Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 7 december 2010, nr. WJZ/10183066, houdende regels inzake de beveiliging van nucleaire inrichtingen en splijtstoffen (Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen)

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Gelet op het op 3 maart 1980 te Wenen/New York tot stand gekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij het op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen Verdrag tot wijziging van voornoemd verdrag (Trb. 2006, 81), artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, artikel 1d van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en artikel 1, eerste lid, van het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bijlage: bij deze regeling behorende bijlage;

  • categorie I-materiaal: splijtstoffen, genoemd in de bijlage I voor zover ze voldoen aan de in die bijlage genoemde voorwaarden voor indeling in categorie I;

  • categorie II-materiaal: splijtstoffen, genoemd in de bijlage I voor zover ze voldoen aan de in die bijlage genoemde voorwaarden voor indeling in categorie II;

  • categorie III-materiaal: splijtstoffen, genoemd in de bijlage I voor zover ze voldoen aan de in die bijlage genoemde voorwaarden voor indeling in categorie III;

  • compenserende maatregelen: maatregelen van tijdelijke aard die het niet-beschikbaar zijn van structurele maatregelen volledig compenseren;

  • inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • referentiedreiging: lange termijnanalyse van dreigingen van diefstal van categorie I, II, of III-materiaal dan wel van sabotage van dat materiaal, of van inrichtingen;

  • vergunninghouder 15, onder a, Kew: houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet met uitzondering van de houder van een vergunning voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen en ertsen;

  • vergunninghouder 15, onder b, Kew: houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet;

  • vervoerder: houder van een vergunning voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van categorie I-, II- of III- materiaal.

§ 1a. Beveiliging van splijtstoffen door een vergunninghouder 15, onder a, Kew

Artikel 1a

Een vergunninghouder 15, onder a, Kew treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk nodig zijn om categorie I-materiaal, categorie II-materiaal of categorie III-materiaal te beveiligen tegen diefstal en misbruik.

Artikel 1b

  • 1 Een vergunninghouder 15, onder a, Kew houdt op persoonlijke of elektronische wijze toezicht op categorie I-materiaal, categorie II-materiaal of categorie III-materiaal.

  • 2 Diegene die persoonlijk toezicht houdt, is hiertoe geautoriseerd door de vergunninghouder 15, onder a, Kew.

Artikel 1c

Wanneer categorie I-materiaal, categorie II-materiaal of categorie III-materiaal niet onder persoonlijk toezicht staat, zijn de beveiligingsmaatregelen van een vergunninghouder 15, onder a, Kew zodanig dat elektronische detectie van een poging tot diefstal of misbruik plaatsvindt en dat vanaf dat moment maatregelen werkzaam zijn die leiden tot ten minste 10 minuten vertraging in de tijd die iemand nodig heeft om wederrechtelijk de beschikking te krijgen over dit materiaal.

Artikel 1d

De beveiligingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 1a, 1b en 1c worden afgestemd op:

  • a. de aard van het categorie I-, II-, of III-materiaal;

  • b. de manier waarop het categorie I-, II-, of III-materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;

  • c. de verplaatsbaarheid van het categorie I-, II-, of III-materiaal;

  • d. de mogelijke gevolgen voor mensen, dieren, planten en goederen door blootstelling aan ioniserende straling of het vrijkomen van het categorie I-, II-, of III-materiaal in geval van diefstal of misbruik;

  • e. de maatregelen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen, dieren, planten en goederen te voorkomen of te beperken.

Artikel 1e

  • 1 Een vergunninghouder 15, onder a, Kew beschikt over een beveiligingsplan met een beschrijving van de wijze waarop het categorie I-, II-, of III-materiaal wordt beveiligd. De eerste volzin geldt niet indien de vergunninghouder tevens een vergunninghouder 15, onder b, Kew, is en voor de desbetreffende inrichting voldaan wordt aan paragraaf 2.

