Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Burgerlijk Wetboek BES Boek 1

Geldend van 10-10-2012 t/m 31-12-2012

Burgerlijk Wetboek BES Boek 1

Boek 1. Personen- en familierecht

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

  • 1 Allen die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten.

  • 2 Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld.

Artikel 2

Het kind waarvan een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 3

  • 1 De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, de verlening van brieven van vaderschap of een adoptie als een geboorte.

  • 2 Door huwelijk ontstaat tussen de ene echtgenoot en een bloedverwant van de andere echtgenoot aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot en diens bloedverwant.

  • 3 Door ontbinding van het huwelijk wordt de aanverwantschap niet opgeheven.

Titel 2. Het recht op de naam

Artikel 4

  • 1 Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven.

  • 2 De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

  • 3 Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven.

  • 4 Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 5

  • 1 De geslachtsnaam van een kind is die van zijn vader, en anders die van de moeder.

  • 2 Is de moeder onbekend, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de geboorteakte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in afwachting van het koninklijk besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld.

Artikel 6

De geslachtsnaam wordt ten aanzien van een ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.

Artikel 7

  • 1 De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, bij koninklijk besluit worden gewijzigd.

  • 2 Hij wiens geslachtsnaam of voornamen niet bekend zijn, kan verzoeken dat bij koninklijk besluit voor hem een geslachtsnaam of voornamen worden vastgesteld.

  • 3 Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij koninklijk besluit heeft geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die vóór de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan.

  • 4 Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij koninklijk besluit blijft in stand, niettegenstaande een latere erkenning of verlening van brieven van vaderschap.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld, en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Artikel 8

Hij die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig, wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te behoren.

Artikel 9

  • 1 Een vrouw die gehuwd is of die gehuwd is geweest en niet is hertrouwd, is steeds bevoegd de geslachtsnaam van haar echtgenoot te voeren of op de in het verkeer gebruikelijke wijze aan de hare te doen voorafgaan dan wel die te doen volgen op haar eigen geslachtsnaam.

  • 2 Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven zijn, kan de rechter in eerste aanleg, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van de gewezen echtgenoot aan de vrouw de haar in het eerste lid toegekende bevoegdheid ontnemen.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de man die gehuwd is of gehuwd is geweest en die niet is hertrouwd.

Titel 3. Woonplaats

Artikel 10

  • 1 De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

  • 2 Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.

Artikel 11

  • 1 Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

  • 2 Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de beheerders van de basisadministratie persoonsgegevens heeft kennis gegeven.

Artikel 11a

Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hun woonplaats, indien zij het tegenovergestelde voornemen niet aan de dag hebben gelegd.

Artikel 12

  • 1 Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn curator. Oefenen beide ouders te zamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.

  • 2 Wanneer iemands goederen onder bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder.

  • 3 Wanneer ten behoeve van een persoon een mentorschap is ingesteld, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor.

  • 4 Wanneer de persoon van wie de woonplaats wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest, duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe woonplaats is verkregen.

Artikel 13

Het sterfhuis van een overledene is daar, waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.

Artikel 14

Een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen, mede aldaar woonplaats.

Artikel 15

Een persoon kan een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.

Titel 4. Burgerlijke stand

Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand

Artikel 16

  • 1 In elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn twee of, naar goedvinden van het bestuurscollege, meer ambtenaren van de burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren van de burgerlijke stand worden belast met het verrichten van bepaalde taken. Deze dragen de titel van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren worden door het bestuurscollege benoemd, geschorst of ontslagen. Een benoeming kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden.

  • 3 Ambtenaar van de burgerlijke stand van een openbaar lichaam kan slechts zijn een ambtenaar in dienst van dat openbaar lichaam. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan mede zijn een persoon die geen ambtenaar in dienst van het openbaar lichaam is.

  • 4 De ambtenaar of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand wordt tot zijn betrekking niet toegelaten dan na voor de rechter in eerste aanleg de navolgende eed dan wel belofte te hebben afgelegd: «Ik zweer (beloof) dat ik de betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met eerlijkheid en nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de wettelijke voorschriften, de burgerlijke stand betreffende, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen; dat ik voorts, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder enige naam of voorwendsel, aan iemand iets heb gegeven of beloofd, en dat ik, om iets in deze betrekking te doen of te laten, van niemand enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Zo waarlijk helpe mij God almachtig». («Dat verklaar en beloof ik»).

Artikel 16a

De ambtenaar van de burgerlijke stand is belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere vermeldingen, alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers en de zorg voor de toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens betreft.

Artikel 16c

Het bestuurscollege bepaalt de uren, waarop het bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het publiek geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel mogelijk te beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de zaterdag, de zondag, de algemeen erkende feestdagen en de overige daarvoor door het bestuurscollege aan te wijzen dagen waarop de diensten van het openbaar lichaam niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.

Artikel 16d

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de door het bestuurscollege te treffen voorzieningen ten behoeve van de taakuitoefening door de ambtenaar van de burgerlijke stand, en voorts ten aanzien van al wat verder de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand betreft.

Afdeling 2. De registers van de burgerlijke stand en de bewaring daarvan

Artikel 17

  • 1 Er bestaan voor elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden.

Artikel 17a

  • 1 De registers van de burgerlijke stand worden in het daartoe door het bestuurscollege bestemde gebouw bewaard totdat zij naar een archiefbewaarplaats voor de bewaring van archiefbescheiden van openbare lichamen in de zin van de Archiefwet BES worden overgebracht.

  • 2 De overbrenging naar de archiefbewaarplaats van de in het daartoe bestemde gebouw berustende registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden kan eerst plaats vinden onderscheidenlijk ten minste honderd jaar, ten minste vijfenzeventig jaar en ten minste vijftig jaar na de afsluiting van deze registers.

Artikel 17b

De beheerder van een archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 17a, is belast met het bewaren van de onder hem berustende registers, met het toevoegen van latere vermeldingen aan de daarin opgenomen akten en met de afgifte van afschriften en uittreksels van deze akten.

Artikel 17c

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de registers, alsmede de in artikel 17b genoemde handelingen ten aanzien van die registers.

Afdeling 3. Akten van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten

Artikel 18

  • 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.

  • 2 De ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan zich de wettelijk vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook andere bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van de akte of voor de vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij kan zich te dien einde, zonder hiervoor enige vergoeding verschuldigd te zijn, inlichtingen verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit andere openbare registers.

  • 3.1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen het opmaken van de akten betreft.

Artikel 18a

  • 1 Partijen bij een akte van de burgerlijke stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen betreffende een feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken.

  • 2 Belanghebbende partijen zijn partijen die met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg brengen voor henzelf of voor medepartijen, dan wel voor henzelf en medepartijen.

  • 3 De belanghebbende partijen kunnen zich door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen vertegenwoordigen.

  • 4 Wanneer een gevolmachtigde een verklaring aflegt, geldt hij zowel als de door hem vertegenwoordigde persoon als partij bij de akte.

  • 5 De ambtenaar van de burgerlijke stand mag geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of belanghebbende partij voorkomt.

Artikel 18b

  • 1 Blijft een partij bij een akte van de burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke de in artikel 18, tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de ambtenaar van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden ongenoegzaam, dan weigert deze tot het opmaken van de akte over te gaan.

  • 2 De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.

  • 3 Van een weigering als bedoeld in het eerste of het tweede lid, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de partijen bij de akte en de belanghebbende partijen toekomen, onder vermelding van de tegen die weigering openstaande voorziening van afdeling 11. Een afschrift van deze mededeling doet hij aan de gezaghebber en aan de officier van justitie toekomen.

Artikel 18c

  • 1 Van alle in registers opgenomen akten van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften, alsmede van de daarop betrekking hebbende latere vermeldingen.

Afdeling 4. De akten van geboorte en van overlijden

Artikel 19

  • 1 Een akte van geboorte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het kind is geboren.

  • 2 Indien de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het kind is aangetroffen. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het kind is geboren.

Artikel 19a

In geval van geboorte op een varend schip tijdens een zeereis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of tijdens een luchtreis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met een luchtvaartuig, wordt de akte van geboorte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar dat kind het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het kind is geboren.

Artikel 19b

Indien de plaats of de dag van de geboorte van het kind niet bekend is, dan wel indien de naam, met inbegrip van de voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de geboorteakte ten aanzien van deze punten opgemaakt krachtens een bevel en overeenkomstig de aanwijzingen van het Openbaar Ministerie.

Artikel 19c

Zijn krachtens artikel 5, tweede lid, in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig afschrift van de akte aan de Minister van Justitie.

Artikel 19d

  • 1 Indien het geslacht van het kind twijfelachtig is, wordt een geboorte-akte opgemaakt, waarin wordt vermeld dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.

  • 2 Binnen drie maanden na de geboorte, of, bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van het overlijden, wordt onder doorhaling van de in het eerste lid bedoelde akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het geslacht, indien dit inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld aan de hand van een ter zake overgelegde medische verklaring.

  • 3 Is binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt uit de overgelegde medische verklaring dat het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.

Artikel 19e

  • 1 Tot de aangifte van een geboorte is bevoegd de moeder van het kind.

  • 2 Tot de aangifte is verplicht de vader.

  • 3 Wanneer de vader ontbreekt of verhinderd is de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht:

    • a. ieder die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig is geweest;

    • b. de bewoner van het huis waar de geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in een inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een gevangenis of in een soortgelijke inrichting, het hoofd van die inrichting of een door hem bij onderhandse akte bijzonderlijk tot het doen van de aangifte aangewezen ondergeschikte.

  • 4 Voor een in het derde lid, onderdeel b, genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een in dat lid, onderdeel a, genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.

  • 5 Wanneer tot de aangifte bevoegde of verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de gezaghebber van het openbaar lichaam alwaar de geboorteakte moet worden opgemaakt.

  • 6 De verplichting tot aangifte moet worden vervuld binnen vijf dagen na de dag der bevalling. Van een aangifte later dan de vijfde dag, wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan het Openbaar Ministerie.

  • 7 De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de identiteit van de aangever vast.

  • 8 Bij de aangifte kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of de verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld gekomen, dan kan hij zich een door een zodanige hulpverlener nadien opgemaakte verklaring doen overleggen.

  • 9 Wordt geen gevolg gegeven aan het verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging van een verklaring als bedoeld in het achtste lid, of is in de verklaring vermeld dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel 19b van toepassing.

Artikel 19f

  • 1 Een akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het overlijden heeft plaatsgevonden.

  • 2 Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het lijk is gevonden of aan land gebracht.

  • 3 Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk op Bonaire, Sint Eustatius of Saba aan land wordt gebracht.

Artikel 19g

In geval van overlijden tijdens een zeereis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in een luchtvaartuig tijdens een luchtreis tussen twee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het lijk het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Dat openbaar lichaam geldt als openbaar lichaam waar het overlijden heeft plaats gevonden.

Artikel 19h

  • 1 Tot de aangifte van een overlijden is bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt.

  • 2 Binnen de in de Begrafeniswet BES en de Crematiewet BES gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte.

  • 3 Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of nalaten binnen de in de Begrafeniswet BES en de Crematiewet BES gestelde termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de officier van justitie binnen wiens rechtsgebied de akte van overlijden moet worden opgemaakt.

Artikel 19i

  • 1 Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden wordt opgenomen.

  • 2 Wanneer een kind binnen de in artikel 19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is ten aanzien van de aangifte artikel 19h van overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.

Artikel 19ia

Geen begraving of verbranding mag geschieden zonder het verlof, vrij van zegel en kosteloos door de ambtenaar van de burgerlijke stand af te geven.

Artikel 19ib

De ambtenaar, die het verbaal van schouwing zal hebben opgemaakt, is verplicht aan die van de burgerlijke stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereist zal worden om de akte van overlijden op te maken.

Artikel 19j

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte en van overlijden, en de inhoud daarvan.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens geregeld op welke wijze en waar de akten van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone wijze kan geschieden.

Afdeling 5. Latere vermeldingen

Artikel 20

  • 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke akten houdende erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder, van brieven van vaderschap, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen, van bevestigingen van opties mede houdende vaststelling van namen en naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen alsmede van besluiten tot intrekking van zulke bevestigingen of besluiten, van de opgave van afwijkende namen die een persoon die meer dan één nationaliteit bezit, voert in overeenstemming met het recht van het land waarvan hij mede de nationaliteit bezit, alsmede van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste zes weken oud is en die inhouden:

    • a. een last tot wijziging van de voornamen, een adoptie, een herroeping van een adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gegrondverklaring van een ontkenning van het vaderschap, of een vernietiging van zulk een uitspraak;

    • b. de nietigverklaring van een huwelijk of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen.

  • 2 De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die een echtscheiding, een ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen, inhouden.

Artikel 20a

  • 1 De in artikel 20, eerste lid, bedoelde latere vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen, bedoeld in dat lid, onderdeel b, worden toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon.Van een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt.

  • 3 Wanneer als gevolg van het huwelijk of van de echtscheiding een verandering intreedt in de geslachtsnaam van een persoon, wordt hiervan, voor zover zij niet in de huwelijksakte is vermeld, aan deze akte een latere vermelding toegevoegd.Tevens wordt daarvan een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene en de geboorteakten van diens kinderen, voor zover hun naam eveneens verandert.

  • 4 Van een aan de ambtenaar van de burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk wordt, evenals van beschikkingen of akten waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van aangifte een latere vermelding toegevoegd.

Artikel 20b

  • 1 Van akten en uitspraken die in het buitenland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 20, wordt, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet, op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba voorkomende huwelijks- of geboorteakte. Van een verandering van de geslachtsnaam wordt op verzoek van een belanghebbende tevens een latere vermelding gevoegd bij de geboorteakte van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun naam eveneens verandert.

  • 2 Indien een latere vermelding ambtshalve aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon of personen op wie de akte betrekking heeft.

Artikel 20c

De artikelen 18 en 18b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20d

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud daarvan.

Artikel 20e

  • 1 Van de in artikel 20, eerste lid, genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • 2 Van brieven van vaderschap, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen en van naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen zendt de Minister van Justitie onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van de betrokken persoon berust.

  • 3 De notaris die een akte van erkenning heeft opgemaakt, zendt onverwijld een afschrift of een uittreksel daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van het kind berust.

Artikel 20f

De ambtenaar van de burgerlijke stand die een latere vermelding van de erkenning toevoegt aan de akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en de latere vermelding aan de personen op wie de akte betrekking heeft. Hij zendt een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van erkenning heeft opgemaakt. Deze akte wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van laatstgenoemd afschrift.

Artikel 20g

De ambtenaar van de burgerlijke stand die aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding toevoegt, waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, dat brieven van vaderschap zijn verleend of dat een naam van hem is gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de bewaarder van het in artikel 244 bedoelde openbare register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige zijn opgenomen.

Afdeling 6. Akten van inschrijving van bepaalde rechterlijke uitspraken

Artikel 21

  • 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand te ‘s Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die inhouden de nietigverklaring van een huwelijk, een echtscheiding, de ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een ingeschreven uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte niet in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde akten worden ingeschreven in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand te ‘s-Gravenhage.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten van inschrijving en de inhoud daarvan.

Afdeling 7. De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand, alsmede van afschriften en uittreksels

Artikel 22

  • 1 De akte van geboorte bewijst ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is geboren.Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe aan de vermelding van de plaats waar het is aangetroffen.

  • 2 De akte van overlijden bewijst ten aanzien van een ieder dat op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte krachtens artikel 19f, tweede lid, is opgemaakt, dat het lijk van de daarin genoemde persoon op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, is gevonden.

  • 3 Voor het overige hebben akten van de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten.

Artikel 22a

Authentieke afschriften of uittreksels, in de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde bewaarder van het register, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tenzij bewezen wordt dat zij daarmede niet overeenstemmen.

Afdeling 8. De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand

Artikel 23

De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand, daaronder begrepen de in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van deze akten, is beperkt overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften.

Artikel 23a

Van de akten van de burgerlijke stand mogen slechts de bewaarders en het Openbaar Ministerie inzage nemen. Voorts kunnen de rechter en het Openbaar Ministerie overlegging van akten bevelen.

Artikel 23b

  • 1 Een ieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet blijkt.

  • 2 Van de in het eerste lid bedoelde akten alsmede van de akten van erkenning wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven.

    Dit afschrift bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.

  • 3 Een verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te hebben.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en uittreksels betreft.

    Daarbij worden tevens regels gegeven voor het opmaken van uittreksels van akten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt.

  • 5 Weigert de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn weigering.

Artikel 23c

De in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van de akten van de burgerlijke stand zijn slechts openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de burgerlijke stand berusten.

Afdeling 9. De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen

Artikel 24

  • 1 Aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het Openbaar Ministerie worden gelast door de rechter in eerste aanleg. De rechter kan bij zijn beschikking tot verbetering van een akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die buiten zijn rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. De tweede zin is van overeenkomstige toepassing in gevallen dat de rechter een beschikking tot aanvulling, doorhaling of verbetering geeft met betrekking tot de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, met dien verstande dat de in de tweede zin bedoelde bevoegdheid van de rechter dan ook kan worden uitgeoefend ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in zijn eigen rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.

