Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie[Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 26-02-2013 t/m 31-12-2014

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2010, nr. R&P/RPA/2010/10484, houdende nadere bepalingen ten aanzien van de uitvoering van een pilot met betrekking tot het toepassen van loondispensatie (Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie)

§ 1. Nadere bepalingen ten aanzien van de deelname [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1. Verzoek tot deelname [Vervallen per 01-01-2015]

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan uiterlijk vier weken na de inwerkingtreding van deze regeling een verzoek tot deelname aan de pilot, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie, indienen.

Artikel 2. Tegemoetkoming uitvoeringskosten [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De tegemoetkoming in de vaste kosten bedraagt voor elke deelnemende gemeente € 115.000,–.

  • 2 De tegemoetkoming in de overige kosten bedraagt voor een gemeente:

    (A/B) × (€ 2.200.000,– × C/32) waarbij:

    A staat voor het aantal personen in de kring van de desbetreffende gemeente op 30 juni 2009;

    B staat voor het totaal aantal personen in de kring van alle deelnemende gemeenten op 30 juni 2009;

    C staat voor het aantal deelnemende gemeenten.

§ 2. Nadere bepalingen ten aanzien van de uitvoering [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3. Toegangstoets [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Bij het onderzoek wordt een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige in ieder geval betrokken, indien:

    • a. als gevolg van tegenstrijdige informatie onduidelijkheid bestaat of de desbetreffende inwoner een arbeidsbeperking heeft; of

    • b. anderszins bij het college gerede twijfel bestaat of de desbetreffende inwoner een arbeidsbeperking heeft.

Artikel 4. Methoden loonwaardebepaling [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De methoden van loonwaardebepaling met bijbehorende marktaanbieders die worden toegepast bij de pilot zijn:

    • a. Activa Loonwaarde Methodiek, aangeboden door Activa bv;

    • b. Arbolabmethode, aangeboden door Melba en Arbolab;

    • c. Dariuz, aangeboden door TNO, Chainworks en Mensenwerk;

    • d. Loonbalans, aangeboden door Eduper.

  • 2 Indien de gemeente die deelneemt aan de pilot een overeenkomst sluit met één van de vier bovengenoemde marktaanbieders voor de toepassing van de aldaar genoemde methode, past het college vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst deze methode toe bij de pilot.

  • 3 Indien de gemeente op het moment van indiening van het verzoek tot deelname aan de pilot een andere methode dan de in het eerste lid genoemde methoden toepast, kan het college aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzoeken om deze methode toe te mogen passen bij de pilot. De Minister kan dit toestaan, indien:

    • a. de beschreven methode de arbeidsprestatie van een werknemer op de werkplek meet gegeven diens eventuele arbeidsbeperkingen in een bepaalde functie op een bepaald moment, en

    • b. deze methode een waarde als uitkomst heeft.

Artikel 5. Periodieke vaststelling van de loonwaarde [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kan, in afwijking van het eerste lid, de vaststelling van de arbeidsprestatie en de loonwaarde vervroegd plaatsvinden.

§ 3. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 6. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2015]

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet pilot loondispensatie in werking treedt en vervalt met ingang van 1 januari 2013 met dien verstande dat indien op grond van artikel 16, tweede lid, van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie die wet op een later tijdstip vervalt, deze regeling op dat latere tijdstip vervalt.

Artikel 7. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2015]

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie.

Deze regeling zal met de toelichting en bijlage 1 in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 3 juni 2010

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.P.H. Donner

Bijlage 1. : beslisschema behorende bij artikel 3 van deze regeling [Vervallen per 01-01-2015]

Bijlage 246868.png

Algemeen [Vervallen per 01-01-2015]

Vraag 2a, 2b en vraag 3 zijn uitgewerkt in een aantal criteria. De gedachtegang is als volgt:

  • 1. Als het college oordeelt dat de cliënt bij vraag 2a voldoet aan één of twee criteria, dan geeft hij of zij een ‘JA’ antwoord op vraag 2a: de cliënt behoort niet tot de doelgroep van de pilot loondispensatie. De cliënt ‘valt’ hier buiten de beslistabel, want de pijl leidt tot ‘de cliënt behoort niet tot de doelgroep (bovengrens)’. De cliënt is dus niet aangewezen op het instrument loondispensatie om te participeren in werk. In die gevallen wordt verondersteld dat de cliënt met bestaande re-integratieinstrumenten en voorzieningen aan het werk kan. Voor cliënten die niet voldoen aan een of beide criteria, dient het college vervolgens vraag 2b te beantwoorden.

  • 2. Als het college oordeelt dat de cliënt bij vraag 2b aan alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij een ‘JA’ antwoord op deze vraag: de cliënt behoort niet tot de doelgroep van de pilot Loondispensatie(bovengrens). Voor cliënten die voldoen aan alle criteria van vraag 2b dient het college vervolgens vraag 3 te beantwoorden.

  • 3. Als het college oordeelt dat de cliënt bij vraag 3 aan alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij een ‘JA’ antwoord op deze vraag. De cliënt behoort tot de doelgroep van de pilot en komt in aanmerking voor het instrument loondispensatie. Indien het college oordeelt dat de cliënt niet aan alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij een ‘NEE’ antwoord op deze vraag: de cliënt behoort niet tot de doelgroep van de pilot (ondergrens). In die gevallen wordt verondersteld dat de loonwaarde die de cliënt kan realiseren te laag is om met loondispensatie aan het werk te gaan bij een werkgever.

