen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.29, tweede lid, worden deze goederen geacht op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht.

Artikel 2.71

  • 1 Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen verbonden aan de tijdelijke opslag van aan invoerrechten onderworpen goederen.

  • 2 De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop:

    • a. een tekort wordt vastgesteld bij opneming door de inspecteur van alle aanwezige goederen die tijdelijk zijn opgeslagen;

    • b. een tekort wordt vastgesteld bij afschrijving van het document onder dekking waarvan de goederen tijdelijk zijn opgeslagen; of

    • c. niet of niet tijdig wordt voldaan aan de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 2.12, derde lid.

  • 3 Schuldenaar is de persoon die op grond van artikel 2.12, tweede lid, de aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten heeft overgenomen.

Artikel 2.72

  • 1 Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

    • a. indien een document, dat is afgegeven ten geleide van het vervoer of ter dekking van de in-, uit- of opslag van aan invoerrechten onderworpen goederen, niet wordt gezuiverd;

    • b. indien een vermis in een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot wordt vastgesteld door, hetzij de inspecteur, hetzij de beheerder van het douane-entrepot of de tot het desbetreffende handels- en dienstenentrepot toegelaten rechtspersoon; of

    • c. in overige gevallen waarin aan invoerrechten onderworpen goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

  • 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop wordt vastgesteld dat het document niet overeenkomstig artikel 2.44 is gezuiverd.

  • 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop een vermis door de inspecteur wordt vastgesteld of het tijdstip waarop de beheerder van het douane-entrepot of een tot een handels- en dienstenentrepot toegelaten rechtspersoon melding maakt van een geconstateerd vermis.

  • 4 In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop door de inspecteur wordt vastgesteld dat aan invoerrechten onderworpen goederen, aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

  • 5 De schuldenaar van een douaneschuld, ontstaan ingevolge het eerste lid, is in een geval als bedoeld in:

    • a. onderdeel a, de persoon te wiens naam het te zuiveren document is gesteld;

    • b. onderdeel b, de beheerder van het douane-entrepot of de tot een handels- en dienstenentrepot toegelaten persoon, waarin het vermis is vastgesteld; of

    • c. onderdeel c, de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken en de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken, alsmede de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken.

Artikel 2.73

  • 1 Er ontstaat een douaneschuld bij invoer, indien aan met vrijstelling van invoerrechten ingevoerde goederen:

    • a. zonder toestemming van de inspecteur een andere bestemming wordt gegeven dan die waarvoor de vrijstelling is verleend;

    • b. de overige aan de vrijstelling verbonden voorwaarden niet, niet tijdig of niet behoorlijk zijn nagekomen; of

    • c. de vrijstelling ten onrechte is verleend doordat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dan wel andere goederen in de plaats zijn gesteld van die waarop de vrijstelling betrekking heeft.

  • 2 De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop in een geval als bedoeld in:

    • a. het eerste lid, onderdeel a, de goederen zijn gebruikt op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt, dan wel aan de goederen een andere bestemming wordt gegeven dan die waarvoor de vrijstelling is verleend;

    • b. het eerste lid, onderdeel b, de voorwaarden niet, niet tijdig, of niet behoorlijk zijn nagekomen; of

    • c. het eerste lid, onderdeel c, de goederen met vrijstelling zijn ingevoerd.

  • 3 De schuldenaar van een douaneschuld, ontstaan ingevolge het eerste lid, is in een geval als bedoeld in:

    • a. de onderdelen a en b, de vrijstellinggenietende;

    • b. onderdeel c, de vrijstellinggenietende en andere personen die de met vrijstelling ingevoerde goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voor handen hebben, of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden, leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de invoerrechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan zeker is gesteld.

Artikel 2.74

  • 1 Een douaneschuld gaat teniet:

    • a. door betaling van het verschuldigde bedrag aan invoerrechten en kosten;

    • b. door teruggaaf van het verschuldigde bedrag aan invoerrechten, als bedoeld in artikel 3.144, onderdeel b; of

    • c. indien de desbetreffende aangifte of het daarop afgegeven document krachtens artikel 2.34 onderscheidenlijk artikel 2.43 buiten werking is gesteld of ongeldig is gemaakt.

  • 2 Er ontstaat geen douaneschuld indien de belanghebbende bij goederen, waarvoor aangifte is gedaan, maar waarvoor geen toestemming tot wegvoering is verleend, of voor een andere bestemming dan invoer zijn aangegeven, ten genoegen van de inspecteur aantoont, dat door een oorzaak gelegen in de aard van de goederen, onvoorziene omstandigheden of overmacht, deze in hun geheel zijn vernietigd, onherstelbaar verloren zijn gegaan of anderszins voor een ieder onbruikbaar zijn geworden.

  • 3 Geen invoerrechten zijn verschuldigd, indien goederen waarvoor aangifte is gedaan, maar waarvoor geen toestemming tot wegvoering is verleend, of voor een andere bestemming dan invoer zijn aangegeven, overeenkomstig artikel 2.21 aan het Rijk worden afgestaan, of overeenkomstig artikel 2.22 worden vernietigd.

  • 4 Er ontstaat geen douaneschuld indien goederen waarvoor invoerrechten zijn verschuldigd, in beslag worden genomen en verbeurd worden verklaard.

Artikel 2.75

  • 1 Het bedrag van de douaneschuld wordt door de inspecteur vastgesteld met inachtneming van de bevindingen bij controle. De inspecteur stelt het verschuldigde bedrag voorlopig vast na de aanvaarding van de aangifte.

  • 2 Het vastgestelde bedrag van de douaneschuld, ook indien dit voorlopig is vastgesteld, wordt zo spoedig mogelijk aan de schuldenaar medegedeeld.

  • 3 Indien de bevindingen bij controle aanleiding geven tot een wijziging van het voorlopig vastgestelde bedrag, dan wordt daarvan mededeling gedaan aan de aangever.

Artikel 2.76

  • 1 Indien de inspecteur vaststelt dat:

    • a. een douaneschuld, welke ingevolge artikel 2.69 is ontstaan, ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is vastgesteld;

    • b. in deze wet voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden; of

    • c. teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

    kan hij de grondslagen vaststellen waarnaar de berekening, de creditering of de teruggaaf had moeten plaatsvinden en de alsdan verschuldigde invoerrechten, kosten en bestuurlijke boeten bij beschikking navorderen.

  • 2 Het bedrag van de douaneschuld ingevolge de artikelen 2.70 tot en met 2.73, wordt door de inspecteur berekend en vastgesteld zodra hij over de benodigde gegevens beschikt. Indien de inspecteur niet over de vereiste gegevens beschikt, wordt het bedrag bepaald door middel van schatting. De douaneschuld ingevolge voornoemde artikelen wordt bij beschikking nagevorderd.

  • 3 Navordering geschiedt uiterlijk binnen een termijn van vijf jaren te rekenen vanaf het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan, de creditering van de goederenrekening heeft plaatsgevonden of teruggaaf is verleend. Indien de inspecteur evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat was het juiste bedrag van de verschuldigde invoerrechten vast te stellen, kan navordering nog na het verstrijken van de genoemde termijn van vijf jaren worden gedaan.

  • 4 Navordering vindt niet plaats in gevallen waarin het na te vorderen bedrag aan invoerrechten minder bedraagt dan USD 8.

Artikel 2.77

De bedragen aan invoerrechten, bedoeld in de artikelen 2.75 en 2.76, worden vastgesteld op grond van de voor de betreffende goederen geldende grondslagen en maatstaf van heffing op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld is ontstaan.

Afdeling 2. Inning en invordering

Artikel 2.78

  • 1 De mededeling van het bedrag aan invoerrechten aan de schuldenaar geschiedt door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling. Het aanslagbiljet wordt voorzien van een dagtekening die geldt als dagtekening van de vaststelling van de uitnodiging tot betaling. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van het daaruit blijkende bedrag aan invoerrechten aan de ontvanger ter hand.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de inspecteur te nemen beschikking strekkende tot vaststelling van het bedrag van de:

    • a. teruggaaf als bedoeld in artikel 3.144;

    • b. verschuldigde kosten;

    • c. verschuldigde bestuurlijke boete.

  • 3 Op een aanslagbiljet mogen verschillende mededelingen van bedragen aan invoerrechten en bedragen als bedoeld in het tweede lid worden vermeld.

  • 4 Het model van het aanslagbiljet wordt bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgesteld.

  • 5 Het bedrag van de douaneschuld en bestuurlijke boete wordt door de schuldenaar voldaan bij de ontvanger:

    • a. ingeval van mededeling op de aangifte of mededeling als bedoeld bij artikel 2.75, tweede lid: uiterlijk de eerste werkdag nadat de mededeling is gedaan;

    • b. ingeval van navordering: uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs;

    • c. ingeval van uitstel van betaling verleend door de ontvanger: uiterlijk binnen de daarbij gestelde termijn;

    • d. ingeval een bestuurlijke boete bij afzonderlijke beschikking is opgelegd: uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.

  • 6 Indien de douaneschuld en bestuurlijke boete niet binnen de in het vijfde lid gestelde termijn is betaald, kunnen de verschuldigde invoerrechten, kosten en bestuurlijke boete op een door de schuldenaar gestelde zekerheid worden verhaald.

  • 7 Een douaneschuld, ontstaan ingevolge artikel 2.69, die niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, is betaald, wordt bij beschikking nagevorderd.

  • 8 Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing indien de douaneschuld minder dan USD 8 bedraagt.

  • 9 Indien een aanslagbiljet of een ander stuk dient te worden uitgereikt aan degene die geen vaste woon- of vestigingsplaats heeft op één van de BES eilanden, is ten behoeve van die uitreiking artikel 8.18 van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.79

  • 1 In afwijking van artikel 2.78, vijfde lid, kan de ontvanger op schriftelijk verzoek van de schuldenaar toestaan dat het over elke kalendermaand door hem verschuldigde bedrag aan invoerrechten binnen acht dagen na afloop van die maand wordt betaald.

  • 2 De toestemming tot maandkrediet wordt bij vergunning verleend, indien de schuldenaar op de BES eilanden is gevestigd en nadat hij doorlopende zekerheid heeft gesteld.

  • 3 De ontvanger kan nadere voorwaarden aan de vergunning stellen.

Artikel 2.80

Ter zake van de invordering van invoerrechten, bestuurlijke boeten, interest en kosten, zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, titel 5, van de Belastingwet BES, van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is bepaald.

Artikel 2.81

De personen, die schuldenaren zijn ingevolge artikel 2.69 tot en met 2.73, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de kosten, interest, verschuldigde invoerrechten en bestuurlijke boeten.

