Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Geldend van 08-10-2010 t/m 30-06-2012

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Rijksdienst Caribisch Nederland Immigratie- en Naturalisatiedienst Oktober 2010

Afkortingenlijst CTU-BES

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BMS

Border Management System

BTU-BES

Besluit toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BV

Besloten vennootschap

BZ

Ministerie/Minister van Buitenlandse Zaken

CROHO

Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

CTU-BES

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

DMB

Directie Migratie Beleid

EU

Europees Unie

EVRM

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens

   

HBO

Hoger beroep onderwijs

HIG

Herziene instructie aan de gezaghebbers

ICT

Information and Communication Technologies

IND-BES

Immigratie- en Naturalisatiedienst Bonaire, Sint Eustatius en Saba

   

KMar

Koninklijke Marechaussee

   

Model MBES

Model Bonaire, Sint Eustatius en Saba

MVV

Machtiging tot voorlopig verblijf

   

NA

Nederlandse Antillen

NV

Naamloze Vennootschap

   

OC&W

Ministerie/Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap

OM

Openbaar Ministerie

   

RSC

Regionaal Service Centrum

RWN

Rijkswet op het Nederlanderschap

RTU-BES

Regeling toelating en Uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

SWZ

Ministerie/Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

   

TBC

Tuberculose

TWV

Tewerkstellingsvergunning

   

UNHCR

United Nations High Commissioner for Refugees

UNRWA

United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near

USD

United States dollar

   

VN

Verenigde Naties

Vof

Vennootschap onder firma

   

WarBES

Wet administratieve rechtspraak Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Wav BES

Wet arbeid vreemdelingen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Wobka

Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

Wbp-BES

Wet bescherming persoonsgegevens Bonaire, Sint Eustatius en Saba

WTU-BES

Wettoelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Hoofdstuk 1. Toegang

1. Begrippen

In artikel 1 WTU-BES, artikel 1.1 en artikel 1.2 BTU-BES worden de definities van verschillende woorden aangegeven.

Aanvullend hierop zijn de volgende begrippen met hun omschrijvingen nog van belang:

  • a. vervoerder: een natuurlijke en rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert;

  • b. passagiers: alle aan boord van een schip en luchtvoertuig verblijvende personen, niet zijnde verstekelingen, die geen deel uitmaken van de bemanning;

  • c. bemanning: de personen die zijn aangemonsterd om aan boord rechtstreeks met de vaart verband houdende werkzaamheden te verrichten, en als zodanig op de bemanningslijst staan vermeld;

  • d. scheepsagent: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die ter plaatse de reder in al zijn functies als reder vertegenwoordigt;

  • e. verstekeling: een persoon die zich ophoudt op een schip of in de lading van een schip, zonder de toestemming van de vervoerder of de kapitein van het schip en wiens aanwezigheid op het schip wordt ontdekt na vertrek uit een haven of wiens aanwezigheid in de lading wordt ontdekt in de haven van aankomst;

  • f. cruiseschip; een vaartuig dat een route volgt volgens een van te voren vastgesteld programma dat toeristische activiteiten in de verschillende havens omvat en waarbij tijdens de reis in beginsel geen passagiers in- of uitschepen.

2. Grensbewaking

2.1. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

De met grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in artikel 22a WTU-BES. Alle ambtenaren belast met grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taken binnen de openbare lichamen uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitvoering van deze taken en het toezicht op personen richten de ambtenaren van KMar zich in beginsel primair op de grensbewaking en de ambtenaren van de politie op het toezicht op vreemdelingen. Op de eilanden Saba en Sint Eustatius wordt het toezicht door de ambtenaren van de KMar uitgevoerd.

De ambtenaren van de KMar en de ambtenaren van de politie oefenen de grensbewaking uit onder leiding van de Commandant van de KMar en het toezicht op vreemdelingen onder leiding van de Korpschef. De bevoegdheden van deze ambtenaren zijn uiteengezet in artikel 22d tot en met 22g van de WTU-BES.

2.2. Grensdoorlaatpost

Grensbewaking wordt uitgeoefend in verband met het in en uit de openbare lichamen reizen van personen. Iedereen is in principe verplicht bij grensoverschrijding een grensdoorlaatpost te passeren (zie artikel 2m WTU-BES) en zich daar te melden bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In de regel worden de grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.

In de openbare lichamen fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. In artikel 6.2 BTU-BES staan de grensdoorlaatposten opgesomd:

  • a. in het openbaar lichaam Bonaire: de rede van Kralendijk, Blauwe Pan en Brazil en de Flamingo luchthaven;

  • b. in het openbaar lichaam Sint Eustatius: de Oranjebaai en de luchthaven van Sint Eustatius;

  • c. in het openbaar lichaam Saba: de Fortbaai en de luchthaven van Saba.

Melden bij de hierboven genoemde grensdoorlaatposten kan alleen binnen de tijd dat de desbetreffende doorlaatpost is opengesteld. Voor de openingstijden van de grensdoorlaatposten wordt verwezen naar de RTU-BES.

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten.

Bovenstaande verdeling laat onverlet dat de uitvoerende diensten elkaar, indien nodig, kunnen bijstaan in de uitoefening van de grensbewakingstaken.

Op grond van artikel 6.4 BTU-BES moet iedereen, die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houden aan de daar door de ambtenaren belast met grensbewaking gegeven aanwijzingen.

Bij een grensdoorlaatpost wordt aan een vreemdeling toegang verleend, dan wel geweigerd. Aan de vreemdeling die om toegang verzoekt, kan de toegang worden geweigerd op de gronden bedoeld in artikel 2r WTU-BES.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, BTU-BES vindt een weigering van de toegang altijd schriftelijk plaats.

Als de toegang wordt geweigerd, moet de vreemdeling onmiddellijk de openbare lichamen verlaten, waarbij de aanwijzingen van de ambtenaar belast met de grensbewaking, op grond van artikel 6.4 BTU-BES, moeten worden opgevolgd.

2.3. Toegangsvoorwaarden

Op grond van artikel 2r WTU-BES moet een vreemdeling:

  • a. in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • b. in het bezit zijn van een visum voor kort verblijf, terugkeervisum, mvv, tenzij de vreemdeling houder is van een geldige verblijfstitel;

  • c. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aannemelijk maken;

  • d. aantonen dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als de terugreis naar het land van herkomst of de doorreis naar een derde land waar toegang is gewaarborgd, dan wel in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven;

  • e. aantonen geen gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen te vormen.

De vreemdeling moet desgevraagd de in artikel 6.3 BTU-BES genoemde documenten en inlichtingen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking tonen dan wel verstrekken.

Als de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 2r WTU-BES, wordt hem de toegang geweigerd. Verder kan de ambtenaar belast met grensbewaking de vreemdeling de toegang tot de openbare lichamen weigeren als de vreemdeling eerder de maximale duur van het toegestane verblijf in de openbare lichamen heeft overschreden.

Tot slot weigert de ambtenaar de toegang aan de vreemdeling die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang. Hiervan kan worden afgeweken als de Minister dit noodzakelijk acht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of internationale betrekkingen.

Onder bepaalde voorwaarden kan desondanks toegang worden verleend wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang zoals genoemd in deze paragraaf. Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

2.3.1. Geldig document voor grensoverschrijding

In artikel 2r, eerste lid, onder a, WTU-BES is bepaald dat de toegang aan een vreemdeling wordt geweigerd, als deze niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding wordt verwezen naar de artikelen 3.5 en 3.6 BTU-BES.

Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.

Onder een paspoort wordt verstaan:

  • a. een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding;

  • b. een document op grond waarvan de houder is toegestaan naar het buitenland te reizen; en

  • c. een document waarmee de houder kan terugkeren naar het land van afgifte.

Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering hierop vormt Taiwan. Dit land wordt door Nederland niet erkend, terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig document voor grensoverschrijding.

Het document voor grensoverschrijding moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van de houder en moet door de houder zijn ondertekend. Daarnaast moet dit document in het algemeen de volgende gegevens bevatten:

  • a. de familienaam;

  • b. de voorna(a)m(en);

  • c. de nationaliteit;

  • d. de geboorteplaats en -datum van de houder.

De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

De door het Koninkrijk der Nederlanden uitgegeven documenten die worden aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding zijn opgenomen in de (Rijks)Paspoortwet.

Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

Op grond van art 3.5, vierde lid, BTU-BES kan worden afgeweken van het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding.

Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor de visum wet- en regelgeving: zie de Rijksvisumwet) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven. Dit doorlaatbewijs is als model opgenomen in de RTU-BES. Dit bijzonder doorlaatbewijs wordt na afgifte hiervan aangemerkt als een geldig document voor grensoverschrijding.

Voorwaarden afgifte

De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte moet steeds aan elk van de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a. er is sprake van een situatie van overmacht. Bij situaties van overmacht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan passagierende zeelieden van wie het schip onaangekondigd is uitgevaren, drenkelingen en personen die het slachtoffer zijn geworden van diefstal. Als een vreemdeling zijn paspoort is vergeten, is geen sprake van een overmachtsituatie;

  • b. de vreemdeling kan aantonen dat er een dringende en gegronde reden voor verlening van toegang bestaat;

  • c. de vreemdeling kan aannemelijk maken dat de duur van het verblijf niet langer dan twee weken zal bedragen; en

  • d. de vreemdeling is in het bezit van een document waaruit zijn identiteit blijkt, bij voorkeur voorzien van een pasfoto, afgegeven door een officiële instelling (dit laatste vereiste geldt niet voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar die reizen in gezelschap van hun ouder(s), grootouder(s) of voogd). Als de vreemdeling wel beschikt over een document waaruit zijn identiteit blijkt maar dat niet is voorzien van een foto, moet op het bijzonder doorlaatbewijs een foto van de vreemdeling worden bevestigd.

Voor de afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen zijn geen leges verschuldigd.

2.3.2. Visum voor kort verblijf, terugkeervisum, machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)

Behalve als de vreemdeling houder is van een geldige verblijfstitel, is een van de voorwaarden voor toegang voor de visumplichtige vreemdeling, het in het bezit zijn van een visum voor kort verblijf, een terugkeervisum of een mvv. Zie artikel 2r, eerste lid, onder b, WTU-BES.

Voor een nader uitleg van het hebben van een visum kort verblijf wordt verwezen naar de Rijksvisumwet (artikel 5, tweede lid).

De regels over het terugkeervisum worden nader uitgewerkt in paragraaf 6 van dit hoofdstuk.

De voorwaarden voor een mvv staan in hoofdstuk 3 van de CTU-BES.

2.3.3. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf

Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf moet aannemelijk worden gemaakt. Ter onderbouwing hiervan moet de vreemdeling alle gegevens verstrekken en beschikbare documenten tonen. Indien het doel en de voorgenomen verblijfsduur niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt wordt de toegang op grond van artikel 2r, eerste lid, onder c, WTU-BES geweigerd.

Als de vreemdeling gebruikt heeft gemaakt van een elektronisch ticket en daarom niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling hierover inlichtingen inwinnen. De betreffende luchtvaartmaatschappij heeft hiervoor een informatiepunt beschikbaar gesteld. Als de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en niet op een andere manier het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering kan leiden.

2.3.4. Voldoende middelen van bestaan

Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 2r, eerste lid, onder d WTU-BES en artikel 3.8 BTU-BES). Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf.

De middelen moeten toereikend zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in de openbare lichamen als in de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder:

  • a. de duur van het voorgenomen verblijf;

  • b. het reisdoel;

  • c. de persoonlijke omstandigheden; en

  • d. de aard van het gebruikte vervoermiddel.

Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak. Voor de openbare lichamen komt dit neer op een bedrag van minimaal USD 1000 per week per persoon. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd.

Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende middelen van bestaan kunnen beschikken, kan onder voorwaarden toegang worden verleend voor:

  • a. de duur van het voorgenomen verblijf; en/of

  • b. voor de terugreis/reis naar een derde land.

Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

Een voorwaarde voor toegang is dat de vreemdeling -indien nodig- zekerheid stelt (zie artikel 3.9, tweede lid, BTU-BES) voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toelating is gewaarborgd. Dit doet hij door:

  • 1. het deponeren van een retourpassagebiljet of een garantiesom (het deponeren van een garantiesom is alleen mogelijk in zeer uitzonderlijke gevallen); of

  • 2. een in de openbare lichamen wonende solvabele derde die zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring (MBES14 CTU-BES).

1. retourpassagebiljet en garantiesom

Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerstelling. Als de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een elektronisch ticket en daarom niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Als de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

Het deponeren van een garantiesom als middel voor het stellen van zekerheid is alleen mogelijk in zeer uitzonderlijke situaties.

Beheer retourpassagebiljet en garantiesom

Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in de openbare lichamen een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.

Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt ook een bewijs van inname afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een bewijs van inname afgegeven.

De Commandant van de KMar beheert de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.

Teruggave en restitutie in de openbare lichamen

De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.

De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de vreemdeling teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, als:

  • a. voldoende zekerheid bestaat over het vertrek van de vreemdeling (op eigen kosten); of

  • b. naderhand een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt ingewilligd.

Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit de openbare lichamen.

Bij inname en teruggave van het retourpassagebiljet (MBES11 CTU-BES) dan wel de garantiesom (MBES12 CTU-BES) wordt het originele bewijs ingenomen dan wel teruggegeven.

2. Garantstelling door derde

Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een op de openbare lichamen wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring (MBES14 CTU-BES). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in de openbare lichamen rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld.

Deze derde persoon stelt zich daarbij garant voor:

  • a. de kosten die voor de openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien; evenals voor

  • b. de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

Nadat is besloten om de vreemdeling toegang te verlenen onder voorwaarden, brengt de ambtenaar belast met de grensbewaking een sticker ‘Doorlating onder voorwaarden openbare lichamen’ (MBES45 CTU-BES) aan in het paspoort van de vreemdeling. Vervolgens plaatst de ambtenaar een inreisstempel half op en half onder het laminaat. Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

2.3.5. Geen gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen

Indien er indicaties zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen, wordt op grond van artikel 2r, eerste lid, onder e, WTU-BES de vreemdeling de toegang geweigerd. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, dient de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met de Korpschef. In het geval sprake is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de internationale betrekkingen dient contact te worden gezocht met de Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid (DCM) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.3.6. Signalering ter fine van weigering

Een vreemdeling die toegang tot de openbare lichamen wenst, maar is geregistreerd ter fine van weigering van de toegang, wordt op grond van artikel 2r, derde lid WTU-BES de toegang geweigerd.

Bij twijfel kan de ambtenaar belast met de grensbewaking contact opnemen met de IND unit Caribisch Nederland en de zaak voorleggen. De IND unit Caribisch Nederland beslist of aan de vreemdeling alsnog toegang moet worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of de internationale betrekkingen. In het laatste geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met de Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid (DCM) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De vreemdeling moet natuurlijk ook voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.

Registratie van de signalering

Registratie van een vreemdeling ter fine van weigering vindt plaats in het Border Management System (BMS). Dit is het systeem dat de KMar gebruikt om personen te registreren. Een vreemdeling kan om verschillende redenen worden geregistreerd. Het Hoofd Grensbewaking KMar op de openbare lichamen is verantwoordelijk voor de registratie. Wanneer een vreemdeling wordt geregistreerd moet altijd vermeld worden wat de motivatie/reden hiertoe is (openbare orde, voldoende middelen van bestaan, geen mvv, etc). Daarnaast moet de termijn van de signalering worden genoteerd.

3. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering

3.1. Algemeen

Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, worden een paar algemene opmerkingen geplaatst.

Het is niet mogelijk om een mvv-aanvraag of een aanvraag om een verblijfsvergunning aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit is om te voorkomen dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild. Het mvv-vereiste wordt behandeld in hoofdstuk 3 van de CTU-BES.

Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen betreffende mensenhandel. Zie hiervoor hoofdstuk 14 CTU-BES.

Het kan voorkomen dat een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bescherming te willen indienen. Voor de procedure wordt verwezen naar hoofdstuk 16 CTU-BES.

3.2. Minimumcontrole en grondige controle

Minimum controle

Op grond van artikel 2s WTU-BES moet iedereen (zowel vreemdelingen, Nederlanders, eilandbewoners, etc.) bij in- en uitreis aan een minimumcontrole worden onderworpen.

De minimale controle behelst een onderzoek van het document voor grensoverschrijding en een onderzoek, op niet-systematische basis, naar signaleringen ter fine van opsporing en weigering van de toegang en het verblijf.

Grondige controle

Op grond van artikel 2t WTU-BES worden slechts vreemdelingen bij binnenkomst en uitreis onderworpen aan een grondige controle. Een grondige controle bij inreis behelst verificatie van de toegangsvoorwaarden als genoemd in artikel 2r WTU-BES.

Een grondige controle bij uitreis staat uitgewerkt in artikel 2t, derde lid, WTU-BES. Daarbij kan worden onderzocht:

  • a. of de toegang van de vreemdeling tot de plaats, het land of de staat van bestemming redelijkerwijs is gewaarborgd;

  • b. of de vreemdeling de maximale duur van het toegestane verblijf in de openbare lichamen heeft overschreden. Indien dit het geval is, wordt dit gesignaleerd;

  • c. of de vreemdeling is gesignaleerd ter fine van opsporing of weigering van toegang en verblijf.

Als de nodige faciliteiten voorhanden zijn en de vreemdeling hier om verzoekt, vinden de bedoelde grondige controles in een privé-ruimte plaats.

3.3. Stempel

Op grond van artikel 2v WTU-BES worden bij overschrijding van de buitengrenzen de documenten voor grensoverschrijding afgestempeld. In artikel 2v, tweede lid WTU-BES staan de situaties neergeschreven wanneer er geen stempel hoeft te worden geplaatst.

Bij afwezigheid van een inreisstempel in het document voor grensoverschrijding wordt verwezen naar artikel 2w WTU-BES. Wanneer in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling geen inreisstempel is aangebracht, mogen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht hier het vermoeden aan verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden ten aanzien van de maximale verblijfsduur. Het is aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.

Verder wordt verwezen naar artikel 6.20 tot en met artikel 6.24 BTU-BES voor het plaatsen van aantekeningen in reis- of identiteitspapieren.

3.4. Versoepeling grenscontroles

Op grond van artikel 2u WTU-BES kunnen de grenscontroles aan de grens in buitengewone en onvoorziene omstandigheden worden versoepeld. Van buitengewone en onvoorziene omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn ingeval van een overstroming of een andere ernstige natuurramp die de overschrijding van de grens bij andere doorlaatposten verhindert, zodat de verkeersstromen van verschillende doorlaatposten worden omgeleid naar slechts één grensdoorlaatpost.

Zelfs in geval van versoepeling van de grenscontroles moet de ambtenaar belast met de grensbewaking, zowel bij in- als bij uitreis de reisdocumenten van vreemdelingen afstempelen. Dit is neergelegd in artikel 2v WTU-BES.

3.5. Toegangsverlening onder voorwaarden

Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking aan de vreemdeling ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend als er sprake is van:

  • a. kort verblijf; en

  • b. een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel in die zin wijzigt dat hij nog slechts kort verblijf beoogt.

Er mag bij ‘toegang onder voorwaarden’ geen aanleiding bestaan de toegang om redenen genoemd in artikel 2r WTU-BES te weigeren. Voorts mogen er geen redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn.

Bij toegang onder voorwaarden kunnen aantekeningen worden gesteld in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling. Deze aantekeningen kunnen betrekking hebben op:

De aantekeningen worden geplaatst door middel van het aanbrengen van de sticker ’Doorlating onder voorwaarden openbare lichamen’ (MBES45 CTU-BES). Deze sticker moet in het paspoort worden aangebracht. De inreisstempel wordt half op en half onder het laminaat geplaatst.

Aan de Korpschef wordt van de toegang onder voorwaarden kennis gegeven door gebruik van een formulier (MBES17 CTU-BES). Een eventuele garantverklaring (MBES14 CTU-BES) wordt met deze kennisgeving meegezonden. In het geval van een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel wijzigt in kort verblijf, worden eveneens de door de vreemdeling overgelegde verklaringen meegezonden.

Ten aanzien van het opleggen van de meldplicht wordt opgemerkt dat dit betekent dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de Korpschef moet aanmelden.