  • 2 Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:

    • a. de aanwijzing van een vakbekwame beveiligingsverantwoordelijke en diens plaatsvervanger;

    • b. de categorie-indeling van de te beveiligen splijtstoffen overeenkomstig de bijlage I;

    • c. de manier waarop het categorie I-, II-, of III-materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;

    • d. de plaats waar het categorie I-, II-, of III-materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;

    • e. de getroffen en te treffen beveiligingsmaatregelen;

    • f. diegenen die geautoriseerd zijn persoonlijk toezicht te houden als bedoeld in artikel 1b;

    • g. de taken en bevoegdheden van de medewerkers, belast met de beveiliging van het categorie I-, II-, of III-materiaal;

    • h. de procedures die de medewerkers, belast met de beveiliging van het categorie I-, II-, of III-stof moeten volgen, waarbij in ieder geval wordt beschreven hoe zij moeten handelen in geval van diefstal of misbruik van de categorie I-, II-, of III-stof of een poging daartoe;

    • i. afspraken met de politie of met een particuliere beveiligingsdienst;

    • j. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.

  • 3 Een vergunninghouder handelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.

Artikel 1f

  • 1 Een vergunninghouder 15 onder a, Kew zorgt ervoor dat van het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 1e, slechts kennis nemen de personen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie.

Artikel 1g

  • 1 Een vergunninghouder 15 onder a, Kew voert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma, bedoeld in artikel 1e, tweede lid, onder i, uit. Daarbij worden in ieder geval de beveiligingsmaatregelen gecontroleerd en getest en wordt het beveiligingsplan in een oefening toegepast.

  • 2 Een vergunninghouder 15 onder a, Kew wijzigt het beveiligingsplan voor zover de resultaten van het evaluatieprogramma, daartoe aanleiding geven.

§ 2. Beveiliging van nucleaire inrichtingen en splijtstoffen door een vergunninghouder 15, onder b, Kew

Artikel 2

De referentiedreiging en de wijzigingen daarvan worden door de Minister vastgesteld. De vastgestelde referentiedreiging wordt aan de vergunninghouders 15, onder b, Kew medegedeeld.

Artikel 3

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de inrichting onderscheidenlijk het categorie I-, II-, of III-materiaal te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging. Daarbij neemt de vergunninghouder 15, onder b, Kew het overeenkomstig de artikelen 4 en 5 vastgestelde en goedgekeurde beveiligingspakket in acht.

  • 2 De vergunninghouder 15, onder b, Kew treft in ieder geval de beveiligingsmaatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de in de bijlage II genoemde maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht, bepaald overeenkomstig de bijlage II, of de maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lid van de bevolking of een werknemer als bedoeld in artikel 1 van het Besluit stralingsbescherming, bepaald overeenkomstig de bijlage II, worden overschreden.

  • 3 De vergunninghouder 15, onder b, Kew stemt de combinatie en het niveau van de beveiligingsmaatregelen af op de:

    • a. aard van het materiaal en de inrichting, en

    • b. omvang van de mogelijke gevolgen door blootstelling aan straling van mensen, dieren, planten en goederen in het geval van diefstal of sabotage van categorie I, II, of III-materiaal of van sabotage van inrichtingen.

  • 4 De beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen worden door de vergunninghouder 15, onder b, Kew, zodanig ontworpen en uitgevoerd dat deze elkaar complementeren en niet belemmeren. Hij treft zodanige maatregelen dat het ontstaan van mogelijke conflicten tussen de beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen zoveel mogelijk wordt tegengegaan of, waar deze conflicten zich toch zouden voordoen, deze zo spoedig mogelijk worden opgeheven.

Artikel 4

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew beschikt over een beveiligingspakket met een beschrijving van de wijze waarop de inrichting of het categorie I-, II-, en III-materiaal wordt beveiligd.

  • 3 Tot de plannen en maatregelen, bedoeld in het tweede lid, behoort per onderdeel een tijdstip waarop zij zijn uitgevoerd, met een daarop gericht plan van aanpak.