Artikel 2.82

  • 1 Elke bestuurder van een lichaam als bedoeld in artikel 1.3 van de Belastingwet BES, is hoofdelijk aansprakelijk voor door dat lichaam verschuldigde invoerrechten, bestuurlijke boeten, interest en kosten.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een lichaam als bedoeld in het eerste lid zelf bestuurder is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.

  • 3 Onder bestuurders van een lichaam zijn begrepen allen, die bij of na het ontstaan van de verschuldigdheid bestuurders waren, ook voor zover zij zijn af- of uitgetreden, rekening hebben gedaan of décharge hebben bekomen.

Artikel 2.83

  • 1 Invoerrechten, bestuurlijke boeten en kosten, zomede de ter zake verschuldigde interest kunnen worden verhaald op de goederen waarop de invoerrechten, bestuurlijke boeten, kosten of interest betrekking hebben, onverschillig wie de rechthebbenden op de goederen zijn, voor zover met die goederen in strijd met wettelijke regelingen is gehandeld.

  • 2 Het recht van verhaal, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op de goederen welke tot verpakking of berging van de aldaar vermelde goederen dienen.

  • 3 Een ieder die goederen als bedoeld in het eerste lid onder zich heeft, geeft die goederen aan de ontvanger op zijn vordering af.

Titel 5. Beschikking, bezwaar en beroep

Artikel 2.84

  • 1 De inspecteur dan wel de ontvanger geeft binnen negen maanden na ontvangst van een schriftelijk verzoek een beschikking. De beschikking wordt gemotiveerd en daarin wordt door de inspecteur dan wel de ontvanger gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. Bij het verzoek worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het verzoek.

  • 2 Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid kan tevens worden gedaan in gevallen waarin een belanghebbende een mondeling besluit in een schriftelijke vorm wenst te ontvangen. Een dergelijk verzoek moet binnen vier weken na de datum van het mondelinge besluit worden gedaan.

  • 3 Met een beschikking wordt gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven dan wel het niet tijdig geven van een beschikking.

  • 4 De toestemming gegeven door de ambtenaar, bedoeld in artikel 2.66, zesde lid, wordt aangemerkt als een beschikking genomen door de inspecteur. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.

Artikel 2.85

  • 1 Een voor de belanghebbende gunstige beslissing wordt met terugwerkende kracht ingetrokken, indien deze werd gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en de belanghebbende van de onjuistheid of onvolledigheid van die gegevens kennis droeg of redelijkerwijze kennis had moeten dragen.

  • 2 Een voor de belanghebbende gunstige beslissing wordt ingetrokken of gewijzigd indien in andere dan de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aan een of meer daaraan verbonden voorwaarden niet is of niet meer wordt voldaan.

  • 3 De intrekking of wijziging van een beslissing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan degene tot wie zij is gericht en wordt van kracht op de datum van bekendmaking of, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, op de datum waarop de beslissing is genomen.

  • 4 De intrekking of wijziging van een beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangemerkt als een beschikking.

Artikel 2.86

  • 1 Degene die bezwaar heeft tegen:

    • a. de toepassing van het geharmoniseerde systeem op door hem ten invoer aangegeven goederen;

    • b. de berekening van invoerrechten, bestuurlijke boeten, kosten of interest; of

    • c. een beschikking op grond van deze wet;

    kan binnen twee maanden na de mededeling van het vastgestelde bedrag van de douaneschuld dan wel bestuurlijke boete of interest, na de dagtekening van de beschikking of de dag waarop de beschikking als geweigerd geldt, een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur dan wel de ontvanger.

  • 2 Het bezwaarschrift moet zijn gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend. De inspecteur dan wel de ontvanger staat toe dat de motivering of de bij het bezwaar eventueel over te leggen bescheiden binnen een door hen nader te bepalen termijn worden ingediend.

  • 3 De inspecteur dan wel de ontvanger tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het bezwaarschrift en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.

  • 4 Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de inspecteur gehoord. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen.

  • 5 Op het bezwaarschrift wordt binnen negen maanden uitspraak gedaan door de inspecteur dan wel de ontvanger. Indien de uitspraak nadelig is voor de betrokken persoon, wordt dit met redenen omkleed.

  • 6 Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak.

  • 7 Indien het bezwaarschrift is gericht tegen een krachtens artikel 2.76 opgelegde navordering met betrekking tot welke niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 2.52, 2.53 en 2.62, dan wordt de navordering gehandhaafd, tenzij gebleken is dat deze onjuist is.

  • 8 De uitspraak is met redenen omkleed indien aan het bezwaar niet of niet ten volle wordt tegemoetgekomen.

  • 9 Indien de inspecteur of de ontvanger niet bevoegd is kennis te nemen van het bezwaarschrift doch een andere instantie wel, dan bevat de uitspraak een verwijzing naar die instantie.

  • 10 De inspecteur of de ontvanger reikt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak uit aan degene die bezwaar heeft gemaakt. Aan de uitspraak wordt zo spoedig mogelijk uitvoering gegeven.

  • 11 Op de vergoeding van kosten aan de schuldenaar in verband met de behandeling van zijn bezwaar, is artikel 8.95 van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.87

  • 1 Tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur of de ontvanger staat binnen twee maanden na de dagtekening van de uitspraak onderscheidenlijk het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 2.86, vijfde lid, beroep open bij het Gerecht in eerste aanleg.

  • 3 De inspecteur of de ontvanger is belast met de uitvoering van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg.

Titel 6. Zekerheid

Artikel 2.88

  • 1 Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op alle gevallen waarin in de douanewetgeving in zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld is voorzien.

  • 2 Zekerheid wordt gesteld door de schuldenaar of door de persoon die schuldenaar kan worden, uiterlijk op een door de inspecteur vast te stellen termijn.

  • 3 Overeenkomstig de bepalingen van deze titel kan de inspecteur zekerheidstelling eisen om de betaling van het met een douaneschuld overeenkomend bedrag aan invoerrechten en kosten te garanderen.

  • 4 De inspecteur eist voor bepaalde goederen of voor een bepaalde aangifte slechts één zekerheidstelling.

Artikel 2.89

  • 1 Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld aan de hand van de belangen en risico’s die voor het Rijk met de betreffende douanebestemming zijn gemoeid.

  • 2 Indien de belangen en risico’s, bedoeld in het eerste lid, niet kunnen worden vastgesteld of het treffen van maximale waarborgen is vereist, dan wordt het bedrag van de zekerheid vastgesteld op:

    • a. het bedrag van de desbetreffende douaneschuld, indien dit bedrag op het tijdstip waarop de zekerheidstelling wordt geëist, nauwkeurig kan worden bepaald; of

    • b. het door de inspecteur geraamde bedrag van de douaneschuld.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de gevallen worden vastgesteld waarin en de voorwaarden waaronder een forfaitaire zekerheid kan worden gesteld.

Artikel 2.90

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2.88 kan zekerheidstelling achterwege blijven, in gevallen waarin het bedrag van de eventueel verschuldigde invoerrechten lager is dan USD 56.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen instanties of organen worden aangewezen die ontheven zijn van de verplichting tot zekerheidstelling.

Artikel 2.91

  • 1 Bij beschikking gegeven op schriftelijk verzoek van de schuldenaar of persoon, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, kan de inspecteur beslissen dat ter dekking van verscheidene transacties, die tot het ontstaan van verschillende douaneschulden aanleiding geven of kunnen geven, een doorlopende zekerheid wordt gesteld.

  • 2 Het bedrag van een doorlopende zekerheid wordt, met inachtneming van artikel 2.89, eerste lid, zodanig vastgesteld dat de bedragen aan invoerrechten, die door de schuldenaar verschuldigd kunnen worden, daarmee kunnen worden voldaan.

  • 3 De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan tevens inhouden dat de doorlopende zekerheid bij meer dan één douanekantoor kan worden gebruikt.

  • 4 De beslissing tot het gebruik van een doorlopende zekerheid kan bij een voor bezwaar vatbare beschikking worden ingetrokken.

Artikel 2.92

  • 1 Zekerheid wordt gesteld door:

    • a. de storting in contant geld;

    • b. een borgstelling; of

    • c. een andere vorm van zekerheidstelling als bedoeld in artikel 2.95, mits aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan.

  • 2 De kosten van zekerheidstelling komen ten laste van de persoon die zekerheid stelt.

Artikel 2.93

  • 1 De storting van contant geld geschiedt in USD.

  • 2 Met de storting van contant geld wordt gelijk gesteld het deponeren van:

    • a. een cheque waarvan de betaling door de instelling waarop deze cheque is getrokken, wordt gegarandeerd op een voor de inspecteur aanvaardbare wijze; of

    • b. elk ander, door de ontvanger als betaalmiddel erkend waardepapier.

Artikel 2.94

  • 1 Bij een zekerheidstelling door borgstelling moet de borg zich er schriftelijk toe verbinden hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de douaneschuld.

  • 2 De borg is een op één van de BES eilanden gevestigde derde, die door de inspecteur is erkend. Ingeval van overbrenging van het domicilie buiten de BES eilanden, blijft de aansprakelijkheid bestaan, totdat de borgstelling door de inspecteur is opgezegd.

  • 3 De inspecteur kan weigeren de voorgestelde borg te erkennen, indien deze naar zijn oordeel niet alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald.

Artikel 2.95

De inspecteur kan ten behoeve van een doorlopende zekerheid aanvaarden:

  • a. het recht van hypotheek op een op de BES eilanden gelegen, onbezwaard onroerend goed, waarvan de waarde het beloop van de zekerheid met minstens de helft te boven gaat;

  • b. het vestigen van pandrecht op goederen, waardepapieren of schuldvorderingen met of zonder het houderschap daarvan, waarvan de waarde het beloop van de zekerheid met minstens 25 % te boven gaat.

Artikel 2.96

Indien de inspecteur vaststelt dat de gestelde zekerheid niet of niet meer voldoende waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijnen in haar geheel zal worden voldaan, dan wordt aan de schuldenaar of persoon, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, schriftelijk medegedeeld dat deze naar eigen keuze, doch binnen een door de inspecteur te stellen termijn, hetzij een aanvullende zekerheid dient te stellen, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe dient te vervangen.

Artikel 2.97

  • 1 De gestelde zekerheid wordt vrijgegeven, zodra de douaneschuld is tenietgegaan of geacht wordt niet te zijn ontstaan overeenkomstig artikel 2.74, dan wel niet meer kan ontstaan.

