KruimelpadGeldend op 18-01-2012
[Regeling vervalt per 08-11-2015]
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Gelezen het verzoek van de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat van 13 oktober 2010 en de daaropvolgende adviezen van de korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten en van de hoofdofficier van justitie te Den Haag;
Gelet op:
– artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b (en derde lid), van het Wetboek van Strafvordering;
– artikel 36, eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
– artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de Wet op de economische delicten.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in artikel 2.
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu en Welzijn, van bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland en daarbuiten voor zover de rechtsmacht van Nederland strekt en voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein.
1. Als toezichthouder als bedoeld in artikel 36 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket.
2. Als direct toezichthouder als bedoeld in artikel 36 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten.
1. De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat brengt jaarlijks, voor 1 april, verslag uit over:
a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam in de in artikel 2 genoemde functie;
b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
2. Dit verslag wordt toegezonden aan in artikel 5 bedoelde toezichthouders en aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie, dienst Justis, afdeling BTR, postbus 20300, 2500 EH Den Haag.
De op naam gestelde akten van beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Rijkswaterstaat 2005, nr. 5384385/505/CBK, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het onderhavige besluit.
Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Rijkswaterstaat 2005, nr. 5384385/505/CBK, wordt ingetrokken.