Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wetboek van Strafrecht BES

Geldend van 15-12-2010 t/m 09-10-2011

Wetboek van Strafrecht BES

Eerste boek. Algemeene bepalingen

Titel I. Omvang van de werking der strafwet

Artikel 1

  • 1 Geen feit is strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

  • 2 Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Artikel 2

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder die zich binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.

Artikel 3

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder, die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Artikel 4

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schuldig maakt:

  • 1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 97–102, 103a onder 1°, 104, 104a–104c, 111 en 114 tot en met 116;

  • 1bis°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 137, 138, 140 en 195, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in die artikelen wordt gesproken, is een misdrijf als onder 1° bedoeld;.

  • 2°. aan eenig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of bankbiljetten, van rijkswege uitgegeven zegels of merken;

  • 3°. aan valschheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat, de talons, dividend- of rentebewijzen tot deze stukken behoorende, en de bewijzen uitgegeven in plaats van deze stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zoodanig valsch of vervalscht stuk als ware het echt en onvervalscht;

  • 4°. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 222, tweede lid, 395–399, 424 en 425 of aan de overtreding omschreven in artikel 465a;

  • 4bis°. aan het misdrijf omschreven in artikel 213a;

  • 5°.

    • a. aan het misdrijf omschreven in artikel 174, begaan tegen een luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Nederlands luchtvaartuig is, of wanneer de verdachte zich binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

    • b. aan het misdrijf omschreven in artikel 399a, begaan aan boord van een luchtvaartuig in vlucht, wanneer de verdachte zich binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

    • c. aan het misdrijf omschreven in artikel 399b, indien het daar bedoelde luchtvaartuig een Nederlands luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

    • d. aan het misdrijf omschreven in artikel 399c, wanneer het is begaan hetzij tegen een Nederlands luchtvaartuig, hetzij aan boord van een luchtvaartuig dat vervolgens op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba landt met de verdachte aan boord;

    • e. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 168, 168a, 172 en 399d, wanneer de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt.

  • 6°.

    • a. aan de misdrijven omschreven in de artikelen 172, 174, 366, 370, 372, 399a, vierde lid, 399b, tweede lid, en 399c, indien het feit is begaan tegen een Nederlands zeegaand vaartuig, hetzij tegen of aan boord van enig ander zeegaand vaartuig en de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

    • b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 366, 370, 399a, vierde lid, en 399b, tweede lid, begaan tegen een installatie ter zee, wanneer de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;.

  • 7°.

    • a. aan een der misdrijven, omschreven in artikel 124a, 124b, 124c en 298, voor zover die feiten zijn begaan tegen een in Nederlandse dienst zijnde, of tot zijn gezin behorende, internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, of tegen diens beschermde goederen;

    • b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 124a, 124b, 124c, 295ao, en 298, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 90b, tweede lid, die Nederlander is, of tegen diens beschermde goederen;

    • c. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 124a, 124b, 124c, en 298, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 90b, eerste of tweede lid, of tegen diens beschermde goederen, wanneer de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

  • 8°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 183 en 183a, voor zover het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een ambtenaar van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld;

  • 9°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 183, 183a, 230, 232b en 336a, voor zover het feit is gepleegd door een Nederlander en daarop door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld;

  • 10°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 183, 183a, 230, 232b en 336a, voor zover het feit is gepleegd door een ambtenaar van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of door een persoon in de openbare dienst van een in één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde volkenrechtelijke organisatie en daarop door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld;

  • 11°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 123, 124a, 124c,125, 129, 130, 146, 163, 167, 167a, 167c, 167d, 168, 172, 174, 176, 178, 179a, 298, 300, 301, 302, 366, 368, 370, 399a en 399b, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15 december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84) en indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander, dan wel indien de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

  • 12°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 123, 124a, 124c, 125, 129, 130, 146, 163, 167, 167a, 167c, 167d, 168, 172, 174, 176, 178, 179a, 298, 300, 301, 302, 366, 368, 370, 399a en 399b, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 9 december 1999 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) en indien het feit is gericht tegen een Nederlander, dan wel indien de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

  • 13°. aan een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk de bevolking of een deel der bevolking van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba vrees aan te jagen of enige overheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, of fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren in enig eilandgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ernstig te ontwrichten of te vernietigen;

  • 14°. aan een misdrijf ter voorbereiding of ter vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk een terroristisch misdrijf als in onderdeel 13° omschreven voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

  • 15°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 163, 167c, 297, eerste lid, 298, 323, 324, 325, 330, 331, 334, 335 en 339, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 7 van het op 3 maart 1980 te Wenen/New York totstandgekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1980, 166), wanneer de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt;

  • 16°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 167c, 179a, 297, eerste lid, 298, 323, 324, 325, 330 en 331, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 13 april 2005 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290) en hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt.

Artikel 4a

  • 1 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba volgt.

  • 2 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is voorts toepasselijk op ieder wiens uitlevering ter zake van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, ontoelaatbaar is verklaard, is afgewezen of geweigerd.

Artikel 5

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op den ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schuldig maakt:

  • 1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, in de artikelen 203a tot en met 203c, 212, 242, 285 en 286 alsmede – voor zover het betreft een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Internationaal Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120) – in de artikelen 183, 183a, 184, 185, 186, 195, 206, 213a, 298b en 377;

  • 2°. aan een feit hetwelk door de strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land, waar het begaan is, straf is gesteld. De vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt.

  • 3°. aan een terroristisch misdrijf, dan wel een van de misdrijven omschreven in de artikelen 230, derde lid, 324, eerste lid, onder 6°, alsmede 330, tweede lid,in samenhang met artikel 325, tweede lid onder 2°. De tweede volzin van het onder 2° gestelde is van toepassing;

  • 4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 246bis, 248 tot en met 258 en 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 313 tot en met 316, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. De tweede volzin van het onder 2° gestelde is van overeenkomstige toepassing.

  • 5°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 144a, 144b, 145c, 145d, 167sexies, 230, 231, 232, 246, 246bis, 339, 339c, 366, 367a en 368, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18, en 2004, 290), en een der misdrijven omschreven in de artikelen 143a tot en met 143c, 273, 274, 278, 297 en 298, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg totstandgekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met electronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen;

  • 6°. aan een der misdrijven, omschreven in artikel 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat.

Artikel 5a

  • 1 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op de vreemdeling die in de openbare lichamen een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 246bis, 248 tot en met 258 en 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 313 tot en met 316, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

  • 2 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen heeft en zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, en op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

  • 3 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen heeft en zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat.

  • 4 De vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen heeft gekregen.

Artikel 5b

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder die zich schuldig maakt:

  • 1°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 286f, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander;

  • 2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 246bis, 248 tot en met 254, 256 tot en met 258 en 286f, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vast woon- of verblijfplaats heeft die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Artikel 6

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op:

  • 1°. de ambtenaar van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek;

  • 2°. de persoon in de openbare dienst van een in de openbare lichamen gevestigde volkenrechtelijke organisatie die zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 378 tot en met 380a.

Artikel 7

De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig, die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten, omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek.

Artikel 8

De toepasselijkheid van de artikelen 2–7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.

Titel II. Straffen

Artikel 9

  • 1 De straffen zijn:

    • a. hoofdstraffen:

      • 1°. [vervallen]

      • 2°. gevangenisstraf;

      • 3°. hechtenis;

      • 4°. geldboete.

    • b. bijkomende straffen:

      • 1°. ontzetting van bepaalde rechten;

      • 2°. verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen;

      • 3°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak;

      • 4°. [vervallen]

  • 2 Bij veroordeeling van een persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt heeft, wordt, behoudens het bepaalde bij artikel 41ter, eerste lid, en artikel 41septies, laatste lid, in plaats van de op het feit gestelde hoofdstraf, eene der volgende hoofdstraffen opgelegd naar de onderscheidingen gemaakt bij artikel 41septies:

    • 1°. geldboete;

    • 2°. berisping.

Artikel 10

[vervallen]

Artikel 11

  • 1 De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

  • 2 De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is tenminste een dag, tenzij bij wet een hoger minimum is vastgesteld, en ten hoogste vier en twintig achtereenvolgende jaren.

  • 3 Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn gesteld, en in die, waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij de artikelen 46, 317 en 416, de tijd van vier en twintig jaren wordt overschreden.

  • 4 Zij kan in geen geval den tijd van dertig jaren te boven gaan.

Artikel 12

Gevangenisstraf wordt naar gelang de aard van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of in beperkte gemeenschap, dan wel in afzondering ondergaan.

Artikel 13

Iedere tot gevangenisstraf veroordeelde wordt zoveel mogelijk geplaatst in een gesticht, waarvan het regime het meest met zijn persoonlijkheid strookt, waarbij zowel op de duur van de straf als op zijn reclasseringsmogelijkheden van de tot gevangenisstraf veroordeelde wordt gelet.

Artikel 14

Een tot gevangenisstraf veroordeelde die wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt kan worden geplaatst in een door Onze Minister van Justitie aangewezen instelling.