Ad 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Doel vraag 1:

Vaststellen of de cliënt beperkingen heeft bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Toelichting beleidskader:

Vraag 1 van het toetsingskader heeft betrekking op het begrip ‘beperkingen’. Beperkingen in het kader van de toegangstoets zijn – in de persoon gelegen – moeilijkheden die de cliënt ervaart in het dagelijks leven.

Strikt genomen is het niet van belang vast te stellen welke stoornis (afwijking in of verlies van functies of anatomische eigenschappen) aan de beperkingen ten grondslag ligt. Dit behoort in beginsel niet tot de expertise van het college. Bij deze vraag gaat het om een goed zicht op de belemmeringen die de cliënt in het dagelijkse leven ervaart, pas bij de tweede vraag worden die belemmeringen in de context van werk bezien.

Psychosociale beperkingen duiden op de samenhang tussen het psychisch functioneren van een persoon en diens functioneren in interactie met de sociale omgeving. Het gaat om die situaties waarin sociale problematiek de psychische beperkingen versterkt en situaties waarin de psychische beperkingen extra sociale problematiek met zich meebrengen. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om agressief gedrag, onrustig gedrag en delinquent gedrag, dwangmatig gedrag, extreme teruggetrokkenheid, suïcidaliteit, gezinsproblemen, huiselijk geweld, schuldenproblematiek en verslaving. Voor de beantwoording van deze vraag, is de cliënt veelal de belangrijkste informatiebron. Eventueel kan het college beslissen een deskundige (arts of psycholoog) in te schakelen voor het vaststellen van de aard of de aanwezigheid de beperkingen. Ook andere bronnen (bijvoorbeeld informatie van ketenpartners, bv. UWV/WERKbedrijf) kunnen aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van beperkingen.

Ad 2 [Vervallen per 01-01-2015]

Doel van vraag 2:

Vaststellen of de beperkingen die de cliënt heeft of ervaart consequenties hebben voor de uitvoering van werk, en of deze beperkingen gecompenseerd kunnen worden met bestaande re-integratie-instrumenten dan wel bestaande voorzieningen, zodat de cliënt in staat is zelfstandig het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen.

Toelichting beleidskader:

Een cliënt die bij vraag 2a aan één van beide criteria voldoet wordt in staat geacht 100% van het WML te verdienen.

Indien een cliënt niet voldoet aan één van beide criteria die zijn genoemd bij 2a, maar wel aan alle criteria voldoet die zijn genoemd bij 2b, dan wordt hij/zij in staat geacht 100% WML te verdienen.

Het instrument loondispensatie dient in eerste instantie toegankelijk te zijn voor personen voor wie op basis van objectiveerbare, vaak medische, criteria kan worden vastgesteld dat werken zonder structurele ondersteuning niet mogelijk is.

Voor mensen voor wie dit niet relatief eenvoudig is vast te stellen, kan loondispensatie pas in beeld komen nadat alle andere re-integratie-instrumenten gericht op reguliere uitstroom zijn bezien en/of beproefd.

Soms hebben mensen voldoende aan algemene re-integratie instrumenten gericht op reguliere uitstroom (bijvoorbeeld workfirst, proefplaatsing, training) om tot een ‘normale’ prestatie te komen. Dat dient dan eerst te worden/te zijn geprobeerd, tenzij evident is dat bestaande re-integratieinstrumenten en voorzieningen (artikel 35 respectievelijk 36 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) niet toereikend zullen zijn om de cliënt aan het werk te helpen.

Bij het beantwoorden van de tweede vraag van de beslistabel gaat het meer in het bijzonder over de vraag in hoeverre de geconstateerde beperkingen het zelfstandig functioneren van de cliënt in een arbeidsomgeving in de weg staan. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een functie of functies waarvoor de cliënt in aanmerking komt gezien zijn of haar werkervaring, opleidingsniveau en affiniteit.

Arbeidskansen kunnen klein lijken als gevolg van leeftijd, lage opleiding, geringe motivatie, verbrokkeld arbeidsverleden, ongunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dit mag echter geen rol spelen bij afwegingen en beslissing of de cliënt in aanmerking komt voor loondispensatie en dus tot de doelgroep behoort; het gaat om de aanwezigheid van een of meer beperkingen met als gevolg verminderde productiviteit.

Ad 3 [Vervallen per 01-01-2015]

Doel:

Vaststellen of de cliënt ondanks de beperkingen tenminste 20% van het WML kan verdienen.

Toelichting beleidskader:

In het algemeen speelt bij deze vraag op de achtergrond: als werken met loondispensatie niet mogelijk wordt geacht, dan is arbeid voor de cliënt geen optie meer (hij of zij is aangewezen op zorg- of activeringstraject). Daarom is goede argumentatie van een ‘nee’ op deze vraag van de beslistabel van belang, zeker als de cliënt wel gemotiveerd is om te werken. Bij twijfel dient het college een deskundigenonderzoek te starten.

Bij een persoon die vanwege zijn of haar beperkingen niet in staat is voor 20% van het WML te verdienen, wordt ervan uitgegaan dat het niet waarschijnlijk is dat een werkgever hem of haar zal aannemen. De bijdrage aan het bedrijfsresultaat is dan zo gering en, afhankelijk van de beperking, de aanpassing van het werk relatief zo groot dat dit ook redelijkerwijs niet van een werkgever kan worden verwacht.