  • 2 Indien de douaneschuld ten dele is tenietgegaan of voor een gedeelte van het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld, niet meer kan ontstaan, wordt de gestelde zekerheid op verzoek van de belanghebbende dienovereenkomstig gedeeltelijk vrijgegeven, tenzij het betrokken bedrag dit niet rechtvaardigt.

Artikel 2.98

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen andere in het kader van de wet passende nadere regels worden gesteld ter aanvulling van in deze titel geregelde onderwerpen.

Titel 7. Douane-entrepots

Artikel 2.99

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, het stelsel van douane-entrepots vastgesteld dat geldt voor de opslag van goederen onder douanetoezicht in een door de inspecteur goedgekeurde inrichting zonder verschuldigdheid van invoerrechten.

Artikel 2.100

  • 1 Douane-entrepots kunnen zijn bestemd voor gebruik door eenieder of voor gebruik door een beheerder. Zij zijn ambtelijk gesloten, tenzij door de inspecteur in het geval van een douane-entrepot voor gebruik door een beheerder, wordt goedgekeurd dat onder de nodige waarborgen wordt afgezien van ambtelijke sluiting. Tot de bedoelde waarborgen behoort in elk geval dat zekerheid wordt gesteld voor de invoerrechten die verschuldigd kunnen worden.

  • 2 Accijnsgoederen mogen slechts in een douane-entrepot worden opgeslagen, indien deze bij of krachtens hoofdstuk IV voor zodanige opslag vatbaar zijn verklaard.

Artikel 2.101

  • 1 Voor het beheer van een douane-entrepot is een vergunning van de inspecteur vereist.

  • 2 De persoon die een douane-entrepot wenst te beheren, dient daartoe een schriftelijk verzoek in bij de inspecteur. Het verzoek bevat alle gegevens en informatie die nodig zijn voor een toetsing van het verzoek aan deze titel, aan de bij of krachtens artikel 2.99 bedoelde algemene maatregel van bestuur, alsmede gegevens waaruit blijkt dat er een economische behoefte bestaat aan de opslag in douane-entrepot zoals verzocht. De vergunning wordt slechts afgegeven aan op de BES eilanden gevestigde personen.

  • 3 De inspecteur geeft een vergunning tot het beheren van een douane-entrepot slechts af indien hij het toezicht en de controle daarop ongehinderd kan uitoefenen en zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.

  • 4 In de vergunning wordt vastgesteld onder welke voorschriften en beperkingen het douane-entrepot wordt beheerd.

  • 5 De vergunning is niet overdraagbaar. Voor de overname van een douane-entrepot wordt een verzoek gedaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.102

  • 1 Een douane-entrepot wordt niet in gebruik genomen alvorens de ligging, de afscheiding van andere percelen en de bouw daarvan zijn goedgekeurd door de inspecteur. Alle plaatsen die door de inspecteur zijn goedgekeurd als ruimten voor tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 2.12 kunnen ook als douane-entrepot worden goedgekeurd.

  • 2 De in- en uitslag van goederen binnen de daarvoor vastgestelde openingstijden, geschiedt onder toezicht van de inspecteur en wordt door deze vastgelegd in een goederenrekening met degene die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van goederen onder het entrepotstelsel.

  • 3 Indien de administratie van de beheerder naar het oordeel van de inspecteur daartoe voldoende waarborgen biedt, kan deze afzien van de eis van ambtelijke sluiting, doch onder zekerheidstelling voor de invoerrechten die verschuldigd kunnen worden. De administratie treedt tevens in de plaats van de goederenrekening, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 De inspecteur verricht periodiek een voorraadscontrole, teneinde vast te stellen of overeenstemming bestaat tussen de goederenrekening of administratie en de aanwezige goederen. Teveel bevonden goederen worden aangemerkt als in het douane-entrepot opgeslagen goederen.

Artikel 2.103

  • 1 In een vergunning als bedoeld in artikel 2.101 wordt bepaald voor welke soort goederen de opslag in douane-entrepot wordt goedgekeurd.

  • 2 De inspecteur kan, onder de nodige voorzieningen tegen misbruik en voor zover voldoende ruimte in het douane-entrepot aanwezig wordt geacht, toestaan dat goederen van een andere dan de soort, bedoeld in het eerste lid, worden opgeslagen in het douane-entrepot.

Artikel 2.104

  • 1 Goederen die zijn opgeslagen in douane-entrepot, blijven in de staat waarin zij zijn aangebracht. Op schriftelijk verzoek van de beheerder van het douane-entrepot en met toestemming van de inspecteur kunnen de goederen behandelingen ondergaan ter verzekering van hun bewaring in goede staat dan wel ter verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit dan wel ter voorbereiding op de distributie of wederverkoop.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op accijnsgoederen, indien in hoofdstuk IV zulks is bepaald.

Artikel 2.105

Tenzij de inspecteur bepaalt dat, binnen een door hem te stellen termijn, een nadere bestemming wordt gegeven aan goederen die zijn opgeslagen in een douane-entrepot dat is bestemd voor de opslag door een ieder, kunnen goederen voor onbepaalde tijd in douane-entrepot worden opgeslagen.

Artikel 2.106

  • 1 Een vergunning kan worden ingetrokken:

    • a. als de vergunninghouder schriftelijk hierom verzoekt;

    • b. indien niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning;

    • c. indien na gedane waarschuwing, de vergunninghouder weigert zijn verplichtingen na te komen;

    • d. indien onjuiste of onvolledige gegevens werden verstrekt die van beslissende invloed zijn geweest op het besluit tot afgifte van de vergunning;

    • e. als de vergunninghouder zijn bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt.

  • 2 De intrekking van de vergunning wordt schriftelijk en met redenen omkleed medegedeeld aan de vergunninghouder.

  • 3 Aan de goederen die op het moment van intrekking van de vergunning in het douane-entrepot zijn opgeslagen, wordt binnen een termijn van drie dagen te rekenen vanaf de datum van intrekking van de vergunning, een nadere douanebestemming gegeven. Indien na het verstrijken van bedoelde termijn geen nadere douanebestemming aan de goederen is gegeven wordt de douanebestemming invoer geacht te zijn gegeven aan de goederen. De inspecteur neemt alle nodige maatregelen om de situatie van deze goederen te regulariseren.

Titel 8. Bestuurlijke boeten en strafrechtelijke bepalingen

Afdeling 1. Bestuurlijke boeten

Artikel 2.107

Indien voor goederen de formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen, aanbrengen en inklaren, niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze formaliteiten te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.108

Indien voor goederen in tijdelijke opslag de formaliteiten welke nodig zijn om aan deze goederen een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de termijn, genoemd in artikel 2.12, derde lid, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.109

Indien voor goederen waaraan de douanebestemming tijdelijke invoer, doorgaand vervoer of doorvoer is gegeven, de aan deze bestemmingen verbonden formaliteiten ter beëindiging daarvan niet of niet tijdig worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.110

Indien in een ruimte voor tijdelijke opslag, douane-entrepot, of in een handels- en dienstenentrepot een vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de beheerder van de ruimte voor tijdelijke opslag, het douane-entrepot, of degene die tot vestiging in een handels- en dienstenentrepot is toegelaten onderscheidenlijk degene die aan de goederen de douanebestemming douane-entrepot of handels- en dienstenentrepot heeft gegeven, een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.111

Indien voor uitgaande goederen de formaliteiten met betrekking tot het uitgaan van deze goederen niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze formaliteiten te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.112

  • 1 Indien voor goederen waarvoor geen invoerrechten verschuldigd zijn of die voor vrijstelling in aanmerking komen, een onjuiste aangifte wordt gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de aangever een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

  • 2 Indien voor goederen, waarvoor invoerrechten verschuldigd zijn, een onjuiste aangifte wordt gedaan welke niet van invloed is op het bedrag van de verschuldigde invoerrechten, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de aangever een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.

Artikel 2.113

  • 1 Indien voor aan invoerrechten onderworpen goederen een onjuiste aangifte wordt gedaan, ten gevolge waarvan geen of minder invoerrechten zou worden betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de schuldenaar een boete van ten hoogste 25 percent van het bedrag van de verschuldigde dan wel meerverschuldigde invoerrechten kan opleggen, met dien verstande dat bij herhaling van de handeling dit percentage telkenmale met 25 percent wordt verhoogd tot ten hoogste 100 percent.

  • 2 Indien een handelen of nalaten tot een douaneschuld heeft geleid die ingevolge artikel 2.76 dan wel artikel 2.78, derde lid, wordt nagevorderd, terwijl de schuldenaar ter zake verwijtbaar is, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de douaneschuld, met een maximum van USD 5 600 kan opleggen.

  • 3 Indien het ontstaan van de douaneschuld als bedoeld in het tweede lid te wijten is aan opzet of grove schuld van de schuldenaar, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste 200 percent van het bedrag van de douaneschuld, doch ten minste USD 140 kan opleggen.

  • 4 Het in het derde lid genoemde percentage wordt verhoogd tot 300% en het daarin genoemde minimum wordt tot USD 560 verhoogd, indien de schuldenaar kan worden verweten bedrieglijke handelingen te hebben gepleegd of indien nog geen twee jaren zijn verstreken sinds hem een boete ingevolge dat lid is opgelegd.

  • 5 Het bedrag aan boete, dat op grond van het derde en het vierde lid wordt vastgesteld, is ten hoogste USD 14 000.

Artikel 2.114

Indien niet, niet tijdig of niet behoorlijk wordt voldaan aan een ingevolge deze wet vastgestelde voorwaarde, voorschrift of opgelegde verplichting:

  • a. aan een belanghebbende tot het aanwijzen van goederen;

  • b. voortvloeiend uit een vergunning welke is verleend;

  • c. aan een belanghebbende tot het overleggen van een juiste en volledige tekening dan wel het verstrekken van juiste of volledige informatie of gegevens;

  • d. aan een belanghebbende tot het verstrekken van inlichtingen, het verlenen van bijstand of medewerking en het overbrengen van goederen ten behoeve van visitatie;

  • e. tot het ervoor zorg dragen dat een aangebrachte identificatiemaatregel in stand blijft als bedoeld in artikel 2.55, derde lid; of

  • f. tot het kosteloos ter beschikking stellen van werklieden, hulpmiddelen en bijstand als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid;

vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze voorwaarde, bepaling of opgelegde verplichting te vervullen een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen. Indien de betrokkene opzet of grove schuld kan worden verweten, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur aan hem een boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.