[vervallen]

De plaatsing en beëindiging daarvan geschieden volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur, te stellen, op last van Onze Minister van Justitie gegeven na een met redenen omkleed en ondertekend advies van een psychiater.

Artikel 15

[vervallen]

Artikel 16

[vervallen]

Artikel 17

De tot gevangenisstraf veroordeelde is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 26 gegeven.

Artikel 17a

In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of tot geldboete, kan de rechter daarbij tevens zowel ten aanzien van die straf als ten aanzien van de opgelegde bijkomende straffen het bevel geven, dat deze geheel of voor een door hem te bepalen gedeelte niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of een bijzondere voorwaarde, welke bij het bevel mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd.

In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, met toepassing van het eerste lid, kan de rechter tevens geldboete opleggen. De geldboete bedraagt ten hoogste USD 8.400 bij feiten, waarop een gevangenisstraf van niet meer dan een jaar of hechtenis is gesteld, en ten hoogste USD 16.800 bij feiten, waarop gevangenisstraf van meer dan een jaar is gesteld.

Het eerste lid vindt bij veroordeling tot geldboete in zaken van belastingen geen toepassing.

Artikel 17b

De proeftijd bedraagt bij misdrijven en bij de in de artikelen 451 en 452 omschreven overtredingen ten hoogste drie jaren, bij de overige overtredingen ten hoogste twee jaren.

De proeftijd gaat in zodra de uitspraak waarbij een bevel als in het vorige artikel bedoeld is gegeven, onherroepelijk is geworden.

De proeftijd loopt niet gedurende den tijd dat den veroordeelde rechtens zijne vrijheid is ontnomen.

Artikel 17c

  • 1 Toepassing van artikel 17a geschiedt onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

  • 2 Bij de toepassing van artikel 17a kunnen voorts de volgende bijzonder voorwaarden worden gesteld:

    • a. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd;

    • b. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • c. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit opgelegd kan worden, en de opgelegde boete;

    • d. storting van een door de rechter vast te stellen som ten gunste van een instelling die zich mede ten doel stelt om de belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit opgelegd kan worden.

    • e. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen.

  • 3 De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te belijden of de staatkundige vrijheid niet beperken.

  • 4 Bij het stellen van de bijzondere voorwaarde van storting van een waarborgsom vindt artikel 27, eerste lid, overeenkomstige toepassing.

Artikel 17d

Met het toezicht op de naleving der voorwaarden is het openbaar minister belast.

De rechter kan, indien hij daartoe termen vindt, bij zijn bevel aan een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instelling of aan een bijzonderen ambtenaar opdragen aan den veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden bijstand te verleenen.

Voorschriften tot nadere regeling van dien bijstand en tot nadere aanwijzing van de instellingen en houders van inrichtingen, die met het verleenen daarvan kunnen worden belast, worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 17e

Nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, wordt ten spoedigste vanwege het openbaar ministerie door een deurwaarder of dienaar der openbare macht aan den veroordeelde eene kennisgeving beteekend, houdende de straf, waartoe hij is veroordeeld, en alle tot het in artikel 17a bedoelde bevel betrekkelijke beslissingen. In ieder geval, waarin bijzondere voorwaarden zijn gesteld of waarin het openbaar ministerie dit bepaalt, geschiedt de betekening aan de veroordeelde in persoon; in andere gevallen geschiedt dit zoveel mogelijk.

Artikel 17f

Indien de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het openbaar ministerie bij den rechter, die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, daarvan aan dien rechter kennis geven, met zoodanige vordering als het noodig zal oordelen. De kennisgeving dat door den veroordeelde opnieuw een strafbaar feit is begaan, geschiedt niet vóór de nieuwe uitspraak onherroepelijk is geworden.

Het voorgaande lid is mede van toepassing, indien de veroordeelde vóór het einde van den proeftijd ter zake van een vóór het ingaan daarvan begaan strafbaar feit onherroepelijk wordt strafbaar verklaard.

Artikel 17g

De rechter die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, kan, hetzij na ontvangst ener vordering van het Openbaar Ministerie hetzij op het verzoek van de veroordeelde, gedurende de proeftijd of gedurende de tijd, dat deze is geschorst, in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen, een opdracht als bedoeld in artikel 17d geven, het verlenen van bijstand aan een ander dan degene, die daarmede te voren was belast, opdragen, de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. Die verlenging geschiedt voor ten hoogste de helft van de langste termijn waarop de proeftijd bepaald had kunnen worden.

Artikel 17h

De rechter die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, kan na ontvangst eener vordering van het openbaar ministerie, indien de voorwaarden niet worden nageleefd, de veroordeelde zich misdraagt of vóór het einde van den proeftijd ter zake van een vóór het ingaan daarvan begaan strafbaar feit onherroepelijk wordt strafbaar verklaard, last tot tenuitvoerlegging geven of bepalen dat den veroordeelde van zijnentwege eene waarschuwing zal worden toegediend. In het laatste geval bepaalt hij tevens de wijze waarop zulks zal moeten geschieden.

De last tot tenuitvoerlegging kan niet meer worden gegeven, wanneer sedert het einde van de proeftijd een termijn van drie maanden is verstreken, tenzij de veroordeelde vóór den afloop daarvan ter zake van een gedurende den proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en de vervolging met eene onherroepelijke strafbaarverklaring eindigt. Alsdan kan nog ter zake van het begaan van dat feit binnen veertien dagen nadat de strafbaarverklaring onherroepelijk is geworden, last tot tenuitvoerlegging worden gegeven.

Artikel 17i

In de gevallen bij de artikelen 17g en 17h bedoeld, brengt het openbaar ministerie de zaak aan door de indiening van eene met redenen omkleede vordering. Is door den veroordeelde een verzoekschrift tot toepassing van artikel 17g tot den rechter gericht, dan dient het openbaar ministerie ten spoedigste nadat dat verzoekschrift in zijne handen is gesteld, eene met redenen omkleede conclusie in.

Onmiddellijk na de indiening der vordering of der conclusie bepaalt de rechter, tenzij de summiere kennisneming der stukken hem aanleiding geeft om de vordering of het verzoek buiten verdere behandeling te laten, een dag voor het onderzoek der zaak.

Het openbaar ministerie doet daarna ten spoedigste den veroordeelde en dengene, die met het verleenen van bijstand is belast, tijdig tot bijwoning van het onderzoek oproepen, onder beteekening van de vordering of conclusie.

Zoowel het openbaar ministerie als de veroordeelde zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De rechter kan, al dan niet op verzoek van den veroordeelde, bevelen dat bepaalde personen vanwege het openbaar ministerie zullen worden gedagvaard.

De veroordeelde en degene die met het verleenen van bijstand is belast, kunnen vóór den aanvang van het onderzoek van de stukken ter griffie kennis nemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een advocaat, indien deze verklaart tot de kennisneming door den veroordeelde te zijn gemachtigd of, indien de zaak bij den rechter in eersten aanleg wordt behandeld, ten aanzien van een bijzonder daartoe door den veroordeelde gemachtigde.

De oproepingen, dagvaardingen en beteekeningen bij dit artikel voorgeschreven, vinden plaats op de voet van artikel 643 van het Wetboek van Strafvordering BES en kunnen, voor zoover zij van het openbaar ministerie uitgaan, ook door een dienaar der openbare macht geschieden.

Artikel 17j

  • 2 Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en wordt ter zake gehoord.

  • 3 De veroordeelde en degene die met het verleenen van bijstand is belast, kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan gehoord. De veroordeelde kan zich door een advocaat of, indien de zaak bij den rechter in eersten aanleg wordt behandeld, door een bijzonder daartoe gemachtigde, als raadsman doen bijstaan.

  • 5 De ingediende vorderingen, conclusies of verzoeken kunnen gedurende het onderzoek door het openbaar ministerie of door den veroordeelde worden gewijzigd.

Artikel 17k

De beslissingen in de artikelen 17g en 17h bedoeld, alsmede die waarbij vorderingen of verzoeken tot toepassing van een dier artikelen worden afgewezen, zijn met redenen omkleed; zij zijn niet aan eenig rechtsmiddel onderworpen.

Alleen indien de beslissing inhoudt last tot tenuitvoerlegging, wordt zij in het openbaar uitgesproken.

De inhoud der beslissing wordt vanwege het openbaar ministerie door een deurwaarder of dienaar der openbaar macht onverwijld op den voet van artikel 643 van het Wetboek van Strafvordering BES beteekend aan den veroordeelde, aan dengene die met het verleenen van bijstand is belast, zoomede aan dengene die bij de beslissing daarvan wordt ontheven.

Artikel 18

  • 1 De tot gevangenisstraf veroordeelde kan, wanneer twee derden van deze straf en tevens ten minste negen maanden daarvan zijn verstreken, voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Ingeval de veroordeelde meerdere gevangenisstraffen achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij ten deze als één straf aangemerkt.