  • 2 De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam in welks registers de akte of latere vermelding is of had moeten zijn opgenomen. In gevallen dat de akte of latere vermelding is of had moeten worden opgenomen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zendt de in de eerste zin bedoelde griffier het afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van die gemeente.

Artikel 24a

Kennelijke misslagen en kennelijke schrijf- of spelfouten kunnen worden verbeterd met toestemming van de officier van justitie binnen wiens rechtsgebied de akte in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. De toestemming van de officier van justitie kan eveneens betrekking hebben op dezelfde verbetering ten aanzien van een akte betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die in een ander rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.

Artikel 24b

  • 1 Aanvulling van een register van de burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van een nieuwe akte in dat register.

  • 2 Van een verbetering of een doorhaling op grond van deze afdeling wordt een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende akte, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.

Afdeling 10. De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van een buitenlandse akte of uitspraak

Artikel 26

  • 1 Een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, in het buitenland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verklaring voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand of op vordering van het Openbaar Ministerie worden afgegeven.

Artikel 26a

De rechter in eerste aanleg kan, op verzoek of ambtshalve, bij de in artikel 26, eerste lid, bedoelde verklaring voor recht tevens de toevoeging van een latere vermelding, op grond van artikel 24, eerste lid, aan een in de registers van de burgerlijke stand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba voorkomende akte gelasten.

Artikel 26d

De overlegging van een authentiek afschrift van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft, kan worden verlangd. Artikel 986, derde en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26e

De griffier van het college waarbij de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens registers een op de belanghebbende betrekking hebbende akte is opgenomen, waaraan een latere vermelding van de beschikking moet worden toegevoegd.

Afdeling 11. Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting

Artikel 27

Naar aanleiding van een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b of 20c te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen acht weken na de verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen.

Artikel 27a

De rechter kan, op verzoek van een belanghebbende partij of ambtshalve, bij zijn beschikking tevens een verklaring als bedoeld in artikel 26, afgeven, alsmede een last als bedoeld in artikel 26a.

Artikel 27b

De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Afdeling 12

[Vervallen.]

Titel 5. Het huwelijk

Algemene bepaling

Artikel 30

  • 1 Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van gelijk geslacht.

  • 2 De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen.

Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan van een huwelijk

Artikel 31

  • 1 Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.

  • 2 Het in het eerste lid vermelde huwelijksbeletsel bestaat niet wanneer zij die met elkander een huwelijk willen aangaan de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, en de vrouw een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht.

  • 3 De Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde vereiste.

Artikel 32

Een huwelijk mag niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

Artikel 33

Een persoon kan tegelijkertijd slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn.

Artikel 35

  • 1 Een minderjarige mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van zijn ouders.

  • 2 Zijn de geestvermogens van een ouder zodanig gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen, dan is zijn toestemming niet vereist.

  • 3 Een minderjarige die onder voogdij staat, heeft bovendien de toestemming van zijn voogd nodig.

Artikel 36

Voor zover een volgens artikel 35 vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op verzoek van de minderjarige door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen.

Artikel 39

  • 1 Heeft de rechter in eerste aanleg de toestemming verleend, dan is de termijn van beroep veertien dagen en kan gedurende die termijn de beschikking niet worden ten uitvoer gelegd.

  • 2 Hij die tegen een verleende toestemming opkomt, is verplicht dit binnen de termijn van beroep bij deurwaardersexploit te doen aanzeggen aan de ambtenaar of ambtenaren van de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk kan worden voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij het recht om de nietigverklaring van het huwelijk op grond van het ontbreken van zijn toestemming te vragen, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de beschikking van de rechter in eerste aanleg vernietigt en het huwelijk reeds is voltrokken.

Artikel 41

  • 1 Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature, hetzij familierechtelijk bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als als broeders, zusters of broeder en zuster.

  • 2 De Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die broeders, zusters of broeder en zuster door adoptie zijn.

Artikel 42

Zij die met elkander een huwelijk willen aangaan, mogen niet tegelijkertijd op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan.

Afdeling 2. Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan

Artikel 43

  • 1 Zij die met elkaar een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel 44, eerste lid, genoemde bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het huwelijk zal worden voltrokken.

  • 2 De aangifte geschiedt in persoon of bij zodanige geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken.

  • 3 De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt van de aangifte een akte op.

Artikel 44

  • 1 Voor de aangifte van het huwelijk worden de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd:

    • a. de geboorteakte van ieder der aanstaande echtgenoten, en van elk van hen een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, tenzij zij niet als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens behoeven te zijn ingeschreven;

    • b. een akte van huwelijkstoestemming, gegeven door hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is; de akte van huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt; de toestemming kan ook bij de huwelijksakte worden gegeven; is de toestemming door de rechter verleend, dan wordt diens beschikking overgelegd;

    • c. een akte van overlijden van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest;

    • d. in geval van tweede of verder huwelijk, bewijsstukken aantonende dat het vorige huwelijk geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert;

    • e. het bewijs van de ontheffing of de vergunning van de Minister van Justitie, in geval deze is vereist;

    • f. indien een beschikking als bedoeld in titel 4, afdeling 12, of een vrijstelling krachtens artikel 62 is verkregen, ook deze;

    • g. de verklaring, bedoeld in artikel 31, tweede lid, in geval deze vereist is;

    • h. een door de gezaghebber aan de ambtenaar van de burgerlijke stand afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, over een titel tot verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschikt of om toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verzocht, dan wel voornemens is niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verblijven; de verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft; heeft deze geen woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere aanstaande echtgenoot; de verklaring is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden in het buitenland woonplaats hebben.

  • 2 Voor de voltrekking van het huwelijk worden, naast de in het eerste lid genoemde bescheiden, de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd:

    • a. de akte van huwelijksaangifte;

    • b. indien stuiting heeft plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;

    • c. een schriftelijke opgave van de namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd om als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig te zijn.

  • 3 De in het eerste en tweede lid genoemde bescheiden vormen de bijlagen van de huwelijksakte.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, alsmede de in het eerste lid, onderdeel h, bedoelde verklaring.

Artikel 45

  • 1 Een aanstaande echtgenoot die in de onmogelijkheid is zijn door artikel 44 vereiste geboorteakte te vertonen, kan dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door de rechter in eerste aanleg van zijn geboorteplaats of woonplaats, op verklaring van vier meerderjarige getuigen.

  • 2 Deze verklaring houdt de vermelding in van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, benevens de oorzaken die beletten een akte daarvan over te leggen.

  • 3 Het ontbreken van een geboorteakte kan ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke, maar beëdigde verklaring, afgelegd door de getuigen die bij de voltrekking van het huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding gemaakt.

Artikel 45a

Indien partijen niet in staat zijn de akten van overlijden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van artikel 45 worden verholpen.

Artikel 46

Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte is gedaan.

Artikel 47

  • 1 Indien een minderjarige een huwelijk wenst aan te gaan, onderzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand van welke personen daartoe de toestemming wordt vereist.

  • 2 Voorts onderzoekt die ambtenaar of de minderjarige onder toezicht gesteld of voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwd is. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij ondertoezichtstelling de rechter in eerste aanleg en in het andere geval de voogdijraad onverwijld van het voorgenomen huwelijk.

Artikel 48

Indien hij die wil hertrouwen het gezag heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld kennis aan de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de bedoelde ouder.

Artikel 49

  • 1 Trouwbeloften geven geen rechtsvordering tot het aangaan van een huwelijk, noch tot schadevergoeding wegens de niet-vervulling van de beloften; alle afwijkende bedingen zijn nietig.

  • 2 Indien echter een akte van huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte.

Artikel 49a

  • 1 Indien een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander, vluchteling of staatloze van wie het personele statuut door de wetgeving van Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaald wordt, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een huwelijk wenst aan te gaan, wordt op zijn verzoek aan hem een verklaring van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig het model, toegevoegd aan de op 5 september 1980 te München tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een verklaring van huwelijksbevoegdheid (Trb. 1981, 71), afgegeven.

  • 2 Deze verklaring wordt afgegeven:

    • a. aan degene die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats heeft door de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn woonplaats;

    • b. aan degene die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn laatste woonplaats aldaar.

  • 3 De verklaring wordt door de bevoegde autoriteit niet afgegeven alvorens deze, door kennisneming van de bescheiden, vermeld in artikel 44, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en zo nodig van die, vermeld in de artikelen 45 en 45a, alsmede in artikel 27b, zich ervan heeft overtuigd dat naar het recht van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen beletselen tegen het huwelijk bestaan.

  • 4 De verklaring van huwelijksbevoegdheid is, te rekenen van het tijdstip van afgifte, gedurende zes maanden geldig.

  • 5 Onverminderd artikel 6 van de in het eerste lid genoemde Overeenkomst worden de in het eerste lid van dat artikel bedoelde onveranderlijke vermeldingen op de verklaring bovendien gedrukt in de Engelse en de Spaanse taal.

Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk

Artikel 50

Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 51

  • 1 Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters, voogden en curatoren van een der aanstaande echtgenoten.

  • 2 De in het eerste lid genoemde personen zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk zou veroorzaken van de partij waarvan zij bloedverwant, voogd of curator zijn.

Artikel 52

Hij die met een der partijen door huwelijk verbonden is dan wel met een der partijen op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek een geregistreerd partnerschap is aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat huwelijk of dat geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan huwelijk stuiten.

Artikel 53

  • 1 Het Openbaar Ministerie is verplicht een voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een der in de artikelen 31 tot en met 33 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is.

  • 2 Het Openbaar Ministerie is bevoegd het huwelijk te stuiten van een minderjarige die onder toezicht is gesteld of voorlopig aan de voogdijraad is toevertrouwd, indien het belang van die minderjarige zich tegen het aangaan van het huwelijk verzet; daarbij kan het belang dat de wederpartij bij het huwelijk heeft, mede in aanmerking worden genomen.

  • 3 Het Openbaar Ministerie is voorts bevoegd het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te stuiten indien het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 54

  • 1 De stuiting geschiedt door betekening van een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waar het huwelijk zal worden voltrokken.

  • 2 De akte houdt de keus van een woonplaats in dat openbaar lichaam en de gronden van de stuiting in en vermeldt de hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk te stuiten; alles op straffe van nietigheid.

  • 3 De opposant zal afschrift der akte van stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij tegen welke de stuiting is gericht.

Artikel 55

Een stuiting kan worden opgeheven:

  • a. op dezelfde wijze als waarop zij is geschied;

  • b. door een verklaring, in persoon afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, genoemd in artikel 54;

  • c. door een verklaring, afgelegd ten overstaan van een notaris;

  • d. door een in kracht van gewijsde gegane beschikking, gegeven op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 56

Het huwelijk mag niet worden voltrokken, voordat de stuiting is opgeheven.

Mocht het desniettemin voltrokken zijn hangende een geding tot opheffing van de stuiting, dan kan dit geding op verlangen van de opposant worden voortgezet en wordt het huwelijk nietig verklaard, indien de rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.

Artikel 57

Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad.

Afdeling 4. De voltrekking van het huwelijk

Artikel 58

  • 1 Komt vast te staan dat op het tijdstip waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden, meer dan zes maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel h, dan doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over te gaan, wederom een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid niet vereist is.

  • 2 Indien de overlegging van een verklaring als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel h, op het tijdstip van de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot voltrekking van het huwelijk over te gaan, alsnog een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van het derde lid niet vereist is.

  • 3 De verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Een verklaring is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonplaats hebben.

Artikel 62

  • 1 Het huwelijk mag niet worden voltrokken vóór de veertiende dag na de datum van de akte van huwelijksaangifte.

  • 2 De gezaghebber is bevoegd uit hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven wachttijd.

Artikel 63

Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in het openbaar in het daartoe door het bestuurscollege bestemde gebouw voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van het bij de huwelijksaangifte aangewezen openbaar lichaam.

Artikel 64

Indien een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het voor de huwelijksvoltrekking bestemde gebouw te begeven of indien de gezaghebber daartoe toestemming verleent, kan het huwelijk worden voltrokken elders in hetzelfde openbaar lichaam, mits dit in tegenwoordigheid van zes meerderjarige getuigen geschiedt.

Artikel 65

De aanstaande echtgenoten zijn verplicht bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.

Artikel 66

Het staat de Minister van Justitie vrij uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde te voltrekken.

Artikel 67

  • 1 De aanstaande echtgenoten moeten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden.

  • 2 Terstond nadat deze verklaring is afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand dat partijen door de echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het daartoe bestemde register een akte op.

Afdeling 5. Nietigverklaring van een huwelijk

Artikel 69

  • 1 Voor zover hieronder niet anders is bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om te zamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door:

    • a. de bloedverwanten in de opgaande lijn van een der echtgenoten;

    • b. ieder der echtgenoten;

    • c. alle overige personen die daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze alleen na de ontbinding van het huwelijk;

    • d. het Openbaar Ministerie, echter alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.

  • 2 Hij die met een der echtgenoten nog door een vroeger huwelijk dan wel door een eerder op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gesloten geregistreerd partnerschap is verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan van dat huwelijk of die registratie de nietigverklaring van het daarna gesloten huwelijk te verzoeken.

Artikel 70

  • 1 Op verzoek van de ouders, de echtgenoten en het Openbaar Ministerie kan een huwelijk worden nietig verklaard, wanneer het ten overstaan van een niet bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het vereiste aantal getuigen is voltrokken.

  • 2 De bevoegdheid van een echtgenoot om uit dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken, vervalt indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een akte van huwelijksvoltrekking ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.

Artikel 71

  • 1 Een echtgenoot kan de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken, wanneer dit onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten.

  • 2 Een gelijk verzoek komt de echtgenoot toe, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem afgelegde verklaring.

  • 3 De bevoegdheid van de echtgenoot de nietigverklaring wegens bedreiging of dwaling te verzoeken, vervalt wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het ophouden van de bedreiging of de ontdekking van de dwaling, zonder dat het verzoek is ingediend.

Artikel 71a

Op vordering van het Openbaar Ministerie kan een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde worden nietig verklaard indien het oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 72

Een huwelijk kan niet nietig worden verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking een der echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk van de andere echtgenoot zou veroorzaken.

Artikel 73

De nietigverklaring van een huwelijk uit hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het ophouden van de stoornis.

Artikel 74

De nietigverklaring van een huwelijk dat aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan niet worden verzocht, wanneer deze op de dag van het verzoek de vereiste ouderdom heeft, noch wanneer de vrouw vóór de dag van het verzoek zwanger is geworden.

Artikel 75

  • 1 Wegens het ontbreken van een vereiste toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het huwelijk alleen door die derde worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer hij die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, het huwelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd, of wanneer drie maanden verlopen zijn nadat hij met de huwelijksvoltrekking bekend is geworden.

  • 2 Hij die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden, wanneer het in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba is voltrokken, of wanneer het, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangegaan, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

Artikel 76

Behoudens het in artikel 56 bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op grond van een verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 77

  • 1 De nietigverklaring van het huwelijk werkt zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.

  • 2 Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een echtscheiding:

    • a. ten aanzien van de kinderen der echtgenoten, tenzij de nietigverklaring is geschied ingevolge artikel 71a;

    • b. ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een gemeenschap van goederen aanspraak maken wanneer het huwelijk dan wel op de voet van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gesloten geregistreerd partnerschap wegens het bestaan van een vroeger huwelijk is nietig verklaard;

    • c. ten aanzien van andere personen dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te goeder trouw vóór de inschrijving der nietigverklaring rechten hebben verkregen.

Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het huwelijk

Artikel 78

Het bestaan van een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gesloten huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien.

Artikel 79

Heeft het huwelijksregister niet bestaan of is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de huwelijksakte, dan kan het huwelijk door getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is.

Artikel 80

Wordt in een geding betwist dat een kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op.

Afdeling 7. Buiten de openbare lichamen voltrokken huwelijken en geregistreerde partnerschappen

Artikel 80a

Een huwelijk, voltrokken op grond van het in het Europese deel van Nederland geldende Burgerlijk Wetboek, heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de rechtsgevolgen die het Europees Nederlandse burgerlijk recht aan het betreffende huwelijk verbindt, ongeacht de wettelijke regelingen en voorschriften die van toepassing zijn in deze lichamen. De artikelen 5 tot en met 7 van de Wet conflictenrecht huwelijk zijn van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 80b

Een geregistreerd partnerschap, voltrokken op grond van het in het Europese deel van Nederland geldende Burgerlijk Wetboek, heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de rechtsgevolgen die het Europees Nederlandse burgerlijk recht aan het geregistreerd partnerschap verbindt, ongeacht de wettelijke regelingen en voorschriften die van toepassing zijn in deze lichamen. In de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap van toepassing op een buiten het Koninkrijk aangegaan geregistreerd partnerschap.

Titel 6. Rechten en verplichtingen van echtgenoten

Artikel 81

Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd.

Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.

Artikel 82

Echtgenoten zijn jegens elkander verplicht hun kinderen te verzorgen en op te voeden.

Artikel 83

  • 1 Echtgenoten zijn jegens elkander tot samenwoning verplicht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. De verplichting vervalt eveneens, indien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is gedaan dan wel een beschikking betreffende een of meer voorlopige voorzieningen van kracht is.

  • 2 De plaats van de samenwoning wordt in onderling overleg vastgesteld. Indien een der echtgenoten onder curatele staat, of zich omtrent de plaats van samenwoning niet kan of wil verklaren, bepaalt de andere echtgenoot deze.

  • 3 Geschillen omtrent het in het tweede lid bepaalde worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist.

Artikel 84

  • 1 De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen der echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.

  • 2 De echtgenoten zijn jegens elkander verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde uitgaven bij te dragen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover niet bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

  • 3 Bij huwelijkse voorwaarden kan een van het eerste en het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.

  • 4 Geschillen tussen de echtgenoten omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid, worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist.

  • 5 Op verzoek van beide of van een der echtgenoten kan de rechter een gegeven beschikking of een bij huwelijkse voorwaarden getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.

  • 6 Wanneer de echtgenoten niet samenwonen en dit te wijten is aan onredelijk gedrag van een der echtgenoten, treedt voor de in het tweede lid omschreven verplichtingen in de plaats de verplichting van die echtgenoot om aan de andere echtgenoot een bedrag voor diens levensonderhoud uit te keren, onverminderd beider verplichting om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Bij het vaststellen van de uitkering wordt het bestaan van een regeling als bedoeld in het derde lid, mede in aanmerking genomen.

Artikel 85

  • 1 De ene echtgenoot is naast de andere voor het geheel aansprakelijk voorde door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten.

  • 2 De ene echtgenoot is verplicht aan de andere die met hem samenwoont, ten behoeve van de gewone gang van de huishouding voldoende gelden ter beschikking te stellen; wonen echtgenoten in onderling overleg niet samen, dan is de ene echtgenoot verplicht aan de andere voldoende gelden ter beschikking te stellen ten behoeve van de gewone gang van diens huishouding.

  • 3 Hij mag daarbij rekening houden met het bedrag dat de andere echtgenoot uit de onder diens bestuur staande goederen voor dit doel dient te bestemmen.

  • 4 Geschillen tussen de echtgenoten omtrent een en ander worden door de rechter in eerste aanleg op verzoek van beiden of een van hen beslist. Op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, kan bij veranderde omstandigheden een gegeven beschikking worden gewijzigd.

Artikel 86

  • 1 De rechter in eerste aanleg kan, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 85, eerste lid. Wordt een zodanig verzoek toegewezen, dan kan de rechter tevens bepalen dat die echtgenoot niet meer verplicht is aan de andere echtgenoot overeenkomstig artikel 85, tweede lid, gelden ter beschikking te stellen.

  • 2 Een overeenkomstig dit artikel gegeven rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden op gelijke wijze als zij is tot stand gekomen, worden gewijzigd of opgeheven.

  • 3 De beschikking kan aan derden die van haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen.

  • 4 In de beschikking kan worden bepaald dat zij bovendien moet worden bekend gemaakt in een of meer door de rechter aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.

Artikel 88

  • 1 Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:

    • a. overeenkomsten strekkende tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten te zamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel daarvan behoren;

    • b. giften, met uitzondering van de gebruikelijke, van de niet bovenmatige en van die waarvoor tijdens zijn leven niets aan zijn vermogen wordt onttrokken;

    • c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt;

    • d. overeenkomsten van koop op afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken.

  • 2 De echtgenoot behoeft de toestemming niet, indien hij tot het verrichten der rechtshandeling is verplicht op grond van de wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling waarvoor die toestemming is verleend of niet was vereist.

  • 3 De toestemming moet schriftelijk worden verleend, indien een wettelijk voorschrift voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.

  • 4 Toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.

  • 5 Indien de andere echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de rechter in eerste aanleg worden ingeroepen.

Artikel 89

  • 1 Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 88, heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor een andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder trouw was.

  • 3 Het einde van het huwelijk en scheiding van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan. Indien de andere echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit die rechtshandeling wordt, geldt artikel 51, derde lid, van Boek 3 voor hem slechts zolang de termijn van artikel 52, eerste lid, van Boek 3 niet is verstreken.

  • 5 De echtgenoot die een beroep op de vernietingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.

Artikel 90

  • 1 Een echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap.

  • 2 Het bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de uitoefening, met uitsluiting van de andere echtgenoot, van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen de bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen.

  • 3 Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der goederen.

  • 4 De echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten.

Artikel 91

  • 1 Indien een echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de goederen der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate tekortschiet in het bestuur van de goederen der gemeenschap, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de andere echtgenoot aan deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De rechter kan bij de opdracht nadere regels stellen omtrent het bestuur en de vertegenwoordiging in de zin van het vierde lid.

  • 3 De rechter gelast de oproeping van beide echtgenoten en, zo de in het eerste lid eerstgenoemde echtgenoot een vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze.

  • 4 De echtgenoot aan wie het bestuur over goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.

Artikel 92

  • 1 Is aan een derde niet kenbaar wie van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, bevoegd achten.

  • 2 De echtgenoot die ten gevolge van een rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te goeder trouw in het bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de stoornis niet heeft verzet binnen een redelijke termijn nadat zij te zijner kennis is gekomen. De bevoegdheid van de echtgenoot tot beëindiging van de stoornis vervalt eveneens indien de derde hem een redelijke termijn heeft gesteld ter uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

  • 3 Aan een derde kan niet worden tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het huwelijk is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling of tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande gemeenschap, niet opeisbaar is.

Artikel 92a

Deze titel is niet van toepassing op van tafel en bed gescheiden echtgenoten.

Titel 7. De wettelijke gemeenschap van goederen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 93

Van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege algehele gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse voorwaarden niet is afgeweken.

Artikel 94

  • 1 De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met uitzondering van goederen die de echtgenoten tijdens het bestaan van de gemeenschap hebben verkregen door erfopvolging, making of gift. De gemeenschap omvat in geen geval goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

  • 2 Zij omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten.

  • 3 Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Artikel 95

  • 1 Voor een schuld van een echtgenoot, die in de gemeenschap is gevallen, kunnen zowel de goederen der gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.

  • 2 De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen der gemeenschap.

Artikel 96

  • 1 Ook voor een schuld van een echtgenoot, die niet in de gemeenschap is gevallen, kunnen de goederen der gemeenschap worden uitgewonnen, tenzij de andere echtgenoot eigen goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden.

  • 2 De echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap.

Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap

Artikel 97

  • 1 Een goed der gemeenschap staat onder het bestuur van de echtgenoot van wiens zijde het in de gemeenschap is gevallen, voor zover niet de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen of de rechter met toepassing van artikel 91 anders heeft bepaald. Een goed dat moet worden geacht in de plaats te treden van een bepaald ander goed, komt onder het bestuur van de echtgenoot die het vervangen goed bestuurde. Een goed dat op naam van een der echtgenoten is gesteld, staat evenwel onder diens bestuur. Elk der echtgenoten is bevoegd tot stuiting van verjaring ten behoeve van de gemeenschap.

  • 2 Is een goed der gemeenschap met toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur het stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te beschouwen, bij laatstgenoemde echtgenoot en voor het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de rechter in eerste aanleg kan de dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen beëindigen.

Artikel 98

De echtgenoten verstrekken elkander desgevraagd inlichtingen over het gevoerde bestuur, alsmede over de stand der goederen en schulden van de gemeenschap.

Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap

Artikel 99

  • 1 De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden:

    • a. door het eindigen van het huwelijk;

    • b. door scheiding van tafel en bed;

    • c. door een beschikking die de gemeenschap opheft;

    • d. door opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden.

  • 2 Te zamen met een verzoek waarvan toewijzing ontbinding tot gevolg zal hebben kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek 3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap, tot gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de verdeling, telkens voor het geval de gemeenschap wordt ontbonden.

Artikel 100

  • 1 De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

  • 2 Zij die bij de ontbinding van de gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.

Artikel 101

Na de ontbinding der gemeenschap heeft ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike strekkende kleren en kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.

Artikel 102

Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was.Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden.

Artikel 103

  • 1 Ieder der echtgenoten heeft het recht van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige overeenkomsten zijn nietig.

  • 2 Het deel der gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere echtgenoot.

  • 3 De echtgenoot die afstand heeft gedaan, kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn bed met bijbehorend beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs overnemen.

  • 4 Door deze afstand wordt hij ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was.

  • 5 Hij blijft aansprakelijk voor de schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap aansprakelijk was. Indien hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot.

  • 6 Indien de andere echtgenoot een schuld der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan. Heeft hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan.

Artikel 104

  • 1 De echtgenoot die van het in artikel 103 omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, op verbeurte van dit voorrecht.

  • 2 Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap door opheffing of door scheiding van tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 105

  • 1 De erfgenamen van een echtgenoot door wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in artikel 104 gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in dat artikel omschreven wijze afstand te doen binnen drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn geworden.

  • 2 De aanspraak van de echtgenoot tot terugvordering van zijn bed, beddegoed, en kleren uit de gemeenschap kan niet worden overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.

Artikel 106

De rechter in eerste aanleg van de zittingsplaats waar de akte van afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van bijzondere omstandigheden verlengen.

Artikel 107

  • 1 De echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg.

  • 2 Hij die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103, vierde lid, in te roepen.

Artikel 108

  • 1 Afstand van de gemeenschap, door een echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 103, tweede en derde lid, en verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen. De wetsbepalingen betreffende de vereffening van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien hij die tot vereffening van de gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de rekening en verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103, vierde lid, in te roepen.

  • 3 De termijn van drie maanden, genoemd in artikel 1062 van Boek 4, begint met de aanvang van de dag waarop hij aan artikel 104, eerste lid, heeft voldaan. De rechter in eerste aanleg kan de termijn op zijn verzoek op grond van bijzondere omstandigheden verlengen; deze verlenging kan ook na verloop van de termijn nog worden verzocht.

Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap bij beschikking

Artikel 109

Een echtgenoot kan opheffing van de gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.

Artikel 110

  • 1 Het verzoek moet in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, worden ingeschreven, en moet openlijk worden bekend gemaakt in een veelgelezen dagblad of in een dagblad, verschijnend in het openbaar lichaam waar de tot kennisneming van het verzoek bevoegde rechter zitting houdt. De bekendmaking vermeldt de datum van het verzoek en de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van ieder der echtgenoten. De beschikking mag niet worden gegeven binnen een maand nadat de bekendmaking heeft plaatsgehad.

Artikel 111

  • 1 De beschikking waarbij het verzoek tot opheffing van de gemeenschap is toegewezen, werkt terug tot de dag waarop aan artikel 110, eerste lid, is voldaan, vanaf welke dag de echtgenoten worden geacht te zijn gehuwd met uitsluiting van gemeenschap van goederen, onder al zodanige bedingen als de beschikking zal hebben vastgesteld.

  • 2 Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 3 Een op het tweede lid gegronde vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 112

  • 1 De opheffing van de gemeenschap moet, om tegen derden die daarvan onkundig waren, te werken, openlijk worden bekend gemaakt en, nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2 De bekendmaking geschiedt door plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant en in een of meer in de beschikking aangewezen dagbladen. Het uittreksel bevat de gegevens, bedoeld in artikel 110, eerste lid, alsmede de dagtekening van de beschikking en de aanduiding van de rechter in eerste aanleg die haar heeft gegeven. De gronden waarop de beschikking berust, mogen in het uittreksel niet worden opgenomen.

Artikel 113

Is de gemeenschap door opheffing ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.

Titel 8. Huwelijkse voorwaarden

Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het algemeen

Artikel 114

Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.

Artikel 115

  • 1 Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan.

  • 2 Een volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.

Artikel 116

  • 1 Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie van het gerecht in eerste aanleg binnen welks rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is aangegaan, ter griffie van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

  • 2 De wijze van inrichting en raadpleging van het register wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld.

Artikel 117

  • 1 Huwelijkse voorwaarden, vóór het huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben gegeven; is de toestemming van de rechter in eerste aanleg nodig, dan kan worden volstaan met vasthechting van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot toestemming van de rechter in eerste aanleg is artikel 39, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.

Artikel 118

  • 1 Na de huwelijksvoltrekking kunnen huwelijkse voorwaarden slechts gemaakt of gewijzigd worden, wanneer het huwelijk ten minste een jaar heeft bestaan.

  • 2 Een echtgenoot die onder curatele staat, kan hiertoe slechts met toestemming van zijn curator overgaan.

Artikel 119

  • 1 Het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk behoeft de goedkeuring van de rechter in eerste aanleg. Bij het verzoekschrift der echtgenoten wordt een ontwerp van de notariële akte overgelegd.

  • 2 De rechter kan, alvorens op het verzoek te beslissen, bevelen dat het in twee door hem aangewezen dagbladen wordt bekend gemaakt. In de bekendmaking moeten de door de rechter aangewezen dag en uur worden opgenomen, waarop schuldeisers zullen worden gehoord, en moet worden vermeld dat het ontwerp van de akte op de griffie ter inzage ligt.

  • 3 De goedkeuring wordt geweigerd, indien een redelijke grond voor het maken of wijzigen van de huwelijkse voorwaarden ontbreekt, of indien er gevaar voor benadeling van schuldeisers bestaat.

  • 4 Indien de akte niet is verleden binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking waarbij de goedkeuring is verleend, vervalt deze.

Artikel 120

  • 1 Tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is aangewezen.

  • 2 Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.

  • 3 De rechter kan bij de goedkeuring, bedoeld in artikel 119, bepalen dat de inschrijving moet worden bekend gemaakt in een of meer door hem aangewezen dagbladen en in de Staatscourant. In dat geval werken de ingeschreven bepalingen ten nadele van derden diedaarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.

Artikel 121

  • 1 Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de openbare orde strijden.

  • 2 Zij kunnen niet bepalen dat een hunner tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden, dan zijn aandeel in de goederen der gemeenschap beloopt.

  • 3 Zij kunnen niet afwijken van de rechten die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.

Artikel 122

Titel 7 is van toepassing, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk of door de aard der bedingen, bij de huwelijkse voorwaarden gemaakt, is afgeweken.

Artikel 130

Een echtgenoot kan tegen derden zijn aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, slechts bewijzen door hun vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden of in een door de partijen en de notaris ondertekende, aan de minuut van die akte vastgehechte beschrijving. Indien de vermelding van een goed geen afdoende omschrijving daarvan biedt, kan aanvullend bewijs door alle middelen worden geleverd; ten aanzien van goederen die een echtgenoot buiten diens weten opgekomen waren, kan het bewijs door alle middelen worden geleverd.

Artikel 131

  • 1 Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt, wanneer tussen hen een gemeenschap bestaat die dit goed kan omvatten; bestaat er geen zodanige gemeenschap, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.

  • 2 Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.

Afdeling 2. Giften bij huwelijkse voorwaarden

Artikel 146

  • 1 Echtgenoten of aanstaande echtgenoten mogen bij huwelijkse voorwaarden aan elkander, of een van beiden aan de andere, giften doen.

  • 2 Deze giften kunnen tot onderwerp hebben tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig omschreven goederen, of de gehele of gedeeltelijke nalatenschap; onder een gift van de gedeeltelijke nalatenschap is begrepen de gift van een of meer bepaalde goederen uit de nalatenschap.

  • 3 Deze giften kunnen slechts worden herroepen, wanneer de begiftigde in gebreke is de hem bij de gift opgelegde verplichtingen na te komen.

  • 4 Deze giften zijn van waarde zonder uitdrukkelijke aanneming door degene aan wie zij gedaan zijn.

  • 5 Zij kunnen plaatshebben onder voorwaarden welker uitvoering van de wil van de schenker afhangt.

  • 6 De giften van tegenwoordige en bepaaldelijk omschreven goederen zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van overleving van de begiftigde, tenzij die voorwaarde uitdrukkelijk mocht zijn gemaakt.

Artikel 147

  • 1 Giften van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap zijn slechts in dezelfde gevallen als andere giften in huwelijkse voorwaarden herroepelijk.

  • 2 De echtgenoot die zijn gehele of gedeeltelijke nalatenschap heeft weggeschonken, kan over de goederen, in die gift begrepen, niet om niet beschikken, behalve over geringe sommen tot beloning of om andere redenen door de rechter te beoordelen.

  • 3 Een gift van de gehele of gedeeltelijke nalatenschap strekt niet ten voordele van de kinderen of andere rechtverkrijgenden van de begiftigde echtgenoot, wanneer deze vóór of gelijktijdig met de schenker mocht overlijden.

Artikel 148

Bij de huwelijkse voorwaarden kunnen ook andere personen dan de echtgenoten aan dezen of aan een dezer giften doen, echter alleen van tegenwoordige en bij de akte nauwkeurig omschreven goederen. Op deze giften is artikel 146 van toepassing.