Artikel 2.115

Het overtreden van een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur of regeling van Onze Minister wie het aangaat kan bij die algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk regeling van Onze Minister wie het aangaat, worden aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een boete kan opleggen van ten hoogste het in die algemene maatregel van bestuur of regeling van Onze Minister wie het aangaat te vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste USD 2 800 indien het verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en beloopt ten hoogste USD 140 indien het verzuim betrekking heeft op een regeling van Onze Minister wie het aangaat.

Artikel 2.116

De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in deze afdeling vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verzuim of het vergrijp waarop de boete betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.

Afdeling 2. Voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten

Artikel 2.117

  • 1 De inspecteur legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.

  • 2 Op verzoek van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is en die de kennisgeving van de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving van die beschikking vermelde gronden aan degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

  • 3 Indien een bestuurlijke boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een uitnodiging tot betaling, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.

Artikel 2.118

Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het bedrag aan invoerrechten, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van invoerrechten, voor zover deze vermindering of teruggaaf, het bedrag aan invoerrechten betreft waarover de boete is berekend.

Artikel 2.119

  • 1 Als degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, is overleden, wordt aan hem geen bestuurlijke boete opgelegd.

  • 2 Indien een bestuurlijke boete op het tijdstip van overlijden van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de inspecteur de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij beschikking.

  • 3 Indien een bestuurlijke boete op het tijdstip van het overlijden van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is onherroepelijk vaststaat, maar nog niet of niet volledig is betaald, verlaagt de inspecteur op verzoek van een belanghebbende of uit eigen beweging de boete tot het op het tijdstip betaalde bedrag bij beschikking.

  • 4 Het verzoek, bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk derde lid, wordt ingediend binnen vijf jaren nadat degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, is overleden.

Artikel 2.120

  • 1 Alvorens een bestuurlijke boete wegens een vergrijp op te leggen, stelt de inspecteur degene aan wie het vergrijp te wijten is in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

  • 2 De inspecteur stelt degene aan wie het vergrijp te wijten is in de gelegenheid binnen een door hem te stellen termijn de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.

Artikel 2.121

  • 1 De inspecteur kan degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de inspecteur hem mee dat hij zich desgewenst kan laten bijstaan.

  • 2 Voordat het verhoor aanvangt, deelt de inspecteur degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

  • 3 Op verzoek van degene aan wie het verzuim of vergrijp te wijten is en die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zorg voor dat een tolk wordt benoemd die degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is tijdens het verhoor kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat; aan de tolk wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend ingevolge het Besluit tarief justitiekosten strafzaken.

Artikel 2.122

De inspecteur stelt degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarop het voornemen tot het opleggen, dan wel het opleggen van een bestuurlijke boete berust.

Artikel 2.123

De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van het feit op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen degene die haar heeft belopen een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek op de zitting van het Gerecht in eerste aanleg is aangevangen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 2.147 van deze wet.

Artikel 2.124

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan degene aan het verzuim of het vergrijp te wijten is, aan wie ingevolge de douanewetgeving een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Artikel 2.125

Van de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete kan door of vanwege Onze Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.

Afdeling 3. Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 2.126

  • 1 Degene die op onregelmatige wijze goederen binnenbrengt op één van de BES eilanden wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Degene die een in het eerste lid genoemd feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.127

  • 1 Degene die in strijd met artikel 2.18 goederen naar een plaats buiten één van de BES eilanden brengt, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

  • 2 Degene die een in het eerste lid genoemd feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 2.128

  • 1 Degene die een bij dit hoofdstuk vereiste aangifte dan wel een verklaring tot inklaring of tot uitklaring niet, onjuist of onvolledig doet, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Met dezelfde straf wordt gestraft degene die aan goederen een douanebestemming geeft terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verschil bestaat tussen de goederen en de omschrijving daarvan in de aangifte en op vordering van de daarmee belaste ambtenaar de goederen of een bepaald gedeelte daarvan aanwijst zonder die ambtenaar van die wetenschap of het vermoeden op de hoogte te stellen.

  • 3 Voor zover niet het tegendeel blijkt of is bepaald, wordt bij bevindingen van verschil tussen de goederen en de omschrijving daarvan in de aangifte dan wel de verklaring tot inklaring of tot uitklaring dit verschil reeds geacht bij het doen van de aangifte te hebben bestaan.

  • 4 Degene die een in het eerste lid bedoelde feit opzettelijk begaat met het oogmerk om de invoerrechten geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.129

  • 1 Degene die goederen, waarvoor een in dit hoofdstuk voorziene aangifte dan wel verklaring tot inklaring of tot uitklaring niet is gedaan, lost, laadt, vervoert, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaat, voorhanden heeft of daaruit uitslaat, koopt, verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, terwijl de invoerrechten niet zijn voldaan, noch overeenkomstig deze wet zijn verzekerd, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Goederen welke in strijd met deze wet worden gelost, geladen, vervoerd, in enig gebouw, erf of besloten terrein worden ingeslagen, voorhanden gehouden of daaruit uitgeslagen, of worden vervoerd, ingeslagen, voorhanden gehouden of uitgeslagen in strijd met een daartoe strekkend verbod, worden geacht te vallen onder het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat daarvan de verschuldigde invoerrechten zijn voldaan of de heffing van die rechten overeenkomstig dit hoofdstuk is verzekerd.

  • 3 Degene die een feit als omschreven in de voorgaande leden begaat, terwijl hij weet of vermoedt of redelijkerwijs kon vermoeden dat de invoerrechten niet zijn voldaan, noch overeenkomstig deze wet zijn verzekerd, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.130

  • 1 Degene die bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet tegenover de inspecteur een of meer valse of vervalste bescheiden gebruikt of doet gebruiken, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Degene die het feit omschreven in het eerste lid opzettelijk begaat met het oogmerk om de invoerrechten geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.131

  • 1 Degene die ingevolge dit hoofdstuk bevoegd is gebruik te maken van een vereenvoudigde regeling inzake een bepaalde douaneprocedure en in strijd met de voorwaarden en bepalingen daarvan handelt wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Degene die het in het voorgaand lid omschreven feit opzettelijk begaat met het oogmerk om de invoerrechten geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.132

  • 1 Degene die in strijd handelt met de verplichtingen en voorwaarden die voortvloeien uit een douanebestemming die bij dit hoofdstuk aan goederen is gegeven wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dat dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Degene die het in het eerste lid genoemde feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.133

  • 1 Degene die de in de artikelen 3.31 en 3.148 opgenomen verbodsbepalingen overtreedt, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten dan wel de teruggegeven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven of teveel teruggegeven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 2 Degene die het in het eerste lid omschreven feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten dan wel de teruggegeven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven of teveel teruggegeven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.134

  • 1 Degene die niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig voldoet aan een hem bij dit hoofdstuk opgelegde verplichting:

    • a. tot het inrichten en voeren van een administratie op de voorgeschreven wijze en het bewaren van gegevensdragers of de inhoud daarvan;

    • b. tot het ter inzage geven of ter beschikking stellen van gegevensdragers of de inhoud daarvan aan de inspecteur of aan andere met administratieve rechtsmacht beklede bevoegde ambtenaren;

    • c. tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen;

    • d. welke is opgenomen in een vergunning, aan hem verleend als gebruiker van een gebouw, erf of besloten terrein;

    • e. tot het gehoor geven aan een vordering die is gedaan door de inspecteur,

    wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide voormelde straffen.

  • 3 Degene die de in het eerste of tweede lid omschreven feiten opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide voormelde straffen.

Artikel 2.135

  • 1 Overtreding van krachtens dit hoofdstuk bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft hetzij met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

  • 2 Overtreding van krachtens dit hoofdstuk bij regeling van Onze Minister wie het aangaat vastgestelde bepalingen, wordt voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de derde categorie.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van krachtens artikel 2.26 vastgestelde bepalingen, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit en betrekking heeft op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 2.136

De bedragen, bedoeld in de artikelen 2.126 tot en met 2.135 ten aanzien van geldboetes, worden verhoogd met eenmaal het bedrag van die boete indien het bepaalde in die artikelen betrekking heeft op goederen die aan accijns zijn onderworpen.

Artikel 2.137

Degene die opzettelijk het in artikel 4.6 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns, hetzij met één van deze straffen.

Artikel 2.138

Degene die opzettelijk een accijnsgoed waarvoor vrijstelling of teruggaaf van accijns is verleend een bestemming geeft waarvoor geen vrijstelling of teruggaaf van accijns zou zijn verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns, hetzij met één van deze straffen.

Artikel 2.139

  • 1 Degene die het in artikel 4.66, eerste lid, opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

  • 2 Degene die het in artikel 4.66, eerste lid, opgenomen verbod overtreedt terwijl hij weet of redelijkerwijs kan weten dat het distilleertoestel bestemd is of zal worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 2.140

  • 2 Degene die een van de in het eerste lid bedoelde verboden opzettelijk overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de vierde categorie, hetzij met één van deze straffen.

Artikel 2.141

  • 1 Degene die tabaksproducten die in strijd met artikel 4.51 niet zijn voorzien van de voorgeschreven accijnszegels uitslaat of invoert, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie

  • 2 Degene die het in het eerste lid bedoelde verbod opzettelijk overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de vierde categorie, hetzij met één van deze straffen.

Artikel 2.142

  • 1 Degene die ter verkrijging van de beschikking tot toelating van een rechtspersoon tot een handels- en dienstenentrepot, opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, wordt gestraft, hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en met geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.

  • 2 Degene aan wiens schuld te wijten is dat de in het eerste lid bedoelde gegevens onjuist of onvolledig zijn verstrekt, wordt gestraft hetzij met hechtenisstraf van ten hoogste een jaar en met geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.

  • 3 Degene die goederen vanuit een handels- en dienstenentrepot zonder de vereiste douaneformaliteiten te vervullen uitslaat, dan wel goederen in een handels- en dienstenentrepot voorhanden heeft die ingevolge de bij of krachtens artikel 5.7 bedoelde regeling, daarin niet aanwezig mogen zijn, dan wel goederen in een handels- en dienstenentrepot voorhanden heeft in strijd met de in genoemde regeling voor het hebben van die goederen in een handels- en dienstenentrepot gestelde voorwaarden, wordt gestraft, hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf maanden en met geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.

  • 4 De goederen, bedoeld in het derde lid, worden verbeurd verklaard en overeenkomstig artikel 2.133 van deze wet in beslag genomen.

Afdeling 4. Algemene bepalingen van strafrecht

Artikel 2.143

De bij dit hoofdstuk strafbaar gestelde feiten, waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij dit hoofdstuk strafbaar gestelde feiten, alsmede de in de op dit hoofdstuk berustende bepalingen gestelde feiten, zijn overtredingen.

