Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES

Geldend van 01-04-2015 t/m heden

Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. politieke gezagdrager: gezaghebber, eilandgedeputeerde en lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam;

  • b. gewezen politieke gezagdrager: degene die uit hoofde van ontslag uitzicht heeft op pensioen op grond van dit besluit;

  • c. gepensioneerde politieke gezagdrager: degene die recht heeft op pensioen op grond van dit besluit;

  • d. ontslag: de op enigerlei wijze formele beëindiging van de benoeming tot politieke gezagdrager, niet zijnde het tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel Ya 13 juncto X 10, eerste of tweede lid van de Kieswet;

  • e. overheidsdienaren: de ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet BES;

  • f. nabestaande: degene met wie de politieke gezagdrager, de gewezen politieke gezagdrager of de gepensioneerde politieke gezagdrager op de dag van overlijden gehuwd was;

  • g. bevoegde gezag: het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam.

Artikel 1a

Dit besluit is niet van toepassing op een lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel Ya 13 juncto X 10, eerste of tweede lid van de Kieswet.

Hoofdstuk 2. De uitkering

Artikel 2

  • 1 De politieke gezagdrager aan wie ontslag is verleend en die op het tijdstip van ontslag de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES nog niet heeft bereikt, heeft met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat recht op een uitkering ingevolge de volgende artikelen.

  • 2 Geen recht op uitkering bestaat indien de politieke gezagdrager:

    • a. zonder onderbreking opnieuw in hetzelfde ambt optreedt;

    • b. [vervallen]

    • c. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit blijkt dat deze zich naar het oordeel van Onze Minister uit nationaal oogpunt onwaardig heeft gedragen.

Artikel 3

  • 1 Het recht wordt toegekend voor de duur gelijk aan de tijd waarin betrokkene politieke gezagdrager is geweest, maar ten minste voor de duur van één jaar en ten hoogste voor de duur van twee jaren.

  • 2 Indien betrokkene de functie van politieke gezagdrager met één of meer onderbrekingen heeft vervuld, wordt voor de berekening van de duur van de uitkering in aanmerking genomen de tijd waarin de betrokkene in een tijdvak direct voorafgaande aan het laatste ontslag een functie van politieke gezagdrager heeft vervuld, indien die functies voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak zijn onderbroken.

  • 3 In het geval van beëindiging van de uitkering op grond van artikel 8, sub c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop de eerstbedoelde uitkering zou zijn geëindigd, indien daarvan het recht niet tussentijds was geëindigd.

Artikel 3a

  • 1 De betrokkene die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 2, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor inschakeling in de arbeid.

  • 2 De betrokkene voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 3 Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

    • a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

    • b. het opleidingsniveau van de betrokkene;

    • c. de reistijd naar en van het werk;

    • d. het geboden loon;

    • e. het werkloosheidsrisico.

  • 4 Het bevoegde gezag is verantwoordelijk voor het in overleg met de betrokkene opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op de betrokkene die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de bezoldiging, bedoeld in artikel 4;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 5.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de betrokkene.

Artikel 3b

  • 1 Het bevoegde gezag kan de betrokkene, bedoeld in artikel 3a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2 Het bevoegde gezag verstrekt de betrokkene een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als politieke gezagdrager per jaar genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 4. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 3c

  • 1 Indien de betrokkene een bij of krachtens artikel 3a of 3b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit het bevoegde gezag tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Het bevoegde gezag is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan betrokkene op grond van dit besluit.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 4

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende de eerste drie maanden 95 procent, de daarop volgende zeven maanden 85 procent, de daarop volgende tien maanden 75 procent en vervolgens 70 procent van de bezoldiging als politieke gezagdrager.

  • 2 Onder bezoldiging bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de vaste inkomensbestanddelen waarop de politieke gezagdrager op de dag voorafgaande aan het ontslag aanspraak had.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, worden onkostenvergoedingen, onder welke benaming dan ook, niet gerekend tot de bezoldiging.

  • 4 Als de bezoldiging van de ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES, wijziging ondergaat, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat de uitkering, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig deze wijziging aangepast, onder nadere vaststelling voor zoveel nodig, van de bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid.