Artikel 5

  • 1 Het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en wijzigingen daarvan die een negatief effect hebben of kunnen hebben op het niveau van de beveiliging, behoeven goedkeuring van de Minister.

  • 2 Goedkeuring wordt geweigerd indien het beveiligingspakket niet voldoet aan de eisen die daaraan bij deze regeling zijn gesteld.

  • 3 De Minister kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden.

  • 4 De Minister kan de goedkeuring intrekken of de daaraan verbonden voorschriften intrekken of wijzigen, indien het beveiligingspakket niet meer voldoet aan de eisen die daaraan bij deze regeling zijn gesteld.

  • 5 Goedgekeurde wijzigingen worden geregistreerd en opgenomen in het beveiligingspakket.

  • 6 Indien een aanvraag om goedkeuring betrekking heeft op een wijziging van het beveiligingspakket en voorafgaand aan die aanvraag reeds meerdere wijzigingen van dat pakket zijn goedgekeurd, kan de Minister bepalen dat in plaats van die aanvraag een aanvraag om goedkeuring van een daarbij te overleggen, volledig herzien beveiligingspakket wordt ingediend.

Artikel 6

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew wijzigt het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid, nadat de referentiedreiging is gewijzigd, of wanneer de Minister dit nodig acht en dit schriftelijk heeft kenbaar gemaakt aan de vergunninghouder 15, onder b, Kew, waarbij in de kennisgeving is aangegeven wat de aard is van de aan te brengen wijzigingen.

  • 2 De vergunninghouder 15, onder b, Kew dient binnen een jaar nadat de referentiedreiging is gewijzigd, onderscheidenlijk binnen een jaar nadat de Minister kenbaar heeft gemaakt wijziging van het beveiligingspakket nodig te achten, een aanvraag om goedkeuring van het in overeenstemming met de referentiedreiging onderscheidenlijk de kennisgeving van de Minister gewijzigde beveiligingspakket in.

  • 3 De termijnen, bedoeld in het tweede lid, kunnen door de Minister worden gewijzigd indien:

    • a. de wijziging van de referentiedreiging, onderscheidenlijk de door de Minister nodig geachte wijzigingen van het beveiligingspakket deze gewijzigde termijnen rechtvaardigen, en

    • b. de wijzigingen binnen de door de Minister gestelde termijn door de vergunninghouder 15, onder b, Kew redelijkerwijs mogelijk zijn.

Artikel 7

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew, beschikt over een plan voor de interne beveiligingsorganisatie dat ten minste een omschrijving bevat van de interne beveiligingsorganisatie en de daarmee verband houdende verantwoordelijkheden. Deze verantwoordelijkheden betreffen:

    • a. de fysieke -, informatie-, cyber- en andere beveiligingsaspecten,

    • b. de uitvoering van taken en maatregelen om gesaboteerd of zoekgeraakt materiaal alsmede informatie tijdig te ontdekken,

    • c. de mogelijke compenserende maatregelen betreffende het beveiligingspakket, en

    • d. het onverwijld informeren van de Minister over de in het derde lid bedoelde gebeurtenissen en situaties.

  • 2 In het plan voor de interne beveiligingsorganisatie worden voorts de bevoegdheden en de instructies van de beveiligingsdeskundige en diens plaatsvervanger, de bedrijfsbeveiligingdienst en de alarmcentrale beschreven en uitgewerkt.

  • 3 In het plan worden voorts maatregelen getroffen voor de volgende gebeurtenissen en situaties:

    • a. diefstal van categorie I-, II-, of III-materiaal;

    • b. sabotage van categorie I-, II-, of III-materiaal, of van de inrichting;

    • c. diefstal of het in de openbaarheid komen van de referentiedreiging, van het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of van andere gevoelige informatie aangaande de beveiliging van de inrichting of van categorie I-, II-, of III-materiaal;

    • d. diefstal of ongewenste wijziging van gerubriceerde informatie, en

    • e. dreiging van, of een poging tot diefstal of sabotage als bedoeld onder a tot en met d.