Als de vreemdeling in verband met een zaterdag, zondag of feestdag niet zou kunnen voldoen aan de verplichting tot aanmelding binnen drie dagen, wordt in het document voor grensoverschrijding de volgende aantekening gesteld: ‘aanmelden uiterlijk op ...... (datum)’.

Overige aantekeningen

Als daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij de inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in artikel 6.20, eerste lid, onder b en c, BTU-BES (doel, duur en middelen voorgenomen verblijf) en de toepassing van artikel 3.6 BTU-BES in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.

3.6. Toegangsweigering

3.6.1. Algemeen

Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden, genoemd in artikel 2r WTU-BES, voldoet, wordt de toegang tot de openbare lichamen geweigerd.

De toegang wordt geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking. De ambtenaar kan ook een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 2o, eerste en tweede lid, WTU-BES opleggen.

Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel voor zover mogelijk) moeten voortdurend in acht worden genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.

Als het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND unit Caribisch Nederland. Dit gebeurt in elk geval als de ambtenaar belast met grensbewaking voornemens is om de toegang te weigeren aan vreemdelingen behorend tot één van onderstaande categorieën:

  • a. de persoon die zich erop beroept de Nederlandse nationaliteit te hebben en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • b. de vreemdeling die zich er op beroept toelating van rechtswege te hebben (artikel 3 WTU-BES);

  • c. de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in de openbare lichamen is toegestaan;

  • d. de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv;

  • e. buitenlandse pleegkinderen (zie hoofdstuk 12 CTU-BES);

  • f. de vreemdeling die te kennen geeft dat hij bescherming nodig heeft (artikel 2r, vierde lid, WTU-BES). Zie ook hoofdstuk 16 CTU-BES.

Verder neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND unit Caribisch Nederland als het weigeren van toegang vanwege klemmende redenen van humanitaire aard dan wel in het belang van het land of internationale betrekkingen niet wenselijk wordt geacht. Hierbij kan worden gedacht aan het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling. Zie artikel 2r, derde lid, WTU-BES.

Het is op grond van artikel 2m, eerste lid, WTU-BES slechts mogelijk om na een bijzondere aanwijzing de toegang te weigeren aan een vreemdeling die bescherming zegt nodig te hebben.

3.6.2. Procedure voor weigering toegang aan de grens

De toegangsweigering van een vreemdeling vindt schriftelijk plaats door uitreiking van een standaard weigeringsformulier (MBES15 CTU-BES). De toegang wordt geweigerd op basis van artikel 2r van de WTU-BES. Hiertoe behoren ook vreemdelingen die om bescherming vragen.

In het standaard weigeringsformulier (MBES15 CTU-BES) moet het volgende duidelijk naar voren komen:

  • a. de redenen op grond waarvan de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd;

  • b. de toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (artikel 2r WTU-BES);

  • c. de procedure betreffende het recht van beroep; en

  • d. de nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep.

Iedere toegangweigering moet worden geregistreerd. De volgende zaken met betrekking tot de vreemdeling moeten worden bijgehouden:

  • a. de personalia;

  • b. de nationaliteit;

  • c. het nummer van het document voor grensoverschrijding;

  • d. de reden(en) van de toegangsweigering; en

  • e. de datum van de toegangsweigering.

3.6.3. Weigering toegang gevaar openbare orde en nationale veiligheid

In artikel 3.7 BTU-BES is beschreven in welke gevallen de toegang van een vreemdeling tot de openbare lichamen wordt geweigerd op grond van gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Op grond van het feit dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid wordt in de volgende gevallen de toegang in ieder geval geweigerd:

  • a. als er ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk pleegt of heeft gepleegd op de openbare orde en nationale veiligheid (zie paragraaf 2.3.5 ); of

  • b. als de vreemdeling in het opsporingsregister of ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat (zie paragraaf 2.3.6); of

  • c. als de vreemdeling een gevaar vormt voor de volksgezondheid (zie paragraaf 2.3.5).

In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen. De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het openbare lichaam waar de vreemdeling toegang is geweigerd, over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

3.6.4. Aanwenden rechtsmiddelen

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling op grond van artikel 19 en 22k WTU-BES beroep kan instellen.

Op grond van artikel 6 WarBES wordt rechtshulp bij beroep vergoed.

Het beroep kan binnen vier weken worden ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Bonaire. De behandeling van het beroepschrift mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht. Zie hoofdstuk 19 CTU-BES.

Op grond van artikel 2n, eerste lid, WTU-BES, moet de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk verlaten, tenzij:

  • a. er sprake is van een (verzoek om een) voorlopige voorziening;

  • b. een vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning verbandhoudende met bescherming heeft ingediend, waarop nog niet is beslist (artikel 2n, derde lid, WTU-BES).

3.6.5. De toegang blijft geweigerd

Als de vreemdeling de openbare lichamen niet onmiddellijk kan verlaten, kan een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 2o, eerste lid, WTU-BES of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 2o, tweede lid, WTU-BES worden opgelegd.

Ook als de geweigerde vreemdeling zijn vrijheid wordt ontnomen, bijvoorbeeld op strafrechtelijke gronden, blijft hem de toegang geweigerd. In dat geval blijft ook de terugvoerverplichting (zie paragraaf 5.1.4) in stand en blijft de mogelijkheid bestaan om hem – na beëindiging van de straf – in een grenslogies zijn vrijheid te ontnemen in afwachting van zijn uitzetting (artikel 2o juncto artikel 2p WTU-BES). Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de vreemdeling op grond van het Wetboek van Strafrecht BES in een huis van bewaring wordt geplaatst. Het is dus mogelijk om de vreemdeling na vrijlating uit het huis van bewaring op grond van artikel 2o WTU-BES zijn vrijheid te beperken of te ontnemen (MBES16 CTU-BES).

3.6.6. Verplichtingen voor geweigerde

De vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, is verplicht onmiddelijk te vertrekken uit het openbare lichaam met inachtneming van de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaar (artikel 2q, vierde lid, WTU-BES).

Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen:

  • a. het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost;

  • b. de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen; of

  • c. het aan boord gaan van een schip of vliegtuig.

Overtreding van voornoemde aanwijzingen is een strafbaar feit op grond van artikel 26 WTU-BES.

Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging kunnen geweigerde vreemdelingen de aanwijzing krijgen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte (artikel 2o WTU-BES), die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit om illegale binnenkomst te verhinderen.

3.6.7. Verplichtingen voor vervoerder

Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, moeten – ongeacht of zij wel of niet een verzoek tot bescherming hebben ingediend – voor terugname worden geclaimd bij de vervoerder (artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES).

Ten aanzien van de luchtvaart moet, als het gaat om vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is. Het effectueren van het vertrek moet plaatsvinden zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

Ten aanzien van de zeevaart moet als het gaat om vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, het vertrek worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.

Zie voor een uitwerking van de verplichtingen voor vervoerders paragraaf 5 van dit hoofdstuk.

4. Verplichtingen in het kader van toezicht

4.1. Algemeen

In artikel 22h, eerste lid, WTU-BES is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd.

Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES.

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier in de openbare lichamen aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij rechtmatig of onrechtmatig in de openbare lichamen verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.

Het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de BTU-BES is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit.

Als een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex artikel 15c, vrijheidsontneming ex artikel 15b WTU-BES of signalering in het BMS.

4.2. De verplichting tot opgave van verhuizing

De in artikel 6.33, eerste lid onder a, b en d, BTU-BES bedoelde kennisgevingen hoeven niet in persoon te worden gedaan. Een vreemdeling moet dit binnen vijf dagen melden aan de Korpschef. Van deze kennisgevingen kan een aantekening worden gemaakt in het document voor grensoverschrijding (artikel 6.28 BTU-BES).

4.3. De verplichting tot het verstrekken van gegevens

4.3.1. Algemeen

Op grond van artikel 22h, eerste lid, onder b, WTU-BES kan ten aanzien van vreemdelingen worden voorzien in een verplichting tot het verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES.

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle aanwezige vreemdelingen. De vordering is gericht op de vreemdeling zelf, tenzij het gaat om kinderen jonger dan twaalf jaar. Ten aanzien van vreemdelingen die jonger zijn dan twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (artikel 6.34, vierde lid, BTU-BES).

4.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens

Vreemdelingen zijn verplicht op vordering van de Korpschef, binnen de in de vordering aangegeven tijd, de gegevens te verstrekken die de Korpschef in het belang in het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES vraagt (artikel 6.34 BTU-BES), voor zover het de gegevens betreft die worden bedoeld in 6.35 tot en met 6.40 BTU-BES. Er moet steeds een rechtstreeks verband bestaan tussen het vragen van gegevens en de toepassing van de WTU-BES, dan wel de uitvoeringsbepalingen daarvan. Daarnaast kan een vordering tot het verstrekken van gegevens bijvoorbeeld worden gedaan met het oog op het bijhouden van de vreemdelingenadministratie.

Als daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan de vreemdeling worden verplicht de gevraagde gegevens persoonlijk te komen verstrekken.

Aanleiding tot het opleggen van deze verplichting bestaat bijvoorbeeld als:

  • a. feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die kunnen leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning;

  • b. de vreemdeling verzuimd heeft tijdig verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning aan te vragen; of

  • c. wordt overwogen de vreemdeling aan een bijzondere maatregel van toezicht te onderwerpen.

Het verstrekken van onjuiste gegevens die hebben geleid tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning is strafbaar wegens overtreding van artikel 6.34 BTU-BES, juncto artikel 22h, eerste lid, WTU-BES. Voor de vreemdeling kan dit tot gevolg hebben dat de verleende vergunning wordt ingetrokken in het kader van het algemene belang (artikel 14, onder c, WTU-BES).

4.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Op grond van artikel 6.35 BTU-BES is een vreemdeling verplicht zijn aanwezigheid onmiddellijk in persoon mee te delen aan de Korpschef als hij:

  • a. zich in de openbare lichamen bevindt; en

  • b. niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten tot de openbare lichamen; en

  • c. de beslissing betreffende een verblijfsvergunning mag afwachten in de openbare lichamen.

Voorbeelden:

  • a. vreemdelingen die op illegale wijze de openbare lichamen zijn binnengekomen;

  • b. vreemdelingen die na beëindiging van hun eerdere rechtmatige verblijf zonder toestemming in de openbare lichamen zijn achtergebleven;

  • c. (passagierende) zeelieden en transitpassagiers van vliegtuigen en zeeschepen die niet tijdig uit de openbare lichamen zijn vertrokken.

4.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf

Op grond van artikel 6.36 BTU-BES moet de persoon die nachtverblijf verschaft aan een vreemdeling van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze niet rechtmatig in de openbare lichamen verblijft dit onmiddellijk meedelen aan de Korpschef. De strekking van deze bepaling is om de opsporing van illegaal in de openbare lichamen verblijvende vreemdelingen makkelijker te maken en om hen, die – te kwader trouw – aan dit illegale verblijf medewerking verlenen, strafbaar te stellen (artikel 26 WTU-BES).

4.3.5. Verstrekken van gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers

Op grond van artikel 3.37 BTU-BES zijn werkgevers verplicht om ten aanzien van vreemdelingen aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten desgevraagd gegevens te verstrekken aan de Korpschef. De verplichting geldt voor daartoe gevorderde werkgevers van wie bij de Korpschef bekend is dat zij vreemdelingen in dienst gehad hebben die illegaal in de openbare lichamen hebben verbleven of die ongeoorloofd in de openbare lichamen arbeid hebben verricht. De gevraagde gegevens moeten onmiddellijk of binnen een door de Korpschef aangegeven termijn worden verstrekt.

De Korpschef moet een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever tekenen of per aangetekende brief verzenden. De vordering aan de werkgever moet duidelijk vermelden:

  • a. welke gegevens moeten worden verstrekt;

  • b. op welke wijze gegevens moeten worden verstrekt; en

  • c. binnen welke termijn de gegevens moeten worden verstrekt.

In het algemeen zal er aanleiding bestaan de werkgever te verplichten de gegevens te verstrekken over alle vreemdelingen, die op een bepaalde datum (te weten de datum waarop de vordering wordt gedaan) bij hem in dienst zijn, evenals de vreemdelingen (of bepaalde categorieën van vreemdelingen) die vanaf die datum bij hem tewerkgesteld worden. Het gaat om de volgende gegevens van zijn werknemers:

  • a. de naam;

  • b. voornaam;

  • c. geboortedatum en-plaats;

  • d. nationaliteit;

  • e. datum van indiensttreding;

  • f. woonplaats; en

  • g. adres.

4.3.6. Mededeling over het zoeken of gaan verrichten van arbeid

De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten in de openbare lichamen als bedoeld in artikel 5a WTU-BES, en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, is verplicht daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef (artikel 6.38 BTU-BES). Een aantal categorieën, genoemd in artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES, is vrijgesteld van deze verplichting.

De beperking die in het derde lid van artikel 6.38 BTU-BES is opgenomen, vloeit voort uit artikel 5.21 BTU-BES, waarin is bepaald dat geen verblijfsvergunning wordt verstrekt als:

  • a. de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden; of

  • b. het verlenen van seksuele diensten aan derden.

Het ligt voor de hand in dit geval evenmin vrijstelling van de meldplicht te verlenen.

4.3.7. Mededeling over vervallen verblijf van rechtswege dan wel verblijfsdoel

De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten tot de openbare lichamen is verplicht onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef (artikel 6.39 BTU-BES) als:

  • a. zijn verblijf van rechtswege is vervallen; of

  • b. hij niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend,

Voldoet een vreemdeling niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend dan kan deze worden ingetrokken, dan wel kan de beperking worden gewijzigd of opgeheven.

4.4. Verlenen van medewerking aan identificatie

4.4.1. Foto en vingerafdrukken

De verplichtingen gelden tegenover de met de grensbewaking belaste ambtenaren en tegenover ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht (artikel 6.41 BTU-BES). De verplichting tot het beschikbaar stellen van een pasfoto moet worden opgelegd met het oog op de registratie van de vreemdeling en in verband met de uitreiking van de voorgeschreven documenten.

De in artikel 6.41, onder b, BTU-BES genoemde verplichting mag alleen worden opgelegd als daartoe, naar het oordeel van de desbetreffende ambtenaar, in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Dit wil zeggen, alleen in speciale daarvoor in aanmerking komende gevallen. De verplichting zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen behoort in ieder geval te worden opgelegd aan vreemdelingen:

  • a. die op onrechtmatige wijze de openbare lichamen zijn binnengekomen en naar de identiteit van wie een onderzoek moet worden ingesteld;

  • b. tegen wie – met het oog op de toepassing van de WTU-BES – een onderzoek naar hun criminele of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;

  • c. aan wier verblijfsvergunning in het belang van de openbare rust of de nationale veiligheid een voorschrift wordt verbonden;

  • d. aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (artikel 22h, tweede lid, WTU-BES);

  • e. van wie de vrijheid van beweging wordt beperkt (artikel 15 WTU-BES);

  • f. die ongewenst worden verklaard (artikel 16d WTU-BES);

  • g. die in bewaring worden gesteld (artikel 15c WTU-BES);

  • h. die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bescherming hebben ingediend; en

  • i. verder in alle gevallen waarin de Minister een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.

4.5. Verlenen van medewerking aan onderzoek naar tuberculose

De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is op grond van artikel 6.42, eerste lid, BTU-BES verplicht om een TBC-onderzoek te ondergaan. Deze verplichting geldt niet voor de in artikel 6.42, tweede lid, BTU-BES bedoelde vreemdelingen.

4.6. Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen

4.6.1. Verblijf langer dan drie maanden

Een vreemdeling is ingevolge artikel 6.43 BTU-BES verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan te melden bij de Korpschef als hij:

  • a. toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de WTU-BES; en

  • b. naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden,

Ad b.

Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in de openbare lichamen binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.

In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen jonger dan twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht.

4.6.2. Verblijf korter dan drie maanden

Een vreemdeling is ingevolge artikel 6.44 BTU-BES verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan te melden bij de Korpschef al hij langer dan drie dagen in de openbare lichamen wil verblijven. Het gaat om een vreemdeling die:

  • a. toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de WTU-BES; en

  • b. naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van maximaal drie maanden,

In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen jonger dan twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht.

De verplichting tot aanmelding geldt ingevolge artikel 6.44, derde lid BTRU-BES niet voor de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of op grond van gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.

4.7. Periodieke aanmelding

4.7.1. Periodieke aanmelding ex artikel 6.47 BTU-BES

Algemeen

Op grond van artikel 6.47 BTU-BES is periodieke aanmelding bij de Korpschef verplicht voor de vreemdeling:

  • a. die geen toelating van rechtswege heeft, of bij vergunning is verleend; en

  • b. die in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting.

De vreemdeling moet zich dan wekelijks melden, tenzij de Korpschef een andere termijn stelt. De verplichting geldt niet voor vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.

Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning moet de vreemdeling door de Korpschef erop worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (artikel 22h, eerste lid, onder f, WTU-BES juncto artikel 6.47, eerste lid, onder b, BTU-BES).

Bij vreemdelingen die een aanvraag om toelating tot de openbare lichamen hebben ingediend in het kader van bescherming vindt het vorenstaande plaats door middel van het model MBES33 CTU-BES. Het gaat hier om een wekelijkse meldplicht op grond van artikel 6.47, tweede lid, BTU-BES.

Ontheffing en termijnstelling

De Korpschef kan ontheffing van de meldplicht verlenen. Verder kan hij een andere meldingstermijn dan de wekelijkse aan de meldplicht verbinden. Als de Korpschef van mening is dat ontheffing niet langer gewenst is, kan hij de ontheffing beëindigen. De vreemdeling moet steeds op hem aangaande wijzigingen betreffende de meldplicht worden gewezen.

Ten aanzien van vreemdelingen die toelating tot de openbare lichamen hebben in het kader van bescherming geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND unit Caribisch Nederland.

Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling

Als de vreemdeling zich ondanks een verplichting daartoe niet houdt aan de meldplicht kan dit een aanwijzing zijn dat hij het land heeft verlaten of dat hij zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken. Als de vreemdeling zich twee achtereenvolgende keren niet houdt aan de meldplicht moet hij gevorderd worden om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de meldplicht. Reageert de vreemdeling niet dan kan worden geconcludeerd dat hij de openbare lichamen heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en moet hij in de vreemdelingenadministratie worden afgemeld.

Over het (aangenomen) vertrek van een vreemdeling worden de IND unit Caribisch Nederland en de KMar geïnformeerd middels model MBES38 CTU-BES.

4.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding

De Minister kan op grond van artikel 22h, tweede lid, WTU-BES aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.

De verplichting kan worden opgelegd aan alle in de openbare lichamen verblijvende vreemdelingen.

Betreffende het opleggen van de verplichting wordt door de Korpschef de bij artikel 6.25, eerste lid, onder e, BTU-BES voorgeschreven aantekening in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling geplaatst. In de gevallen als omschreven in het derde lid van artikel 6.25 BTU-BES wordt de aantekening geplaatst op een afzonderlijk inlegblad.

4.8. Inleveren van het document waaruit het rechtmatige verblijf blijkt

Ingevolge artikel 6.48 BTU-BES is in de volgende gevallen de vreemdeling verplicht het document waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning blijkt, in persoon in te leveren bij de Korpschef:

  • a. de toelating is vervallen of geëindigd;

  • b. het hoofdverblijf is buiten de openbare lichamens verplaatst; of

  • c. de Nederlandse nationaliteit is verleend.

De IND unit Caribisch Nederland moet hierover worden bericht.

Het niet voldoen aan deze verplichting is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit.

4.9. Toezicht op documenten

4.9.1. Aangifte van vermissing van documenten

De vreemdeling moet ingevolge artikel 6.40 BTU-BES in persoon aangifte doen bij de Korpschef als het document waaruit zijn toelating bij vergunning dan wel van rechtswege blijkt:

  • a. wordt vermist;

  • b. verloren is gegaan; of

  • c. ondeugdelijk is geworden voor identificatie.

De IND unit Caribisch Nederland moet hierover worden bericht.

Het niet voldoen aan de verplichting van artikel 6.40 BTU-BES is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit. Dit kan ertoe leiden dat er door Burgerzaken geen nieuw verblijfsdocument wordt afgegeven.

