Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

Geldend van 12-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 januari 2007, nr. HDPO/RR/AR-29/07, houdende regels met betrekking tot het toekennen van vergoedingen voor en tegemoetkomingen in de noodzakelijk te maken extra kosten die verband houden met de plaatsing van de ambtenaar bij een post in het buitenland (Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007)

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Gelet op de artikelen 13, 36, 41d, 53, 63 en 76 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;

In overeenstemming met de centrales van verenigingen van ambtenaren bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a. RDBZ: het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;

    • b. HDPO: de Hoofddirecteur Personeel en Organisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

    • c. post: een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het RDBZ;

    • d. ambtenaar: een ambtenaar als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ;

    • e. functieniveau: het overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vastgestelde niveau van de functie;

    • f. bruto salaris: het salaris bij een volledige arbeidsduur, vastgesteld overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

    • g. netto salaris: het bruto salaris vermeerderd met de premie voor de Zorgverzekeringswet en verminderd met de wettelijk verplichte inhoudingen waarbij geen rekening is gehouden met persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar;

    • h. partner: de huwelijkspartner, de geregistreerde partner dan wel de levenspartner met wie de ambtenaar zonder huwelijkspartner samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen betreffende die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als partner worden aangemerkt. HDPO kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als hiervoor bedoeld is gesloten;

    • i. tandempartners: twee ambtenaren die elkaars partner zijn, waarbij:

      • 1°. beiden op een standplaats zijn geplaatst en een gezamenlijke huishouding voeren;

      • 2°. beiden in overplaatsing zijn als bedoeld in hoofdstuk 3; dan wel

      • 3°. beiden in Nederland zijn geplaatst;

    • j. eerste tandempartner: de tandempartner die:

      • 1°. is geplaatst in een functie waarvoor een hoger niveau geldt dan voor de functie van zijn partner, dan wel bij gelijke functieniveaus

      • 2°. wordt bezoldigd volgens een hogere salarisschaal dan zijn partner, dan wel bij gelijke salarisschalen

      • 3°. voor wie een hoger bruto salaris geldt dan voor zijn partner, dan wel bij gelijke bruto salarissen

      • 4°. in leeftijd ouder is dan zijn partner;

    • k. tweede tandempartner: de tandempartner die niet als eerste tandempartner wordt aangemerkt;

    • l. afhankelijk kind: een in artikel 2, eerste lid, onder b tot en met d, van het RDBZ bedoeld kind van de ambtenaar dat primair, secundair of tertiair onderwijs volgt dan wel nog te jong is om primair onderwijs te volgen, dan wel jonggehandicapt is als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten mits:

      • 1°. ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel aanspraak daarop zou bestaan indien het kind in Nederland zou wonen;

      • 2°. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het zijn studie in Nederland zou volgen;

      • 3°. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het kind in Nederland zou verblijven.

      Met een afhankelijk kind wordt gelijkgesteld een in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van het RDBZ bedoeld kind van de partner dat deel uitmaakt van de huishouding van de ambtenaar dan wel in het verleden ten minste twee jaar deel heeft uitgemaakt van die huishouding en dat kind overigens voldoet aan de in de aanhef van dit onderdeel gestelde voorwaarden;

    • m. gezinsleden: de partner en de afhankelijke kinderen van de ambtenaar;

    • n. standplaats: de plaats van vestiging van de post waarbij de ambtenaar is geplaatst;

    • o. CBS-bestedingsindex: de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde index betreffende de consumptie van huishoudens, reeks totale bevolking;

    • p. onafhankelijk instituut: de door HDPO aangewezen onafhankelijke deskundige organisatie die belast is met het aanleveren van statische gegevens die de basis vormen voor het vaststellen van vergoedingen, tegemoetkomingen, percentages en budgetten met betrekking tot de kosten van levensonderhoud en werk- en leefomstandigheden van een bij een post geplaatste ambtenaar;

    • q. primair onderwijs: basisonderwijs in Nederland, dan wel daarmee vergelijkbaar onderwijs in het buitenland;

    • r. secundair onderwijs: voltijd voortgezet onderwijs in Nederland op grond waarvan aanspraak bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel daarmee vergelijkbaar onderwijs in het buitenland;

    • s. tertiair onderwijs: een voltijd bacheloropleiding of masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in Nederland, dan wel daarmee vergelijkbaar onderwijs in het buitenland;

    • t. een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs: een in Nederland door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geheel of gedeeltelijk bekostigde instelling of daarmee gelijk te stellen instelling in of buiten Nederland voor primair of secundair onderwijs;

    • u. schooljaar: een aaneengesloten periode van twaalf maanden, beginnende met de maand waarin het ter plaatse gebruikelijke onderwijs aanvangt;

    • v. auto: een personenauto of motorrijwiel;

    • w. boedel: het geheel van alle roerende zaken in eigendom, in bruikleen of in vruchtgebruik van de ambtenaar, zijn partner en zijn afhankelijke kinderen met uitzondering van auto’s.

  • 2 Indien het functieniveau niet is vastgesteld, wordt vóór de plaatsing het functieniveau bepaald dat voor de toepassing van deze regeling gedurende de plaatsingsperiode voor de ambtenaar zal gelden. Het aldus bepaalde functieniveau wordt schriftelijk aan de ambtenaar medegedeeld.

  • 3 Indien het functieniveau gedurende de plaatsingsperiode wordt vastgesteld of gewijzigd, blijft voor de toepassing van deze regeling het functieniveau gelden dat bij het begin van zijn plaatsing voor de ambtenaar gold, tenzij het daarna vastgestelde of gewijzigde functieniveau hoger is, in welk geval het hogere functieniveau zal gelden vanaf de dag waarop dat hogere functieniveau ingaat.

  • 4 Indien meer ambtenaren voor hetzelfde afhankelijk kind een beroep doen op toepassing van deze regeling, wordt degene aangewezen die als enig rechthebbende wordt aangemerkt.

Artikel 2. Overige algemene bepalingen

  • 1 Indien uit andere hoofde een voorziening is of kan worden verkregen ter zake van extra uitgaven en kosten die in deze regeling worden bestreken, bestaat daarvoor geen aanspraak op toepassing van deze regeling.

  • 2 Op grond van deze regeling verstrekte voorzieningen zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.

  • 3 Voor de berekening van vergoedingen over een gedeelte van een maand, wordt de maand op het aantal dagen van die maand gesteld, tenzij anders is bepaald.

  • 5 Indien een vergoeding, tegemoetkoming of inhouding in deze regeling rekenkundig is gerelateerd aan het bruto of netto salaris, is de berekeningsgrondslag het bruto of netto salaris dat op het betaalmoment van de desbetreffende maand van toepassing is. Indien dat salaris nadien met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, wordt de hoogte van de desbetreffende vergoeding, tegemoetkoming of inhouding met inachtneming van het gewijzigde salaris opnieuw vastgesteld.

  • 6 Tenzij in deze regeling anders is vermeld, worden besluiten in het kader van deze regeling namens de Minister van Buitenlandse Zaken genomen door HDPO.

Hoofdstuk 2. Voorzieningen tijdens plaatsing bij een post

§ 1. Aanspraken

Artikel 3. Toepasselijkheid van dit hoofdstuk

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de bij een post geplaatste ambtenaar, indien de duur van de plaatsing bij de aanvang daarvan is bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden, met inachtneming van het tweede lid.

  • 2 Voor tandempartners gelden de volgende afwijkende bepalingen:

    • a. voor de toepassing van de artikelen 8, 9, 18, 24, 26, 27 en 30 tot en met 32 wordt onder ambtenaar verstaan de eerste tandempartner en geldt de tweede tandempartner als partner van de eerste tandempartner;

    • b. voor de toepassing van de artikelen 14 en 34 gelden beide tandempartners als ambtenaar zonder partner.

  • 3 Indien de arbeidsduur van de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post op zijn aanvraag op minder uren wordt vastgesteld dan gemiddeld 36 uur per week, wordt zijn aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 15, 25, derde lid, 30, 33, 34 en 37, naar evenredigheid vastgesteld.

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien aan de ambtenaar voor een deel van zijn arbeidsduur buitengewoon verlof in persoonlijk belang voor langer dan een maand is verleend.

  • 5 Indien buitengewoon verlof in persoonlijk belang dat aanvankelijk is verleend voor een periode van een maand of korter aansluitend wordt verlengd waardoor de totale duur van het buitengewoon verlof meer bedraagt dan een maand, is het derde lid van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het besluit tot verlenging is bekendgemaakt.

Artikel 4. Aanspraken

  • 1

    • a. De aanspraak op de in dit hoofdstuk bedoelde voorzieningen gaat in op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt en eindigt op de dag waarop hij zijn werkzaamheden bij de post beëindigt, tenzij anders is bepaald.

    • b. Indien tussen de dag van eerste aankomst op respectievelijk definitief vertrek van de standplaats en de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt respectievelijk beëindigt een aaneengesloten periode is gelegen waarin de post voor het publiek is gesloten, vangt de onder a bedoelde aanspraak aan respectievelijk eindigt de onder a bedoelde aanspraak op de dag van eerste aankomst op respectievelijk definitief vertrek van de standplaats.