Titel 9. Ontbinding van het huwelijk

Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeen

Artikel 149

Het huwelijk eindigt:

  • a. door de dood;

  • b. op de dag die in de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, genoemd is als de dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden, ook indien bewezen wordt dat de vermiste op die dag nog in leven was;

  • c. door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2;

  • d. door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig titel 10, afdeling 2.

Afdeling 2. Echtscheiding

Artikel 150

  • 1 Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.

  • 2 Indien uit het huwelijk een of meer kinderen zijn geboren, die nog minderjarig zijn, kan echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten niet worden uitgesproken tegen de wil van de andere echtgenoot, tenzij de echtgenoten ten minste drie jaren onafgebroken duurzaam gescheiden hebben geleefd.

  • 3 De termijn van drie jaren kan door de rechter worden bekort, indien de andere achtgenoot zich heeft schuldig gemaakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.

Artikel 151

Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.

Artikel 153

  • 1 Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;

    • b. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.

Artikel 154

  • 1 Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.

  • 2 Ieder der echtgenoten is tot op het tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.

Artikel 157

  • 1 De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.

  • 2 Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden.

  • 3 De rechter kan op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan 12 jaar na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 4 Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van 12 jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 5 Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is, niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

  • 6 Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaar en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 158

Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 159

  • 1 Bij de overeenkomst kan worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden.

    Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.

  • 2 Het beding vervalt, indien de overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst is ingediend.

  • 3 Ondanks een zodanig beding kan op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

Artikel 160

Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd.

Artikel 163

  • 1 De echtscheiding komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

  • 2 De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van hen.

  • 3 Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

Artikel 164

  • 1 Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 2 Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking.

Artikel 165

  • 1 Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

  • 2 Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.

  • 3 Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.

Artikel 166

Indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen, herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling. Op het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden vóór het aangaan van het nieuwe huwelijk vindt artikel 119 overeenkomstige toepassing.

Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed

Artikel 168

Door scheiding van tafel en bed wordt de verplichting der echtgenoten tot samenwoning opgeheven.

Artikel 169

  • 1 Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.

  • 3 Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.

Artikel 173

  • 1 De scheiding van tafel en bed komt tot stand door inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2 De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van hen.

  • 3 Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

Artikel 174

  • 1 Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

  • 2 Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

Artikel 175

  • 1 Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot op het ogenblik dat de beschikking is ingeschreven een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden nadat de beschikking is ingeschreven, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

  • 2 Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.

  • 3 Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.

Artikel 176

Een scheiding van tafel en bed eindigt van rechtswege door de verzoening van de echtgenoten; deze doet alle gevolgen van het huwelijk herleven alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling.

Artikel 177

  • 1 De verzoening komt tot stand door de inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.

  • 2 De inschrijving geschiedt op gemeenschappelijk verzoek van partijen.

Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Artikel 179

  • 1 Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding ten minste drie jaren heeft geduurd.

  • 2 De termijn van drie jaren kan op verzoek van een echtgenoot worden b mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.

Artikel 180

  • 1 Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft ingediend, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;

    • b. indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, naar redelijkheid generlei verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.

Artikel 181

Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek uitgesproken.

Artikel 182

De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en met 160 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

Artikel 183

  • 1 De ontbinding van het huwelijk komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Titel 11. Afstamming

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 197

Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.

Artikel 198

Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.

Artikel 199

Vader van een kind is de man:

  • a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;

  • b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind;

  • c. die het kind heeft erkend;

  • d. ten aanzien van wie ten behoeve van het kind brieven van vaderschap zijn verleend;

    of

  • e. die het kind heeft geadopteerd.

Artikel 199a

De in deze titel gestelde termijnen kunnen door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 199b

Een ieder heeft het recht om voor zover mogelijk te weten van welke biologische ouders men afstamt.

Afdeling 2. Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap

Artikel 200

  • 1 Het in artikel 199, onderdeel a en b, bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend:

    • a. door de vader of de moeder van het kind;

    • b. door het kind zelf.

  • 2 De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man voor het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.

  • 3 De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.

  • 4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker.

  • 5 Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

  • 6 Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

Artikel 201

  • 1 Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.

  • 2 Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het kind het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker, binnen een jaar na die kennisneming.

Artikel 202

  • 1 Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

  • 2 Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

  • 3 Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Afdeling 3. Erkenning

Artikel 203

  • 1 Erkenning van een kind dat geen vader heeft kan geschieden:

    • a. bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;

    • b. bij elke notariële akte.

  • 2 De erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

Artikel 204

  • 1 De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

    • a. door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;

    • b. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;

    • c. indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder;

    • d. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder;

    • e. Na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan;

    • f. door een man tussen wie en het kind een leeftijdsverschil van minder dan zestien jaren bestaat, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is.

  • 2 De in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning.

  • 3 De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van het gerecht in eerste aanleg worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

Artikel 205

  • 1 Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij het gerecht in eerste aanleg worden ingediend:

    • a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

    • b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

    • c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

  • 2 Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning vorderen.

  • 3 In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

  • 4 Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is.

    Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

  • 5 Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

    Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 206

  • 1 Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.

  • 2 Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.

  • 3 Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene.Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Afdeling 4. Brieven van vaderschap

Artikel 207

  • 1 Indien de man die, kennis dragende van de zwangerschap van de moeder, voornemens was het kind te erkennen of vóór de geboorte met de moeder te huwen, vóór of kort na de geboorte van het kind is overleden zonder het te hebben erkend, kunnen aan de Minister van Justitie brieven van vaderschap worden ver- zocht. Het verzoek kan zowel door de moeder als door het kind worden gedaan.

  • 2 De vaststelling van het vaderschap, vervat in de brieven van vaderschap, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

Artikel 208

Over het verzoek om brieven van vaderschap wint de Minister van Justitie het advies in van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit hoort, zo mogelijk, bloedverwanten van de man en van de moeder of doet hen horen; het kan ook bevelen dat het verzoek in door hem aan te wijzen dagbladen wordt bekend gemaakt.

Afdeling 5. Inroeping of betwisting van staat

Artikel 209

Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.

Artikel 210

Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.

Artikel 211

  • 1 Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan worden ingediend:

    • a. door het kind zelf;

    • b. door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren nadien is overleden.

  • 2 Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voortzetten.

Afdeling 6. De bijzondere curator

Artikel 212

In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door het gerecht in eerste aanleg dat over de zaak beslist. Ook de voogdijraad kan tot bijzondere curator worden benoemd.

Titel 12. Adoptie

Afdeling 1. Adoptie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Artikel 227

  • 1 Adoptie geschiedt door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van twee personen van verschillend geslacht tezamen of op verzoek van één persoon alleen.

  • 2 Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.

  • 3 Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft, en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan.

  • 4 Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.

  • 5 In zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte op te treden.

Artikel 228

  • 1 Voorwaarden voor adoptie zijn:

    • a. dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

    • b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;

    • c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste zestien jaren ouder dan het kind is;

    • d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

    • e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

    • f. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen het gezag heeft.

  • 2 Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan:

    • a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of

    • b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of

    • c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht BES.

Artikel 229

  • 1 Door adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.

  • 2 Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.

  • 3 In afwijking van het tweede lid blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot van die ouder of de levensgezel van die ouder van verschillend geslacht het kind adopteert.

  • 4 Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan het gerecht in eerste aanleg bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 230

  • 1 De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

  • 2 De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken dat de rechter de door artikel 228 gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.

Artikel 231

  • 1 De adoptie kan door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.

  • 2 Het verzoek tot herroeping wordt door de geadopteerde bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met de adoptie. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk vijf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

  • 3 De in het tweede lid gestelde termijn kan door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 232

  • 1 Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.

  • 2 De familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.

  • 3 Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. In het Europese deel van Nederland uitgesproken adopties

Artikel 232aa

Een in het Europese deel van Nederland uitgesproken adoptie heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de rechtsgevolgen die het Europees Nederlandse burgerlijk recht aan de adoptie verbindt, ongeacht de wettelijke regelingen en voorschriften die van toepassing zijn in deze lichamen.

Titel 12a. Interlandelijke adoptie

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 232a

In deze Titel wordt verstaan onder:

  • a. het verdrag: het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197);

  • b. de centrale autoriteit van de staat van herkomst: de in de staat van herkomst van het kind aangewezen centrale autoriteit dan wel de overheidsinstantie, de vergunninghoudende instelling of andere persoon of instelling aan wie in die staat bepaalde taken van de centrale autoriteit zijn opgedragen;

  • c. adoptie: een interlandelijke adoptie op verzoek van de in artikel 1:227, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES genoemde personen;

  • d. Onze Minister: de Minister van Justitie.

