Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Pensioenwet BES

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr. AV/PB/2010/18205, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet BES

Paragraaf 1. Aanmelding fonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van de wet

Artikel 1. Aanmelding pensioenfonds

Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstig artikel 4 van de wet door middel van het formulier dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

Paragraaf 2. Toetsing betrouwbaarheid beleidsbepalers

Artikel 2. Betrouwbaarheid

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in artikel 5a van de wet.

  • b. gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als:

    • waarheidslievendheid;

    • verantwoordelijkheidszin;

    • wetsgetrouwheid;

    • openheid;

    • oprechtheid;

    • prudentie;

    • punctualiteit;

    • onkreukbaarheid;

    • discretie;

    • rechtschapenheid.

  • c. antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in de bijlage 2 genoemde feiten en omstandigheden.

  • d. betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen.

Artikel 3. Betrouwbaarheidstoetsing

De betrouwbaarheidstoetsing:

  • a. is gebaseerd op het antecedentenonderzoek zoals in de wet bepaald;

  • b. is toepasbaar op alle betrokkenen als bedoeld in artikel 2, onder d; en

  • c. dient ter waarborging van de integriteit van een pensioenfonds, door middel van toetsing van bovengenoemde betrokkenen.

Artikel 4. Frequentie toetsing

De toetsing van betrouwbaarheid van de betrokkenen geschiedt om de drie jaar en wanneer de Bank dit noodzakelijk acht, onder meer:

  • a. bij wijziging van antecedenten voor afloop van de gestelde periode; en

  • b. in geval van een gemeld incident.

Artikel 5. Onverenigbaarheid van belangen

  • 1 Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in bijlage 2.A.2, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.

  • 2 Indien de antecedenten van de betrokkene kunnen worden gekwalificeerd als feiten en omstandigheden in de zin van zowel bijlage 2.A.1 als bijlage 2.A.2, dan geldt het bepaalde van het eerste lid, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken.

Paragraaf 3. Continuïteitsanalyse

Artikel 6. Continuïteitsanalyse

  • 1 Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken.

  • 3 Het pensioenfonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.

Paragraaf 4. Afkoop kleine pensioenen bij ingang

Bepalingen ter uitvoering van artikel 7b, eerste en vijfde lid, van de wet

Artikel 7. Hoogte bedragen

De bedragen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, worden vastgesteld op:

  • 1. USD 1515, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire;

  • 2. USD 1548, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius;

  • 3. USD 1526, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba; en

  • 4. USD 1515, indien belanghebbende woonachtig is buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 8. Uitzondering op afkoop

De afkoop van een pensioen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, is niet mogelijk:

  • a. ten aanzien van een weduwen- en weduwnaarspensioen of een bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen, indien uit hoofde van het overlijden waaraan het recht op pensioen wordt ontleend, tevens recht bestaat op wezenpensioen ten laste van het fonds;

  • b. ten aanzien van een tijdelijk pensioen.

Paragraaf 5. Waardeoverdracht

Bepalingen ter uitvoering van artikel 7c, tweede lid, van de wet

Artikel 9. Definities

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a. ouderdomspensioen: het ouderdomspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat;

    • b. weduwen- en weduwnaarspensioen: het weduwen- en weduwnaarspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat;

    • c. bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 8 van de wet, berekend overeenkomstig de wijze waarop het weduwen- en weduwnaarspensioen wordt berekend;

    • d. contante-waardefactor: het actuarieel bepaalde getal, gebaseerd op kans- en rentefactoren, waarmee de waarde pensioenaanspraak op enig tijdstip wordt vastgesteld;

    • e. contante waarde: het bedrag waarop een pensioenaanspraak wordt gewaardeerd door vermenigvuldiging van dat pensioen met de contante-waardefactor;

    • f. overdrachtswaarde: het bedrag van de contante waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer;

    • g. rentestandskorting: korting op de contante waarde ter verrekening van overrente boven de rekenrente die in aanmerking is genomen bij de bepaling van de contante-waardefactor.

Artikel 10. Procedure met betrekking tot overdragende pensioenuitvoerder

  • 1 De gewezen deelnemer kan uiterlijk tot twee jaar na beëindiging van de deelneming een verzoek tot waardeoverdracht doen bij de overdragende pensioenuitvoerder.

  • 2 Bij het verzoek legt de gewezen deelnemer een schriftelijke verklaring van de ontvangende pensioenuitvoerder over waarin deze verklaart bereid te zijn mee te werken aan de waardeoverdracht.

  • 3 De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt binnen twee maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan de gewezen deelnemer een schriftelijke gedagtekende opgave van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

    • a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;

    • b. toeslagverlening;

    • c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en

    • d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.

  • 4 De waardeoverdracht kan plaatsvinden nadat de gewezen deelnemer schriftelijk heeft ingestemd met de in het derde lid bedoelde opgave.

  • 5 Indien de gewezen deelnemer niet binnen zes maanden na dagtekening van de opgave of, indien hij tegen die opgave bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft aangetekend, binnen zes maanden nadat die opgave in rechte onaantastbaar is geworden, schriftelijk met de opgave heeft ingestemd, wordt het verzoek geacht te zijn ingetrokken.

Artikel 11. Procedure met betrekking tot ontvangende pensioenuitvoerder

De ontvangende pensioenuitvoerder kan de overdrachtswaarde in ontvangst nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de gewezen deelnemer verstrekt de in artikel 10, derde lid, bedoelde opgave aan de ontvangende pensioenuitvoerder;

  • b. de ontvangende pensioenuitvoerder verstrekt aan de gewezen deelnemer een opgave van de aanspraken die de gewezen deelnemer in de nieuwe pensioenregeling in verband met de waardeoverdracht zal ontvangen; en

  • c. de gewezen deelnemer heeft ingestemd met de in onderdeel b opgenomen opgave en heeft verzocht om de overdracht.

Artikel 12. Realisatie waardeoverdracht

  • 1 De overdragende pensioenuitvoerder draagt de overdrachtswaarde over aan de ontvangende pensioenuitvoerder binnen drie maanden na ontvangst van het in artikel 11, onderdeel c, bedoelde verzoek.

  • 2 Door de overdracht vervallen de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer jegens de overdragende pensioenuitvoerder.

Artikel 13. Bepaling omvang overdrachtswaarde

  • 1 De overdrachtswaarde heeft uitsluitend betrekking op aanspraken op ouderdoms-, weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.

  • 2 Voor de bepaling van de omvang van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op de datum waarop het verzoek tot overdracht of overname van de overdrachtswaarde door de pensioenuitvoerder is ontvangen. Wanneer het verzoek is ontvangen voor de datum waarop betrokkene deelnemer is geworden, dan wel zijn deelnemerschap is geëindigd, treedt de datum van indiensttreding of van beëindiging van het deelnemerschap in de plaats van de datum, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 14. Berekening contante waarde

  • 1 Bij overdracht of overname van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de contante-waardefactoren, die het bestuur, na overleg met de Bank, heeft vastgesteld ter berekening van de contante waarden van:

    • a. ouderdomspensioen van vrouwen;

    • b. ouderdomspensioen van mannen; en

    • c. weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.

  • 2 De contante-waardefactoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met toepassing van de rekenrente van de laatstelijk samengestelde actuariële balans van het fonds. De sterftekansen worden ontleend aan de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde sterftetafels die toegepast zijn bij de laatstelijk samengestelde actuariële balans.

Artikel 15. Rentestandskorting

  • 1 Indien de overdragende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt de over te dragen overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor (100 - X ) : 100, waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

  • 2 Indien ontvangende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt voor de toepassing van artikel 16 het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor 100 : ( 100 - X ), waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

Artikel 16. Berekening deelnemingsjaren

  • 1 De ontvangende pensioenuitvoerder berekent fictieve deelnemingsjaren gelijk aan W: CWP, waarin:

    W = het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde, na toepassing van artikel 15, tweede lid; en

    CWP = de contante waarde van het ouderdomspensioen per dienstjaar, vastgesteld met gebruikmaking van de contante-waardefactoren, bedoeld in artikel 14.

    Tevens omvat CWP voor alle deelnemers de contante waarde van het weduwen- en weduwnaarspensioen per dienstjaar.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het inkomen op de datum, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

  • 3 De fictieve deelnemingsjaren, bedoeld in het eerste lid, worden door de ontvangende pensioenuitvoerder behandeld alsof zij zijn opgebouwd in de pensioenovereenkomst met de nieuwe werkgever.

Artikel 17. Bijzondere gevallen

  • 1 Voor groepen van gevallen waarin toepassing van deze paragraaf tot een naar het oordeel van de betrokken pensioenuitvoerders onredelijke uitkomst leidt, zijn de pensioenuitvoerders gezamenlijk dan wel individueel bevoegd ten gunste van belanghebbenden een regeling te treffen die met de strekking van deze paragraaf overeenkomt.

  • 2 Van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de Bank.

Paragraaf 6. Consistentie

Bepalingen ter uitvoering van artikel 7f, tweede lid, van de wet

Artikel 18. Consistentie

  • 2 Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een pensioenfonds indien:

    • a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en

    • b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het pensioenfonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van de technische voorzieningen op het vereist eigen vermogen te brengen.

  • 3 Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het pensioenfonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet indien:

    • a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en

    • b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het de technische voorzieningen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te brengen.

  • 4 De Bank kan op verzoek van een pensioenfonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan de technische voorzieningen.

  • 5 Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen.

Paragraaf 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

Artikel 18a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

  • 1 Voor een pensioenfonds dat een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, van de Pensioenwet BES heeft ingediend, geldt met inachtneming van dit artikel, een verlenging van de looptijd met maximaal twee jaar indien het pensioenfonds een herzien kortetermijnherstelplan indient uiterlijk vier maanden voor de afloop van de termijn van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan.

  • 2 In het herziene kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:

    • a. door welke maatregelen het fonds, zo nodig met vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar na de ingangsdatum van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan zal voldoen aan de artikelen 13 en 13d van de Pensioenwet BES; en

    • b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zo nodig verdergaande vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt.

  • 3 De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, voldoen aan de volgende eisen:

    • a. indien ten tijde van de indiening van het herziene kortetermijnherstelplan geconstateerd wordt dat een vermindering noodzakelijk is, wordt in het herziene kortetermijnherstelplan een voorgenomen vermindering opgenomen, die wordt doorgevoerd uiterlijk per 1 april 2017 en die voldoende is om naar verwachting uiterlijk per 31 december 2018 te voldoen aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt;

    • b. indien uit de evaluatie op basis van de gegevens uiterlijk per 31 december 2016, blijkt dat:

      • 1°. volstaan kan worden met een beperktere vermindering dan bedoeld onder a, omdat het pensioenfonds dit tot genoegen van De Nederlandsche Bank kan aantonen op basis van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, wordt per 1 april 2017 die beperktere vermindering doorgevoerd; of

      • een grotere vermindering noodzakelijk is, wordt de onder a bedoelde vermindering doorgevoerd en wordt de nog aanvullend noodzakelijke vermindering per 1 april 2018 doorgevoerd, mits de gegevens per 31 december 2017 die vermindering nog steeds noodzakelijk maken.

  • 4 Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de verlengde looptijd zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt, wordt uiterlijk:

    • a. per 1 april 2018 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen aan het einde van de verlengde looptijd volledig door waarden worden gedekt; en

    • b. per 1 april 2019 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat aan het einde van de verlengde looptijd zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt.

  • 5 Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.

  • 6 Zo nodig in afwijking van het derde en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en geëffectueerd.

  • 7 In afwijking van de eis, bedoeld in het zesde lid, dat de vermindering binnen drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan wordt geëffectueerd, kan een pensioenfonds de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zesde lid, spreiden, indien per 31 december 2018:

    • a. het pensioenfonds op basis van een continuïteitsanalyse aannemelijk heeft gemaakt dat de pensioenregeling structureel zodanig is vormgegeven dat het beoogde pensioenresultaat haalbaar is;

    • b. stijgingen van de levensverwachting ten laste worden gebracht van de toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en

    • c. bij een dekkingsgraad van minder dan 110% geen toeslag wordt verleend.

  • 8 Een pensioenfonds met een herzien kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt op of na 31 december 2018, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden:

    • a. in 2019 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen op grond van het vierde lid wordt geëffectueerd per 1 april 2019, met dien verstande dat indien deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2019 kan worden beperkt tot 7%;

    • b. in 2020 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%;

    • c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2021.