  • 4 Het plan interne beveiligingsorganisatie sluit aan op een plan externe beveiligingsorganisatie, dat een omschrijving van de wijze van optreden van de korpschef, de burgemeester en de officier van justitie in de gevallen, bedoeld in het derde lid, bevat.

  • 5 Het management van een vergunninghouder 15, onder b, Kew, voldoet op het punt van beveiliging aan de eisen, opgenomen in bijlage V. Indien hij beschikt over een managementsysteem worden de eisen daarin opgenomen.

Artikel 8

De vergunninghouder 15, onder b, Kew, treft de organisatorische, bouwkundige, elektronische en informatiebeveiligingsmaatregelen die in samenhang ten minste weerstand bieden tegen de dreigingen uit de referentiedreiging en die zorgdragen voor een tijdige respons.

Artikel 9

De elektronische signaleringen worden ontvangen door een alarmcentrale die de signalen beoordeelt en, indien nodig, assistentie vraagt aan de externe beveiligingsorganisatie.

Artikel 10

De vergunninghouder 15, onder b, Kew treft beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de alarmcentrale, bedoeld in artikel 9, tweede lid, te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging. Deze beveiligingsmaatregelen hebben ten minste betrekking op:

  • a. de vakbekwaamheid en betrouwbaarheid van diegenen die de apparatuur in de alarmcentrale ontwerpen, installeren en onderhouden;

  • b. technische eisen aan de apparatuur in de alarmcentrale en voorzieningen voor de continuïteit van het functioneren ervan;

  • c. de vakbekwaamheid en betrouwbaarheid van diegenen die toegang hebben tot, of werkzaamheden verrichten in de alarmcentrale.

Artikel 11

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew verdeelt bij het treffen van de beveiligingsmaatregelen het terrein waarop de inrichting en de daarbij behorende gebouwen zich bevinden, voor zover van toepassing, in een:

    • a. observatiegebied, zijnde een gebied tussen de grens van het terrein waarop een inrichting is gevestigd en de grens van een beveiligd gebied als bedoeld in onderdeel b;

    • b. beveiligd gebied, zijnde een gebied gelegen binnen een observatiegebied als bedoeld in onderdeel a, waar categorie III-materiaal voorhanden kan zijn, en

    • c. vitaal gebied, zijnde een gebied gelegen binnen een beveiligd gebied als bedoeld in onderdeel b, waar categorie I- of II-materiaal voorhanden kan zijn, of waar installaties zijn gevestigd of waar zich materialen kunnen bevinden die in geval van sabotage direct of indirect schade tot gevolg kunnen hebben.

  • 2 De vergunninghouder 15, onder b, Kew treft beveiligingsmaatregelen die ten minste betrekking hebben op:

    • a. de afscherming en verlichting van de gebieden, bedoeld in het eerste lid, en de gebouwen in die gebieden;

    • b. het toezicht op de gebieden, bedoeld in het eerste lid, en de gebouwen in die gebieden;

    • c. de beperking van toegang en eventuele begeleiding van personen en voertuigen in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, en de gebouwen in die gebieden;

    • d. de controle op die toegang;

    • e. het tegengaan van ongewenste beïnvloeding van toegangscontrolesystemen, en

    • f. het betreden of binnengaan van het terrein, een gebied of gebouw door voertuigen, personen of goederen.

Artikel 12

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew meldt gebeurtenissen die aan onverkorte toepassing van het beveiligingspakket in de weg staan, onmiddellijk aan de Minister.

  • 2 De vergunninghouder neemt onmiddellijk compenserende maatregelen en legt deze onverwijld voor aan de op grond van artikel 58, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren.

Artikel 13

Het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet is van toepassing op de referentiedreiging en het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 14

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew voert het evaluatieprogramma, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder g, uit. Daarbij wordt in elk geval een audit uitgevoerd met betrekking tot het plan interne beveiligingsorganisatie, worden de organisatorische en bouwkundige beveiligingsmaatregelen gecontroleerd, de elektronische en informatiebeveiligingsmaatregelen getest en het plan interne beveiligingsorganisatie in een oefening toegepast.

  • 2 De vergunninghouder 15, onder b, Kew beoordeelt het beveiligingspakket jaarlijks op doeltreffendheid. Bij die beoordeling worden de bevindingen van de in het eerste lid bedoelde evaluatie betrokken en wordt aangegeven of het plan interne beveiligingsorganisatie aansluit op een plan externe beveiligingsorganisatie. De vergunninghouder 15, onder b, Kew meldt binnen een maand na die beoordeling de resultaten ervan aan de Minister.

  • 3 De vergunninghouder 15, onder b, Kew wijzigt het beveiligingspakket voor zover de resultaten van de in het tweede lid bedoelde beoordeling daartoe aanleiding geven. Hij biedt de wijziging binnen een jaar na het ontstaan van de aanleiding tot wijziging ter goedkeuring aan de Minister aan. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

  • 1 De vergunninghouder 15, onder b, Kew beoordeelt elke tien jaar of het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voldoet aan de stand van de techniek. Daartoe worden de getroffen beveiligingsmaatregelen vergeleken met de op dat moment meest doeltreffende technieken die economisch en technisch gezien redelijkerwijs haalbaar zijn voor het bereiken van een hoog niveau van beveiliging. Indien de vergunninghouder 15, onder b, Kew op grond van de voorschriften in de vergunning een tienjaarlijkse evaluatie voor de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming moet uitvoeren, dan wordt de beoordeling tegelijkertijd met deze evaluatie uitgevoerd.

  • 2 De vergunninghouder 15, onder b, Kew past het beveiligingspakket, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aan voor zover de resultaten van de in het eerste lid bedoelde beoordeling daartoe aanleiding geven.

  • 3 De Minister kan een vergunninghouder 15, onder b, Kew, opdragen een of meer extra beoordelingen binnen het tijdvak van tien jaar te doen indien dat naar zijn oordeel met het oog op het niveau van beveiliging noodzakelijk is.

§ 3. Beveiliging bij vervoer van categorie I- II- of III-materiaal

Artikel 16

Om categorie I- II- of III-materiaal te beveiligen tegen diefstal en sabotage treft de vervoerder beveiligingsmaatregelen als bedoeld in de bijlage IV en overige beveiligingsmaatregelen die tenminste betrekking hebben op:

  • a. de verpakking van categorie I-, II-, of III-materiaal, sloten en zegels;

  • b. de beperking van de duur van het vervoer en van de eventuele opslag in verband met het vervoer of onvoorzien oponthoud;

  • c. de beperking van het aantal malen dat het materiaal moet worden overgeslagen; als er sprake is van overslag of opslag in verband met vervoer, de beperking van de duur ervan;

  • d. de keuze van het vervoermiddel, de keuze van de vervoersroute, de geplande stopplaats of stopplaatsen, de planning van het tijdschema van het vervoer en de locatie van de eventuele opslag in verband met het vervoer;

  • e. de taken, de vakbekwaamheid, de betrouwbaarheid en instructies van betrokkenen bij het vervoer;

  • f. de communicatiemiddelen en overige voorzieningen van het vervoermiddel;

  • g. de bescherming van specifieke gegevens over de beveiligingsmaatregelen in verband met het vervoer;

  • h. het tegengaan van incidenten en andere ongewenste beïnvloeding.

Artikel 17

  • 1 De vervoerder beschikt over een beveiligingsplan met een beschrijving van de wijze waarop categorie I- II- of III-materiaal wordt beveiligd.

  • 2 Het beveiligingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste een omschrijving van de beveiligingsmaatregelen die worden getroffen door de vervoerder om te voldoen aan artikel 16. Indien de vervoerder beschikt over een vergunning ingevolge het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen op grond waarvan de vervoerder bevoegd is om het categorie I-, II- of III-materiaal te vervoeren, voorhanden te hebben bij opslag in verband met het vervoer, of binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, bevat het plan een verwijzing naar die vergunning.