Van de aangifte moet proces-verbaal worden opgemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal moet worden gezonden aan de IND unit Caribisch Nederland.

4.9.2. Vervanging van identiteitspapieren

Indien een verblijfsdocument moet worden vervangen, moet de IND unit Caribisch Nederland hierover worden bericht.

4.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten

Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, moet op grond van artikel 22d WTU-BES worden staande gehouden en gehoord. Zijn identiteit moet worden vastgelegd aan de hand van:

  • a. naamsopgave;

  • b. foto’s; en

  • c. eventueel het dactyloscopisch signalement met handtekening van de vreemdeling.

De tolk moet als voldoende bekwaam en objectief kunnen worden beschouwd.

Van alle aangetroffen bescheiden, zoals reisbiljetten, diploma’s en dergelijke, moeten fotokopieën worden gemaakt. Op basis van aanwezige informatie zal de KMar proberen het voor het vertrek van de vreemdeling benodigde document te verkrijgen.

5. Verplichtingen vervoerders, en gezagvoerders

5.1. Verplichtingen voor vervoerders

Onder vervoerder wordt verstaan een natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert.

Voor de openbare lichamen geldt dat vooral voor:

  • a. de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen; alsmede

  • b. eigenaars van koopvaardijschepen, vrachtschepen; en

  • c. eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen,

die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole plaatsvindt en zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.

De volgende verplichtingen zijn opgenomen in de WTU-BES:

Daarnaast kan de vervoerder op grond van artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES, aansprakelijk worden gesteld voor de uitzettings- en verblijfskosten die door de overheid worden gemaakt met betrekking tot geweigerde vreemdelingen die niet onmiddellijk kunnen worden terugvervoerd.

5.1.1. De zorgplicht

Op grond van artikel 2q WTU-BES moet een vervoerder de nodige maatregelen nemen en houdt hij het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de persoon niet wordt voldaan aan artikel 2r, eerste lid, onder a en b, WTU-BES. Dit betekent dat vervoerder zodanige voorzorgsmaatregelen moet nemen dat de aanvoer van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Als dergelijke vreemdelingen zonder voorafgaande toestemming van bevoegde autoriteiten toch worden aangevoerd, kan de vervoerder strafbaar zijn. In ieder geval zal hiervan een proces-verbaal worden opgemaakt.

Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar de openbare lichamen. Onder personeel wordt ook verstaan het personeel dat onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder bepaalde formaliteiten verricht.

De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:

  • a. controle of de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden reisdocument zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van dat document;

  • b. controle of het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor de openbare lichamen als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • c. controle of de geldigheid van het aangeboden reisdocument en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • d. controle of het aangeboden reisdocument is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit;

  • e. controle door middel van een kort en bondig onderzoek of het aangeboden reisdocument vals of vervalst is, waarbij zo nodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Bij de controle van vervoersbewijzen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van technische apparatuur.

De overheid van de openbare lichamen kan de individuele vervoerder aanwijzingen geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit:

  • a. het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen); of

  • b. het gebruik van technische hulpmiddelen.

5.1.2. De afschriftplicht

De overheid van de openbare lichamen kan op grond van artikel 3.2 BTU-BES vervoerders verplichten een kopie te maken van de documenten die de vreemdeling in zijn bezit heeft. Deze afschriftplicht geldt slechts voor vluchten of vaarten vanaf die plaatsen van vertrek die specifiek, bij ministeriële regeling, zijn aangegeven.

Als de vervoerder de vreemdeling rechtstreeks, dan wel na transfer of transit naar de openbare lichamen, vervoert vanaf een luchthaven die bij ministeriële regeling is aangewezen als afschriftplichtige luchthaven, moet hij desgevraagd een afschrift kunnen overleggen van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding. De lijst met afschriftplichtige luchthavens is te vinden als bijlage in de RTU-BES.

Eerdergenoemde lijst kan worden aangepast als ervaringsgegevens hiertoe aanleiding geven. Wanneer de lijst is aangepast wordt de lijst per brief kenbaar gemaakt aan de luchtvervoerders die vliegen vanaf een bepaalde locatie waarop de afschriftplicht van toepassing is. Hierbij zal worden aangegeven per wanneer de afschriftplicht geldt.

Aan de afschriftplicht wordt voldaan door het maken van een afbeelding van de pagina’s van het reisdocument die een aantal essentiële gegevens van de vreemdeling moeten bevatten. Zie hiervoor artikel 3.2, tweede lid, BTU-BES. Het is niet de bedoeling dat van alle pagina’s van het document voor grensoverschrijding van vorenbedoelde vreemdeling een afbeelding wordt gemaakt. De afbeelding moet van een dusdanige kwaliteit te zijn, dat teksten goed leesbaar zijn en de foto op het reisdocument goed tot de houder van het document te herleiden is. Bij voorkeur wordt een digitale scan van het reisdocument gemaakt.

Als een vreemdeling bij binnenkomst in de openbare lichamen niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken, moeten de bedoelde afbeeldingen desgevraagd worden overhandigd aan de bevoegde grensbewakingsautoriteiten. Deze overhandiging moet plaatsvinden binnen één uur na het verzoek van de ambtenaar belast met de grensbewaking.

5.1.3. De passagiersinformatieplicht

Op grond van artikel 2q, derde lid, WTU-BES en art 3.3 BTU-BES moeten de luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) en gezagvoerder die passagiers naar de openbare lichamen vervoeren desgevraagd passagiersgegevens verzamelen en aan de grensbewakingautoriteiten van de openbare lichamen verstrekken.

Voor de passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder moeten worden aangeleverd, wordt verwezen naar artikel 3.3, tweede lid, BTU-BES.

De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking die vordert tot het verzamelen en verstrekken van de passagiersgegevens, schrijft een specifieke wijze van elektronische verstrekking voor (artikel 3.2 BTU-BES). Voorgeschreven kan worden om de gegevens via een daartoe ter beschikking gesteld geautomatiseerd systeem of via een beveiligde internetverbinding aan te leveren. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens moeten voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, worden overgelegd.

Op basis van ervaringsgegevens en risicoanalyses, met betrekking tot illegale immigratie, bepaalt de ambtenaar belast met de grensbewaking van welke plaatsen van vertrek en van welke luchtvervoerders de passagiersgegevens worden gevorderd.

De passagiersgegevens die de luchtvervoerder, op vordering van de grensbewakingsautoriteiten, heeft verzameld worden niet langer dan 24 uur na aankomst door de vervoerder bewaard. Deze gegevens worden binnen 24 uur na aankomst vernietigd. De mogelijkheid blijft echter bestaan om die gegevens langer te bewaren als ze zijn verzameld met het oog op bijvoorbeeld de dienstverlening door de luchtvervoerder.

Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel ook een bewaartermijn van 24 uur. Dit is alleen anders als de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht, zoals beschreven in artikel 2q vierde lid, WTU-BES (zie paragraaf 5.1.4 van dit hoofdstuk).

De luchtvervoerder informeert de passagier over de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder wordt de passagier door de luchtvaartmaatschappij over de volgende zaken geïnformeerd:

  • a. welke gegevens worden verzameld;

  • b. de ontvangers van de gegevens zijn de grensbewakingsautoriteiten van de openbare lichamen zijn;

  • c. de passagier heeft het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet al zijn vernietigd).

5.1.4. De terugvoerplicht

Op grond van artikel 2q, vierde lid, WTU-BES heeft de vervoerder de verplichting om een vreemdeling die hij naar de openbare lichamen heeft vervoerd en aan wie de toegang is geweigerd, terug te vervoeren naar een plaats, het land of derde staat van waar zij die persoon heeft vervoerd. Zie hiervoor ook artikel 2n WTU-BES.

De terugvoerplicht is van toepassing op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, ongeacht de weigeringsgronden als beschreven in artikel 2r, eerste, tweede en derde lid, WTU-BES. Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, moeten – ongeacht of zij wel of niet een verzoek tot bescherming indienen – voor terugname worden geclaimd bij de vervoerder.

Voor vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, moet het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

Bij het terugvervoeren, als bedoeld in artikel 2q, vierde lid, WTU-BES, worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie MBES19 CTU-BES en MBES20 CTU-BES). Om het terugvoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten. Deze attesten zijn bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9, Verdrag van Chicago).

Als de luchtvervoerder, reder of gezagvoerder het nalaat de vreemdeling uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren, zullen zowel de kosten aan de uitzetting als alle andere noodzakelijke kosten, op grond van artikel 22, tweede lid WTU-BES, op de luchtvervoerder worden verhaald.

Vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten de openbare lichamen tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten de openbare lichamen wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit houdt in dat:

  • de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van de vreemdeling, wanneer deze bijvoorbeeld in de openbare lichamen verblijft in afwachting van zijn vertrek;

  • alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie paragraaf 5.1.6 van dit hoofdstuk).

Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op personen aan de vreemdeling, die zal worden teruggevoerd, een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

Verstekelingen

In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling ligt de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking echter besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel artikel 2o WTU-BES op te leggen (zie MBES16 CTU-BES). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel mogelijk te laten vertrekken van het grondgebied van de openbare lichamen. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd over de plaatsing van de verstekeling aan boord ter uitvoering van zijn verplichting.

In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder:

  • a. op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan;

  • b. worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven; of

  • c. een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd.

Deze wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiervoor moet de verstekeling in principe over voldoende documenten beschikken. Als dit niet het geval is, moet de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld worden en moet de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming een vervangend reisdocument verstrekken aan de verstekeling. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten moet plaatsvinden voordat het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag echter niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.

Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld artikel 22 WTU-BES, door een beroep te doen artikel 471 Wetboek van Koophandel BES. In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ moet hier namelijk worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid. Dit wil zeggen dat het van boord zetten van een vreemdeling slechts mag plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In het geval dat de kapitein zich op dit voorschrift beroept, moeten de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking worden beoordeeld en afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Als de vervoerder bij een controle in het kader van de zorgplicht (zie paragraaf 5.1.1) constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft, moet hij deze in principe niet vervoeren. Als de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging sturen om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘bescherming’ in te dienen. Als de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, moet de vervoerder contact opnemen met de IND unit Caribisch Nederland. Deze unit bepaalt dan of de vreemdeling naar de openbare lichamen mag worden gebracht. Als een vervoerder een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft naar het grondgebied van de openbare lichamen heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de IND unit Caribisch Nederland, geldt voor de vervoerder geen terugvoerplicht. Ook wordt geen proces-verbaal opgemaakt ten aanzien van vermoedelijke overtreding van artikel 2q WTU-BES. Wel moet de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vastleggen.

5.1.5. Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De vervoerder kan worden vervolgd ten aanzien van overtreding van artikel 2q, eerste en tweede lid, WTU-BES en ten aanzien van overtreding van artikel 2q vierde lid en artikel 22 WTU-BES.

5.1.6. Aansprakelijkheid voor uitzetting- en verblijfskosten

Als het niet mogelijk is om de vreemdeling binnen redelijke tijd naar een plaats buiten de openbare lichamen te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting, waaronder ook de verblijfskosten, uit de openbare lichamen, kunnen worden verhaald op een reder of luchtvaartmaatschappij (zie artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES). Deze kosten omvatten volgens artikel 8.3 BTU-BES in ieder geval de kosten die verbonden zijn aan:

  • a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, maar op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten de openbare lichamen;

  • b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit de openbare lichamen evenals zijn begeleiding naar een plaats buiten de openbare lichamen, voor zover deze noodzakelijk is; en

  • c. het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.

Als een vreemdeling, aan wie de toegang is geweigerd, een aanvraag om een verblijfsvergunning bescherming indient, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de aanvraag opgeschort. Er zullen pas weer kosten op de vervoerder worden verhaald nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.

Ook als het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten, is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.

De kosten worden berekend op basis van nacalculatie.

5.2. Verplichtingen voor gezagvoerders

Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar artikel 6.11 en 6.12 BTU-BES. Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar artikel 6.6 tot en met 6.10 van de BTU-BES.

Hieruit blijkt onder meer dat de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst moeten overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In de RTU-BES zijn de (internationale) luchtvaart en zeevaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen als bijlagen. De passagierslijst kan ook gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.

De overheid van de openbare lichamen kan de vervoerder opleggen om op de passagierslijst naast de namen van de reizigers ook andere gegevens vast te leggen.

6. Terugkeervisum

6.1. Algemeen

Op grond van artikel 1, onder g, WTU-BES wordt onder een terugkeervisum verstaan: een nationaal visum voor de toegang tot de openbare lichamen van een visumplichtige persoon die de openbare lichamen tijdelijk zal verlaten. Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de IND unit Caribisch Nederland worden afgegeven aan vreemdelingen die daarom verzoeken. Aan het terugkeervisum worden voorschriften en beperkingen verbonden.

6.2. Vereiste bescheiden

De aanvraag (of wijziging) van een terugkeervisum moet in persoon plaatsvinden bij een loket van de IND unit Caribisch Nederland. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden overgelegd:

  • a. een vastgesteld aanvraagformulier;

  • b. een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • c. de gegevens en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging van een terugkeervisum.

Op de aanvraag wordt binnen twee weken beslist. Als er sprake is van verlenging van de beslistermijn, dan wordt er binnen vier weken beslist. Het terugkeervisum wordt in de vorm van een sticker in het document voor grensoverschrijding of op een apart inlegvel gekoppeld aan het document voor grensoverschrijding aangebracht.

De modellen van de beschikkingen tot afwijzing van de aanvraag, evenals het aanvraagformulier en de terugkeervisumsticker worden vastgelegd en beheerd door de IND unit Caribisch Nederland.

6.3. Criteria

In artikel 2i, eerste lid, onder a t/m g, tweede en derde lid, WTU-BES zijn de gronden opgesomd die kunnen leiden tot weigering van het terugkeervisum.

Een terugkeervisum kan worden geweigerd als:

  • a. de vreemdeling niet door overlegging van documenten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek mogelijk maakt;

  • b. de vreemdeling niet zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • c. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in een openbaar lichaam aan maatregelen van toezicht op grond van deze wet heeft onttrokken;

  • d. uit een oogpunt van toezicht op grond van deze wet, opsporing of vervolging van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van een vonnis of om andere gewichtige redenen bezwaar bestaat tegen vertrek van de vreemdeling uit de openbare lichamen;

  • e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing kan worden verwacht op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd of wijziging daarvan, of op een bezwaarschrift of beroepschrift op dat gebied, terwijl bij of op basis van deze wet of een rechterlijke beslissing de uitzetting van de vreemdeling achterwege moet blijven totdat op die aanvraag, dat bezwaar of beroep is beslist;

  • f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en is ingereisd zonder de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf;

  • g. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan of verdacht wordt van terrorisme, oorlogsmisdaden, of andere misdaden tegen de menselijkheid.

Een terugkeervisum wordt geweigerd ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES.

Een terugkeervisum wordt geweigerd ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES heeft gedaan en die in afwachting is van een beslissing op die aanvraag.

In de volgende gevallen wordt aangenomen dat sprake is van dringende redenen in de zin van art 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES:

  • a. ernstige ziekte of overlijden van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • b. het bijwonen van een huwelijk van een nabije bloedverwant (in eerste en tweede graad);

  • c. onder voogdij gestelde minderjarigen die met het pleeggezin op vakantie naar het buitenland gaan;

  • d. deelname aan een in het kader van de opleiding of studie van belang zijnde excursie of werkweek in het buitenland.

Op de hoofdregel dat sprake moet zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES bestaan een aantal uitzonderingen. Deze zijn opgesomd in artikel 2.7 BTU-BES.

Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES bedoelde grond aan:

  • a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen;

  • b. de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in artikel 5.19 eerste lid, BTU-BES ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 WTU-BES, in geval beide ouders van rechtswege of bij vergunning zijn toegelaten of als Nederlander in de openbare lichamen verblijven;

  • c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;

  • d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 WTU-BES, en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn is ontvangen.

6.4. Geldigheidsduur

In artikel 2j WTU-BES is de geldigheidsduur van een terugkeervisum geregeld.

De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet overschrijden, omdat het terugkeervisum gekoppeld is aan het document, waarmee de vreemdeling wenst te reizen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum bedraagt ten hoogste een jaar. Het terugkeervisum kan worden verleend voor een of meer reizen.

Als de vreemdeling in de openbare lichamen verblijft in afwachting van de beslissing om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan is het terugkeervisum ten hoogste drie maanden geldig en wordt verleend voor één reis.

De Minister kan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan niet worden verlengd.

6.5. Kosten

Voor de behandeling van de aanvraag voor een terugkeervisum zijn op grond van Regeling op de Consulaire tarieven leges verschuldigd.

6.6. Wijzigen

Het wijzigen van een terugkeervisum is niet mogelijk als de vreemdeling de openbare lichamen heeft verlaten. De bedoeling van een terugkeervisum is immers dat de vreemdeling vooraf toestemming krijgt van de bevoegde autoriteiten om na een periode van uitreis weer terug te kunnen keren naar de openbare lichamen.

In het geval dat de vreemdeling er voor kiest om:

  • a. zonder een terugkeervisum uit te reizen; of

  • b. het terugkeervisum eenmaal in het buitenland is verlopen; en

  • c. hij terug wil keren naar de openbare lichamen,

dan moet de vreemdeling een mvv aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv moet betrekking hebben op het verblijfsdoel waarvoor de vreemdeling in de openbare lichamen verbleef, althans waarvoor de vreemdeling verblijf in de openbare lichamen beoogde.

Wijzigen van een terugkeervisum kan géén verlenging (artikel 2j, vierde lid, WTU-BES) en evenmin een omzetting van een enkele reis in een meervoudig terugkeervisum met zich meebrengen. Wel kan de reden (de oorzaak) of ook de beoogde duur van het verblijf in het land van herkomst van de aanvraag wijzigen, waardoor aanleiding kan bestaan de duur van het terugkeervisum in te korten. Inkorten vindt plaats door het aanbrengen van een nieuw sticker, waarbij het oorspronkelijke sticker ongeldig wordt gemaakt middels het doorhalen van de oude sticker door de IND unit Caribisch Nederland.

6.7. Intrekking

Op grond van artikel 2c WTU-BES kan een terugkeervisum worden ingetrokken:

  • a. op verzoek van de vreemdeling;

  • b. als uit naderhand gebleken feiten en omstandigheden komt vast te staan dat verlening ervan onjuist is;

  • c. als feiten en omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat deze zich verzetten tegen de handhaving of ongewijzigde handhaving van het verleende; of

  • d. als de vreemdeling de op hem rustende verplichtingen op grond van de WTU-BES niet naleeft.

De intrekking van een terugkeervisum vindt plaats door, bij voorkeur met rode inkt, op het terugkeervisum de volgende vermelding aan te brengen:

‘INGETROKKEN op ...(datum), op grond van art 2c, sub ....(a,b,c of d), WTU-BES’.

Als een ambtenaar van toezicht op grond van art 2c, sub b, c of d, WTU-BES een terugkeervisum wil intrekken moet hier eerst contact over worden opgenomen met de IND unit Caribisch Nederland. Als toestemming wordt verleend voor intrekking, dan moet de intrekking van het terugkeervisum worden voorzien van een dienststempel en een paraaf van de desbetreffende ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen.

7. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën vreemdelingen

7.1. Specifieke voorschriften voor categorieën vreemdelingen

7.1.1. Vreemdelingen die van rechtswege toelating tot verblijf hebben

Algemeen

De volgende categorieën vreemdelingen hebben op grond van artikel 3, eerste lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf:

  • a. vreemdelingen die van overheidswege uitgezonden zijn, maar zolang zij in overheidsdienst zijn;

  • b. vreemdelingen die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, evenals de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen

  • c. in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;

  • d. militairen gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd;

  • e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan;

  • f. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van onder de in a, b, c en d. genoemde vreemdelingen.

Zie verder hoofdstuk 2 CTU-BES.

Nederlanders

Nederlanders hebben op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

7.1.2. Toeristen

Op grond van artikel 4.2 BTU-BES mogen toeristen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. Zij mogen maximaal drie maanden op de openbare lichamen verblijven binnen een tijdsvak van zes maanden (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

7.1.3. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur geland zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van luchtvaartuigen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het luchtvaartuig (zie ook hoofdstuk 2).

