Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Geldend op 16-04-2012


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Op grond van artikel 2q, vierde lid, WTU-BES heeft de vervoerder de verplichting om een vreemdeling die hij naar de openbare lichamen heeft vervoerd en aan wie de toegang is geweigerd, terug te vervoeren naar een plaats, het land of derde staat van waar zij die persoon heeft vervoerd. Zie hiervoor ook artikel 2n WTU-BES.

    De terugvoerplicht is van toepassing op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, ongeacht de weigeringsgronden als beschreven in artikel 2r, eerste, tweede en derde lid, WTU-BES. Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, moeten – ongeacht of zij wel of niet een verzoek tot bescherming indienen – voor terugname worden geclaimd bij de vervoerder.

    Voor vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, moet het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

    Bij het terugvervoeren, als bedoeld in artikel 2q, vierde lid, WTU-BES, worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie MBES19 CTU-BES en MBES20 CTU-BES). Om het terugvoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten. Deze attesten zijn bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9, Verdrag van Chicago).

    Als de luchtvervoerder, reder of gezagvoerder het nalaat de vreemdeling uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren, zullen zowel de kosten aan de uitzetting als alle andere noodzakelijke kosten, op grond van artikel 22, tweede lid WTU-BES, op de luchtvervoerder worden verhaald.

    Vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten de openbare lichamen tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten de openbare lichamen wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit houdt in dat:

    • de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van de vreemdeling, wanneer deze bijvoorbeeld in de openbare lichamen verblijft in afwachting van zijn vertrek;

    • alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie paragraaf 5.1.6 van dit hoofdstuk).

    Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op personen aan de vreemdeling, die zal worden teruggevoerd, een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

    Verstekelingen

    In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling ligt de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking echter besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel artikel 2o WTU-BES op te leggen (zie MBES16 CTU-BES). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel mogelijk te laten vertrekken van het grondgebied van de openbare lichamen. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd over de plaatsing van de verstekeling aan boord ter uitvoering van zijn verplichting.

    In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder:

    • a. op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan;

    • b. worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven; of

    • c. een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd.

    Deze wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiervoor moet de verstekeling in principe over voldoende documenten beschikken. Als dit niet het geval is, moet de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld worden en moet de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming een vervangend reisdocument verstrekken aan de verstekeling. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten moet plaatsvinden voordat het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag echter niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.

    Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld artikel 22 WTU-BES, door een beroep te doen artikel 471 Wetboek van Koophandel BES. In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ moet hier namelijk worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid. Dit wil zeggen dat het van boord zetten van een vreemdeling slechts mag plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.

    Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In het geval dat de kapitein zich op dit voorschrift beroept, moeten de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking worden beoordeeld en afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.

    Vreemdelingen met een vluchtrelaas

    Als de vervoerder bij een controle in het kader van de zorgplicht (zie paragraaf 5.1.1) constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft, moet hij deze in principe niet vervoeren. Als de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging sturen om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘bescherming’ in te dienen. Als de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, moet de vervoerder contact opnemen met de IND unit Caribisch Nederland. Deze unit bepaalt dan of de vreemdeling naar de openbare lichamen mag worden gebracht. Als een vervoerder een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft naar het grondgebied van de openbare lichamen heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de IND unit Caribisch Nederland, geldt voor de vervoerder geen terugvoerplicht. Ook wordt geen proces-verbaal opgemaakt ten aanzien van vermoedelijke overtreding van artikel 2q WTU-BES. Wel moet de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vastleggen.