  • 3 Voorafgaand aan het vervoer stelt de vervoerder een nucleair draaiboek op. Het nucleaire draaiboek bevat voor dit vervoer de specifieke uitwerking van de in artikel 16 bedoelde maatregelen.

  • 4 Voorafgaand aan het vervoer vergewist de vervoerder zich ervan dat alle beveiligingsmaatregelen conform het beveiligingsplan en het nucleaire draaiboek getroffen zijn. De vervoerder vergewist zich eveneens voorafgaand aan het vervoer ervan dat geen ongewenste veranderingen zijn aangebracht aan de verpakking en aan het vervoermiddel.

Artikel 18

  • 1 Het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en wijzigingen daarvan die negatieve effecten hebben of kunnen hebben op het beveiligingsniveau van het transport, behoeven de goedkeuring van de Minister.

  • 2 De Minister kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden.

  • 3 De Minister kan de goedkeuring of de daaraan verbonden voorschriften intrekken of wijzigen.

Artikel 19

  • 1 De vervoerder wijzigt het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wanneer de Minister dit nodig acht en dit schriftelijk heeft kenbaar gemaakt aan de vervoerder, waarbij de kennisgeving is voorzien van de aard van de aan te brengen wijzigingen.

  • 2 De vervoerder dient binnen een jaar nadat de Minister kenbaar heeft gemaakt wijziging van het beveiligingsplan nodig te achten een aanvraag om goedkeuring van het in overeenstemming met de kennisgeving van de Minister gewijzigde beveiligingsplan in.

  • 3 De termijn, bedoeld in het tweede lid, kan door de Minister worden gewijzigd indien:

    • a. de door de Minister nodig geachte wijzigingen van het beveiligingsplan deze gewijzigde termijn rechtvaardigen, en

    • b. de wijzigingen binnen de door de Minister gestelde termijn voor de vervoerder redelijkerwijs mogelijk zijn.

Artikel 19a

  • 1 De vervoerder beoordeelt het beveiligingsplan jaarlijks op doeltreffendheid. De vervoerder meldt binnen een maand na die beoordeling de resultaten ervan aan de Minister.

  • 2 De vervoerder wijzigt het beveiligingsplan voor zover de resultaten van de in het eerste lid bedoelde beoordeling daartoe aanleiding geven. Hij biedt de wijziging binnen een jaar na het ontstaan van de aanleiding tot wijziging ter goedkeuring aan de Minister aan.

Artikel 20

  • 1 De vervoerder handelt overeenkomstig het laatst goedgekeurde beveiligingsplan, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 21

  • 3 Voor zover de verplichting, bedoeld in artikel 1e, tweede lid, onderdeel a, het voldoen aan opleidingseisen met zich brengt, wordt aan die verplichting voldaan uiterlijk op 30 juni 2019.

  • 4 Deze regeling, zoals deze luidde vóór 1 januari 2017, blijft van toepassing op een vóór die datum uitgevoerde verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, tot het in die leden genoemde tijdstip.

Artikel 22

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 23

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 december 2010

De

Minister

van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen

Bijlage 1. als bedoeld in artikel 1 van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

Materiaal

Vorm

Categorie I

Categorie II

Categorie III

1. Plutonium1

Onbestraald2

2 kg of meer

Minder dan 2 kg maar meer dan 500 g

500 g of minder maar meer dan 15 g

2. Uranium-235

Onbestraald2

     
 

– verrijkt uranium van 20% of meer 235U

– 5 kg of meer

– Minder dan 5 kg maar meer dan 1 kg

– 1 kg of minder, maar meer dan 15g

 

– verrijkt uranium van 10% tot minder dan 20% 235U

 

–10 kg of meer

– minder dan 10 kg maar meer dan 1 kg

 

– uranium verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% 235U

   

– 10 kg of meer

3. Uranium-233

Onbestraald2

2 kg of meer

Minder dan 2 kg maar meer dan 500 g

500 g of minder, maar meer dan 15 g

4. Bestraalde splijtstof

   

