Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Mijnbesluit BES

Geldend van 10-10-2010 t/m heden

Mijnbesluit BES

Titel I. Algemeene bepalingen.

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 1a

Waar in dit besluit zonder nadere aanduiding artikelen worden genoemd, worden artikelen van dit besluit zelf bedoeld.

Artikel 1b

Dit besluit berust op artikel 1a, zesde lid, van de Mijnwet BES.

Artikel 2

In dit besluit wordt onder opsporing verstaan opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardsche mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze.

Dit besluit kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte.

Artikel 3

In dit besluit wordt verstaan:

  • a. onder rechthebbende op den grond degene, die een zakelijk recht daarop heeft;

  • b. onder derde belanghebbende degene, wiens uit een persoonlijk recht voortvloeiend belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad.

Artikel 4

Onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in dit besluit in het bijzonder is bepaald, gelden de aan opspoorders toegekende rechten en opgelegde verplichtingen, ook die nopens de wijze van uitoefening van hun bedrijf mede voor ontdekkers die ingevolge art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten.

Artikel 5

Waar in dit besluit gesproken wordt van «door Onze Minister» wordt daarmede ook bedoeld «vanwege Onze Minister».

Titel II. Voorschriften tot uitvoering van art.1a, derde en zesde lid der Mijnwet BES.

Hoofdstuk I. Over de vereischten waaraan aanvragers en houders van vergunning tot opsporing moeten voldoen.

Artikel 6

  • 1 Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel moet elk schriftelijk verzoek om vergunning tot het doen van opsporingen vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de aanvrager voldoet aan de in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 2 Zoolang door een aanvrager de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met eene mededeeling bij welke verzoek die bescheiden zijn gevoegd.

Artikel 7

  • 1 De aanvrager van eene vergunning tot opsporing moet domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het onderzoeksterrein is gelegen, in het schriftelijk verzoek om vergunning.

  • 2 Bij het kiezen van domicilie moet uitdrukkelijk worden verklaard dat dit geschiedt voor den duur der vergunning en voor al wat daarop betrekking heeft.

  • 3 Het door den aanvrager gekozen domicilie gaat bij overdracht en bij overlijden van den wettige houder eener vergunning over op den verkrijger der vergunning.

Artikel 8

Vertegenwoordigers als bedoeld in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – moeten bij authentieke akte zijn aangesteld.

Artikel 9

Ingeval van overlijden van den wettigen houder eener vergunning zijn diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.

Artikel 10

  • 1 Bij overlijden van den wettigen houder eener vergunning moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtsverkrijgenden, als er twee of meer zijn, binnen een bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.

  • 2 Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder eener vergunning zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.

Artikel 11

  • 1 Wanneer rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener vergunning, die niet voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, ingevolge het derde lid van dat artikel hunne uit de vergunning voorvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen, moet bij het verzoek om toestemming tot die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overlegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.

  • 2 Met betrekking tot overdrachten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gelden overigens de artt.54–59.

Artikel 12

Het verzoek om toestemming tot elke andere overdracht van eene vergunning dan bedoeld in art.11 moet eveneens, behalve van de overige gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.

Artikel 13

  • 1 Van elke verandering in het bestuur – commissarissen daaronder begrepen – van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders zijn van vergunningen of welke andere naamlooze vennootschappen, houders van vergunningen, besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan Onze Minister.

  • 2 In de kennisgeving moet worden opgegeven:

    • a. de nationaliteit van den nieuwe bestuurder of commissaris;

    • b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • c. waar hij woonachtig is.

  • 3 Onze Minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bescheiden worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen, éénmaal worden verlengd.

  • 4 Het bovenstaande geldt eveneens voor verandering in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van vergunningen of die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van vergunningen zijn.

Artikel 14

  • 1 Van elk optreden van een nieuwen vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van art.5 der Mijnwet BES, moet binnen één maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door den houder der vergunning worden kennis gegeven aan Onze Minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld.

  • 2 Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor de tijdelijk vervangende en waarnemende vertegenwoordigers.

Artikel 15

  • 1 Bij de behandeling van een verzoek om vergunning en een verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning, overeenkomstig de artt. 33 en 34, wordt indien overigens tegen het verzoek geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 2 In het geval genoemd in art.9 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden vergunninghouder voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 3 In de gevallen genoemd in de artt.13 en 14 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder der vergunning nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 4 Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij art. 34.

Artikel 16

  • 1 In elk geval dat een persoon of een vennootschap, welke in verband met het verkrijgen van eene vergunning tot opsporing aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten moet voldoen, naar het oordeel van Onze Minister daaraan niet voldoet, wordt dit aan den belanghebbende of de belanghebbenden bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt geteekend.

  • 2 Bij die beschikking wordt tegelijkertijd het verzoek om vergunning of het verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning afgewezen, dan wel aangeteekend dat de uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder zijn overgegaan, omdat zij niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 3 Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 17

  • 1 In elk geval dat de houder eener vergunning naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen, wordt dit aan den belanghebbende te kennen gegeven bij eene met redenen omkleede beschikking welke ten spoedigste aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt medegedeeld.

  • 2 Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk II. Over de vereischten waaraan de houders van het recht op concessie en van concessiën tot ontginning moeten voldoen

Artikel 18

  • 1 Behoudens het bepaalde bij het derde lid van dit artikel moet het verzoekschrift waarbij aanspraken op eene concessie worden geldend gemaakt, behalve van de overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verzoeker voldoet aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 2 Bij het kiezen van domicilie in het verzoekschrift, moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat dit geschiedt voor den duur der concessie en voor al wat daarop betrekking heeft. Het gekozen domicilie gaat bij overdracht van het recht op concessie, dan wel van de concessie en bij overlijden van den wettigen houder van het recht op concessie dan wel van de concessie over op den verkrijger.

  • 3 Zoolang door een aanvrager de bescheiden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met de overlegging van afschriften dier bescheiden onder mededeeling bij welk verzoek de origineele stukken zijn gevoegd.

Artikel 19

  • 1 In geval van overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie zijn diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.

  • 2 Wanneer rechtverkrijgenden van een overledenen wettigen houder van het recht op eene concessie, die niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, hun recht wenschen over te dragen, moeten bij het verzoek tot goedkeuring van die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overgelegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet. Het verzoek tot goedkeuring van deze overdracht moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.

Artikel 20

Het bepaalde bij art.19 geldt eveneens in geval van overlijden van den wettigen houder van eene concessie voor diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, zoomede voor rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener concessie, die niet voldoen aan de gestelde vereischten en hunne uit de concessie voortvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen.

Artikel 21

Afgescheiden van het bepaalde bij de artt. 19 en 20 is bij elke andere overdracht van het recht op concessie of van eene concessie de verkrijger verplicht Onze Minister door bescheiden aan te toonen, dat hij voldoet aan de art.5 van de Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.

Artikel 22

Het bepaalde bij art.8 geldt eveneens voor de aanstelling van vertegenwoordigers – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – van niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde houders van het recht op concessie en van concessiën.

Artikel 23

  • 1 Bij overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie of van eene concessie moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende, als er twee of meer zijn, binnen een voor elk geval door Onze Minister te stellen bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.

  • 2 Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op eene concessie of van eene concessie zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen de tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.

Artikel 24

  • 1 Van elke verandering in het bestuur – commissarissen daaronder begrepen – van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders zijn van het recht op concessie of van concessies of welke andere naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, houders van het recht op concessie of van concessiën besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan Onze Minister.

  • 2 In de kennisgeving moet worden opgegeven:

    • a. de nationaliteit van den nieuwen bestuurder of commissaris;

    • b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • c. waar hij woonachtig is.

  • 3 Onze Minister is bevoegd om te alle tijden te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bewijzen worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal worden verlengd.

  • 4 Het bovenstaande geldt eveneens voor veranderingen in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van het recht op concessie of van concessiën dan wel die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van het recht op concessie of van concessiën zijn.

Artikel 25

  • 1 Van elk optreden van een nieuwen vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES, moet binnen ééne maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door den houder van het recht op concessie of van eene of meer concessiën, worden kennis gegeven aan Onze Minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld.

  • 2 Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor tijdelijk vervangende of waarnemende vertegenwoordigers.

Artikel 26

  • 1 Bij de behandeling van een aanvrage om concessie en van een verzoek om goedkeuring tot overdracht van het recht op concessie of van eene concessie wordt, indien overigens tegen het verleenen van de concessie of de goedkeuring, voor zoover die wordt vereischt, geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 2 In de gevallen genoemd in de artt.19 en 20 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie dan wel van eene concessie voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 3 In de gevallen genoemd in artt. 24 en 25 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder van het recht op concessie of van eene concessie nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

  • 5 In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt aan belanghebbenden, indien zij naar het oordeel van Onze Minister aan de gestelde vereischten voldoen, daarvan mededeeling gedaan.

Artikel 27

  • 1 In elk geval dat een persoon of een vennootschap, welke in verband met het verkrijgen van het recht op concessie of van eene concessie aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten moet voldoen, naar het oordeel van Onze Minister daaraan niet voldoet, zoomede in elk geval dat de houder van het recht op eene concessie of van eene concessie naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan die gestelde vereischten te voldoen, wordt dit aan den belanghebbende te kennen gegeven bij met redenen omkleede beschikking.

  • 2 Deze beschikking wordt van wege Onze Minister aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld.

  • 3 De beschikking wordt in de Staatscourant bij uitreksel aangekondigd.

Hoofdstuk III. Over de vergunningen tot opsporing.

Artikel 28

  • 1 Recht tot opsporing wordt verkregen door schriftelijke vergunning.

  • 2 Het schriftelijk verzoek om vergunning moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend bij Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.

  • 3 Verzoeken om vergunning per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.

  • 4 Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.

Artikel 29

  • 1 Verzoeken om vergunning kunnen ook worden gedaan door een door den aanvrager daartoe bij authentieke of onderhandsche akte aangestelden bijzonderen gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoekschrift worden overlegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor den lastgever op de voorgeschreven wijze domicilie te kiezen.

  • 2 Zoolang een volmacht, welke is overlegd bij een verzoekschrift om vergunning, nog niet door de gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor denzelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welk verzoek de origineele akte is overlegd.

  • 3 Machtiging tot het aanvragen van vergunningen kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in art.8 bedoelde authentieke akte, waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.

Artikel 30

  • 1 Elk schriftelijk verzoek om vergunning mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt en moet behalve van de overigens gevorderde stukken in elk geval vergezeld gaan van een kaart of schetsteekening van het in het verzoekschrift zoo nauwkeurig mogelijk aan te duiden terrein.

  • 2 In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd, en woonplaats zoomede het beroep van den aanvrager worden vermeld.

  • 3 [vervallen]

Artikel 31

  • 1 Het aangeven van de grensomschrijving der aangevraagde terreinen in de verzoekschriften om vergunning moet zoo nauwkeurig mogelijk geschieden.

  • 2 De hoekpunten van een aangevraagd terrein moeten in het algemeen zoo worden gekozen dat ten minste één daarvan òf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt op eenvoudige wijze bepaald is.

  • 3 De verbindingslijnen der hoekpunten moeten bestaan uit rechte lijnen of goed waarneembare natuurlijke grenzen dan wel uit grenzen tusschen districten en plantages, voor zoover die grenzen officieel zijn vastgesteld. Meridianen en parallellen, zoomede lijnen die daarmede een aangegeven hoek vormen, mogen alleen als grenzen worden gebezigd indien zij zijn bepaald door in de nabijheid gelegen vaste punten.

Artikel 32

Verzoeken om vergunning welke niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereischten voldoen, worden op dien grond afgewezen en mogen niet aan de aanvragers ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden; kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, welke in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending aan de aanvragers ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren op zich zelf geen bezwaar op tegen het verleenen van vergunning.

Artikel 33

  • 1 Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig door Onze Minister ontvangen aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend.

  • 2 Onder aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.

  • 3 Omtrent de voorkeur van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende aanvragen voor zoover zij voor eene gunstige beschikking in aanmerking kunnen komen wordt door het lot beslist. De loting heeft plaats op de door Onze Minister te bepalen wijze. Van den uitslag der loting wordt proces-verbaal opgemaakt. Aan belanghebbenden wordt op hun verlangen door Onze Minister van het proces-verbaal inzage verleend.

  • 4 Wanneer een aanvrage welke ingevolge het bepaalde bij dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de aanvrage welke bij de loting het volgend nummer heeft getrokken.

  • 5 Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte kan slechts vergunning worden verleend nadat daarvoor een nieuwe aanvrage is ingediend.

Artikel 34

Nadat Onze Minister een verzoek om vergunning met de daarop betrekkelijke stukken heeft ontvangen en nadat overeenkomstig art.33 omtrent de voorkeur is beslist, wordt de aanvrage ten spoedigste bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 35

  • 1 Eene vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporing wordt slechts verleend aan één persoon of ééne vennootschap.

  • 2 Vergunning tot opsporing worden niet verleend aan:

    • a. Minderjarigen;

    • b. Onder curateele gestelden;

    • c. Personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van vergunningen zijn uitgesloten;

    • d. Naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het bedrijven van mijnbouw niet behoort.

Artikel 36

  • 1 Aanvragen om vergunning ingediend voor terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zoolang dezen ingevolge die vergunning eene afspraak op concessie geldend kunnen maken, worden afgewezen. Voor zoodanige terreinen kunnen eerst geldige aanvragen worden ingediend nadat de daarvoor verleende vergunning is vervallen of ingetrokken.

  • 2 Het bepaalde bij het vorige lid is ook toepasselijk op aanvragen voor terreinen, waarvan een gedeelte behoort tot het onderzoekingsterrein van een ander.

Artikel 37

Bij overlijden van een aanvrager vervalt zijne aanvrage; zijne rechtverkrijgenden kunnen aan zijne aanvrage geene rechten of aanspraken ontleenen.

Artikel 38

  • 1 De beschikking waarbij vergunning verleend wordt moet behelzen:

    • a. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den houder der vergunning;

    • b. de oppervlakte van het onderzoekingsterrein, uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;

    • c. de grenzen van het onderzoekingsterrein;

    • d. den duur der vergunning;

    • e. den naam van het eiland en het district, waarbinnen het onderzoekingsterrein is gelegen;

    • f. het gekozen domicilie;

    • g. de voorwaarden, welke aan de vergunning zijn verbonden, in elk geval de voorwaarde genoemd in het tweede lid van art. 141;

    • h. het bedrag van het door den houder der vergunning verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop het bedrag uiterlijk over het eerste vergunningsjaar en verder telken jare over volgende vergunningsjaren moet worden voldaan;

    • i. den datum.

  • 2 Voorts moet in de beschikking worden melding gemaakt van:

    • a. de bezwaren die door rechthebbende op den grond of derde belanghebbenden mochten zijn ingebracht en de dienaangaande genomen beslissing; indien geen bezwaren zijn ingebracht, wordt zulks uitdrukkelijk in de beschikking vermeld.

    • b. de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bedoeld in het tweede lid van art.250.

Artikel 39

Wanneer de juiste oppervlakte van een onderzoekingsterrein niet met de zekerheid kan worden berekend, kan worden volstaan met eene schatting tenzij de aanvrager meting van het terrein op zijne kosten verlangt.

Artikel 40

  • 1 Van de beschikking waarbij vergunning verleend is, wordt zoo spoedig mogelijk een authentiek en volledig afschrift uitgereikt aan den houder der vergunning of, zoo de houder der vergunning niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gevestigd, aan diens vertegenwoordiger aldaar.

  • 2 De verleende vergunning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant; in die bekendmaking wordt de grensomschrijving van het afgestane onderzoekingsterrein vermeld.

  • 3 [vervallen]

Artikel 41

  • 1 Ingeval het in het eerste lid van art.40 bedoeld afschrift van de vergunningsbeschikking wegens het onbekend zijn van het adres van den houder der vergunning (of van diens gemachtigde) dan wel van den vertegenwoordiger, niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is kunnen worden uitgereikt, wordt dit aangeteekend. De vergunning wordt alsdan geacht niet te zijn verleend; er kunnen derhalve geene rechten aan worden ontleend.

  • 2 De bepaling van het vorig lid is mede van toepassing wanneer het voor het afschrift van de vergunningsbeschikking verschuldigde zegelgeld niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is voldaan.

  • 3 Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.

Artikel 42

  • 1 Wanneer eene vergunning is verleend aan een aanvrager die op het tijdstip der verleening reeds was overleden, terwijl Onze Minister onkundig was dat overlijden, wordt de vergunning geacht niet te zijn verleend, zoodat de rechtverkrijgenden van den overleden aanvrager aan zoodanige vergunning geene rechten kunnen ontleenen. Hiervan moet aanteekening geschieden.

  • 2 Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikking is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.

Artikel 43

  • 1 De beschikking van Onze Minister waarbij een verzoek om vergunning wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. Behoudens het bepaalde bij art.16 wordt van de beschikking aan den belanghebbende kosteloos een volledig afschrift uitgereikt.

  • 2 Van de in het vorig lid genoemde beschikking wordt een volledig afschrift bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 44

  • 1 Onze Minister is bevoegd naar aanleiding van nader verkregen gegevens nopens de grenzen en de oppervlakte van het onderzoekingsterrein of in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen van districten en plantages, na het verleenen van de vergunning bij een nadere beschikking de aanvankelijk in de vergunningsbeschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het onderzoekingsterrein te wijzigen. Hij is tot die wijziging verplicht wanneer de houder der vergunning meting van het terrein op zijne kosten verlangt en de meting eene andere oppervlakte aangeeft dan aanvankelijk in de vergunningsbeschikking was opgenomen.

  • 2 Op de in het vorig lid bedoeld beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.40.

Artikel 45

  • 1 Met de opsporing moet binnen den tijd van één jaar na den datum, waarop de vergunning verleend is, een aanvang zijn gemaakt.