  • 2

    • a. De aanspraak op de in de artikelen 19 tot en met 23, 43, 44 en 48 tot en met 53 bedoelde voorzieningen gaat bij een overplaatsing vanuit Nederland in op een naar billijkheid vast te stellen datum. Deze datum is op zijn vroegst 91 dagen gelegen voor de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt.

    • b. De onder a bedoelde aanspraak loopt door bij een overplaatsing naar een andere post en eindigt bij een overplaatsing naar Nederland en bij beëindiging van het dienstverband. De dag waarop de aanspraak eindigt wordt, tenzij in deze regeling anders is bepaald, daarbij vastgesteld op:

      • 1°. indien het afhankelijk kind primair Nederlandstalig onderwijs volgt: de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt;

      • 2°. in overige gevallen: de dag volgend op het einde van het semester waarin de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt.

§ 2. Tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post

Artikel 5. Tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post; algemeen

  • 1 Indien de werkzaamheden bij de post tijdelijk worden beëindigd vanwege:

    • a. ziekte langer dan drie maanden;

    • b. scholingsverlof langer dan een maand;

    • c. evacuatie; dan wel

    • d. tijdelijke tewerkstelling in Nederland,

    zijn voor de duur van de tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post de artikelen 6 en 7 van toepassing met ingang van de dag waarop die tijdelijke beëindiging aanvangt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing bij een gelijktijdige tijdelijke tewerkstelling van de ambtenaar bij een andere post.

  • 3 Indien de werkzaamheden bij de post tijdelijk worden beëindigd vanwege buitengewoon verlof in persoonlijk belang langer dan een maand, is artikel 3, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post zonder verlaten van de standplaats

Gedurende de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, behoudt de ambtenaar aanspraak op voorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk naar de situatie zoals deze gold direct voorafgaande aan die beëindiging, met dien verstande dat indien de ambtenaar de standplaats niet verlaat:

  • a. de vergoeding passieve representatie, bedoeld in artikel 33, wordt vastgesteld op 30% daarvan;

  • b. de transportvergoeding, bedoeld in artikel 37, wordt vastgesteld op 15% daarvan.

Artikel 7. Tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post met verlaten van de standplaats

  • 1 Gedurende de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, behoudt de ambtenaar aanspraak op voorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk naar de situatie zoals deze gold direct voorafgaande aan die beëindiging, met dien verstande dat indien de ambtenaar de standplaats verlaat:

    • a. de koopkrachtcorrectie op basis van het netto salaris, bedoeld in artikel 10, op nihil wordt vastgesteld;

    • b. de standplaatstoelage, bedoeld in artikel 13, wordt vastgesteld op 85% daarvan;

    • c. de vergoeding huispersoneel, bedoeld in artikel 30, op nihil wordt vastgesteld, met dien verstande dat de werkelijke kosten voor huispersoneel tot ten hoogste het voor hem geldende bedrag zoals vermeld in bijlage B, onder 10, worden vergoed;

    • d. de vergoeding passieve representatie, bedoeld in artikel 33, wordt vastgesteld op 30% daarvan.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid kan worden bepaald dat de ambtenaar voor de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd aanspraak heeft op:

    • a. een tegemoetkoming tijdelijke huisvesting als bedoeld in artikel 68, tenzij aan hem een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 43 wordt toegekend;

    • b. vergoeding van de kosten van het vervoeren van bagage als bedoeld in artikel 59, met dien verstande dat het maximumgewicht voor bagage voor de ambtenaar wordt vastgesteld op 50 kilo, in welk maximum is begrepen het door de luchtvaartmaatschappij toegestane gewicht;

    • c. vergoeding van reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit buitenland voor zover daarop elders door toepassing van deze regeling al geen aanspraak bestaat.

  • 3 Indien de gezinsleden achterblijven op de standplaats wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de koopkrachtcorrectie op basis van het netto salaris, bedoeld in artikel 10, vastgesteld op 50%.

  • 4 Indien een op de standplaats verblijvend gezinslid waarvoor de ambtenaar direct voorafgaande aan een in artikel 5, eerste lid, bedoelde omstandigheid aanspraak heeft op een vergoeding als bedoeld in artikel 14 of 15, met hem meereist kan in aanvulling op het eerste lid worden bepaald dat:

    • a. het voor het gezinslid toegekende deel van de standplaatstoelage, bedoeld in artikel 14 of 15, wordt vastgesteld op 85% daarvan;

    • b. de onderwijskosten, bedoeld in artikel 77, worden vergoed, met dien verstande dat als de wettelijke eigen bijdrage, bedoeld in artikel 19, tweede lid, al op de post is verrekend, deze niet nogmaals op de vergoeding wordt ingehouden;

    • c. de kosten worden vergoed van het vervoeren van bagage als bedoeld in artikel 59, met dien verstande dat het maximale gewicht voor bagage voor de partner respectievelijk afhankelijk kind wordt vastgesteld op 50 kilo, in welk maximum is begrepen het door de luchtvaartmaatschappij toegestane gewicht;

    • d. de reiskosten worden vergoed overeenkomstig het Reisbesluit buitenland voor zover daarop elders door toepassing van deze regeling al geen aanspraak bestaat en vooraf schriftelijk toestemming is gegeven voor de te ondernemen reis.

  • 5 Ingeval van evacuatie worden aan de ambtenaar voor hem en zijn op de standplaats verblijvende gezinsleden waarvoor hij een vergoeding op grond van artikel 14 of 15 ontvangt, tickets verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 57 toegekend voor het traject van de standplaats naar Nederland, tenzij reeds op andere wijze voor rijksrekening in het vervoer wordt voorzien.

§ 3. Koopkrachtgelijkstelling netto salaris

Artikel 8. Huisvesting

  • 1 Indien de ambtenaar gedurende het verblijf op de standplaats tijdelijk niet, nog niet of niet meer over een dienstwoning beschikt, wordt in zijn tijdelijke huisvesting voorzien, passend bij de functie en de gezinssamenstelling van de ambtenaar.

  • 2 In verband met de verstrekking van een dienstwoning of tijdelijke huisvesting wordt maandelijks een bedrag ingehouden op het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald. Dit bedrag, de inhouding huisvesting, betreft een percentage van het netto salaris gelijk aan de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de in de CBS-bestedingsindex opgenomen indexen betreffende huur en huurwaarde.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde percentage is vermeld in bijlage B, onder 1, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.

Artikel 9. Water- en energieverbruik

  • 1 De kosten van water- en energieverbruik betrekking hebbend op een aan de ambtenaar ter beschikking gestelde dienstwoning komen rechtstreeks voor rekening van het rijk.

  • 2 In verband met de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde voorziening wordt maandelijks een bedrag ingehouden op het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald. Dit bedrag, de inhouding water- en energieverbruik, betreft een percentage van het netto salaris, gelijk aan de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de in de CBS-bestedingsindex opgenomen indexen betreffende gas, elektriciteit, vaste en vloeibare brandstoffen, overige kosten verwarming en verlichting, en water.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde percentage is vermeld in bijlage B, onder 2, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.

  • 4 Indien een deel van de in het eerste lid bedoelde kosten veroorzaakt is door als onredelijk aan te merken verbruik, kan het hoofd van de post, dan wel indien het het hoofd van de post zelf betreft, de Directeur Huisvesting Buitenland, naast de in het tweede lid bedoelde inhouding, een naar billijkheid nader vast te stellen bijdrage in de kosten aan de ambtenaar in rekening brengen.

Artikel 10. Koopkrachtcorrectie netto salaris

  • 1 Een bedrag ter grootte van het percentage van het voor de ambtenaar geldende netto salaris dat hij wordt geacht te besteden op de standplaats, wordt gecorrigeerd voor de meer of mindere koopkracht daarvan op de standplaats. Dit percentage is het rekenkundig op een geheel getal afgeronde verschil van het getal 100 en het getal dat volgens de CBS-bestedingsindex het percentage aangeeft van de bestedingen die de ambtenaar wordt geacht in Nederland te doen. Deze bestedingen zijn vermeld in bijlage C, onder 1.

  • 2 Het bedrag van de koopkrachtcorrectie wordt berekend door het in het eerste lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor, bedoeld in artikel 11, en het getal 1. Deze koopkrachtcorrectie netto salaris wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald.

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde percentage is vermeld in bijlage B, onder 3, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.

Artikel 11. Koopkrachtcorrectiefactor

  • 1 Per standplaats wordt een koopkrachtcorrectiefactor vastgesteld overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende index, met dien verstande dat de koopkrachtcorrectiefactor niet hoger zal zijn dan 3,5.

  • 2

    • a. De in het eerste lid bedoelde index wordt door het onafhankelijk instituut berekend aan de hand van het verschil tussen het prijspeil in Nederland en het prijspeil op de standplaats betreffende de bestedingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die de ambtenaar wordt geacht op de standplaats te doen.

    • b. Indien de categorie goederen en diensten bij de meest recent toegekende standaardscore als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, meer punten is toegekend dan het in bijlage B, onder 4, vermelde aantal, wordt door het onafhankelijk instituut voor goederen en diensten die volgens zijn waarneming op de standplaats niet verkrijgbaar zijn, het prijspeil aangehouden van de naar zijn oordeel meest voor de hand liggende plaats van besteding.

  • 3

    • a. De koopkrachtcorrectiefactor wordt per 1 februari van ieder jaar vastgesteld overeenkomstig:

      • 1°. de ontwikkeling van het prijspeil in Nederland;

      • 2°. de ontwikkeling van het prijspeil op de standplaats;

      • 3°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de op de standplaats officieel gangbare valuta;

      • 4°. de ontwikkeling van het aanbod van goederen en diensten op de standplaats;

      • 5°. de ontwikkeling van het prijspeil in of bij de in het tweede lid, onder b, bedoelde meest voor de hand liggende plaats van besteding; en

      • 6°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de in of bij de ten 5° bedoelde plaats van besteding officieel gangbare valuta.

    • b. De koopkrachtcorrectiefactor wordt per 1 augustus van ieder jaar vastgesteld overeenkomstig de onder a, ten 1° tot en met 3°, 5° en 6°, bedoelde ontwikkelingen.

    • c. Indien een zeer aanzienlijke wijziging optreedt in de koopkrachtsituatie op de standplaats kan worden bepaald dat de onder b bedoelde aanpassing bovendien per 1 mei of 1 november plaatsvindt.

  • 4 Onverminderd het derde lid wordt de koopkrachtcorrectiefactor voor de in bijlage C, onder 5, vermelde landen maandelijks per de eerste dag van de maand vastgesteld, met uitzondering van de maanden februari en augustus, overeenkomstig:

    • 1°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de op de standplaats officieel gangbare valuta; en

    • 2°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de in of bij de in het derde lid, onder ten 5°, bedoelde plaats van besteding officieel gangbare valuta.

  • 5 De in bijlage C, onder 5, opgenomen lijst met landen wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente gegevens.

§ 4. Standplaatsgebonden voorzieningen

Artikel 12. Zone-indeling standplaats

  • 1 Elke standplaats is ingedeeld in een zone, overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende indeling. Deze zone-indeling is afhankelijk van:

    • a. de afstand van de standplaats tot Den Haag, uitgedrukt in punten, zijnde de basisindeling:

      1°. tot 650 kilometer:

      1 punt;

      2°. 650 tot 1300 kilometer:

      2 punten;

      3°. 1300 tot 2000 kilometer:

      3 punten;

      4°. 2000 kilometer en meer:

      4 punten,

      met dien verstande dat voor standplaatsen in Australië en Nieuw-Zeeland 5 punten worden toegekend en dat voor standplaatsen met een lager aantal punten dan 3 een extra punt wordt toegekend indien zij niet, of slechts via grote omwegen, over land bereikbaar zijn; en

    • b. de specifieke omstandigheden op de standplaats als bepaald door het onafhankelijk instituut door de aan de in bijlage A, onder 1, opgenomen (sub) categorieën toegekende standaardscore om te zetten in een aantal punten overeenkomstig het gestelde in bijlage A, onder 2, zijnde de correctie op de basisindeling.

  • 2 De som van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde punten geeft aan in welke zone de standplaats is ingedeeld.

  • 3 De zone-indeling is vermeld in bijlage A, onder 4, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente indeling van het onafhankelijk instituut.

  • 4 Indien in het land waarbinnen de standplaats is gelegen een oorlogssituatie of andere extreme omstandigheid ontstaat, wordt het onafhankelijk instituut verzocht om een tussentijdse evaluatie van de omstandigheden op de standplaats. In het geval dat deze tussentijdse evaluatie leidt tot een andere zone-indeling zal deze indeling gelden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de oorlogssituatie of andere extreme omstandigheid ontstond.

Artikel 13. Standplaatstoelage ambtenaar

  • 1 Aan de ambtenaar wordt een standplaatstoelage toegekend ter bestrijding van:

    • a. kosten die het gevolg zijn van de specifieke omstandigheden van en op de standplaats;

    • b. kosten voor het onderhouden van contact met de thuisbasis; en

    • c. uit de overplaatsbaarheid in het algemeen voortvloeiende extra uitgaven.

  • 2 De hoogte van de standplaatstoelage is afhankelijk van de zone waarin de standplaats is ingedeeld en van het voor de ambtenaar geldende functieniveau, en wordt berekend op de volgende wijze:

    X + ((Y-1) x 0,175 x X) = standplaatstoelage, waarbij

    • X staat voor het bij het functieniveau vermelde bedrag in bijlage B, onder 5; en

    • Y voor de zone waarin de standplaats is ingedeeld.

  • 3 De in bijlage B, onder 5, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van de voor het deel ‘huisvesting, water en energie’ geschoonde CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder ambtenaar de eerste tandempartner verstaan. Aan de tweede tandempartner wordt een standplaatstoelage toegekend ter grootte van 55% van de standplaatstoelage van de eerste tandempartner.