Verarmd of natuurlijk uranium, thorium of laag verrijkte splijtstof (minder dan 10% aan splijtbaar materiaal)3,4

 

1 Met uitzondering van plutonium met een isotoopgehalte van meer dan 80% aan plutonium-238.

2 Onder onbestraald wordt in deze tabel verstaan: materiaal dat niet in een reactor is bestraald, of materiaal dat in een reactor is bestraald, met een stralingsniveau van 1 gray/uur (100 rad/uur) of minder op een afstand van 1 meter zonder afscherming.

3 Op grond van bijzondere omstandigheden kan de Minister deze stoffen indelen in een andere categorie.

4 Andere splijtstof die op grond van haar oorspronkelijke gehalte aan splijtbaar materiaal onder categorie I of II valt voor de bestraling, kan één categorie lager worden ingedeeld, zo lang het stralingsniveau van de splijtstof groter is dan 1 gray/uur (100 rad/uur) op een afstand van 1 meter zonder afscherming.

Bijlage II. als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

De maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht bedraagt het radiologische equivalent van 10 terabecquerels I-131.

Dit radiologische equivalent wordt bepaald met behulp van onderstaande tabel. Hierbij wordt de activiteit van ieder geëmitteerd isotoop vermenigvuldigd met de daarbij in de tabel aangegeven factor. Vervolgens worden de aldus gevonden waarden gesommeerd.

Tabel met vermenigvuldigingsfactor per isotoop

Isotoop

Factor

Am-241

8 000

Co-60

50

Cs-134

3

Cs-137

40

H-3

0,02

I-131

1

Ir-192

2

Mn-54

4

Mo-99

0,08

P-32

0,2

Pu-239

10 000

Ru-106

6

Sr-90

20

Te-132

0,3

U-235(S)

1 000

U-235(M) 1

600

U-235(F) 1

500

U-238(S) 1

900

U-238(M) 1

600

U-238(F) 1

400

U nat

1 000

Edelgassen

0

1 Long-absorptieklassen: S – langzaam; M – gemiddeld; F – snel. Bij onduidelijkheid wordt de meest conservatieve waarde gebruikt.

Maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lidvan de bevolking of een werknemer:

  • een effectieve dosis, met een waarschijnlijk optreden van een dodelijk deterministisch effect voor 1 of meer leden van de bevolking of werknemers;

  • een effectieve dosis met een waarschijnlijk optreden van een niet- dodelijke deterministisch effect voor 3 of meer leden van de bevolking of werknemers;

  • een effectieve dosis van 200 mSv voor 10 of meer leden van de bevolking of werknemers;

  • een effectieve dosis van 10 mSv voor 100 of meer leden van de bevolking;

  • een effectieve dosis van 20 mSv voor 100 of meer werknemers.

Bijlage III. als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

Opleidingseisen of aantoonbare ervaringseisen op het vlak van beveiligingsdeskundige:

  • 1. Ten minste in het bezit van:

    • een diploma op tenminste HBO niveau, of een tenminste gelijkwaardig niveau, op het vlak van beveiliging of

    • minimaal vijf jaar gelijkwaardige werkervaring in een gelijksoortige werkomgeving.

  • 2. Daarnaast, in het bezit van:

    • diploma stralingsniveau 5a/b dan wel kennis en ervaring op een gelijkwaardig niveau;

    • aantoonbare kennis dan wel bereid te zijn om desbetreffende kennis binnen drie jaar na aanstelling eigen te maken, op het vlak van:

      • basisprincipes van nucleaire technologie

      • risico- en crisismanagement

      • fysieke-, cyber- en informatiebeveiliging en de onderlinge relaties daartussen

      • opzet en werking van de desbetreffende externe beveiligingspartijen;

    • deelname aan de IAEA International Training Course of Regional Training Course Physical Protection.

  • 3. Met de hierboven genoemde beroepseisen worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

  • 4. De Minister verklaart op verzoek van een vergunninghouder 15, onder b, Kew, of een diploma gelijkwaardig is.

