KruimelpadGeldend op 24-04-2011
De Commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar:
a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en pleeggezinnen;
b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a;
c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a;
d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van minderjarigen als bedoeld onder a.
1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden.
2. De leden van de Commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel 3 genoemde taken.
3. De leden van de Commissie worden op eigen aanvraag door de Ministers tussentijds ontslagen.
4. De leden kunnen voorts door de Ministers worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
5. Nieuwe leden van de Commissie worden, op aanbeveling van de voorzitter, door de Ministers benoemd.
Als leden van de Commissie worden benoemd:
a. Mevrouw mr. H.W. Samson-Geerlings, voormalig procureur-generaal, tevens voorzitter;
b. Mevrouw dr. P.C.M. Bakker, universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen;
c. Mevrouw prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld, hoogleraar criminologie aan de Vrije Universiteit;
d. Mevrouw dr. S. Dijkstra, lector hogeschool Avans Breda;
e. De heer prof. dr. mr. G.D. Minderman, bijzonder hoogleraar Public Governance en Public Law aan de faculteit der economische wetenschappen en bedrijfskunde aan de Vrije Universiteit.
1. De Commissie heeft een secretaris.
2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de voorzitter van de Commissie.
3. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.
4. De secretaris en andere medewerkers zijn geen lid van de Commissie.
5. De Ministers dragen, na overleg met de Commissie, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie.
1. De Commissie brengt binnen twee jaar na haar instelling een rapport uit aan de Ministers.
2. Het rapport wordt algemeen beschikbaar gesteld.
3. Indien de Commissie daartoe aanleiding ziet in de bevindingen van het onderzoek, doet zij tussentijds verslag aan de Ministers.
4. Indien onvoorziene omstandigheden naar het oordeel van de Commissie in de weg staan aan het tijdig uitbrengen van het rapport, dan stelt zij de Ministers daarvan onverwijld op de hoogte.
5. De Ministers beslissen over de eventuele verlenging van de termijn bedoeld in het eerste lid en brengen de Commissie daarvan schriftelijk op de hoogte.
De leden van de Commissie, voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, ontvangen een vaste vergoeding per maand, gebaseerd op salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en een arbeidsduurfactor van 8/36.