  • 2 Uiterlijk eene maand na het verstrijken van den in het eerste lid van dit artikel genoemden termijn moet de houder der vergunning of zijn vertegenwoordiger dan wel hij, die overeenkomstig het bepaalde bij art.168 met de plaatselijke leiding is belast, de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schriftelijk in kennis stellen met den aard der op het onderzoeksterrein verrichte werkzaamheden en met hetgeen overigens is verricht, zoomede met den tijd waarop en, voor zooveel de werkzaamheden op het terrein betreft, met de plaats alwaar de werkzaamheden zijn verricht en uitgevoerd.

  • 3 Na ontvangst van de in het eerste lid genoemde schriftelijke kennisgeving gaat de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba na of hetgeen is verricht als een begin van opsporing kan worden beschouwd, nadat zoo noodig op hun last een plaatselijk onderzoek is ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt.

  • 4 Als datum van indiening der kennisgeving, geldt die van het daarvoor kosteloos afgegeven, gedagteekend ontvangbewijs.

  • 5 De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zendt de schriftelijke kennisgeving ten spoedigste door aan Onze Minister, vergezeld van zijn advies en, indien een plaatselijk onderzoek is ingesteld, van het opgemaakt proces-verbaal.

Artikel 46

Indien door Onze Minister wordt beslist, dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt of, indien geen schriftelijke kennisgeving bedoeld in het tweede lid van art. 45 is ingediend, wordt overeenkomstig de artt. 61 en 62 de vergunning ingetrokken.

Artikel 47

  • 1 Het schriftelijk verzoek om verlening van eene vergunning moet door den houder of zijn vertegenwoordiger in twee eensluidende gezegelde exemplaren worden ingediend aan Onze Minister en wel binnen drie maanden vóór het verstrijken van den vergunningstermijn, waarvan de verlenging wordt gevraagd. Met de exemplaren van het verzoek wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij het vierde lid van artikel 1a van de Mijnwet BES in verband met het tweede en vierde lid van art.28 van dit besluit. Verzoeken om verlenging ingediend nà, of langer dan drie maanden vóór, het verstrijken van den vergunningstermijn worden onvoorwaardelijk afgewezen.

  • 2 Het verzoek kan worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoek worden overgelegd. Het bepaalde bij het tweede en derde lid van art.29 is ten deze toepasselijk.

  • 3 Het verzoek om verlenging mag, evenals de beschikking waarbij de verlenging wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.

  • 4 De verlengde vergunningstermijn gaat in met den dag volgende op dien waarop de termijn, waarvan de verlenging wordt verleend, eindigt of inmiddels reeds is geëindigd.

  • 5 In afwachting van de beschikking op een verzoek om verlenging mogen de werkzaamheden op het onderzoekingsterrein voortgezet.

  • 6 Bij overlijden van den houder eener vergunning die een verzoek om verlenging heeft ingediend, waarop alsdan nog niet is beschikt, kan de verlenging aan de rechtverkrijgenden worden verleend.

Artikel 48

  • 1 Het verzoek om verlenging wordt afgewezen indien niet is aangetoond, dat de houder der vergunning diligent is geweest.

  • 2 Het verzoek om verlenging wordt mede afgewezen indien door den houder der vergunning niet door aanbieding van kwitantiën is aangetoond, of indien niet op andere wijze aan Onze Minister is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

  • 3 Onder diligentie wordt verstaan, dat van de vergunning ernstig gebruik is gemaakt, in dien zin, dat de werkzaamheden op het terrein zoo regelmatig mogelijk zijn voortgezet en alleen door omstandigheden onafhankelijk van den wil van den houder der vergunning nog niet tot zoodanig resultaat hebben geleid, dat op grond daarvan eene aanspraak op concessie geldend gemaakt kan worden.

  • 4 Teneinde te kunnen beoordeelen of de houder der vergunning diligent is geweest, moet bij het verzoek om verlenging – voor de eerste maal – worden overgelegd een zakelijk verslag nopens de werkzaamheden welke gedurende en na afloop van het eerste jaar van den vergunningstermijn op het onderzoekingsterrein hebben plaats gehad, nopens hetgeen overigens is verricht, met vermelding van de resultaten dier werkzaamheden en verrichtingen. Een verzoek om verlenging waarbij geen verslag is overgelegd wordt dadelijk afgewezen.

Artikel 49

  • 1 Bij het verzoek om verlenging voor de tweede maal moet worden overgelegd een verslag betreffende de werkzaamheden en verrichtingen gedurende het jaar, waarvoor de vergunning voor de eerste maal werd verlengd.

  • 2 Overigens geldt het bepaalde bij de artt.47 4n 48 eveneens ten aanzien van verlenging voor de tweede maal.

Artikel 50

De ingevolge de artt.48 en 49 ingediende verslagen worden niet aan de houders der vergunning teruggezonden, maar blijven berusten bij Onze Minister.

Artikel 51

Op de beschikkingen houdende verlenging van den vergunningstermijn is van toepassing het bepaalde bij art.40.

Artikel 52

  • 1 De beschikking waarbij een verzoek om verlenging van den vergunningstermijn wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

  • 2 Op die beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.43.

Artikel 53

Wanneer een vergunning door tijdsverloop is vervallen of is ingetrokken, mag aan hen die houders dier vergunning zijn geweest, nòch voor hetzelfde terrein, nòch voor een gedeelte daarvan opnieuw vergunning verleend; evenmin mag aan hen een inmiddels aan een ander voor datzelfde terrein of een gedeelte daarvan verleende of overgedragen vergunning worden overgedragen.

Artikel 54

  • 1 De vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen mag niet anders worden overgedragen dan krachtens verkregen toestemming van Onze Minister.

  • 2 Het schriftelijke verzoek tot overdracht der vergunning tot opsporing moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.

  • 3 Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overlegd.

  • 4 Het verzoek om toestemming tot overdracht mag, evenals de beschikking waarbij de toestemming wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.

  • 5 Bij het overlijden van een der bij de overdracht betrokken partijen vervalt, indien de toestemming nog niet is verleend, het verzoek daartoe.

  • 6 De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de toestemming wordt verleend.

Artikel 55

  • 1 Het verzoek om toestemming tot overdracht moet vergezeld gaan van de c.q. gevorderde stukken; in elk geval moet door overlegging van kwitantiën of op andere wijze blijken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

  • 2 In het verzoekschrift moeten de beschikking waarbij de vergunning is verleend, zoomede de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.

  • 3 [vervallen]

  • 4 Verzoeken om toestemming tot overdracht welke niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereischten voldoen, worden op dien grond afgewezen en mogen niet ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden; kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, welke in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren op zich zelf geen bezwaar op tegen het verleenen der toestemming.

Artikel 56

  • 1 De vergunning tot opsporing kan slechts op één persoon of ééne vennootschap worden overgedragen.

  • 2 De vergunning kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art.35 geen vergunning zou kunnen verleend.

  • 3 De toestemming tot overdracht wordt ook geweigerd wanneer door de overdracht houder der vergunning zou worden een persoon of vennootschap, aan wie ingevolge art.53 voor het betrokken onderzoekingsterrein niet opnieuw vergunning zou mogen worden verleend.

  • 4 De toestemming tot overdracht wordt mede geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

Artikel 57

Op de beschikkingen waarbij toestemming tot overdracht van vergunningen is verleend, is van toepassing het bepaalde bij art. 40, met dien verstande, dat een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan den nieuwen houder der vergunning of zijn vertegenwoordiger.

Artikel 58

De houder, die de vergunning heeft overgedragen, is verplicht nadat de toestemming tot overdracht is verleend het hem ingevolge art. 40 uitgereikt afschrift van de vergunningsbeschikking aan den nieuwen houder af te geven.

Artikel 59

  • 1 De beschikking waarbij een verzoek om toestemming tot overdracht van eene vergunning is afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

  • 2 Op die beschikking is van toepassing het bepaalde bij art.43.

Artikel 60

  • 1 De vergunning wordt ingetrokken:

    • a. ingeval niet binnen de in art. 45 daarvoor bepaalden tijd met de opsporing is aangevangen;

    • b. op vordering van de rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden, ingeval de opsporingen worden ondernomen zonder dat te hunnen opzichte is voldaan aan de bepalingen van art.173.

  • 2 De vergunning kan worden ingetrokken:

    • a. ingeval de houder der vergunning aan eene der daarbij gestelde voorwaarden niet voldoet.

    • b. hetzij voor het geheele onderzoekingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, op het verzoek van den houder der vergunning. Dit verzoek wordt in tweevoud ingediend aan Onze Minister. Op de beide exemplaren van het verzoekschrift worden dag en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld. Binnen drie maanden na den dag der indiening wordt op het verzoek beschikt.

Artikel 61

  • 1 De intrekking eener vergunning tot opsporing geschiedt door Onze Minister.

  • 2 De beschikking waarbij eene vergunning wordt ingetrokken, vermeldt de gronden waarop de intrekking berust en wordt, tenzij de intrekking op eigen verzoek is geschied, aan den houder der vergunning gerechtelijk beteekend.

Artikel 62

  • 1 Tot de intrekking eener vergunning als bedoeld in art.60 eerste lid sub a wordt overgegaan zoodra ingevolge art. 46 is beslist dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt.

  • 2 De beschikking, waarbij eene vergunning ingevolge het eerste lid van dit artikel is ingetrokken, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 63

  • 1 Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel wordt tot de intrekking op vordering van de rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden en om reden de houder der vergunning niet aan eene der daarbij gestelde voorwaarden heeft voldaan, niet overgegaan dan nadat de houder der vergunning in de gelegenheid is gesteld om binnen een bepaalden bekwamen termijn voor zijne belangen op te komen.

  • 2 Wanneer wordt gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken om reden dat de houder niet heeft voldaan aan de voorwaarde, dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen, wordt de houder der vergunning niet vooraf in de gelegenheid gesteld om voor zijne belangen op te komen.

Artikel 64

  • 1 Van de beschikking waarbij een vergunning op vordering van rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden is ingetrokken, wordt aan den verzoeker afschrift verleend.

  • 2 Van de beschikking waarbij de vordering van rechthebbenden op den grond of derde rechthebbenden om intrekking eener vergunning is afgewezen, wordt zoowel aan den verzoeker als den houder der vergunning afschrift verleend

  • 3 De beschikkingen in dit artikel bedoeld worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Artikel 65

  • 1 Wanneer eene vergunning voor een gedeelte van het onderzoekingsterrein op verzoek van den houder wordt ingetrokken, worden voor het gedeelte of de gedeelten die hij behoudt, door Onze Minister een of meer afzonderlijke nieuwe vergunningsbeschikkingen uitgereikt overeenkomstig het bepaalde bij de artt.38, 39 en 40.

  • 2 De termijn eener nieuwe vergunning als bedoeld in het vorige lid, wordt geacht te zijn ingegaan op den dag, waarop de oorspronkelijke gedeeltelijk ingetrokken vergunning inging.

  • 3 De beschikking, waarbij het verzoek van den houder eener vergunning om intrekking van zijne vergunning of van een deel daarvan is afgewezen, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 66

  • 1 De intrekking op verzoek van den houder eener vergunning gaat in zoodra hem de beschikking houdende intrekking is uitgereikt.

  • 2 In alle andere gevallen gaat de intrekking in op den dag, waarop de intrekkingsbeschikking aan den houder der vergunning bij deurwaardersexploit is beteekend.

  • 3 Zoodra de intrekking van eene vergunning is ingegaan, moet de houder de opsporing op het onderzoeksterrein of op het gedeelte waarvoor de vergunning werd ingetrokken staken of doen staken.

Artikel 67

[vervallen]

Hoofdstuk IV. Over de concessiën.

Afdeeling 1e. Concessie-aanvragen

Artikel 68

In dit besluit wordt onder «concessie-aanvraag» en «aanvrage om concessie» verstaan: het in het eerste lid van het volgende artikel bedoeld verzoekschrift, waarbij de ontdekker eener in de Mijnwet BES genoemde delfstof zijne aanspraken doet gelden en dientengevolge recht op concessie tot ontginning van de ontdekte delfstof verkrijgt.

Artikel 69

  • 1 de aanspraken in het eerste lid van art.2 der Mijnwet BES bedoeld worden geldend gemaakt door een schriftelijk verzoek om concessie.

  • 2 In de concessie-aanvrage moet de aanvrager domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het concessie-terrein is gelegen voor den duur der concessie.

  • 3 Het schriftelijk verzoek om concessie moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend aan Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.

  • 4 Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.

  • 5 Concessie-aanvragen per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.

  • 6 De concessie-aanvraag wordt zoo spoedig mogelijk na de indiening volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt met vermelding van het tijdstip der indiening.

Artikel 70

  • 1 Concessie-aanvragen kunnen ook worden gedaan door een door den aanvrager bij authentieke of onderhandsche akte aangestelden bijzonderen gemachtigde; de volmacht moet bij de aanvrage worden overgelegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor den lastgever in de concessie-aanvraag op de in het tweede lid van art. 69 voorgeschreven wijze domicilie te kiezen.

  • 2 Zoolang een volmacht welke is overgelegd bij een concessie-aanvraag nog niet door den gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor dezelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welke verzoek de origineele akte is overgelegd.

  • 3 Machtiging tot het aanvragen van concessiën kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in de artt. 8 en 22 bedoelde authentieke akte waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.

Artikel 71

  • 1 Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig bij Onze Minister ingediende concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend.

  • 2 Onder concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.

  • 3 Omtrent de in het eerste lid van art.2 der Mijnwet BES bedoelde voorkeur wordt ten aanzien van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende concessie-aanvragen beslist door Onze Minister op de door dezen te bepalen wijze.

  • 4 Wanneer eene concessie-aanvraag, welke ingevolge het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES en dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de daarop volgende aanvrage met inachtneming van de door Onze Minister bepaalde volgorde.

  • 5 Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen, welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte wordt slechts concessie verleend nadat daarvoor een nieuwe geldige aanvrage is ingediend.

Artikel 72

Elke concessie-aanvraag mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein, dat één samenhangend geheel vormt.

Artikel 73

De concessie-aanvraag moet bevatten:

  • 1°. den naam, de voornamen en de woonplaats van den verzoeker;

  • 2°. de benaming der delfstof of de namen der delfstoffen voor welker ontginning concessie gevraagd wordt;

  • 3°. de ligging van de ontdekte vindplaats of vindplaatsen en de grenzen, hetzij van het aangevraagde, hetzij van het bestaande concessie-terrein;

  • 4°. den naam aan de concessie te geven of gegeven;

  • 5°. het gekozen domicilie;

  • 6°. het beroep en den leeftijd van den verzoeker;

  • 7°. of de ontdekking is geschied als houder eener vergunning dan wel als concessionaris, onder opgave van datum en nummer van de vergunningsbeschikking dan wel de concessiebeschikking;

  • 8°. den tijd waarvoor de concessie wordt aangevraagd met dien verstande dat die, ingevolge het vijfde lid van artikel 1a van de Mijnwet BES, 75 jaren niet mag te boven gaan.

Artikel 74

  • 1 Elke concessie-aanvraag moet behalve van de in het eerste lid van art. 73 genoemde en nog overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van:

    • 1°. eene aantooning als bedoeld in art. 86;

    • 2°. eene plattegrondteekening in drievoud van het aangevraagde terrein, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander persoon als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven:

      • a. de grenzen van het aangevraagd terrein;

      • b. de punten, geschikt voor de afbakening van merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;

      • c. de ligging der ontdekte vindplaats of vindplaatsen;

      • d. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte , ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;

      • e. de astronomische en magnetische meridiaan.

  • 2 Bij uitzondering kan, indien ten genoege van Onze Minister door den aanvrager overtuigend wordt aangetoond, dat het hem onmogelijk is geweest om over den rooimeester te beschikken, worden volstaan met eene door een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon verrichte plaatselijke opmeting en daarvan opgemaakte plattegrondteekening.

  • 3 Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 2°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–e te vermelden.

  • 4 Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken niet dadelijk bij de concessie-aanvraag kunnen worden overgelegd, wordt een termijn van ten langste zes maanden gesteld waarbinnen de aanvrager die stukken moet indienen. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal met ten langste drie maanden worden verlengd.

Artikel 75

Bij de plaatselijke opmeting van een aan te vragen concessieterrein, bedoeld in het eerste lid sub 2 van art. 74, moeten de grenzen van dat terrein zoodanig op het terrein worden uitgezet, dat zij te allen tijde zijn terug te vinden.

Artikel 76

  • 1 Concessieterreinen moeten zooveel mogelijk door rechte lijnen begrensd zijn.

  • 2 Lijnen zonder bekend azimuth getrokken mogen niet als grenzen worden aangenomen.

  • 3 De hoekpunten der aangevraagde concessieterreinen moeten zóó worden gekozen dat ten minste één daarvan óf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt is bepaald.

Artikel 77

  • 1 Eene concessie tot ontginning wordt slechts verleend aan één persoon of ééne vennootschap.

  • 2 Concessiën tot ontginning worden niet verleend aan:

    • a. minderjarigen;

    • b. onder curateele gestelden;

    • c. personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van concessiën tot ontginning zijn uitgesloten;

    • d. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het drijven van mijnbouw niet behoort;

    • e. hem, die krachtens art. 7 der Mijnwet BES van zijn rechten als concessionaris vervallen is verklaard maar alleen voor zooveel betreft het terrein zijner vroegere concessie.

Afdeeling 2e. Overdracht van het recht op concessie.

Artikel 78

  • 1 Het schriftelijk verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie in zijn geheel, ingevolge het tweede lid van art. 2 en het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES wordt gericht aan Onze Minister.

  • 2 Het verzoek moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.

  • 3 Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overgelegd.