Bijlage IV. als bedoeld in artikel 16 van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

Als beveiligingsmaatregelen toe te passen niveaus van fysieke beveiliging bij vervoer van het in de bijlage I geclassificeerde materiaal

  • 1. Niveaus van fysieke beveiliging van categorie I- II- of III-materiaal bij opslag gedurende vervoer.

    • a. Categorie III-materiaal

      Opslag op een terrein waarvan de toegang onder toezicht staat.

    • b. Categorie II-materiaal

      Opslag op een terrein dat voortdurend wordt gecontroleerd door bewakers of elektronische apparatuur en omgeven is door een afscheiding met een beperkt aantal toegangen onder passend toezicht, of op enig terrein met een overeenkomstige fysieke beveiliging.

    • c. Categorie I-materiaal

      Opslag op een beveiligd terrein zoals hierboven is omschreven voor categorie II-materiaal, waarbij bovendien de toegang is beperkt tot personen wier betrouwbaarheid is vastgesteld, en dat onder toezicht staat van bewakers die nauw contact onderhouden met de autoriteiten die bevoegd zijn handelend op te treden.

De in dit verband getroffen bijzondere maatregelen dienen gericht te zijn op het ontdekken en het voorkomen van het zich gewelddadig, dan wel onbevoegd toegang verschaffen tot of het onrechtmatig wegnemen van categorie I- II- of III-materiaal.

  • 2. Niveaus van fysieke beveiliging van categorie I- II- of III-materiaal tijdens vervoer:

    • a. Categorie II- en III-materiaal

      Het vervoer vindt plaats met inachtneming van bijzondere voorzorgsmaatregelen, met inbegrip van voorafgaande overeenkomsten tussen afzender, ontvanger en vervoerder, alsmede een voorafgaande overeenkomst tussen natuurlijke personen of rechtspersonen, onderworpen aan de rechtsmacht en de voorschriften van de uitvoerende en de invoerende staten, met vermelding van tijd, plaats en procedures voor de overdracht van de verantwoordelijkheid voor het vervoer.

    • b. Categorie I-materiaal

      Het vervoer vindt plaats met inachtneming van de bijzondere voorzorgsmaatregelen zoals hierboven zijn vastgesteld voor het vervoer van categorie II- en III-materiaal, met daarbij voortdurend toezicht door begeleiders en onder omstandigheden die nauw contact waarborgen met de autoriteiten die bevoegd zijn handelend op te treden.

    • c. voor natuurlijk uranium anders dan in de vorm van erts of ertsresidu voor zover dat valt onder het in bijlage I geclassificeerde materiaal

      Bij het vervoer van hoeveelheden van meer dan 500 kg uranium wordt vooraf kennisgegeven van de verzending, met vermelding van de wijze van vervoer en het vermoedelijke tijdstip van aankomst, terwijl later de ontvangst van de zending wordt bevestigd.

Bijlage V. Eisen ten aanzien van het management op het punt van beveiliging als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen

Het management voldoet op het punt van beveiliging aan de volgende eisen:

  • 1. Het opleggen en voldoen aan verplichtingen ten aanzien professioneel gedrag en optreden, betrouwbaarheid, geheimhouding en integriteit.

  • 2. Het vaststellen en uitvoeren van:

    • maatregelen met betrekking tot de wijze waarop een hoog bewustzijn met betrekking tot de beveiliging bij de personeelsleden wordt bevorderd en gecontinueerd;

    • maatregelen om een kritische houding van alle management- en personeelsniveaus te bevorderen om het noodzakelijke niveau van beveiliging te bereiken en vast te houden;

    • maatregelen of regelingen waardoor personeelsleden tijdig beveiligingskwesties kunnen rapporteren.

  • 3. De onder 1 en 2 bedoelde eisen zijn van toepassing op alle interne en externe personeelsleden, die taken en verantwoordelijkheden hebben op het vlak van beveiliging.