Artikel 14. Verhoging standplaatstoelage met partnerdeel

  • 1 Indien de ambtenaar op de standplaats een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner, wordt de standplaatstoelage verhoogd met 70%.

  • 2 Van het voeren van een gezamenlijke huishouding is sprake indien de partner in iedere aaneengesloten periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de partner op de standplaats, ten minste 90 dagen op de standplaats verblijft en deel uitmaakt van het gezin van de ambtenaar.

  • 3 De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde verhoging van de standplaatstoelage vangt aan op de dag van aankomst van de partner op de standplaats en eindigt op de dag dat de partner definitief van de standplaats vertrekt, met dien verstande dat bij definitief vertrek van de standplaats het gestelde in het tweede lid naar rato geldt.

Artikel 15. Verhoging standplaatstoelage met kinddeel

  • 1 Indien een afhankelijk kind van de ambtenaar tot zijn huishouding op de standplaats behoort, wordt zijn standplaatstoelage verhoogd met een percentage van de standplaatstoelage die geldt voor functieniveau 11 op de desbetreffende standplaats. Dit percentage is voor een kind:

    • a. jonger dan twaalf jaar: 12,5% per kind;

    • b. vanaf twaalf jaar: 25,0% per kind.

  • 2 Een afhankelijk kind behoort tot de huishouding van de ambtenaar indien het in iedere aaneengesloten periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van het kind op de standplaats, ten minste 90 dagen op de standplaats verblijft en deel uitmaakt van het gezin van de ambtenaar.

  • 3 De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde verhoging van de standplaatstoelage vangt aan op de dag van aankomst van het kind op de standplaats en eindigt op de dag dat het kind definitief van de standplaats vertrekt, met dien verstande dat bij definitief vertrek van de standplaats het gestelde in het tweede lid naar rato geldt.

Artikel 16. Categorie-indeling standplaats

  • 1 Elke standplaats is ingedeeld in een categorie. Deze indeling geschiedt overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende indeling en is afhankelijk van de mate van lokale verkrijgbaarheid van goederen en diensten, alsmede van de lokale ontspanningsmogelijkheden.

  • 2 De ter zake van deze indeling gehanteerde criteria zijn opgenomen in bijlage A, onder 3, waarbij categorie A staat voor min of meer met Nederland vergelijkbare omstandigheden, categorie B voor omstandigheden die in vergelijking met Nederland tekortschieten en categorie C voor omstandigheden die in vergelijking met Nederland substantieel tekortschieten.

  • 3 De categorie-indeling is vermeld in bijlage A, onder 4, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente indeling van het onafhankelijk instituut.

Artikel 17. Koopkrachtcorrectie standplaatstoelage

  • 1 De standplaatstoelage wordt voor een deel voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde deel is afhankelijk van de categorie waarin de standplaats is ingedeeld en betreft de navolgende percentages daarvan:

    • a. bij categorie A: 50% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 65% respectievelijk 50% wordt gecorrigeerd;

    • b. bij categorie B: 30% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 40% respectievelijk 30% wordt gecorrigeerd;

    • c. bij categorie C: 10% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 15% respectievelijk 10% wordt gecorrigeerd.

  • 3 De koopkrachtcorrectie wordt berekend door de som van de op grond van het tweede lid vastgestelde delen te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1. Een negatieve koopkrachtcorrectie wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald.

Artikel 18. Tegemoetkoming in verband met hotelverblijf

  • 1 Indien de ambtenaar in een geval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, is ondergebracht in een hotel, waaronder niet begrepen een appartementenhotel, wordt hem ingaande de dag van het hotelverblijf een tegemoetkoming in de buitengewone kosten van hotelverblijf toegekend, met inachtneming van het tweede lid.

  • 2 De tegemoetkoming in de kosten van hotelverblijf bedraagt per vol etmaal een percentage van de voor de plaats van verblijf geldende verblijfkostenvergoeding als bedoeld in artikel 10 van het Reisbesluit buitenland juncto artikel 3 van de Reisregeling buitenland. Dit percentage is voor:

    • a. de ambtenaar: 10%;

    • b. de partner: 10%;

    • c. een afhankelijk kind vanaf twaalf jaar: 10%;

    • d. een afhankelijk kind jonger dan twaalf jaar: 5%.

Artikel 19. Primair en secundair onderwijs van een afhankelijk kind; algemeen

  • 1 Kosten die de ambtenaar maakt in verband met het volgen van onderwijs van zijn afhankelijk kind aan een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs worden aan hem vergoed voor zover deze kosten betrekking hebben op:

    • a. door de onderwijsinstelling voorgeschreven entree-, registratie-, inschrijf-, les-, college- en examengeld;

    • b. door de onderwijsinstelling voorgeschreven schoolboeken voor primair of secundair onderwijs;

    • c. een door de onderwijsinstelling voorgeschreven en afgesloten aansprakelijkheidsverzekering;

    • d. door de onderwijsinstelling apart in rekening gebrachte lesvakken in het kader van primair of secundair onderwijs die in Nederland tot het standaard curriculum van door de overheid geheel of gedeeltelijk bekostigde onderwijsinstellingen voor primair of secundair onderwijs behoren.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt een bedrag in mindering gebracht ter grootte van de wettelijke eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn voor het volgen van het overeenkomstige type onderwijs in Nederland. De wettelijke eigen bijdragen zijn, onderscheiden naar onderwijstype, vermeld in bijlage B, onder 6.

  • 3 Indien de ambtenaar en zijn partner vanwege een duurzame ontwrichting van hun relatie geen gezamenlijke huishouding meer voeren dan wel zullen voeren en een afhankelijk kind tot de huishouding van de (gewezen) partner behoort dan wel zonder erkende reden niet bij de ambtenaar op de standplaats verblijft, eindigt de aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding met dien verstande dat:

    • a. indien een afhankelijk kind primair onderwijs volgt, worden vergoed de kosten voor het afronden van het reeds aangevangen schooljaar aan de desbetreffende onderwijsinstelling;

    • b. indien een afhankelijk kind secundair onderwijs volgt, worden vergoed de kosten voor het afronden van het reeds aangevangen secundair onderwijs in de desbetreffende taal.

  • 4 Kosten voor het in Nederland volgen van primair of secundair onderwijs in het Nederlands komen niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 5 Ingeval van gehele of gedeeltelijke restitutie door de onderwijsinstelling van kosten waarvoor de ambtenaar een vergoeding heeft ontvangen, wordt het gerestitueerde bedrag door de ambtenaar terugbetaald aan het rijk.

Artikel 20. Vergoeding kosten van primair en secundair onderwijs

  • 1 Indien een afhankelijk kind op of in de directe nabijheid van de standplaats primair of secundair onderwijs volgt en voor dat kind aanspraak bestaat op een vergoeding als bedoeld in artikel 15, worden vergoed de door een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid.

  • 2 Indien een afhankelijk kind primair of secundair onderwijs volgt en het eerste lid niet van toepassing is, worden vergoed de door de onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, tot ten hoogste de kosten die overeenkomstig artikel 77 vergoed zouden worden indien dat kind in Nederland primair of secundair onderwijs volgt of zou hebben gevolgd.

  • 3 Indien de ambtenaar een vergoeding van internaatskosten als bedoeld in artikel 48 ontvangt die lager is dan het tarief dat is vermeld in bijlage B, onder 16, wordt het in het tweede lid bedoelde maximum van de vergoeding van kosten voor het volgen van primair of secundair onderwijs verhoogd met het verschil tussen de ontvangen vergoeding van internaatskosten en het in bijlage B, onder 16, vermelde tarief.

Artikel 21. Schooltransport

  • 1 De kosten van vervoer van en naar school van een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt, worden aan de ambtenaar vergoed, mits door of namens de onderwijsinstelling in dat vervoer wordt voorzien en het kind tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt per kind een eigen bijdrage in mindering gebracht. De hoogte van die eigen bijdrage is vermeld in bijlage B, onder 7.

  • 3 De in bijlage B, onder 7, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het totaal van de delen ‘vervoer’ en ‘autoverzekeringen’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 Voor het vervoer van een afhankelijk kind dat niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, is artikel 78 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het tweede lid.

Artikel 22. Bijlessen

  • 1 Indien een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt door een wisseling van school als gevolg van een overplaatsing van de ambtenaar bijlessen behoeft in een of meer vakken die behoren tot het curriculum van de onderwijsinstelling op de standplaats, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van het tweede en vierde lid.

  • 2 Om voor vergoeding in aanmerking te komen dienen de bijlessen te worden gegeven door een tot lesgeven in het desbetreffende vak bevoegde persoon of te worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling. Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in bijlage B, onder 8, vermelde bedrag voor de duur van de plaatsing op de standplaats.

  • 3 Het in bijlage B, onder 8, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘onderwijs’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 De aanspraak op een vergoeding als bedoeld in het eerste lid vervalt indien de ambtenaar deze niet heeft aangevraagd binnen twaalf maanden na de dag van aankomst van het kind op de standplaats.

Artikel 23. Lessen in de Nederlandse taal

  • 1 Indien een afhankelijk kind dat niet-Nederlandstalig primair of secundair onderwijs volgt lessen in de Nederlandse taal volgt, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van het tweede lid.