  • 4 Elk verzoek om goedkeuring mag slechts betrekking hebben op ééne concessie-aanvraag.

  • 5 Bij het verzoek om goedkeuring tot overdracht moet, behalve de ingevolge het tweede lid van art. 18 of art. 20 en overigens gevorderde stukken worden overgelegd het door den houder van het recht op concessie ingevolge het derde lid van art. 69 terugontvangen exemplaar van zijn concessie-aanvraag. Ook moet door overlegging van kwitantiën of op andere wijze blijken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

  • 6 In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.

  • 7 Bij overlijden van den verkrijger vervalt, indien de goedkeuring nog niet is verleend, het verzoek daartoe.

  • 8 [vervallen]

  • 9 Het recht op concessie kan slechts op één persoon of ééne vennootschap worden overgedragen.

  • 10 Het recht op concessie kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art. 77 geen concessie zou kunnen worden verleend.

  • 11 De goedkeuring op de overdracht wordt ook geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

Artikel 79

  • 1 Onze Minister beschikt op het verzoek met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 26 en 27.

  • 2 Elke overdracht van het recht op concessie wordt door Onze Minister bij afzonderlijke beschikking goedgekeurd.

  • 3 De beschikking, waarbij de goedkeuring is verleend, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

  • 4 De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de goedkeuring wordt verleend.

  • 5 De beschikking waarbij een verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie wordt afgewezen, wordt met redenen omkleed en, onverminderd het bepaalde bij art. 27 in de Staatscourant bekend gemaakt.

Afdeeling 3e. Behandeling van concessie-aanvragen.

Artikel 80

  • 1 Is Onze Minister van oordeel dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten, maar dat daaraan kan worden tegemoetgekomen door de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen, dan wordt, tenzij om andere redenen in elk geval afwijzend op de aanvrage moet worden beschikt, de aanvrager in de gelegenheid gesteld de noodige verbeteringen in zijn aanvrage aan te brengen.

  • 2 Daartoe wordt den aanvrager onder terugzending van de concessie-aanvrage medegedeeld, dat en waarom zijne aanvrage niet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, met uitnoodiging om binnen ééne maand nadat hem die mededeeling zal zijn uitgereikt, de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen en haar daarna wederom aan Onze Minister te doen toekomen. Voor de uitgereikte mededeeling wordt door den aanvrager een gedagteekend ontvangbewijs afgegeven, terwijl voor de door hem wederom ingediende concessie-aanvrage aan hem een gedagteekend ontvangbewijs wordt uitgereikt.

  • 3 Het bepaalde bij de vorige leden geldt ook ten aanzien van de in art. 74 genoemde, bij de aanvrage behoorende stukken

  • 4 Voldoet de aanvrager niet aan de uitnoodiging om binnen de gestelden termijn de noodige verbeteringen in zijn aanvrage aan te brengen, dan wordt zij onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 81

Is Onze Minister van oordeel, dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten en dat daaraan ook niet kan worden tegemoetgekomen door de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 82

Is Onze Minister van oordeel dat, ofschoon de aanvrage aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, tegen het verleenen der concessie bezwaren bestaan, waaraan door den aanvrager niet kan worden tegemoetgekomen, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 83

Voldoet de aanvrager niet aan de uitnoodiging om binnen den gestelden termijn hetzij aan de gerezen bezwaren tegemoet te komen, hetzij de noodige verbeteringen in de aanvrage of ten aanzien van de daarbij behoorende stukken aan te brengen, dan wel worden de vereischte stukken niet binnen den in het vierde lid van art. 74 gestelden of verlengenden termijn ingediend, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 84

Zoodra vaststaat, dat zoowel de aanvraag als de daarbij behoorende stukken voldoen aan alle gestelde vereischten, wordt de aanvraag, indien gedurende en naar aanleiding van de behandeling daarin wijzigingen zijn aangebracht, onder verwijzing naar de eerste openbaarmaking ingevolge het vijfde lid van art. 69, opnieuw volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt met vermelding wederom van het tijdstip der indiening.

Artikel 85

Ieder belanghebbende kan binnen den tijd van drie maanden nadat een aanvrage om concessie is bekend gemaakt, voor zijne belangen opkomen en zijne bezwaren tegen het verleenen der aangevraagde concessie schriftelijk inbrengen bij Onze Minister.

Afdeeling 4e. Het verleenen van concessiën

Artikel 86

Concessiën worden slechts verleend voor de winning van zoodanige delfstoffen, waarvan ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond, dat zij binnen het mijnveld in eene natuurlijke afzetting voorkomen, waaruit hare winning technisch mogelijk is.

Artikel 87

Concessiën worden niet verleend voor ontginning in streken of terreinen, waar die, naar het oordeel van Onze Minister, den Raad van Bestuur gehoord, om redenen van algemeen belang niet kan worden toegelaten.

Artikel 88

Na de indiening van het bij art. 69 bedoelde verzoek om concessie kan de ontdekker zijne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzetten totdat hij in kennis zal zijn gesteld van de beschikking op zijn verzoek.

Artikel 89

Op elke concessie-aanvraag wordt door Onze Minister afzonderlijk beschikt, met gelijktijdige beslissing omtrent de eventueel ingebrachte bezwaren, en na den Raad van Bestuur te hebben gehoord.

Artikel 90

De beschikking waarbij de concessie verleend wordt, moet behelzen:

  • 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;

  • 2°. den naam van den concessie;

  • 3°. de oppervlakte van het concessieterrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;

  • 4°. de grenzen van het concessieterrein aangeduid op de bij de beschikking behoorende kaart, waarop tevens de voor de plaatsing van merkteekens bestemde punten worden aangegeven, zullen twee opeenvolgende punten op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;

  • 5°. den duur der concessie;

  • 6°. den naam van het eiland en het district, dan wel de namen van de districten waar binnen het concessieterrein gelegen is;

  • 7°. het gekozen domicilie;

  • den naam der delfstof of de namen der delfstoffen waarvoor concessie verleend wordt;

  • 9°. de bijzondere voorwaarden voor zoover zij noodig zijn;

  • 10°. den datum;

  • 11°. het bedrag van het door den concessionaris verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop dat bedrag uiterlijk over het eerste concessiejaar en verder telkenjare over volgende concessiejaren moet worden voldaan;

  • 12°. de Rijks kas waar het vast recht en het uitvoerrecht moeten worden gestort;

  • 13°. de aangaande ingebrachte bezwaren genomen beslissing; terwijl de concessionaris in de beschikking wordt verwezen naar art. 237.

Artikel 91

De beschikking waarbij concessie verleend wordt vormt met het daarin gestelde voorwaarden de akte van concessie.

Artikel 92

  • 1 Elke concessie-beschikking wordt in de Staatscourant volledig openbaar gemaakt.

  • 2 Een authentieke afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt. Voor dat afschrift worden geen andere kosten in rekening gebracht dan die van het zegel.

  • 3 Aan den concessionaris of zijn vertegenwoordiger moeten op verzoek en tegen betaling van de kosten meerdere afschriften van de concessie-beschikking, c.q. met kaart, worden uitgereikt.

Afdeeling 5e. Afwijzing van concessie-aanvragen.

Artikel 93

  • 1 De beschikking van Onze Minister, waarbij een aanvrage om concessie wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

  • 2 Onverminderd het bepaalde bij art. 26 wordt de beschikking volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt en aan den aanvrager kosteloos volledig afschrift van de beschikking uitgereikt.

Artikel 94

Op aanvragen van concessiën wordt afwijzend beschikt:

  • 1°. indien de aanvrager niet voldoet aan de in de Mijnwet BES en dit besluit gestelde vereischten;

  • 2°. indien de aanvrage niet voldoet aan de in dit besluit gestelde vereischten;

  • 3°. indien Onze Minister gebruik maakt van de bevoegdheid verleend bij art. 87.

Artikel 95

  • 1 Indien eene concessie-aanvraag, welke was ingediend op grond van eene ontdekking van den wettigen houder eener vergunning, wordt afgewezen, mag die houder eene nieuwe concessie-aanvrage voor hetzelfde terrein of een gedeelte daarvan indienen zoolang hij nog wettig houder der vergunning is.

  • 2 Is na de indiening der eerste afgewezen concessie-aanvrage inmiddels de vergunning vervallen of ingetrokken, dan moeten na de afwijzing van de concessie-aanvrage de werkzaamheden op het aangevraagde terrein onmiddellijk worden gestaakt.

Afdeeling 6e. Gemengde bepalingen betreffende verleende concessiën.

Artikel 96

De concessie gaat in met den datum van de beschikking waarbij zij is verleend.

Artikel 97

Bij verschil van opvatting omtrent het beloop der grenzen van een concessieterrein beslist Onze Minister.

Artikel 98

  • 1 Onze Minister is bevoegd om, zooveel mogelijk met inachtneming van de belangen van den concessionaris, hetzij in verband met het bepaalde bij het vorige artikel, hetzij in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen van districten enz., hetzij in verband met ontdekte vergissingen of onjuistheden, hetzij naar aanleiding van door van rijksoverheidswege verrichte topographische opnemingen, nader verkregen gegevens nopens de grenzen en de oppervlakte van een concessieterrein, na het verleenen van de concessie bij eene nadere beschikking de aanvankelijk in de concessie-beschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het concessieterrein te wijzigen. In die nadere beschikking wordt aanteekening gehouden van het nieuw bedrag van het verschuldigd vast recht en van het tijdstip waarop dat bedrag voor de eerste maal en telkens voor volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan.

  • 3 Op de beschikkingen van Onze Minister, houdende wijziging van de grenzen en oppervlakten van concessieterreinen, is van toepassing het bepaalde bij art. 92.

Artikel 99

Nòch de concessionarissen nòch de hypothecaire of andere schuldeischers ontleenen tegenover de rijksoverheid aan krachtens de artt. 97 en 98 genomen beslissingen eenige aanspraak op schadeloosstelling.

Hoofdstuk V. Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen, vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen en gedeeltelijke intrekking van concessiën.

Afdeeling 1e. Splitsing, verwisseling en vereeniging

Artikel 100

  • 1 De splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel kan slechts geschieden bij door Onze Minister te verleenen nieuwe akten van concessie. Verzoekschriften om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel moeten worden ingediend bij Onze Minister.

  • 2 Betreffen de te verwisselen gedeelten van concessieterreinen of de te vereenigen concessieterreinen concessiën van verschillende houders, dan moeten de verzoeken daartoe worden gedaan door alle betrokken houders. Het verzoek moet in die gevallen bij één verzoekschrift worden gedaan.

Artikel 101

Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen en vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen kunnen niet plaats hebben alvorens de bestaande concessiën, waarop de splitsing, verwisseling en vereeniging betrekking hebben, overeenkomstig het bepaalde bij art. 237, zijn ingeschreven.

Artikel 102

Splitsing van een concessieterrein en verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen worden slechts toegestaan indien de nieuwe concessiën, welke na de splitsing en de verwisseling zullen ontstaan, elk op zich zelf betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt.

Artikel 103

  • 1 Het verzoekschrift waarbij splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gevraagd, moet behelzen:

    • 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris:

    • 2°. den naam der bestaande concessie:

    • 3°. de data en nummers van de concessiebeschikking en de gerechtelijke akte van concessie:

    • 4°. de grenzen van elk der gedeelten waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien:

    • 5°. de namen der nieuwe concessiën:

    • 6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.

  • 2 Het verzoekschrift betreffende de splitsing moet vergezeld gaan van:

    • 1°. eene plattegrondteekening van elk gedeelte waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting gemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekeningen nauwkeurig moeten zijn aangegeven:

      • a. de grenzen van de nieuwe concessieterreinen;

      • b. de punten geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;

      • c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte, voor zooveel betreft elk nieuw concessieterrein;

      • d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van elk nieuw concessieterrein.

    • 2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gewenschte splitsing geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vestiging van hypotheken op te verleenen nieuwe concessiën gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;

    • 3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers.

    Deze verklaringen zijn vrij van zegel.

  • 3 Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1° van dit artikel bedoelde plattegrondteekeningen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75; ten aanzien van de begrenzing van de nieuwe concessieterreinen, welke na de splitsing zullen ontstaan, het bepaalde bij art. 76.

Artikel 104

Het verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten met bekendstelling van de wijze waarop die splitsing zal geschieden, moet door den concessionaris op zijn kosten driemalen, telkens met een tijdruimte van ééne maand, worden bekendgemaakt in de Staatscourant zoomede in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad. Van de Staatscourant en het dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door den concessionaris een exemplaar aan Onze Minister worden aangeboden.

Artikel 105

  • 1 De krachtens art. 184 bevoorrechte schuldeischers zijn bevoegd binnen een termijn van drie maanden na de eerste van de in art. 104 bedoelde bekendmakingen bij tot Onze Minister gericht verzoekschrift hunne bezwaren tegen de gevraagde splitsing van een concessieterrein in te brengen.

  • 2 Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde splitsing bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om splitsing niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.

Artikel 106

Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein wordt door Onze Minister niet beschikt dan nadat tenminste ééne maand na de derde van de art. 104 genoemde bekendmakingen is verstreken.

Artikel 107

  • 1 Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, dat aan de in de artt. 100 tot en met 103 gestelde vereischten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang.

  • 2 Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.

Artikel 108

  • 1 Indien op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten gunstig wordt beschikt,verleent Onze Minister voor elk gedeelte, waarin het terrein wordt gesplitst, eene nieuwe concessie.

  • 2 In elk der beschikkingen waarbij in geval van splitsing nieuwe concessiën worden verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de nieuwe concessie wordt verleend met splitsing van de oorspronkelijke concessie in zoovele op zich zelf staande, in de beschikking bepaaldelijk te omschrijven gedeelten als de concessionaris heeft verzocht; overigens moeten die beschikkingen behelzen hetgeen in art. 90 sub 1°. tot en met 12°. is vermeld

  • 3 In de nieuwe concessie-beschikkingen mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.

  • 4 De in geval van splitsing te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.

  • 5 In de nieuwe concessie-beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.

Artikel 109

Op de beschikkingen waarbij in geval van splitsing van een concessieterrein nieuwe concessiën worden verleend, is van toepassing het bepaalde bij artt. 91 en 92.

Artikel 110

Het op grond van de in geval van splitsing verleende nieuwe concessiën verworven recht, wordt tegenover derden eerst als bestaande aangemerkt, nadat èn de in art. 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad, èn door inschrijving van de in het tweede lid sub 2°. van art. 103 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tusschen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van art. 240 bedoelde aanteekingen mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald.

Artikel 111

Binnen den tijd van één jaar na den datum der beschikkingen, waarbij in geval van splitsing nieuwe concessiën zijn verleend moet door den concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid a en d van art. 167.

Artikel 112

  • 1 Op verzoeken betreffende het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend concessieterrein en het vereenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel is het bepaalde bij de art. 103 tot en met 111 van toepassing, met dien verstande dat in die artikelen voor «concessie», «concessieterrein», «concessie-beschikking» en «gerechtelijke akte» wordt gelezen «concessiën», «concessieterreinen», «concessiebeschikkingen» en «gerechtelijke akten» en, indien zoodanig verzoek betrekking heeft op concessiën van verschillende houders, voor «concessionaris» wordt gelezen «concessionarissen», zoomede dat wat daar ten aanzien van splitsing is voorgeschreven, hier geldt voor verwisseling van gedeelten van concessieterreinen en voor vereeniging van concessieterreinen.

  • 2 Het verzoekschrift betreffende het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel moet de grenzen van het nieuwe concessieterrein en den naam der nieuwe concessie behelzen en vergezeld gaan van eene plattegrondteekening van het nieuwe concessieterrein waarop de grenzen van dat terrein nauwkeurig zijn aangegeven. Overigens moeten het verzoek schrift en de daarbij over te leggen plattegrondteekening voldoen aan de voorschriften van art. 103.

  • 3 Indien de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking heeft op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan moet het verzoek om vereeniging worden gedaan door alle betrokken concessionarissen en daarin worden vermeld aan wie van hen zij wenschen dat de nieuwe concessie zal worden verleend.

  • 4 Indien op een verzoek om vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel gunstig wordt beschikt, verleent Onze Minister aan den houder der oorspronkelijke concessiën welker terreinen worden vereenigd, ééne nieuwe concessie voor het vereenigde terrein. Heeft de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan wordt de nieuwe concessie verleend aan hem, die in het verzoek om vereeniging door de betrokken concessionarissen als houder der te verleenen nieuwe concessie is aangewezen.

  • 5 De in geval van verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande Concessiën nog te loopen hadden en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop de betrokken oorspronkelijke concessiën ingingen.

  • 6 De in geval van vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den kortsten duur dien eene van de bestaande concessiën nog te loopen had en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop laatstbedoelde concessie inging.

Afdeeling 2e. Gedeeltelijke intrekking

Artikel 113

Het schriftelijk verzoek van een concessionaris om gedeeltelijke intrekking zijner concessie moet worden gericht aan Onze Minister.

Artikel 114

  • 1 Gedeeltelijke intrekking eener concessie kan niet plaats hebben alvorens de concessie overeenkomstig het bepaalde bij art. 237 is ingeschreven.

  • 2 Zij wordt slechts toegestaan indien het gedeelte van het concessieterrein, dat de concessionaris wenscht te behouden, bestaat uit één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt.

Artikel 115

  • 1 Het verzoekschrift waarbij gedeeltelijke intrekking eener concessie wordt gevraagd, moet behelzen:

    • 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;

    • 2°. den naam der bestaande concessie;

    • 3°. de data en nummers van de concessie-beschikking en de gerechtelijke akte van concessie;

    • 4°. de grenzen van het gedeelte van het concessieterrein waarvoor de concessionaris intrekking verzoekt en van het gedeelte dat hij wenscht te behouden;

    • 5°. den naam der nieuwe concessie;

    • 6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.

  • 2 Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van:

    • 1°. eene plattegrondteekening van het gedeelte van het concessieterrein dat de concessionaris wenscht te behouden, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven:

      • a. de grenzen van het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden;

      • b. de punten, geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;

      • c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;

      • d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van het nieuwe concessieterrein;

    • 2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vesting van hypotheken op de te verleenen nieuwe concessie gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;

    • 3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers. Deze verklaringen zijn vrij van zegel.

  • 3 Wanneer ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 1°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–d te vermelden.

  • 4 Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1°. van dit artikel bedoelde plattegrondteekening is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75, ten aanzien van de begrenzing van het nieuwe concessieterrein, dat na de gedeeltelijke intrekking zal ontstaan, het bepaalde bij art. 76.

Artikel 116

Het verzoek om gedeeltelijke intrekking eener concessie moet door den concessionaris op zijne kosten driemalen, telkens met een tijdruimte van ééne maand, worden bekend gemaakt in de Staatscourant, zoomede in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad. Van de Staatscourant en het dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door den concessionaris een exemplaar aan Onze Minister worden aangeboden.

Artikel 117

  • 1 De krachtens art. 184 bevoorrechte schuldeischers zijn bevoegd binnen een termijn van drie maanden na de eerste van de in art. 116 bedoelde bekendmakingen bij tot Onze Minister gericht verzoekschrift hunne bezwaren tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking van een concessie in te brengen.

  • 2 Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om gedeeltelijke intrekking niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.

Artikel 118

Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking eener concessie wordt door Onze Minister niet beschikt dan nadat tenminste ééne maand na de derde van de in art. 116 genoemde bekendmakingen is verstreken.

Artikel 119

  • 1 Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van eene concessie, dat aan de in de artt. 113 tot en met 115 gestelde vereischten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang.

  • 2 Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.

Artikel 120

  • 1 Indien op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie gunstig wordt beschikt, verleent Onze Minister voor het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden eene nieuwe concessie.

  • 2 In de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eene nieuwe concessie wordt verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de nieuwe concessie wordt verleend met intrekking van de oorspronkelijke concessie; overigens moet de beschikking behelzen hetgeen in art. 90 sub 1° tot en met 12° is vermeld.

  • 3 In de nieuwe concessie-beschikking mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.

  • 4 De in geval van gedeeltelijke intrekking te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.

  • 5 In de nieuwe concessie-beschikking wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.

Artikel 121

Op de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eene nieuwe concessie wordt verleend, is van toepassing het bepaalde bij art. 91 en 92.

Artikel 122

Het op grond van de in geval van gedeeltelijke intrekking verleende nieuwe concessie verworven recht wordt tegenover derden eerst als bestaande aangemerkt nadat èn de in art. 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad èn door inschrijving van de in het tweede lid sub 2°. van art. 115 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tusschen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van art. 240 bedoelde aanteekening mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald.

Artikel 123

Binnen den tijd van één jaar na den datum van de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eener concessie een nieuwe concessie is verleend, moet door den concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid sub a en d van art. 167.

Hoofdstuk VI. Het verleenen van concessiën na openbare mededinging.

Artikel 124

Indien eene naar het oordeel van Onze Minister voor ontginning in aanmerking komende delftstofafzetting ontdekt is ten gevolge van een rijksoverheidswege ingesteld onderzoek, wijst Onze Minister, behoudens de rechten van derden, het terrein aan, binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, onverminderd de bevoegdheid van de rijksoverheid om daarin zelf mijnontginning te ondernemen.

Artikel 125

Art. 124 is toepasselijk op naar het oordeel van Onze Minister voor ontginning in aanmerking komende delfstofafzettingen tot welke ontginning geen aanspraken op concessie overeenkomstig art. 2 der Mijnwet BES, geldend kunnen gemaakt worden en welke niet vallen in de termen van het eerste lid van genoemd artikel.

Artikel 126

De beschikking, waarbij krachtens art 124 door Onze Minister het terrein wordt aangewezen binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 127

  • 1 In geval van openbare mededinging wordt de concessie toegewezen aan hem die het hoogste bedrag in geld aanbiedt, mits Onze Minister van oordeel is, dat tegen zijn toelating geen bezwaar bestaat.

  • 2 Leidt de openbare mededinging tot geen resultaat dan wordt, voor zoover daartoe termen bestaan en niet onderhands concessie is of wordt verleend, het volgens artt. 124 en 125 gereserveerde terrein weder opengesteld voor opsporingen.

Artikel 128

Indien naar het oordeel van Onze Minister eene niet tengevolge van een van rijksoverheidswege ingesteld onderzoek ontdekte delfstofafzetting voor ontginning in aanmerking komt, tot welker ontginning geen aanspraken op concessie, overeenkomstig de Mijnwet BES en dit besluit, geldend kunnen gemaakt worden, wordt de beschikking waarbij in verband daarmede krachtens art. 125 door Onze Minister het terrein wordt aangewezen, binnen hetwelk geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, openbaar gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 129

  • 1 In een terrein as bedoeld in de artt. 126 en 128 worden ingevolge het eerste lid sub a van art. 174 en in verband met het bepaalde bij art. 176 geen opsporingen toegelaten totdat voor dat terrein concessie is verleend of het terrein weder voor opsporing wordt opengesteld.

  • 2 De beschikking, waarbij eenig terrein als bedoeld in de artt. 126 en 128, krachtens het tweede lid van art. 127 en met toepassing van het bepaalde bij art. 176, voor zoover daartoe termen bestaan door Onze Minister weder voor opsporingen wordt opengesteld, wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 130

De beschikking, waarbij door Onze Minister de gelegenheid wordt opengesteld om na openbare mededinging concessie te verkrijgen voor de winning van de in de beschikking genoemde delfstof of delfstoffen in een nauwkeurig aangeduid concessieterrein, overeenkomende met of gelegen binnen eenig overeenkomstig art. 126 of art. 128 aangewezen terrein wordt volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt. Ten aanzien van de uitgestrektheid van het terrein is van toepassing het bepaalde bij art. 138.

Artikel 131

  • 1 De mededinging op den voet van het eerste lid van art. 127 naar eene concessie als bedoeld in art . 130 geschiedt bij eene openbare inschrijving, door Onze Minister te houden, dag, uur en plaats der inschrijving en de door Onze Minister vastgestelde voorwaarden worden in de Staatscourant en voor zooveel noodig ook in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen aangekondigd.

  • 2 Tot het houden van de openbare inschrijving wordt eerst overgegaan nadat vaststaat, dat in verband met den uitslag der in art. 130 genoemde bekendmaking geen redenen van algemeen belang zich tegen het verleenen van de concessie verzetten.

Artikel 132

  • 1 Niet geldig zijn inschrijvingsbiljetten van personen of vennootschappen, die ingevolge art. 77 geen houders van concessiën kunnen zijn.

  • 2 De beschikking betreffende de toewijzing wordt in de Staatscourant volledig openbaar gemaakt.

Artikel 133

Hij aan wien de concessie is toegewezen is verplicht:

  • 1°. de som, waarvoor door hem is ingeschreven binnen den in de voorwaarden der inschrijving vastgestelden termijn ineens in ’s Rijks kas te storten;

  • 2°. binnen een termijn van zes maanden na den datum van het nummer van de Staatscourant waarin de beschikking ingevolge het tweede lid van art. 132 is openbaar gemaakt aan Onze Minister in te dienen:

Artikel 134

  • 1 Nadat binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde bij art. 133 is voldaan, wordt de concessie door Onze Minister verleend aan hem, aan wien zij definitief is toegewezen.

    De artt. 90, 91, 92 en 143 zijn ten deze ook van toepassing.

  • 2 De definitieve toewijzing vervalt onvoorwaardelijk indien niet binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde bij art. 133 is voldaan. De beschikking van Onze Minister, waarbij daarvan aanteekening wordt gehouden, wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Hoofdstuk VII. Over de uitgestrektheid, waarvoor vergunningen tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.

Artikel 135

De vergunning tot opsporing word verleend voor een veld, dat zich binnen de verticale projectie van het terrein, aangeduid in de beschikking, waarbij vergunning wordt verleend, tot een onbepaalde diepte uitstrekt.

Artikel 136

  • 1 Elk tot het doen van opsporingen aan te vragen terrein mag behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel geen grootere oppervlakte hebben dan 3000 hectaren; aanvragen voor grootere uitgestrektheid worden onvoorwaardelijk afgewezen.

  • 2 Indien, in het belang van eene doelmatige begrenzing, zulks door Onze Minister noodig wordt geoordeeld, kan aan een aanvrager, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, vergunning worden verleend voor eene grootere uitgestrektheid dan door hem is aangevraagd en mag ook het in het eerste lid van dit artikel genoemde maximum worden overschreden, maar alleen voor zoover dat strikt noodzakelijk is met het oog op de begrenzing.

  • 3 Ieder kan in één of meer districten zoovele onderzoekingsterreinen krijgen, ook door overdracht, als hij zelf wenscht en beschikbaar zijn, mits elk terrein op zich zelf niet grooter zij dan het in dit artikel genoemde maximum.

Artikel 137

Concessiën tot ontginning wordt verleend voor een mijnveld, dat zich binnen de verticale projectie van het in de concessie-bschikking aangeduid terrein tot in onbepaalde diepte uitstrekt.

Artikel 138

Behoudens het bepaalde bij art. 140 en behalve in het geval van art. 139 worden geen concessiën verleend voor eene grootere uitgestrektheid van elk concessieterrein op zich zelf, dan van 1000 hectaren.

Artikel 139

  • 1 Indien, in het belang van eene doelmatige begrenzing of van eene behoorlijke ontginning zulks door Onze Minister noodig wordt geoordeeld kan den ontdekker, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, concessie worden verleend voor eene grootere uitgestrektheid dan door hem is aangevraagd of kunnen in het concessieterrein aangrenzende gronden begrepen worden, die buiten het onderzoekingsterrein liggen.

  • 2 Een authenthiek afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt.

Artikel 140

De uitgestrektheid van concessieterreinen, ontstaan door verwisseling van gedeelten van aangrenzende terreinen of door vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen, mag het in art. 138 genoemde maximum overschrijden.

Hoofdstuk VIII. Over de voorwaarden, waaronder vergunning tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.

Eerste Afdeeling. Algemeene bepalingen.

Artikel 141

  • 1 De voorwaarden welke aan de vergunning worden verbonden, moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt en mogen in geen geval bepalingen inhouden welke strijdig zijn met of uitbreiding geven aan de voorschriften van de Mijnwet BES en dit besluit.

  • 2 In elke vergunningsbeschikking wordt als voorwaarde gesteld dat de houder bij het gebruik maken van het hem verleend recht de bepalingen der Mijnwet BES, de wettelijke voorschriften tot uitvoering dier wet en de bij de vergunning gestelde voorwaarden moet in acht nemen, in het bijzonder dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen.

  • 3 De in dit artikel bedoelde voorwaarden mogen, zoolang de vergunning van kracht is, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van den houder der vergunning.

  • 4 Op de beschikkingen, houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden eener vergunning, of afwijzing van een daartoe strekkend verzoek, is van toepassing het bepaalde bij art. 40.

Artikel 142

Aan eene verlenging of bij de toestemming tot overdracht van de vergunning mogen geen nieuwe of gewijzigde voorwaarden worden verbonden dan op verzoek of met toestemming van den houder der vergunning.

Artikel 143

De voorwaarden welke in de concessie-beschikking worden gesteld moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.

Artikel 144

  • 1 De voorwaarden, welke in de concessie-beschikking zijn gesteld, mogen nadat de concessie is verleend, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van den concessionaris.

  • 2 Op de beschikkingen van Onze Minister houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden van concessiën is van toepassing het bepaalde bij art. 92.

Afdeeling 2e. Over heffing van vast recht

Artikel 145

  • 1 Het vast recht van vergunningen tot opsporing en van ontdekkers die na het verstrijken van den vergunningstermijn hunne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzetten, wordt geheven over vergunningsjaren en voor iedere vergunning afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het opsporingsterrein zooals deze door Onze Minister in de vergunningsbeschikking (art. 38 eerste lid sub b) is vastgesteld of ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van art. 44 is gewijzigd.

  • 2 Het wegens vast recht verschuldigd bedrag moe steeds in zijn geheel worden voldaan.

Artikel 146

  • 1 Het vast recht over het eerste vergunningsjaar moet uiterlijk binnen drie maanden, gerekend van den datum van beschikking waarbij de vergunning is verleend, worden voldaan.

  • 2 Over volgende vergunningsjaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elk vergunningsjaar worden voldaan.

Artikel 147

  • 1 Ten aanzien van vergunningen, welke, hetzij op verzoek, hetzij ingevolge het bepaalde in het eerste lid sub a en b en het tweede lid sub a van art. 60 voor het geheele opsporingsterrein worden ingetrokken, is het vast recht verschuldigd over alle vergunningsjaren welke vóór den datum van de beschikking der intrekking zijn ingegaan.

  • 2 Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning is ingetrokken, het vast recht reeds zijn betaald, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.

Artikel 148

  • 1 Wanneer eene vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein op verzoek van den houder wordt ingetrokken, is het vast recht berekend over de geheele oppervlakte van het oorspronkelijke opsporingsterrein verschuldigd over alle vergunningsjaren, welke vóór den datum van de beschikking der gedeeltelijke intrekking zijn ingegaan.

  • 2 Het vast recht berekend over het gedeelte of de gedeelten, die de vergunninghouder, wiens vergunning op verzoek voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, behoudt, is voor de eerste maal verschuldigd over het vergunningsjaar dat ingaat op of na den datum van de beschikking der gedeeltelijke intrekking en moet voor het eerst uiterlijk binnen drie maanden na den datum van de nieuwe vergunningsbeschikking of de nieuwe vergunningsbeschikkingen, bedoeld in het tweede lid van art. 65 worden voldaan.

  • 3 Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, het vast recht reeds over de gehele oppervlakte zijn voldaan, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.

Artikel 149

  • 1 Wordt de oppervlakte van een opsporingsterrein krachtens het bepaalde bij het eerste lid van art. 44 gewijzigd, zoo geschiedt de berekening van het wegens vast recht verschuldigd bedrag naar het gewijzigd aantal hectaren van de oppervlakte van het opsporingsterrein, voor de eerste maal over het vergunningsjaar, volgende op dat waarin de wijziging heeft plaats gehad.

  • 2 Heeft de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wijziging van het aantal hectaren der oppervlakte plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend vergunningsjaar verschuldigd vast recht reeds mocht zijn voldaan, zoo moet, indien het gewijzigd cijfer eene grootere oppervlakte van het opsporingsterrein aangeeft dan aanvankelijk was aangenomen, hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is uiterlijk op den laatsten dag der derde maand, volgende op die waarin de wijziging heeft plaats gehad, worden bijbetaald, terwijl indien het gewijzigd cijfer eene kleinere oppervlakte aangeeft, het te veel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt aanteekening gehouden in de beschikking waarbij de wijziging plaats heeft.

  • 3 In de in het tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt mede aanteekening gehouden van het gewijzigd bedrag van het vast recht en van het tijdstip waarop dat uiterlijk voor de eerste maal moet worden voldaan.

Artikel 150

  • 1 De rijksoverheid heft van iedere vergunning tot opsporing en van elken ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig art. 88 een jaarlijksch, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vast recht, evenredig aan de oppervlakte van het opsporingsterrein en ten bedrage van USD 0.03 per hectare.

  • 2 De rijksoverheid heft van iedere concessie een jaarlijksch, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vast recht, evenredig aan de oppervlakte van het concessie-terrein en ten bedrage van USD 0.14 per hectare.

  • 3 Restitutie van gedane betalingen wegens verschuldigd vast recht heeft niet plaats.

Artikel 151

Van elken ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig art. 88 nadat de tijd, waarvoor zijne vergunning was verleend of verlengd, is verstreken en voordat eene beschikking is gevolgd op zijne concessie-aanvrage, wordt vast recht geheven alsof zijne vergunning nog van kracht was en wel over alle vergunningsjaren, welke ingaan vóór den datum der beschikking op zijne concessie-aanvrage.

Artikel 152

  • 1 Van elken ontdekker, die reeds houder is van eene concessie tot ontginning op het betrokken terrein van eene andere dan de door hem ontdekte delfstof, wordt een jaarlijksch vast recht geheven, evenredig aan de oppervlakte van het door hem aangevraagde concessie-terrein, ten bedrage van USD 0.03 per hectare, en wel van het tijdstip waarop hij eene aanvraag om concessie tot winning van de door hem ontdekte delfstof heeft ingediend tot het tijdstip waarop eene beschikking op die aanvraag wordt genomen.

  • 2 Wanneer de concessie-aanvraag van den ontdekkerconcessionaris voldoet aan de gestelde vereischten dan wordt eene beschikking opgemaakt, waarin aanteekening wordt gehouden:

    • a. van de oppervlakte van het aangevraagde concessieterrein;

    • b. van het bedrag van het verschuldigd vast recht;

    • c. van de tijdstippen waarop het vast recht voor de eerste maal, en wel uiterlijk binnen drie maanden gerekend van den datum der beschikking, en verder telken jare bij vooruitbetaling moet worden voldaan;

    • d. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort,

  • 3 Van de beschikking wordt behalve aan den ontdekkerconcessionaris een afschrift gezonden aan de betrokken Ontvanger.

Artikel 153

Als belastingschuldige ten aanzien van het vast recht van vergunningen en ontdekkers is aan te merken hij die houder der vergunning of van het recht op concessie is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan.

Artikel 154

Zoodra de houder eener vergunning langer dan drie maanden achterstallig is met de betaling van het door hem verschuldigd vast recht wordt de vergunning onmiddellijk ingetrokken, onverminderd de bevoegdheid om bij niet-voldoening van het vast recht op het daarvoor bepaald tijdstip, reeds eerder tot die intrekking over te gaan.