Artikel 2.144

Bij onherroepelijke veroordeling wegens een bij wettelijke regelingen als misdrijf aangemerkt strafbaar feit alsmede wegens een bij artikel 2.149, onderdeel a, bedoeld misdrijf, begaan door een douane-expediteur in de uitoefening van zijn bedrijf, kan de rechter ontzetting uitspreken van het recht om het bedrijf van douane-expediteur uit te oefenen voor een tijd die de duur van de gevangenisstraf ten minste zes maanden en ten hoogste zes jaren te boven gaat, of in geval van veroordeling tot geldboete als enige hoofdstraf, voor een tijd van tenminste zes maanden en ten hoogste zes jaren.

Artikel 2.145

Het recht tot strafvervolging op de voet van deze afdeling met betrekking tot een verzuim of een vergrijp als bedoeld in deze titel, vervalt ten aanzien van degene aan wie de inspecteur ter zake van dat verzuim of dat vergrijp reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd.

Afdeling 5. Algemene bepalingen van strafvordering

Artikel 2.146

  • 1 Met het opsporen van bij dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn behalve de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde personen belast, de inspecteur, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.

  • 2 Bij het opsporen van bij dit hoofdstuk strafbaar gestelde feiten gelden de opsporingsbevoegdheden en procedures van het Wetboek van Strafvordering BES, tenzij in deze afdeling hiervan afwijkende bepalingen zijn opgenomen.

  • 3 Alle processen-verbaal betreffende bij dit hoofdstuk of de op daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging wenselijk acht.

  • 4 De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 2 147.

Artikel 2.147

  • 1 In zaken waarin de inspecteur het procesverbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 2.146, derde lid, in handen van de officier van justitie heeft doen toekomen, vervalt het recht tot strafvervolging door vrijwillige voldoening aan de schikkingvoorwaarden die de inspecteur ter voorkoming van strafvervolging heeft gesteld. Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid namens de inspecteur kunnen uitoefenen.

  • 2 Bij beschikking van de inspecteur kunnen als voorwaarden worden gesteld:

    • a. betaling van een geldsom aan het Rijk, te bepalen op ten minste USD 56 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor dat feit kan worden opgelegd;

    • b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;

    • c. uitlevering, of voldoening aan het Rijk van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;

    • d. voldoening aan het Rijk van een geldsom gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van de besparing van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit; of

    • e. het alsnog voldoen aan een uit deze wet voortvloeiende verplichting.

  • 3 De inspecteur bepaalt telkens de termijn waarbinnen aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan en zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan voor de afloop ervan een keer worden verlengd.

  • 4 De in het tweede lid bedoelde geldsommen worden ingevorderd op de wijze voorzien in hoofdstuk VIII, titel 5, van de Belastingwet BES. Daartoe wordt een afschrift van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, aan de ontvanger ter hand gesteld.

Artikel 2.148

  • 1 De inspecteur en de ambtenaren belast met de opsporing van de bij dit hoofdstuk of de op daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering BES voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

  • 2 De goederen, vaartuigen, voertuigen, werktuigen, gereedschappen of andere voorwerpen, waarmede enige overtreding van deze wet is gepleegd, kunnen door de in het eerste lid bedoelde ambtenaren als stukken van overtuiging worden ingenomen en door hen in beslag worden genomen indien zij vatbaar voor verbeurdverklaring zijn.

  • 3 Bij het opsporen van bij dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen strafbare gestelde feiten hebben de inspecteur en de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats welke zij redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig vinden. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.

  • 4 In een woning treden zij op de voet van het eerste lid zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan vergezeld van een officier van justitie of hulpofficier van justitie dan wel voorzien van een algemene of bijzondere schriftelijke last van de procureur-generaal of van de officier van justitie, dan wel voorzien van een bijzondere schriftelijke last van een zijner hulpofficieren.

  • 5 Van het in het vierde lid bedoelde binnentreden wordt binnen tweemaal vierentwintig uur proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt melding gemaakt van het tijdstip van het binnentreden en van het beoogde doel, alsmede van de omstandigheid dat zij zich door bepaalde personen hebben doen vergezellen.

Artikel 2.149

  • 2 De ontvanger en degenen die namens hem een taak uitoefenen zijn belast met de opsporing van de in het eerste lid omschreven misdrijven.

Artikel 2.150

  • 1 Met betrekking tot bij dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten is de inspecteur bevoegd een van een misdrijf verdachte persoon naar een plaats voor verhoor te geleiden dan wel diens aanhouding of voorgeleiding te bevelen.

  • 2 Indien de inspecteur die de verdachte heeft aangehouden of voor wie de verdachte wordt geleid de inverzekeringstelling of de bewaring van de verdachte nodig oordeelt, doet hij de verdachte voorgeleiden voor de officier van justitie of voor een hulpofficier van justitie.

  • 3 Indien de verdachte niet voor de officier van justitie of voor een hulpofficier van justitie wordt voorgeleid, wordt de verdachte, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.

  • 4 De verdachte mag niet langer dan zes uren voor verhoor worden opgehouden met dien verstande dat de tijd tussen 10 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens, alsmede de tijd benodigd voor de overbrenging van de plaats van aanhouding naar de plaats van verhoor, niet wordt meegerekend.

Artikel 2.151

  • 1 De goederen die in beslag zijn genomen ter zake van het begaan van strafbare feiten als bedoeld in dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen kunnen, voor zover de eisen van het onderzoek of het algemeen belang bij hun vernietiging of onbruikbaarmaking zich daartegen niet verzetten, zo nodig na monsterneming, overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels, tegen zekerheidstelling worden vrijgegeven.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van goederen, in beslag genomen in zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal ingevolge het bepaalde in artikel 2.146, derde lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen en deze niet nadien het proces-verbaal overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.146, vierde lid weer in handen heeft gesteld van de inspecteur.

  • 3 De overeenkomstig het eerste lid gestelde zekerheid treedt voor de toepassing van bepalingen betreffende verbeurdverklaring en inbeslagneming, alsmede voor de uitoefening van het recht van verhaal, in de plaats van de in beslag genomen goederen.

Artikel 2.152

Bij veroordeling wegens een in de artikelen 2.126 tot en met 2.129 en 2.133 omschreven feiten kunnen de in artikel 35 van het Wetboek van Strafrecht BES genoemde voorwerpen en vorderingen ook worden verbeurd verklaard, indien zij niet aan de in dat artikel bedoelde personen toebehoren.

Artikel 2.153

Ten dienste van de vervolging en berechting van bij dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.

Artikel 2.154

De griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verstrekt aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van vonnissen of beslissingen, met toepassing van dit hoofdstuk gewezen of genomen.

Artikel 2.155

  • 1 Van goederen die ter zake van het begaan van strafbare feiten als bedoeld in dit hoofdstuk of de op daarop berustende bepalingen, in beslag zijn genomen van onbekende personen, wordt volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels in het openbaar mededeling gedaan.

  • 2 Indien niet binnen een jaar na dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling op voldoende wijze blijkt wie de ten aanzien van de in beslag genomen goederen bevonden overtreding van de douanewetgeving heeft begaan en evenmin de belanghebbende bij de goederen aannemelijk maakt dat zij ten onrechte in beslag zijn genomen, vervallen de goederen aan de Staat.

Titel 9. Geheimhouding en bijzondere bepalingen

Artikel 2.156

  • 1 Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit hoofdstuk, hoofdstuk III of hoofdstuk V en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 2 Onze Minister van Financiën kan ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.157 [Vervallen per 01-01-2012]

Hoofdstuk III. Invoerrechten

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1

  • 1 Op de bepalingen in dit hoofdstuk zijn de bepalingen in of krachtens hoofdstuk II van toepassing.

  • 2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

    • a. geharmoniseerde systeem: goederenlijst met cijfercoderingen gebaseerd op het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (Trb. 1985, 108);

    • b. vrijstelling: invoer van een categorie van goederen zonder heffing van invoerrechten vanwege hun aard of bijzondere bestemming.

Artikel 3.2

  • 1 Onder de naam invoerrechten wordt een belasting geheven ter zake van de invoer van goederen op één van de BES eilanden.

  • 2 Het tarief van de invoerrechten bedraagt USD nihil.

Artikel 3.3

Invoerrechten worden geheven naar de waarde van de goederen, vastgesteld aan de hand van de in titel 2 van dit hoofdstuk opgenomen bepalingen.

Artikel 3.4

  • 1 Voor de vaststelling van het belastbare gewicht van naar het gewicht belaste goederen wordt verstaan onder nettogewicht of gewicht zonder nadere aanduiding: het eigen gewicht van het goed, ontdaan van alle verpakkingsmiddelen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden beschouwd als verpakkingsmiddelen: alle uitwendige en inwendige verpakkingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen.

Artikel 3.5

  • 1 Voor de berekening van invoerrechten wordt de waarde naar boven afgerond in eenheden USD.

  • 2 Gedeelten van een kilogram, van een liter of van een meter worden respectievelijk als een heel kilogram, een hele liter of een hele meter in aanmerking genomen.

  • 3 Indien de hoeveelheid waarover het invoerrecht moet worden berekend, minder is dan een kilogram, een liter of een meter, wordt in afwijking van het tweede lid, een hoeveelheid die dient als grondslag voor de berekening, bedoeld in het tweede lid, zodanig afgerond dat een gedeelte van 100 gram, een gedeelte van een deciliter of een gedeelte van een decimeter in aanmerking wordt genomen als 100 gram, een hele deciliter of een hele decimeter.

  • 4 De door de aangever verschuldigde invoerrechten worden voor elke onder een post op een aangifte ten invoer aangegeven partij goederen naar boven afgerond op USD 0,10.

Titel 2. Douanewaarde

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.6

  • 1 Voor de toepassing van deze titel en titel 3 wordt verstaan onder:

    • a. douanewaarde: de waarde van de ingevoerde goederen;

    • b. identieke goederen: in hetzelfde land voortgebrachte goederen die in alle opzichten, met inbegrip van de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie gelijk zijn, maar waarbij geringe verschillen in uiterlijk geen beletsel zijn om die goederen aan te merken als identiek;

    • c. soortgelijke goederen: in hetzelfde land voortgebrachte goederen die, ofschoon zij niet in alle opzichten eender zijn, dezelfde kenmerken vertonen en gelijksoortige bestanddelen bevatten waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel uitwisselbaar kunnen zijn.

  • 2 Bij de vaststelling of goederen soortgelijk zijn, worden factoren als de kwaliteit van de goederen, hun reputatie en de aanwezigheid van een fabriekmerk of een handelsmerk in aanmerking genomen.