Paragraaf 7. Vaststelling vereist eigen vermogen

Artikel 19. Standaardmodel

  • 1 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit Pensioenwet BES, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren:

    • a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;

    • b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in:

      • 1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met 25%;

      • 2°. aandelen opkomende markten met 35%;

      • 3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en

      • 4°. direct vastgoed met 15%;

    • c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de dollar met 20%;

    • d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%;

    • e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van het fonds met 40%;

    • f. het verzekeringstechnische risico;

    • g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;

    • h. het concentratierisico bedraagt 0%; en

    • i. het operationeel risico bedraagt 0%.

  • 2 Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor.

Artikel 20. Correlaties

  • 1 Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:

    • a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50;

    • b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ) van 0,75;

    • c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ”) van 0.

  • 2 Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt.

Artikel 21. Risicoprofiel

Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met de Bank over de te nemen maatregelen.

Artikel 22. Vereenvoudigd model

  • 1 De Bank kan toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het pensioenfonds beschikt over:

    • a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering met achtergestelde leningen;

    • b. een eenvoudige pensioenregeling;

    • c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en

    • d. een eenvoudige bedrijfsvoering.

  • 2 Een pensioenfonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen.

  • 3 Indien een pensioenfonds in een eerdere periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling.

  • 4 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

Artikel 23. Intern model

  • 1 De Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het fonds voldoet aan door de Bank gestelde regels ten aanzien van:

    • a. de organisatorische inbedding van het intern model; en

    • b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.

  • 2 Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.

  • 3 Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het pensioenfonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het pensioenfonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.

  • 4 In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het interne model geen afbreuk doen.

  • 5 Een pensioenfonds dat een intern model hanteert:

    • a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan de Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en

    • b. dient bij de Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 19.

  • 6 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

Artikel 24. Overgangsregeling

  • 1 In afwijking van artikel 23, eerste lid, kan de Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 23, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien:

    • a. naar het oordeel van de Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en

    • b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Artikel 25. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Pensioenwet BES.

Bijlage 1. behorend bij paragraaf 1

Formulier pensioenfonds als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Pensioenwet BES

1. Algemene gegevens    

a. Bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds?

   

b. naam

   

postadres

   

bezoekadres

   

telefoon

   

Fax

   

e-mail

   

Inschrijfnummer Kamer van Koophandel en Nijverheid

   

Administrateur/contactpersoon

   

c. bij bedrijfstakpensioenfondsen:

Ten behoeve van welke bedrijftak of gedeelte daarvan werkt het fonds?

   
     

bij ondernemingspensioenfondsen:

Naam van de onderneming of instelling waaraan het fonds is verbonden.

   

d. Aantal werknemers dat als deelnemers is opgenomen

   

e. Aantal ondernemingen dat bij het fonds is aangesloten

   
2. Financiële structuur van het fonds    

a. Worden de pensioenverplichtingen (bijvoorbeeld ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschikteheidspensioen) herverzekerd?

O ja

O nee

Zo ja, welke?

   

b. Worden overlijdensrisico’s herverzekerd?

O ja

O nee

c. Worden arbeidsongeschiktheidsrisico’s herverzekerd?

O ja

O nee

3. Externe adviseurs

naam van de externe deskundige

   

Naam van de actuaris

   
4. Beleidsbepalers (artikel 5a Pensioenwet BES)    

a. naam en functie van bestuursleden en andere personen die het beleid van het fonds (mede) bepalen

   

Naam

functie

 
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     

4b. Naam en functie van de personen die het dagelijks beleid bepalen

   

Naam

functie

 
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
5. Ondertekening    

Namens het bestuur van het fonds

   

datum

   

plaats

   

Voorzitter

   

Naam

   

handtekening

   

secretaris

   

Naam

   

handtekening

   

Bijlage 2. behorend bij paragraaf 2

Bijlage 2.A.1:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, tweede lid

Onder strafrechtelijke antecedenten worden in ieder geval verstaan:

  • 1. Veroordelingen bij overtreding van strafbepalingen binnen en buiten de openbare lichamen

De betrokkene is bij rechterlijke uitspraak veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van medeplegen van en/of medeplichtigheid aan een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten uit:

Onder veroordelingen wordt ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

  • 2. Transacties met de Officier van Justitie bij overtreding van strafbepalingen binnen en buiten de openbare lichamen.

De betrokkene heeft een vrijwillige betaling als bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten.

Onder transacties wordt ook verstaan in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

  • 3. Voorwaardelijk of onvoorwaardelijk sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging binnen en buiten in de openbare lichamen.

De betrokkene wordt terzake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder voorwaardelijke of onvoorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging wordt ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen buiten de openbare lichamen ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

  • 4. Andere feiten of omstandigheden:

    • officiële processen-verbaal of rapporten ter zake van onder 1 genoemde strafbare feiten;

    • soortgelijke officiële documenten met gelijke bewijskracht buiten de openbare lichamen; of

    • andere feiten of omstandigheden.

Bijlage 2.A.2:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, eerste en tweede lid

Veroordelingen binnen of buiten de openbare lichamen

De betrokkene is bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak veroordeeld voor (poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van en/of medeplichtigheid aan) een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:

Bijlage 2.B:. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:

  • 1. Persoonlijk:

    • betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invordering- of incassoprocedures geleid;

    • ten aanzien van betrokkene is surseance van betaling, faillissement of schuldsanering of schuldeisersakkoord; aangevraagd of uitgesproken;

    • betrokkene is thans in de openbare lichamen of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of

    • de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.

  • 2. Zakelijk

    • de huidige of één van de voormalige werkgevers van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins medeverantwoordelijk of medeverantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in de openbare lichamen of elders geleid;

    • met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon beleidsbepaler of medebeleidsbepaler bekleedt/bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken;

    • betrokkene is veroordeeld tot het voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES (artikelen 16 en 19, zevende lid).

  • 3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Bijlage 2.C:. Toezichtsantecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder toezichtsantecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:

  • het onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens aan een van overheidswege, in de openbare lichamen of in het buitenland, met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een van overheidswege (in de openbare lichamen of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een van overheidswege (in de openbare lichamen of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is in conflict geweest met een van overheidswege (in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder, en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;

  • aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door de Minister van Justitie ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd;

  • indien sprake is van een aanwijzing of een bewindvoerder door een toezichthouder in de openbare lichamen of een buitenlandse toezichthouder;

  • andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in toezichtswetgeving in de openbare lichamen of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Bijlage 2.D:. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Onder fiscaal bestuurlijke antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:

Aan betrokkene is op grond van de Belastingwet BES een straf opgelegd ter zake van één of meer van de hierna genoemde strafbare feiten:

  • het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen;

  • het niet nakomen van inlichtingenverplichtingen.

Bijlage 2.E:. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder overige antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:

  • de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;

  • betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten de openbare lichamen en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid;

  • betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).

Bijlage 3. behorend bij paragraaf 7

Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico

 

Rentefactor

Rentefactor

 

Rentefactor

Rentefactor

Looptijd

Stijging

Daling

Looptijd

Stijging

Daling

1 (jaar)

1,60

0,63

16

1,29

0,77

2

1,51

0,66

17

1,29

0,77

3

1,45

0,69

18

1,29

0,77

4

1,41

0,71

19

1,28

0,78

5

1,37

0,73

20

1,28

0,78

6

1,35

0,74

21

1,28

0,78

7

1,34

0,75

22

1,28

0,78

8

1,33

0,75

23

1,28

0,78

9

1,33

0,75

24

1,28

0,78

10

1,32

0,76

25

1,27

0,79

11

1,32

0,76

>25

1,27

0,79

12

1,31

0,77

     

13

1,31

0,77

     

14

1,31

0,77

     

15

1,29

0,77

     

Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

Het vereist eigen vermogen wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

Bijlage 247626.png

• waarbij ρ = 0,50.

Daarbij zal deze formule worden aangepast als aan de risicofactoren S7, S8 en S9 waarden worden toegekend.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, als bedoeld in artikel 13c van de wet, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico S 2 als volgt tot stand. In is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed (S 2A ), aandelen opkomende markten (S 2B ), niet-beursgenoteerde aandelen (S 2C ) en direct vastgoed (S 2D ) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S 2 ) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S 2A tot en met S 2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S 2 aan de hand van de formule:

Bijlage 247627.png

Waarbij ρ’ = 0,75.