Artikel 155

  • 1 Onze Minister verstrekt aan de betrokken ontvangers binnen acht dagen na ommekomst van elke maand, opgaven betreffende de gedurende de afgeloopen maand verleende, verlengde, overgedragen en, hetzij voor het geheele opsporingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, ingetrokken vergunningen zoomede betreffende alle vergunningen waarvan de oppervlakte overeenkomstig het bepaalde bij art. 44 gedurende die maand is gewijzigd en welke ingevolge de art. 41 en 42 moeten geacht worden niet te zijn verleend.

  • 2 In de opgaven moeten worden vermeld:

    • a. de data en nummers der betrekkelijke beschikkingen;

    • b. de namen der houders van de vergunningen waarvan vast recht verschuldigd is;

    • c. de bedragen van het verschuldigd vast recht zoomede de vergunningsjaren waarover die bedragen verschuldigd zijn;

    • d. de tijdstippen waarop het vast recht over elk vergunningsjaar uiterlijk moet worden voldaan.

Artikel 156

De betrokken ontvangers verstrekken met het oog op het bepaalde bij art. 154 binnen acht dagen na ommekomst van elke maand aan Onze Minister opgaven van de vergunningen waarvan het verschuldigd vast recht, dat in den loop dier maand moest zijn betaald, niet is voldaan.

Artikel 157

In de quitantiën voor van vergunningen en door ontdekkers betaald vast recht moet behalve van de namen der belastingschuldigen, ook melding worden gemaakt van het belastingjaar waarop de betaling betrekking heeft.

Artikel 158

  • 1 Het vast recht van concessiën wordt geheven over concessiejaren en voor iedere concessie afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het concessie-terrein zooals deze door Onze Minister is vastgesteld of ingevolge art. 98 is gewijzigd.

  • 2 Het wegens vast recht verschuldigd bedrag, moet steeds in zijn geheel worden voldaan.

  • 3 Over het eerste concessie-jaar moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de concessie is aangevangen worden voldaan.

  • 4 Over de volgende concessie-jaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elke concessie-jaar worden voldaan.

  • 5 In de beschikking waarbij eene concessie wordt verleend, wordt ingevolge art. 90 aanteekening gehouden:

    • a. van de oppervlakte van het concessie-terrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;

    • b. van het bedrag van het vast recht en van de tijdstippen waarop dat bedrag overeenkomstig dit artikel uiterlijk over het eerste concessie-jaar en verder telken jare over volgende concessie-jaren moet worden voldaan;

    • c. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort.

Artikel 159

  • 1 Ingeval:

    • a. een concessie-terrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gesplitst, een gedeelte van een concessie-terrein met dat van een aangrenzend concessie-terrein wordt verwisseld, twee of meer aan elkander grenzende concessie-terreinen tot een geheel worden vereenigd;

    • b. eene concessie op verzoek van den concessionaris gedeeltelijk wordt ingetrokken;

    • c. de oppervlakte van een concessie-terrein bij beschikking van Onze Minister krachtens art. 98 wordt gewijzigd;

    is het vast recht, berekend naar de oppervlakte van de concessie-terreinen, zooals die is vastgesteld in de beschikkingen van Onze Minister welke op de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte betrekking hebben, voor de eerste maal verschuldigd over het jaar (concessie-jaar), dat na den datum dier beschikkingen ingaat.

  • 2 Het vast recht van de concessiën, waarop de in het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen betrekking hebben, moet voor de eerste maal uiterlijk worden voldaan op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad.

  • 3 Heeft de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte van concessiën plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend jaar (concessie-jaar) verschuldigd vast recht van de oorspronkelijke oppervlakte reeds mocht zijn voldaan, zoo moet hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is, uiterlijk worden bijbetaald op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad, terwijl het teveel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt in de betrekkelijke beschikkingen van Onze Minister, bedoeld in de artt. 98, 108, 112 en 120, aanteekening gehouden. Ingevolge de evengenoemde artikelen wordt in die beschikkingen mede aanteekening gehouden van de bedragen van het verschuldigd vast recht en van tijdstippen waarop die bedragen voor de eerste maal en telkens over volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan.

Artikel 160

  • 1 Bij niet-voldoening van het vast recht vóór of op de in dit besluit voorgeschreven tijdstippen, verbeurt de concessionaris een boete van één percent van het door hem verschuldigde bedrag voor elke maand achterstand, zullende een gedeelte van een maand voor een volle maand worden gerekend.

  • 2 In de quitantiën voor betaald vast recht, moet behalve van de namen der belastingschuldigen en der concessiën , ook melding worden gemaakt van het concessie-jaar, waarop de betaling betrekking heeft.

Artikel 161

Als belastingschuldigen ten aanzien van het vast recht en als aansprakelijk voor de deswege verschuldigde boeten is aan te merken, hij die concessionaris is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan.

3de Afdeeling. Het mijnrecht of de cijns

Artikel 161a

  • 1 De houder van een concessie is over de door hem gewonnen delfstoffen cijns verschuldigd.

  • 2 De cijns bedraagt ten minste één kwart ten honderd en ten hoogste tien ten honderd van de waarde der gewone delfstoffen.

  • 3 Onze Minister stelt, bij het verlenen van de concessie, het percentage van de cijns vast, rekening houdende met de aard van de delfstoffen, zomede met de gesteldheid van het terrein waarbinnen, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ontginning zal moeten plaats vinden.

  • 4 De cijns kan op naar tijdvakken wisselende percentages worden vastgesteld.

  • 5 Indien de houder van de concessie ten genoegen van Onze Minister aantoont, dat de ontginning over het afgelopen jaar, als gevolg van bij de aanvang der concessie niet te voorziene omstandigheden, verlies heeft opgeleverd, kan Onze Minister de over dat jaar verschuldigde of betaalde cijns gedeeltelijk kwijtschelden of teruggeven.

Artikel 161b

Naast het vastrecht als bedoeld in de vorige afdeling van dit hoofdstuk is de houder van een concessie aan ’s Rijks kas verschuldigd:

hetzij uitsluitend een daarbij overeen te komen cijns over de gewonnen delfstoffen,

hetzij, nevens zodanige cijns of in plaats van cijns, een daarbij overeen te komen aandeel in de met de ontginning behaalde winst.

Artikel 161c

  • 1 Onder de waarde der gewonnen delfstoffen wordt voor de berekening van de cijns verstaan de handelswaarde dier delfstoffen ter plaatse van winning.

  • 2 Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel strekt de werkelijke verkoopprijs van de delfstoffen, al dan niet nadat deze een bewerking hebben ondergaan, tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.

  • 3 Indien de werkelijke verkoopprijs niet geacht kan worden op normale wijze tot stand te zijn gekomen, strekt de wereldmarktprijs, zo deze bestaat, en anders de geschatte verkoopwaarde tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.

Artikel 161d

  • 1 Indien cijns verschuldigd is, wordt vóór het einde van elk kalenderjaar, voor het daarop volgende kalenderjaar, de handelswaarde per eenheid produkt en per concessiehouder voorlopig vastgesteld.

  • 2 Als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt wordt aangemerkt de verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel:

    • a. welke definitief voor het voorlaatste kalenderjaar werd vastgesteld volgens onderstaande regelen, of

    • b. welke gedurende het lopende kalenderjaar werd behaald, of

    • c. welke voor het komende kalenderjaar vermoedelijk zal gelden.

  • 3 Op basis van de voorlopig vastgestelde handelswaarde vindt de heffing van de cijns in het komende kalenderjaar plaats.

  • 4 Binnen tien maanden na afloop van dat kalenderjaar wordt aan de hand van de uitkomsten van het ontginningsbedrijf van de concessiehouder gedurende dat jaar de handelswaarde per eenheid produkt over dat kalenderjaar definitief vastgesteld

  • 5 Voor het eerste kalenderjaar of het nog overblijvende gedeelte daarvan, zal van een ontginning als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt worden aangemerkt de vermoedelijke verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, welke voor het mijnprodukt in dit tijdvak zal gelden.

  • 6 De vaststelling van de voorlopige en de definitieve handelswaarde geschiedt bij beschikking van de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES. Een afschrift van de beschikking wordt per aangetekende brief toegezonden of tegen schriftelijk ontvangstbewijs uitgereikt aan de concessiehouder of zijn vertegenwoordiger.

  • 7 De concessiehouder is tegenover ’s Rijks kas aansprakelijk voor de cijns.

Artikel 161e

  • 1 De concessiehouder is verplicht zijn boekhouding in te richten volgens door de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES te stellen regelen en hij is gehouden desgevraagd aan de door de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES.aan te wijzen ambtenaren of deskundigen inzage te verlenen van boeken of andere bescheiden welke tot staving van zijn aangifte kunnen dienen.

  • 2 Binnen acht dagen na afloop van elke maand doet de concessiehouder aangifte bij de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES van de gedurende die maand geleverde produkten en betaalt hij de cijns berekend naar de voorlopig vastgestelde handelswaarde, bij de ontvanger, onder overlegging van een afschrift van de aangifte.

  • 3 Binnen acht dagen na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde over enig jaar definitief werd vastgesteld betaalt de concessiehouder de te weinig betaalde cijns bij de ontvanger.

  • 4 De bepalingen van hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op de invordering of de navordering van de cijns.

  • 5 ’s Rijks kas heeft voor de cijns recht van voorrang, gaande boven alle andere bestaande voorrechten, daaronder begrepen pand en hypotheek, behalve de voorrechten bij de artikelen 1165 ten eerste en 1175 ten eerste van het Burgerlijk Wetboek BES bepaald, op alle roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige.

Artikel 161f

  • 1 Tegen de vaststelling van de voorlopige of de definitieve handelswaarde kan binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking een met reden omkleed beroepschrift worden ingediend bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken, die in hoogste instantie beslist.

  • 2 De Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Beroep.

Artikel 161g

Gedurende vijf jaren na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde definitief werd vastgesteld kan de niet of te weinig betaalde cijns worden nagevorderd.

Artikel 161h

  • 1 Indien de concessiehouder opzettelijk geen of te weinig verschuldigde cijns betaalt is artikel 154 van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Bij niet tijdige voldoening van de cijns is artikel 160 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 161i

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen tot uitvoering van de artikelen 161A tot en met 161H worden vastgesteld.

Hoofdstuk IX. Over de rechten en verplichtingen uit de vergunningen tot opsporing en de concessiën tot ontginning voortvloeiende

Artikel 162

  • 1 De vergunning tot het doen van opsporingen geeft den houder, met uitsluiting van ieder ander, het recht om overeenkomstig de voorschriften der Mijnwet BES en van dit besluit, en de bij de vergunning gestelde voorwaarden, in het onderzoekingsveld alle werkzaamheden te verrichten, noodig tot opsporing van de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen of ten doel hebbende den aard der aangetroffen delfstofafzettingen en der daarin voorkomende delfstoffen te beoordeelen.

  • 2 Over de door hem verkregen delfstoffen mag de opspoorder, behoudens de rechten van anderen, vrijelijk beschikken.

  • 3 Hetgeen in de artt. 164, 165 en 166 bepaald is omtrent concessionarissen en ontginningen is eveneens van toepassing op houders van vergunningen tot het doen van opsporingen en door hen verrichte opsporingen.

Artikel 163

  • 1 De concessie geeft den concessionaris overeenkomstig de voorschriften dezer wet en op de in de akte van concessie gestelde voorwaarden, binnen het mijnveld het uitsluitend recht tot het winnen der in die akte genoemde delfstoffen en tot den aanleg van alle daartoe benoodige werken, zoo op als onder den grond; dit recht strekt zich uit tot binnen het mijnveld gelegen oude ertshoopen van vroegere ontginningen of opsporingen.

  • 2 Delfstoffen genoemd in artikel 1a van de Mijnwet BES, die niet in de akte van concessie zijn genoemd, mogen door den concessionaris, tenzij hij tot de winning daarvan eene nadere concessie heeft verkregen, niet gewonnen worden, dan voor zoover, ter beoordeeling van Onze Minister, de samenhang dier delfstoffen met de in de akte van concessie genoemde hare gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt. Heeft een ander in hetzelfde mijnveld eene concessie voor de winning van die delfstoffen, dan moet de overeenkomstig dit lid gewonnen hoeveelheid daarvan op zijne vordering, tegen vergoeding der kosten van voortbrenging aan hem worden afgestaan.

Artikel 164

  • 1 De concessionaris is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door de onderneming aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond en hetgeen daartoe behoort toegebracht, onverschillig of ontginningswerken al dan niet daaronder hebben plaats gehad, of de schade door eene opzettelijke daad zijnerzijds veroorzaakt is of niet, dan wel of zij al of niet had kunnen worden voorzien.

  • 2 Is de schade door twee of meet ontginningen veroorzaakt, dan zijn de concessionarissen daarvan gemeenschappelijk en wel tot gelijke deelen tot vergoeding der schade gehouden, onverminderd het recht om onderling terug te vorderen wat elk dientengevolge meer mocht hebben bijgedragen dan zijn aandeel in de schade bedraagt. Evenwel zal het aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond vrijstaan om, het bewijs leverende dat de verhouding van concessionarissen wat betreft elks aandeel in de toegebrachte schade anders is dan die van gelijke deelen, dienovereenkomstig hunne vordering tot schadevergoeding in te richten.

  • 3 De verplichting tot vergoeding strekt zich niet uit tot schade aan gebouwen of inrichtingen tot stand gekomen op een tijdstip dat het gevaar, waarmede die door de ontginning bedreigd worden, den rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond bij gewone opmerkzaamheid niet onbekend had kunnen blijven. Behoort, tengevolge van het door de ontginning veroorzaakte gevaar, de oprichting van zoodanige werken boven den grond achterwege te blijven, dan kunnen rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond daaraan geen aanspraak op schadevergoeding wegens waardevermindering ontleenen, indien het blijkt, dat hun geopenbaard voornemen om zoodanige werken op te richten kennelijk slechts het ontvangen van schadevergoeding ten doel heeft.

Artikel 165

  • 1 Wanneer het noodig is, dat de werkzaamheden van naburige ontginningen in onderling verband worden verricht, en de concessionarissen zich dienaangaande niet onderling kunnen verstaan, zijn ze gehouden zich te gedragen naar de regelingen, ter zake door Onze Minister te treffen.

  • 2 De concessionaris is aansprakelijk voor de schade, die hij aan eene naburige ontginning toebrengt.

Artikel 166

De aanspraak op schadeloosstelling, in de artt. 163 en 164 bedoeld, voor zoover zij niet gegrond is op eene overeenkomst, verjaart door verloop van drie jaren, te rekenen van den dag, waarop de schade aan den belanghebbende bekend is.

Artikel 167

  • 1 De concessionaris is verplicht;

    • a. binnen den tijd van twee jaren na den datum van de beschikking waarbij de concessie is verleend of van de beschikking waarbij het beloop der concessie- grenzen krachtens artt. 98, 100 of 114 is gewijzigd, de begrenzing van het concessieterrein dienovereenkomstig af te bakenen door plaatsing op de daarvoor in de betrekkelijke beschikking of op de daarbij behoorende kaart aangegeven punten,van goed gefundeerde steenen of ijzeren merkteekens, waarop ten minste 1.50 meter boven den beganen grond de letters M. C. zoomede de beginletters van ieder in den naam der concessie voorkomend woord zijn aangebracht;

    • b. op daartoe van rijksoverheidswege gedane aanzegging en binnen den tijd, op de wijze en op de plaatsen, voor elk geval aangegeven, ter nadere aanwijzing van de grenzen van het concessie-terrein merkteekens op andere punten dan de door sub a aan te brengen;

    • c. de merkteekens in behoorlijken staat te onderhouden;

    • d. de merkteekens, vervallen wegens wijziging van het beloop der concessie-grenzen, binnen den tijd van één jaar na den datum van de wijzigingsbeschikking, maar niet alvorens de in verband met de wijziging noodige nieuwe merkteekens zijn aangebracht, te verwijderen.

  • 2 Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is bevoegd voor en namens den nalatigen concessionaris en op diens kosten en risico de merkteekens overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, te doen plaatsen, onderhouden en verwijderen.

Artikel 168

  • 1 De concessionaris is bevoegd om de plaatselijke leiding der ontginning en daarmede in verband staande werkzaamheden aan een beheerder der onderneming op te dragen.

  • 2 De beheerder der onderneming moet door of vanwege den concessionaris worden voorzien van een schriftelijke volmacht, waarin zijne bevoegdheden duidelijk zijn omschreven; de volmacht moet telkens op aanvrage aan de bestuurs- en de met het toezicht belaste ambtenaren worden vertoond.

  • 3 De concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen zijn verplicht aan Onze Minister opgave te doen van den naam en de woonplaats van den beheerder van elke onderneming, en zulks binnen dertig dagen nadat diens aanstelling heeft plaats gehad. Deze bepaling is ook van toepassing op tijdelijk vervangende en waarnemende beheerders.

Artikel 169

Onder den aanleg binnen het mijnveld van werken,als bedoeld in art. 163 noodig tot het winnen der in de concessiebeschikking genoemde delfstoffen wordt verstaan de uitvoering van alle opsporings- en ontginningswerken, zoo op als onder den grond, en van al hetgeen ten dienste daarvan strekt, als:

de aanleg van stapel-, opslag- en scheepplaatsen, van los- en laadhoofden en aanlegplaatsen voor schepen, van land- en waterwegen, met inbegrip van spoorwegen, van machine-installaties, van verzamelplaatsen van water en andere vloeistoffen, van buis- en andere leidingen, van wasch-, sorteerings- en reinigingsinrichtingen en van smeltovens; de plaatsing van merkteekens tot afbakening en van de concessie-grenzen; de oprichting van tot uitvoering van het mijnbouwbedrijf en tot huisvesting, voeding of verpleging der werklieden bestemde gebouwen en inrichtingen; het aanbrengen van toe- en afvoerwegen van lucht; de oprichting van magazijnen voor springmiddelen en de toegangswegen daarheen en van inrichtingen tot fabricatie van cokes en briketten indien die ter plaatste der kolenontginning worden opgericht; zoomede de aanleg en uitvoering van alle andere voor het bedrijf noodige werken waaromtrent in geval van twijfel door Onze Minister wordt beslist dat zij vallen onder de in art. 163 genoemde werken.

Artikel 170

  • 1 De concessionaris is bevoegd om, buiten zijn concessieterrein hulpwerken aan te leggen. Hij is ook bevoegd tot dien aanleg binnen het mijnveld van een anderen concessionaris, voor zoover die hulpwerken waterloozing of luchtverversching dan wel voordeeliger uitoefening van zijn eigen mijnbouwbedrijf ten doel hebben en het mijnbouwbedrijf van dien anderen concessionaris daardoor belemmerd noch met gevaar bedreigd wordt.

  • 2 Betwist de concessionaris, binnen wiens mijnveld het hulpwerk van een anderen concessionaris zou moeten worden aangelegd, zijne verplichting om dien aanleg te gedoogen, zoo mag daartoe eerst worden overgegaan nadat Onze Minister ter zake beslist en verlof tot den aanleg verleend heeft.

  • 3 De concessionaris, die eenig hulpwerk binnen het mijnveld van een anderen concessionaris aanlegt, is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door dien aanleg aan dat mijnveld en de daarin voorkomende werken toegebracht.

  • 4 De delfstoffen gewonnen bij den aanleg van hulpwerken worden, voor zoover de concessionaris, door wien die werken ten behoeve van zijn bedrijf zijn aangelegd,die behoudt, beschouwd als een deel van de opbrengst van de door hem gedreven mijnontginning.

  • 5 De delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken binnen het mijnveld van een anderen concessionaris, moeten aan dezen op zijn verlangen kosteloos worden afgegeven voor zoover hem concessie is verleend voor de winning van die delfstoffen.

  • 6 Het hulpwerk wordt beschouwd als één geheel uit te maken met het mijnveld ten behoeve waarvan het is aangelegd of, indien het ten behoeve van meer dan één mijnveld is aangelegd en de betrokken concessionarissen daaromtrent niet anders zijn overeengekomen, als deel van die verschillende mijnvelden.

Artikel 171

  • 1 Over de door den concessionaris bij zijne ontginning gewonnen, niet in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen, mag door hem zonder eenige vergoeding aan den rechthebbende op den grond vrijelijk worden beschikt evenwel uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf. Wint de concessionaris die delfstoffen bij zijn bedrijf en beschikt hij daarover niet uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf, dan moet door hem voor die beschikking aan den rechthebbende op den grond schadevergoeding worden betaald dan wel is de rechthebbende op den grond bevoegd te vorderen, dat aan hem de gewonnen hoeveelheid der delfstoffen door den concessionaris tegen vergoeding der kosten van voortbrenging wordt afgestaan.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is ook van toepassing op de daar bedoelde delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken.

Artikel 172

Onder de kosten van voortbrenging bedoeld in art. 171 en in het tweede lid van art. 163 zijn, behalve die van winning, ook de kosten van transport tot de plaats van levering begrepen.

Hoofdstuk X. Over de rechten en verplichtingen van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, voor het geval ten behoeve van opsporingen of ontginningen over den grond moet worden beschikt en van naburige concessionarissen onderling.

Eerste Afdeeling. Algemeene bepalingen

Artikel 173

De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden zijn gehouden het doen van opsporingen in den grond te gedoogen:

  • a. mits zij door den houder der vergunning vooraf, onder vertoon van de vergunning of een authentiek afschrift daarvan, in kennis gesteld zijn met diens voornemen tot het doen van opsporingen en met de plaats waar die zullen geschieden;

  • b. tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling.

Artikel 174

Opsporingen worden niet toegelaten:

  • a. in terreinen of streken, gereserveerd hetzij voor opsporing of ontginning van rijksoverheidswege, hetzij voor de uitgifte van eene concessie na openbare mededinging volgens de art. 124–133;

  • b. in terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zoolang zij ingevolge die vergunning eene aanspraak op concessie geldend kunnen maken;

  • c. in terreinen of streken door Onze Minister om redenen van algemeen belang voor opsporingen gesloten.

Artikel 175

  • 1 Opsporingen, die zich binnen het onderzoekingsveld uitstrekken tot een mijnveld waarvoor aan een ander concessie is verleend, mogen binnen dat mijnveld slechts worden verricht ten aanzien van delfstoffen voor welker winning nog geen concessie is verleend.

  • 2 De concessionaris is verplicht, desgewenscht tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, het doen van opsporingen in zijn mijnveld door een ander te gedoogen, mits de beheerder der onderneming tweemaal vier en twintig uren vóór den aanvang dier opsporingen op den voet van art. 173 sub a door den houder der vergunning met diens voornemen daartoe wordt in kennis gesteld.

  • 3 De schadeloosstelling dan wel de te stellen zekerheid worden, wanneer partijen in dat opzicht niet tot eenstemmigheid kunnen geraken, op de vordering van den houder der vergunning overeenkomstig de artt. 188 tot en met 209 bepaald door den rechter, bevoegd om kennis te nemen van geschillen van denzelfden aard met betrekking tot de concessie.

  • 4 Doen die opsporingswerken gevaar ontstaan voor de stevigheid der mijnwerken dan wel voor den ongestoorden gang van het bedrijf van den concessionaris, of wel is het te voorzien dat dit het gevolg zal zijn van den aanleg van de opsporingswerken, dan worden die door Onze Minister verboden.

Artikel 176

De beschikking waarbij Onze Minister, wegens een der redenen genoemd in art. 174, eenig terrein of eenige streek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor mijnbouwkundige opsporingen sluit en die waarbij nader geheel of gedeeltelijk op deze beslissing wordt teruggekomen, worden genomen na raadpleging van den Raad van Bestuur; die beschikkingen worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Artikel 177

  • 1 Opsporingen strekken zich binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden:

    • A. gelegen binnen een afstand van 25 meter:

      • 1°. van kerkhoven of graven;

      • 2°. van openbare of gewijde gronden;

      • 3°. van publieke wegen;

    • B. waarop zich beplantingen bevinden die, naar het oordeel van Onze Minister, in strijd met het algemeen belang geheel of gedeeltelijk door de opsporingen zouden kunnen worden verstoord of vernield.

  • 2 Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen bewilliging van Onze Minister, binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden gelegen binnen den afstand van 50 meter van overheidsgebouwen, noch tot die gelegen binnen den verboden kring van versterkingen.

  • 3 Opsporingen strekken zich binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden, waarop die door Onze Minister, om redenen van algemeen belang, zijn verboden. Het bepaalde in art. 176 is hierop van toepassing.

  • 4 Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen toestemming van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat, niet uit tot gronden, gelegen binnen den afstand van 50 meter van woonhuizen, fabrieken en andere gebouwen.

Artikel 178

Hetgeen in art. 177 omtrent opsporingen is bepaald, is ook van toepassing op de beschikking over den bovengrond ten behoeve van ontginningen.

Artikel 179

De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden zijn verplicht de voor de in artt. 169 en 170 genoemde werken benoodigden grond overeenkomstig de voorschriften van dit besluit aan den concessionaris voor zijne ontginning af te staan.

Artikel 180

  • 1 Indien voor eene ontginning de beschikking over den bovengrond noodig is voor geen langer tijdperk dan drie jaren, is daarop van toepassing hetgeen in art. 173 omtrent opsporingen is bepaald, met dien verstande, dat wat daar ten aanzien van den houder der vergunning is voorgeschreven, hier op den concessionaris toepasselijk is en dat in dit geval zal moeten worden vertoond een authentiek afschrift der akte waarbij de concessie-beschikking is openbaar gemaakt.

  • 2 Indien de beschikking over den grond voor een langer tijdperk noodig is, of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt en partijen zich over den afstand van den grond niet kunnen verstaan, wordt op verzoek der meest gereede partij overgegaan tot toepassing der bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte. De onteigening van alle voor eene ontginning noodige eigendommen behoeft niet tegelijkertijd te worden gevraagd.

Artikel 181

  • 1 Op gronden behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba verleent Onze Minister, onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden en behoudens de rechten van derden, verlof tot het maken van wegen ten behoeve der ontginning en recht van opstal tot plaatsing der noodige gebouwen, inrichtingen en werkplaatsen.

  • 2 Is voor de aanleg van wegen of van hulpwerken, overeenkomstig het eerste lid van art. 170 ten behoeve der ontginning de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorenden grond buiten het concessie-terrein noodig en blijkt het dat partijen zich over den afstand van dien grond niet kunnen verstaan, dan geldt te dien aanzien het tweede lid van het voorgaand artikel.

Artikel 182

De verklaring, dat ten behoeve van eene ontginning gronden als bedoeld in art. 180 en in het tweede lid van art. 181 noodig zijn, wordt gegeven door Onze Minister.

Artikel 183

  • 1 De krachtens de Mijnwet BES en dit besluit aan opspoorders en concessionarissen toegekende rechten en opgelegde verplichtingen voor zooveel betreft de tijdelijke beschikking over den afstand in eigendom van vreemden grond tegen behoorlijke schadeloosstelling, zoomede de vergoeding van veroorzaakte schade, zijn in geval van rijksoverheidswege ondernomen opsporingen en ontginningen van toepassing op de rijksoverheid, voor zoover van dit voorschrift in dit besluit niet bepaaldelijk wordt afgeweken.

  • 2 Wanneer opsporingen of ontginningen door de rijksoverheid worden bewerkstelligd, worden in de betrekkelijke artikelen van dit besluit met onderzoekings-en concessieterreinen gelijkgesteld de door de rijksoverheid respectievelijk voor zijn opsporingen of ontginningen gereserveerde terreinen.

Artikel 184

  • 1 De schulden, voortspruiende uit de verplichting tot schadevergoeding en uit het in gebruik nemen van gronden, volgens art. 179 en het tweede lid van art. 181, zijn bevoorrecht op de concessie, op het product der ontginning en op den inventaris.

  • 2 Het hierbedoelde voorrecht gaat boven pand en hypotheek.

Artikel 185

Hetgeen in art. 177 omtrent opsporingen is bepaald, is ook van toepassing op de beschikking over den bovengrond ten behoeve van ontginningen, zoodat daar, waar volgens dat artikel geen opsporingen mogen worden verricht, ook geen ontginningen worden toegestaan.

Tweede Afdeeling. Beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen.

Artikel 186

De in art. 173 aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden opgelegde verplichting om ten aanzien van den grond waarop zij rechten uitoefenen het doen van mijnbouwkundige opsporingen te gedoogen, strekt zich uit tot de oprichting en de bewerkstelliging door den opspoorder, op die gronden, van alle werken en werkzaamheden noodig voor het doen van de door hem in te stellen mijnbouwkundige opsporingen.

Artikel 187

  • 1 Het in art. 173 sub a bedoelde vertoonen van de vergunningsbeschikking of een authentiek afschrift daarvan aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden door den houder der vergunning, onder mededeeling tevens van de plaats of plaatsen waar hij zijne opsporingen wenscht in te stellen, zal telkens moeten geschieden ten minste tweemaal vier en twintig uren vóórdat met die opsporingen een aanvang wordt gemaakt. Indien de opsporingen moeten worden verricht in grond behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba, behooren de vertooningen van de vergunningsbeschikking of van een authentiek afschrift daarvan en de mededeeling van de plaats of plaatsen, waar de houder der vergunning de opsporingen wenscht in te stellen, ook te geschieden aan de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 2 Indien opsporingen van rijksoverheidswege worden ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van dit artikel genoemde stuk, een afschrift van de beschikking:

    • a. waaruit blijkt dat de rijksoverheid zelf mijnbouwkundige opsporingen binnen zeker gebied wenscht te doen instellen;

    • b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit die door de rijksoverheid is gemachtigd om in zijn naam ter zake van de sub a bedoelde opsporingen het noodige, ook in rechten, te verrichten.

  • 3 Wordt beschikking over den bovengrond verlangd door personen die krachtens art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken nadat de tijd, waarvoor hunne vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen was verleend of verlengd, reeds is verstreken,dan zijn zij niettemin verplicht tot de vertooning, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, van de hun uitgereikte vergunningsbeschikking of een authentiek afschrift daarvan en wordt daaraan, ook in rechten, gelijke kracht toegekend als vóór het verstrijken van den vergunningstermijn.

Artikel 188

In het geval bedoeld in art. 173, dat de houder van eene vergunning ten behoeve van zijne opsporingen, de beschikking noodig heeft over grond, zal hij daartoe eerst bij minnelijke overeenkomst de tijdelijke beschikking over dien grond tegen vooraf betaalde of vooraf verzekerde schadeloosstelling trachten te verkrijgen, na de sub a van dat artikel bedoelde vertooning en kennisgeving te hebben gedaan.

Artikel 189

Wanneer ten behoeve van de opsporingen tijdelijke beschikking noodig is over grond behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarop derden geen recht uitoefenen, wordt voor die tijdelijke beschikking geen vergoeding aan de rijksoverheid gevorderd tenzij de grond door het in gebruik nemen naar het oordeel van Onze Minister grootendeels of geheel waardeloos zal worden, in welk geval eene door Onze Minister vast te stellen schadeloosstelling zal moeten worden betaald of vooraf verzekerd.

Artikel 190

  • 1 Kunnen de houder der vergunning tot opsporing eenerzijds, en de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbende anderzijds, zich over de tijdelijke beschikking over den grond en de daarvoor te geven schadeloosstelling niet verstaan, dan kan de eerstgenoemde tegen de laatstgenoemden eene rechtsvordering instellen voor het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, ten einde door dezen vooreerst te worden gemachtigd om voor een bepaalden tijd over den noodigen grond tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen te beschikken en dat wel terstond nadat door den eischer een door den rechter te bepalen bedrag als zekerheid zal zijn gesteld, opdat daaruit later de als schadeloosstelling te betalen som kunne worden voldaan, zoomede ten einde door den rechter nader bij eindvonnis het bedrag te hooren vaststellen dat ter zake als schadeloosstelling aan de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden zal moeten worden uitgekeerd.

  • 2 Omtrent de vordering tot machtiging om over den noodigen grond te mogen beschikken, benevens tot bepaling van het bedrag der zekerheidstelling wordt door den rechter eerst en vooraf bij afzonderlijk vonnis uitspraak gedaan. Wordt de machtiging verleend met bepaling van het bedrag der zekerheidstelling, dan wordt tegen dit incidenteel vonnis geen hoogere voorziening toegelaten.

  • 3 Van de verleende machtiging om over den grond te beschikken kan onmiddellijk worden gebruik gemaakt nadat het door den rechter bepaald bedrag der zekerheidstelling ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd. Door den griffier wordt daarvan een akte opgemaakt, welke hij, die de rechtsvordering heeft ingesteld, aan de rechthebbende op den grond en (of) derde belanghebbenden doet beteekenen.

Artikel 191

Wanneer de rechthebbende op den grond of derde belanghebbende buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding tegen den gevolmachtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bekend is en zoo ook deze onbekend is tegen een derde binnen het ressort van den rechter wonende, nadat aan deze door den bevoegden rechter zal zijn opgedragen de goederen en belangen van den rechthebbende op den grond of derden belanghebbende geheel of gedeeltelijk te beheeren en waar te nemen, voor zijne rechten op te komen en hem daarbij te vertegenwoordigen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezigen en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen. Desniettemin is de rechthebbende op den grond of derde belanghebbende gerechtigd in het geding, tegen den gevolmachtigde, den bewindvoerder dan wel den door den rechter benoemde ingesteld, zelf op te treden, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied of het verzoekschrift als hem rechtstreeks betreffende wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

Artikel 192

  • 1 Het geding wordt aanhangig gemaakt bij dagvaarding. Deze dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, vermelden:

    • a. den naam en de woonplaats van den rechthebbende op den grond en (of) derden belanghebbende, tegen wien de eisch betreffende tijdelijke beschikking over den grond wordt ingesteld;

    • b. eene opgave van de grondstukken,waarover de houder der vergunning tijdelijk voor het doen van opsporingen wenscht te beschikken, en zulks wat betreft hun ligging, grootte en grenzen;

    • c. beschrijving van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;

    • d. den tijd gedurende welken vermoedelijk over den grond zal worden beschikt;

    • e. de som welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, hetzij die schadeloosstelling in jaarlijksche gedeelten dan wel in eens in haar geheel gekweten zal worden.

  • 2 Bij de dagvaarding moeten worden overgelegd:

    • a. het bewijs dat de eischer vergunning heeft gekregen tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen voor een terrein waarbinnen de in de dagvaarding genoemde grondstukken gelegen zijn, dan wel de in het tweede en derde lid van art. 187 genoemde bescheiden;

    • b. eene situatieteekening van de grondstukken, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, opgemaakt door den rooimeester, tenzij ten genoegen van den rechter wordt aangetoond dat eerstgenoemde in de onmogelijkheid heeft verkeerd den rooimeester met dezen arbeid te belasten;

    • c. eene project van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;

    • d. eene verklaring van den betrokken bewaarder der hypotheken, behelzende opgave wie blijkens de door dien bewaarder aangehouden register als rechthebbenden op de gronden, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, behooren te worden aangemerkt en wie daarop andere zakelijke rechten dan dat van eigendom uitoefenen.

Artikel 193

  • 1 De rechter behandelt zaken aangaande tijdelijke beschikking over gronden vóór elke andere.

  • 2 Behoudens de gevallen waarin de rechter zich onbevoegd moet verklaren, de vordering om eenige andere reden behoort te worden ontzegd, de eischer met zijne vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel de nietigverklaring van de dagvaarding behoort te worden uitgesproken, mag de gevraagde machtiging om over de in de dagvaarding genoemde gronden te mogen beschikken, door den rechter slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd in de gevallen voorzien bij artt. 174 en 177, dan wel wanneer het recht om opsporingswerken te verrichten is vervallen.

  • 3 Alle gronden van verdediging, zoo exceptieve als die welke de hoofdzaak betreffen, moeten op verbeurte van het recht om de overige in te brengen, tegelijkertijd worden voorgesteld.

Derde Afdeeling. Van het geding.

Artikel 194

  • 1 Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen ter opneming der schade door de tijdelijke beschikking over den grond aan de rechthebbenden op dien grond en derde belanghebbenden te veroorzaken.

  • 2 Op denzelfden dag of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.

  • 3 Partijen kunnen in dezelfde terechtzitting hare conclusiën bij pleidooien breeder ontwikkelen.

  • 4 Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.

  • 5 Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de andere niet, wordt met den verschijnende onmiddellijk voortgeprocedeerd en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd en waartegen geen verzet wordt toegelaten.

  • 6 Uiterlijk acht dagen na de terechtzitting doet de rechter uitspraak omtrent het krachtens het eerste lid van dit artikel gedaan verzoek en nopens de in art. 190 bedoelde machtiging om over den grond te mogen beschikken, zoomede nopens het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gedeponeerd alvorens tot beschikking over den grond mag worden overgegaan.

  • 7 Na de bij incidenteel vonnis bepaalde zekerheid te hebben gesteld, kan de aanlegger onmiddellijk tot het doen van opsporingen op den in het vonnis omschreven grond overgaan in afwachting van de nader door den rechter bij eindvonnis te bepalen schadeloosstelling.

Artikel 195

Tegen de uitspraak des rechters, waarbij hij zich onbevoegd verklaart dan wel houdende nietig-verklaring van de dagvaarding, niet-ontvankelijk verklaring van den eischer of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.

Artikel 196

  • 1 Buiten de gevallen in art. 195 genoemd, benoemt het Hof één of meer deskundigen in oneven getal ten einde haar aangaande de te betalen schadeloosstelling van voorlichting te dienen.

  • 2 Het benoemt voorts een zijner leden om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek van den deskundige of de deskundigen tegenwoordig te zijn.

Artikel 197

  • 1 Het in het zesde lid van art. 194 bedoeld vonnis wordt door den eischer aan de gedaagden beteekend, ten minste acht dagen vóór dien, waarop bij het vonnis het onderzoek van den deskundige of de deskundigen is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn.

  • 2 Bij afwezigheid der gedaagden gaat het in het voorgaand lid bedoeld onderzoek toch door.

  • 3 Het vonnis wordt, zoo spoedig mogelijk, door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.

  • 4 De rechter-commissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen. De griffier roept de deskundigen op.

Artikel 198

  • 1 De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den rechter-commissaris den eed af.

  • 2 Zij kunnen op de gronden in art. 1932 van het Burgerlijk Wetboek BES vermeld, door partijen gewraakt worden.

  • 3 De rechter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld; van zijne beslissing valt geen hooger beroep.

  • 4 In de plaats der deskundigen die niet opgekomen zijn of weigeren aan hunne verplichtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen.

  • 5 Indien tengevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de rechter-commissaris daarvoor een anderen tijd,waarvan geen beteekening door partijen, doch alleen mededeeling door den griffier geschiedt aan de nieuw benoemde en nog niet verschenen deskundigen.

  • 6 De rechter-commissaris brengt de bepalingen van de Onteigeningswet BES, voor zooveel noodig of wenschelijk onder de aandacht der in dit artikel bedoelde deskundigen, voor wie deze bepalingen evenwel slechts als richtsnoer zullen dienen.

Artikel 199

Partijen kunnen aan den rechter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.

Artikel 200

  • 1 Ook ambtshalve kan de rechter-commissaris te allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling van de zaak nuttig mocht achten.

  • 2 Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den rechter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

Artikel 201

De formaliteiten, bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke rechtsvordering voorgeschreven, omtrent het getuigenverhoor en het bericht van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.

Artikel 202

  • 1 Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de rechter-commissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet opkomen of zonder wettige redenen weigeren de van hen gevraagde inlichtingen te geven, of wel de eersten den bij art. 198 gevorderden eed niet willen afleggen, worden zij door den rechter-commissaris veroordeeld tot vergoeding der tevergeefs gedane onkosten en tot eene boete van ten hoogste USD 28, alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de partijen tot vergoeding van kosten, schaden en interesten.

  • 2 Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift om billijke redenen van de tegen hen uitgesproken veroordeeling vrijspreken.

Artikel 203

  • 1 De griffier maakt van het bij onderzoek voorgevallene een proces-verbaal op, door den rechter-commissaris en hem te onderteekenen.

  • 2 Hij neemt daarin de verklaringen op der personen bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend.

  • 3 De deskundigen doen hun advies in het proces-verbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.

  • 4 Ingeval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

  • 5 De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling berust.

  • 6 In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie in art. 204 voorgeschreven, zal plaats hebben.

Artikel 204

De in art. 203 genoemde stukken worden gedurende veertien dagen ter inzage der partijen op de griffie nedergelegd, gedurende welken tijd partijen hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben medegedeeld, schriftelijk aan den rechter-commissaris kunnen indienen.

Artikel 205

  • 1 Na afloop van die veertien dagen brengt de rechter-commissaris in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde terechtzitting zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen vereischt wordt.

  • 2 Op dezelfde terechtzitting kunnen partijen hare conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen.

  • 3 Indien de rechter in het bericht der deskundigen de vereischte inlichting niet vindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, welke aan de vroegeren zoodanige ophelderingen mogen vragen als zij oorbaar achten.

  • 4 Wanneer hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid, doet hij uiterlijk acht dagen na de terechtzitting bedoeld in het tweede lid van dit artikel, uitspraak over de schadeloosstelling aan rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden uit te keeren.

Artikel 206

  • 1 Alleen de werkelijke waarde der gronden, niet de denkbeeldige welke zij uitsluitend voor den persoon van den rechthebbende op den grond dan wel voor den betrokken derden belanghebbende hebben, komt in aanmerking.

  • 2 Daarbij wordt gelet op de vermindering van waarde, welke de grond geacht wordt te zullen hebben ondergaan op het oogenblik, dat de rechthebende of derde belanghebbende dien terugontvangt, met het oog op het gebruik dat van den grond door den rechthebbende wordt gemaakt.

  • 3 De meerdere waarde die de grond, waarover wordt beschikt, in verband met de voor het verrichten der opsporingen op te richten werken geacht wordt te zullen verkrijgen, komt bij de bepaling der schadeloosstelling niet in aanmerking.

Artikel 207

Bij de berekening der schadeloosstelling voor beschikking over grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen wordt acht geslagen op de mindere waarde, welke voor de niet door den opspoorder in gebruik genomen gronden het noodzakelijk gevolg is van die beschikking.

Artikel 208

Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadeloosstelling meer bedraagt dan het gedane aanbod, wordt de houder der vergunning in de kosten van het rechtsgeding verwezen; in de overige gevallen kunnen de kosten, naar gelang de rechter daartoe termen vindt, worden gebracht hetzij ten laste van den rechthebbende op den grond en (of) derden belanghebbende, die met de aangeboden schadeloosstelling geen genoegen heeft genomen, hetzij voor een gedeelte te hunne laste en voor het overige gedeelte ten laste van den houder der vergunning, hetzij geheel ten laste van laatstgenoemde.

Artikel 209

Tegen het in het vierde lid van art. 205 bedoeld vonnis, waarbij de te betalen schadeloosstelling is bepaald,wordt met inachtneming van de ter zake bestaande bepalingen hooger beroep toegelaten.

Vierde Afdeeling. Van de gevolgen van het stellen van zekerheid en de tijdelijke beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen

Artikel 210

Wanneer de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbende weigeren den grond in gebruik te geven, nadat de partij, aan wie door den rechter machtiging tot tijdelijke beschikking over den grond is verleend, de door den rechter bepaalde som als zekerheid ter griffie heeft gestort en de daarvan ingevolge het derde lid van art. 190 opgemaakte akte aan eerstgenoemden heeft doen beteekenen, kunnen zij met inachtneming van het bepaalde in art. 211 tot ontruiming van den grond genoodzaakt worden.

Artikel 211

  • 1 In het geval van art. 210 wordt de partij van den rechter machtiging heeft verkregen om tijdelijk over den grond te beschikken, op door haar daartoe aan den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie gedaan verzoek krachtens bevelschrift van dezen, desnoods door middel van den sterken arm, in het tijdelijk bezit der in het vonnis omschreven gronden gesteld.

  • 2 Bij het verzoekschrift aan den president moet worden overgelegd afschriften van het vonnis waarbij de machtiging om tijdelijk over den grond te beschikken is verleend, en van de akte waaruit van de deponeering van de als zekerheid bepaalde som blijkt, zoomede het exploit van beteekening dier akte.

Artikel 212

  • 1 De opspoorder of de ontdekker die zijne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzet of de rijksoverheid dat tot het doen van opsporingen tijdelijk heeft beschikt over gronden, waarop anderen rechten uitoefenen, dan wel waarbij andere belang hebben, is gehouden die gronden na gemaakt gebruik weder ter beschikking te stellen van de daarop rechthebbenden en (of) derde belanghebbenden. Daaraan veroorzaakte schade, dan wel de mindere waarde die de grondstukken bij de teruggave mochten hebben, behoort door hem, die over den grond heeft beschikt, te worden vergoed; daarop door hem opgerichte gebouwen of getimmerten moeten door hem worden verwijderd; door hem gelegde buisleidingen moeten door hem worden weggehaald; door hem geboorde gaten of gegraven waterleidingen moeten door hem worden gestopt en dichtgemaakt, een en ander onverminderd het bepaalde bij art. 189.

  • 2 De door den opspoorder op gronden behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangelegde wegen vervallen, nadat over die gronden ten behoeve van de opsporingen is beschikt, tenzij die wegen daarna moeten dienen voor eene op de opsporing gevolgde ontginning en behoudens de rechten van derden, aan de rijksoverheid, zonder dat eenige vergoeding verschuldigd is aan hem die over de gronden heeft beschikt. Hetzelfde geldt voor de op die gronden opgerichte gebouwen en getimmerten van den opspoorder, welke niet binnen een door Onze Minister bepaalden termijn zijn verwijderd of waarover binnen dien termijn niet op eene andere door dezen goedgekeurde wijze is beschikt.

  • 3 Bij nalatigheid om aan de in het eerste lid van dit artikel omschreven verplichtingen te voldoen, zijn de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden elk voor zooveel zij daarbij belang hebben, bevoegd om zelf de in dit opzicht noodige maatregelen te treffen en zulks op kosten van hen die over de gronden ten behoeve van opsporingen hebben beschikt.

Vijfde Afdeeling. Beschikking over den gronden ten behoeve van ontginningen.

Artikel 213

  • 1 Indien voor eene ontginning de beschikking over den bovengrond noodig is voor geen langer tijdperk, dan drie jaren, is daarop van toepassing hetgeen in de artt. 187 tot en met 212 omtrent de beschikking over grond ten behoeve van opsporingen is bepaald, met dien verstande:

    • a. dat wat daar ten aanzien van den houder der vergunning (opspoorder) en de opsporingen is voorgeschreven, hier op den concessionaris en ontginning toepasselijk is;

    • b. dat wat daar bepaald is nopens ontdekkers die hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken, hier komt te vervallen;

    • c. dat in dit geval in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk (vergunningsbeschikking of authentiek afschrift daarvan) treedt een authentiek afschrift der in art. 237 genoemde gerechtelijk akte van concessie of c.q. der gerechtelijke akte waaruit blijkt dat de concessie ten name van den concessionaris is overgeschreven;

    • d. dat wat daar is voorgeschreven met betrekking tot van rijksoverheidswege ondernomen opsporingen hier geldt voor ontginning van rijksoverheidswege;

    • e. dat het tweede lid sub a van art. 192 wordt gelezen:

      • 1°. een authentiek afschrift der gerechtelijke akte van concessie of een authentiek afschrift der gerechtelijke akte waaruit blijkt; dat de concessie ten name van den eischer is overgeschreven;

      • 2°. in geval van ontginning van een afschrift van de beschikking genoemd in het tweede lid van dit artikel.

  • 2 Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk, een afschrift van de in art. 236 bedoelde beschikking:

    • a. waaruit dat de rijksoverheid binnen zeker gebied, waarin de benoodigde gronden zijn gelegen, zelve ontginning wenscht te ondernemen;

    • b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit, die door de rijksoverheid is gemachtigd om namens hem ter zake van de sub a bedoelde ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.

Artikel 214

  • 1 Indien de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt en de concessionaris zich niet met den rechthebbende op den grond of derden belanghebbende over den afstand van den grond kan verstaan, wendt de concessionaris zich tot Onze Minister bij een met redenen omkleed verzoekschrift, waarin:

    • a. door hem wordt medegedeeld dat hij overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 180 toepassing wenscht van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte ten opzichte van den in het rekest nauwkeurig aangeduiden grond;

    • b. door hem wordt verzocht dat Onze Minister de in art. 182 genoemde verklaring zal geven, dat de in het rekest aangeduide grond noodig is ten behoeve van de ontginning van den verzoeker.

  • 2 Het in het eerste lid van dit artikel genoemd verzoekschrift moet vergezeld gaan van een authentiek afschrift van de gerechtelijke akte van concessie of van een authentiek afschrift der gerechtelijke akte, waaruit blijkt,dat de concessie ten name van den verzoeker is overgeschreven, en voorts van een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van het aan te leggen werk, houdende tevens een duidelijke aanwijzing van de perceelen grond, welke de concessionaris wenscht te zien afgestaan met toepassing van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte en van de namen der rechthebbenden op ieder perceel.

  • 3 Wanneer tot het maken van het in het tweede lid van dit artikel bedoeld plan, gravingen, opmetingen of het stellen van teekenen op of in iemands grond noodig geacht worden, moeten de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden dit toelaten, mits hun dit tweemaal vier en twintig uren te voren door Onze Minister schriftelijk is aangezegd.

  • 4 De schade, door de in het derde lid van dit artikel bedoelde verrichtingen veroorzaakt, wordt behoudens het recht van den belanghebbende om zich tot den bevoegden rechter te wenden, voorlopig begroot en door den concessionaris vergoed.

Artikel 215

  • 1 Het in het eerste lid van art. 214 bedoeld verzoekschrift wordt bekend gemaakt overeenkomstig het bepaalde bij art. 34, behoudens dat in dit geval de bekendmakingen geschieden op kosten van den concessionaris.

  • 2 Het uitgewerkte plan en de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen worden ter inzage van belangstellenden gelegd, ter plaatse door Onze Minister te bepalen en bij de bekendmaking in de Staatscourant bekend gesteld.

Artikel 216

  • 1 De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden kunnen binnen den tijd van drie maanden nadat het in het eerste lid van art. 214 bedoeld verzoekschrift op de in art. 34 aangeduide wijze is bekend gemaakt en binnen den tijd van twee maanden gerekend van den dag waarop de bekendmaking in de Staatscourant opgenomen, voor hunne belangen opkomen op den voet van het eerste en tweede lid van art. 164.

  • 2 De bezwaarschriften worden ingediend bij Onze Minister.

Artikel 217

  • 1 De in art. 182 bedoelde verklaring dat ten behoeve van eene ontginning bepaaldelijk aangewezen, niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig zijn, wordt door Onze Minister gegeven bij een met redenen omkleede beschikking.

  • 2 In de beschikking wordt ten behoeve van de ontginning noodige grond nauwkeurig aangewezen met aanduiding van de perceelen waaruit de grond bestaat, en de namen der rechthebbenden op ieder perceel.

  • 3 De beschikking wordt, op kosten van den concessionaris, in de Staatscourant openbaar gemaakt.

  • 4 Onze Minister geeft, met verwijzing naar datum en nummer van de Staatscourant, waarin de beschikking is openbaar gemaakt, aan de beschikking verdere bekendheid door schriftelijke kennisgeving aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.

Artikel 218

De concessionaris handelt vervolgens, onder overlegging van de in art. 182 en 217 genoemde verklaring, overeenkomstig de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vastgelegd in de Onteigeningswet BES, en verzoekt toepassing van die bepalingen ten einde den voor zijne ontginning noodigen grond in eigendom te verkrijgen.

Artikel 219

Op het door de concessionaris ingevolge het bepaalde bij artikel 218 te voeren proces en de gevolgen daarvan zijn de bepalingen van de Onteigeningswet BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 220

Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, gelden in verband met art. 183 de bepalingen der artt. 215 tot en met 219 ook voor de rijksoverheid, met dien verstande dat voor de rijksoverheid handelt en optreedt de in de beschikking genoemd in het tweede lid van art. 214 en art. 236, aangewezen persoon of autoriteit en een afschrift van die beschikking in de plaats treedt van het afschrift of de afschriften der gerechtelijke akten van concessie.

Artikel 221

  • 1 Indien de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt, verleent Onze Minister op daartoe door den concessionaris gedaan verzoek op den voet van het eerste lid van art. 181 en mitsdien onder de door hen noodig geoordeelde voorwaarden verlof om over den benoodigden grond te beschikken, mitsdien om dien grond in gebruik te nemen dan wel in gebruik te houden. Het tweede, derde en vierde lid van art.214 zijn ten deze toepasselijk.

  • 2 Indien op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden door derden rechten worden uitgeoefend, bepaalt Onze Minister, nadat die derden ter zake zullen zijn geraadpleegd, bij het te verleenen verlof de som, welke door den concessionaris als schadeloosstelling aan die derden behoort te worden uitgekeerd dan wel waarvoor zekerheid zal moeten worden gesteld alvorens de concessionaris krachtens het verleend verlof over den grond zal mogen beschikken en de derden, die daarop rechten uitoefenen, zulks zullen moeten gedoogen.

  • 3 Van de beschikking, waarbij het in dit artikel bedoeld verlof wordt verleend, wordt een afschrift uitgereikt aan hen, die op de door den concessionaris benoodigden grond rechten uitoefenen.

Artikel 222

  • 1 Indien zij, die rechten op de benoodigde gronden uitoefenen, met de door Onze Minister bij het in het tweede lid van art. 221 bedoelde beschikking bepaalde schadeloosstelling geen genoegen nemen of wel indien de concessionaris wenscht haar door den rechter begroot te zien, wordt door de belanghebbende partij de beslissing van den rechter ingeroepen.

  • 2 De belanghebbende wendt zich tot den bevoegden rechter met het verzoek om de schadeloosstelling, die ter zake behoort te worden uitgekeerd, te bepalen. Het verzoekschrift moet door den verzoeker bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte aan de wederpartij worden beteekend; het exploit van beteekening moet bij het verzoekschrift worden overgelegd.

  • 3 Op de bepaling van de schadeloosstelling zijn de bepalingen van de Onteigeningswet BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 223

  • 1 Over Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorenden grond, waarop derden rechten uitoefenen, mag, indien de beslissing van den rechter nopens de te betalen schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij art. 222 is ingeroepen, in afwachting van die beslissing door den concessionaris onmiddellijk worden beschikt nadat door hem de door Onze Minister bij het verleenen van het verlof overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 221 bepaalde som, welke als schadeloosstelling aan die derden behoort te worden uitgekeerd dan wel waarvoor zekerheid moet worden gesteld, ter griffie van den betrokken rechter zal zijn gedeponeerd.

  • 2 Het in art. 22 bedoeld verlof om te beschikken over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden, waarop derden rechten uitoefenen, vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking, waarbij het verlof door Onze Minister is verleend, de schadeloosstelling betaald of daarvoor zekerheid gesteld is.

  • 3 De concessionaris is in het geval, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, gehouden tot vergoeding der schade welke derden die op den grond rechten uitoefenen, door de beschikking over den grond mochten hebben geleden.

  • 4 Onder de in het derde lid van dit artikel genoemde schade zijn echter niet begrepen de kosten noodig om tot de bepaling van het bedrag der schadeloosstelling door den rechter te geraken, noch ook het verlies der voordeelen, die zij, door wie rechten op den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond zouden hebben getrokken.

  • 5 Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag, nadat de schadeloosstelling door Onze Minister, dan wel, indien de beslissing van den rechter is ingeroepen, door dezen is bepaald.

Artikel 224

  • 1 Wanneer derden, die op tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden rechten uitoefenen, de door Onze Minister overeenkomstig de voorschriften van art. 221 bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen en door den concessionaris op de in het eerste lid van art. 223 aangegeven wijze ter zake zekerheid is gesteld, kan nadat de beslissing van den rechter overeenkomstig het bepaalde bij het eerste lid van art. 222 is ingeroepen, in afwachting van die beslissing de concessionaris op zijn daartoe gedaan schriftelijk verzoek, krachtens bevelschrift van den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie,desnoods door middel van den sterken arm, in het bezit van de in de beschikking van Onze Minister omschreven gronden worden gesteld.

  • 2 Bij het verzoekschrift aan den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie moeten worden overgelegd afschriften van de in art. 221 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt, dat ingevolge het eerste lid van art. 223 zekerheid is gesteld.

Artikel 225

  • 1 Onder den concessionaris kan door derden beslag worden gelegd op de schadeloosstelling.

  • 2 Wanneer onder den concessionaris beslag op de schadeloosstelling gelegd of wanneer rangregeling gevraagd mocht worden, doet hij terstond, zonder eenig aanbod, de gelden consigneeren en zich op de in art. 224 bepaalde wijze in het bezit van de gronden stellen.

Artikel 226

  • 1 Erfdienstbaarheden kunnen gevestigd blijven op de gronden, waarvoor door den concessionaris ten behoeve van de ontginning wordt beschikt, maar alleen met diens goedvinden.

  • 2 Alle verplichtingen, door de daartoe bevoegde macht op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden gelegd, en alle belastingen ter zake daarvan volgens algemene maatregelen van bestuur verschuldigd, gaan van den dag, waarop de concessionaris op de in art. 224 aangegeven wijze in het bezit van die gronden is gesteld of anders waarop het in art. 221 bedoeld verlof door Onze Minister is verleend, op den concessionairs over.

Artikel 227

Indien tengevolge van oorzaken, welke de concessionaris bij machte was uit den weg te ruimen, met de noodige werken op den grond, waarover daartoe volgens het verleend verlof mocht worden beschikt, niet binnen twee jaren, nadat het in art. 221 bedoeld verlof is verleend, een aanvang gemaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te toonen dat over den grond blijkbaar niet voor het doel, waarvoor het verlof wordt verleend, zal worden beschikt, kan op verzoek van hen, die oorspronkelijk rechten op dien grond uitoefenden, het verleend verlof door Onze Minister worden ingetrokken en kunnen zij den grond in den toestand waarin hij zich alsdan bevindt terugvorderen, zoo noodig bij den rechter; maar onder gehoudenheid om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de door den concessionaris betaalde schadeloosstelling terug te geven.

Artikel 228

Indien de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessieterrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning voor een langer tijdperk dan drie jaren noodig is, of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt – onverschillig of op die gronden door derden aldan niet rechten worden uitgeoefend – verleent Onze Minister op daartoe door den concessionaris gedaan verzoek op den voet van het eerste lid van art. 181 en mitsdien onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden, verlof om over den benoodigden grond te beschikken. De artt. 168, 170 en 221 tot en met 227 zijn ten deze toepasselijk, met dien verstande dat zoowel voor den aanleg van de in het eerste lid van art. 170 bedoelde hulpwerken als voor den aanleg van de in het eerste lid van art. 181 genoemde wegen verlof tot beschikking over den noodigen grond kan worden verleend.

Artikel 229

Indien Onze Minister krachtens het eerste lid van art. 181 op tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende binnen of buiten het concessie-terrein gelegen gronden onder de door hem noodig geoordeelde voorwaarden en behoudens de rechten van derden, ten behoeve van een particuliere mijnontginning recht van opstal verleent tot plaatsing der noodige gebouwen, inrichtingen en werkplaatsen, geschiedt dat op den voet van de ten aanzien van het verleenen recht van opstal algemeen geldende bepalingen, behoudens dat alsdan het recht van opstal ook voor een langer tijdvak dan dertig jaren kan worden verleend.

Artikel 230

  • 1 Indien een ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen en ten behoeve van die ontginning de beschikking over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen of buiten het gebied dier ontginning gelegen gronden, waarop door derden rechten worden uitgeoefend, voor een langer tijdperk. dan drie jaren noodig is of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking over zoodanigen grond noodig blijkt, dan wordt zulks bij beschikking van Onze Minister geconstateerd en verlof verleend om over de noodige gronden te beschikken; bij diezelfde beschikking wordt de som bepaald welke als schadeloosstelling zal worden aangeboden aan hen, die op de benoodigde gronden rechten uitoefenen.

  • 2 De persoon of autoriteit, die overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 213 en art. 236 is aangewezen om ter zake namens de rijksoverheid op te treden, wendt zich, indien zij, die op benoodigde gronden rechten uitoefenen, weigeren om met de in het eerste lid van dit artikel bedoelde schadeloosstelling genoegen te nemen, onder overlegging van afschriften van de in het tweede lid van art. 213 en het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen tot den bevoegden rechter met verzoek de schadeloosstelling te bepalen, die ter zake aan de rechthebbenden zal behooren te worden uitgekeerd.

  • 3 Op het tot den rechter te richten verzoek is toepasselijk het bepaalde bij het tweede, derde en vierde lid van art. 214, behoudens dat overlegging van de gerechtelijke akten betreffende de concessie vervalt.

  • 4 De vaststelling van de uit te keeren schadeloosstelling door den rechter geschiedt volgens de voorschriften van het derde lid van art. 222.

  • 5 In afwachting van de beslissing van den rechter nopens de te betalen schadeloosstelling mag over de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden onmiddellijk worden beschikt nadat door de rijksoverheid de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd.

  • 6 Het in het eerste lid van dit artikel bedoeld verlof vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking waarbij het verlof is verleend, de schadeloosstelling betaald of overeenkomstig het bepaalde bij het vijfde lid van dit artikel gedeponeerd is.

Artikel 231

  • 1 Indien de aangeboden schadeloosstelling is geweigerd kan; nadat zij overeenkomstig het bepaalde bij het vijfde lid van art. 230 is gedeponeerd, de rijksoverheid krachtens bevelschrift van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, desnoods door middel van den sterken arm, in het bezit van de in het eerste lid van dit art. 230 bedoelde gronden worden gesteld.

  • 2 Bij het daartoe strekkend verzoekschrift van den persoon of de autoriteit, genoemd in het tweede lid van art. 213 moeten worden overgelegd afschriften van het in het eerste lid van art. 230 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt dat de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is gedeponeerd.

Artikel 232

  • 1 Indien voor den aanleg van wegen of van hulpwerken, overeenkomstig het eerste lid van art. 170 de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessie-terrein gelegen gronden ten behoeve van eene particuliere mijnontginning noodig is, en blijkt dat partijen zich over den afstand van dien grond niet kunnen verstaan, dan wordt ingevolge het tweede lid van art. 181 op verzoek van den concessionaris overgegaan tot toepassing van de bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte en zulks overeenkomstig de dienaangaande in de artt. 214 tot en met 219 gegeven voorschriften, zullende dat wat daar bepaald is ten aanzien van niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, binnen het concessie-terrein gelegen gronden, hier toepasselijk zijn op niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende, buiten het concessie-terrein gelegen gronden.

  • 2 Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, geldt het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel in verband met art. 165 ook voor de rijksoverheid met dien verstande dat voor de rijksoverheid handelt en optreedt de in de beschikking, genoemd in het tweede lid van art. 213 en art. 236, aangewezen persoon of autoriteit en een afschrift van die beschikking in de plaats treedt van het afschrift of de afschriften der gerechtelijke akten van concessie.

Artikel 233

Wanneer, ten einde te kunnen voldoen aan de in artt. 67, 111 en 123 aan den concessionaris opgelegde verplichting, uit- of ontgravingen, opmetingen of het stellen van merkteekens op iemands grond noodig geacht worden, moeten rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden dit op den voet van het bepaalde in het derde en vierde lid van art. 214 toelaten.

Artikel 234

Indien door mijnbouwkundige opsporingen of eene mijnontginning aan den bovengrond of hetgeen daartoe behoort, schade wordt gebracht zijn de rechthebbenden op dien bovengrond bevoegd om, in plaats van eene schadevergoeding in geld te eischen, te vorderen dat binnen zekeren tijd de vroegere toestand door den opspoorder of den concessionaris dan wel, in geval van opsporingen of ontginning van rijksoverheidswege, door de rijksoverheid zoo mogelijk worde hersteld, mits daardoor het bedrijf van opspoorder of den concessionaris niet wordt belemmerd of onmogelijk gemaakt, onverminderd het recht van de rechthebbenden op den bovengrond om voor elke waardevermindering van den grond, welke na het herstel in den vroegeren toestand mocht blijven bestaan, krachtens art. 164 ook schadevergoeding te eischen. Zouden evenwel de kosten, aan het herstel van den vroegeren toestand verbonden, het bedrag eener schadevergoeding in geld overtreffen, dan zijn de rechthebbenden of belanghebbenden bij den bovengrond verplicht zich met eene schadevergoeding te vergenoegen.

Artikel 235

Zij, die kunstwegen, spoorwegen of andere openbare verkeersmiddelen aanleggen op gronden, gelegen binnen een terrein, waarvoor concessie tot het winnen van delfstoffen is verleend, zijn verplicht tot vergoeding van schade aan den concessionaris, indien deze tengevolge van door de met het toezicht belaste ambtenaren gegeven voorschriften in verband met den aanleg dier verkeersmiddelen zijn bedrijf moet beperken, iets heeft moeten verrichten dat anders niet noodig zou zijn geweest of reeds bestaande werken in de mijn heeft moeten opruimen of veranderen, dan wel indien door den aanleg dier verkeersmiddelen het bedrijf van den concessionaris moeilijker of duurder wordt.

Artikel 236

  • 1 Indien na een van rijksoverheidswege ingesteld onderzoek, eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, wordt door Onze Minister, den Raad van Bestuur gehoord, bij beschikking het terrein aangewezen waarbinnen tot die mijnontginning zal worden overgegaan; de sluiting van het terrein overeenkomstig het bepaalde bij art. 176 voor mijnbouwkundige opsporingen van particulieren kan bij dezelfde beschikking worden bepaald.

  • 2 De beschikking houdt tevens aanwijzing in van den persoon of de autoriteit, die wordt gemachtigd om voor de rijksoverheid ter zake van de voorgenomen ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.

  • 3 De beschikking wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.

Titel III. Voorschriften ter uitvoering van art. 3, tweede lid der Mijnwet BES

hoofdstuk Eenig. In- en overschrijving van concessiën.

Artikel 237

  • 1 De titel van aankomst van het op grond van de concessie verworven recht, bedoeld in art. 3 der Mijnwet BES, moet met inachtneming van de bepalingen van dit artikel worden openbaar gemaakt door inschrijving van de concessie in de openbare registers, op dezelfde wijze als is voorgeschreven voor de in het Burgerlijk Wetboek BES opgenoemde zakelijke rechten.

  • 2 De openbaarmaking geschiedt op verzoek van den concessionaris en zonder medewerking of vertegenwoordiging van de rijksoverheid door den daartoe bevoegden ambtenaar binnen wiens ressort het concessie-terrein is gelegen.

  • 3 In de gerechtelijke akte van concessie waarbij de openbaarmaking geschiedt, moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.

  • 4 Eerst na de openbaarmaking van den titel van aankomst (inschrijving der concessie) bestaat het op grond van de concessie verworven recht tegenover derden. Eerst dan kan dat recht worden vervreemd en met hypotheek belast en door den concessionaris als zoodanig worden opgetreden tegenover rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.

  • 5 In de beschikking waarbij een concessie wordt verleend, wordt de concessionaris verwezen naar de bepalingen van dit artikel.

Artikel 238

  • 1 Overschrijving van de rechten en verplichtingen uit eene concessie voortvloeiende, op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder of op andere personen of vennootschappen, ingevolge het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES, heeft niet plaats tenzij die rechtverkrijgenden of verkrijgers aan de autoriteit, voor welke de overschrijving moet geschieden, onder overlegging van de overige voor de bewerkstelling van die overschrijving benoodigde stukken, aantoonen dat zij voldoen aan de vereischten van voormeld artikel.

  • 2 Hetzelfde geldt bij vervreemding van de concessie, ook waanneer vóór de inwerkingtreding der Mijnwet BES verleende concessiën worden vervreemd.

  • 3 De aantooning, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, wordt geleverd òf door de overlegging van de mededeeling aan belanghebbenden gedaan ingevolge art. 26 òf door de overlegging van de ingevolge art. 20 van dit besluit in verband met het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES verleende goedkeuring of, zoo er een geschil is geweest nopens het voldoen aan de vereischten, door de overlegging van een authentiek afschrift der beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie waarbij is beslist dat de belanghebbende aan die vereischten voldoet.

  • 4 In de gerechtelijke akte moet uitdrukkelijk worden vermeld, dat de betrokkene heeft aangetoond aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen.

Artikel 239

  • 1 De bewijzen van overgang van het op grond van de concessie verworven recht en alle akten, waarbij dat recht met hypotheek wordt belast of verbonden, zoomede alle akten van cessie van zoodanige hypotheken, worden verleden voor een notaris.

  • 2 In de bewijzen van overgang moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.

  • 3 Overschrijving van eene concessie op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder of op andere personen of vennootschappen heeft niet plaats tenzij die rechtverkrijgenden en verkrijgers hebben voldaan aan het bepaalde bij het vorige artikel en door aanbieding der quitantiën is aangetoond of op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

  • 4 Akten in strijd met het bepaalde bij dit artikel verleden, zijn nietig.

Artikel 240

  • 1 De in geval van splitsing van een concessie-terrein,verwisseling van gedeelten van concessie-terreinen en vereeniging van concessie-terreinen en in geval van gedeeltelijke intrekking van een concessie door Onze Minister te verleenen nieuwe akten van concessie (nieuwe concessie-beschikkingen) moeten ook op de in art. 237 bedoelde wijze op verzoek van de concessionarissen worden openbaar gemaakt; de overige bepalingen van dat artikel zijn ten deze mede toepasselijk.

  • 2 Van de splitsing van een concessie-terrein, verwisseling van gedeelten van concessie-terreinen, vereeniging van concessie-terreinen en gedeeltelijke intrekking van een concessie zal door den betrokken ambtenaar aanteekening moeten worden gehouden op de minuut en gros van de oorspronkelijke gerechtelijke concessie-akte, zoomede, indien het op grond van de concessie verworven recht met hypotheek is belast, op de minuut van den schuldbrief, in het protocol en op de gros.

  • 3 Gelijke aanteekening zal door den betrokken ambtenaar moeten worden gehouden van elke wijziging van de grensomschrijving en oppervlakte van het concessie-terrein als bedoeld in art. 98 en van elke wijziging of uitbreiding van de concessie-voorwaarden als bedoeld in art. 144. De concessionarissen en hypotheekhouders zullen den betrokken ambtenaar daartoe door vertooning van de grossen der gerechtelijke concessie-akten en schuldbrieven in staat moeten stellen.

Artikel 241

Van elke gerechtelijke akte van concessie als bedoeld in de artt. 237 en