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder b, WTU-BES wordt in de‘crew member licence’ of een ‘crew member certificate’ van piloten en bemanningsleden, als bedoeld in bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, geen in- of uitreisstempel aangebracht.

7.1.4. Transitpassagiers van vliegtuigen

Transitpassagiers hoeven op grond van de vigerende visumregeling niet in het bezit te zijn van een visum kort verblijf voor de openbare lichamen als zij:

  • a. de transitruimte niet verlaten; of

  • b. de transitruimte korter dan 48 uur verlaten.

Als transitpassagiers de transitruimte langer dan 48 uur willen verlaten, dan kan dit alleen op vertoon van een visum kort verblijf voor de openbare lichamen. Dit visum dient van te voren, in het land van herkomst, te worden aangevraagd.

7.1.5. Zeelieden

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn zeelieden die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur aangemeerd zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder c, WTU-BES worden geen stempels aangebracht in de documenten voor grensoverschrijding van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van de openbare lichamen verblijven.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

Werkzoekende zeelieden

Op grond van artikel 6.46 BTU-BES moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoen aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.

Hoofdstuk 2. Toelating van rechtswege

1. Inleiding

In artikel 3, eerste lid, WTU-BES wordt bepaald wie van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen hebben. Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie vreemdelingen die van rechtswege zijn toegelaten worden uitgebreid (zie artikel 3, tweede lid, WTU-BES).

In artikel 5a WTU-BES wordt bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over het verblijf zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf in de vrije termijn (van niet langer dan zes maanden). In de artikelen 4.1 tot en met 4.4 BTU-BES is dit uitgewerkt.

De toelating van rechtswege, bedoeld in de artikelen 3 en 5a WTU-BES, is tijdelijk.

Een vreemdeling die toelating van rechtswege heeft kan na een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als de vreemdeling aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet (zie artikel 5.45, tweede lid, BTU-BES).

Aanmelding bij Korpschef na binnenkomst

Voor de regels over de verplichting tot aanmelding na binnenkomst bij de Korpschef wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘Toegang’, paragraaf 4.6 ‘Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen’.

Ten aanzien van toelating van rechtswege is in dit hoofdstuk het volgende onderscheid gemaakt:

  • Nederlanders

  • bijzondere categorieën

  • verblijf in de vrije termijn

Deze categorieën zijn hieronder uitgewerkt.

2. Nederlanders

2.1. Algemeen

Artikel 1a WTU-BES voorziet in een overgangsregeling voor de toegang en het verblijf van Nederlanders in de openbare lichamen, in afwachting van de totstandkoming van een Rijkswet personenverkeer. Door middel van een Rijkswet personenverkeer wordt gestreefd naar een uniforme regeling voor de toegang en toelating van alle Nederlanders tot alle delen van het Koninkrijk. In de overgangsregeling artikel 1a WTU-BES zal het bestaande regime voor de toegang en toelating van de Nederlanders tussen de verschillende landen van het Koninkrijk vooralsnog gehandhaafd worden. Als overgegaan zou worden tot volledig vrije vestiging van Nederlanders voor alleen de openbare lichamen zonder dat de andere landen daartoe overgaan zou dat tot een ongewenste situatie leiden voor de openbare lichamen.

Dat betekent dat tot aan de inwerkingtreding van een Rijkswet personenverkeer het volgende geldt:

Toegang en toelating van Nederlanders tot het Europese deel van Nederland

De toegang en toelating van Nederlanders tot het Europese deel van Nederland blijven volledig vrij. Hier verandert niets aan.

Toegang en toelating van Nederlanders tot het land Aruba

De toegang en toelating van Nederlanders tot het land Aruba worden voorlopig beheerst door de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV) van het land Aruba.

Toegang en toelating van Nederlanders tot Curaçao en Sint Maarten

De toegang en toelating van Nederlanders tot Curaçao en Sint Maarten worden per 10 oktober 2010 beheerst door de Landsverordeningen toelating en uitzetting (LTU) van beide, respectievelijke landen.

Toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, SintEustatius en Saba

De toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden per 10 oktober 2010 beheerst door de WTU-BES.

EU-recht

Voor burgers van de Europese Unie en hun familieleden, ook Nederlanders, die zich naar de Caribische delen van het Koninkrijk begeven geldt dat zij geen beroep op de Europese regels betreffende het vrij verkeer van personen kunnen doen. Omdat de Caribische delen van het Koninkrijk behoren tot de zogeheten Landen en Gebieden Overzee, waarop alleen de Associatieregeling van toepassing is, zijn de Europese bepalingen en regels inzake het vrij verkeer van personen aldaar niet van toepassing.

2.2. Uitleg artikel 1a WTU-BES

Artikel 1a

  • 1. Deze wet is, met uitzondering van hoofdstuk 2, van overeenkomstige toepassing op:

    • a. Nederlanders, geboren buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • b. Nederlanders die buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is deze wet niet van overeenkomstige toepassing op Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, indien en voor zover deze wet niet op de vader of de moeder van toepassing is.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, is deze wet evenmin van overeenkomstige toepassing op Nederlanders, die:

    • a. direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba en die geboren zijn op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland, dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben;

    • b. kinderen zijn van de onder a bedoelde Nederlanders en direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Toelichting artikel 1a WTU-BES:

De bepalingen van de WTU-BES zijn van overeenkomstige toepassing op:

  • Nederlanders die door geboorte (eerste lid, sub a), naturalisatie of optie (eerste lid, sub b) buiten de eilanden of de openbare lichamen de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen; of

  • Nederlanders, en hun kinderen, die niet direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 tenminste een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen hun woonplaats hebben gehad (derde lid).

De bepalingen van de WTU-BES zijn niet van overeenkomstige toepassing op:

  • de eilandskinderen van de openbare lichamen; en

  • Nederlandse kinderen die op of in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en waarvan één van de ouders is aan te merken als eilandskind van de openbare lichamen (zie artikel 1a, tweede lid, WTU-BES). Dit is bijvoorbeeld het geval als de ouders primair met het oog op de ziekenhuisbevalling naar de bovengenoemde landen zijn gereisd. Ook deze kinderen zijn eilandskinderen van de openbare lichamen;

  • Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en die direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen woonplaats hebben gehad (zie artikel 1a, derde lid, WTU-BES);

  • kinderen van de in het vorige punt genoemde Nederlanders, indien ze direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen, waar dan ook geboren.

Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen. Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.

2.3. Toelating van rechtswege van Nederlanders

2.3.1. Toepassing van artikel 5a WTU-BES

Nederlanders mogen zonder toelating van rechtswege toegekend in de openbare lichamen verblijven gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie artikel 5a WTU-BES en artikel 1 Regeling van de Minister van Justitie, houdende wijziging van het Besluit toelating en uitzetting BES). In dit geval is wel sprake van toelating van rechtswege, maar is deze alleen niet toegekend middels het verstrekken van een verklaring waaruit dat blijkt.

Verklaring

Nederlanders hoeven pas na zes maanden verblijf in de openbare lichamen een verklaring aan te vragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben, als bedoeld in artikel 3, derde lid, WTU-BES. Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.

Als men binnen deze zes maanden in de openbare lichamen wil werken, dan zal men wel een verklaring aan moeten vragen. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.

2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES

Meerderjarige Nederlanders op wie de WTU-BES van toepassing is hebben toelating van rechtswege als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. beschikken over een verklaring van goed gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door het bevoegde gezag binnen twee maanden voor hun aankomst in de openbare lichamen of een schriftelijke verklaring waaruit zulks genoegzaam blijkt;

  • b. beschikken over huisvesting;

  • c. beschikken over voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te voorzien.

De minderjarige Nederlandse kinderen van de bovengenoemde Nederlanders die toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, hebben toelating van rechtswege als één van de ouders het ouderlijk gezag heeft.

3. Bijzondere categorieën

3.1. Bijzondere categorieën

Aan de volgende bijzondere categorieën personen (vreemdelingen of Nederlanders) wordt op aanvraag de toelating van rechtswege in de openbare lichamen toegekend (zie artikel 3, eerste lid, WTU-BES):

  • a. vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn;

  • b. vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen;

  • c. in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;

  • d. militairen, gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd;

  • e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan;

  • f. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder a, b, c en d genoemde vreemdelingen;

  • g. vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sinds hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten.

Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.

Ad a:

Artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES moet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen in ieder geval:

  • door de overheid van een ander land uitgezonden vreemdelingen, voor de duur dat zij in overheidsdienst zijn;

  • vreemdelingen op wie de WTU-BES van toepassing is en die in dienst van het land Nederland of in dienst van de openbare lichamen zijn aangesteld of die diensten verrichten ten behoeve van de Nederlandse overheid of de openbare lichamen, voor de duur van hun aanstelling, of voor de duur van de diensten verricht ten behoeve van de overheid. Een vreemdeling die al is toegelaten tot de openbare lichamen en in een later stadium bij de Nederlandse overheid of bij de openbare lichamen in dienst treedt, heeft eveneens toelating van rechtswege.

Als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, vervalt zijn toelating van rechtswege (zie artikel 5, aanhef en onder a, WTU-BES). Als hij in de openbare lichamen wil verblijven voor een ander doel, moet hij daartoe een aanvraag om verlening voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.

Ad b:

Zolang de vreemdeling pensioen of uitkering bij wijze van pensioen ontvangt, dan wel zolang de weduwe of weduwnaar niet is hertrouwd.

Ad c:

Zolang de vreemdeling in consulaire dienst is.

Ad d:

Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.

Ad e:

Gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.

Ad f:

Zolang de echtgenoot niet van tafel en bed is gescheiden.

Zolang de kinderen minderjarig zijn.

De ongehuwde partner, van vreemde nationaliteit, van een vreemdeling die van rechtswege toelating heeft, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging bij partner. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is in beginsel een jaar. Als de hoofdpersoon korter dan een jaar van rechtswege is toegelaten, dan is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de ongehuwde partner daarop afgestemd. Dit geldt ook voor de minderjarige kinderen, als deze kinderen zelf niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege

3.2.1. Indiening van de aanvraag

Om voor een verklaring in aanmerking te komen waaruit blijkt dat de toelating van rechtswege is toegekend moet een daartoe strekkende aanvraag worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland middels model MBES8 CTU-BES.

3.2.2. Vereiste bescheiden

Bij het indienen van een aanvraag om een verklaring van toelating van rechtswege moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt dan wel overgelegd (door zowel vreemdelingen als Nederlanders):

  • a. ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;

  • b. kopie geldig document voor grensoverschrijding (indien nodig voorzien van een geldig visum);

  • c. door vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g, WTU-BES: bescheiden waaruit blijkt dat men behoort tot één van de in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g, WTU-BES genoemde categorieën;

  • d. door Nederlanders als bedoeld in artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES:

    • een verklaring van goed gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door het bevoegde gezag binnen twee maanden voor aankomst in de openbare lichamen of een schriftelijke verklaring waaruit dit genoegzaam blijkt;

    • bescheiden waaruit blijkt dat men beschikt over huisvesting in de openbare lichamen;

    • bewijs van voldoende middelen van bestaan te weten:

      • volledig ingevulde en ondertekende werkgeversverklaring en een kopie geldig document voor grensoverschrijding van de werkgever;

      • recente verklaring van de Inspecteur der Belastingen van een vastgesteld belastbaar inkomen van ten minste USD 20,112 (als werkgever een eenmansbedrijf of particulier is) of

      • een bankverklaring waaruit blijkt dat wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan.

    • bij kinderen als bedoeld in artikel 3, zesde lid, WTU-BES:

      • een geboorteakte van het kind;

      • indien van toepassing: een bewijs waaruit blijkt dat één van de in het vijfde lid bedoelde ouders het ouderlijk gezag heeft.

Bewijs ouderlijk gezag

Dit geldt alleen als uit de geboorteakte blijkt dat het kind niet het biologisch kind is van beide ouders. In dat geval moet een rechterlijke uitspraak overgelegd worden waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag / voogdij aan de in de openbare lichamen verblijvende ouder is toegewezen.

3.2.3. Verklaring

Op de verklaring staat de aantekening dat de vreemdeling van rechtswege toelating tot verblijf heeft. Arbeid is vrij toegestaan. TWV is niet vereist. Aan de verklaring zijn geen beperkingen en voorschriften verbonden.

3.2.4. Einde toelating van rechtswege

De toelating van rechtswege eindigt (zie artikel 5 WTU-BES):

  • a. door het vervallen van de reden waarom zij is toegekend;

  • b. ten aanzien van degene, die op grond van artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES van rechtswege is toegelaten, door een onafgebroken verblijf van drie jaar buiten de openbare lichamen, tenzij de vreemdeling buiten de openbare lichamen verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling.

De toelating van rechtswege eindigt van rechtswege. Dat wil zeggen dat daarvoor geen intrekkingsbeschikking of beëindigingsbeschikking nodig is. Doet één van de onder a of b genoemde omstandigheden zich voor, dan eindigt de toelating van rechtswege. De vreemdeling ontvangt een mededeling dat zijn toelating van rechtswege is geëindigd. Deze mededeling is aan te merken als een beschikking in de zin van de WarBES, zodat daartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. De vreemdeling moet de openbare lichamen zelfstandig verlaten na bekendmaking van de beschikking.

Als de toelating van rechtswege is geëindigd en er ook geen andere grond van toepassing is op grond waarvan toelating van rechtswege bestaat, maar men wel voor een ander doel in de openbare lichamen wil verblijven, kan daartoe een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingediend. In dat geval is bij vreemdelingen in beginsel het mvv-vereiste van toepassing.

Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in art 3 WTU-BES, moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.

Ad a:

Deze beëindigingsgrond geldt voor alle in artikel 3, eerste, vijfde en zesde lid, WTU-BES genoemde categorieën. Dit betekent dat als niet meer aan de daar genoemde beschrijving van de betreffende categorie wordt voldaan, de toelating van rechtswege eindigt.

Ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, de toelating van rechtswege eindigt.

Ten aanzien van de in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als de Nederlander niet langer beschikt over huisvesting dan wel over voldoende middelen van bestaan, de toelating van rechtswege eindigt.

Ten aanzien van de in artikel 3, zesde lid, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als één van de ouders niet langer voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, de toelating van rechtswege van de minderjarige Nederlandse kinderen van die ouder eindigt.

Ad b:

Onder onafgebroken verblijf als bedoeld in artikel 5, onder b, WTU-BES wordt verstaan onafgebroken toelating van rechtswege of verblijf grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.

De periode, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES wordt niet onderbroken door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling, tenzij de vreemdeling aangeeft zijn toelating tot de openbare lichamen te willen opgeven (zie artikel 4, eerste lid, WTU-BES). De toelating van rechtswege van de in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES bedoelde vreemdeling wordt geacht te zijn vervallen als de vreemdeling niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen (zie artikel 4, tweede lid, WTU-BES).

Einde toelating echtgenoot en minderjarige kinderen

Als de toelating van rechtswege is geëindigd, betekent dit dat ook de afhankelijke toelating van de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen is geëindigd. Dit geldt echter niet voor echtgenoten die zelf op basis van artikel 3 WTU-BES van rechtswege zijn toegelaten (zie artikel 13 WTU-BES).

Als een vreemdeling, van wie de toelating van rechtswege is geëindigd, een minderjarig kind heeft dat niet zelf toelating van rechtswege heeft op grond van artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES, eindigt ook de toelating van dit minderjarige kind. Dat is ook het geval als dit kind buiten de openbare lichamen verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling (zie artikel 4, derde lid, juncto artikel 13 WTU-BES).

4. Verblijf in de vrije termijn

4.1. Algemeen

Op grond van artikel 5a van de WTU-BES kunnen bij of op basis van algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het verblijf zonder vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf in de vrije termijn van niet langer dan zes maanden. Dit is uitgewerkt in de artikelen 4.1 tot en met 4.4 BTU-BES. Hierin zijn regels gesteld over verblijf in de zogenoemde vrije termijn, met een maximale verblijfsduur van zes maanden. Dit verblijf is aan te merken als een vorm van toelating van rechtswege.

De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in artikel 5a WTU-BES:

4.2. Categorieën

4.2.1. Toeristen

Algemeen

Met toerist wordt bedoeld een vreemdeling die:

  • I niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor:

    • 1. ontspanning;

    • 2. sport;

    • 3. gezondheidsredenen;

    • 4. familieaangelegenheden;

    • 5. studie;

    • 6. godsdienstige doeleinden; of

    • 7. zakenbezoeken; en

  • II die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht (zie artikel 1.1, aanhef en onder g, BTU-BES).

Toelating

Voor specifieke voorschriften omtrent het verkrijgen toegang wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.

Toeristen mogen ingevolge artikel 4.2 BTU-BES zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden.

Op grond van artikel 4.2, tweede lid BTU-BES zijn toeristen onderworpen aan de bepalingen die gelden voor vreemdelingen die tot verblijf bij vergunning verleend zijn toegelaten. Zie hiervoor hoofdstuk 3 CTU-BES.

Uitzondering

Indien men korter dan drie maanden in de openbare lichamen wenst te verblijven hoeft men niet te voldoen aan de voorwaarde van bereidheid om mee te werken aan een onderzoek naar of behandeling van tuberculose.

4.2.2. Bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen

Toelating

Voor specifieke voorschriften over het verkrijgen van toegang in de openbare lichamen wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.

Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie artikel 4.3 BTU-BES).

Werkzoekende zeelieden

Op grond van artikel 6.46 BTU-BES moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.

4.3. Verklaring

Het is niet nodig dat toeristen en bemanningleden van schepen en luchtvaartuigen een verklaring, als bedoeld in artikel 3, derde lid, WTU-BES, aanvragen waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating in de openbare lichamen hebben.

4.4. Uitzondering op de termijn

Behalve voor de categorieën als genoemd in paragraaf 4.2 geldt er op grond van artikel 4.4 BTU-BES voor sommige gevallen een afwijkende termijn gedurende welke het aan vreemdelingen is toegestaan in de vrije termijn in de openbare lichamen te verblijven:

  • a. voor houders van een doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven, is verblijf toegestaan zolang als de voortzetting van hun reis noodzakelijk is;

  • b. voor houders van een doorreisvisum met de bevoegdheid tot oponthoud of voor houders van een reisvisum is verblijf toegestaan voor de duur waarvoor het visum is afgegeven of is verlengd.

  • c. in geval van bijzondere omstandigheden kan de termijn worden verlengd van drie maanden naar zes maanden;

  • d. voor overige vreemdelingen geldt een termijn van acht dagen.

Ad b:

Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:

  • I. Indien het een visum voor meer reizen betreft is verblijf toegestaan voor de duur waarvoor onafgebroken verblijf is toegestaan zoals in het visum is aangegeven.

  • II. De termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.

Ad c:

De verlengingsmogelijkheid van drie naar zes maanden is slechts bedoeld voor uitzonderlijke situaties, zoals overmacht.

Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:

  • het geval van overwinteraars;

  • vreemdelingen die tijdens het orkaanseizoen men een boot een ligplaats innemen op bijvoorbeeld Bonaire.

Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:

  • I. De termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.

  • II. In afwijking van het genoemde onder I verstrijkt de termijn in geval van verlenging wegens bijzondere omstandigheden, niet later dan de achtste dag nadat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan zes maanden in de openbare lichamen te blijven.

Hoofdstuk 3. Toelating bij vergunning verleend

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

1.1. Inleiding

Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft en die geen toelating van rechtswege heeft op grond van artikel 3 of artikel 5a WTU-BES, heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nodig (zie artikel 6, eerste lid, WTU-BES).

1.2. Beperking

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen die verband houden met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan (zie artikel 7, zevende lid, WTU-BES). In artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES zijn de volgende beperkingen genoemd:

  • a. gezinshereniging of gezinsvorming;

  • b. verblijf ter adoptie of als pleegkind;

  • c. het verrichten van arbeid in loondienst;

  • d. het verrichten van arbeid als zelfstandige;

  • e. voortgezet verblijf;

  • f. verblijf als gepensioneerde of rentenier;

  • g. wedertoelating;

  • h. het volgen van studie;

  • i. verblijf als stagiaire of praktikant;

  • j. vervolging van mensenhandel;

  • k. verblijf als investeerder; en

  • l. verblijf als vrijwilliger.

Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES).

Andere beperkingen dan in artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES

Daarnaast kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie artikel 5.2, derde lid, BTU-BES). Hiervan zal weinig gebruik worden gemaakt om precedentwerking te voorkomen.

Voor welke situaties is artikel 5.2, tweede lid, BTU-BESniet bedoeld?

  • voor situaties waarin de vreemdeling eigenlijk verblijf wil voor één van de hierboven genoemde beperkingen, maar niet voldoet aan de daarvoor geldende toelatingsvoorwaarden;

  • als het doel waarvoor de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst, dat voor de beoordeling daarvan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming (zie artikel 12a WTU-BES) noodzakelijk is.

Voor welke situaties is artikel 5.2, tweede lid, BTU-BESwel bedoeld?

  • voor situaties waarin de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven op een grond die nadrukkelijk niet is geregeld en daarom aanleiding kan zijn voor een afzonderlijke beperking.

1.3. Ingangsdatum

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zie artikel 7, vierde lid, WTU-BES.

1.4. Arbeidsmarktaantekening

Op het document waaruit de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling blijkt wordt aangetekend of de vreemdeling arbeid mag verrichten en of daarvoor op grond van de Wav-BES een TWV vereist is (zie artikel 6.17, derde lid, BTU-BES).

1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

Het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan tijdelijk of niet-tijdelijk zijn (zie artikel 5.3, eerste lid, WTU-BES).

Er is sprake van tijdelijk verblijfsrecht als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend onder de volgende beperkingen (zie artikel 5.3, tweede lid, WTU-BES):

  • a. gezinsvorming of gezinshereniging met, of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij, een persoon met tijdelijk verblijfsrecht;

  • b. gezinsvorming of gezinshereniging met, of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij, een houder van de verblijfsvergunning verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES;

  • c. het volgen van studie;

  • d. verblijf als stagiaire of praktikant;

  • e. vervolging van mensenhandel;

  • f. verblijf als investeerder;

  • g. verblijf als vrijwilliger; en

  • h. toelating van rechtswege als bedoeld in artikel 3 en 5a WTU-BES.

Als sprake is van een andere beperking dan hiervoor genoemd, is het verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd anders is bepaald. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning die verleend wordt onder een andere beperking, bedoeld in artikel 5.2, derde lid, BTU-BES.

Gevolgen tijdelijk verblijfsrecht:

  • de vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie artikel 3.50 BTU-BES);

  • de vreemdeling komt niet in aanmerking voor naturalisatie of optie tot Nederlander, omdat er ten aanzien van hem bedenkingen zullen bestaan tegen het verblijf in de openbare lichamen voor onbepaalde duur als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN, en de verlening van het Nederlanderschap de toepassing van de WTU-BES zou kunnen doorkruisen.

De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met:

  • de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor ten hoogste vijf jaren; en

  • de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking.

1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen

Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht als de verblijfsvergunning is verleend onder één van de volgende beperkingen (zie artikel 5.2, vierde lid, BTU-BES):

  • a. gezinshereniging of gezinsvorming;

  • b. het verrichten van arbeid in loondienst;

  • c. het verrichten van arbeid als zelfstandige;

  • d. verblijf als penshonado of rentenier;

  • e. het volgen van studie;

  • f. verblijf als stagiaire of praktikant;

  • g. verblijf als investeerder; en

  • h. verblijf onder een andere beperking bedoeld in artikel 5.2, derde lid, BTU-BES.

In die gevallen kan de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ op het verblijfsdocument worden geplaatst dan wel kan een met die aantekening corresponderende code op het verblijfsdocument worden geplaatst.

Als een beroep op de publieke middelen wordt gedaan kan dat betekenen dat niet meer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan zoals:

  • aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend; en/of

  • de middeleneis.

Als aan één of beide genoemde voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden worden ingetrokken (zie artikel 14, onder d en e, WTU-BES) of kan een aanvraag om verlenging worden afgewezen (zie artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES).

Publieke middelen

Onder publieke middelen wordt verstaan alle middelen die niet vallen onder de in de paragraaf 1.9.3.1 genoemde middelen. Dit zijn bijvoorbeeld middelen op grond van de Wet op de onderstand BES.

1.7. Voorschriften

Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kunnen voorschriften worden verbonden (zie artikel 7, zevende lid, WTU- BES). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over voorschriften. Deze regels staan in de artikelen 5.4 tot en met 5.9 BTU-BES.

Tot het stellen van zekerheid

Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften tot het stellen van zekerheid worden verbonden. Met het stellen van een voorschrift tot het stellen van zekerheid wordt nog niet voldaan aan de algemene voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt. Ook is het stellen van een voorschrift aan een verblijfsvergunning niet hetzelfde als een voorschrift tot het stellen van zekerheid in verband met de vrije termijn.

In de betreffende hoofdstukken over de verschillende verblijfsdoelen wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.

De volgende voorschriften tot het stellen van zekerheid kunnen aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verbonden (zie artikel 5.4 BTU-BES):

Het deponeren van een waarborgsom

Beleidsregels:

Van het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling gewaarborgd is, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt, maar zal een solvabele derde zich schriftelijk moeten garantstellen. Dit voorschrift kan alleen aan de verblijfsvergunning worden verbonden op aanwijzing van Onze Minister. Dit zal alleen in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden.

Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen staan in de artikelen 5.5 tot en met 5.8 BTU-BES.

De uitvoering van de regels gaat als volgt:

  • 1. procedure deponeren waarborgsom:

    Als het deponeren van een waarborgsom als voorschrift aan een verblijfsvergunning wordt verbonden, wordt een factuur gemaakt die aan de vreemdeling wordt toegezonden of uitgereikt. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om binnen vier weken het op de factuur vermelde bedrag te betalen. Als hij na ommekomst van die termijn het bedrag nog niet heeft betaald, wordt aan hem een aanmaning toegezonden om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen (dit is het bieden van herstel verzuim). Het bedrag kan op dezelfde manier worden betaald als de leges.De vreemdeling ontvangt na betaling een bevestiging. De IND unit Caribisch Nederland wordt ook op de hoogte gesteld dat de waarborgsom is gedeponeerd.

  • 2. procedure teruggave van de waarborgsom:

    Zie voor de gevallen waarin in ieder geval sprake is van teruggave van de waarborgsom artikel 5.6 BTU-BES. Als de vreemdeling zich in de openbare lichamen bevindt, vindt de terugbetaling van de waarborgsom en de uitbetaling van de toekomende rente bij voorschot plaats door de Minister. Zie voor de berekening van de te betalen rente artikel 5.7 BTU-BES. Het bedrag wordt door de IND unit Caribisch Nederland gestort op de aldaar bekende bankrekening van de vreemdeling. De vreemdeling wordt bij brief bericht dat het bedrag is terugbetaald.

Het deponeren van een passagebiljet

In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd voor de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie artikel 5.4, tweede lid, BTU-BES). Omdat passagebiljetten maar een beperkte geldigheidsduur hebben, wordt van deze mogelijkheid alleen gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur van de te verlenen verblijfsvergunning is dan steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling heeft aan dit voorschrift voldaan als hij al in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

De uitvoering gaat als volgt:

  • 1. procedure deponeren passagebiljet:

    Als het deponeren van een passagebiljet als voorschrift is verbonden aan de verblijfsvergunning en het is niet al gedeponeerd in verband met verblijf in de vrije termijn, dan moet het passagebiljet alsnog worden gedeponeerd bij het loket van de IND unit Caribisch Nederland. In de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, kan worden gezien of daaraan een voorschrift tot het deponeren van een passagebiljet is verbonden. Bij het in persoon uitreiken van de beschikking moet de vreemdeling ook meteen het passagebiljet te deponeren. Als de beschikking op andere wijze wordt bekendgemaakt, ontvangt de vreemdeling daarbij tevens een uitnodiging om het passagebiljet bij het loket van de IND unit Caribisch Nederland te deponeren. Als bewijs dat het passagebiljet is gedeponeerd, ontvangt de vreemdeling een ontvangstbewijs.

  • 2. procedure teruggave passagebiljet:

    Teruggave van het passagebiljet vindt plaats bij het loket van de IND unit Caribisch Nederland. De vreemdeling wordt hiervoor schriftelijk opgeroepen om het passagebiljet in persoon in ontvangst te nemen. Bij teruggave van het passagebiljet ondertekent de vreemdeling een ontvangstbewijs als bewijs dat het passagebiljet aan hem is teruggegeven.

Schriftelijke garantstelling

Als het voorschrift tot schriftelijke garantstelling aan de verblijfsvergunning is verbonden, betekent dit dat een in de openbare lichamen gevestigde solvabele derde een schriftelijke garantstelling ondertekent (zie model MBES26 CTU-BES), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en andere openbare overheden voortvloeien uit het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen, en voor de kosten van terugkeer van de vreemdeling naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toelating is gewaarborgd.

De verplichtingen die voortvloeien uit de garantstelling hebben uitsluitend betrekking op de kosten veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning is verleend (zie artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES).

Deze periode is korter dan vijf jaren als:

  • a. op andere wijze voldoende zekerheid is gesteld;

  • b. de vreemdeling de openbare lichamen definitief heeft verlaten;

  • c. aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend; of

  • d. de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

Zakelijke zekerheid

In plaats van de zekerheid van een waarborgsom of een schriftelijke garantstelling kan zakelijke zekerheid worden gesteld. In beginsel zal hier geen gebruik van worden gemaakt. Wat hiervoor is bepaald over de termijn van vijf jaren en de gevallen waarin deze korter kan zijn dan vijf jaren, is van overeenkomstige toepassing op de verplichtingen die voortvloeien uit het stellen van zakelijke zekerheid (zie artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES). In beginsel zal een solvabele derde zich moeten garant stellen.

Voldoende verzekerd tegen ziektekosten

De vreemdeling moet met een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende verzekerd is tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten wordt altijd aan de verblijfsvergunning verbonden.

1.8. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren (zie artikel 6, tweede lid, WTU-BES). In de artikelen 5.26 tot en met 5.30 BTU-BES zijn regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

Hoofdregel

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd (artikel 5.26 BTU-BES).

Van deze hoofdregel wordt, in geval van bepaalde verblijfsdoelen, afgeweken in de artikelen 5.27 tot en met 5.30 BTU-BES.

Uitzonderingregels bij eerste toelating

  • a. Latere ingangsdatum verblijfsvergunning:

    Als de vreemdeling niet al bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning wordt voldaan, maar pas later, dan wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Voor het bepalen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt ook van die latere ingangsdatum uitgegaan. Dat de vreemdeling niet al bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, heeft dus geen gevolgen voor de totale geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning (zie artikel 7, vierde lid, WTU-BES en artikel 5.26 BTU-BES).

  • b. Gezinshereniging als minderjarige bij ouder:

    In afwijking van artikel 5.26 BTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige worden verleend voor de duur van de toelating van de ouder, als deze is toegelaten in de openbare lichamen. Als de ouder in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of Nederlander en is toegelaten voor onbepaalde tijd, dan kan de verblijfsvergunning van de minderjarige bij deze ouder worden verleend of verlengd voor vijf jaren (zie artikel 5.27 BTU-BES).

  • c. Arbeid in loondienst:

    In afwijking van artikel 5.26 BTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur van de voor die arbeid verleende TWV (zie artikel 5.28 BTU-BES). Omdat een TWV voor maximaal drie jaren kan worden verleend, kan ook de verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst voor maximaal drie jaren worden verleend.

  • d. Voortgezet verblijf:

    In afwijking van artikel 5.26 BTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor vijf jaren (zie artikel 5.29 BTU-BES).

  • e. Geldigheidsduur al verstreken op moment verlening vergunning:

    In afwijking van artikel 5.26 BTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, als deze op het moment waarop de verblijfsvergunning wordt verstrekt volgens artikel 5.26 BTU- BES alweer zou zijn geëindigd. Dit betekent dat op het moment waarop de beschikking wordt gegeven steeds moet worden beoordeeld wanneer het verblijfsdocument aan de vreemdeling zal worden verstrekt. Als op het moment van het geven van de beschikking de daarbij verleende of verlengde verblijfsvergunning nog minder dan drie maanden geldig zou zijn, dan wordt de verblijfsvergunning één jaar langer geldig gemaakt, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de te verlenen of verlengen verblijfsvergunning zou zijn verstreken. Van deze bevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt in afwijking van artikel 5.26 BTU-BES en dus niet om af te wijken van andere bepalingen over de geldigheidsduur. Ook kan deze bevoegdheid niet worden gebruikt om de maximale verblijfsduur van bepaalde verblijfsdoelen op te rekken (zoals die van studenten en vreemdelingen die arbeid in loondienst verrichten). Verder kan deze bevoegdheid niet worden gebruikt om de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning te verlengen over een periode waarin niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.

  • f. Geldigheidsduur bij verlenging na gezinshereniging of na vijf jaren verblijf:

    In afwijking van artikel 5.26 BTU-BES kan de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verlengd met vijf jaren als de houder van die verblijfsvergunning op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:

Bij het onder a genoemde geval moet wel bedacht worden dat bij de verlenging van deze afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur daarvan zich nooit mag uitstrekken tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. Als de vreemdeling echter in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf en hij heeft om wijziging van de beperking van zijn vergunning in voortgezet verblijf gevraagd, dan kan de vergunning wel verlengd worden tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. De verblijfsvergunning kan dan dus gewoon verlengd worden met vijf jaren onder gelijktijdige wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’.

1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 9, eerste lid, WTU-BES, worden geweigerd:

  • a. als de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd;

  • b. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;

  • c. als niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

Hierna worden deze afwijzingsgronden toegelicht.

1.9.1. Mvv-vereiste

Als hoofdregel geldt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen als de vreemdeling geen mvv heeft, die is afgegeven voor het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (artikel 9, eerste lid onder a, WTU-BES en artikel 5.31, eerste lid, BTU-BES).

Het mvv-vereiste geldt niet voor:

  • a. aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd;

  • b. aanvragen voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdende met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de WTU-BES (zie hoofdstuk 16).

1.9.1.1. Vrijstellingen

In de WTU-BES en de BTU-BES zijn een aantal vrijstellingen van het mvv-vereiste opgenomen.

Vrijstellingen op grond van de WTU-BES

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 9, derde lid, WTU-BES niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, in de volgende gevallen:

  • a. een vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen;

  • b. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;

  • c. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;

  • d. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming; of

  • e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; en

  • f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning.

Ad a:

Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland (zie artikel 4.2 RTU-BES).

Vreemdelingen uit deze landen mogen wel onverplicht een mvv aan vragen om vooraf te laten toetsen of zij recht hebben op een verblijfsvergunning.

Ad b:

Voor deze vrijstelling wordt beoordeeld of de vreemdeling kan reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf om daar de behandeling af te wachten van een ingediende mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.

Ad f:

Het ontbreken van een mvv wordt niet tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook als een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES en vervolgens in aanmerking wil komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking. De aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel moet wel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaarna afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, zijn ingediend.

Vrijstellingen op grond van de BTU-BES

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, in de volgende gevallen, op grond van artikel 5.30,tweede lid, BTU-BES niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv:

  • a. De vreemdeling heeft:

    • 1. voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen of verblijf als Nederlander gehad; en

    • 2. heeft in die periode niet het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen verplaatst;

  • b. De vreemdeling is:

    • 1. twaalf jaar of jonger;

    • 2. in de openbare lichamen geboren; en

    • 3. naar het oordeel van de Minister feitelijk blijven behoren tot het gezin van een ouder die:

      • sinds het moment van geboorte van de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft of

      • als Nederlander verblijft; of

      • op het moment van de geboorte van de vreemdeling toelating tot verblijf in de openbare lichamen had op grond van een rechterlijke beslissing; en

      • die sindsdien aansluitend toelating tot verblijf op grond van de Wet heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten de openbare lichemen heeft verplaatst:

  • c. De vreemdeling verblijft in de openbare lichamen en heeft bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;

  • d. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet;

  • e. De vreemdeling die gezinslid is van een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet;

  • f. De vreemdeling:

    • 1. minderjarig is;

    • 2. schoolgaand is;

    • 3. drie jaar ononderbroken hoofdverblijf heeft in de openbare lichamen;

    een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met toelating tot verblijf op grond van de Wet; en

  • g. uitzetting van de vreemdeling zou in strijd met artikel 8 EVRM zijn.

Ad a. Wedertoelating

De vreemdeling die voor zijn negentiende levensjaar tenminste vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen heeft gehad, kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot de openbare lichamen. Als de vreemdeling minderjarig is, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Is de vreemdeling meerderjarig dan kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen.

Ad b. Geboren in openbare lichamen

Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen bij de korpschef om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind. Vanaf de leeftijd van twaalf jaar kunnen deze kinderen ook feitelijk in het bezit worden gesteld van een vreemdelingendocument waaruit het verblijfsrecht blijkt.

Als het kind niet direct na de geboorte is aangemeld, dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. De verblijfsvergunning wordt verleend als naar het oordeel van de Minister van Justitie voldoende is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in de openbare lichamen heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Bij aanvragen van kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren, is het niet rechtvaardig de aanvraag af te wijzen, omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv.

Dit geldt ook als de ouder op het moment van de geboorte rechtmatig in de openbare lichamen verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend daarop in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt ook niet verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Ook zijn vrijgesteld andere kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren op een moment waarop de ouder op andere gronden toelating tot verblijf had in de openbare lichamen en die aansluitend op die toelating tot verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Andere gronden voor toelating zijn bijvoorbeeld verblijf in verband met de aangifte van mensenhandel of tijdens de vrije termijn,

Ad c. Verzoek vaststelling Nederlanderschap

De persoon die feitelijk in de openbare lichamen verblijft en bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een artikel 17 RWN verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet de openbare lichamen uitgezet als dat verzoek naar het oordeel van Minister van Justitie niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de vreemdeling, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, in afwachting van de beslissing op het artikel 17 RWN verzoek.

Gelet op het feit dat:

  • 1. de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn;

  • 2. zij in het bezit kunnen worden gesteld van een verblijfsvergunning in afwachting van de procedure; en

  • 3. zij veelal lange tijd in de openbare lichamen verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden;

is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen.

Ad e. Gezinslid vreemdeling met verblijfsvergunning verband houdend met bescherming

Het gezinslid wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als:

  • 1. hij niet zelf een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES heeft ingediend; of

  • 2. niet voor verlening van een dergelijke verblijfsvergunning in aanmerking is gekomen;

  • 3. de gezinsband al bestond voordat de hoofdpersoon hoofdverblijf in de openbare lichamen had;

  • 4. er is geen gezinshereniging mogelijk in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

Ad f. Minderjarige, schoolgaande, vreemdeling

Het is aan de vreemdeling en/of de hoofdpersoon om de duur van het verblijf aan te tonen.

Ad g. 8 EVRM

Het ontbreken van een geldige mvv leidt niet tot afwijzing van de aanvraag, als een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Toetsing aan artikel 8 EVRM vergt een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.

1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie

Als een vreemdeling zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën moet hij zelf aantonen dat hij hiervoor in aanmerking kan komen. Dit gebeurt zoveel mogelijk direct aan het loket van de IND unit Caribisch Nederland. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de WTU-BES en het BTU-BES vermeld, voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond.

Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend wordt getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet volledig aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie vaak voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Pas nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, wordt aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning getoetst.

1.9.1.3. Hardheidsclausule

In het derde lid van artikel 5.31 BTU staat de zogenoemde hardheidsclausule. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën kan het zijn dat de aanvraag niet wordt afgewezen, omdat de vreemdeling niet beschikt over een mvv. Dit gebeurt als de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De vreemdeling die een beroep op de hardheidsclausule doet moet bij de indiening van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning het beroep al zo veel mogelijk met bewijsstukken onderbouwen.

Bijzondere groepen in het kader van de hardheidsclausule

Toepassing van de hardheidsclausule kan alleen in zeer bijzondere gevallen.

Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, als de vreemdeling:

  • a. stelt dat aan een of meer vrijstellingsvereisten slechts op een onderdeel niet is voldaan;

  • b. stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste;

  • c. het beroep niet heeft gemotiveerd;

  • d. het gemotiveerde beroep – hoewel mogelijk – niet met relevante stukken heeft onderbouwd binnen een daartoe gestelde termijn;

  • e. gronden aanvoert die beoordeeld moeten worden in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES;

  • f. niet ontoerekenbaar, niet-tijdig en na afloop van een redelijke termijn – dus meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd – om verlenging of wijziging ervan of om verlening van een verblijfsvergunning heeft gevraagd.

In bovengenoemde gevallen kan de hardheidsclausule in ieder geval niet worden toegepast.

1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding

Algemeen

Uit een geldig document voor grensoverschrijding moet blijken:

  • a. de identiteit van de vreemdeling;

  • b. zijn relatie tot het land van afgifte van het document voor grensoverschrijding;

  • c. de nationaliteit van de vreemdeling; en

  • d. soms de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in het land van afgifte.

Een geldig document voor grensoverschrijding is meestal een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend.

Let op: het komt soms voor dat op verzoek van een vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden aan de vreemdeling, zonder dat de beoogde houder van het paspoort zich in persoon voor de autoriteiten van het land van afgifte heeft moeten melden. Omdat in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding.

Voorwaarde

Het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die wordt gesteld met het oog op het algemeen belang als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, WTU- BES. Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.

Van die bevoegdheid om een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden af te wijzen wordt steeds gebruik gemaakt, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 5.31 BTU-BES.

Herstel verzuim

Bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd legt de vreemdeling in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie artikel 5.50, eerste lid, BTU-BES). Als de vreemdeling dat niet overlegt, krijgt hij de gelegenheid om gedurende een redelijke termijn van vier weken de aanvraag aan te vullen door alsnog een geldig document voor grensoverschrijding te overleggen, voordat op de aanvraag wordt beslist. De redelijke termijn is in dit geval in beginsel vier weken. In bepaalde omstandigheden kan een kortere termijn worden gesteld, bijvoorbeeld als de vreemdeling snel kan worden uitgezet of als het een herhaalde aanvraag is.

De beslistermijn van vier maanden wordt opgeschort met de redelijke termijn die is geboden voor herstel van het verzuim. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij de vrijstelling van artikel 5.31 BTU-BES van toepassing is.

Vrijstelling

Een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES, met het oog op het algemeen belang om de enkele reden dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, als de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie artikel 5.31 BTU-BES).

De vreemdeling die stelt in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de volgende gegevens en bescheiden overleggen:

  • a. bescheiden waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • b. aanvullende gegegevens en bescheiden over zijn identiteit en nationaliteit.

Ad a:

Dit kan een schriftelijke verklaring zijn van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Deze verklaring kan de vreemdeling vragen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land in Nederland. Als dat niet lukt, moet de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terugreizen om daar een geldig document voor grensoverschrijding te vragen.

Er wordt geen vrijstelling verleend om de enkele reden dat:

  • a. de vreemdeling bij terugkeer naar het land waarvan hij onderdaan is zijn militaire dienstplicht moet vervullen;

  • b. de vreemdeling de reis naar het land waarvan hij onderdaan is bezwaarlijk vindt;

  • c. de vreemdeling in de openbare lichamen een medische behandeling ondergaat.

1.9.3. Middelen van bestaan

Voorwaarde

Het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES). Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.

In bepaalde gevallen geldt dat degene bij wie de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op de aanvraag wordt beslist, moet gelijktijdig zijn voldaan aan alle drie de elementen van het middelenvereiste: zelfstandig, duurzaam en voldoende (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en c, WTU-BES en artikel 7, vierde lid, WTU-BES).

Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in het BTU-BES of in de CTU-BES.

1.9.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan

Als zelfstandig middelen van bestaan worden aangemerkt (zie artikel 5.32 BTU-BES):

a. inkomsten uit wettelijk toegestane arbeid in loondienst;

Hieronder vallen:

  • loon (salaris);

  • soldij;

  • vakantiegeld;

  • overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslagen en fooien, mits deze op de salarisspecificaties zijn vermeld en hierover loonbelasting wordt geheven;

  • uitbetaling van een dertiende maand of eindejaarsuitkering, mits contractueel vastgelegd.

Over deze inkomsten moeten wel de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.

Om te kunnen controleren of sprake is van legale arbeid, wordt bij twijfel geverifieerd bij de betreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan dan gecontroleerd worden wat de aard is van het dienstverband en of er premies en belastingen voor de betreffende werknemer worden afgedragen. Als de aard van het dienstverband anders is dan zoals die is aangemeld of er worden geen premies of belastingen voor de werknemer afgedragen, dan kan aan de arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde worden toegekend. Verder mag de arbeid ook niet in strijd zijn met de Wav BES. Als dat wel het geval is, is geen sprake van wettelijk toegestane arbeid.

In beide hier genoemde gevallen is geen sprake van zelfstandige middelen van bestaan.

b. inkomsten uit wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige;

Als middelen van bestaan in de zin van de WTU-BES wordt alleen aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige voor zover het is toegestaan de betreffende arbeid als zelfstandige te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt alleen aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan als het de houder is toegestaan die arbeid te verrichten.

Of de betreffende arbeid als zelfstandige wettelijk is toegestaan moet worden aangetoond door overlegging van:

  • een kopie van een geldige vestigingsvergunning of directievergunning op grond van de Wet vestiging bedrijven BES;

  • in voorkomende gevallen: een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd waaruit blijkt dat het verrichten van arbeid als zelfstandige is toegestaan.

c. inkomsten uit eigen vermogen;

Hierbij geldt dat de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Hieronder vallen bijvoorbeeld:

  • inkomsten uit rente;

  • inkomsten uit obligaties of aandelen; en

  • inkomsten uit verhuur van een zelfstandige woonruimte.

Naast de onder a, b en c genoemde middelen van bestaan worden als zelfstandige middelen van bestaan aangemerkt:

Inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering

Dit zijn inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen.

Zelfstandige inkomsten uit overige bron

De volgende middelen van bestaan uit overige bron worden eveneens als zelfstandig aangemerkt:

  • alimentatie die wordt ontvangen ten behoeve van kinderen;

  • inkomsten uit een particuliere pensioenverzekering. Als de vreemdeling verblijf beoogt als echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner van de hoofdpersoon die deze inkomsten ontvangt, kunnen deze middelen alleen dan als zelfstandig worden aangemerkt als met een verklaring van de betreffende verzekeraar is aangetoond dat het recht op uitkering niet ophoudt in geval van samenwonen of (her)trouwen;

  • inkomsten uit uitkeringen van een lijfrentepolis of stamrechtovereenkomst, mits is aangetoond dat belasting en premies worden afgedragen;

  • inkomsten uit een invaliditeitspensioen, al dan niet als aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; en

  • inkomsten uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering (aan te tonen door overlegging van een bewijs van de betreffende verzekeraar).

Niet mee te rekenen inkomensbestanddelen

Niet als (bestanddeel van) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen.

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

Middelen van bestaan moeten duurzaam zijn.

Hoofdregel:

Middelen van bestaan zijn duurzaam, als zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie artikel 5.34, eerste lid, BTU-BES).

Duurzaamheid van inkomsten uit arbeid in loondienst

Proeftijd:

Als bij een arbeidscontract een proeftijd is verbonden, heeft de proeftijd geen invloed voor het bepalen van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld de proeftijd nog niet is verstreken, dan vormt dit geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Ook wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

Duurzaamheid van middelen van bestaan uit eigen vermogen

Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, als zij gedurende een aaneengesloten periode van één jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie artikel 5.34, tweede lid, BTU-BES).

Duurzaamheid van middelen van bestaan uit eigen vermogen wordt aangetoond door overlegging van de volgende stukken:

  • a. een verklaring van de Belastingdienst waaruit blijkt wat het jaarinkomen van de verzoeker is geweest in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag of het geven van de beschikking;

  • b. bij twijfel: additionele bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verschuldigde premies en belasting zijn afgedragen;

  • c. persoonlijk crib nummer of wat hiervoor in de plaats is gekomen;

  • d. bij verhuur van woonruimte: kopie huurovereenkomst waaruit blijkt dat de duur van de huurovereenkomst is en de huurprijs.

Duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige

Middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige zijn duurzaam, als zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie artikel 5.34, derde lid, BTU-BES en artikel 4.4, eerste lid, RTU-BES).

De inkomsten van een ondernemer die nog niet ten minste anderhalf jaar werkzaam is als zelfstandig kunnen derhalve niet als duurzaam aangemerkt worden, ongeacht de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Ook de omstandigheid dat een ondernemer een al langer bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat de uit die onderneming verkregen inkomsten uit arbeid als zelfstandige duurzaam zijn.

Duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige wordt aangetoond door overlegging van:

  • een verklaring van de Belastingdienst waaruit blijkt wat de inkomsten uit onderneming/als zelfstandige zijn geweest gedurende anderhalf jaar voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag of het geven van de beschikking;

  • crib nummer van het bedrijf; en

  • referentiebrief van de bank.

Als het een aanvraag betreft om verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige, is bovenstaande duurzaamheidseis niet van toepassing (zie artikel 4.4, tweede lid, RTU-BES).

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

Hoofdregel:

Middelen van bestaan zijn voldoende, als het bruto-inkomen ten minste gelijk is aan de door Onze Minister vast te stellen bedragen (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES en artikel 5.33 BTU-BES). Voorkomen moet worden dat na verlening van een verblijfsvergunning aanspraak gemaakt kan worden op onderstand of een andere uitkering die gefinancierd wordt uit publieke middelen.

Beleidsregels:

1. Algemeen bij verblijfsdoelen

Als uitgangspunt geldt dat voor de beperkingen zoals opgenomen in paragraaf 1.2 middelen van bestaan aan te merken zijn als voldoende als het inkomen ten minste gelijk is aan het bruto-inkomen per maand op grond van de Wet minimumloon BES.

2. Verblijf in het kader van ‘gezinshereniging’ of als ‘gepensioneerde/rentenier’

Van het uitgangspunt wordt afgeweken voor de beperking in het kader van ‘gezinshereniging’ en in het kader van verblijf als ‘gepensioneerde of rentenier’. Middelen van bestaan worden aangemerkt als voldoende als het bruto-inkomen minimaal USD 1.680 per maand is.

Bij aanvragen van of ten behoeve van (voor)kinderen die niet in de openbare lichamen geboren zijn, moet daarnaast, als aanvullende financiële zekerheid, het volgende normbedrag worden bijgeteld:

a. kinderen tot de leeftijd van 6 jaar

USD 140 bruto per maand per kind;

b. kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 jaar

USD 200 bruto per maand per kind;

c. kinderen van 12 jaar en ouder

USD 280 bruto per maand per kind.

Voor kinderen zijn kinderen die zijn geboren uit een eerder huwelijk of een eerdere relatie van een ouder, die in de openbare lichamen of daarbuiten daarna een nieuwe (huwelijkse)relatie is aangegaan.

Bij de berekening van het totale inkomen worden alle bestanddelen van het inkomen (dus ook inkomsten uit bijvoorbeeld een nevenbetrekking) meegeteld als deze zelfstandig verworven en duurzaam beschikbaar zijn.

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES).

Deze paragraaf bevat algemene beleidsregels met betrekking tot de openbare orde en het algemeen belang bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 WTU-BES.

Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor:

  • a. de openbare rust;

  • b. de goede zeden;

  • c. de volksgezondheid;

  • d. de (goede) internationale betrekkingen;

  • e. ongewenste politieke activiteiten;

  • f. het verstrekken van onjuiste gegevens met het oog op verlening of verlenging van toelating; en

  • g. onderduiking.

Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, ongewenste politieke activiteiten of de nationale veiligheid worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf worden geen algemene regels gegeven met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in de openbare lichamen te weigeren of te beëindigen.

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES).

Van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te weigeren wordt in de hieronder genoemde gevallen gebruik gemaakt.

Beleidsregels: strafrechtelijke antecedenten

De aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als:

  • a. er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • b. de vreemdeling de echtgenoot of echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het meerderjarige kind is van een in de openbare lichamen verblijvende vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag; of

  • c. de vreemdeling ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel als hij ter zake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. Ook de buiten de openbare lichamen gepleegde inbreuk op de openbare orde wordt hierbij betrokken, voor zover die naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf oplevert.

Onder vrijheidsontnemende maatregelen wordt ook verstaan:

  • plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of in een inrichting voor stelselmatige daders;

  • plaatsing in een inrichting voor jeugdigen; en

  • terbeschikkingstelling.

Aan gratieverlening komt geen betekenis toe. Ook hoeft de veroordeling niet onherroepelijk te zijn. Als hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Bij een aanvraag voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming moet bij de beoordeling van de aanvraag wel rekening worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, en ook het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst.

Als een strafzaak wegens het plegen van een misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De redelijke termijn voor het geven van de beschikking wordt in dat geval schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd.

Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.

Beleidsregels: overige gevallen

Als geen sprake is van één van de hierboven onder a, b of c genoemde gevallen, kan de aanvraag alleen worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde als sprake is van zwaarwegende belangen. Hiervan mag slechts zeer terughoudend gebruik worden gemaakt. Bij toepassing van deze afwijzingsgrond moet een volledige individuele afweging worden gemaakt van de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.

1.9.5. Medisch onderzoek

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden geweigerd door Onze Minister met het oog op het algemeen belang, namelijk bescherming van de volksgezondheid (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES).

Als de vreemdeling niet bereid is onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt wordt aangenomen dat het algemeen belang zich verzet tegen verlening van de vergunning (zie artikel 5.35, eerste lid, BTU-BES).

Deze afwijzingsgrond geldt niet voor vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van één van de in artikel 4.3 van de RTU-BES genoemde landen (zie artikel 5.35, tweede lid, BTU-BES).

Als TBC wordt vastgesteld, is dat op zichzelf geen grond om de aanvraag af te wijzen. Het gaat alleen om de bereidheid een onderzoek naar TBC dan wel behandeling van TBC te ondergaan of daaraan mee te werken.

Deze afwijzingsgrond geldt alleen voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en niet voor het wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

Als de vreemdeling voor het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen nog niet heeft ondergaan, en daar niet van is vrijgesteld, ondertekent de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning het TBC-formulier (zie model MBES22 CTU-BES). Daarin geeft de vreemdeling aan bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De vreemdeling meldt zich binnen drie maanden na datum aanvraag bij de daarvoor aangewezen instantie. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het TBC-formulier. De arts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar de IND unit Caribisch Nederland.

Als blijkt dat de vreemdeling niet bereid is om het TBC-formulier te ondertekenen dan wordt de aanvraag afgewezen. Als de vreemdeling het TBC-formulier wel heeft ondertekend en voldoet aan de overige voorwaarden van het beoogde verblijfsdoel kan de verblijfsvergunning worden verleend. De IND unit Caribisch Nederland stelt achteraf vast, op basis van informatie verkregen van de arts, of de vreemdeling aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan. Als achteraf blijkt dat de vreemdeling ondanks ondertekening van het TBC-formulier niet daadwerkelijk bereid is gebleken onderzoek naar TBC of behandeling daarvan te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het algemeen belang wegens het verstrekken van onjuiste gegevens (zie artikel 14, onder c, WTU-BES).

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan met het oog op het algemeen belang worden geweigerd als de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven (zie de artikelen 9, eerste lid, onder b, en 7, zevende lid, WTU-BES en artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES). In het BTU-BES zijn regels gesteld over de beperkingen en voorschriften.

1.10. Gevolgen van de afwijzing

Als een vreemdeling geen verblijfsvergunning (meer) heeft en het hem niet is toegestaan de beslissing op de openbare lichamen af te wachten, moet de vreemdeling uit zichzelf de openbare lichamen verlaten binnen een gestelde termijn (zie artikel 16a WTU-BES). Mocht de vreemdeling hier geen gehoor aan geven, dan kan hij worden uitgezet (zie artikel 16 WTU-BES).

Het besluit moet wel aan de vreemdeling bekend worden gemaakt. Als de vreemdeling een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de afwijzing, dan heeft het aangetekende bezwaar of ingestelde beroep geen opschortende werking. Dit is alleen het geval als de vreemdeling door een beslissing van Onze Minister of door een rechterlijke beslissing de vervolgprocedure in de openbare lichamen mag afwachten. Op grond van artikel 19 WTU-BES is de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel (bezwaar of beroep) vier weken. Op grond van artikel 16, tweede lid, WTU-BES kan van de vreemdeling medewerking worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek uit de openbare lichamen.

1.11. Vertrektermijn

Als de toelating bij vergunning is geëindigd of de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen, wordt aangegeven binnen welke termijn de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten. Als regel geldt dat de vreemdeling de openbare lichamen uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten (zie artikel 16 a WTU-BES). Bij de bekendmaking van de beschikking wordt dat aan de vreemdeling meegedeeld. Tegen de vertrektermijn kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Als de aanvraag is afgewezen, de verblijfsvergunning is ingetrokken, dan wel niet is verlengd verlaat de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk als de beroepstermijn ongebruikt verstrijkt en tijdens die termijn de werking van de beschikking is opgeschort (zie artikel 16a, tweede lid, WTU-BES).

De Minister kan met toepassing van artikel 16a, vierde lid, WTU-BES de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken in het belang van:

  • de uitzetting, bijvoorbeeld in gevallen waarin de mogelijkheid om uit te zetten illusoir zou worden, gevallen waar de uitzetting door middel van overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten moet plaatsvinden of als betrokkene met onbekende bestemming is vertrokken; en

  • de openbare orde of nationale veiligheid.

1.12. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

1.12.1. Verlengen van de vergunning

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd kan worden afgewezen (zie artikel 9, eerste lid, WTU-BES):

  • a. als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd;

  • b. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;

  • c. als niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

Tijdige indiening

De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt (zie artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES). De aanvraag kan maximaal vier maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur en uiterlijk op de dag van verloop van de geldigheidsduur worden ingediend. De vreemdeling wordt geacht gedurende zijn verlengingsverzoek rechtmatig in de openbare lichamen te verblijven.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd, afloopt (zie artikel 7, vijfde lid, WTU-BES).

Niet-toerekenbaar te laat

Als de aanvraag later is ontvangen en de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend, dan kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt (zie artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES en artikel 7, zesde lid, WTU-BES).

De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden.

Onderstaande omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding:

  • de vreemdeling is er door de overheid niet op gewezen dat zijn vergunning afloopt;

  • vakantie;

  • detentie; en

  • nonchalance.

Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning.

Niet-tijdig, maar binnen de redelijke termijn

Beleidsregel:

Als de aanvraag tot verlenging niet op de uiterste datum is ingediend, maar wel binnen twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, moet de aanvraag wel als een verlengingsaanvraag worden behandeld. Alle vereiste documenten moeten ook binnen die termijn zijn overgelegd (zie artikel 5.38 BTU-BES). De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan (artikel 5.38, lid 1, BTU-BES).

Bovengenoemde geldt niet als de vreemdeling:

  • zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft gevestigd; of

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden en die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid (zie artikel 5.38, lid 2, BTU-BES).

Als de aanvraag wordt ingewilligd dan is de ingangsdatum de datum waarop de verlengingsaanvraag is ingediend, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend (zie artikel 7, zesde lid, WTU-BES). Er ontstaat een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling wat gevolgen heeft voor de opbouw van de verdere verblijfsrechten. Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning.

Niet-tijdig en niet binnen een redelijke termijn

De niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 5.36, tweede lid, BTU-BES). Dat is het geval als de verlengingsaanvraag na twee jaar, na verloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is ingediend. Betrokkene heeft in die periode geen verblijfsrecht. Betrokkene moet de afhandeling van de aanvraag in het buitenland afwachten. Als positief op de aanvraag is beslist verkrijgt betrokkene weer toelating tot verblijf in de zin van artikel 6 van de WTU-BES.

1.12.2. Wijzigen van de vergunning

Een tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt getoetst als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel en de artikelen 5.30 en 5.35 BTU-BES zijn niet van toepassing (zie artikel 5.37 BTU-BES). Als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning verstrijkt is er sprake van voortgezet verblijf. De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan.

De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen en niet op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning afliep.