  • 2 Bij schuldigverklaring wegens een misdrijf genoemd in de artikelen 436, 437 en 438 kan de schuldigverklaarde pas voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer vier vijfde van de gevangenisstraf en tenminste twaalf maanden daarvan zijn verstreken, indien tijdens het begaan van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem op grond van een der in die artikelen genoemde misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, of indien tijdens het begaan van het misdrijf het recht tot uitvoering van die gevangenisstraf nog niet is verjaard.

  • 3 Bij de schuldigverklaring wegens een misdrijf genoemd in de artikelen 436, 437 en 438 kan de schuldigverklaarde niet voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, indien tijdens het begaan van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem uitgesproken gevangenisstraf ten aanzien waarvan het bepaalde in dit lid of het tweede lid van toepassing is, geheel of ten dele heeft ondergaan, of indien tijdens het begaan van het misdrijf het recht tot uitvoering van die gevangenisstraf nog niet is verjaard.

    Bij deze invrijheidstelling wordt tevens een proeftijd voor den veroordeelde bepaald en worden voorwaarden gesteld, waaraan deze gedurende den proeftijd zal moeten voldoen.

    De proeftijd duurt een jaar langer dan het overblijvend gedeelte van de straf. Hij loopt niet gedurende den tijd dat den veroordeelde rechtens zijne vrijheid is ontnomen.

Artikel 18a

Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als algemeene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.

Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bovendien bijzondere voorwaarden, het gedrag van den veroordeelde betreffende, worden verbonden, mits die voorwaarden de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken. Mede kan als bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de veroordeelde zich ter verpleging zal laten opnemen in een daarbij aan te wijzen inrichting.

Met het toezicht op de naleving der voorwaarden is steeds het openbaar ministerie belast.

Op de naleving der voorwaarden kan bovendien een bijzonder toezicht in het leven worden geroepen.

Gedurende de proeftijd kan worden bepaald, dat deze voor het in artikel 18 bedoelde tijdstip zal eindigen, kan in de gestelde bijzondere voorwaarden wijziging worden gebracht, kunnen deze voorwaarden worden opgeheven, kunnen alsnog bijzondere voorwaarden worden gesteld, kan alsnog een bijzonder toezicht in het leven worden geroepen en kan het bijzondere toezicht aan een ander dan degene die daarmede te voren was belast, worden opgedragen.

Aan den voorwaardelijk in vrijheid gestelde wordt een verlofpas uitgereikt, waarin alle hem gestelde voorwaarden zijn uitgedrukt. In geval van toepassing van het voorgaande lid wordt hem een nieuwe verlofpas uitgereikt.

Artikel 18b

De voorwaardelijke invrijheidstelling is te allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde in strijd handelt met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden. Zij kan, indien een ernstig vermoeden van zodanig handelen bestaat, worden geschorst.

De tijd, verlopen tussen een invrijheidstelling en een hervatting van de tenuitvoerlegging der straf, wordt niet in rekening gebracht op de duur der straf.

De herroeping kan niet meer geschieden, wanneer sedert het einde van de proeftijd een termijn van drie maanden is verstreken, tenzij de veroordeelde voor de afloop daarvan ter zake van een gedurende de proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en de vervolging met een onherroepelijke strafbaarverklaring eindigt.

Alsdan kan de voorwaardelijke invrijheidstelling ter zake van het begaan van het feit nog binnen drie maanden nadat de strafbaarverklaring onherroepelijk is geworden, worden herroepen.

Artikel 19

Alle besluiten uit de toepassing van de artikelen 18 tot en met 18b voortvloeiende worden genomen door Onze Minister van Justitie gehoord de reclasseringsinstelling en het gevangenisbestuur. Het gevangenisbestuur kan Onze Minister van Justitie voorstellen te besluiten tot voorwaardelijke invrijheidstelling.

Zolang de bevoegdheid tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling bestaat, kan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde, ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat, dat hij gedurende de proeftijd in strijd heeft gehandeld met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden, in het belang der openbare orde worden aangehouden. De aanhouding wordt bevolen door de officier van justitie onder de verplichting Onze Minister van Justitie daarvan onverwijld kennis te geven.

De aanhouding is gedurende ten hoogste dertig dagen van kracht. Volgt in aansluiting aan de aanhouding een schorsing of een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wordt de tenuitvoerlegging der straf geacht hervat te zijn op de dag der aanhouding.

Artikel 20

Het formulier der verlofpassen, de nadere regeling van het toezicht op de naleving der voorwaarden zoomede de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 18–19 worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij wordt in acht genomen dat het bijzonder toezicht uitsluitend mag gericht zijn op het verleenen van hulp en steun aan den veroordeelde.

Artikel 21

De duur der hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar.

Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 46, de tijd van een jaar wordt overschreden.

Zij kan in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan.

Artikel 22

Artikel 14 is op de tot hechtenis veroordeelde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

Hechtenis wordt in de regel in gemeenschap ondergaan. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, vergund worden de hechtenis in afzondering te ondergaan.

Artikel 24

Een tot hechtenis veroordeelde is verplicht tot het verrichten van de hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 26 gegeven.

Artikel 25

De duur der tijdelijke gevangenisstraf en der hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan.

Artikel 26

De indeling en het beheer van, het toezicht op en het regime in de gevangenissen en huizen van bewaring, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van de arbeid, de geestelijke, culturele en sociale verzorging, en de tucht, worden bij of krachtens de wet geregeld.

Artikel 27

  • 1 Hij die tot een geldboete is veroordeeld, is verplicht tot betaling van het bij de rechterlijke uitspraak vastgestelde bedrag aan de staat binnen de termijn door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast, te stellen.

  • 2 Het bedrag van de geldboete is ten minste USD 2,80.

  • 3 De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.

  • 4 Er zijn zes categorieën:

    de eerste categorie, USD 280;

    de tweede categorie, USD 2.800;

    de derde categorie, USD 5.600;

    de vierde categorie, USD 14.000;

    de vijfde categorie, USD 56.000;

    de zesde categorie, USD 560.000.

  • 5 Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen geldboete is gesteld, kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie.

  • 6 Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de categorie, die voorziet in het naast hogere geldbedrag indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete.

  • 7 Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Is de op het feit bepaalde geldboete van de zesde categorie, dan kan, indien het berekende bedrag hoger is dan het hoogste bedrag van die categorie, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag dat gelijk is aan tien procent van de omzet van die rechtspersoon.

  • 8 Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij veroordeling van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap of doelvermogen.

  • 9 De in het vierde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige aanpassing van deze bedragen. Bij deze aanpassing wordt het geldbedrag van de eerste categorie op een veelvoud van USD 5 naar beneden afgerond en worden, uitgaande van het geldbedrag van deze eerste categorie en onder instandhouding van de onderlinge verhouding tussen de bedragen van de geldboetecategorieën, de bedragen van de tweede tot en met de zesde geldboetecategorieën bepaald.

Artikel 27a

Bij de vaststelling van de geldboete houdt de rechter rekening met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.

Artikel 27b

  • 1 Indien bij het vonnis een of meer geldboeten zijn opgelegd tot een bedrag van ten minste USD 140, is de rechter bevoegd bij de uitspraak te bepalen, dat de veroordeelde het bedrag in gedeelten mag voldoen. Elk van die gedeelten wordt daarbij op tenminste USD 28 bepaald.

  • 2 In geval van toepassing van het eerste lid stelt de rechter bij de uitspraak tevens termijnen vast voor de betaling van het tweede en – zo de geldboete in meer gedeelten mag worden voldaan – de volgende gedeelten.

  • 3 Deze termijnen worden op ten minste een en ten hoogste drie maanden gesteld. Zij mogen tezamen een tijdvak van twee jaar niet overschrijden.

Artikel 27c

  • 1 Wanneer een ingevolge een onherroepelijke veroordeling tot geldboete te betalen bedrag binnen de daarvoor gestelde termijn niet in zijn geheel is voldaan, wordt de veroordeelde door het openbaar ministerie schriftelijk tot betaling aangemaand. Het bedrag wordt daarbij van rechtswege verhoogd met USD 14. Het openbaar ministerie wijst de veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid.

  • 2 Is het overeenkomstig het eerste lid verhoogde bedrag na verloop van de bij de aanmaning gestelde termijn geheel of ten dele onbetaald gebleven, dan wordt het bedrag, dan wel het nog verschuldigde gedeelte daarvan, van rechtswege verder verhoogd met een vijfde, doch ten minste met USD 28.

  • 3 Een geldboete die overeenkomstig artikel 27b, in gedeelten mag worden voldaan, of ten aanzien waarvan het openbaar ministerie betaling in termijnen heeft toegestaan, is onmiddellijk in haar geheel opeisbaar, zodra een verhoging krachtens het eerste lid is ingetreden.

  • 4 In gevallen waarin het openbaar ministerie, nadat de veroordeelde reeds in verzuim was, alsnog uitstel van betaling heeft verleend, dan wel afbetaling heeft toegestaan, vinden de voorgaande leden van dit artikel geen toepassing, zolang de veroordeelde zijn verplichtingen volgens de getroffen nadere regeling nakomt.

  • 5 Betalingen door de veroordeelde gedaan, worden geacht in de eerste plaats tot voldoening van de krachtens het eerste en tweede lid ingetreden verhogingen te strekken.

Artikel 28

  • 1 Bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Indien de veroordeelde een rechtspersoon is, blijft dit bevel achterwege. Artikel 53, laatste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.

  • 3 De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle USD 28 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd.

  • 4 Wanneer een gedeelte van het verschuldigde bedrag is voldaan, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

  • 5 Het vorige lid is ook van toepassing in gevallen waarin de betaling geschiedt nadat reeds een deel van de vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd.

Artikel 28a

  • 1 Bij de uitspraak waarbij een natuurlijk persoon de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast, met dien verstande dat vervangende hechtenis op grond van dit artikel op te leggen op ten hoogste drie jaren kan worden bepaald.

  • 2 De duur van deze vervangende hechtenis wordt niet verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Artikel 28b

Op de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is het bepaalde in artikel 18 niet van toepassing.

Artikel 29

Bevindt de veroordeelde, die hechtenis moet ondergaan, zich in een gesticht uitsluitend bestemd tot de uitvoering van gevangenisstraf, dan kan op zijn verzoek de hechtenis terstond na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen.

Artikel 30

De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak, voor zooveel elke dezer straffen betreft.

Artikel 31

  • 1 Bij de rechterlijke uitspraak wordt bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht, wat de geldboete betreft volgens de maatstaf in de uitspraak te bepalen.

  • 2 De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de verzekering of de voorlopige hechtenis is bevolen.

Artikel 31bis

De straf van berisping bestaat in een vermanende toespraak tot de veroordeelde, in verband met het gepleegde feit.

Artikel 32

  • 1 De rechten waarvan de schuldige, in de bij dit Wetboek of bij eene andere wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

    • 1°. het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten;

    • 2°. het dienen bij de gewapende macht;

    • 3°. het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;

    • 4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder;

    • 5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.

  • 2 Ontzetting van voor hun leven aangestelde leden der rechtelijke macht of andere ambtenaren geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald.

  • 3 Onverminderd bijzondere bepalingen kan bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting van de in het eerste lid vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 33

Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Artikel 34

Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt:

  • 1°. bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;

  • 2°. bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;

  • 3°. bij veroordeeling tot geldboete voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren.

De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Artikel 35

  • 1 Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

    • a. voorwerpen, die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;

    • b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

    • c. voorwerpen met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid;

    • d. voorwerpen met behulp waarvan de opsporing van het misdrijf is belemmerd;

    • e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;

    • f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de in onderdelen a tot en met e bedoelde voorwerpen.

  • 2 Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd verklaard worden, indien:

    • a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming had kunnen vermoeden, of

    • b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

  • 3 Rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard, indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met de verkrijging van de voorwerpen waarop of ten aanzien waarvan deze rechten bestaan, door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

  • 4 Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 35a

In de verbeurdverklaring van een voorwerp is begrepen die van de verpakking waarin het zich bevindt, tenzij de rechter het tegendeel bepaalt.

Artikel 35b

  • 1 Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen dan een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil wordt vergoed.

  • 2 De rechter kent een vergoeding als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de veroordeelde of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen.

  • 3 De rechter bepaalt aan wie het bedrag van de vergoeding of tegemoetkoming wordt uitbetaald; zulks laat ieders recht op dit bedrag onverlet.

Artikel 36

  • 1 Niet in beslag genomen voorwerpen worden, bij verbeurdverklaring, in de uitspraak op een bepaald geldelijk bedrag geschat.

  • 2 In dit geval moeten de voorwerpen worden uitgeleverd of moet de geschatte waarde worden betaald.

Artikel 36a

Bij in- of vervoer van goederen in strijd met de belastingwetgeving door een persoon beneden den leeftijd van achttien jaren kan de rechter op vordering van den met de vervolging belasten ambtenaar de verbeurdverklaring van de aangehaalde goederen uitspreken.

Artikel 36b

[vervallen]

Artikel 37

Alle kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van ‘s Rijks kas.

Artikel 38

In de gevallen waarin de rechter krachtens de wet de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan dien last op kosten van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven.

Titel IIa. Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding

Artikel 38a

Alle kosten van tenuitvoerlegging van de in deze titel bedoelde maatregelen – met uitzondering van de kosten van het verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen – komen ten laste, al hetgeen door die tenuitvoerlegging wordt verkregen komt ten bate van de Staat.

Artikel 38b

  • 1 Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:

    • a. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;

    • b. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;

    • c. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van de officier van justitie.

  • 4 De maatregel van onttrekking aan het verkeer kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.

Artikel 38c

Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:

  • a. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;

  • b. met betrekking tot welke het feit is begaan;

  • c. met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid;

  • d. met behulp waarvan de opsporing van het feit is belemmerd;

  • e. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;

een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Artikel 38d

Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan.

Artikel 38e

  • 1 Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

  • 2 De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

  • 3 Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

  • 4 De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van de voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, wordt geschat op het voordeel dat degene tegen wie de vordering, bedoeld in het eerste en derde lid, is ingesteld, daarmee, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, heeft behaald. De rechter kan het te bepalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel.

  • 5 Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

  • 6 Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.

  • 7 Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel.

Artikel 38f

  • 1 Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer.

  • 2 De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

  • 3 De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.

  • 4 Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Titel III. Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid

Artikel 39

Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Blijkt dat het begane feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner geestvermogens niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter gelasten dat hij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende een proeftijd, den termijn van een jaar niet te boven gaande.

Artikel 39a

[vervallen]

Artikel 39b

[vervallen]

Artikel 39c

[vervallen]

Artikel 39d

[vervallen]

Artikel 40

Bij strafrechtelijke vervolging van een minderjarigen persoon wegens een feit, begaan voordat hij den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter bevelen dat de schuldige aan zijne ouders of zijn voogd zal worden teruggegeven, zonder toepassing van eenige straf.

Artikel 41

Bij strafrechtelijke vervolging van eene persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wegens een feit, vallende in de bepaling van een misdrijf, kan de rechter bevelen dat de schuldige ter beschikking van de Regering zal worden gesteld, zonder toepassing van eenige straf, behoudens het bepaalde bij artikel 41ter, eerste lid.

Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon die op voormeld tijdstip de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, wegens het feit, vallende in de bepaling van een der overtredingen, omschreven in de artikelen 439, 440, 442, 446–452, 459, 460, 466, 469, 470, 474 en 477, en begaan nadat hij gedurende de laatste twee jaren tweemalen onherroepelijk werd schuldig verklaard aan een dezer overtredingen of aan enig misdrijf, kan de rechter bevelen als in het vorig lid is bepaald, zonder toepassing van enige straf.

In dezelfde zin en zonder toepassing van enige straf kan de rechter bevelen bij strafrechtelijke vervolging van een persoon die op vermeld tijdstip de leeftijd van veertien doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, wegens een feit, vallende in de bepaling van een der overtredingen, omschreven in de in het vorige lid genoemde artikelen, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere schuldigverklaring van dezelfde persoon aan een dezer overtredingen of aan enig misdrijf onherroepelijk is geworden.

Artikel 41bis

[vervallen]

Artikel 41aa

[vervallen]

Artikel 41ab

[vervallen]

Artikel 41ac

[vervallen]

Artikel 41bisa

In geval van terbeschikkingstelling, bedoeld bij artikel 41, kan de rechter daarbij tevens het bevel geven, dat de terbeschikkingstelling niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond dat de ter beschikking van de Regering gestelde persoon zich vóór het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd hetzij een bijzondere voorwaarde, welke bij het bevel mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd, hetzij is gebleken onvoorwaardelijk opvoeding vanwege de Regering te behoeven.

De artikelen 17b–17k zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande:

  • 1°. dat de rechter, indien hij bijzondere voorwaarden stelt, steeds tevens een opdracht tot het verlenen van bijstand als bedoeld bij artikel 17d, geeft, tenzij artikel 41decies mede is toegepast;

  • 2°. dat ten aanzien van de betekeningen, bedoeld in de artikelen 17e en 17i, laatste lid, de bepaling van artikelen 497, eerste lid, en 498 van het Wetboek van Strafvordering BES overeenkomstige toepassing vindt;

  • 3°. dat, indien de minderjarige de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle verzoeken worden gedaan of gewijzigd en alle bevoegdheden worden uitgeoefend door degene, die het ouderlijk gezag uitoefent, of door de voogd, en zulks met uitsluiting van de minderjarige zelve;

  • 4°. dat tot bijwoning van het onderzoek bedoeld in artikel 17i, derde lid, ook de ouders of de voogd van de minderjarige, onder betekening van de vordering of conclusie, worden opgeroepen;

  • 5°. dat de last tot tenuitvoerlegging op grond dat de voorwaardelijk ter beschikking van de Regering gestelde persoon is gebleken onvoorwaardelijk opvoeding vanwege de Regering te behoeven, wordt gegeven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen geldende met betrekking tot de tenuitvoerlegging op grond van het niet naleven van een bijzondere voorwaarde.

Artikel 41ter

Bij het bevel, dat de schuldige aan een misdrijf, waarop als maximum eene gevangenisstraf van drie jaren of meer is gesteld, ter beschikking van de Regering zal worden gesteld, kan de rechter den schuldige tevens veroordeelen tot gevangenisstraf van ten hoogste de helft van het maximum op het misdrijf gesteld. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan kan gevangenisstraf worden opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De ingevolge dit artikel opgelegde gevangenisstraf wordt niet tenuitvoergelegd vóór den dag, waarop de voorziening in de opvoeding van den schuldige onvoorwaardelijk eindigt.

Artikel 41quater

De tenuitvoerlegging van de ingevolge het vorige artikel opgelegde gevangenisstraf kan worden opgeschort bij een beschikking van Onze Minister van Justitie.

Deze beschikking kan te allen tijde worden herroepen ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden.

De gevangenisstraf wordt geacht te zijn ondergaan door het verloop van haren duur sedert den dag van de beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging en in elk geval op den dag, waarop de veroordeelde den leeftijd van vijf en twintig jaren heeft bereikt, tenzij inmiddels die beschikking is herroepen.

Artikel 41quinquies

De aanhouding van de veroordeelde, te wiens aanzien een beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging der hem opgelegde gevangenisstraf is genomen, kan, indien de veroordeelde handelt in strijd met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden, in het belang der openbare orde worden bevolen door de officier van justitie onder de verplichting Onze Minister van Justitie daarvan onverwijld kennis te geven.

Volgt daarna de herroeping dan wordt de uitvoering van de straf geacht te zijn aangevangen op den dag der aanhouding.

Artikel 41sexies

Het formulier van den verlofpas en de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 41quater en 41quinquies worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 41septies

Bij niet-toepassing van artikel 40 of artikel 41 wordt de persoon schuldig aan een feit, vallende in de bepaling van een misdrijf, gestraft, indien hij tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, met geldboete of met berisping, en indien hij op dat tijdstip den leeftijd van achttien jaren niet, doch dien van veertien jaren wel heeft bereikt, met geldboete.

Bij niet-toepassing van artikel 40 of artikel 41 wordt de persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, schuldig aan een feit, vallende in de bepaling van eene overtreding, gestraft met berisping.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert een vroegere schuldigverklaring van denzelfden persoon aan eenig strafbaar feit onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van berisping, geldboete worden opgelegd.

Ten opzichte van personen, die den leeftijd van zestien jaren wel, doch dien van achttien jaren nog niet hebben bereikt, kan de rechter de voorafgaande bepalingen van dit artikel buiten toepassing laten en recht doen naar de bepalingen ten aanzien van personen boven den leeftijd van achttien jaren geldende.

Artikel 41octies

Indien de straf van berisping wordt opgelegd kan de rechter een termijn bepalen van tenminste één jaar en ten hoogste twee jaren als proeftijd, welke voor den schuldige ingaat onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Indien geene andere hoofdstraf dan die van berisping toepasselijk is, doch de rechter geen termen vindt deze op te leggen òf artikel 40 òf artikel 41 toe te passen, bepaalt hij een termijn van ten minste één jaar en ten hoogste twee jaren als proeftijd, welke voor den schuldige ingaat onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Bij het bepalen van zoodanigen proeftijd stelt de rechter den schuldige ter beschikking van de Regering.

De tenuitvoerlegging van dit bevel geschiedt alleen indien de veroordeelde opnieuw aan eenig strafbaar feit onherroepelijk mocht zijn schuldig verklaard. Alsdan geschiedt de tenuitvoerlegging van het bevel zoodra mogelijk, behoudens de bevoegdheid van den rechter de opschorting te bevelen, indien het strafbaar feit, waaraan de veroordeelde zich opnieuw heeft schuldig gemaakt, niet valt in de bepaling van een misdrijf.

Artikel 41novies

De voorziening vanwege de Regering ingevolge het vorige artikel wordt geacht geheel te zijn vervallen indien vóór de tenuitvoerlegging van het bevel de proeftijd is verstreken.

Met de tenuitvoerlegging van het bevel eindigt de proeftijd.

De proeftijd loopt niet of wordt geacht niet te hebben geloopen gedurende den tijd dat de schuldigverklaarde ter zake van een opnieuw gepleegd strafbaar feit wordt vervolgd en de rechterlijke uitspraak deswege nog niet onherroepelijk is geworden indien de beklaagde bij deze onherroepelijke uitspraak is schuldig verklaard.

Artikel 41decies

Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon wegens een feit vallende in de bepaling van een misdrijf of van een der overtredingen bedoeld in de artikelen 451 en 452, kan de rechter, indien het gehouden onderzoek daartoe aanleiding geeft, de schuldige bij zijn uitspraak voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen op de in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES omschreven grond.

Zo spoedig mogelijk nadat de uitspraak, houdende de ondertoezichtstelling, onherroepelijk is geworden, doet het openbaar ministerie daarvan mededeling aan de rechter in het gerecht in eerste aanleg, bevoegd was overeenkomstig artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, die alsdan, zo mogelijk na overleg met degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, onverwijld een gezinsvoogd aanwijst, als bedoeld bij artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. Van deze aanwijzing wordt onverwijld bij exploit aan de ouder of voogd kennis gegeven, met de mededeling, dat hij zich bij de opvoeding van het kind naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd heeft te gedragen, behoudens beroep op de rechter in het gerecht in eerste aanleg.

De bepalingen betreffende de ondertoezichtstelling, voorkomende in de artikelen 255, tweede en derde lid, 256, 258–265 en 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES en in de artikelen 798–813 in verbinding met de artikelen 429a–429t van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, zijn ten deze van toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van de duur der ondertoezichtstelling deze geacht wordt aan te vangen op de dag der aanwijzing van de gezinsvoogd.

Artikel 42

Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

Artikel 43

  • 1 Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

  • 2 Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van eene hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Artikel 44

Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.

Artikel 45

Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag.

Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen.

Artikel 46

Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van het strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd.

Artikel 46bis

[vervallen]

Titel IV. Poging en voorbereiding

Artikel 47

  • 1 Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

  • 2 Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

  • 3 Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vier en twintig jaren.

  • 4 De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.

Artikel 48

Poging tot overtreding is niet strafbaar.

Artikel 48a

  • 1 Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

  • 2 In geval van terroristische misdrijven wordt onder voorbereiding tevens begrepen de financiering dan wel poging tot financiering van die misdrijven.

  • 3 Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, wordt bij voorbereiding met de helft verminderd.

  • 5 Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 48b

Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Titel V. Deelneming aan strafbare feiten

Artikel 49

Als dader van een strafbaar feit worden gestraft:

  • 1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;

  • 2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.

Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking, die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen.

Artikel 50

Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft:

  • 1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

  • 2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.

Artikel 51

Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vier en twintig jaren.

De hoofdstraf van berisping en de bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf.

Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen.

Artikel 52

De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffen.

Artikel 53

  • 1 Strafbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

  • 2 Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

    • a. tegen die rechtspersoon dan wel

    • b. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel

    • c. tegen de in de onderdelen a en b genoemden tezamen.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, enige andere vereniging van personen, en het doelvermogen.

Artikel 54

Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.

Artikel 55

Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan door den uitgever is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigd was.

Artikel 56

Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan door den drukker is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon, op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigd was.

Titel VI. Samenloop van strafbare feiten

Artikel 57

Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts ééne dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.

Artikel 58

Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid of muntschennis en aan het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid of muntschennis gepleegd is.

Artikel 59

Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf uitgesproken.

Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum.

Artikel 60

Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren, waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elk dier straffen uitgesproken, doch mogen deze te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen.

Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het maximum der bedreigde vervangende hechtenis.

Artikel 61

Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 62

In de gevallen der artikelen 59 en 60 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen:

  • 1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande, of ingeval geene andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;

  • 2°. de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;

  • 3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd; de vervangende straffen van hechtenis mogen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 28, derde lid, niet overschrijden.

Artikel 63

De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 9.

Waar den rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking.

De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum.

De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum.

Artikel 64

Bij samenloop op de wijze in de artikelen 59 en 60 bedoeld hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.

De vervangende straffen van hechtenis of voorzieningen in de opvoeding mogen voor de misdrijven en overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk de maxima, bepaald in artikel 28, derde lid, met niet meer dan een derde te boven gaan.

De straffen van hechtenis, opgelegd als hoofdstraf, mogen voor de overtreding gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan.

Artikel 65

Indien iemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing der bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting.

Indien echter levenslange gevangenisstraf op dit misdrijf is gesteld, zal die straf worden opgelegd, welke straf ook vroeger mocht zijn opgelegd.

Titel VII. Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar

Artikel 66

Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen iemand die den leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt of die anders dan wegens verkwisting onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wettigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

Is deze de persoon tegen wien de klachte moest geschieden, dan kan de vervolging plaats hebben op klachte van een bijzondere curator, van de echtgenoote, van een bloedverwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad ingesloten.

Artikel 67

Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen den in het volgende artikel gestelden termijn overlijdt, kan, zonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden op klachte van de ouders, van de kinderen of van den overlevenden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene een vervolging niet gewild heeft.

Artikel 68

De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klachte gerechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit indien hij binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijft houdt.

Artikel 69

Hij die de klachte indient, blijft gedurende eene maand na dan dag der indiening bevoegd haar in te trekken.

Titel VIII. Verval van het recht tot strafvordering en van de straf

Artikel 70

Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens het feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in Curaçao, in Sint Maarten, in Nederland of Aruba, onherroepelijk is beslist.

Is het gewijsde afkomstig van een anderen rechter, dan heeft tegen denzelfden persoon wegens hetzelfde feit geene vervolging plaats in geval van:

  • 1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

  • 2°. veroordeeling, gevolgd door geheele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

Artikel 71

Het recht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte.

Artikel 72

Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

  • 1°. in twee jaren voor alle overtredingen;

  • 2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

  • 3°. in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

  • 4°. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld.

Ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit dan leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt elke der boven vermelde verjaringstermijn tot een derde van de daar bepaalde duur ingekort.

Artikel 73

De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:

  • 1°. bij valschheid of muntschennis vangt de termijn aan op den dag na dien, waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid of muntschennis gepleegd is;

  • 2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 291, 292, 295, 295a en 295ao, op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem, tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;

  • 3°. bij overtredingen omschreven in de artikelen 489, 490 en 491, op den dag na dien waarop de dubbelen of afschriften van de akten, waaruit zoodanige overtreding blijkt, zijn overgebracht naar de centrale bewaarplaats.

Artikel 74

  • 1 Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij wettelijk voorschrift voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij.

  • 2 Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

Artikel 75

De schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschil schorst de verjaring.

Artikel 76

Het recht tot strafvordering wegens overtredingen, waarop geldboete, hetzij als eenige hoofdstraf, hetzij nevens hechtenis is gesteld, vervalt door vrijwillige voldoening aan de voorwaarde welke de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie op vóór den aanvang der terechtzitting in te dienen verzoek van den verdachte of beklaagde ter voorkoming van de strafvervolging mocht hebben gesteld.

Deze voorwaarde bestaat in: de betaling, binnen een door den ambtenaar te bepalen termijn en op eene door dezen aan te wijzen plaats, van eene bepaalde geldsom, met of zonder uitlevering van aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen of voldoening der geschatte waarde of afstand van reeds inbeslaggenomen voorwerpen. Zoodanige uitlevering, voldoening of afstand wordt steeds in de voorwaarde opgenomen, indien ter zake van het feit verbeurdverklaring zou moeten volgen. Bedoelde termijn kan vóór den afloop daarvan eenmaal worden verlengd.

De te betalen geldsom bedraagt ten minste USD 0,50 en ten hoogste het maximum der boete op het feit gesteld.

Is op de overtreding geene andere hoofdstraf gesteld dan geldboete en biedt de verdachte of beklaagde aan, binnen den door den ambtenaar van het openbaar ministerie te bepalen termijn het maximum der boete te betalen en de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen uit te leveren of af te staan of hunne geschatte waarde te voldoen, dan zal die ambtenaar het stellen van een daartoe strekkende voorwaarde niet mogen weigeren.

In de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling, is die verhoging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger begane overtreding volgens het eerste lid is vervallen. Ten aanzien van de toepassing van de artikelen 17f en 17h wordt het vervallen volgens het eerste lid van het recht tot strafvordering met een onherroepelijke veroordeling gelijk gesteld.

De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing op een persoon die tijdens het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Te diens aanzien geldt, bij toepassing van het derde en vierde lid, in afwijking in zover van het daarin bepaalde, als maximum der boete een bedrag van USD 50.

Artikel 77

Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door den dood van den veroordeelde, met uitzondering van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 78

Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring.

De termijn dezer verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur der opgelegde straf.

Indien vóór de tenuitvoerlegging van de straf de veroordeelde, die tijdens zijne veroordeeling nog geen achttien jaren oud was, den leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, vordert hij, die met deze tenuitvoerlegging is belast, dat de rechter die de straf heeft opgelegd, den duur zal bepalen der gevangenisstraf of hechtenis of het bedrag der boete, op het feit gesteld, welke straffen alsdan in de plaats treden der vroeger opgelegde. Deze bepaling is niet toepasselijk ten opzichte van de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Artikel 79

  • 1 De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

  • 2 Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchting. Bij herroeping eener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der herroeping.

  • 3 De termijn loopt niet gedurende de bij wet bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroordeeling, in verzekerde bewaring is.

  • 4 Ten aanzien van een persoon, die zich aan de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgesproken bevel, bedoeld bij artikel 41ter, onttrekt, vangt de termijn van verjaring der hem tevens naar de bepalingen van dat artikel opgelegde gevangenisstraf aan op den dag na die waarop hij den leeftijd van een en twintig jaren bereikt.

  • 5 De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen, zolang Onze Minister van Justitie van de autoriteiten van die staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.

  • 6 Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde staat is overgenomen, die staat afstand doet van zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag waarop Onze Minister van Justitie de mededeling van de autoriteiten van die staat omtrent de afstand heeft ontvangen.

Artikel 79bis

De voorziening in de opvoeding, ter vervanging van de uitlevering van verbeurdverklaarde voorwerpen, wordt niet uitgevoerd, wanneer de veroordeelde door van zijn wil onafhankelijke omstandigheden feitelijk verhinderd is de verbeurdverklaarde voorwerpen uit te leveren of het geldelijk bedrag, waarop zij bij de uitspraak geschat worden, te betalen.

Titel IX. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen

Artikel 80

Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbeiding van dat misdrijf begrepen; voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt.

Artikel 80a

  • 1 Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding totstandkomt tussen de betrokken personen.

  • 2 De voorzitter van het college, de rechter, de rechter-commissaris of ambtenaar die met de leiding over het horen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

  • 3 Tegen de beslissing om van videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

    • a. de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van vastgelegde waarnemingen;

    • b. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.

Artikel 81

Aanslag tot een feit bestaat, zoodra het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering, in den zin van artikel 47 heeft geopenbaard.

Artikel 82

Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.

Artikel 82bis

Onder omwenteling wordt verstaan het vernietigen of op onwettige wijze veranderen van den grondwettigen regeeringsvorm, de orde van troonopvolging of den wettigen regeeringsvorm.

Artikel 82b

Onder verboden plaats wordt verstaan iedere plaats die als verboden plaats is aangewezen krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen.

Artikel 82c

Onder gegeven waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden, wordt mede verstaan een gegeven, behorende tot of ontleend aan gegevens, hulpmiddelen of materialen of met behulp daarvan verrichte onderzoekingen of toegepaste werkmethoden met betrekking tot splijtstoffen waarvoor Onze Minister die het aangaat regels heeft gesteld.

Artikel 82d

Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.

Artikel 82e

Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.

Artikel 83

Met het plegen van geweld wordt gelijk gesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.

Artikel 84

Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden en afdrijving van de vrucht eener vrouw.

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.

Artikel 84a

Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:

Artikel 84b

Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Artikel 84c

Onder misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf wordt verstaan elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 137, tweede lid, 138, tweede lid, 211, tweede lid, 230, derde lid, 298, vierde lid, 324, eerste lid, onder 6°, 325, tweede lid, onder 2°, 330, derde lid jo. 325, tweede lid, onder 2°, 331, tweede lid, 335a, 339, tweede lid, en 372a.

Artikel 85

[vervallen]

Artikel 86

Onder ambtenaren worden begrepen alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen.

Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht uitoefenen.

Allen die tot de gewapende macht behooren, worden mede als ambtenaren beschouwd.

Artikel 86bis

Onder koopman wordt verstaan ieder die een bedrijf uitoefent.

Artikel 87

  • 1 Onder schipper wordt verstaan: de gezagvoerder van een Nederlands schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee;

  • 2 Onder opvarende wordt verstaan: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands schip bevindt, ook indien hij buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee bevindt.

  • 3 Onder schepeling wordt verstaan: degene die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip bevindt.

  • 4 Vaartuigen in aanbouw noch schepen in aanbouw worden als vaartuigen of schepen aangemerkt.

Artikel 88

[vervallen]

Artikel 89

Onder Nederlandse schepen worden alleen verstaan die vaartuigen welke door de wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag als zeeschepen worden aangemerkt.

Artikel 89a

  • 1 Onder Nederlandse luchtvaartuigen worden verstaan:

    • a. luchtvaartuigen die zijn ingeschreven in Nederlandse luchtvaartregisters;

    • b. luchtvaartuigen die zonder bemanning zijn verhuurd aan een huurder die de hoofdzetel van zijn bedrijf, of, indien de huurder niet een zodanige zetel heeft, zijn vaste verblijfplaats, binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft.

  • 2 Een luchtvaartuig is in vlucht van het moment af waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment waarop een van de deuren wordt geopend voor het uitstappen. In geval van een noodlanding wordt de vlucht geacht voort te duren totdat de bevoegde autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en goederen aan boord overnemen.

    Een luchtvaartuig is in bedrijf van het begin van het gereedmaken van dat luchtvaartuig voor een bepaalde vlucht door het grondpersoneel of door de bemanning tot het moment dat sedert de landing 24 uren verstreken zijn. De periode tijdens welke het luchtvaartuig in bedrijf is strekt zich in elk geval uit tot de gehele periode tijdens welke het luchtvaartuig in vlucht is, zoals omschreven in het tweede lid.

Artikel 90

Onder vijand worden begrepen opstandelingen. Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog. Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is. Tijd van oorlog wordt mede geacht te bestaan zodra dienstplichtigen buitengewoon in werkelijke dienst worden opgeroepen en zolang zij buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden.

Artikel 90a

Onder een bevriende staat wordt verstaan een buitenlandse mogendheid waarmee het Koninkrijk der Nederlanden niet in een gewapend conflict is gewikkeld.

Artikel 90b

  • 1 Onder internationaal beschermd persoon wordt verstaan een persoon die valt onder de omschrijving van artikel 1, eerste lid, van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten van 14 december 1973 (Trb. 1981, 69).

  • 2 Onder internationaal beschermd persoon wordt mede verstaan een persoon die valt onder de omschrijving van artikel 1, onderdeel a of b, van het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel van 9 december 1994 (Trb. 1996, 62), zoals aangevuld door het Facultatief Protocol van 8 december 2005 (Trb. 2006, 211).

  • 3 Onder beschermde goederen worden verstaan de goederen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het in het eerste lid genoemde verdrag en artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het in het tweede lid genoemde verdrag.

Artikel 91

Onder dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig uren, onder maand een tijd van dertig dagen.

Artikel 92

Onder nacht wordt verstaan de tijd tusschen half zeven uur des avonds en half zes uur des morgens.

Artikel 93

Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende.

Artikel 94

Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.

Artikel 95

Onder vee worden verstaan paarden, ezels, muilezels, muildieren, runderen, schapen, bokken, geiten en varkens.

Artikel 95bis

Onder opkooper wordt verstaan hij die van opkoopen een beroep of eene gewoonte maakt. Onder opkoopen worden begrepen alle handelingen, hoe ook genaamd, waarmede kenlijk hetzelfde wordt beoogd.

Artikel 95ter

Onder electriciteitswerken worden verstaan werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van electriciteit en daarmede in verband staande beveiligings-, bevestigings-, ondersteunings- en waarschuwingswerken.

Onder electriciteitswerken worden niet begrepen telegraaf en telefoonwerken.

Artikel 95c

Onder discriminatie wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben, dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het openbare leven, wordt tenietgedaan of aangetast.

Artikel 95d

  • 2 Onder aftappen wordt verstaan hetgeen wordt verstaan in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering BES.

Slotbepaling

Artikel 96

De bepalingen der eerste acht Titels van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Tweede boek. Misdrijven

Titel I. Misdrijven tegen de veiligheid van den Staat

Artikel 97

De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 98

[vervallen]

Artikel 99

De aanslag ondernomen met het oogmerk om het grondgebied van den Staat geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 99bis

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de Raad van Ministers uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 100

De aanslag, ondernomen met het oogmerk om omwenteling teweeg te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Leiders en aanleggers van een aanslag als in het eerste lid bedoeld, worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 101

[vervallen]

Artikel 102

De samenspanning tot een der in de artikelen 97, 99, 99bis en 100 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Dezelfde straf is toepasselijk op hem, die met het oogmerk om een der in de artikelen 97, 99, 99bis en 100 omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

  • 1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

  • 2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

  • 3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

  • 4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

  • 5°. eenigen maatregel vanwege de Regering genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

De voorwerpen, in het voorgaande lid, onder 3°, bedoeld, kunnen worden verbeurd verklaard.

Niet strafbaar is hij, van wien blijkt, dat zijn oogmerk enkel gericht is op het voorbereiden of bevorderen van staatkundige veranderingen in algemeenen zin.

Indien in een der gevallen, in de eerste twee leden van dit artikel bedoeld, het misdrijf is gevolgd, kan de straf worden verdubbeld.

Artikel 103

Hij die met een buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of tot het voeren van oorlog tegen den Staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar hulp daarbij toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verlenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 103a

Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

  • 1°. hij, die met een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam in verstandhouding treedt, met het oogmerk om een zoodanig persoon of lichaam tot het verschaffen van steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling te bewegen, om een zoodanig persoon of lichaam in het daartoe opgevatte voornemen te versterken of aan een zoodanig persoon of lichaam daarbij hulp toe te zeggen of te verleenen, of om omwenteling voor te bereiden, te bevorderen of teweeg te brengen;

  • 2°. hij, die eenig voorwerp invoert, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is:

  • 3°. hij, die eenig voorwerp onder zich heeft of tot onderwerp eener overeenkomst maakt, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderden of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is en dat het voorwerp of eenig ander voorwerp, waarvoor het in de plaats is getreden, hetzij met die bestemming is ingevoerd, hetzij door of vanwege een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam daartoe is bestemd.

De voorwerpen waarmede of met betrekking tot welke de in het voorgaande lid onder 2°–3° omschreven misdrijven zijn begaan, kunnen worden verbeurd verklaard.

Artikel 104

Hij die enig gegeven, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die enig gegeven, dat van een verboden plaats afkomstig is en tot de veiligheid van de staat in betrekking staat, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanig gegeven betreft.

Artikel 104a

Hij die enig gegeven als bedoeld in artikel 104 hetzij opzettelijk openbaar maakt, hetzij zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een buitenlandse mogendheid, een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, dan wel een zodanig persoon of lichaam, dat gevaar ontstaat dat het gegeven aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend wordt, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de schuldige heeft gehandeld in tijd van oorlog dan wel in dienst of in opdracht van een buitenlandse mogendheid of van een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren worden opgelegd.

Handelingen gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf als omschreven in de voorgaande leden worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 104b

Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig gegeven als bedoeld in artikel 104 openbaar wordt gemaakt dan wel ter beschikking komt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste één jaar.

Artikel 104c

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

    • 1°. hij die opzettelijk enig gegeven als bedoeld in artikel 104, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich neemt of houdt;

    • 2°. hij die enige handeling verricht, ondernomen met het oogmerk om, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de beschikking te krijgen over enig gegeven als bedoeld in artikel 104;

    • 3°. hij die tersluik, onder een vals voorgeven, door middel van een vermomming of langs een andere dan de gewone toegang op of in een verboden plaats komt of tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig is, of zich op een van die wijzen of door een van die middelen vandaar verwijdert of tracht te verwijderen.

    De bepalingen onder 3° is niet toepasselijk, indien de rechter blijkt, dat de dader niet heeft gehandeld met het oogmerk bedoeld onder 2°.

Artikel 105

Hij die eene hem vanwege de Regering opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheid opzettelijk ten nadeele van den Staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 106

Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren wordt gestraft:

  • 1°. hij die in geval van een oorlog, waarin het Koninkrijk niet betrokken is, opzettelijk enige handeling verricht, waardoor het gevaar ontstaat, dat de Staat in een oorlog wordt betrokken, of enig van regeringswege gegeven en bekend gemaakt bijzonder voorschrift tot handhaving van het niet deelnemen aan de oorlog opzettelijk overtreedt;

  • 2°. hij die in tijd van oorlog, enig voorschrift van regeringswege in het belang van de veiligheid van de Staat gegeven en bekend gemaakt, opzettelijk overtreedt.

Artikel 106a

Artikel 106 onder 1° vindt overeenkomstige toepassing in geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt.

Artikel 106b

  • 1 Hij die op enigerlei wijze opzettelijk van het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebruik maakt bij het voorbereiden, bevorderen, teweegbrengen of uitvoeren van hetzij een gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid, hetzij enige andere tegen een dergelijke mogendheid of haar regering gerichte illegale actie, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

  • 2 Hij aan wiens schuld te wijten is dat van het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op enigerlei wijze gebruik wordt gemaakt bij enige handeling als bedoeld in het voorgaande lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

  • 3 Onder het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan de territoriale zee rond en het luchtruim boven de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 4 Met gelijke straf en naar de onderscheiding, gemaakt in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt gestraft de ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die deelneemt aan een poging tot gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid.

Artikel 107

De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met het Koninkrijk in oorlog is of in het vooruitzicht van een oorlog met het Koninkrijk, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Artikel 108

Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den Staat tegenover den vijand benadeelt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

  • 1°. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt;

  • 2°. als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

  • 1°. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad, enige krijgskas of enige verboden plaats, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in ‘s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt;

  • 2°. hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk teweegbrengt of bevordert,

Artikel 109

De samenspanning tot een der in artikel 108 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Artikel 110

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den Staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk:

  • 1°. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt;

  • 2°. desertie van een krijgsman, in dienst van het Koninkrijk teweegbrengt of bevordert.

Artikel 111

Hij die in tijd van oorlog eenige bedriegelijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de krijgsmacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat.

Artikel 112

Bij veroordeeling wegens het in artikel 97 omschreven misdrijf kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 99–109 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 111 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten, en kan de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

Artikel 113

De straffen gesteld op de in de artikelen 108–111 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den Staat in een gemeenschappelijken oorlog.

Artikel 113a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 101, eerste lid, 102, eerste en tweede lid, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren opgelegd.

Titel II. Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid

Artikel 114

  • 1 De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den troonopvolger, of van een lid van het Koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

  • 2 Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 115

Elke feitelijke aanranding van den persoon des Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Artikel 116

Elke feitelijke aanranding van den persoon van den troonopvolger, van een lid van het Koninklijk huis, of van den Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 117

[vervallen]

Artikel 118

Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 119

Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van het Koninklijk huis of den Regent aangedaan wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 120

[vervallen]

Artikel 121

Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor den Koning, de Koningin, den troonopvolger, een lid van het Koninklijk huis, of de regent met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 122

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 114, 115 en 116 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 118 en 119 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 122a

  • 1 Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 114, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren.

  • 2 Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 115 en 116, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 122b

De samenspanning tot de in artikel 114 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Titel III. Misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen

Artikel 123

De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 124

Elke feitelijk aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 124a

  • 1 De aanslag op het leven of de vrijheid van een internationaal beschermd persoon wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

  • 2 Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren worden opgelegd.

Artikel 124b

Elke feitelijke aanranding van de persoon van een internationaal beschermd persoon, die niet valt in een zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 124c

Hij die opzettelijk geweld pleegt tegen de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon wordt, indien daardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid van die persoon te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren.

Artikel 125

Opzettelijke beleediging van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 126

Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Regering van het Koninkrijk in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 127

Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat of voor een vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Regering van het Koninkrijk in zijne hoedanigheid, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 128

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 123 en 124 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N° 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 125 en 126 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N° 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 128a

  • 1 Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 123, eerste lid, 124a en 124c is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

  • 2 Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 124b, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 128b

De samenspanning tot de in artikel 123, eerste lid, 124a en 124c omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Titel IV. Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten

Artikel 129

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal of van een van deze of van hun krachtens het reglement van orde gevormde of benoemde commissies uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid, een minister of een staatssecretaris uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid, een minister of een staatssecretaris verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 130

De samenspanning tot het in artikel 129 omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Artikel 102, tweede, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 131

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 132

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Dezelfde straf wordt toegepast op de kiezer of de gemachtigde van een kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopen.

Artikel 133

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor de stem van een kiezer van onwaarde wordt of een ander dan de door dien kiezer bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Artikel 134

Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 135

Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene plaats gehad hebbende stemming verijdelt of eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

Artikel 136

Bij veroordeeling wegens het in artikel 129 omschreven misdrijf kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 130–135 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 136a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 130, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde

Artikel 136bis

[vervallen]

Artikel 136ter

[vervallen]

Artikel 136quater

[vervallen]

Artikel 136quinquies

[vervallen]

Artikel 137

  • 1 Hij, die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid hetzij aan de wet hetzij aan een krachtens de wet gegeven ambtelijk bevel opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de eerste categorie.

  • 2 Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 138

  • 1 Hij, die een geschrift, waarin tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid als in het vorige artikel omschreven wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de eerste categorie.

  • 2 Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 138a

Bij veroordeling wegens een der misdrijven, omschreven in de artikelen 137 en 138, kan ontzetting van de in artikel 32 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 139

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 140

Hij die een geschrift waarin wordt aangeboden inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, met het oogmerk om aan dat aanbod ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 140a

Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 140bis

Hij die door een der in artikel 49 N°. 2° vermelde middelen een ander tracht te bewegen om een misdrijf te begaan, wordt, indien het misdrijf of een strafbare poging daartoe niet is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de eerste categorie, echter met dien verstande dat nimmer eene zwaardere straf wordt uitgesproken dan terzake van poging tot het misdrijf of, indien zoodanige poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd. Deze bepaling is op hem niet van toepassing, indien het misdrijf of eene strafbare poging daartoe niet is gevolgd ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil afhankelijk.

Artikel 141

Hij die, kennis dragende van een strafbare samenspanning tot enig misdrijf dan wel van een voornemen tot het plegen van een terroristisch misdrijf op een tijdstip waarop het plegen van dit misdrijf nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 142

Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 97–116 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, menschenroof of verkrachting of tot een der in Titel VII van dit Boek omschreven misdrijven voor zoover daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van eenig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke kennisgeving te doen.

Artikel 143

De bepalingen van de artikelen 141 en 142 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor eene strafvervolging zou doen ontstaan voor zich zelven, voor een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen.

Artikel 143a

  • 1 Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

  • 2 Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 143b

  • 1 Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

  • 2 Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 143c

  • 1 Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving,

    • 1°. een uitlating openbaarmaakt, die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, beledigend is of aanzet tot haat of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht;*

    • 2°. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft; wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2 Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

  • 3 Indien de schuldige een der strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van dit feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 143d

Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 143e

  • 1 Hij die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineert wegens hun ras, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

  • 2 Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 144

Hij die, hetzij in de woning of in het bij eene woning behorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of van een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende en anders dan tengevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Artikel 144a

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:

    • a. door het doorbreken van een beveiliging;

    • b. door een technische ingreep;

    • c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of

    • d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.

  • 2 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.

  • 3 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatie netwerk, indien de dader vervolgens:

    • a. met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk;

    • b. door tussenkomst van een geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde.

Artikel 144b

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot of het gebruik van een geautomatiseerd werk belemmert door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden.

Artikel 145

Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan tengevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Artikel 145a

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die met een technisch hulpmiddel een gesprek dat in een woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd opzettelijk:

    • 1°. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek afluistert;

    • 2°. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opneemt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het opnemen:

    • 1°. van gegevens die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk;

    • 2°. behoudens in geval van kennelijk misbruik, met een technisch hulpmiddel dat op gezag van degene bij wie de woning, het lokaal of het erf in gebruik is, niet heimelijk aanwezig is;

    • 3°. ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Artikel 145b

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk een gesprek dat elders dan in een woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd af te luisteren of op te nemen, dat gesprek met een technisch hulpmiddel heimelijk:

    • 1°. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek afluistert;

    • 2°. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opneemt.

Artikel 145c

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftapt of opneemt die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het aftappen of opnemen:

    • 1°. van door middel van een radio-ontvangapparaat ontvangen gegevens, tenzij om de ontvangst mogelijk te maken een bijzondere inspanning is geleverd of een niet toegestane ontvanginrichting is gebruikt;

    • 2°. door of in opdracht van de gerechtigde tot een voor de telecommunicatie gebezigde aansluiting, behoudens in geval van kennelijk misbruik;

    • 3°. ten behoeve van de goede werking van een openbaar telecommunicatienetwerk, ten behoeve van de strafvordering, dan wel ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Artikel 145d

  • 1 Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet zijn.

  • 2 Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 144a, eerste lid, 144b of 145c wordt gepleegd:

    • a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of

    • b. een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft.

  • 3 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die het in het tweede lid bedoelde feit pleegt terwijl zijn oogmerk is gericht op een misdrijf als bedoeld in artikel 144a, tweede of derde lid.

Artikel 145e

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

  • 1°. hij die de beschikking heeft over een voorwerp waarop, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, gegevens zijn vastgelegd die door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk zijn verkregen;

  • 2°. hij die gegevens die hij door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk heeft verkregen of die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, ten gevolge van zulk afluisteren, aftappen of opnemen te zijner kennis zijn gekomen, opzettelijk aan een ander bekend maakt;

  • 3°. hij die een voorwerp als omschreven onder 1° opzettelijk ter beschikking stelt van een ander.

Artikel 146

Deelneming aan eene organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Deelneming aan een andere bij algemene maatregel van bestuur verboden organisatie wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 146a

  • 1 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren.

  • 2 Oprichters, leiders of bestuurders van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

  • 3 Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de in dat lid omschreven organisatie.

Artikel 147

Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

De schuldige wordt gestraft:

  • 1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  • 2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  • 3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge heeft.

Artikel 83 blijft buiten toepassing.

Artikel 147bis

Hij, die door het opzettelijk verspreiden van een logenachtig bericht onrust verwekt onder de bevolking, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 148

Hij die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 149

Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene geoorloofde openbare vergadering verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden.

Artikel 150

Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 151

Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of lijkplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 152

Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of lijkplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 153

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:

  • 1°. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;

  • 2°. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;

  • 3°. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt.

Artikel 154

Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene begraafplaats of crematorium of het geoorloofd vervoer van een lijk naar eene begraafplaats of crematorium verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 155

Hij die opzettelijk een graf schendt of eenig op eene begraafplaats opgericht gedenkteeken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 156

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 157

Hij die een lijk begraaft, verbrandt, vernietigt, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de tweede categorie.

Titel VI. Tweegevecht

Artikel 158

[vervallen]

Artikel 159

[vervallen]

Artikel 160