  • 5 Bij ministeriële regeling, kunnen omtrent de vaststelling van de bezoldiging bedoeld in het tweede lid, en de overeenkomstige wijziging bedoeld in het vierde lid, nadere regels worden gesteld.

Artikel 5

  • 1 Indien de gewezen politieke gezagdrager op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt, door ziekten of gebreken ongeschikt is om zijn vroegere functie van politieke gezagdrager te vervullen, wordt de uitkering voor de duur van de ongeschiktheid voortgezet met inachtneming van artikel 6.

  • 3 Ter beantwoording van de vraag of sprake is van ongeschiktheid bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegde gezag een onderzoek instellen door een door hem aangewezen commissie van geneeskundigen.

Artikel 6

  • 1 De voortzetting van de uitkering geschiedt op aanvraag van betrokkene en voor termijnen niet langer dan twee jaar, onverminderd het in dit besluit bepaalde over de beëindiging van de uitkering.

  • 2 Een aanvraag bedoeld in het eerste lid, wordt door betrokkene uiterlijk drie maanden voor het einde van de uitkering, respectievelijk het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

  • 3 Ter beantwoording van de vraag of sprake is van ongeschiktheid na afloop van een in het eerste lid bedoelde termijn, kan het bevoegde gezag een onderzoek doen instellen als bedoeld in artikel 5, derde lid.

Artikel 7

  • 1 De inkomsten die de gewezen politieke gezagdrager geniet, worden met de uitkering verrekend over de maand waarop die inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 2 Onder inkomsten bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het gezamenlijk bedrag dat de betrokkene wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag als politieke gezagdrager, geniet als:

    • a. winst uit onderneming;

    • b. inkomsten uit of in verband met arbeid.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden mede als inkomsten aangemerkt:

    • a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen binnen één jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag;

    • b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin de politieke gezagdrager in verband met de vervulling van dat ambt op non-activiteit was gesteld.

  • 4 Indien de betrokkene op of na de dag van het ontslag inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van een algemene loonsverhoging, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten, ter hand genomen voor de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het derde lid, is op die inkomsten of hogere inkomsten het eerste lid van toepassing.

  • 5 De verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt.

Artikel 8

Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de gewezen politieke gezagdrager:

  • a. is overleden;

  • b. de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES heeft bereikt;

  • c. opnieuw in hetzelfde ambt optreedt;

  • d. [vervallen]

  • e. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit blijkt dat deze zich naar het oordeel van Onze Minister uit nationaal oogpunt onwaardig heeft gedragen.

Artikel 9

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen politieke gezagdrager die recht heeft op een uitkering, wordt aan diens nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de uitkering van de politieke gezagdrager over een tijdvak van twee maanden.

  • 2 Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, of van kinderen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.

  • 3 Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 4 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Artikel 10

De uitkering wordt, over een maand berekend, in maandelijkse termijnen betaald.

Hoofdstuk 3. Het ouderdomspensioen

Artikel 11

  • 1 Een politieke gezagdrager heeft na ontslag recht op pensioen, indien hij op de dag van ingang van het ontslag de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES heeft bereikt, tenzij hij op dat tijdstip opnieuw als politieke gezagdrager optreedt.

  • 2 Een gewezen politieke gezagdrager verkrijgt recht op pensioen bij het bereiken van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip opnieuw politieke gezagdrager is of wordt.

Artikel 12

  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. diensttijd

      • de tijd gedurende welke de politieke gezagdrager een functie als genoemd in artikel 1, sub a, heeft vervuld;

      • de tijd waarin recht bestond op een uitkering ingevolge hoofdstuk 2;

    • b. berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in artikel 4, gerekend over een jaar, die de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag in die functie ontving;

    • c. franchise: 10/7 van de tot een jaarbedrag herleide uitkering van het wettelijk ouderdomspensioen, bedoeld in de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, zoals deze geldt op de dag waarop het recht op pensioen ingaat. De franchise wordt naar boven afgerond op hele dollars;

    • d. pensioengrondslag: de berekeningsgrondslag op de dag waarop het recht op pensioen ingaat, zonodig aangepast overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, verminderd met de franchise.

  • 2 De tijd bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel 2, geldt voor de helft van die tijd als diensttijd. Voor zover en voor zolang de uitkering wordt verminderd op grond van artikel 7 geldt die tijd niet als diensttijd.

  • 3 Indien de betrokkene meerdere malen in dezelfde categorie als bedoeld in artikel 1, sub a, een functie als politieke gezagdrager heeft vervuld, geldt voor de toepassing van het eerste lid, sub b, het laatste ontslag in de functie behorend tot die categorie.

Artikel 13

  • 1 Het pensioen bedraagt jaarlijks:

    • a. voor ieder geheel jaar diensttijd drie percent van de pensioengrondslag en

    • b. voor elke resterende gehele maand diensttijd 1/12 deel van drie percent, tot een maximum van 70%.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, sub b, wordt een resterende diensttijd van minder dan een maand voor een gehele maand gerekend.

  • 3 Het pensioen van de politieke gezagdrager en gewezen politieke gezagdrager die in meerdere categorieën als bedoeld in artikel 1, sub a, een functie als politieke gezagdrager heeft vervuld, bedraagt de som van de voor ieder van die categorieën afzonderlijk berekende bedragen op basis van de bij de onderscheiden categorieën behorende diensttijd, berekeningsgrondslag en pensioengrondslag.

  • 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt, indien het bedrag van de berekeningsgrondslag kleiner is dan drie keer het bedrag van de franchise en voor zover het die berekeningsgrondslag betreft, het pensioen berekend als percentage van de berekeningsgrondslag waarbij 2,25% als jaarlijks percentage geldt en 52,5% als maximum.

  • 5 In de gevallen dat de tijd doorgebracht als politieke gezagdrager in eenzelfde categorie in totaal langer dan twaalf maanden heeft geduurd, bedraagt het ingevolge dit artikel voor de desbetreffende categorie berekende pensioen ten minste USD 161 voor ieder geheel jaar in die hoedanigheid doorgebrachte tijd, welk bedrag wordt verhoogd met USD 13,50 voor elke resterende gehele maand met dien verstande dat een resterende tijd van minder dan een maand voor een gehele maand wordt gerekend.

Artikel 14

  • 1 Indien de bezoldiging van de ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES, wijziging ondergaat, wordt de pensioengrondslag met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat overeenkomstig deze wijziging aangepast. De toegekende pensioenen worden dienovereenkomstig opnieuw vastgesteld.

  • 2 Indien een wijziging van de bezoldigingen bedoeld in het eerste lid, een verlaging van deze bezoldigingen inhoudt ten opzichte van het van het voorafgaande peil, vindt aanpassing van de pensioengrondslag niet plaats. Indien een later volgende wijziging als hiervoor bedoeld, een verhoging inhoudt, wordt deze verhoging geheel of gedeeltelijk achterwege gelaten totdat de aanpassing die de pensioengrondslag bij toepassing van het eerste lid zou hebben ondergaan, geheel is gecompenseerd.

  • 3 Bij ministeriële regeling, kunnen voor de uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.

Hoofdstuk 4. Het nabestaandenpensioen en wezenpensioen

Artikel 15

  • 1 Recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager.

  • 2 Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij

    • a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn ontslag als politieke gezagdrager, of

    • b. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat de politieke gezagdrager de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES had bereikt.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt het ontslag geacht niet te zijn ingegaan, indien zonder wezenlijke onderbreking weer als politieke gezagdrager optreedt.

  • 4 Van een wezenlijke onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd.

Artikel 16

  • 1 Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager gehuwd is geweest, mits hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager zou zijn overleden op de dag, waarop het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, is ingeschreven in het daartoe ingestelde register.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met dezelfde politieke gezagdrager ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.

Artikel 17

  • 1 Recht op wezenpensioen hebben na het overlijden van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager:

    • a. de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn;

    • b. de kinderen van een mannelijke politieke gezagdrager tot wie hij niet in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, indien hem ten behoeve van deze kinderen ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van boek I van het Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een onderhoudsplicht was erkend;

    • c. de kinderen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn voor wie de overledene ten tijde van diens overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.

  • 2 Het eerste lid is eveneens van toepassing op de kinderen die de leeftijd van 18 maar niet van 25 jaren hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, naar de onderscheidingen en voorwaarden in het eerste lid gesteld, en:

    • a. van wie de tijd, behoudens in geval van ziekte of vakantie, geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs; of

    • b. die naar het oordeel van het bevoegde gezag ten gevolge van ziekten of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid die voor hun krachten is berekend, eenderde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met zodanige arbeid te verdienen.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op deze kinderen, indien zij zijn geboren, dan wel de pleegouderlijke zorg is begonnen nadat aan de betrokkene ontslag als politieke gezagdrager is verleend. Artikel 15, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

  • 1 Indien een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager naar het oordeel van het bevoegde gezag is vermist, hebben degenen die aan het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.

  • 2 Het tijdelijke pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het vermoedelijke overlijden van de vermiste is vastgesteld.

Artikel 19

  • 1 Het nabestaandenpensioen bedraagt zeventig procent van het pensioen, waarop de overleden politieke gezagdrager als zodanig recht zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van het overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen of gepensioneerde politieke gezagdrager als zodanig op de dag van overlijden uitzicht respectievelijk recht had.

  • 2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de nabestaande van degene die overlijdt:

    • a. als politieke gezagdrager vóór het bereiken van de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop die politieke gezagdrager aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij het ambt tot het bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;

    • b. als gewezen politieke gezagdrager in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende deel van het pensioen waarop die gewezen politieke gezagdrager recht zou hebben, indien hij tot het bereiken van de leeftijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld in de mate waarin deze op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, als diensttijd geldt op de dag van overlijden.

Artikel 20

  • 1 Het bijzonder nabestaandenpensioen van de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager, met dien verstande dat slechts de diensttijd meetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk.

  • 2 Indien er aan hetzelfde overlijden recht op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ontleend, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk waaraan een eerder huwelijk voorafgaat, slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur.

  • 3 Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd.

Artikel 21

Indien een nabestaande hertrouwt, wordt het pensioen van betrokkene opnieuw vastgesteld vanaf de maand volgende op die waarin de nabestaande hertrouwt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Artikel 22

  • 1 Het wezenpensioen bedraagt:

    • a. voor elk kind wiens overlevende ouder aan het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager recht op pensioen ontleent, veertien procent;

    • b. voor elk ander kind, achtentwintig procent, van het pensioen van de overledene, berekend met inachtneming van artikel 19.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande die op het tijdstip van het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager de pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 17, eerste lid, sub c.

Artikel 23

  • 1 Het wezenpensioen wordt overeenkomstig artikel 22 herberekend, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is geëindigd.

  • 2 Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 21 wegens hertrouwen opnieuw wordt vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 22, eerste lid, sub a, verhoogd met een bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 19, vóór en na toepassing van artikel 21 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.

Artikel 24

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van de vermissing was overleden.

Artikel 25

  • 1 Het gezamenlijk bedrag van de pensioenen, bedoeld in dit hoofdstuk, gaat het pensioenbedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

  • 2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.

Artikel 26

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde politieke gezagdrager wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die politieke gezagdrager over een tijdvak van twee maanden.

  • 2 Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.

  • 3 Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 4 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 5. Toekenning en betaling van pensioen en uitkering

Artikel 27

  • 1 Het bevoegde gezag beslist over de toekenning van uitkering en pensioen op aanvraag van de politieke gezagdragers. De stukken die het bevoegde gezag nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden overgelegd.

  • 2 Het bevoegde gezag is ook bevoegd de uitkering en pensioen ambtshalve toe te kennen.

  • 3 Het bevoegde gezag beslist over de toekenning van een uitkering en pensioen bij een gedagtekende beschikking waarin de gronden van de beslissing worden vermeldt, alsmede de wettelijke bepalingen waarop die beslissing steunt.

  • 4 In een beschikking tot toekenning worden de voor de uitkering in aanmerking genomen, dan wel voor het pensioen medetellende diensttijd, alsmede het bedrag waarover deze zijn berekend, vastgesteld.

Artikel 28

  • 1 Het bevoegde gezag draagt zorg voor de betaling van de uitkeringen van de politieke gezagdragers.

  • 2 Het bevoegde gezag kan ten aanzien van de pensioenen, bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4, een pensioenfonds machtigen om namens deze dit besluit uit te voeren.

  • 3 Bij ministeriële regeling, kunnen over de wijze van uitvoering van het tweede lid nadere regels worden gesteld.

  • 4 De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen.

  • 5 De invorderbare termijnen van een uitkering of een pensioen die gedurende twee achtereenvolgende jaren niet zijn geïnd, worden niet uitgekeerd, tenzij naar het oordeel van het bevoegde gezag de betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest.

  • 6 Het bevoegde gezag is bevoegd een voorschot op een uitkering of een pensioen te verlenen.

Artikel 29

Bij ministeriële regeling, kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het toezicht op de uitvoering door de bestuurscolleges van de uitkeringen bedoeld in hoofdstuk 2.

Artikel 30

Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met ingang van de dag, waarop zijn vermoedelijke overlijden is vastgesteld.

Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen

Artikel 31

Op de bezoldiging van de politieke gezagdrager en op de uitkering van de gewezen politieke gezagdrager wordt, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, een bedrag ingehouden overeenkomstig de inhouding op de bezoldiging van ambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES ter zake van aanspraken bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

Artikel 32

De uitkeringen en pensioenen, daaronder begrepen de pensioenen bedoeld in hoofdstuk 4, die voortvloeien uit de aanspraken die gezaghebbers, eilandgedeputeerden en leden van de eilandsraad van de openbare lichamen op grond van dit besluit hebben, komen ten laste van de begroting van de onderscheiden openbare lichamen.

Artikel 33

  • 1 Indien langer pensioen is betaald dan overeenstemt met de artikelen 8 en 30, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.

  • 2 Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen, bedoeld in artikel 18, is betaald, worden teruggevorderd.

  • 3 De betaling van teruggevorderde bedragen als bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen de termijnen die het bevoegde gezag vaststelt.

Artikel 34 [Vervallen per 30-08-2011]

Hoofdstuk 7. Informatieverplichtingen

Artikel 35

  • 1 Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, is verplicht het bevoegde gezag onmiddellijk mededeling te doen van alle hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering of pensioen dan wel op de hoogte daarvan.

  • 2 Het bevoegde gezag is bevoegd van degene die aan de bij of op grond van dit besluit gegeven regels rechten ontleent of aan wie door die regels verplichtingen worden opgelegd, van het lichaam dat de bezoldiging van de politieke gezagdrager uitbetaalde, van de inspecteur, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES en van de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te vorderen die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van de betreffende rechten en verplichtingen. Een vordering geschiedt schriftelijk.

  • 3 Van de in het eerste lid genoemde personen en instellingen is het bevoegde gezag tevens bevoegd de inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover de kennisneming van de inhoud daarvan redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van de in dat lid bedoelde rechten en verplichtingen.

  • 4 Het bevoegde gezag is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden waar de gegevens en bescheiden zich bevinden, is Onze Minister, respectievelijk het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam bevoegd deze voor dat doel voor korte tijd mee te nemen, tegen een door het bevoegde gezag af te geven schriftelijk bewijs van ontvangst.

  • 5 Het bevoegde gezag kan één of meer personen machtigen om de in het eerste tot en met derde lid bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.

  • 6 De in het vierde lid bedoelde personen dragen bij de uitoefening van hun bevoegdheid een legitimatiebewijs, alsmede de machtiging of een kopie daarvan bij zich. Zij tonen deze desgevraagd aanstonds.

Artikel 36

  • 1 Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen is verplicht aan het bevoegde gezag alle medewerking te verlenen die dit gezag redelijkerwijs kan vorderen ter uitoefening van zijn bevoegdheden.

  • 2 De personen die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.

Artikel 37

  • 1 Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 35 en 36, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

  • 2 Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 een inlichting verstrekt waarvan de onjuistheid hem bekend is, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

  • 3 Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 een onjuiste inlichting verstrekt met het oogmerk het bevoegde gezag, dan wel het personeel dat namens dit gezag met de uitvoering van dit besluit is belast, te bewegen tot een handeling die door de genoemden zonder die inlichting niet zou zijn verricht, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

  • 4 De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen, het in het derde lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 38

De volgende artikelen en wetten worden ingetrokken:

  • a. de artikelen 6 tot en met 27 van de Landsverordening regelende de bezoldiging, de vergoeding voor reis- en verblijfskosten, de aanspraak op vakantie, vakantie-uitkering, tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige behandeling en/of verpleging, de uitkering bij overlijden en het pensioen van Ministers, alsmede het pensioen van hun weduwen en wezen (P.B. 1969, 104);

  • b. de artikelen 7 tot en met 10 en 12 tot en met 28 van de Landsverordening regelende de bezoldiging, de vergoeding voor reis- en verblijfskosten, de uitkering bij overlijden en het pensioen van de Gevolmachtigde Minister, alsmede het pensioen van diens weduwe en wezen (P.B.1970, 86);

  • c. de Pensioenregeling leden der Staten (P.B.1990, 82);

  • d. de Pensioenverordening Gezaghebbers (P.B.1982,106).

Artikel 39

  • 1 Op degene die voorafgaande aan de datum waarop dit besluit in werking treedt tijd heeft doorgebracht als minister, gevolmachtigd minister, staatssecretaris, statenlid of gezaghebber en als zodanig uitzicht of recht heeft op een pensioen op grond van een pensioenregeling, blijft in afwijking van artikel 38 voor het pensioen die regeling van toepassing.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechten van nabestaanden, wezen en op overigen met recht op pensioen uit hoofde van hun relatie met degenen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Voor degene die op of na de dag van inwerkingtreding van dit besluit tijd doorbrengt als politieke gezagdrager en aan die tijd uitzicht of recht op pensioen ontleent op grond van een pensioenregeling als bedoeld in het eerste lid, telt die tijd niet mee als diensttijd als bedoeld in artikel 12 en blijft gedurende die tijd artikel 31 buiten toepassing.

  • 4 In afwijking van de in het eerste lid bedoelde regelingen heeft de weduwe, weduwnaar en wees recht op pensioen indien de politieke gezagsdrager na het bereiken van de zestig jarige leeftijd in het huwelijk is getreden, mits dat huwelijk voorafgaande aan diens ontslag is gesloten.

Artikel 40

  • 1 De gedeputeerden en eilandsraadsleden van de eilandgebieden Bonaire, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten aan wie vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ontslag is verleend, alsmede de woordvoerders van het voormalige Eilandgebied de Bovenwindse eilanden, als bedoeld in artikel 1, onder II, van de Landsverordening van 21 juli 1980 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen (P.B. 1980, no. 190), hebben vanaf die datum recht op een pensioen met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

  • 2 Indien de gedeputeerden en eilandsraadsleden, bedoeld in het eerste lid, na de datum van inwerkingtreding van dit besluit in hetzelfde eilandgebied weer als eilandsraadslid respectievelijk gedeputeerde optreden, wordt bij de diensttijd, bedoeld in artikel 13, derde lid, meegeteld de diensttijd uit hoofde van het optreden als eilandsraadslid respectievelijk gedeputeerde vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  • 3 De nabestaanden, bedoeld in artikel 15, van een overleden gedeputeerde, eilandsraadslid of woordvoerder, bedoeld in het eerste lid, hebben vanaf het tijdtip van overlijden van betrokkene, doch niet eerder dan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, recht op een nabestaandenpensioen met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

  • 4 De vrouw of man met wie een overleden gedeputeerde, eilandsraadslid of woordvoerder, bedoeld in het eerste lid, gehuwd is geweest, heeft vanaf het tijdstip van overlijden van betrokkene, doch niet eerder dan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, recht op een bijzonder nabestaandenpensioen met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde, mits hij of zij, met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde, recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de gedeputeerde, het eilandsraadslid of de woordvoerder zou zijn overleden op de dag waarop het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, in het daartoe krachtens wet ingestelde register.

  • 5 De wezen, bedoeld in artikel 22, van een overleden gedeputeerde, eilandsraadslid of woordvoerder, bedoeld in het eerste lid, hebben vanaf het tijdstip van overlijden van betrokkene, doch niet eerder dan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, recht op een wezenpensioen met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

  • 6 Indien de gedeputeerden, eilandsraadsleden en woordvoerders, bedoeld in het eerste lid, overlijden na de datum van inwerkintreding van dit besluit hebben de personen, bedoeld in artikel 26, recht op een overlijdensuitkering met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

Artikel 40a

  • 1 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 41

Dit besluit wordt aangehaald als: Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES.

Artikel 42

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de uitgifte van het Publicatieblad waarin de afkondiging is geschied.