Geldig document voor grensoverschrijding:

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 14, onder c, WTU-BES niet afgewezen, als de vreemdeling niet of niet langer beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie artikel 5.39 BTU-BES). Wat geldt voor het verlenen van de verblijfsvergunning (zie paragraaf 1.9.2) geldt ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning. Als eerder bij de verlening van een verblijfsvergunning het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding niet is tegengeworpen, moet bij de wijzigings- of verlengingsaanvraag beoordeeld worden of de vreemdeling inmiddels wel in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding of daarvan wederom kan worden vrijgesteld. De situatie kan namelijk zijn gewijzigd.

Onjuiste gegevens:

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 14, onder c, WTU-BES niet afgewezen, als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, als er sinds de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaar is verstreken (zie artikel 5.40 BTU-BES). Na verloop van twaalf jaren wegen de belangen van de overheid niet op tegen de belangen van de vreemdeling, namelijk voortzetting van het verblijf in de openbare lichamen. De periode van twaalf jaar wordt berekend vanaf de (op onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerde) beslissing tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning.

Middelen:

Volgens artikel 5.41 BTU-BES wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet op grond van artikel 14, onder d, WTU-BES afgewezen, als de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in artikel 5.33 BTU-BES (zie paragraaf 1.9.3).

Mensenhandel:

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet afgewezen op grond van artikel 14, onder e, van de WTU-BES, om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, als de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op dat beklag nog niet is beslist. Hiermee wordt beoogd om het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel een verblijfsvergunning voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek in feitelijke aanleg te verlenen.

Arbeid in loondienst:

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van artikel 14, onder c, d, e, van de WTU-BES afgewezen als de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan geworven wordt. De verblijfsvergunning wordt dan verlengd tot aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid (zie artikel 5.43 BTU-BES).

1.12.3. Gronden intrekking

Volgens artikel 14 WTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:

a. op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling van een misdrijf tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer.

De gedraging van de vreemdeling moet voldoende ernstig zijn, daarom worden alleen misdrijven in aanmerking genomen. De sanctie moet voldoende zwaar zijn. Als de misdraging als een overtreding gekwalificeerd wordt of buiten het strafrecht afgedaan wordt, blijft de misdraging buiten beschouwing. De vraag of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de desbetreffende wetgeving. Als het vonnis nog niet onherroepelijk is, of als de strafzaak nog openstaat, wordt contact opgenomen met het OM. Bij de berekening van de norm (drie maanden of langer) wordt alleen het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf meegeteld. In geval van meerdere veroordelingen worden de onvoorwaardelijke gedeelten bij elkaar opgesteld, als de verblijfsduur vijf jaren of korter is.

Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.

Strafbare feiten die buiten het Koninkrijk zijn gepleegd of bestraft, worden ook betrokken bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde als het strafbare feiten naar het recht van de openbare lichamen zijn. Dat geldt ook als het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is. Of het feit naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht BES (op dit moment het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) of de bijzondere strafwetten van de openbare lichamen. De vreemdeling verschaft zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening. Er wordt met het OM contact opgenomen voor de vraag welke straf in de openbare lichamen voor het strafbare feit zou worden gevorderd.

b. met het oog op de goede zeden.

c. als dit in het algemeen belang wenselijk is.

Gedacht kan worden aan de volgende situaties, waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:

  • de openbare orde en veiligheid waarmee gedoeld wordt de territoriale integriteit, rechtshandhaving en defensie. Bij bedreiging van de veiligheid gaat het om terroristische activiteiten;

  • als aan de vreemdeling een taakstraf is opgelegd, dan kan de verblijfsvergunning niet ingetrokken worden onder sub a, maar wel als dit wenselijk is in het algemeen belang;

  • als de vreemdeling of de persoon bij wie hij verblijft niet of niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, in de zin van artikel 5.32 tot en met 5.34 BTU-BES, tenzij het gezamenlijke inkomen van de vreemdeling en degene bij wie hij in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming als gezinslid verblijft gelijk is aan het toepasselijk bruto-normbedrag zoals genoemd in artikel 5.33 BTU-BES;

  • of als de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst (zie artikel 12 WTU-BES); of

  • als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, gewijzigd of verlengd en er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die tot een positieve beslissing hebben geleid, waar een negatieve beslissing genomen had moeten worden. Niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. De periode is wel beperkt tot twaalf jaar en wordt berekend vanaf de (op onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerde) beslissing tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning (zie artikel 5.40 BTU-BES).

d. het verkeren in zodanige staat van behoeftigheid, dat de vreemdeling niet langer naar behoren in het onderhoud van zichzelf en zijn wettig gezin kan voorzien.

Van vergaande behoeftigheid is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling tot bedelarij en/of landloperij (geen onderkomen) is vervallen.

e. als de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van de aan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperkingen of voorschriften.

De verblijfsvergunning wordt ingetrokken als niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Gedacht kan worden aan de volgende situaties waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:

  • de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinsvorming kan worden ingetrokken als de samenleving is beëindigd; of

  • de vreemdeling ondanks ondertekening van het TBC-formulier niet daadwerkelijk bereid is gebleken onderzoek naar TBC of behandeling daarvan te ondergaan.

Gezinshereniging of gezinsvorming

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is verbroken, als de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Dit geldt niet als sinds de verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken (zie artikel 5.44 BTU-BES).

Verblijfsbeëindiging blijft achterwege als het in strijd komt met een ieder verbindende verdragsbepaling of de gevolgen wegens de bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de beleidsregel te dienen doel. De verblijfsvergunning kan in die gevallen ambtshalve gewijzigd worden wegens de veranderde omstandigheden. Als wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, wordt de zaak bezien op aangifte van een strafbaar feit bij het OM.

1.12.3.1. Besluit tot intrekking

Voordat tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt overgegaan moet de vreemdeling in de gelegenheid gesteld worden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Als de vreemdeling onvindbaar is kan de IND unit Caribisch Nederland direct tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan.

Het besluit om een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in te trekken moet:

  • met redenen zijn omkleed;

  • de motivering moet deugdelijk zijn;

  • de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing; en

  • de beschikking moet altijd schriftelijk aan de vreemdeling worden meegedeeld onder verwijzing van de rechtsmiddelen.

1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning

De aanvraag van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken, maar waarbij de aanvraag nog is ontvangen binnen de redelijke termijn van twee jaar na de datum waarop de intrekkingsbeschikking is bekendgemaakt, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf. Het valt onder de categorie ‘niet-tijdig maar binnen de redelijke termijn’. De aanvraag is slechts tijdig als deze is ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Als de verblijfsvergunning is ingetrokken tot en met de datum waarop zij is verleend, kan betrokkene per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen. De aanvraag wordt in deze gevallen aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating.

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.1. Algemeen

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt slechts verleend op aanvraag en ontstaat niet van rechtswege. De vreemdeling moet aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoen. Op het tijdstip van indiening of beoordeling van de aanvraag moet aan de voorwaarden worden voldaan. Er wordt niet ambtshalve getoetst of de vreemdeling op enig moment in het verleden aanspraak zou hebben gemaakt op de verblijfsvergunning als die destijds zou zijn aangevraagd. De afwijzing van de aanvraag betekent niet dat er sprake is van verblijfsbeëindiging.

Het is de houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd toegestaan voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen te verblijven. Aan deze verblijfsvergunning worden geen beperkingen en voorschriften verbonden en deze hoeft niet te worden verlengd (zie artikel 7, negende lid, WTU-BES). Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mag arbeid verrichten, zonder dat een TWV is vereist.

2.2. Systematiek

De gronden waarop de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen kunnen worden, komen overeen met de afwijzingsgronden voor het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 9, eerste lid, WTU-BES).

Artikel 5.45 BTU-BES vormt een nadere invulling van de afwijzingsgronden zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, WTU-BES. Er zijn twee situaties te onderscheiden:

  • a. Vreemdelingen die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd:

    Als sprake is van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.45, eerste lid, BTU-BES, moet de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend.

  • b. Vreemdelingen die toelating van rechtswege hebben:

    Als sprake is van een vreemdeling die toelating van rechtswege heeft en die voldoet aan de onder a tot en met d van artikel 5.45, eerste lid, BTU-BES genoemde voorwaarden, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie artikel 5.45, tweede lid, BTU-BES).

Ad a Vreemdelingen die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd:

Artikel 5.45, eerste lid, WTU-BES stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend aan de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaren houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een niet-tijdelijk doel, als de vreemdeling:

  • a. al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan:

    • voor de begrippen ‘zelfstandig’, ‘duurzaam’ en ‘voldoende’ wordt aangesloten bij wat wordt verstaan bij de beoordeling van aanvragen tot het verlenen of het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie paragraaf 1.9.3.);

    • als de vreemdeling die verblijf heeft in het kader van gezinshereniging of -vorming, zelf niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt het inkomen van het gezinslid bij wie verblijf is toegestaan ook meegeteld. Dit is ook het geval als de vreemdeling na drie jaren in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf;

  • b. niet bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld, wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, en hem geen maatregel, bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht BES, is opgelegd:

    • voor de toepassing van deze afwijzingsgrond is vereist dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. De wetgever heeft deze misdrijven als ernstig aangemerkt;

  • c. zijn hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd:

    • in dat geval heeft de vreemdeling geen redelijk belang bij de vergunning;

    • de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgewezen als de vreemdeling meer dan zes maanden binnen een tijdvak van een jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven. Dan wordt aangenomen dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft;

    • de aanvraag wordt niet in alle gevallen afgewezen waarin de verblijfsduur niet aaneengesloten is;

    • bijvoorbeeld gedwongen verblijf in het buitenland (door bijvoorbeeld strafrechtelijke detentie of behandeling elders van ziekte) wordt niet aangemerkt als onderbreking van het hoofdverblijf;

    • de beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen;

  • d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid:

    • gevaar voor de nationale veiligheid wordt per geval beoordeeld. Er zijn geen algemene regels opgenomen met betrekking tot de gevallen waarin de aanvraag op deze grond wordt afgewezen of de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt ingetrokken;

  • e. geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en geen gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen zouden hebben geleid:

    • als wordt vastgesteld dat de vreemdeling door het verzwijgen van relevante gegevens of het verstrekken van onjuiste gegevens in het bezit is gekomen of gebleven van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, kan hem de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden onthouden;

    • dit geldt niet als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid en sinds de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaar is verstreken (zie artikel 14, onder c, WTU-BES en artikel 5.40 BTU-BES). Na verloop van twaalf jaren wegen de belangen van de overheid niet op tegen de belangen van de vreemdeling, namelijk voortzetting van het verblijf in de openbare lichamen. De periode van twaalf jaar wordt berekend vanaf de (onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerde) beslissing tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning;

  • f. op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk is:

    • bij de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, is van doorslaggevend belang dat de vreemdeling op het moment van de beslissing op de aanvraag houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een niet-tijdelijk doel. Daarmee wordt voorkomen dat een vreemdeling met een tijdelijk verblijfsrecht aanspraak kan maken op de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en zo het tijdelijke karakter aan zijn verblijfsrecht kan ontnemen (zie artikel 5.3 BTU-BES).

Als een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet aan de onder a tot en met f genoemde voorwaarden voldoet wordt de aanvraag afgewezen.

Ad b. Vreemdelingen die toelating van rechtswege hebben:

Bepalend is de vraag of de vreemdeling al dan niet toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren. Als dit zo is, dan wordt de vergunning voor onbepaalde tijd verleend.

Formeel beperkt

Als de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning dan is er sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen, wijzigen of een intrekking van een verblijfsvergunning is er ook sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Als de verblijfsvergunning uiteindelijk wordt verleend, verlengd, gewijzigd dan wel dat de intrekking van de verblijfsvergunning ongedaan wordt gemaakt en deze perioden uiteindelijk worden bestreken door een verblijfsvergunning tellen deze alsnog mee.

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege heeft en die voldoet aan de voorwaarden a tot en met d zoals hierboven genoemd (zie artikel 5.45 BTU-BES).

In het geval dat een vreemdeling onjuiste gegevens dan wel essentiële gegevens heeft achtergehouden die hebben geleid tot de onterechte afgifte van een bewijs van toelating van rechtswege is bepalend of de vreemdeling toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren.

Als aan de bovengenoemde voorwaarden niet wordt voldaan wordt de aanvraag afgewezen.

2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Volgens artikel 14 WTU-BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:

  • a. op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling van een misdrijf tot een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van drie maanden of langer;

  • b. met het oog op de goede zeden;

  • c. als dit in het algemeen belang wenselijk is;

  • d. het verkeren in zodanige staat van behoeftigheid, dat de vreemdeling niet langer naar behoren in het onderhoud van zichzelf en zijn wettig gezin kan voorzien; en

  • e. als de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van de aan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperkingen of voorschriften.

Zie paragraaf 1.12.3 van dit hoofdstuk voor de toelichting op de intrekkingsgronden.

Artikel 5.46 BTU-BES stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder b of d WTU-BES. Reden hiervoor is gelegen in de versterking van de rechtspositie van de vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Zoals uit het bovengenoemde blijkt zijn de gronden voor intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd aan elkaar gelijk afgezien van artikel 14 onderdeel e WTU-BES. In artikel 7, lid 9, WTU-BES staat dat geen beperkingen en voorschriften verbonden worden aan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarom staat eveneens in artikel 5.46 BTU-BES dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder e WTU-BES.

3. Procedurele bepalingen

3.1. De mvv-aanvraag

Op grond van artikel 9 WTU-BES kan een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7 WTU-BES worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige mvv is één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning voor de openbare lichamen. De verplichting om vóór de komst naar de openbare lichamen een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid in de openbare lichamen voor een voldongen feit te worden geplaatst.

De aanvraag om afgifte van een mvv leidt, na verstrekking van de machtiging, tot afgifte van een visum voor het Koninkijk der Nederlanden Caribisch gebied.

In artikel 9, derde lid, WTU-BES en artikel 5.31 BTU-BES is een aantal categorieën aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7 WTU-BES benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.

Achtergrond

De mvv is in artikel 1, onder e, WTU-BES omschreven als een visum voor de toegang tot een openbaar lichaam voor verblijf van meer dan drie maanden.

Een vreemdeling die langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil moet in het algemeen in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een geldige mvv.

Een mvv kan worden aangevraagd:

  • door de vreemdeling in persoon bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf, of

  • door de referent bij Onze Minister.

Indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv in persoon worden aangevraagd bij:

  • de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd of

  • bij het kabinet van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

De mvv wordt verstrekt door:

  • de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf;

  • Als in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv worden verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd of door het kabinet van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

Land van bestendig verblijf

Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel. Hierbij is niet vereist dat de vreemdeling al gedurende drie maanden feitelijk in dat land verbleven heeft op het moment dat de aanvraag om een mvv wordt ingediend. Wel zal op het moment van indienen van de aanvraag, dan wel op het toetsmoment, sprake moeten zijn van nog ten minste drie maanden rechtmatig verblijf om te kunnen spreken van bestendig verblijf.

Van bestendig verblijf kan sprake zijn in de volgende gevallen:

  • de vreemdeling verblijft in een land op basis van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden.

  • de vreemdeling is in het land waar hij of zij verblijft, gerechtigd de uitkomst van een aanvraag om verblijf (aldaar) af te wachten.

  • de vreemdeling heeft in het land waar hij of zij verblijft een verblijfsprocedure doorlopen, waarvan de uitkomst in rechte onaantastbaar is geworden, en er bestaat een juridisch beletsel tegen uitzetting.

De algemene uitgangspunten dat het verblijf rechtmatig moet zijn (naar maatstaven van het betreffende land) en voor een periode langer dan drie maanden, zijn hierop steeds van toepassing. Als het handhaven van de termijn van meer dan drie maanden rechtmatig verblijf tot onredelijke gevolgen zal leiden, kan in voorkomende gevallen een kortere termijn volstaan, als er maar geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure of het oneigenlijk gebruik van de mvv-procedure.

In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.

Het bestendig verblijf moet door de vreemdeling aangetoond worden met officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling daar rechtmatig verblijft, en voor welke periode.

Ingevolge artikel 2h WTU-BES beslist Onze Minister binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag om verlenging of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. De termijn kan verlengd worden als naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden nodig is.

Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een mvv af in het land van herkomst of bestendig verblijf.

Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde een aanvraag indienen tot het verlenen van een mvv aan de vreemdeling (referentprocedure). De aanvraag wordt ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van de door de referent ingediende aanvraag buiten de openbare lichamen te bevinden.

3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling

De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.

De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient in beginsel altijd in persoon te worden ingediend. De vreemdeling toont zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd.

Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twee weken aan te vullen. De IND unit Caribisch Nederland wordt bij het doorsturen van de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geïnformeerd over de datum waarop de herstel verzuim periode van twee weken is ingegaan.

In voorkomende gevallen kan de vreemdeling ook worden verzocht zich in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden om een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven.

Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Verder wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv en of de leges zijn voldaan, dan wel herstel verzuim daarvoor is geboden. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden.

Na ontvangst van de aanvraag gaat de IND unit Caribisch Nederland aan de hand van de door de vreemdeling verstrekte gegevens na of een (in de openbare lichamen woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent door de IND unit Caribisch Nederland schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Als de referent van deze gelegenheid geen gebruik maakt, of niet alle gevraagde stukken overlegt, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken.

De IND unit Caribisch Nederland beoordeelt de aanvraag en stelt zo nodig nader onderzoek in naar de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie.

De IND unit Caribisch Nederland besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. De wettelijk beslistermijn voor een mvv-aanvraag is drie maanden (zie artikel 2h WTU-BES).

In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De IND unit Caribisch Nederland stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt de vreemeling uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding meebrengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling moet binnen drie maanden na ontvangst van de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door deIND unit Caribisch Nederland, verschijnen voor de afgifte van de mvv (artikel 2e, eerste lid, van de WTU-BES).

Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de IND unit Caribisch Nederland de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan de vreemdeling. De referent ontvangt een afschrift van de beschikking. Als zowel de referent als de vreemdeling zich in het buitenland bevinden, kan door de vreemdeling een mvv worden aangevraagd. De referent moet dan wel aantonen dat de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen zal beschikken over voldoende middelen van bestaan.

3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent

Een in de openbare lichamen verblijvende referent kan ten behoeve van een vreemdeling in het buitenland een mvv aanvragen. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste mag de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van een door de referent ingediende aanvraag om een mvv niet in de openbare lichamen te bevinden.

De referent kan de aanvraag indienen door het daartoe bestemde formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan IND unit Caribisch Nederland. Als de referent bij het indienen van de aanvraag niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt de referent éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.

Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde gegevens en bescheiden zijn overgelegd, en of deze in orde zijn.

De IND unit Caribisch Nederland neemt vervolgens een beslissing op de aanvraag.

Als niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel ontvangt de referent een negatieve beschikking.

Als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel, machtigt de IND unit Caribisch Nederland onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven. Dit voorbehoud houdt in, dat door nader onderzoek door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging naar de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding, de identiteit van de vreemdeling komt vast te staan en dat zich ook verder geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.

Verder wordt de referent op de hoogte gebracht van de positieve beslissing omtrent de afgifte van een mvv, onder vermelding van het voorbehoud. De referent wordt erop gewezen dat de vreemdeling, ter verkrijging van een mvv, zich moet wenden tot de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling wordt niet ambtshalve van de beslissing op de hoogte gebracht.

Bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt onderzocht of de dan door de vreemdeling te overleggen originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en het document voor grensoverschrijding, die door de referent in kopie bij de IND unit Caribisch Nederland zijn overgelegd, authentiek zijn en of deze (voor zover vereist) daadwerkelijk zijn gelegaliseerd of geapostilleerd.

Als het onderzoek de authenticiteit van de desbetreffende documenten bevestigt en zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, wordt de mvv afgegeven.

Als uit dit onderzoek blijkt dat de betreffende documenten niet authentiek zijn of als zich feiten en omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, kan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan de IND unit Caribisch Nederland een verzoek om heroverweging doen onder vermelding van alle relevante feiten en omstandigheden. Als daarvoor aanleiding is, kan de IND unit Caribisch Nederland vervolgens de inwilligende beschikking intrekken en een nieuwe beslissing nemen op de aanvraag.

3.1.3. Afgifte mvv

De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan alleen worden afgegeven na de kennisgeving van de IND unit Caribisch Nederland. Deze machtiging is drie maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de IND unit Caribisch Nederland aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv te verstrekken. Binnen die drie maanden moet de vreemdeling de mvv hebben afgehaald. Als de vreemdeling zich niet binnen drie maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Als de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die drie maanden, heeft de vreemdeling vervolgens drie maanden, vanaf datum afgifte mvv, om naar de openbare lichamen te reizen.

Voordat de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. De vreemdeling moet zijn identiteit genoegzaam aantonen.

3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures

Het mvv-vereiste geldt niet voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming (zie artikel 12a WTU-BES) en voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Als een vreemdeling een aanvraag heeft indiend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming, kan hij geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan voorzien bij artikel 12a WTU-BES zolang niet onherroepelijk is beslist op de aanvraag om toelating verband houdend met artikel 12a WTU-BES.

3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd

De houder van een geldige mvv moet zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aanmelden bij de korpschef (zie artikel 6.43, eerste lid, BTU-BES). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie artikel 6.25, eerste lid, onder a, BTU-BES). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’.

Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet de vreemdeling zich melden bij de IND unit Caribisch Nederland. Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, alleen in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake als blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is voldaan. Uitzonderlijke gevallen zijn in ieder geval situaties waarin de vreemdeling:

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de afgifte van de mvv;

  • of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (de enkele omstandigheid dat de middelen door tijdsverloop niet meer duurzaam zijn, geldt niet als bijzonder);

  • een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

  • niet voldoet aan de aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking;

  • niet voldoet aan in de BTU-BES geformuleerde voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning; en

  • niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC te ondergaan of daaraan niet meewerkt.

Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval als degene bij wie de vreemdeling verblijf beoogt na afgifte van de mvv alleen vanwege een latere aanscherping van het middelenvereiste niet meer voldoet aan het middelenvereiste.

3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ook de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt op aanvraag verleend. Dit geldt ook voor het verlengen van de al verleende verblijfsvergunning dan wel het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

Intrekking van aanvragen

Een vreemdeling kan met een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken. Uit de brief moet duidelijk blijken welke (vervolg)procedure wordt ingetrokken.

Intrekking van de aanvraag als de vreemdeling niet in bewaring is

Een vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde kunnen een aanvraag en eventuele vervolgprocedures schriftelijk middels ondertekening intrekken. Het moet duidelijk zijn welke aanvraag of vervolgprocedure wordt ingetrokken. Indien dat niet duidelijk is moet de IND unit Caribisch Nederland dit schriftelijk navragen. Voorts informeert de IND unit Caribisch Nederland de politie over het beëindigen van de procedure.

Intrekking van de aanvraag als de vreemdeling in bewaring is

De intrekking moet plaatsvinden middels model MBES35 CTU-BES.

Herhaalde aanvraag

Een herhaalde aanvraag kan op grond van artikel 8 WTU-BES worden afgewezen. Deze aanvraag kan zich in verschillende vormen voordoen.

In het geval dat de vreemdeling schriftelijk aan het bestuursorgaan verzoekt om terug te komen op een besluit dat in rechte onaantastbaar is geworden, dan moet dit verzoek aangemerkt als een herhaling van de eerdere aanvraag. Het verzoek is immers dat alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend, zonder dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend en nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Van de bevoegdheid om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit, wordt geen gebruik gemaakt.

In het geval dat de vreemdeling een nieuwe aanvraag indient na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking, dan moeten deze nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden als die:

  • op het moment waarop de eerste aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

  • aanleiding geven tot heroverweging van de afwijzing van de eerste aanvraag.

Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan de aanvraag worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De aanvrager hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag inhoudelijk dan wel procedureel aan te vullen (zie artikel 8, tweede lid, WTU-BES). Als in het bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag, nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd vormt dat geen reden om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Deze nieuwe feiten en omstandigheden zijn immers niet aangevoerd bij de herhaalde aanvraag en doen daarom niet af aan de juistheid van de verkorte afdoening van de aanvraag. Dit kan voor de vreemdeling wel aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen. Hiervoor moet wel opnieuw leges worden betaald.

Verzoek om heroverweging

Als er verzocht wordt om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking wordt de vreemdeling eerst in de gelegenheid gesteld om aan de formele vereisten voor het indienen van een aanvraag te voldoen. Aan de vreemdeling wordt een termijn gegeven om het verzuim te herstellen. Als daarna nog steeds niet aan de formele vereisten wordt voldaan, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als de voor de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald, kan de aanvraag bovendien buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 7, derde lid, WTU-BES. Als de vreemdeling wel voldoet aan de formele vereisten voor het indienen van de aanvraag, dan is het kopje ‘herhaalde aanvraag’ in deze paragraaf van toepassing.

3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag

Schriftelijke aanvraag

De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend.

Indiening in persoon

De aanvraag moet in persoon worden ingediend (artikel 5.49, eerste lid, BTU-BES).

Plaats van indiening van de aanvraag

De vreemdeling kan tijdens kantooruren langs gaan bij een IND-BES loket om een aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen.

De vreemdeling die in bewaring is

Als de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd middels het model MBES34 (artikel 5.49, tweede lid, BTU-BES). De korpschef neemt de aanvraag in ontvangst en zendt haar door naar de IND unit Caribisch Nederland. De relevante stukken worden met de aanvraag meegezonden. De IND unit Caribisch Nederland beslist op de aanvraag en stelt de korpschef in kennis van de inhoud van de beslissing.

Vastgesteld modelformulier

De aanvraag tot verlening, verlenging, vervanging of vernieuwing van een verblijfsvergunning wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld (artikel 7, lid 2, WTU-BES en artikel 5.47, lid 1, BTU-BES). Als de aanvraag niet is ingediend middels het juiste aanvraagformulier kan de aanvraag onder omstandigheden buiten behandeling worden gesteld.

De ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan ook betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar (zie artikel 5.47, lid 2, BTU-BES). Deze kinderen worden zelf niet in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.

Het verkrijgen van het aanvraagformulier

Een aanvraagformulier kan worden verkregen bij de IND unit Caribisch Nederland of anders via de website.

Ondertekening van de aanvraag

De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door een wettelijk vertegenwoordiger. Hieronder wordt verstaan: ouder, voogd of curator. Een advocaat of een zaakwaarnemer is dus geen wettelijk vertegenwoordiger. De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning kan namelijk mede betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar (artikel 5.47, lid 2, BTU-BES). De vreemdeling die namens een minderjarig kind een aanvraag indient, moet aantonen de wettelijke vertegenwoordiger van het kind te zijn. Als bij de aanvraag dat niet is aangetoond, dan moet de vreemdeling de gelegenheid worden geboden om dit alsnog binnen een termijn van twee weken aan te tonen. Als na deze twee weken het gebrek nog niet is hersteld, dan moet de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. De aanvraag voldoet immers niet aan (een van) de vormvereisten.

Vermelding van naam en adres van de aanvrager en dagtekening

De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, de dagtekening van de aanvraag. Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen.

3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

De vreemdeling geeft op het aanvraagformulier aan welke verblijfsvergunning hij wenst te verkrijgen en voor welk verblijfsdoel hij in de openbare lichamen wenst te verblijven (zie artikel 5.48, lid 1, BTU-BES).

Verblijfsvergunning zonder beperking

Als de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zonder beperking in de openbare lichamen te willen verblijven, dan moet hij in de gelegenheid worden gesteld om de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel. Ook moet hij de aanvraag nader met gegevens en bescheiden onderbouwen. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met een specifiek verblijfsdoel (zie artikel 5.2 BTU BES).

Meer verblijfsdoelen

Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES. Als de vreemdeling aangeeft voor meerdere verblijfsdoelen in de openbare lichamen te verblijven, dan moet hij voor ieder gewenst verblijfsdoel een aparte aanvraag indienen. Per aanvraag moet de vreemdeling leges betalen.

Wijziging verblijfsdoel

Als de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft verblijf in de openbare lichamen voor een ander doel te wensen, moet hij hiervoor een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen (zie artikel 5.48, eerste lid, BTU-BES). Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Alleen als redelijkerwijs niet van wijziging van het verblijfsdoel kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. Dit is bijvoorbeeld het geval als eerst verblijf bij een ongehuwde partner wordt beoogd en men vervolgende gedurende de behandeling van de aanvraag trouwt.

Als de vreemdeling de eerdere ingediende aanvraag wenst in te trekken dan worden de leges die de vreemdeling hiervoor heeft betaald niet teruggegeven.

Aanvragen om bescherming tegen terugzending

Zolang geen onherroepelijke beslissing is genomen op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming tegen terugzending, kan de vreemdeling geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan genoemd in artikel 12a WTU-BES (zie artikel 5.48, lid 2, BTU-BES).

3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden

Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling een geldig document voor grensoverschrijding over en verstrekt hij de gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden (zie artikel 5.50, lid 1, BTU-BES). Uitgangspunt is dat de vreemdeling een complete aanvraag indient. De vreemdeling draagt de verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen welke gegevens nodig zijn.

Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, legt hij, voorzover mogelijk, gegevens en bescheiden over, waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie artikel 5.50, lid 2, BTU-BES).

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Antecedentenverklaring

Een vreemdeling die twaalf jaar of ouder is moet bij een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een antecedentenverklaring ondertekenen. Deze verklaring is geïntegreerd in het aanvraagformulier. In het geval dat de vreemdeling dit gedeelte van het aanvraagformulier niet kan ondertekenen, moet worden onderzocht waarom hij dit niet kan. Als er sprake is van antecedenten, dan moet de vreemdeling documenten overleggen die betrekking hebben op deze antecedenten (bijvoorbeeld proces-verbaal, vonnis). Als de vreemdeling de redenen niet aangeeft of de documenten die betrekking hebben op zijn antecedenten niet overlegt, kan de aanvraag om procedurele redenen worden afgewezen (zie artikel 5.47, derde lid, BTU-BES).

Gelegaliseerde bescheiden

Alle buitenlandse documenten/verklaringen moeten zijn voorzien van legalisatie of apostille, afhankelijk van het land dat het stuk afgeeft. De vreemdeling moet hier zelf voor zorgen.

3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd

Handelingen bij de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning of een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning

In de openbare lichamen zijn loketten aanwezig waar de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning kan indienen. De vreemdeling kan via de website en brochures nagaan waar hij zich moet melden en hoe de procedure werkt. De vreemdeling kan ook langs gaan bij het loket voor informatie over de procedure. Aan het loket wordt dan een afspraak met de vreemdeling gemaakt voor het indienen van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning.

Identificeren van de vreemdeling

De identiteit van de vreemdeling moet worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de basisadministratie persoonsgegevens en aan het loket worden de overgelegde documenten op echtheid beoordeeld

Verstrekken sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’

De IND unit Caribisch Nederland verstrekt aan de vreemdeling na de indiening van een aanvraag tot verlening dan wel wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd de sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES). De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met een maximum van 6 maanden. De sticker bevat naast de aantekening over het rechtmatig verblijf ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie artikel 7, eerste lid, WTU BES).

Maken kopieën van originele stukken die de vreemdeling toont

De IND unit Caribisch Nederland maakt van alle door de vreemdeling overgelegde originele stukken kopieën.

Het verkrijgen van het aanvraagformulier verlenging geldigheidsduur verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

De vreemdeling kan het aanvraagformulier halen bij een IND-BES loket of anders via de website.

Plaats van indienen van een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

De vreemdeling moet hiervoor langs bij het IND-BES loket en aan het loket wordt een afspraak gemaakt met de vreemdeling voor het indienen van zijn aanvraag.

Verstrekken van de sticker ‘Verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’

De vreemdeling die na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen mag blijven om de beslissing op de verlengingsaanvraag af te wachten kan een sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES) krijgen waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Dit geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De sticker bevat ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie artikel 7, eerste lid, WTU-BES).

Het uitreiken van het verblijfsdocument

Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.

Als verblijfsdocument in de zin van artikel 7, eerste lid, WTU-BES wordt aangemerkt de Sédula.

De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.

3.6. Leges

De vreemdeling is leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning. Daarnaast kan aan de vreemdeling ook leges worden gevraagd voor de afgifte van het document zelf (artikel 7, lid 3, WTU-BES).

De vreemdeling moet voor een aanvraag leges betalen. Als hij meer dan één aanvraag indient, dan moet hij voor iedere afzonderlijke aanvraag leges betalen. De leges moeten betaald worden ongeacht de beslissing op de aanvraag. Als de vreemdeling de leges niet betaalt, dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld of het document niet afgegeven (artikel 7, lid 3, WTU-BES).

Als de vreemdeling één aanvraag indient mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, dan moet voor ieder minderjarig kind ook leges worden betaald. Het totale bedrag moet in één keer worden voldaan.

Gezinshereniging

Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief en een gezinstarief. Het gezinstarief is van toepassing als meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. In het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging met een in de openbare lichaam verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief moet betalen en de andere aanvragers het gezinstarief.

Artikel 8 EVRM

Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking gezinshereniging kan ontheven worden van de verplichting tot het betalen van leges. De vreemdeling moet een gerechtvaardigd beroep doen op artikel 8 EVRM. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogd moet zijn financiële situatie met bewijsstukken aantonen. Hij moet aantonen dat hij niet over middelen beschikt om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles heeft gedaan om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Daarnaast moet hij ook aantonen dat hij op korte termijn niet zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te kunnen voldoen of door anderen in zijn omgeving. De vreemdeling moet bij het indienen van de aanvraag stukken overleggen waaruit dat blijkt. Als de vreemdeling zich beroept op vrijstelling van de leges maar bij de aanvraag geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de leges niet kan betalen, dan wordt hem herstel verzuim geboden. Als de vreemdeling vervolgens geen stukken overlegt dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Vrijstellingen leges

  • Als een vreemdeling in bewaring is gesteld hoeft voor een aanvraag om een verblijfsvergunning geen leges voldaan te worden;

  • De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning indient wegens verblijf als slachtoffer van mensenhandel hoeft geen leges te betalen; en

  • Bij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning in verband met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de WTU BES hoeven geen leges betaald te worden.

Verlenging

Het legestarief voor de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgelegd in de RTU-BES.

De toepassing van het gezinstarief bij verlengingsaanvragen is niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van meerdere gelijktijdig ingediende aanvragen. Voor alle individueel ingediende verlengingsaanvragen voor het verblijfsdoel ‘gezinshereniging’ komen de gezinsleden voor gezinstarief in aanmerking.

Cumulatie van legesheffingen

Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen en het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zijn voor de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd. Alleen voor de afdoening van de aanvraag tot het wijzigen van de vergunning moet de aanvrager leges betalen.

Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, dan moet de vreemdeling alleen de leges voor de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betalen.

3.6.1. Restitutie leges

Restitutie van de leges is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk en wordt per geval bekeken. Een verzoek om restitutie moet schriftelijk door de vreemdeling worden ingediend. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij van mening is dat de leges aan hem moeten worden terugbetaald. Ook moet in het verzoek de volledige personalia van de vreemdeling bevatten en het bank- of gironummer.

Wanneer moeten de leges worden terugbetaald:

  • er is een te hoog legesbedrag in rekening gebracht;

  • er is sprake van een formele vrijstellingsgrond;

  • er is een aanvraag tijdens vreemdelingenbewaring ingediend; of

  • er is sprake van een onverschuldigde betaling.

Als de vreemdeling na het indienen van de aanvraag besluit om de aanvraag in te trekken, de aanvraag is afgewezen of buiten behandeling gesteld, dan worden de leges niet terugbetaald.

3.7. Behandeling van de aanvraag

3.7.1. Herstel verzuim

Als niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag biedt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling de gelegenheid om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Deze termijn is echter niet bedoeld om de vreemdeling alsnog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijk aan de voorwaarden te voldoen. Als het gaat om het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, dan geeft de IND unit Caribisch Nederland de aanvrager vier weken de tijd om dit verzuim te herstellen.

Geen herstel verzuim

Het bieden van herstel verzuim is niet nodig als van te voren al vast staat dat de vreemdeling niet aan een bepaalde inhoudelijke voorwaarde voldoet.

Verlenging

De herstel verzuim termijn kan worden verlengd. Hiervoor moeten wel goede redenen aanwezig zijn. De vreemdeling moet dit schriftelijk verzoeken. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij een langere termijn nodig heeft om het verzuim te herstellen.

3.7.2. Beslistermijn

De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie artikel 3 lid 3 WarBES). De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en eindigt op het moment dat de beslissing aan de vreemdeling bekend is gemaakt.

Dat geldt voor:

  • de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd;

  • de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het wijzigen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd).

3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming

De vreemdeling mag de behandeling van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van de verblijfsvergunning in de openbare lichamen afwachten, tenzij het een herhaalde aanvraag betreft (zie artikel 5.1, eerste lid, BTU-BES). Als de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd mogelijk zou kunnen worden afgewezen, omdat de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid, mag de vreemdeling de behandeling van de aanvraag niet afwachten in de openbare lichamen. Hij kan dan nog voordat op zijn aanvraag is beslist, worden uitgezet (zie artikel 16a WTU-BES en artikel 5.1, tweede lid, BTU-BES). Tegen de beschikking inhoudende dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten kan bezwaar worden gemaakt (zie artikel 17, lid 1 sub d, WTU-BES).

3.7.4. Bevoegdheid

Alle beslissingen met betrekking tot de inwilliging, de afwijzing of buitenbehandelingstelling van aanvragen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van verblijfsvergunningen, en intrekking daarvan, worden door of namens de Minister van Justitie genomen.

3.7.5. Bekendmaking

3.7.5.1. Algemene regels

De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 16, lid 1,2 en 4 en artikel 56, lid 1,2 en 4 van de WarBES).

Kennisgeving van de beschikking

Hoofdregel: een beschikking wordt aan de belanghebbende toegezonden.

Verzending van de schriftelijk, gemotiveerde beschikking naar het adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking (artikel 5.52, lid4, BTU-BES). In de beschikking wordt de vreemdeling gewezen op het instellen van rechtsmiddelen. Bij minderjarige kinderen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. Als de vreemdeling niet op het bij de IND unit Caribisch Nederland bekende adres woont en hij heeft verzuimd een adreswijziging door te geven, dan moet de beschikking naar het laatst bekende adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, worden toegezonden. De beschikking is op deze wijze op voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

Gevallen waarin de originele beschikking in persoon wordt uitgereikt.

  • a. de vreemdeling zit in vreemdelingenbewaring;

  • b. de vreemdeling wordt ongewenst verklaard;

  • c. de aanvraag wordt in eerste aanleg (volledig) afgewezen en de beslissing mag niet in Nederland worden afgewacht en er wordt een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel opgelegd. De termijn voor het indienen van een bezwaar- of administratief beroepschrift begint op de dag na uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling.

Beschikking geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een aanvraag

Wordt een beschikking gegeven waarbij aan de vreemdeling (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan moet de vreemdeling zich in persoon met de originele beschikking melden bij Burgerzaken voor uitreiking van het verblijfsdocument.

Als de vreemdeling zich buiten het openbare lichaam bevindt dan wordt de beschikking bekendgemaakt na zijn aankomst in het openbaar lichaam (zie artikel 5.52, lid 3, BTU-BES).

Uitreiking van het verblijfsdocument

Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.

Als verblijfsdocument in de zin van artikel 7, eerste lid, WTU-BES wordt aangemerkt de Sédula.

De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.

3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking

Wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend

Bij wijziging van de vergunning (beperking) overeenkomstig een door de vreemdeling ingediende aanvraag wordt een nieuw verblijfsdocument verstrekt.

Weigering van wijziging van de beperking

Van deze beschikking wordt niet afzonderlijk kennis gegeven als tevens verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt geweigerd of de vergunning wordt ingetrokken.

3.8. Overgangsrecht

3.8.1. Geldige verblijfstitels, verklaringen van verblijf van rechtswege en nvt-verklaringen

Algemeen

Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de WTU-BES geldige verblijfstitel, verklaring van verblijf van rechtswege of een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, afgegeven door of namens de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid van artikel II van de WTU-BES van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan