Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling verlaging onderstand BES

Geldend van 10-10-2010 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 september 2010, nr. IVV/I/2010/16440, houdende regels betreffende de verlaging van onderstand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling verlaging onderstand BES)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 12, vierde lid, van het Besluit onderstand BES;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

  • 1 Indien de belanghebbende naar het oordeel van de minister tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit het Besluit voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens de minister zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze regeling een maatregel opgelegd.

  • 2 Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

  • 1 De maatregel wordt toegepast op de berekeningsgrondslag, die wordt bepaald door het basisbedrag van de algemene onderstand en de voor belanghebbende geldende toeslagen waarmee het basisbedrag van de algemene onderstand wordt verhoogd.

Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld:

  • a. de reden van de maatregel;

  • b. de duur van de maatregel;

  • c. het percentage waarmee de onderstand wordt verlaagd;

  • d. het bedrag waarmee de onderstand wordt verlaagd en

  • e. de eventuele reden om af te wijken van de maatregel, bedoeld in de artikelen 11, 12, eerste lid, 13, 14, eerste lid, 15 en 16.

Artikel 5. Horen van belanghebbende

  • 1 Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2 Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

    • a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van de minister om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken; of

    • d. de minister het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1 De minister ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door de minister heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte onderstand is verleend.

  • 2 De minister kan afzien van het opleggen van een maatregel indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3 Indien de minister afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak

  • 1 De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende tweewekelijkse betaalperiode volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die betaalperiode geldende bedragen van de algemene onderstand.

  • 2 Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van vier weken.

Artikel 8. Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden de verlagingen voor de onderscheiden gedragingen gelijktijdig toegepast met inachtneming van artikel 7.

Artikel 9. Recidive

De duur van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerd arbeid

Artikel 10. Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting tot inschakeling in de arbeid op grond van artikel 5 van het Besluit niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a. eerste categorie:

    het zich niet of niet tijdig aanmelden voor arbeidsbemiddeling bij het bestuurscollege van het openbaar lichaam of het niet of niet tijdig laten verlengen van deze aanmelding;

  • b. tweede categorie:

    • 1°. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

    • 2°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding;

  • c. derde categorie:

    • 1°. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen:

    • 2°. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;

    • 3°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen;

  • d. vierde categorie:

    • 1°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 2°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerd arbeid.

Artikel 11. De hoogte van de maatregel

Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel als volgt vastgesteld:

  • a. bij gedragingen van de eerste categorie: 5% van de berekeningsgrondslag;

  • b. bij gedragingen van de tweede categorie: 10% van de berekeningsgrondslag;

  • c. bij gedragingen van de derde categorie: 20% van de berekeningsgrondslag;

  • d. bij gedragingen van de vierde categorie: 100% van de berekeningsgrondslag.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 12. Niet tijdig verstrekken van gegevens

  • 1 Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 11 van het Besluit, niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van onderstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door de minister daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt een maatregel opgelegd van 5% van de berekeningsgrondslag, onverminderd artikel 2, tweede lid.

  • 2 Van het opleggen van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de onderstand

  • 1 Indien een belanghebbende aan de minister onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van onderstand, wordt een maatregel opgelegd die is afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2 Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel, bedoeld in het eerste lid, op de volgende wijze vastgesteld:

    • a. bij een benadelingsbedrag tot USD 400: 10% van de berekeningsgrondslag;

    • b. bij een benadelingsbedrag van USD 400 tot USD 800: 20% van de berekeningsgrondslag;

    • c. bij een benadelingsbedrag van USD 800 tot USD 1600: 40% van de berekeningsgrondslag;

    • d. bij een benadelingsbedrag van USD 1600 of meer: 100% van de berekeningsgrondslag.

Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de onderstand

  • 1 Indien een belanghebbende aan de minister onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van onderstand, wordt een maatregel opgelegd van 10% van de berekeningsgrondslag, onverminderd artikel 2, tweede lid.

  • 2 Van het opleggen van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1 Indien een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2 Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel, bedoeld in het eerste lid, op de volgende wijze vastgesteld:

    • a. bij een benadelingsbedrag tot USD 400: 10% van de berekeningsgrondslag;

    • b. bij een benadelingsbedrag van USD 400 tot USD 800: 20% van de berekeningsgrondslag;

    • c. bij een benadelingsbedrag van USD 800 tot USD 1600: 40% van de berekeningsgrondslag;

    • d. bij een benadelingsbedrag van USD 1600 of meer: 100% van de berekeningsgrondslag.

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen

Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover de minister of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het Besluit wordt een maatregel opgelegd van minimaal 20% van de berekeningsgrondslag, onverminderd artikel 2, tweede lid.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat het Besluit in werking treedt.

Artikel 18. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verlaging onderstand BES.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner