Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wetboek van Koophandel BES

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Wetboek van Koophandel BES

Algemene bepaling

Artikel 1

Het Burgerlijk Wetboek BES is, voor zover daarvan bij dit Wetboek niet is afgeweken, ook op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk.

Eerste boek. van de koophandel in het algemeen

Tweede titel. Van enige soorten van vennootschap

Eerste afdeling. Algemene bepaling

Artikel 10

De in deze titel genoemde vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van partijen, door dit Wetboek en door het burgerlijk recht.

Tweede afdeling. Van de vennootschap onder een firma en van die bij wijze van geldschieting of en commandite genaamd

Artikel 11

De vennootschap onder een firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam aangegaan.

Artikel 12

Iedere vennoot, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden.

Artikel 13

Handelingen, welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst niet bevoegd zijn, worden onder de bepaling van artikel 12 niet begrepen.

Artikel 14

In een vennootschap onder een firma is iedere vennoot wegens de verbintenissen der vennootschap hoofdelijk verbonden.

Artikel 15

De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan tussen een persoon, of tussen meer dan een hoofdelijk verbonden vennoten, en een of meer andere personen als geldschieters.

Artikel 16

Een vennootschap kan alzo tegelijkertijd zijn een vennootschap onder een firma, ten aanzien van de vennoten onder de firma, en een vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van de geldschieter.

Artikel 17

  • 1 Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van artikel 27 voorkomende, mag de naam van de vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd.

  • 2 De vennoot mag noch daden van beheer verrichten, noch in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn.

  • 3 Hij draagt niet verder in de schade dan ten belope van de gelden, welke hij in de vennootschap heeft ingebracht of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave van genoten winsten verplicht zij.

  • 4 Tenzij tussen partijen anders is overeengekomen, kan een vennoot zijn belang in de vennootschap niet overdragen zonder toestemming van de overige vennoten.

Artikel 18

De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.

Artikel 19

  • 1 De vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap worden aangegaan bij authentieke of bij onderhandse akte; het gemis van een akte mag echter aan derden niet worden tegengeworpen.

  • 2 In de akte van vennootschap worden inrichting en structuur van de vennootschap bepaald.

  • 3 De akte van vennootschap houdt in de woonplaats van de vennootschap. Indien overeenkomstig de akte de woonplaats is gelegen in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, en de vennootschap in het handelsregister is ingeschreven met vermelding van deze woonplaats wordt de vennootschap beheerst door het recht van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 4 Partijen kunnen anders overeenkomen indien dit in overeenstemming is met het in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende internationaal privaatrecht.

Artikel 20

De vennoten onder een firma zijn verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

Artikel 26

Zolang de inschrijving in het handelsregister niet is geschied, wordt de vennootschap onder een firma ten aanzien van derden aangemerkt als algemeen voor alle zaken, als aangegaan voor een onbepaalde tijd en als geen der vennoten uitsluitende van het recht om voor de firma te handelen en te tekenen.

Artikel 27

  • 1 De firma van een ontbonden vennootschap mag, hetzij uit kracht van de overeenkomst, hetzij indien de gewezen vennoot wiens naam in de firma voorkwam daarin uitdrukkelijk toestemt, of bij overlijden diens erfgenamen zich daartegen niet verzetten, door een of meer personen worden aangehouden, die ten blijke daarvan een akte moeten uitbrengen en dezelve doen inschrijven in het handelsregister overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

  • 2 De bepaling van het eerste lid van artikel 17 is niet toepasselijk, indien de afgetredene van vennoot onder een firma vennoot bij wijze van geldschieting is geworden.

Artikel 28

De ontbinding van een vennootschap onder een firma vóór de tijd bij de overeenkomst bepaald, of door afstand of opzegging tot stand gebracht, haar verlenging na verloop van het bepaalde tijdstip, en alle veranderingen in de oorspronkelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn onderworpen aan de voormelde inschrijving.

Artikel 29

  • 1 Bij de ontbinding van de vennootschap moeten de vennoten, die het recht van beheer hebben gehad, de zaken der gewezen vennootschap in haar naam vereffenen, tenzij bij de overeenkomst anders ware bepaald of de gezamenlijke vennoten (die bij wijze van geldschieting daaronder niet begrepen) hoofdelijk en bij meerderheid van stemmen een andere vereffenaar hebben

Artikel 30

Indien de staat van de kas der ontbonden vennootschap niet toereikt om de opeisbare schulden te betalen, zijn de vereffenaars bevoegd om de benodigde penningen te vorderen; iedere vennoot moet deze voor zijn aandeel in de vennootschap inbrengen.

Artikel 31

De gelden, welke gedurende de vereffening uit de kas der vennootschap kunnen gemist worden, mogen voorlopig worden verdeeld.

Vierde titel. Van voerlieden, en van de kusten bevarende kapiteins

Derde afdeling. Van voerlieden en van de kusten bevarende kapiteins

Artikel 173

De voerlieden en kapiteins zijn aansprakelijk voor alle schaden aan de ten vervoer overgenomen goederen overkomen, uitgezonderd die, welke uit een gebrek van het goed zelf, door overmacht, of door schuld of nalatigheid van de afzender of expediteur, veroorzaakt zijn.

Artikel 174

De voerman of de kapitein is niet ter zake van vertraging aansprakelijk, indien deze door overmacht is veroorzaakt.

Artikel 175

  • 1 Door het bestellen en aannemen van de vervoerde goederen en door de betaling van het vrachtloon, is elke rechtsvordering ter zake van uiterlijk zichtbare beschadiging of vermindering tegen de voerman of de kapitein vernietigd.

  • 2 Indien de beschadiging of vermindering niet uiterlijk zichtbaar was, mag een gerechtelijke bezichtiging gedaan worden nadat de goederen zijn aangenomen, om het even of de vracht al dan niet voldaan zij, mits die bezichtiging gevraagd worde binnen tweemaal vierentwintig uren na de ontvangst en van de eenzelvigheid van de goederen blijke.

Artikel 176

  • 1 Indien de aanneming van de goederen wordt geweigerd of daarover geschil valt, doet de rechter in eerste aanleg, op een eenvoudig verzoekschrift, waarop de wederpartij, zo zij zich daar ter plaatse bevindt, moet worden gehoord, de nodige voorziening tot het opnemen van het goed door deskundigen, en mag hij insgelijks bevelen, dat de goederen in een behoorlijke bewaarplaats worden opgeslagen, om daaruit aan de voerman of de kapitein het beloop van zijn vrachtloon om onkosten te voldoen.

  • 2 De rechter in eerste aanleg is bevoegd om, op gelijke wijze als hierboven is bepaald, machtiging te verlenen tot de openbare verkoop van bederfelijke waren of van zodanig gedeelte van de goederen, als tot voldoening van vrachtloon en kosten vereist wordt.

Artikel 177

  • 1 Alle rechtsvordering tegen de expediteur, voerman of kapitein, uit hoofde van geheel verlies, vertraging in de bezorging of geleden schade aan goederen, verjaart met de tijd van zes maanden, ten aanzien van binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gedane verzendingen, en met verloop van een jaar ten aanzien van verzendingen uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar elders gedaan, gerekend, in geval van verlies, van de dag dat het vervoer van de goederen had moeten volbracht zijn, en, in geval van beschadiging of te late bezorging, van de dag dat het goed ter plaatse van zijn bestemming is aangekomen.

  • 2 Deze verjaring is niet toepasselijk in geval van bedrog of ontrouw.

Artikel 178

De rechten en verplichtingen omtrent de scheepvaart, bij het tweede boek van dit wetboek voorgeschreven, zijn ook toepasselijk op de vaart langs de kusten, voor zover dit uitdrukkelijk bij dat boek is bepaald.

Artikel 179

De bepalingen van deze titel zijn niet toepasselijk op de rechten en verplichtingen tussen de koper en de verkoper.

Vijfde titel. Van wisselbrieven en orderbriefjes

Eerste afdeling. Van de uitgifte en de vorm van de wisselbrief

Artikel 180

  • 1 De wisselbrief behelst:

    • 1°. de benaming «wisselbrief», opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;

    • 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;

    • 3°. de naam van degene, die betalen moet (betrokkene);

    • 4°. de aanwijzing van de vervaldag;

    • 5°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;

    • 6°. de naam van degene, aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;

    • 7°. de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;

    • 8°. de handtekening van degene, die de wisselbrief uitgeeft (trekker).

  • 2 De titel, waarin één van de in het voorgaande lid aangegeven vermeldingen ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

  • 3 De wisselbrief, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

  • 4 Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van de betrokkene.

  • 5 De wisselbrief, welke niet de plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats, aangegeven naast de naam van de trekker.

Artikel 181

  • 1 De wisselbrief mag aan de order van de trekker luiden.

  • 2 Hij mag worden getrokken op de trekker zelf.

  • 3 Hij mag worden getrokken voor rekening van een derde. De trekker wordt geacht voor zijn eigen rekening te hebben getrokken, indien uit de wisselbrief of uit de adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is geschied.

  • 4 Indien de trekker op de wisselbrief de vermelding «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving», of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, heeft geplaatst, is de nemer bevoegd om alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uit te oefenen, maar hij kan deze niet anders endosseren dan bij wege van lastgeving.

  • 5 Bij een zodanige incasso-wisselbrief mogen de wisselschuldenaren aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de trekker zouden mogen worden tegengeworpen.

  • 6 De opdracht, vervat in een incasso-wisselbrief, eindigt niet door de dood of de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 182

Een wisselbrief mag betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.

Artikel 183

  • 1 In een wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekere tijd na zicht, mag de trekker bepalen, dat de som rente draagt. In elke andere wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.

  • 2 De rentevoet moet in de wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.

  • 3 De rente loopt gerekend van de dagtekening van de wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.

Artikel 184

  • 1 De wisselbrief, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som, voluit in letters geschreven.

  • 2 De wisselbrief, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten belope van de kleinste som.

Artikel 185

  • 1 Indien de wisselbrief handtekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van een wisselbrief te verbinden, valse handtekeningen, of handtekeningen van verdachte personen, of handtekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handtekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet mogen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen, desniettemin geldig.

  • 2 Ieder, die zijn handtekening op een wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van een persoon, voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de wisselbrief verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger, die zijn bevoegdheid heeft overschreden.

Artikel 186

  • 1 De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.

  • 2 Hij mag zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.

Artikel 187

Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde van de uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, mag de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, die de wissel te goeder trouw heeft verkregen.

Artikel 188

  • 1 De trekker is verplicht, ter keuze van de nemer, de wisselbrief te stellen betaalbaar aan de nemer zelf, of aan enige andere persoon, in beide gevallen aan order of zonder bijvoeging van order dan wel met bijvoeging van een uitdrukking, als bedoeld in artikel 189, tweede lid.

  • 2 De trekker, of degene voor wiens rekening de wisselbrief is getrokken, is verplicht zorg te dragen dat de betrokkene, ten vervaldage, in handen hebbe het nodige fonds tot betaling, zelfs indien de wisselbrief bij een derde is betaalbaar gesteld, met dien verstande echter, dat de trekker zelf in alle gevallen aan de houder en de vroegere endossanten persoonlijk verantwoordelijk blijft.

  • 3 De betrokkene wordt geacht het nodige fonds in handen te hebben, indien hij bij het vervallen van de wisselbrief of op het tijdstip, waarop ingevolge het derde lid van artikel 217 de houder regres kan nemen, aan de trekker of aan degene voor wiens rekening is getrokken, een opeisbare som schuldig is, tenminste gelijkstaande met het beloop van de wisselbrief.

Tweede afdeling. Van het endossement

Artikel 189

  • 1 Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, mag door middel van endossementen worden overgedragen.

  • 2 Indien de trekker in de wisselbrief de woorden: «niet aan order» of een soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, mag het stuk slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone cessie. Een op zulk een wisselbrief geplaatst endossement geldt als een gewone cessie.

  • 3 Het endossement mag worden gesteld zelfs ten voordele van de betrokkene, al of niet acceptant, van de trekker, of van elke andere wisselschuldenaar. Deze personen mogen de wisselbrief opnieuw endosseren.

  • 4 Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet-geschreven gehouden.

  • 5 Het gedeeltelijke endossement is nietig.

  • 6 Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.

Artikel 190

  • 1 Het endossement moet worden gesteld op de wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.

  • 2 Het endossement mag de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.

Artikel 191

  • 1 Door het endossement worden alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.

  • 2 Indien het endossement in blanco is, mag de houder:

    • 1°. het blanco invullen hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;

    • 2°. de wisselbrief wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;

    • 3°. de wisselbrief aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.

Artikel 192

  • 1 Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de acceptatie en voor de betaling.

  • 2 Hij is bevoegd om een nieuw endossement te verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.

Artikel 193

  • 1 Hij, die een wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet-geschreven gehouden. Indien een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de wisselbrief door een endossement in blanco verkregen te hebben.

  • 2 Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande lid aangegeven, niet verplicht de wisselbrief af te geven, die de wissel te goeder trouw heeft verkregen.

  • 3 Zij, die uit hoofde van de wisselbrief worden aangesproken, mogen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 194

  • 1 Indien het endossement de vermelding bevat: «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving», of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, mag de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij mag deze niet anders endosseren dan bij wege van lastgeving.

  • 2 De wisselschuldenaren mogen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de endossant zouden mogen worden tegengeworpen.

  • 3 De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 195

  • 1 Indien een endossement de vermelding bevat: «waarde tot zekerheid», «waarde tot pand», of enige andere vermelding, welke inpandgeving met zich brengt, mag de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als endossement bij wege van lastgeving.

  • 2 De wisselschuldenaren mogen de houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de ontvangst van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 196

  • 1 Een endossement, gesteld na de vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór de vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van nonbetaling of na het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest, bepaald, slechts de gevolgen van een gewone cessie.

  • 2 Behoudens tegenbewijs wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.

Derde afdeling. Van de acceptatie

Artikel 197

De wisselbrief mag tot de vervaldag door de houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan de betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.

Artikel 198

  • 1 In elke wisselbrief mag de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.

  • 2 De trekker mag in de wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven, betaalbaar bij een derde, of betaalbaar in een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene of betaalbaar een zekere tijd na zicht.

  • 3 De trekker is ook bevoegd om te bepalen, dat de aanbieding ter acceptatie niet mag plaats hebben vóór een bepaalde dag.

  • 4 Tenzij de trekker heeft verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, mag elke endossant, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.

Artikel 199

  • 1 Wisselbrieven, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hun dagtekening.

  • 2 De trekker mag deze termijn verkorten of verlengen.

  • 3 De endossanten mogen deze termijnen verkorten.

  • 4 De betrokkene mag verzoeken, dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan de dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden mogen zich er niet op beroepen, dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.

  • 5 De houder is niet verplicht, de ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan de betrokkene af te geven.

Artikel 200

  • 1 De acceptatie wordt op de wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord «geaccepteerd», of door een soortgelijk woord; zij wordt door de betrokkene ondertekend. De enkele handtekening van de betrokkene, op de voorzijde van de wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.

  • 2 Indien de wisselbrief betaalbaar is een zekere tijd na zicht, of indien hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn, moet de acceptatie als dagtekening inhouden de dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder die van de aanbieding eist. Bij gebreke van dagtekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en op de trekker, die fonds heeft bezorgd.

  • 3 De acceptatie is onvoorwaardelijk, maar de betrokkene mag haar beperken tot een gedeelte van de som.

  • 4 Elke andere wijziging, door de acceptant met betrekking tot het in de wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.

Artikel 201

  • 1 Indien de trekker de wisselbrief op een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene heeft betaalbaar gesteld, zonder een derde aan te wijzen, bij wie de betaling moet worden gedaan, mag de betrokkene deze bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zodanige aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf te betalen op de plaats van betaling.

  • 2 Indien de wisselbrief betaalbaar is aan het domicilie van de betrokkene, mag deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats, waar de betaling moet worden gedaan.

Artikel 202

  • 1 Door de acceptatie verbindt de betrokkene zich, de wisselbrief op de vervaldag te betalen.

  • 2 Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen de acceptant een rechtstreekse vordering, uit de wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen mag worden gevorderd krachtens artikel 224, vierde en vijfde lid, en artikel 225.

  • 3 Hij, die het nodig fonds in handen heeft, bijzonderlijk bestemd tot de betaling van een getrokken wisselbrief, is, op straffe van vergoeding van schadevergoeding jegens de trekker, tot de acceptatie verplicht.

  • 4 Belofte om een briefwissel te zullen accepteren geldt niet als acceptatie, maar geeft aan de trekker een rechtsvordering tot schadevergoeding tegen de belover, die weigert zijn belofte gestand te doen.

  • 5 Deze schade bestaat in de kosten van protest en herwissel, indien de wisselbrief voor des trekkers eigen rekening was getrokken.

  • 6 Indien de trekking voor rekening van een derde was gedaan, bestaat de schade in de kosten van protest en herwissel en in het beloop van hetgeen de trekker, uit hoofde van de bekomen toezegging van de belover, aan die derde, op het krediet van de wisselbrief heeft voorgeschoten.

Artikel 203

  • 1 De trekker is verplicht aan de betrokkene tijdig kennis of advies te geven van de door hem getrokken wisselbrief, en, bij nalatigheid daarvan, gehouden tot vergoeding van de kosten, door weigering van acceptatie of betaling uit dien hoofde gevallen.

  • 2 Indien de wisselbrief voor rekening van een derde is getrokken, is deze alleen daarvoor aan de acceptant verbonden.

Artikel 204

  • 1 Indien de betrokkene zijn op de wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de teruggave van de wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te zijn geschied vóór de teruggave van de wisselbrief.

  • 2 Indien echter de betrokkene van zijn acceptatie schriftelijk heeft doen blijken aan de houder of aan iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, is hij tegenover deze gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.

Vierde afdeling. Van het aval

Artikel 205

  • 1 De betaling van een wisselbrief kan voor het geheel of een gedeelte van de wisselsom door een borgtocht (aval) worden verzekerd.

  • 2 Deze borgtocht mag door een derde, of zelfs door iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden gegeven.

Artikel 206

  • 1 Het aval wordt op de wisselbrief of op een verlengstuk gesteld.

  • 2 Het wordt uitgedrukt door de woorden: «goed voor aval» of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.

  • 3 De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de wisselbrief, geldt als aval, behalve indien de handtekening die is van de betrokkene of van de trekker.

  • 4 Het kan ook geschieden bij een afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats, waar het is gegeven.

  • 5 In het aval moet worden vermeld, voor wie het is gegeven; bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.

Artikel 207

  • 1 De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene, voor wie het aval is gegeven.

  • 2 Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

  • 3 Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens de wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen degene, voor wie het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover deze krachtens de wisselbrief verbonden zijn.

Vijfde afdeling. Van de vervaldag

Artikel 208

  • 1 Een wisselbrief mag worden getrokken:

    op zicht;

    op een zekere tijd na zicht;

    op een zekere tijd na dagtekening;

    op een bepaalde dag.

  • 2 Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.

Artikel 209

  • 1 De wisselbrief, getrokken op zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling worden aangeboden binnen een jaar na zijn dagtekening. De trekker mag deze termijn verkorten of verlengen. De endossanten mogen deze termijnen verkorten.

  • 2 De trekker mag voorschrijven, dat een wisselbrief niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalde dag. In dat geval loopt de termijn van de aanbieding van die dag af.

Artikel 210

  • 1 De vervaldag van een wisselbrief, getrokken op een zekere tijd na zicht, wordt bepaald, hetzij door de dagtekening van de acceptatie, hetzij door die van het protest.

  • 2 Bij gebreke van protest wordt de niet-gedagtekende acceptatie ten aanzien van de acceptant geacht te zijn gedaan op de laatste dag van de termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.

Artikel 211

  • 1 De wisselbrief, getrokken op een of meer maanden na dagtekening of na zicht, vervalt op de overeenkomstige dag van de maand, waarin de betaling moet worden gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstige dag vervalt een zodanige wisselbrief op de laatste dag van die maand.

  • 2 Bij een wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagtekening of na zicht, worden eerst de gehele maanden gerekend.

  • 3 Is de vervaldag bepaald op het begin, het midden (half januari, half februari enz.) of op het einde van een maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.

  • 4 Onder de uitdrukkingen: «acht dagen», «vijftien dagen», moet worden verstaan niet één of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien dagen.

  • 5 De uitdrukking «halve maand» duidt een termijn van vijftien dagen aan.

Artikel 212

  • 1 De vervaldag van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag, in een plaats, waar de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte, wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de plaats van betaling.

  • 2 De dag van uitgifte van een wisselbrief, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekere tijd na dagtekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.

  • 3 De termijnen van aanbieding van de wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing, indien uit een in de wisselbrief opgenomen clausule of uit zijn bewoordingen een afwijkende bedoeling mag worden afgeleid.

Zesde afdeling. Van de betaling

Artikel 213

  • 1 De houder van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of een zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet deze ter betaling aanbieden, hetzij de dag, waarop hij betaalbaar is, hetzij een der twee daaropvolgende werkdagen.

  • 2 De aanbieding van een wisselbrief aan een verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling. Bij algemene maatregel van bestuur worden de instellingen aangewezen, welke in de zin van deze Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.

  • 3 Buiten het geval, in het tweede lid van artikel 241 vermeld, is de betrokkene, de wisselbrief betalende, bevoegd te vorderen, dat hem deze, van behoorlijke kwijting van de houder voorzien, wordt uitgeleverd.

  • 4 De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.

  • 5 In geval van gedeeltelijke betaling mag de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.

Artikel 214

  • 1 De houder van een wisselbrief mag niet genoodzaakt worden, vóór de vervaldag betaling te ontvangen.

  • 2 De betrokkene, die vóór de vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.

  • 3 Hij, die op de vervaldag betaalt, is deugdelijk gekweten, mits er zijnerzijds geen bedrog plaats heeft of grove schuld aanwezig is. Hij is gehouden, de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening van de endossanten te onderzoeken.

  • 4 Indien hij, niet bevrijdend betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen, heeft hij verhaal op allen die de wissel niet te goeder trouw hebben verkregen.

Artikel 215

  • 1 Een wisselbrief, waarvan de betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, mag worden betaald in het geld van het land volgens zijn waarde op de vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke is, mag de houder te zijner keuze vorderen, dat de wisselsom betaald wordt in het geld van het land volgens de koers, hetzij van de vervaldag, hetzij van de dag van betaling.

  • 2 De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker mag echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de wisselbrief voorgeschreven koers.

  • 3 Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).

  • 4 Indien het bedrag van de wisselbrief is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming, maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.

Artikel 216

Bij gebreke van aanbieding ter betaling van de wisselbrief binnen de termijn, bij artikel 213, eerste lid, vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid, het bedrag te bevoegder plaatse in consignatie te geven, op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder.

Zevende afdeling. Van het recht van regres in geval van non-acceptatie of non-betaling

Artikel 217

De houder mag zijn recht van regres op de endossanten, de trekker en de andere wisselschuldenaren uitoefenen:

Op de vervaldag;

indien de betaling niet heeft plaats gehad;

Zelfs vóór de vervaldag;

  • 1°. indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;

  • 2°. in geval van faillissement van de betrokkene, al of niet acceptant, en van het ogenblik af, waarop een hem verleende surséance van betaling is ingegaan;

  • 3°. in geval van faillissement van de trekker van een niet voor acceptatie vatbare wisselbrief.

Artikel 218

  • 1 De weigering van acceptatie of van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke akte (protest van non-acceptatie of van non-betaling).

  • 2 Het protest van non-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de voor de aanbieding ter acceptatie vastgestelde termijnen. Indien, in het geval bij artikel 199, vierde lid, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaats gehad op de laatste dag van de termijn, mag het protest nog op de volgende dag worden gedaan.

  • 3 Het protest van non-betaling van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet worden gedaan op één van de twee werkdagen, volgende op de dag, waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het een wisselbrief betaalbaar op zicht betreft, moet het protest worden gedaan, overeenkomstig de bepalingen bij het voorgaande lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van non-acceptatie.

  • 4 Het protest van non-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van non-betaling overbodig.

  • 5 In geval van benoeming van bewindvoerders op verzoek van de betrokkene, al of niet acceptant, tot surséance van betaling mag de houder zijn recht van regres niet uitoefenen, dan nadat de wisselbrief ter betaling aan de betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.

  • 6 Indien de betrokkene, al of niet acceptant, is failliet verklaard, of indien de trekker van een wisselbrief, welke niet vatbaar is voor acceptatie, is failliet verklaard, mag de houder, voor de uitoefening van zijn recht van regres, volstaan met overlegging van het vonnis, waarbij het faillissement is uitgesproken.

Artikel 219

  • 1 De betaling van een wisselbrief moet gevraagd en het daarop volgend protest gedaan worden ter woonplaatse van de betrokkene.

  • 2 Indien de wisselbrief getrokken is om in een andere aangewezen woonplaats of door een andere aangewezen persoon te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan de aangewezen persoon.

  • 3 Wanneer degene, die de wisselbrief moet betalen geheel onbekend of niet te vinden is, moet het protest gedaan worden aan een postkantoor op het eiland waar de ter betaling aangewezen woonplaats is gelegen. Hetzelfde moet plaats hebben indien een wisselbrief is getrokken om op een ander eiland te worden betaald dan dat waar de betrokkene woont, en de woonplaats waar de betaling moet geschieden niet is aangewezen.

Artikel 220

  • 1 De protesten, zo van non-acceptatie als van non-betaling, worden gedaan door een notaris, door de griffier van het gerecht in eerste aanleg of door een deurwaarder. Zij moeten vergezeld zijn van twee getuigen.

  • 2 De protesten behelzen:

    • 1°. een letterlijk afschrift van de wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen, van het aval en van de adressen daarop gesteld;

    • 2°. de vermelding dat zij de acceptatie of de betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaande artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;

    • 3°. de vermelding van de opgegeven reden van non-acceptatie of non-betaling;

    • 4°. de aanmaning om het protest te tekenen, en de redenen van weigering;

    • 5°. de vermelding, dat hij, notaris, griffier of deurwaarder, wegens die non-acceptatie of die non-betaling heeft geprotesteerd.

  • 3 Indien het protest een vermiste wisselbrief betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°. van het voorgaande lid, een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de inhoud van de wisselbrief.

  • 4 De notarissen, griffiers of deurwaarders zijn verplicht, op straffe van schadevergoeding, afschrift van het protest te laten, en hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genummerd en gewaarmerkt door de rechter in eerste aanleg van hun woonplaats, en om wijders, zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden te leveren.

  • 5 Als protest van non-acceptatie, onderscheidenlijk van non-betaling geldt de door degene, aan wie de acceptatie of de betaling wordt afgevraagd, met toestemming van de houder op de wisselbrief gestelde, gedagtekende en ondertekende verklaring, dat hij haar weigert, tenzij de trekker heeft aangetekend, dat hij een authentiek protest verlangt.

Artikel 221

  • 1 De houder moet van de non-acceptatie of van de non-betaling kennis geven aan zijn endossant en aan de trekker binnen de vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op die van de aanbieding. Iedere endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst van de kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant mededelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen van de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving af.

  • 2 Indien overeenkomstig het voorgaande lid een kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.

  • 3 Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, mag worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.

  • 4 Hij, die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de wisselbrief.

  • 5 Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen de vastgestelde termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, welke de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.

  • 6 Hij, die de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom mag te boven gaan.

Artikel 222

  • 1 De trekker, een endossant of een avalgever is bevoegd om, door de clausule «zonder kosten», «zonder protest», of een andere soortgelijke op de wisselbrief gestelde en ondertekende clausule, de houder van het opmaken van een protest van non-acceptatie of van non-betaling, ter uitoefening van zijn recht van regres, te ontslaan.

  • 2 Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijnen moet worden geleverd door degene, die zich daarop tegenover de houder beroept.

  • 3 Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor deze endossant of voor deze avalgever. Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of van een avalgever afkomstig is, mogen de kosten van het protest, indien dit is opgemaakt, op allen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen, worden verhaald.

Artikel 223

  • 1 Allen, die een wisselbrief hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval getekend, zijn hoofdelijk tegenover de houder verbonden. Bovendien is ook de derde, voor wiens rekening de wisselbrief is getrokken en die de waarde daarvoor heeft genoten, jegens de houder aansprakelijk.

  • 2 De houder kan deze personen, zowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.

  • 3 Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt en die deze, ter voldoening aan zijn regresplicht, heeft betaald.

  • 4 De vordering, ingesteld tegen één der wisselschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden aan de eerst aangesprokene.

Artikel 224

  • 1 De houder van een geprotesteerde wisselbrief heeft in geen geval enig recht op het fonds, dat de betrokkene van de trekker in handen heeft.

  • 2 Indien de wisselbrief niet is geaccepteerd, behoren die penningen, bij faillissement van de trekker, aan diens boedel.

  • 3 In geval van acceptatie, blijft het fonds, tot het beloop van de wisselbrief, aan de betrokkene, behoudens de verplichting van deze om jegens de houder aan zijn acceptatie te voldoen.

  • 4 De houder is bevoegd om van degene, tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, te vorderen:

    • 1°. de som van de niet-geaccepteerde of niet-betaalde wisselbrief met de rente, zo deze bedongen is;

    • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de vervaldag, voor wissels die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de vervaldag, voor alle overige wissels;

    • 3°. de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen alsmede de andere kosten.

  • 5 Zo de uitoefening van het recht van regres vóór de vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom een korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiële disconto (bankdisconto), geldende ter woonplaats van de houder, op de dag van de uitoefening van het recht van regres.

Artikel 225

Hij, die ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, mag van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

  • 1°. het gehele bedrag, dat hij betaald heeft;

  • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de dag der betaling, voor wissels die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige wissels;

  • 3°. de door hem gemaakte kosten.

Artikel 226

  • 1 Elke wisselschuldenaar, tegen wie het recht van regres wordt of mag worden uitgeoefend, is bevoegd om, tegen betaling ter voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte te vorderen van de wisselbrief met het protest, alsmede een voor voldaan getekende rekening.

  • 2 Elke endossant, die ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, mag zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.

Artikel 227

Bij gedeeltelijke acceptatie is degene, die ter voldoening aan zijn regresplicht het niet-geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, bevoegd te vorderen, dat die betaling op de wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend getekend afschrift van de wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.

Artikel 228

  • 1 Ieder, die een recht van regres mag uitoefenen, is, tenzij het tegendeel bedongen is, bevoegd om zich de vergoeding te bezorgen door middel van een nieuwe wisselbrief (herwissel), getrokken op zicht op één van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn en betaalbaar te diens woonplaats.

  • 3 Indien de herwissel door de houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de plaats, waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van de regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door een endossant, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de woonplaats van de trekker van de herwissel op de woonplaats van de regresplichtige.

Artikel 229

  • 1 Na afloop van de termijnen vastgesteld:

    voor de aanbieding van een wisselbrief getrokken op zicht of zekere tijd na zicht;

    voor het opmaken van het protest van non-acceptatie of van non-betaling;

    voor de aanbieding ter betaling in geval van beding zonder kosten,

    vervalt het recht van de houder tegen de endossanten, tegen de trekker, en tegen de andere wisselschuldenaren, met uitzondering van de acceptant.

  • 2 Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen de door de trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van de houder, zowel wegens non-betaling als wegens non-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van de wisselbrief blijkt, dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan.

  • 3 Indien de bepaling van een termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, mag alleen de endossant daarop een beroep doen.

Artikel 230

  • 1 De wisselbrief van non-acceptatie of van non-betaling zijnde geprotesteerd, is niettemin de trekker, al ware het protest niet intijds gedaan, tot vrijwaring gehouden, tenzij hij bewees, dat de betrokkene op de vervaldag het nodige fonds tot betaling van de wisselbrief in handen had. Indien het vereiste fonds slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker voor het ontbrekende gehouden.

  • 2 Was de wisselbrief niet geaccepteerd, dan is, in geval van niet tijdig protest, de trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, de houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van de wisselbrief; en hij moet aan de houder, op diens kosten, de nodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijn boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware deze mochten verkiezen, de houder als schuldeiser voor het beloop van de wisselbrief, toe te laten.

Artikel 231

  • 1 Indien de aanbieding van de wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

  • 2 De houder is verplicht, van de overmacht onverwijld aan zijn endossant kennis te geven, en deze kennisgeving gedagtekend en ondertekend op de wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 221 toepasselijk.

  • 3 Na het ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de wisselbrief ter acceptatie of ter betaling aanbieden en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest doen opmaken.

  • 4 Indien de overmacht meer dan dertig dagen, gerekend van de vervaldag, aanhoudt, mag het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest nodig is.

  • 5 Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekere tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met de zichttermijn, in de wisselbrief aangegeven.

  • 6 Feiten, welke voor de houder, of voor degene, die hij met de aanbieding van de wisselbrief of met het opmaken van het protest belastte, van zuiver persoonlijke aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.

Achtste afdeling. Van de tussenkomst

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 232

  • 1 De trekker, een endossant, of een avalgever mag iemand aanwijzen om, in geval van nood, te accepteren of te betalen.

  • 2 Onder de hierna vastgestelde voorwaarden mag de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand, die tussenkomt voor een schuldenaar, op wie recht van regres mag worden uitgeoefend.

  • 3 De interveniënt mag een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens de wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.

  • 4 De interveniënt geeft binnen de termijn van twee werkdagen van zijn tussenkomst kennis aan degene, voor wie hij tussenkwam. In geval van niet-inachtneming van die termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom mag te boven gaan.

§ 2. Acceptatie bij tussenkomst

Artikel 233

  • 1 De acceptatie bij tussenkomst mag plaats hebben in alle gevallen, waarin de houder van een voor acceptatie vatbare wisselbrief vóór de vervaldag recht van regres mag uitoefenen.

  • 2 Wanneer op de wisselbrief iemand is aangewezen om deze, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteren of te betalen, mag de houder zijn recht tegen degene, die de aanwijzing heeft gedaan en tegen hen, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór de vervaldag uitoefenen, tenzij hij de wisselbrief aan de aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.

  • 3 In de andere gevallen van tussenkomst mag de houder de acceptatie bij tussenkomst weigeren. Indien hij haar echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór de vervaldag toekomt tegen degene, voor wie de acceptatie is gedaan, en tegen hen, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst.

  • 4 De acceptatie bij tussenkomst wordt op de wisselbrief vermeld; zij wordt door de interveniënt ondertekend. Zij wijst aan, voor wie zij is geschied; bij gebreke van die aanwijzing wordt zij geacht voor de trekker te zijn geschied.

Artikel 234

  • 1 De acceptant bij tussenkomst is tegenover de houder en tegenover de endossant en, die de wisselbrief hebben geëndosseerd na degene, voor wie de tussenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste verbonden.

  • 2 Niettegenstaande de acceptatie bij tussenkomst zijn degene, voor wie zij werd gedaan en degenen, die tegenover deze regresplichtig zijn, bevoegd om van de houder, indien daartoe aanleiding bestaat, tegen terugbetaling van de bij het vierde en vijfde lid van artikel 224 aangewezen som, de afgifte van de wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan getekende rekening te vorderen.

§ 3. Betaling bij tussenkomst

Artikel 235

  • 1 De betaling bij tussenkomst mag plaats hebben in alle gevallen, waarin, hetzij op de vervaldag, hetzij vóór de vervaldag, de houder recht van regres heeft.

  • 2 De betaling moet de gehele som belopen, welke degene, voor wie zij heeft plaats gehad, moest voldoen.

  • 3 Zij moet plaats hebben uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag, waarop het protest van non-betaling mag worden opgemaakt.

Artikel 236

  • 1 Indien de wisselbrief is geaccepteerd door interveniënten, wier domicilie ter plaatse van betaling is gevestigd, of indien personen, wier domicilie in dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangeduid om in geval van nood te betalen, moet de houder de wisselbrief aan al die personen aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van non-betaling doen opmaken uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag, waarop dit mag geschieden.

  • 2 Bij gebreke van protest binnen die termijn zijn degene, die het noodadres heeft gesteld of voor wie de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hun verbintenis bevrijd.

  • 3 De houder, die weigert de betaling bij tussenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op hen, die daardoor zouden zijn bevrijd.

  • 4 De betaling bij tussenkomst moet worden vastgesteld door een kwijting, geplaatst op de wisselbrief met aanwijzing van degene, voor wie zij is gedaan. Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor de trekker te zijn gedaan.

  • 5 De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem, die bij tussenkomst betaalt.

Artikel 237

  • 1 Hij, die bij tussenkomst betaalt, verkrijgt de rechten, uit de wisselbrief voortvloeiende, tegen degene, voor wie hij heeft betaald, en tegen degenen, die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn. Hij mag echter de wisselbrief niet opnieuw endosseren.

  • 2 De endossanten, volgende op degene, voor wie de betaling heeft plaats gehad, zijn bevrijd.

  • 3 Indien zich meer personen tot de betaling bij tussenkomst aanbieden, heeft de voorkeur de betaling, welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt, die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen, die anders zouden zijn bevrijd.

Negende afdeling. Van wisselexemplaren, wisselafschriften en vermiste wisselbrieven

§ 1. Wisselexemplaren

Artikel 238

  • 1 De wisselbrief mag in meer gelijkluidende exemplaren worden getrokken.

  • 2 Die exemplaren moeten in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.

  • 3 Iedere houder van een wisselbrief, waarin niet is vermeld, dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, mag op zijn kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. De endossanten zijn verplicht, de endossementen ook op de nieuwe exemplaren aan te brengen.

  • 4 De betaling, op één der exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die betaling de kracht van de andere exemplaren te niet doet. Echter blijft de betrokkene verbonden wegens elk geaccepteerd exemplaar, dat hem niet is uitgeleverd.

  • 5 De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, welke hun handtekening dragen en welke niet zijn uitgeleverd.

Artikel 239

  • 1 Hij, die één der exemplaren ter acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren de naam van de persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich bevindt. Deze is verplicht dit aan de rechtmatige houder van een ander exemplaar uit te leveren.

  • 2 Weigert hij dit, dan mag de houder slechts zijn recht van regres uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen;

    • 1°. dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;

    • 2°. dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.

§ 2. Wisselafschriften

Artikel 240

  • 1 Elke houder van een wisselbrief heeft het recht, daarvan afschriften te vervaardigen.

  • 2 Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen, welke er op voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.

  • 3 Het kan worden geëndosseerd en voor aval getekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen, als het oorspronkelijke.

  • 4 Het afschrift moet degene, in wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden. Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan de rechtmatige houder van het afschrift uit te leveren.

  • 5 Weigert hij dit, dan mag de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval getekend, slechts uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.

  • 6 Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: «van hier af geldt het endossement slechts op de copie», of enige andere soortgelijke clausule, is een nadien op het oorspronkelijke stuk geplaatst endossement nietig

§ 3. Vermiste wisselbrieven

Artikel 241

Tiende afdeling. Van veranderingen

Artikel 242

In geval van verandering van de tekst van een wisselbrief, zijn zij, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, volgens de veranderde tekst verbonden; zij, die daarvoor hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.

Elfde afdeling. Van verjaring

Artikel 243

  • 1 Behoudens de bepalingen van de volgende leden gaat wisselschuld te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek BES aangewezen.

  • 2 Alle rechtsvorderingen, welke uit de wisselbrief tegen de acceptant voortspruiten, verjaren door een tijdsverloop van drie jaren, gerekend van de vervaldag.

  • 3 De rechtsvorderingen van de houder tegen de endossanten en tegen de trekker verjaren door een tijdsverloop van een jaar, gerekend van de dagtekening van het tijdig opgemaakte protest of, in geval van de clausule zonder kosten, van de vervaldag.

  • 4 De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen de trekker verjaren door tijdsverloop van zes maanden, gerekend van de dag, waarop de endossant ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, of van de dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.

  • 5 De in het tweede lid bedoelde verjaring mag niet worden ingeroepen door de acceptant, indien of voor zover hij fonds heeft ontvangen of zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt; evenmin mag de in het derde en vierde lid bedoelde verjaring worden ingeroepen door de trekker, indien of voor zover hij geen fonds heeft bezorgd, noch door de trekker of de endossanten, die zich ongerechtigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde bij artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 244

  • 1 De stuiting van de verjaring is slechts van kracht tegen degene, ten aanzien van wie de stuitingshandeling heeft plaats gehad.

Twaalfde afdeling. Algemene bepaling

Artikel 245

  • 1 De betaling van een wisselbrief, waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, mag eerst worden gevorderd op de eerstvolgende werkdag. Evenzo mogen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven, met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaats hebben dan op een werkdag.

  • 2 Wanneer één van die handelingen moet worden verricht binnen een zekere termijn, waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot de eerste werkdag, volgende op het einde van die termijn. De tussenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.

  • 3 Als wettelijke feestdag in de zin van deze afdeling worden beschouwd:

    de zondag;

    de nieuwjaarsdag;

    de datum vallende na de, in ieder van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba afzonderlijk, gehouden Carnavalsoptocht;

    de Goede Vrijdag;

    de Christelijke tweede Paasdag;

    de Hemelvaartsdag;

    de dag waarop de verjaardag van de Koning officieel wordt gevierd;

    de dag waarop de dag van de arbeid (1 mei) officieel wordt gevierd;

    de eerste en tweede Kerstdag;

    de datum 6 september voor wat betreft het openbaar lichaam Bonaire;

    de datum 16 november voor wat betreft het openbaar lichaam Sint Eustatius en

    de eerste vrijdag in de maand december voor wat betreft het openbaar lichaam Saba.

  • 4 In de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde termijnen is niet begrepen de dag, waarop deze termijnen beginnen te lopen.

  • 5 Geen enkele respijtdag, noch wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.

Dertiende afdeling. Van orderbriefjes

Artikel 246

  • 1 Het orderbriefje behelst:

    • 1°. hetzij de orderclausule, hetzij de benaming «orderbriefje» of «promesse aan order», opgenomen in de tekst zelf, en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;

    • 2°. de onvoorwaardelijke belofte een bepaalde som te betalen;

    • 3°. de aanwijzing van de vervaldag;

    • 4°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;

    • 5°. de naam van degene, aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;

    • 6°. de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats, waar het orderbiljet is ondertekend;

    • 7°. de handtekening van hem, die de titel uitgeeft (ondertekenaar).

  • 2 De titel, waarin één van de vermeldingen, in het voorgaande lid aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

  • 3 Het orderbriefje, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

  • 4 Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de ondertekening van de titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van de ondertekenaar.

  • 5 Het orderbriefje, dat de plaats van zijn ondertekening niet vermeldt, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats, aangegeven naast de naam van de ondertekenaar.

Artikel 247

  • 2 Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende de wisselbrief, betaalbaar bij een derde of in een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene (artikelen 182 en 201), de renteclausule (artikel 183), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som, welke moet worden betaald (artikel 184), de gevolgen van het plaatsen van een handtekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel 185, eerste lid, die van de handtekening van een persoon, die handelt zonder bevoegdheid of die zijn bevoegdheid overschrijdt (artikel 185, tweede lid), en de wisselbrief in blanco (artikel 187).

  • 3 Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen 205–207); indien overeenkomstig hetgeen is bepaald bij artikel 206, laatste lid, het aval niet vermeldt, voor wie het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van de ondertekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.

Artikel 248

  • 1 De ondertekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van een wisselbrief.

  • 2 De orderbriefjes, betaalbaar zekere tijd na zicht, moeten ter tekening voor «gezien» aan de ondertekenaar worden aangeboden binnen de bij artikel 199, eerste, tweede of derde lid, vastgestelde termijn. De zichttermijn loopt van de dagtekening van het visum, hetwelk door de ondertekenaar op het orderbriefje moet worden geplaatst. De weigering van deze zijn visum te plaatsen, moet worden vastgesteld door een protest (artikel 200, tweede lid), van welks dagtekening de zichttermijn begint te lopen.

Zesde titel. Van cheques en van promessen en kwitanties aan toonder

Eerste afdeling. Van de uitgifte en de vorm van de cheque

Artikel 249

  • 1 De cheque behelst:

    • 1°. de benaming «cheque», opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;

    • 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;

    • 3°. de naam van degene, die betalen moet (betrokkene);

    • 4°. de aanwijzing van de plaats, waar de betaling moet geschieden;

    • 5°. de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats, waar de cheque is getrokken;

    • 6°. de handtekening van degene, die de cheque uitgeeft (trekker).

  • 2 De titel, waarin één der vermeldingen, in het voorgaande lid aangegeven, ontbreekt, geldt niet als cheque, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

  • 3 Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing, wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling. Indien meer plaatsen zijn aangegeven naast de naam van de betrokkene, is de cheque betaalbaar in de eerstaangegeven plaats.

  • 4 Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de cheque betaalbaar in de plaats, waar het hoofdkantoor van de betrokkene is gevestigd.

  • 5 De cheque, welke niet de plaats aanwijst, waar zij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats, aangegeven naast de naam van de trekker.

Artikel 250

  • 1 De cheque moet worden getrokken op een bankier, die fonds onder zich heeft ter beschikking van de trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft per cheque over dat fonds te beschikken. In geval van nietinachtneming van die voorschriften blijft de titel echter als cheque geldig.

  • 2 De cheque mag niet worden geaccepteerd. Een vermelding van acceptatie, op de cheque gesteld, wordt voor niet-geschreven gehouden.

Artikel 251

  • 1 De cheque mag betaalbaar worden gesteld:

    aan een met name genoemde persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule: «aan order»;

    aan een met name genoemde persoon, met de clausule: «niet aan order», of een soortgelijke clausule;

    aan toonder.

  • 2 De cheque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemde persoon, met de vermelding: «of aan toonder», of een soortgelijke uitdrukking, geldt als cheque aan toonder.

  • 3 De cheque zonder vermelding van de nemer geldt als cheque aan toonder.

  • 4 De cheque mag aan de order van de trekker luiden.

  • 5 De cheque mag worden getrokken voor rekening van een derde. De trekker wordt geacht voor eigen rekening te hebben getrokken, indien uit de cheque of uit de adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is geschied.

  • 6 De cheque mag op de trekker zelf getrokken worden.

Artikel 252

  • 1 Wanneer de trekker op de cheque de vermelding «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving» of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, heeft geplaatst, is de nemer bevoegd alle uit de cheque voortvloeiende rechten uit te oefenen, maar hij mag deze niet anders overdragen dan bij wege van lastgeving.

  • 2 Bij een zodanige cheque kunnen de chequeschuldenaren aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de trekker zouden kunnen worden tegengeworpen.

  • 3 De opdracht, vervat in een incasso-cheque, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 253

Een in de cheque opgenomen renteclausule wordt voor niet-geschreven gehouden.

Artikel 254

  • 1 De cheque mag betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.

  • 2 De cheque, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som, voluit in letters geschreven.

  • 3 De cheque, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten belope van de kleinste som.

Artikel 255

  • 1 Indien de cheque handtekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van een cheque te verbinden, valse handtekeningen of handtekeningen van verdichte personen, of handtekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden de personen, die die handtekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen, wier handtekeningen op de cheque voorkomen, desniettemin geldig.

  • 2 Ieder, die zijn handtekening op een cheque plaatst als vertegenwoordiger van een persoon, voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de cheque verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger, die zijn bevoegdheid heeft overschreden.

Artikel 256

  • 1 De trekker staat in voor de betaling. Elke clausule, waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.

  • 2 Indien een cheque, onvolledig ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, mag de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, die de cheque te goeder trouw heeft verkregen.

  • 3 De trekker, of degene voor wiens rekening de cheque is getrokken, is verplicht zorg te dragen dat het nodige fonds tot betaling op de dag van de aanbieding in handen van de betrokkene zij, zelfs indien de cheque bij een derde is betaalbaar gesteld, onverminderd de verplichting van de trekker overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid.

  • 4 De betrokkene wordt geacht, het nodige fonds in handen te hebben, indien hij bij de aanbieding van de cheque aan de trekker of aan degene voor wiens rekening is getrokken, een opeisbare som schuldig is, ten minste gelijkstaande met het beloop van de cheque.

Tweede afdeling. Van de overdracht

Artikel 257

  • 1 De cheque, welke betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met of zonder uitdrukkelijke clausule: «aan order», mag door middel van endossement worden overgedragen.

  • 2 De cheque, welke betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met de clausule: «niet aan order», of een soortgelijke clausule, mag slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone cessie. Een op zulk een cheque geplaatst endossement geldt als een gewone cessie.

  • 3 Het endossement mag worden gesteld zelfs ten voordele van de trekker of van iedere andere chequeschuldenaar. Deze personen zijn bevoegd de cheque opnieuw te endosseren.

Artikel 258

  • 1 Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet-geschreven gehouden.

  • 2 Het gedeeltelijke endossement is nietig.

  • 3 Eveneens is nietig het endossement van de betrokkene.

  • 4 Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.

  • 5 Het endossement aan de betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene meer kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordele van een ander kantoor dan dat, waarop de cheque is getrokken.

  • 6 Het endossement moet gesteld worden op de cheque of op een vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.

  • 7 Het endossement kan de geëndosseerde onvermeld laten, of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement om geldig te zijn, op de rugzijde van de cheque of op het verlengstuk worden gesteld.

Artikel 259

  • 1 Door het endossement worden alle uit de cheque voortvloeiende rechten overgedragen.

  • 2 Indien het endossement in blanco is, is de houder bevoegd om:

    • 1°. het blanco in te vullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;

    • 2°. de cheque wederom in blanco of aan een andere persoon te endosseren;

    • 3°. de cheque aan een derde over te geven, zonder het blanco in te vullen, en zonder haar te endosseren.

  • 3 Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de betaling.

  • 4 Hij is bevoegd om een nieuw endossement te verbieden; maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan staat hij tegenover de personen, aan wie de cheque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.

Artikel 260

  • 1 Hij, die een door endossement overdraagbare cheque onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet-geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht, de cheque door het endossement in blanco verkregen te hebben.

  • 2 Een op een cheque aan toonder voorkomend endossement maakt de endossant verantwoordelijk overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het maakt overigens de titel niet tot een cheque aan order.

Artikel 261

Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de cheque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de cheque zich bevindt, niet verplicht de cheque af te geven, indien hij deze te goeder trouw heeft verkregen en zulks onverschillig of het betreft een cheque aan toonder, dan wel een voor endossement vatbare cheque, ten aanzien van welke de houder op de wijze in het eerste lid van artikel 260 voorzien van zijn recht doet blijken.

Artikel 262

  • 1 Zij, die uit hoofde van de cheque worden aangesproken, mogen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de cheque desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.

  • 2 Indien het endossement de vermelding bevat: «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving» of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, mag de houder alle uit de cheque voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij mag deze niet anders endosseren dan bij wege van lastgeving.

  • 3 De chequeschuldenaren mogen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de endossant zouden mogen worden tegengeworpen.

  • 4 De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 263

  • 1 Het endossement, na het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring, of na het einde van de aanbiedingstermijn op de cheque gesteld, heeft slechts de gevolgen van een gewone cessie.

  • 2 Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het protest of de daarmede gelijkstaande verklaringen, of vóór het verstrijken van de in het voorgaande lid bedoelde termijn.

Derde afdeling. Van het aval

Artikel 264

  • 1 De betaling van de cheque mag zowel voor haar gehele bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.

  • 2 Deze borgtocht mag door een derde, behalve door de betrokkene, of zelfs door iemand, wiens handtekening op de cheque voorkomt, worden gegeven.

Artikel 265

  • 1 Het aval wordt op de cheque of op een verlengstuk gesteld.

  • 2 Het wordt uitgedrukt door de woorden: «goed voor aval», of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.

  • 3 De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de cheque, geldt als aval, behalve indien de handtekening die is van de trekker.

  • 4 Het kan ook geschieden bij een afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats, waar het is gegeven.

  • 5 In het aval moet worden vermeld, voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.

Artikel 266

  • 1 De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene, voor wie het aval is gegeven.

  • 2 Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

  • 3 Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens de cheque kunnen worden uitgeoefend tegen degene, voor wie het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover deze krachtens de cheque verbonden zijn.

Vierde afdeling. Van de aanbieding en van de betaling

Artikel 267

  • 1 De cheque is betaalbaar op zicht. Elke vermelding van het tegendeel wordt voor niet-geschreven gehouden.

  • 2 De cheque, welke ter betaling wordt aangeboden vóór de dag, vermeld als datum van uitgifte, is betaalbaar op de dag van de aanbieding.

Artikel 268

  • 1 De cheque, welke in hetzelfde land uitgegeven en betaalbaar is, moet binnen de termijn van acht dagen ter betaling worden aangeboden. Indien echter uit de cheque zelf blijkt, dat zij bestemd is om in een ander land te circuleren, wordt deze termijn verlengd, hetzij tot dertig, hetzij tot zeventig dagen, al naar gelang zij bestemd was in hetzelfde of in een ander werelddeel te circuleren. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin gelden Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet als verschillende landen.

  • 2 De cheque, uitgegeven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en betaalbaar in het Europese deel van Nederland, of omgekeerd, moet ter betaling aangeboden worden binnen de tijd van zeventig dagen.

  • 3 De cheque, welke uitgegeven is in een ander land dan dat, waarzij betaalbaar is, moet worden aangeboden binnen een termijn, hetzij van dertig dagen, hetzij van zeventig dagen, naar gelang de plaats van uitgifte en de plaats van betaling gelegen zijn in hetzelfde of in een ander werelddeel. De derde volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De bovengenoemde termijnen beginnen te lopen van de dag, op de cheque als datum van uitgifte vermeld.

Artikel 269

De dag van uitgifte van een cheque, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling.

Artikel 270

  • 1 De aanbieding aan een verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden de instellingen aangewezen, welke in de zin van deze Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.

Artikel 271

  • 1 De herroeping van de cheque is slechts van kracht na het einde van de termijn van aanbieding.

  • 2 Indien een herroeping niet plaats heeft, is de betrokkene bevoegd zelfs na het einde van die termijn te betalen.

  • 3 Noch de dood van de trekker, noch zijn na de uitgifte opgekomen onbekwaamheid zijn van invloed op de gevolgen van de cheque.

Artikel 272

  • 1 Buiten het geval, in het eerste lid van artikel 287 vermeld, is de betrokkene, de cheque betalende, bevoegd te vorderen, dat hem deze, van behoorlijke kwijting van de houder voorzien, wordt uitgeleverd.

  • 2 De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.

  • 3 In geval van gedeeltelijke betaling mag de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de cheque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.

  • 4 De betrokkene, die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening der endossanten te onderzoeken.

  • 5 Indien hij, niet bevrijdend betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen, heeft hij verhaal op allen die de cheque niet te goeder trouw hebben verkregen.

Artikel 273

  • 1 Een cheque, waarvan de betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, mag binnen de termijn van aanbieding worden betaald in het geld van het land volgens zijn waarde op de dag van betaling. Indien de betaling niet heeft plaats gehad bij de aanbieding, is de houder te zijner keuze bevoegd te vorderen, dat de chequesom voldaan wordt in het geld van het land volgens de koers, hetzij van de dag van aanbieding, hetzij van de dag van betaling.

  • 2 De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker mag echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de cheque voorgeschreven koers.

  • 3 Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).

  • 4 Indien het bedrag van de cheque is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.

Vijfde afdeling. Van de gekruiste cheque en van de verrekeningscheque

Artikel 274

  • 1 De trekker of de houder van een cheque is bevoegd deze te kruisen met de in het volgende artikel genoemde gevolgen.

  • 2 De kruising geschiedt door het plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de cheque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.

  • 3 De kruising is algemeen, indien zij tussen de twee lijnen geen enkele aanwijzing bevat, ofwel de vermelding: «bankier», of een soortgelijk woord; zij is bijzonder, indien de naam van een bankier voorkomt tussen de twee lijnen.

  • 4 De algemene kruising mag worden veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising mag niet worden veranderd in een algemene.

  • 5 De doorhaling van de kruising of van de naam van de aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn geschied.

Artikel 275

  • 1 De betrokkene mag een cheque met algemene kruising slechts betalen aan een bankier of aan een cliënt van de betrokkene.

  • 2 De betrokkene mag een cheque met bijzondere kruising slechts betalen aan de aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan een van zijn cliënten. Echter is de aangegeven bankier bevoegd de cheque ter incassering aan een andere bankier over te dragen.

  • 3 Een bankier mag een gekruiste cheque slechts in ontvangst nemen van een van zijn cliënten of van een ander bankier. Hij mag haar niet innen voor rekening van andere personen dan van deze.

  • 4 De betrokkene mag een cheque, welke meer dan één bijzondere kruising draagt, slechts betalen, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de éne strekt tot inning door een verrekeningskamer.

  • 5 De betrokkene of de bankier, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de cheque.

Artikel 276

  • 1 De trekker, alsmede de houder van een cheque, kan verbieden, dat deze in baar geld betaald wordt door op de voorzijde in schuinse richting te vermelden: «in rekening te brengen», of een soortgelijke uitdrukking op te nemen.

  • 2 In dat geval mag de cheque de betrokkene slechts aanleiding geven tot een boeking (rekening-courant, giro of schuldvergelijking). De boeking geld als betaling.

  • 3 De doorhaling van de vermelding: «in rekening te brengen» wordt geacht niet te zijn geschied.

  • 4 De betrokkene, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de cheque.

Zesde afdeling. Van het recht van regres in geval van non-betaling

Artikel 277

De houder mag zijn recht van regres uitoefenen op de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaren, indien de cheque, tijdig aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld:

  • 1°. hetzij door authentieke akte (protest);

  • 2°. hetzij door een verklaring van de betrokkene, gedagtekend en geschreven op de cheque onder vermelding van de dag van aanbieding;

  • 3°. hetzij door een gedagtekende verklaring van een verrekeningskamer, waarbij vastgesteld wordt, dat de cheque tijdig aangeboden en niet betaald is.

Artikel 278

  • 1 Indien de non-betaling van de cheque door protest of een daarmee gelijkstaande verklaring is vastgesteld, is niettemin de trekker, al ware het protest niet intijds gedaan of de met protest gelijkstaande verklaring niet intijds afgegeven, tot vrijwaring gehouden, tenzij hij bewees, dat de betrokkene op de dag van de aanbieding het nodig fonds tot betaling van de cheque in handen had. Indien het vereiste fonds slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker voor het ontbrekende gehouden.

  • 2 In geval van niet tijdig protest of niet tijdige met protest gelijkstaande verklaring is de trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, aan de houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem op de dag van de aanbieding heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van de cheque; en hij moet aan de houder, op diens kosten, de nodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijn boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware dezen mochten verkiezen, de houder als schuldeiser, voor het beloop van de cheque, toe te laten.

Artikel 279

  • 1 Het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring moet worden gedaan vóór het einde van de termijn van aanbieding.

  • 2 Indien de aanbieding plaats heeft op de laatste dag van de termijn, mag het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring op de eerstvolgende werkdag worden gedaan.

  • 3 De betaling van een cheque moet gevraagd en het daaropvolgend protest gedaan worden ter woonplaatse van de betrokkene.

  • 4 Indien de cheque getrokken is om in een andere aangewezen woonplaats of door een andere aangewezen persoon, hetzij op hetzelfde, hetzij op een ander eiland te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezen woonplaats of aan de aangewezen persoon.

  • 5 Wanneer degene, die de cheque moet betalen, geheel onbekend of niet te vinden is, moet het protest gedaan worden aan een postkantoor op het eiland waar de ter betaling aangewezen woonplaats is gelegen. Hetzelfde moet plaats hebben indien een cheque is getrokken om op een ander eiland te worden betaald dan dat waar de betrokkene woont, en de woonplaats waar de betaling moet geschieden niet is aangewezen.

Artikel 280

  • 1 Het protest van non-betaling wordt gedaan door een notaris, door de griffier van het gerecht in eerste aanleg, of door een deurwaarder, die vergezeld moeten zijn van twee getuigen.

  • 2 Het protest behelst:

    • 1°. een letterlijk afschrift van de cheque, van de endossementen, van het aval en van de adressen daarop gesteld;

    • 2°. de vermelding dat zij de betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaande artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;

    • 3°. de vermelding van de opgegeven reden van non-betaling;

    • 4°. de aanmaning om het protest te tekenen, en de redenen van weigering;

    • 5°. de vermelding, dat hij, notaris, griffier of deurwaarder, wegens die non-betaling heeft geprotesteerd.

  • 3 Indien het protest een vermiste cheque betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°. van het voorgaande lid, een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de inhoud der cheque.

  • 4 De notaris, de griffier of de deurwaarder is verplicht, op straffe van schadevergoeding, afschrift van het protest te laten, en hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genummerd en gewaarmerkt door de rechter in eerste aanleg van zijn woonplaats, en om wijders, zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden te leveren.

Artikel 281

  • 1 De houder moet van de non-betaling kennisgeven aan zijn endossant en aan de trekker binnen vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring en, indien de cheque getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op die van de aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst van de kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant mededelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen van de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving af.

  • 2 Indien overeenkomstig het voorgaande lid een kennisgeving is gedaan door iemand, wiens handtekening op de cheque voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.

  • 3 Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, mag worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.

  • 4 Hij, die een kennisgeving heeft te doen, is bevoegd zulks te doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de cheque.

  • 5 Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen de vastgestelde termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, welke de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.

  • 6 Hij, die de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de chequesom mag te boven gaan.

Artikel 282

  • 1 De trekker, een endossant of een avalgever is bevoegd om door de clausule «zonder kosten», «zonder protest», of een andere soortgelijke op de cheque gestelde en ondertekende clausule, de houder van het opmaken van een protest of een daarmede gelijkstaande verklaring ter uitoefening van zijn recht van regres te ontslaan.

  • 2 Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de cheque binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijnen moet worden geleverd door degene, die zich daarop tegenover de houder beroept.

  • 3 Heeft de trekker de clausule gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handtekeningen op de cheque voorkomen; heeft een endossant of een avalgever haar gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor deze endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch de weigering van betaling doet vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of een avalgever afkomstig is, mogen de kosten van het protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, indien een akte van dien aard is opgesteld, op allen, wier handtekeningen op de cheque voorkomen, worden verhaald.

Artikel 283

  • 1 Allen, die uit hoofde van een cheque verbonden zijn, zijn hoofdelijk jegens de houder verbonden. Bovendien is ook de derde, voor wiens rekening de cheque is getrokken en die de waarde daarvoor heeft genoten, jegens de houder aansprakelijk.

  • 2 De houder is bevoegd om deze personen, zowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aan te spreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.

  • 3 Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handtekening op de cheque voorkomt en die deze, ter voldoening aan zijn regresplicht, heeft betaald.

  • 4 De vordering, ingesteld tegen één der chequeschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.

Artikel 284

  • 1 De houder van een cheque, waarvan de non-betaling door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring is vastgesteld, heeft in geen geval enig recht op het fonds, dat de betrokkene van de trekker in handen heeft.

  • 2 Bij faillissement van de trekker behoren die penningen aan diens boedel.

  • 3 De houder is bevoegd om van degene, tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, te vorderen:

    • 1°. de som van de niet-betaalde cheque;

    • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de dag der aanbieding, voor cheques die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der aanbieding, voor alle overige cheques;

    • 3°. de kosten van protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.

  • 4 Hij, die ter voldoening aan zijn regresplicht de cheque heeft betaald, mag van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

    • 1°. het gehele bedrag, dat hij betaald heeft;

    • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de dag der betaling, voor cheques die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige cheques;

    • 3°. de door hem gemaakte kosten.

  • 5 Iedere chequeschuldenaar, tegen wie het recht van regres wordt of mag worden uitgeoefend, is bevoegd om, tegen betaling ter voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte te vorderen van de cheque met het protest, of van de daarmede gelijkstaande verklaring, alsmede van een voor voldaan getekende rekening.

  • 6 Iedere endossant, die ter voldoening aan zijn regresplicht, de cheque heeft betaald, mag zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.

Artikel 285

  • 1 Indien de aanbieding van de cheque, het opmaken van het protest, of de daarmede gelijkstaande verklaring, binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

  • 2 De houder is verplicht van de overmacht onverwijld aan zijn endossant kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagtekend en ondertekend op de cheque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 281 toepasselijk.

  • 3 Na ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de cheque ter betaling aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, de weigering van betaling doen vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring.

  • 4 Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, gerekend van de dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven, mag het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest of de daarmede gelijkstaande verklaring nodig zijn.

  • 5 Feiten, welke voor de houder of voor degene, die hij met de aanbieding van de cheque of met het opmaken van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring belastte, van zuiver persoonlijke aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.

Zevende afdeling. Van cheque-exemplaren en van vermiste cheques

Artikel 286

  • 1 Behoudens de cheques aan toonder, mag elke cheque, uitgegeven in een land en betaalbaar in een ander land of in een overzees gebied van hetzelfde land en omgekeerd, of wel uitgegeven en betaalbaar in een zelfde overzees gebied of in verschillende overzeese gebieden van hetzelfde land, in meer gelijkluidende exemplaren worden getrokken. Indien een cheque in meer exemplaren is getrokken, moeten die exemplaren in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke cheque.

  • 2 De betaling op één der exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die betaling de kracht van de andere exemplaren te niet doet.

  • 3 De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hun handtekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.

Artikel 287

Achtste afdeling. Van veranderingen

Artikel 288

In geval van verandering van de tekst van een cheque zijn zij, die daarna hun handtekeningen op de cheque geplaatst hebben, volgens de veranderde tekst verbonden; zij, die daarvóór hun handtekeningen op de cheque geplaatst hebben, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.

Negende afdeling. Van verjaring

Artikel 289

Behoudens de bepalingen van het volgende artikel gaat schuld uit een cheque te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek BES aangewezen.

Artikel 290

  • 1 De regresvorderingen van de houder tegen de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaren verjaren door een tijdsverloop van zes maanden, gerekend van het einde van de termijn van aanbieding.

  • 2 De regresvorderingen van de verschillende chequeschuldenaren tegen elkander, die gehouden zijn tot de betaling van een cheque, verjaren door een tijdsverloop van zes maanden, gerekend van de dag, waarop de chequeschuldenaar ter voldoening aan zijn regresplicht de cheque heeft betaald, of van de dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.

  • 3 De trekker is niet bevoegd om de in het eerste en tweede lid bedoelde verjaring in te roepen, indien of voor zover hij geen fonds heeft bezorgd, en evenmin de trekker of de endossanten, die zich ongerechtvaardigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 291

  • 1 De stuiting van de verjaring is slechts van kracht tegen degene, ten aanzien van wie de stuitingshandeling heeft plaats gehad.

Tiende afdeling. Algemene bepalingen

Artikel 292

Met bankiers, genoemd in de voorgaande afdelingen van deze Titel worden gelijkgesteld alle personen of instellingen, die in hun werkzaamheid regelmatig gelden ter onmiddellijke beschikking van anderen houden.

Artikel 293

  • 1 De aanbieding en het protest van een cheque kunnen niet plaats hebben dan op een werkdag.

  • 2 Wanneer de laatste dag van de termijn, bij algemene verordening gesteld voor het verrichten van handelingen nopens de cheque, met name voor de aanbieding en voor het opmaken van het protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot de eerste werkdag, volgende op het einde van die termijn. De tussenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.

  • 3 Als wettelijke feestdag in de zin van deze afdeling worden beschouwd:

    de zondag;

    de nieuwjaarsdag;

    de datum vallende na de, in ieder van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba afzonderlijk, gehouden Carnavalsoptocht;

    de Goede Vrijdag;

    de Christelijke tweede Paasdag;

    de Hemelvaartsdag;

    de dag waarop de verjaardag van de Koning officieel wordt gevierd;

    de dag waarop de dag van de arbeid (1 mei) officieel wordt gevierd; de eerste en tweede Kerstdag;

    de datum 6 september voor wat betreft het openbaar lichaam Bonaire;

    de datum 16 november voor wat betreft het openbaar lichaam Sint Eustatius en

    de eerste vrijdag in de maand december voor wat betreft het openbaar lichaam Saba.

Artikel 294

  • 1 In de termijnen, bij de voorafgaande afdelingen van deze Titel voorzien, is niet begrepen de dag, waarop deze termijnen beginnen te lopen.

  • 2 Geen enkele respijtdag, noch wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.

Elfde afdeling. Van kwitanties en promessen aan toonder

Artikel 295

  • 1 Kwitanties en promessen aan toonder moeten de juiste dagtekening van de oorspronkelijke uitgifte bevatten.

  • 2 De oorspronkelijke uitgever van kwitanties aan toonder, door een derde betaalbaar, is jegens iedere houder voor de voldoening aansprakelijk gedurende tien dagen na de dagtekening, die dag daaronder niet begrepen.

  • 3 De verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke uitgever blijft echter voortduren, tenzij hij bewees, dat hij, gedurende de bij het vorige lid bepaalde tijd, fonds heeft gehad ten belope van het uitgegeven papier bij de persoon, op wie dit is afgegeven.

  • 4 De oorspronkelijke uitgever is, op straffe van voortduring van zijn verantwoordelijkheid, verplicht de houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de persoon, op wie het papier is afgegeven van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks ten belope van het uitgegeven papier; en hij moet aan de houder, te diens koste, de nodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de oorspronkelijke uitgever in staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijn boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware deze mochten verkiezen, de houder als schuldeiser, ten belope van het uitgegeven papier, toe te laten.

Artikel 296

  • 1 Buiten de oorspronkelijke uitgever, blijft een ieder die het voormeld papier in betaling heeft gegeven, gedurende de tijd van drie dagen daarna, de dag van de uitgifte daaronder niet begrepen, aansprakelijk jegens degene, die het van hem heeft ontvangen.

  • 2 De houder van een promesse aan toonder is verplicht voldoening te vorderen binnen de tijd van drie dagen na de dag, op welke hij dat papier in betaling heeft genomen, die dag daaronder niet gerekend, en hij moet, bij wanbetaling, binnen een gelijke termijn daarna, de promesse ter intrekking aanbieden aan degene die hem dat papier in betaling heeft gegeven, alles op verbeurte van zijn verhaal tegen deze, doch onverminderd zijn recht tegen hem die de promesse heeft getekend.

  • 3 Indien in de promesse de dag is uitgedrukt op welke zij betaalbaar is, begint de termijn van drie dagen eerst te lopen daags na de uitgedrukte betaaldag.

Artikel 297

Indien de laatste dag van enige termijn, waaromtrent in deze afdeling enige bepaling voorkomt, invalt op een wettelijke feestdag in de zin van het laatste lid van artikel 293, blijft de verplichting en de verantwoordelijkheid voortduren tot en met de eerste daaropvolgende dag, welke geen wettelijke feestdag is.

Artikel 298

  • 1 Alle rechtsvordering tegen de in deze afdeling vermelde uitgevers van papier, of tegen hen, die buiten de oorspronkelijke uitgever het papier in betaling hebben gegeven, verjaart door tijdsverloop van zes maanden, gerekend van de dag van de oorspronkelijke uitgifte.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde verjaring mag niet worden ingeroepen door de uitgever, indien of voor zover hij geen fonds heeft bezorgd, noch door de uitgever of door hen, die buiten de oorspronkelijke uitgever het papier in betaling hebben gegeven, voor zover ze zich ongerechtvaardigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Achtste titel. Van assurantie of verzekering in het algemeen

Artikel 315

Assurantie of verzekering is een overeenkomst, bij welke de verzekeraar zich aan de verzekerde, tegen genot van een premie, verbindt om hem schadeloos te stellen wegens een verlies, schade of gemis van verwacht voordeel, hetwelk hij door een onzeker voorval zou kunnen lijden.

Artikel 316

De verzekeringen kunnen, onder andere, ten onderwerp hebben:

de gevaren van brand (artikelen 353–364);

de gevaren, waaraan de voortbrengselen van de landbouw te velde onderhevig zijn (artikelen 365–367);

het leven van een of meer personen (artikelen 368–374);

de gevaren van de zee en die van de slavernij (artikelen 813–891); en

de gevaren van het vervoer te lande en langs de kusten (artikelen 892–899).

Artikel 317

Op alle verzekeringen, waarover zo in dit als in het tweede boek wordt gehandeld, zijn toepasselijk de bepalingen bij de volgende artikelen vervat.

Artikel 318

Tot vergoeding voor schade of verlies uit enig gebrek, eigen bederf of uit de aard en de natuur van de verzekerde zaak zelf onmiddellijk voortgesproten, is de verzekeraar slechts gehouden, indien ook daarvoor uitdrukkelijk verzekerd werd.

Artikel 319

Indien hij, die voor zich zelf heeft laten verzekeren, of hij, voor wiens rekening door een ander is verzekerd, ten tijde van de verzekering geen belang in het verzekerd voorwerp heeft, is de verzekeraar niet tot schadeloosstelling gehouden.

Artikel 320

Elke verkeerde of onwaarachtige opgave, of elke verzwijging van aan de verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard is, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn gesloten, indien de verzekeraar van de ware staat van zaken had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.

Artikel 321

Uitgezonderd in de gevallen bij wet bepaald, mag een tweede verzekering niet gedaan worden voor dezelfde tijd en voor hetzelfde gevaar op voorwerpen, welke reeds voor hun volle waarde verzekerd zijn, en zulks op straffe van nietigheid van de tweede verzekering.

Artikel 322

  • 1 Verzekering, welke het beloop van de waarde of het wezenlijk belang te boven gaat, is alleen geldig tot het beloop daarvan.

  • 2 Indien de volle waarde van het voorwerp niet is verzekerd, is de verzekeraar, in geval van schade, slechts verbonden in evenredigheid van het verzekerde tot het niet-verzekerde gedeelte.

  • 3 Het staat echter aan partijen vrij uitdrukkelijk te bedingen, dat, afgezien van de grotere waarde van het verzekerd voorwerp, de daaraan overkomen schade tot het vol beloop van de verzekerde som moet worden vergoed.

Artikel 323

Afstand bij het aangaan van de verzekering of gedurende haar loop gedaan van hetgeen bij wet tot het wezen van de overeenkomst wordt vereist of van hetgeen uitdrukkelijk is verboden, is nietig.

Artikel 324

De verzekering moet schriftelijk worden aangegaan bij een akte, welke de naam van polis draagt.

Artikel 325

  • 1 Alle polissen, met uitzondering van die van levensverzekering, moeten uitdrukken:

    • 1°. de dag, waarop de verzekering is gesloten;

    • 2°. de naam van degene, die de verzekering voor eigen rekening of voor die van een derde sluit;

    • 3°. een genoegzaam duidelijke omschrijving van het verzekerde voorwerp;

    • 4°. het bedrag van de som, waarvoor verzekerd wordt;

    • 5°. de gevaren, welke de verzekeraar voor zijn rekening neemt;

    • 6°. de tijd, op welke het gevaar voor rekening van de verzekeraar begint te lopen en eindigt;

    • 7°. de premie van verzekering, en

    • 8°. in het algemeen, alle omstandigheden, welker kennis van wezenlijk belang voor de verzekeraar kan zijn, en alle andere tussen de partijen gemaakte bedingen.

  • 2 De polis moet door iedere verzekeraar worden ondertekend.

Artikel 326

  • 1 De overeenkomst van verzekering bestaat, zodra zij is gesloten; de wederzijdse rechten en verplichtingen van de verzekeraar en van de verzekerde nemen van dat ogenblik hun aanvang, zelfs vóórdat de polis is ondertekend.

  • 2 Het sluiten van de overeenkomst brengt de verplichting van de verzekeraar mede, om de polis binnen de bepaalde tijd te tekenen en aan de verzekerde uit te leveren.

Artikel 327

  • 1 De overeenkomst wordt tegenover de verzekeraar slechts door geschrift bewezen. Indien het geschrift de overeenkomst niet volledig omschrijft, kan, zolang de polis niet door de verzekeringnemer als bewijs is aanvaard, bewijs van het niet omschreven deel van de overeenkomst en van de wijzigingen daarin met alle middelen worden bijgebracht.

  • 2 Op wijzigingen in de overeenkomst, tot stand gekomen nadat de polis als bewijs is aanvaard, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 328

  • 1 Wanneer de verzekering is gesloten, moet de verzekeraar de polis, binnen vierentwintig uren na de aanbieding, ondertekenen en uitleveren, tenware bij wet in enig bijzonder geval een langere termijn bepaald zij.

  • 2 Bij nalatigheid hiervan is de verzekeraar ten behoeve van de verzekerde gehouden tot vergoeding van de schade, welke uit dat verzuim mocht zijn ontstaan.

Artikel 329

Hij, die, van een ander order ontvangende tot het laten doen van verzekering, deze voor zijn eigen rekening houdt, wordt verstaan verzekeraar te zijn op de aan hem opgegeven voorwaarden en bij gebreke van die opgave, op zodanige voorwaarden als waarop de verzekering had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij de last had moeten uitvoeren, en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaats.

Artikel 330

Bij overgang van een zaak of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, loopt de verzekering van rechtswege ten voordele van de nieuwe rechthebbende.

Artikel 331

Verzekering mag niet alleen voor eigen rekening, maar ook voor die van een derde worden gesloten, hetzij uit kracht van een algemene of van een bijzondere last, hetzij zelfs buiten weten van de belanghebbende, en zulks met inachtneming van de volgende bepalingen.

Artikel 332

Bij verzekering ten behoeve van een derde moet uitdrukkelijk in de polis worden vermeld, of zulks uit kracht van een lastgeving of buiten weten van de belanghebbende plaats heeft.

Artikel 333

De verzekering zonder lastgeving en buiten weten van de belanghebbende gedaan, is nietig, indien en voor zover de belanghebbende of een derde op zijn last hetzelfde voorwerp reeds had verzekerd vóór het tijdstip, waarop hij kennis droeg van de buiten zijn weten gesloten verzekering.

Artikel 334

Indien bij de polis niet vermeld is, dat de verzekering voor rekening van een derde is geschied, wordt de verzekerde geacht die voor zich zelf te hebben gesloten.

Artikel 335

De verzekering mag tot voorwerp hebben elk belang, hetwelk op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij wet niet uitgezonderd is.

Artikel 336

Alle verzekering, gedaan op enig belang hoegenaamd, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst bestond, is nietig, indien de verzekerde, of hij die met of zonder last heeft doen verzekeren, van het bestaan van de schade heeft kennis gedragen.

Artikel 337

  • 1 Het geldt als een vermoeden, dat men van het bestaan van die schade heeft kennis gedragen, indien de rechter, met inachtneming van de omstandigheden, oordeelt, dat er sedert het ontstaan van de schade zoveel tijd is verlopen, dat de verzekerde daarvan had moeten kennis dragen.

  • 2 In geval van twijfel staat het de rechter vrij, om aan verzekerden en aan hun lasthebbers de eed op te leggen, dat zij, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van het bestaan van de schade niet hebben kennis gedragen.

  • 3 Indien de ene partij die eed aan haar wederpartij wenst op te dragen, moet hij in alle gevallen door de rechter worden opgelegd.

Artikel 338

De verzekeraar is altijd bevoegd om hetgeen hij verzekerd heeft wederom te laten verzekeren.

Artikel 339

  • 1 Indien de verzekerde de verzekeraar, bij een gerechtelijke opzegging, van zijn verplichtingen voor het toekomende ontslaat, is hij bevoegd om zijn belang voor dezelfde tijd en hetzelfde gevaar andermaal te doen verzekeren.

  • 2 In dat geval moet, op straffe van nietigheid, in de nieuwe polis worden melding gemaakt zowel van de vroegere verzekering, als van de gerechtelijke opzegging.

Artikel 342

De verzekerde zal krachtens een schadevergoeding geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. De vorige volzin mist toepassing bij voorafgaande taxatie van de waarde van een zaak, of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, tot stand gekomen krachtens een aan deskundige opgedragen beslissing, of krachtens een beslissing van partijen overeenkomstig het advies van een deskundige.

Artikel 343

Verliezen of schaden, door eigen schuld van een verzekerde veroorzaakt, komen niet ten laste van de verzekeraar. Hij is zelfs bevoegd om de premie te behouden of te vorderen, indien hij reeds begonnen had enig gevaar te lopen.

Artikel 344

  • 1 Indien onderscheidene verzekeringen te goeder trouw ten aanzien van hetzelfde voorwerp zijn aangegaan en bij de eerste de volle waarde is verzekerd, houdt deze alléén stand en zijn de volgende verzekeraars ontslagen.

  • 2 Indien bij de eerste verzekering de volle waarde niet is verzekerd, zijn de volgende verzekeraars aansprakelijk voor de grotere waarde volgens de orde des tijds, waarop de volgende verzekeringen zijn gesloten.

Artikel 345

  • 1 Bijaldien onderscheiden verzekeraars op een en dezelfde polis, al ware het op onderscheiden dagen, meer dan de waarde hebben verzekerd, dragen zij allen te zamen naar evenredigheid van de som, voor welke zij getekend hebben, alleen de juiste verzekerde waarde.

  • 2 Dezelfde bepaling geldt, wanneer ten zelfden dage ten opzichte van hetzelfde voorwerp onderscheiden verzekeringen gesloten zijn.

Artikel 346

  • 1 De verzekerde mag, in de gevallen bij de voorgaande twee artikelen vermeld, de oudste verzekeringen niet vernietigen om daardoor de latere verzekeraars te verbinden.

  • 2 Indien de verzekerde de eerste verzekeraars ontslaat, wordt hij geacht zich, voor dezelfde som en in dezelfde orde, in hun plaats als verzekeraar gesteld te hebben.

  • 3 Indien hij zich laat herverzekeren, treden de herverzekeraars in dezelfde orde in zijn plaats op.

Artikel 347

  • 1 Het wordt niet als een ongeoorloofde overeenkomst beschouwd, indien na de verzekering van een voorwerp voor de volle waarde de belanghebbende het vervolgens geheel of gedeeltelijk laat verzekeren, onder de uitdrukkelijke bepaling, dat hij zijn recht tegen de verzekeraars alleen mag doen gelden, indien en voor zover hij de schade op de vroegere niet zal kunnen verhalen.

  • 2 Bij het aangaan van zodanige overeenkomst moeten, op straffe van nietigheid, de vroeger gesloten overeenkomsten duidelijk worden omschreven; alsdan zijn de bepalingen van de artikelen 344 en 345 insgelijks daarop toepasselijk.

Artikel 348

In alle gevallen, in welke de overeenkomst van verzekering voor het geheel of ten dele vervalt of nietig wordt, en mits de verzekerde te goeder trouw hebbe gehandeld, moet de verzekeraar de premie teruggeven hetzij voor het geheel, hetzij voor zodanig gedeelte als waarvoor hij geen gevaar heeft gelopen.

Artikel 349

Bijaldien de nietigheid van de overeenkomst uit hoofde van list, bedrog of schelmerij van de verzekerde ontstaat, geniet de verzekeraar de premie, onverminderd de vervolging tot straf, zo daartoe gronden zijn.

Artikel 350

  • 1 Behoudens de bijzondere bepalingen ten aanzien van deze of gene soort van verzekering gemaakt, is de verzekerde verplicht om alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen, ten einde schade te voorkomen of te verminderen; hij is voorts verplicht om, dadelijk na haar ontstaan, daarvan aan de verzekeraar kennis te geven; alles op straffe van schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn.

  • 2 De onkosten, door de verzekerde gemaakt ten einde schade te voorkomen of te verminderen, zijn ten laste van de verzekeraar, al ware het dat deze onkosten, gevoegd bij de geleden schade, het beloop van de verzekerde som te boven zouden gaan of de aangewende pogingen vruchteloos zouden zijn geweest.

Artikel 351

Indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, anders dan uit verzekering, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar voor zover deze die schade vergoedt.

Negende titel. Van verzekering tegen de gevaren van brand, tegen die waaraan de voortbrengselen van de landbouw te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering

Eerste afdeling. Van verzekering tegen gevaren van brand

Artikel 353

De brandpolis moet, behalve de vereisten bij artikel 325 vermeld, uitdrukken:

  • 1°. de ligging en de belending van de verzekerde onroerende zaken;

  • 2°. hun gebruik;

  • 3°. de aard en het gebruik van de belendende gebouwen, voor zover zulks invloed op de verzekering kan hebben;

  • 4°. de waarde van de verzekerde zaken, en

  • 5°. de ligging en de belending van de gebouwen en plaatsen waar verzekerde roerende zaken zich bevinden, zijn geborgen of opgeslagen.

Artikel 356

Voor rekening van de verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, welke aan de verzekerde voorwerpen zullen zijn overkomen door brand, veroorzaakt door onweder of enig ander toeval, eigen vuur, onachtzaamheid, schuld of schelmerij van eigen bedienden, buren, vijanden, rovers, en alle anderen hoe ook genaamd, op welke wijze de brand ook zou mogen ontstaan, bedacht of onbedacht, gewoon of ongewoon geen uitgezonderd.