  • 3 Voor de toepassing van deze titel worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien:

    • a. zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken;

    • b. zij ingevolge wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden;

    • c. zij tot elkaar in een werkgever – werknemer – verhouding staan;

    • d. enig persoon, rechtstreeks of zijdelings, 5% of meer van het stemgerechtigd uitstaand kapitaal of aandelen van beide bezit, controleert of houdt;

    • e. één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert;

    • f. beide, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon;

    • g. zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren; of

    • h. zij leden zijn van dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn:

      • 1°. echtgenoot en echtgenote;

      • 2°. ouder en kind;

      • 3°. broers en zusters;

      • 4°. grootouder en kleinkind;

      • 5°. oom of tante en neef of nicht;

      • 6°. schoonouder en schoondochter of schoonzoon;

      • 7°. zwagers en schoonzusters.

  • 4 Voor de toepassing van deze titel worden personen die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, enkel geacht te zijn verbonden, indien zij aan een van de criteria van het derde lid voldoen.

Artikel 3.7

Het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde is, tenzij anders is bepaald, het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard.

Artikel 3.8

Een ieder die direct of indirect bij de invoer van goederen is betrokken, dient aan de inspecteur binnen een door hem vastgestelde termijn alle nodige bescheiden en inlichtingen met betrekking tot die invoer te verstrekken en de inspecteur alle bijstand te verlenen, die hij redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Artikel 3.9

  • 1 Bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van de artikelen 3.14 tot en met 3.24, dient van elke afzonderlijke transactie een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde te worden overgelegd tenzij de goederen niet aan invoerrechten zijn onderworpen.

  • 2 De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde kan alleen worden overgelegd door een aangever die zijn verblijfplaats of handelsvestiging heeft op een van de BES eilanden en die beschikt over de feitelijke gegevens van de betreffende transactie, tenzij de aangever van de goederen de douanebestemming doorgaand vervoer of tijdelijke invoer geeft.

  • 3 De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde bevat alle noodzakelijke gegevens ter bepaling van de douanewaarde en wordt opgenomen in de elektronische aangifte. Indien de aangifte schriftelijk wordt gedaan, wordt de verklaring gesteld op een formulier dat overeenstemt met een bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgesteld model.

  • 4 De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde kan achterwege blijven, indien:

    • a. de douanewaarde per zending, niet zijnde deelzendingen of zendingen die geregeld door eenzelfde afzender aan eenzelfde geadresseerde worden gezonden, niet meer bedraagt dan USD 4 190; of

    • b. het incidentele zendingen betreft die uitsluitend goederen bevatten bestemd voor het persoonlijk gebruik door de geadresseerde of door leden van zijn gezin, waarbij uit de aard en de hoeveelheden van de goederen geen commerciële bijbedoelingen blijken.

  • 5 De inspecteur kan ten aanzien van goederen die regelmatig op dezelfde plaats worden ingevoerd en die het voorwerp uitmaken van overeenkomsten, gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper, onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de in het eerste lid bedoelde gegevens niet alle bij iedere aangifte ten invoer worden verstrekt.

Artikel 3.10

  • 1 De aangever verstrekt een afzonderlijke opgave van gegevens met behulp waarvan de aangegeven douanewaarde is berekend, indien:

    • a. een andere methode van waardebepaling wordt gehanteerd dan die bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a; of

    • b. ingevolge artikel 3.9, vierde lid, een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde als bedoeld in dat artikel, achterwege kan blijven, tenzij de aangegeven douanewaarde rechtstreeks uit de factuur of uit andere bescheiden blijkt.

  • 2 De opgave bevat ten minste:

    • a. de methode van bepaling van de douanewaarde;

    • b. een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening; en

    • c. indien van toepassing, een verwijzing naar een door de inspecteur op grond van artikel 3.18, vierde lid, genomen beslissing.

  • 3 Ingeval de aangifte ten invoer schriftelijk is gedaan legt de aangever een exemplaar van de factuur aan de inspecteur over, indien de douanewaarde van de in te voeren goederen op grond van die factuur is aangegeven. De inspecteur behoudt dit exemplaar.

Artikel 3.11

Indien de inspecteur afwijkt van de aangifte, verstrekt hij binnen één maand na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek, een schriftelijke toelichting op de wijze waarop het geharmoniseerde systeem is toegepast dan wel de douanewaarde van de ingevoerde goederen is vastgesteld, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 3.15, derde lid.

Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk één maand na het vaststellen van de verschuldigde invoerrechten schriftelijk bij de inspecteur ingediend.

Artikel 3.12

  • 1 Indien gegevens voor de bepaling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een andere munteenheid dan die van de BES eilanden, wordt gebruik gemaakt van de officiële wisselkoers zoals die is vastgesteld op het tijdstip waarop de invoerrechten verschuldigd worden.

  • 2 Indien op het tijdstip waarop de invoerrechten verschuldigd worden de officiële wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, niet is gepubliceerd of op het internet bekend gemaakt, wordt voor de bepaling van de douanewaarde de gemiddelde wisselkoers van de voorafgaande week gehanteerd.

  • 3 Indien gegevens voor de bepaling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor het stelsel van Federale banken van de Verenigde Staten van Amerika geen wisselkoersen publiceert, wordt een wisselkoers gehanteerd op basis van die munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de voorlaatste maandag van de maand in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 4 De wisselkoers, bedoeld in het derde lid, geldt gedurende de kalendermaand die volgt op de in het derde lid bedoelde publicatie in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 5 Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in het derde lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de voorlaatste maandag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.

  • 6 Indien een munteenheid als bedoeld in het derde lid revalueert of devalueert, waardoor de in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers vijf percent of meer afwijkt van de in het derde lid bedoelde wisselkoers, wordt de gerevalueerde dan wel gedevalueerde wisselkoers als nieuwe wisselkoers gebruikt.

Artikel 3.13

Indien goederen in een handels- en dienstenentrepot, een behandeling hebben ondergaan of in een douane-entrepot een bepaalde door de inspecteur toegestane behandeling hebben ondergaan, wordt op verzoek van de aangever voor het bepalen van het bedrag van de invoerrechten uitgegaan van de soort, de douanewaarde en de hoeveelheid die in aanmerking zouden zijn genomen indien de goederen niet aan genoemde behandelingen zouden zijn onderworpen.

Afdeling 2. Methoden van bepaling douanewaarde

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.14

  • 1 De douanewaarde van in te voeren goederen wordt vastgesteld met toepassing van:

    • a. de transactiewaardemethode;

    • b. de transactiewaarde van identieke goederen;

    • c. de transactiewaarde van soortgelijke goederen;

    • d. de terugrekenmethode;

    • e. de methode van de berekende waarde;

    • f. de methode van redelijke middelen.

  • 2 De douanewaarde wordt met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde methode vastgesteld, indien aan de in paragraaf 2 opgenomen voorwaarden is voldaan. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig die paragraaf.

  • 3 Indien een aangegeven douanewaarde op basis van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde methode niet aanvaard kan worden, wordt deze vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde methode, tenzij in de mogelijkheid van een aanpassing van de douanewaarde is voorzien. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig paragraaf 3.

  • 4 Indien de douanewaarde van goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde methodes, wordt deze vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde methode. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig paragraaf 4.

  • 5 Indien de douanewaarde van goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde methodes, wordt deze vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde methode. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig paragraaf 5. Op verzoek van de importeur kan evenwel de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde methode worden toegepast overeenkomstig het zesde lid.

  • 6 Indien de douanewaarde van goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde methodes, wordt deze vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde methode. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig paragraaf 6.

  • 7 Indien de douanewaarde van goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde methodes, wordt deze vastgesteld met toepassing van de in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde methode. De toepassing van deze methode geschiedt overeenkomstig paragraaf 7.

Artikel 3.15

  • 1 Indien naar het oordeel van de inspecteur niet voldoende zekerheid of informatie is verkregen over de echtheid of de juistheid van de verklaringen, bescheiden of aangiften die ten behoeve van de vaststelling van de douanewaarde zijn overlegd, is deze bevoegd de aangegeven douanewaarde niet te aanvaarden.

  • 2 De inspecteur behoeft de douanewaarde van ingevoerde goederen niet met toepassing van de methode van de transactiewaarde vast te stellen, indien gerede twijfel bestaat of de aangegeven waarde met de in artikel 3.16 omschreven werkelijk betaalde of te betalen prijs overeenkomt.

  • 3 Indien bij de inspecteur de in het tweede lid bedoelde twijfel blijft bestaan, stelt hij de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en biedt hij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden.

  • 4 De vaststelling van de douanewaarde wordt bij beschikking aan de belanghebbende meegedeeld.

Paragraaf 2. De transactiewaarde

Artikel 3.16

  • 1 De douanewaarde van de in te voeren goederen is de transactiewaarde van die goederen, zijnde de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar de BES eilanden, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig de artikelen 3.18 en 3.19.

  • 2 De transactiewaarde wordt als douanewaarde aanvaard, tenzij:

    • a. beperkingen aanwezig zijn voor wat betreft de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, met uitzondering van beperkingen die:

      • 1°. worden opgelegd of geëist door de wet of de autoriteiten op de BES eilanden;

      • 2°. het geografische gebied beperken waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht; of

      • 3°. de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloeden;

    • b. de verkoop of de prijs is beïnvloed door enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen niet kan worden vastgesteld;

    • c. een deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de goederen door de koper direct of indirect ten goede zal komen aan de verkoper, en een aanpassing overeenkomstig artikel 3.18 niet mogelijk is;

    • d. de koper en de verkoper zijn verbonden en de transactiewaarde niet overeenkomstig artikel 3.17 aanvaardbaar is.

  • 3 De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper ten behoeve van de verkoper aan een derde voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht.

  • 4 De betaling kan door de overdracht van geld en door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier geschieden. De betaling kan direct of indirect plaatsvinden.

  • 5 De door de koper of voor zijn rekening verrichte activiteiten die geen activiteiten zijn waarvoor in artikel 3.18 in een aanpassing is voorzien, worden niet beschouwd als een indirecte betaling aan de verkoper en worden aangemerkt als voor eigen rekening te zijn verricht, zelfs indien deze activiteiten geacht kunnen worden de verkoper tot voordeel te strekken of met diens instemming te zijn verricht.

  • 6 Onder de in het vijfde lid bedoelde activiteiten wordt begrepen activiteiten die verband houden met het verhandelen van de goederen, zoals marktonderzoek, reclame voor en promotie van de verkoop van de betrokken goederen, alsmede door de koper voor eigen rekening verrichte activiteiten die verband houden met de voor de goederen verstrekte garantie.

  • 7 Indien goederen die ten invoer worden aangegeven, deel uit maken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, is de werkelijk betaalde of te betalen prijs, voor de toepassing van artikel 3.16, eerste lid, een prijs die in dezelfde verhouding staat tot de totale prijs als de aangegeven hoeveelheid staat tot de totale aangekochte hoeveelheid.

  • 8 Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging vóór de invoer van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald.

  • 9 Indien de goederen tussen het tijdstip van de verkoop en het tijdstip van invoer in een derde land zijn gebruikt, is de toepassing van de transactiewaarde niet verplicht.

  • 10 De koper dient aan geen enkele voorwaarde te voldoen dan partij te zijn bij het koopcontract.

Artikel 3.17

  • 1 Bij een verkoop tussen verbonden personen wordt de transactiewaarde aanvaard als:

    • a. de verbondenheid geen invloed heeft gehad op de prijs; of

    • b. op hetzelfde of ongeveer hetzelfde tijdstip die waarde een van de volgende waarden zeer dicht nabij komt:

      • 1°. de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen bij verkopen voor uitvoer naar de BES eilanden tussen kopers en verkopers die niet zijn verbonden;

      • 2°. de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen zoals vastgesteld met toepassing van de terugrekenmethode.

  • 2 Bij het vaststellen of de transactiewaarde aanvaardbaar is, is het feit dat de koper en de verkoper verbonden zijn op zichzelf niet voldoende reden om de transactiewaarde als niet aanvaardbaar aan te merken.

  • 3 Bij de toepassing van de in het eerste lid, onderdeel b, opgenomen criteria wordt rekening gehouden met verschillen in handelsniveau, de hoeveelheden, de elementen, genoemd in de artikelen 3.18 en 3.19, en met kosten die de verkoper draagt bij verkopen aan niet met hem verbonden kopers en die hij niet draagt bij verkopen aan kopers die wel met hem zijn verbonden.

  • 4 Indien de inspecteur op grond van informatie van de aangever of op grond van op andere wijze verkregen inlichtingen, redenen heeft aan te nemen dat de verbondenheid de prijs heeft beïnvloed, deelt hij die redenen mee aan de aangever die een redelijke termijn krijgt tot reageren. Indien de aangever dit verlangt, wordt hij van die redenen schriftelijk in kennis gesteld.

  • 5 De aangever dient aan te tonen dat wordt voldaan aan het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde criterium.

Artikel 3.18

  • 1 Bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 3.16 wordt de voor de in te voeren goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs uitsluitend verhoogd met:

    • a. de volgende elementen, voor zover deze ten laste komen van de koper en zij niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs:

      • 1°. commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies als bedoeld in artikel 3.19, onderdeel f;

      • 2°. de kosten van de verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden één geheel worden geacht te zijn met de goederen, met dien verstande dat de kosten van verpakkingsmiddelen die bij meer dan een invoer zullen worden gebruikt, op verzoek van de aangever naar verhouding worden toegedeeld;

      • 3°. de kosten van het verpakken, zowel van het arbeidsloon als van het materiaal;

    • b. de waarde naar verhouding toegedeeld, van de volgende goederen en diensten indien deze gratis of tegen verlaagde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging en verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet is begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs:

      • 1°. materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen, verwerkt in de ingevoerde goederen;

      • 2°. werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke goederen, gebruikt bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen;

      • 3°. materialen, verbruikt bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen;

      • 4°. engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen, verricht of gemaakt buiten de BES eilanden en noodzakelijk voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen, hieronder niet begrepen de kosten van wetenschappelijk onderzoekswerk en voorlopige schetsontwerpen;

    • c. royalty’s en licentierechten, waaronder niet begrepen betalingen voor het recht van reproductie van de ingevoerde goederen op de BES eilanden, die betrekking hebben op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald en die de koper moet betalen, hetzij direct of indirect, ingevolge de voorwaarden van de verkoop, voor zover deze royalty’s en licentierechten niet zijn begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs;

    • d. de waarde van dat deel van de opbrengst van latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de ingevoerde goederen dat direct of indirect ten goede komt aan de verkoper;

    • e. de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen en de kosten van het laden en van handelingen met de ingevoerde goederen in verband met het vervoer tot de plaats van binnenkomst van de goederen op de BES eilanden.

  • 2 Indien het in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde vervoer kosteloos of met een vervoermiddel van de koper plaatsvindt en de goederen niet zijn verzekerd voor het vervoer, dienen de vracht- en verzekeringskosten tot de plaats van binnenkomst, berekend volgens de gebruikelijke tarieven voor vervoer en verzekering met een zelfde soort vervoermiddel, in de douanewaarde te worden begrepen.

  • 3 Indien met toepassing van dit artikel elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, geschiedt dit uitsluitend op basis van objectieve en meetbare gegevens.

  • 4 Indien de kosten van een element betrekking hebben op verschillende transacties, of bij de berekening andere factoren in aanmerking moeten worden genomen, beslist de inspecteur over de toevoeging van dat element per aangifte ten invoer.

Artikel 3.19

De volgende kosten, betalingen en commissies behoren niet tot de douanewaarde, vastgesteld overeenkomstig artikel 3.16, op voorwaarde dat ze onderscheiden zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs:

  • a. kosten voor constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand, die na de invoer zijn verricht en die betrekking hebben op de ingevoerde goederen;

  • b. invoerrechten en andere belastingen die op de BES eilanden zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen;

  • c. kosten voor opslag en bewaring in goede staat van de goederen gedurende de opslag op de BES eilanden gevestigde inrichtingen voor douaneopslag, entrepots of handels- en dienstenentrepots, indien de douanewaarde is gebaseerd op een werkelijk betaalde of te betalen prijs, waarin deze kosten zijn begrepen;

  • d. een bedrag aan interne belastingen waaraan de betrokken goederen in het land van oorsprong of van uitvoer onderworpen zijn, op voorwaarde dat ten genoegen van de inspecteur kan worden aangetoond dat die goederen daarvan werden of zullen worden vrijgesteld ten voordele van de koper;

  • e. betalingen voor het recht van reproductie van de ingevoerde goederen op de BES eilanden;

  • f. inkoopcommissies, zijnde de vergoedingen die een importeur aan zijn agent betaalt voor de dienst van het hem vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

  • g. kosten van vervoer en verzekering en van handelingen met de ingevoerde goederen in verband met het vervoer na binnenkomst op de BES eilanden, met uitzondering van portokosten van met de post verzonden goederen;

  • h. te betalen rente krachtens een door de koper aangegane financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van ingevoerde goederen behoren niet tot de douanewaarde, indien:

    • 1°. de rente onderscheiden is van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs;

    • 2°. de financieringsovereenkomst schriftelijk is gesloten;

    • 3°. dergelijke goederen verkocht worden tegen de prijs die als de werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven; en

    • 4°. de gevraagde rentevoet niet hoger is dan het voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden, gebruikelijke niveau;

  • i. korting voor contante betaling tot een maximum van 2% van de factuurwaarde.

Paragraaf 3. De transactiewaarde van identieke goederen

Artikel 3.20

  • 1 De douanewaarde van goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, wordt gebaseerd op de transactiewaarde van identieke goederen, die zijn verkocht voor uitvoer naar de BES eilanden en die zijn uitgevoerd op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

  • 2 Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde transactiewaarde wordt uitgegaan van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in dezelfde of nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Bij afwezigheid van een dergelijke verkoop wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau of in verschillende hoeveelheden, aangepast ten einde rekening te houden met de verschillen in handelsniveau of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gegrond op bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit.

  • 3 Indien de in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel e, bedoelde kosten zijn begrepen in de transactiewaarde, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van de verschillende afstanden en wijzen van vervoer, tussen de kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen identieke goederen kunnen bestaan.

  • 4 Indien bij de toepassing van dit artikel meer dan één transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, wordt de laagste van die waarden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

Paragraaf 4. De transactiewaarde van soortgelijke goederen

Artikel 3.21

  • 1 De douanewaarde van goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, wordt gebaseerd op de transactiewaarde van soortgelijke goederen, die zijn verkocht voor uitvoer naar de BES eilanden en die zijn uitgevoerd op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

Paragraaf 5. De terugrekenmethode

Artikel 3.22

  • 1 De douanewaarde van goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, wordt gebaseerd op de prijs waartegen de in te voeren goederen, ingevoerde identieke of ingevoerde soortgelijke goederen, op of omstreeks het tijdstip van invoer worden doorverkocht in de staat waarin ze zijn ingevoerd.

  • 2 Bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde prijs wordt uitgegaan van de prijs per eenheid, waartegen die goederen in de grootste totale hoeveelheid worden doorverkocht op het eerste handelsniveau na de invoer waarop zodanige verkopen plaatsvinden, aan personen die niet zijn verbonden met de verkoper.

  • 3 Indien die verkopen niet op of omstreeks het tijdstip van invoer plaatsvinden, wordt uitgegaan van de prijs van doorverkoop op de vroegste datum na invoer, doch binnen 90 dagen na die invoer.

  • 4 Op de prijs worden, voor zover ze daarin zijn begrepen, de volgende elementen in mindering gebracht:

    • a. de gewoonlijk betaalde of overeengekomen commissie of de gebruikelijke opslag voor winst en algemene kosten bij verkoop op de BES eilanden van goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter;

    • b. de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en daarmee samenhangende kosten, ontstaan op de BES eilanden; en

    • c. de invoerrechten en andere belastingen die op de BES eilanden zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen.

  • 5 Indien noch de in te voeren goederen, noch ingevoerde identieke of ingevoerde soortgelijke goederen, in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op de BES eilanden worden verkocht, wordt op verzoek van de aangever de douanewaarde gebaseerd op de prijs waartegen de ingevoerde goederen, na bewerking of verwerking, worden doorverkocht aan personen op de BES eilanden die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder aftrek van de waarde die door de bewerking of verwerking is toegevoegd en de aftrekposten, bedoeld in het vierde lid.

Paragraaf 6. De methode van de berekende waarde

Artikel 3.23

De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, wordt gebaseerd op een berekende waarde, zijnde de som van:

  • a. de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte behandelingen;

  • b. een bedrag voor winst en algemene kosten dat overeenkomt met het bedrag dat door producenten in het land van uitvoer gewoonlijk in aanmerking wordt genomen bij de verkoop van goederen, bestemd voor uitvoer naar de BES eilanden, die dezelfde aard of hetzelfde karakter hebben als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

  • c.

    • 1°. de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen; en

    • 2°. de kosten van het laden en van handelingen met de ingevoerde goederen in verband met het vervoer tot de plaats van binnenkomst van de goederen op de BES eilanden.

Paragraaf 7. De methode van redelijke middelen

Artikel 3.24

  • 1 De vaststelling van de douanewaarde met toepassing van de methode van redelijke middelen geschiedt aan de hand van op de BES eilanden beschikbare gegevens en in overeenstemming met de beginselen en de algemene bepalingen van:

    • a. artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994;

    • b. de Overeenkomst inzake de toepassing van Artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994;

    • c. deze titel.

  • 2 De douanewaarde, vastgesteld met toepassing van dit artikel, wordt niet gebaseerd op:

    • a. de verkoopprijs op de BES eilanden van goederen die op de BES eilanden zijn voortgebracht;

    • b. de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;

    • c. de prijs van goederen voor uitvoer vanuit het land van herkomst;

    • d. minimum douanewaarden;

    • e. willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

Titel 3. Vrijstellingen

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 3.25

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

  • a. vergunninghouder: een persoon aan wie een vergunning is verleend;

  • b. vrijstellingsdocument: het document, afgegeven op een aangifte ten invoer met vrijstelling van invoerrechten;

  • c. persoonlijke goederen: goederen, uitsluitend bestemd voor het persoonlijk gebruik van de belanghebbenden of die voor de behoeften van hun huishoudens dienen;

  • d. alcoholische producten: voor menselijke consumptie bestemde alcoholhoudende producten als bedoeld bij de posten 22.03 tot en met 22.08 van het geharmoniseerde systeem;

  • e. vervoermiddelen:

    • 1°. personenvoertuigen;

    • 2°. middelen voor het bedrijfsmatig vervoer van personen en goederen;

    • 3°. pleziervaartuigen;

    • 4°. motorvoertuigen, niet zijnde personenvoertuigen;

    • 5°. sportvliegtuigen;

  • f. personenvoertuigen: motorvoertuigen, zijnde geen sportvoertuigen of voertuigen voor het bedrijven van een hobby, op twee of meer wielen, met inbegrip van aanhangwagens voor andere dan bedrijfsmatig vervoer van personen of goederen en geschikt voor de openbare weg;

  • g. pleziervaartuigen: andere vaartuigen dan die welke op grond van hun constructietype en uitrusting geschikt en bestemd zijn voor het bedrijfmatig vervoer van personen of goederen;

  • h. openbare instantie: instantie die door het openbaar gezag is gesticht of in stand wordt gehouden;

  • i. buitenland: al hetgeen buiten een openbaar lichaam waar invoer van goederen plaatsvindt, is gelegen.

Artikel 3.26

  • 1 Voor de toepassing van deze titel wordt onder normale verblijfplaats verstaan de plaats waar een natuurlijk persoon gedurende ten minste 183 dagen per kalenderjaar verblijft wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen, of indien hij geen beroepsmatige bindingen heeft, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont, blijken.

  • 2 Indien de belanghebbende zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft in verschillende landen, wordt hij geacht zijn normale verblijfplaats te hebben in het land van zijn persoonlijke bindingen, mits hij daar op geregelde tijden terugkeert. Indien de belanghebbende zich op de plaats van zijn beroepsmatige bindingen bevindt voor een opdracht van een bepaalde duur, wordt hij niettemin geacht zijn normale verblijfplaats te hebben in het land van zijn persoonlijke bindingen.

  • 3 De omstandigheid dat onderwijs wordt genoten in het buitenland houdt op zich niet in dat de normale verblijfplaats naar het buitenland is verplaatst.

  • 4 De normale verblijfplaats dient te worden aangetoond. Indien de inspecteur daarom verzoekt worden aanvullende inlichtingen en bewijsstukken overgelegd.

Afdeling 2. Algemene bepalingen

Artikel 3.27

  • 1 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is voor de invoer met vrijstelling een vergunning vereist. Een vergunning kan eenmalig of doorlopend zijn. Aan een vergunning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 2 De vergunning dient vóór de aangifte ten invoer, dan wel in voorkomend geval vóór de aan de invoer voorafgaande uitvoer van de goederen, te zijn verkregen. In voorkomende gevallen kan een vergunning op de aangifte worden verleend.

  • 3 Belanghebbende dient daartoe tijdig langs elektronische weg en in voorkomend geval schriftelijk een verzoek in bij de inspecteur en verstrekt daarbij alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het verzoek. Indien de inspecteur dit nodig acht, kan hij een termijn vaststellen waarbinnen de belanghebbende aanvullende informatie dient te verstrekken.

  • 4 De beslissing van de inspecteur wordt op schrift gesteld en gemotiveerd.

  • 5 De vergunninghouder is gehouden de inspecteur mededeling te doen van elk feit dat zich voordoet na afgifte van de vergunning dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning. De vergunninghouder is desgevraagd gehouden aan de inspecteur de goederen aan te wijzen waarop de vrijstelling betrekking heeft.

  • 6 Op verzoek van de belanghebbende wordt de weigering van een vrijstelling, waarvoor geen vergunning vereist is, op schrift gesteld.

Artikel 3.28

  • 1 Indien de vrijstelling afhankelijk is van de voorwaarde dat de goederen weer worden uitgevoerd dan wel tevoren zijn uitgevoerd, of een bepaalde bestemming volgen, dient naar het oordeel van de inspecteur, de vaststelling van de identiteit van de goederen te worden verzekerd.

  • 2 In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan de inspecteur eisen dat een goederenrekening wordt gehouden en, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, dat zekerheid wordt gesteld.

  • 3 Indien de identiteit van de goederen niet kan worden verzekerd, kan de inspecteur beslissen de vrijstelling niet toe te passen.

Artikel 3.29

  • 1 Ten aanzien van goederen die met vrijstelling zijn ingevoerd op voorwaarde dat de goederen weer worden uitgevoerd of een bepaalde bestemming volgen, kan de inspecteur op verzoek van de vergunninghouder toestemming verlenen:

    • a. van de vrijstelling af te zien; of

    • b. de goederen onder ambtelijk toezicht te vernietigen.

  • 3 Toestemming wordt slechts verleend indien bijzondere omstandigheden, die bij de invoer niet waren te voorzien, beletten de goederen weer uit te voeren of daaraan de bestemming te geven met het oog waarop de vrijstelling is verleend.

  • 4 Toestemming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan eveneens worden verleend wanneer de goederen vrij van alle kosten worden afgestaan aan het Rijk. In dat geval is de vergunninghouder vrijgesteld van de betaling van invoerrechten.

  • 5 Voor goederen ten aanzien waarvan van de vrijstelling wordt afgezien, wordt tegelijk met het desbetreffende verzoek een aangifte ten invoer gedaan.

  • 6 Voor de resten en afvallen van goederen die onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd, wordt aangifte ten invoer gedaan.

  • 7 De belanghebbende meldt onverwijld de vernietiging van goederen die naar zijn oordeel te wijten is aan toevallige omstandigheden of overmacht. De inspecteur kan deze vernietiging van goederen gelijkstellen aan vernietiging onder ambtelijk toezicht. Op de resten en afvallen is het zesde lid van toepassing.

Artikel 3.30

  • 1 De inspecteur kan de vergunning tot invoer met vrijstelling intrekken indien:

    • a. de bij of krachtens deze titel gestelde voorwaarden en bepalingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk zijn nagekomen;

    • b. de vergunning werd afgegeven op basis van de door de aanvrager verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens en de vergunning niet zou zijn verleend indien de juiste gegevens bekend waren;

    • c. aan de vergunninghouder surséance van betaling wordt verleend of deze in staat van faillissement wordt verklaard.

  • 2 De intrekking van de vergunning is met redenen omkleed.

Artikel 3.31

Het is verboden:

  • a. de bij of krachtens deze titel gestelde voorwaarden, verplichtingen en bepalingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk na te komen;

  • b. onjuiste of onvolledige informatie of gegevens te verstrekken, waarvan het gevolg is of zou kunnen zijn dat vrijstelling wordt genoten zonder dat daarop aanspraak bestaat;

  • c. aan de goederen een andere bestemming te geven of te doen geven, dan die met het oog waarop de vergunning tot invoer met vrijstelling is verleend.

Afdeling 3. Vrijstellingen van invoerrechten

Paragraaf 1. Vrijstellingen bij definitieve invoer

Artikel 3.32. Verhuisgoederen

  • 1 Vrijstelling van invoerrechten wordt verleend voor de invoer van persoonlijke goederen door natuurlijke personen, die hun normale verblijfplaats naar de BES eilanden overbrengen.

  • 2 De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:

    • a. ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst heeft opgegeven, in zijn bezit zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfpIaats zijn gebruikt, en

    • b. bestemd zijn om door de belanghebbende voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats.

  • 3 Op verzoek van de inspecteur toont de aangever aan, dat wordt voldaan aan het tweede lid, onderdeel a.

  • 4 De vrijstelling wordt slechts verleend indien:

    • a. een door de belanghebbende ondertekende lijst wordt overgelegd, inhoudende een omschrijving van alle goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt;

    • b. de goederen vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats op één van de BES eilanden heeft gevestigd, ten invoer worden aangegeven.

  • 5 In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt voor de invoer van personenvoertuigen die deel uitmaken van de persoonlijke goederen van de belanghebbende vrijstelling verleend, indien het personenvoertuig ten minste een jaar voorafgaande aan de datum van inscheping in het land van herkomst, aantoonbaar en onafgebroken in bezit en in gebruik was van de belanghebbende, waarbij:

    • a. de vrijstelling is beperkt tot één personenvoertuig per gezin of huishouding; en

    • b. in daartoe aanleiding gevende gevallen de inspecteur de belanghebbende zekerheid kan laten stellen.

  • 6 Van de vrijstelling zijn uitgesloten alcoholische producten, tabak en tabaksproducten, voor zover deze niet als normale huisvoorraad zijn te beschouwen, alsmede vervoermiddelen zijnde geen personenvoertuigen.

Artikel 3.33

Artikel 3.34

De inspecteur kan in de vergunning bepalen dat in aangiften ten invoer die voor de goederen, bedoeld in artikel 3.32 van deze wet, worden gedaan, als soort van de goederen mag worden vermeld: verhuisgoed.

Artikel 3.35

Binnen twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte ten invoer is aanvaard, mogen de met vrijstelling ingevoerde persoonlijke goederen niet zonder voorafgaande toestemming van de inspecteur worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen.

Artikel 3.36. Persoonlijke goederen, verkregen in het kader van een erfopvolging