Hoofdstuk 2. Taak en bevoegdheden van de centrale autoriteit en de vergunninghoudende instelling

Artikel 232b

  • 1 Onze Minister wordt voor de openbare lichamen aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 6 van het verdrag. Bij in de Staatscourant openbaar te maken besluit wijst hij de onder zijn ministerie ressorterende dienst, diensten of vertegenwoordigers op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan, die aldaar wordt of worden belast met de taak van centrale autoriteit.

  • 2 De centrale autoriteit is belast met de in het verdrag omschreven taken van de centrale autoriteit, voor zover deze niet bij wet aan andere autoriteiten of instellingen zijn opgedragen.

Artikel 232c

  • 1 De centrale autoriteit is bevoegd, zonodig ook zonder uitdrukkelijke volmacht van degene die zich met een verzoek tot haar heeft gewend, zowel in als buiten rechte ter uitvoering van haar taak namens hem op te treden.

  • 2 De centrale autoriteit behoeft, indien zij in rechte optreedt, niet de bijstand van een advocaat, tenzij de rechtsingang aanvangt met een dagvaarding.

  • 3 De centrale autoriteit draagt zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar taak zijn verbonden, voor zover deze niet door haar teruggevorderd kunnen worden van de verzoeker.

Artikel 232d

  • 1 De centrale autoriteit verleent de voogdijraad op diens verzoek machtiging als bedoeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie om in een andere staat die partij is bij het verdrag, of in een bepaald gebiedsdeel van die staat, op te treden. De machtiging wordt slechts verleend indien een eensluidende machtiging van de bevoegde autoriteit van die andere staat is verkregen.

Hoofdstuk 3. Procedure in geval van interlandelijke adoptie door personen die hun gewone verblijfplaats in een openbaar lichaam hebben

Artikel 232e

Personen die hun gewone verblijfplaats in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba hebben en die een kind wensen te adopteren dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere staat die partij is bij het verdrag, behoeven daartoe een beginseltoestemming van Onze Minister.

Artikel 232f

  • 1 Het rapport, bedoeld in artikel 15 van het verdrag, wordt door de vergunninghouder wiens bemiddeling door de aspirant-adoptiefouders is ingeroepen – in deze Titel verder aan te duiden als ‘de vergunninghouder’ – samengesteld en toegezonden aan de centrale autoriteit van de staat van herkomst, onder mededeling dat bij de binnenkomst van het kind in een openbaar lichaam moet zijn voldaan aan de voorwaarde van artikel 8, onder a, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.

  • 2 Ingeval de adoptie in de staat van herkomst wordt uitgesproken en deze adoptie niet tot gevolg zal hebben dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, roept de vergunninghouder de tussenkomst van de centrale autoriteit van de staat van herkomst in met het oog op de verkrijging van de in artikel 4, onder c en d, van het verdrag bedoelde toestemmingen voor de omzetting van de adoptie in een adoptie naar deze wet.

Artikel 232g

  • 1 Het rapport, bedoeld in artikel 16 van het verdrag, wordt door de vergunninghouder in ontvangst genomen.

  • 2 Naar aanleiding van het in het eerste lid bedoelde rapport brengt de vergunninghouder schriftelijk, met redenen omkleed, advies uit aan de centrale autoriteit over de vraag of tegen de toevertrouwing van het kind aan de aspirant-adoptiefouders bedenkingen bestaan en of de adoptie voortgang mag vinden. Een afschrift van het advies doet hij aan de aspirant-adoptiefouders toekomen.

  • 3 Na ontvangst van het advies besluit de centrale autoriteit of tegen de toevertrouwing van het kind aan de aspirant-adoptiefouders bedenkingen bestaan en of de adoptie voortgang mag vinden. Aan haar besluit kan zij voorwaarden verbinden. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit aan de aspirant-adoptiefouders wordt van het besluit mededeling gedaan aan de vergunninghouder.

Artikel 232h

Met het oog op de in de staat van herkomst te nemen beslissing om het kind aan de zorg van de aspirant-adoptiefouders toe te vertrouwen, deelt de vergunninghouder de centrale autoriteit van die staat schriftelijk mede dat tegen deze toevertrouwing geen bedenkingen bestaan en dat de adoptie voortgang mag vinden. De mededeling gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de aspirant-adoptiefouders, dat zij ermee instemmen dat het kind aan hun zorg wordt toevertrouwd, en een schriftelijke verklaring van Onze Minister dat het kind voor een permanent verblijfsrecht in aanmerking komt.

Artikel 232i

De overbrenging van het kind naar een openbaar lichaam mag slechts plaatsvinden indien de vergunninghouder van de centrale autoriteit van de staat van herkomst de mededeling heeft ontvangen dat deze de in artikel 232h van dit Boek bedoelde verklaringen heeft ontvangen en dat zij ermee instemt dat de adoptie voortgang vindt.

Artikel 232j

De verklaring, bedoeld in artikel 23 van het verdrag, wordt op verzoek afgegeven door de griffier van het rechterlijk college dat de adoptie heeft uitgesproken, nadat twee maanden sinds de uitspraak in eerste aanleg of in hoger beroep zijn verstreken zonder dat hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld. Is beroep in cassatie ingesteld, dan kan de verklaring worden afgegeven na de uitspraak in cassatie. Zij wordt slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Voor de verklaring wordt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen formulier gebruikt.

Artikel 232k

  • 1 Ingeval een in de staat van herkomst in overeenstemming met het verdrag tot stand gekomen adoptie door personen die hun gewone verblijfplaats in een openbaar lichaam hebben, niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, ziet de vergunninghouder erop toe dat in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba een verzoek tot omzetting in een adoptie naar deze wet wordt ingediend.

  • 2 Het verzoek wordt toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op de dag van de indiening ervan is voldaan aan artikel 228, eerste lid, onder a en d, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. De omzetting heeft de gevolgen, bedoeld in de artikelen 229 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES.

  • 3 Van de omzetting wordt een verklaring afgegeven overeenkomstig artikel 232j van dit Boek.

Hoofdstuk 4. Procedure in geval van interlandelijke adoptie van een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een openbaar lichaam heeft

Artikel 232l

  • 1 In geval van interlandelijke adoptie van een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een openbaar lichaam heeft door echtgenoten of een persoon die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere staat die partij is bij het verdrag, stelt de centrale autoriteit het in artikel 16 van het verdrag bedoelde rapport omtrent het kind op. Zij wint daartoe het advies in van de voogdijraad. Zij doet zich de op grond van artikel 4 van het verdrag vereiste toestemmingen door tussenkomst van de voogdijraad toekomen op bij regeling van Onze Minister vast te stellen formulieren. Zij bepaalt of met de voorgenomen plaatsing het hoogste belang van het kind is gediend.

  • 2 De centrale autoriteit doet het in het eerste lid bedoelde rapport, alsmede de in artikel 16, tweede lid, van het verdrag bedoelde bescheiden toekomen aan de centrale autoriteit van de staat van opvang.

Artikel 232m

  • 1 De overbrenging van het kind naar de staat van opvang mag slechts plaatsvinden nadat een der aspirant-adoptiefouders bij een in een openbaar lichaam gegeven rechterlijke beschikking tot voogd van het kind is benoemd.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde beschikking wordt eerst gegeven nadat:

    • a. de centrale autoriteit door tussenkomst van de centrale autoriteit van de staat van opvang een schriftelijke verklaring van de aspirant-adoptiefouders heeft ontvangen, dat zij ermee instemmen dat het kind aan hun zorg wordt toevertrouwd;

    • b. de centrale autoriteit van de staat van opvang met deze beslissing heeft ingestemd, ingeval een zodanige instemming vereist is;

    • c. de centrale autoriteit van de staat van opvang schriftelijk heeft verklaard dat zij ermee instemt dat de adoptie voortgang vindt, en

    • d. door de centrale autoriteit bescheiden zijn ontvangen waaruit blijkt dat overeenkomstig artikel 5 van het verdrag door de bevoegde autoriteiten van de staat van opvang is vastgesteld dat de aspirant-adoptiefouders aan de vereisten van adoptie voldoen en daartoe geschikt zijn en dat het kind vergunning heeft of zal verkrijgen de staat van opvang binnen te komen en een permanent verblijfsrecht in de staat van opvang heeft of zal verkrijgen.

Hoofdstuk 5. Toepassing Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

Artikel 232n

  • 3 Tegen een besluit van Onze Minister is bezwaar mogelijk overeenkomstig de Wet administratieve rechtspraak BES. Onverminderd de bevoegdheid van de rechter in kort geding, is beroep mogelijk bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Tegen een beslissing van dit Gerecht in eerste aanleg kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 232o