Artikel 357

Met schade, door brand veroorzaakt, wordt gelijk gesteld die, welke als een gevolg van ontstane brand wordt aangemerkt, ook wanneer die voortkomt uit brand in een naburig gebouw, als daar zijn bederf of vermindering van het verzekerde voorwerp door het water en andere middelen tot stuiting of tot blussing van de brand gebruikt, of het vermissen van iets daarvan door dieverij of op enige andere wijze gedurende de brandblussing of beredding, alsmede de schade, welke veroorzaakt wordt door de gehele of gedeeltelijke vernieling van het verzekerde, op last van hogerhand geschied, ten einde de voortgang van de ontstane brand te stuiten.

Artikel 358

Met schade, door brand veroorzaakt, wordt eveneens gelijk gesteld die, welke ontstaan is door ontploffing van buskruit, door het springen van een stoomketel, door het inslaan van de bliksem of dergelijke, ook al heeft die ontploffing, dat springen, of dat inslaan geen brand ten gevolge gehad.

Artikel 359

Indien een verzekerd gebouw een andere bestemming verkrijgt en daardoor aan groter brandgevaar komt bloot te staan, zodat de verzekeraar, indien zulks vóór de verzekering had bestaan, het òf in het geheel niet, òf niet op dezelfde voorwaarden zou hebben verzekerd, houdt zijn verplichting op.

Artikel 360

De verzekeraar is ontslagen van de verplichting tot voldoening van de schade, indien hij bewijst, dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde zelf veroorzaakt is.

Artikel 361

De schade wordt berekend naar de waarde, welke de zaken ten tijde van de brand hebben gehad.

Tweede afdeling. Van verzekering tegen de gevaren, waaraan de voortbrengselen van de landbouw te velde onderhevig zijn

Artikel 365

Behalve de vereisten bij artikel 325 vermeld moet de polis uitdrukken:

  • 1°. de ligging en belending van de landerijen, welker voortbrengselen zijn verzekerd, en

  • 2°. haar gebruik.

Artikel 366

  • 1 De verzekering mag voor een of meer jaren worden gesloten.

  • 2 Bij gebreke van tijdsbepaling wordt de verzekering verondersteld voor één jaar te zijn gesloten.

Artikel 367

Bij het opmaken van de schade wordt berekend, hoeveel de vruchten zonder het ontstaan van de ramp ten tijde van hun inoogsting of van hun genot zouden zijn waard geweest en hun waarde na de ramp. De verzekeraar betaalt als schadevergoeding het verschil.

Derde afdeling. Van levensverzekering

Artikel 368

Het leven van iemand kan ten behoeve van een daarbij belanghebbende verzekerd worden, hetzij voor de ganse duur van dat leven, hetzij voor een bij de overeenkomst bepaalde tijd.

Artikel 369

De belanghebbende is bevoegd de verzekering te sluiten zelfs buiten kennis of toestemming van degene, wiens leven wordt verzekerd.

Artikel 370

De polis bevat:

  • 1°. de dag, waarop de verzekering is gesloten;

  • 2°. de naam van de verzekerde;

  • 3°. de naam van de persoon, wiens leven is verzekerd;

  • 4°. de tijd, waarop het gevaar voor de verzekeraar begint te lopen en eindigt;

  • 5°. de som, waarvoor is verzekerd en

  • 6°. de premie voor de verzekering.

Artikel 371

De begroting van de som en de bepaling van de voorwaarden van de verzekering staan geheel aan het goedvinden van partijen.

Artikel 372

Indien de persoon, wiens leven verzekerd is, op het ogenblik van het sluiten van de verzekering, reeds was overleden, vervalt de overeenkomst, al had de verzekerde van het overlijden geen kennis kunnen dragen, tenzij anders ware bedongen.

Artikel 373

Indien hij, die zijn leven heeft laten verzekeren, zich van het leven berooft of met de dood wordt gestraft, vervalt de verzekering.

Artikel 374

Onder deze afdeling zijn niet begrepen weduwefondsen, tontines, maatschappijen van onderlinge levensverzekering en andere dergelijke overeenkomsten op levens- en sterftekansen gegrond, waartoe een inleg of een bepaalde bijdrage, of beide, gevorderd wordt of worden.

Tweede boek. van de rechten en verplichtingen uit scheepvaart voortspruitende

Algemene bepaling

Artikel 375

  • 2 Onder zeewerkgever is te verstaan de eigenaar of, in geval van rompbevrachting, de rompbevrachter.

  • 3 In dit Boek wordt met Nederlandse schepen en schepen die varen onder de Nederlandse vlag gedoeld op schepen waarvan de Nederlandse nationaliteit voortvloeit uit de Rijksregelgeving ter zake van de nationaliteit van schepen.

Eerste titel. Van zeeschepen

Artikel 376

In de eerste tot en met de vierde Titel van dit Boek worden onder schepen uitsluitend verstaan zeeschepen.

Artikel 377

In geval van verkoop uit hoofde van artikel 175 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek wordt het schip geacht de hoedanigheid van Nederlands schip niet te hebben verloren.

Artikel 404

Indien de gerechtelijke verdeling van de opbrengst van een vreemd schip in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaats heeft, worden de kosten van uitwinning, het hulploon, de loods- en havengelden en andere scheepvaartrechten in ieder geval geplaatst in de rang, hun door de artikelen 210, 211, 213217 en 218 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES toegekend.

Artikel 405

Op ten minste twintig kubieke meters bruto-inhoud metende, langs de kusten varende vaartuigen, zijn de bepalingen van deze Titel van toepassing.

Artikel 407

Artikel 404 is niet van toepassing op aan de Staat of aan een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toebehorende schepen, welke tot de openbare dienst zijn bestemd.

Derde titel. Van de kapitein

Artikel 436

  • 1 De kapitein voert het schip. De gehele bemanning is hem ondergeschikt. Hij oefent aan boord over alle opvarenden gezag. Dezen zijn gehouden de bevelen na te komen, welke de kapitein geeft in het belang van de veiligheid of tot handhaving van orde en tucht.

  • 2 Onder opvarenden worden in deze Titel verstaan allen, die zich aan boord bevinden, buiten de kapitein.

Artikel 437

  • 1 Op Nederlandse schepen mogen alleen Nederlanders of Nederlandse onderdanen als kapitein in dienst worden gesteld.

  • 2 Onze minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd om al dan niet voor een bepaalde tijd, ten aanzien van met name genoemde personen, of met name vermelde Nederlandse schepen dispensatie van het in het eerste lid bedoelde verbod te verlenen.

Artikel 438

In geval van ontstentenis van de kapitein treedt als zodanig op de eerste stuurman; in geval ook van diens ontstentenis, indien aan boord aanwezig zijn één of meer stuurlieden, bevoegd als kapitein op te treden, de oudste in rang, vervolgens van de overige stuurlieden de oudste in rang, en bij ontstentenis ook van dezen de door een scheepsraad aangewezen persoon.

Artikel 439

De kapitein is verplicht met zodanige bekwaamheid en nauwgezetheid en met zodanig beleid te handelen als voor een behoorlijke vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 440

  • 1 De kapitein is verplicht de gebruikelijke regels en de bestaande voorschriften ter verzekering van de zeewaardigheid en de veiligheid van het schip, van de veiligheid van de opvarenden en der zaken aan boord met nauwgezetheid op te volgen.

  • 2 Hij onderneemt de reis niet, tenzij het schip tot het volvoeren daarvan geschikt, naar behoren uitgerust en voldoende bemand is.

Artikel 441

De kapitein is verplicht om overal waar een wettelijk voorschrift, de gewoonte of de voorzichtigheid dit gebiedt, zich van een loods te bedienen.

Artikel 442

De kapitein mag gedurende de vaart of bij dreigend gevaar het schip niet verlaten, tenzij zijn afwezigheid volstrekt noodzakelijk is of de zorg voor lijfsbehoud hem daartoe dwingt.

Artikel 443

De kapitein is verplicht voor de aan boord zijnde goederen van een gedurende de reis overleden opvarende te zorgen en ten overstaan van twee der opvarenden daarvan een behoorlijke beschrijving te maken of te doen maken, welke hij met deze opvarenden ondertekent.

Artikel 444

  • 1 De kapitein moet aan boord voorzien zijn van:

    de zeebrief, de meetbrief en een uittreksel uit het scheepsregister, bevattende alle boekingen welke op het schip betrekking hebben tot de dag van het laatste vertrek van het schip uit een haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    de monsterrol, het manifest van de lading, de charter-partij en de cognossementen, dan wel afschriften van die stukken;

    de wettelijke regelingen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op de reis van toepassing, en alle verder nodige papieren.

  • 2 Ten aanzien van de charter-partij en de cognossementen geldt deze verplichting niet in de bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven omstandigheden.

Artikel 445

  • 1 De kapitein zorgt, dat aan boord een scheepsdagboek (dagregister of journaal) wordt gehouden, waarin alles van enig belang, dat op de reis voorvalt, nauwkeurig wordt opgetekend.

  • 2 De kapitein van een schip, dat door mechanische kracht wordt voortbewogen, zorgt bovendien, dat een lid van het machinekamer-personeel een machine-dagboek bijhoudt.

Artikel 446

  • 1 Op Nederlandse schepen mogen alleen dagboeken in gebruik worden genomen, welke de ambtenaar, te wiens overstaan de monstering geschiedt, of in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten het bevoegde gezag, of buiten het Koninkrijk een Nederlands consulair ambtenaar blad voor blad heeft genummerd en gewaarmerkt.

  • 2 De dagboeken worden, zo mogelijk dagelijks bijgehouden, gedagtekend en door de kapitein en de schepeling, die hij met het houden van het boek heeft belast, ondertekend.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de inrichting van de dagboeken.

Artikel 447

De kapitein, de eigenaar en de rompbevrachter zijn verplicht aan belanghebbenden op hun aanvrage inzage en, tegen betaling van de kosten, afschrift van of uittreksel uit de dagboeken te geven.

Artikel 448

Wanneer de kapitein zich in zaken van aanbelang met leden van de bemanning heeft beraden, wordt van de hem gegeven adviezen in het scheepsdagboek melding gemaakt.

Artikel 449

  • 1 De kapitein is verplicht binnen 48 uren na aankomst in een noodhaven of in de haven van eindbestemming aan de ambtenaar, te wiens overstaan de monstering geschiedt, zijn scheepsdagboek of -dagboeken te vertonen of te doen vertonen en ze door deze ambtenaar voor gezien te laten tekenen.

  • 2 De kapitein heeft zich te wenden in het Europese deel van Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba tot het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk tot de Nederlandse consulaire ambtenaar, of, bij ontstentenis van zodanige ambtenaar, tot het bevoegde gezag.

Artikel 450

  • 1 Na aankomst in een haven is de kapitein bevoegd om door een notaris een scheepsverklaring te doen opmaken omtrent de voorvallen van de reis.

  • 2 Indien het schip of de zaken aan boord schade hebben geleden of enig buitengewoon voorval heeft plaats gehad, is de kapitein verplicht binnen 48 uren na aankomst, in de plaats van aankomst of in een nabijgelegen plaats althans een voorlopige verklaring te doen opmaken. Een voorlopige verklaring moet binnen acht dagen door een volledige verklaring worden gevolgd.

  • 3 De kapitein heeft zich te wenden in het Europese deel van Nederland, Curaçao of Sint Maarten of Aruba tot het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk tot de Nederlandse consulaire ambtenaar of, bij ontstentenis van zodanige ambtenaar, tot het bevoegde gezag.

  • 4 De notaris is verplicht van scheepsverklaringen tegen betaling van de kosten afschrift uit te reiken aan ieder die het verlangt.

Artikel 451

Bij het berekenen van de in artikelen 449 en 450 genoemde wettelijke termijnen tellen de zondag en de algemeen erkende feestdagen, en, in het buitenland, de aldaar erkende wettelijke feestdagen niet mee.

Artikel 452

De door de kapitein daartoe aangewezen schepelingen zijn verplicht bij het opmaken van de scheepsverklaring hun medewerking te verlenen door van hun bevinding verklaring af te leggen.

Artikel 453

De beoordeling van de bewijskracht van scheepsdagboeken en scheepsverklaringen ten aanzien van de daarin vermelde voorvallen van de reis is voor ieder geval aan de rechter overgelaten.

Artikel 454

De kapitein is bevoegd, indien dit tot behoud van schip of lading noodzakelijk is, scheepstoebehoren en bestanddelen van de lading overboord te werpen of te verbruiken.

Artikel 455