  • 2 Om voor vergoeding in aanmerking te komen dienen de lessen te worden gegeven door een tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegde persoon of te worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling. Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in bijlage B, onder 9, vermelde bedrag per periode van twaalf maanden gedurende welke de lessen worden gevolgd.

Artikel 24. Twaalfmaandelijkse verlofreis naar Nederland

  • 1 Per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, wordt hem een vliegticket of een treinticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor een reis, te ondernemen in die periode van twaalf maanden, van de standplaats naar Nederland vice versa voor hem en zijn gezinsleden waarvoor hij in die periode een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt op grond van de artikelen 14 en 15.

  • 2 Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door de CdP worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van de CdP niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker de CdP zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.

  • 3 Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 30 kilo.

  • 4 Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel of gedeeltelijk met de auto maakt, wordt een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de kortste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen en veerdiensten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor ten hoogste twee auto’s.

  • 5 De in het vierde lid bedoelde vergoeding is niet hoger dan de kosten van aankoop van het in het eerste lid bedoelde ticket, indien dit zou zijn verstrekt. De leeftijd van een afhankelijk kind wordt daarbij bepaald op de leeftijd op de dag waarop de ambtenaar zijn reis vanaf de standplaats aanvangt.

  • 6 Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.

  • 7 Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:

    • a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing; dan wel

    • b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.

Artikel 25. Extra verlof

  • 1 Indien de in artikel 12, eerste lid, onder a, bedoelde basisindeling voor de standplaats vier punten of meer bedraagt, wordt bij een twaalfmaandelijkse verlofreis 14,4 uren extra verlof verleend.

  • 2 Indien de ambtenaar tijdens een twaalfmaandelijkse verlofreis voor dienstredenen het departement bezoekt, wordt eenmalig 7,2 uren extra verlof verleend.

  • 3 Indien de in artikel 12, eerste lid, onder b, bedoelde correctie op de basisindeling zeven punten of meer bedraagt, wordt per punt 4 uren extra verlof verleend per geheel kalenderjaar dat de ambtenaar bij de post is geplaatst.

  • 4 Niet opgenomen extra verlof vervalt:

    • 1°. aan het eind van ieder kalenderjaar waarin het extra verlof is verleend; en

    • 2°. per de dag waarop de ambtenaar definitief van de standplaats vertrekt.

Artikel 26. Verhuizing tijdens plaatsing

  • 1 Indien het hoofd van de post beslist dat de ambtenaar tijdens zijn plaatsing dient te verhuizen naar een andere dienstwoning, komen de kosten van het overbrengen van de boedel naar de nieuwe woning rechtstreeks voor rekening van het rijk, met inachtneming van het derde lid.

  • 2 Ingeval de nieuw te betrekken dienstwoning onvoldoende ruimte biedt om de gehele inboedel daarin onder te brengen, kan het deel dat niet in de dienstwoning kan worden ondergebracht voor rekening van het rijk in opslag worden gegeven, met inachtneming van het derde lid.

  • 3 Ter zake van de maximaal voor rekening van het rijk over te brengen en in opslag te geven volumen en de verzekeringswaarden daarvan gelden dezelfde bepalingen als bij overplaatsing.

Artikel 27. Herinrichtingskosten bij verhuizing tijdens plaatsing

  • 1 Ingeval van een verhuizing als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt de ambtenaar een tegemoetkoming toegekend ter bestrijding van de kosten verbonden aan het verlaten van de oude en het betrekken van de nieuwe dienstwoning.

  • 2 De hoogte van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 35% van het overeenkomstig artikel 70, tweede lid, berekende bedrag.

Artikel 28. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • 1 Ingeval de ambtenaar of een tot zijn huishouding behorend gezinslid in Nederland of een derde land een ingrijpende of langdurige geneeskundige behandeling dient te ondergaan of dient te bevallen, komen ten hoogste de kosten van de reis van de standplaats naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk indien de daartoe aangewezen arts de medische noodzaak van een behandeling of bevalling elders bevestigt.

  • 2

    • a. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid, na advies van de daartoe aangewezen arts, de toestand van de patiënt zodanig is dat overkomst van een of meer gezinsleden wenselijk is, komen ook de aan deze overkomst verbonden reiskosten tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk, voor zover ten behoeve van deze gezinsleden op grond van deze regeling een vergoeding is toegekend.

    • b. Ingeval van een bevalling van de ambtenaar of zijn partner komen naast de in het eerste lid bedoelde reiskosten ook de reiskosten van de partner respectievelijk de ambtenaar en van afhankelijke kinderen jonger dan 13 jaar, tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk, voor zover ten behoeve van deze gezinsleden op grond van artikel 14 respectievelijk artikel 15 van deze regeling een vergoeding is toegekend.

  • 3 Voor de in het eerste lid bedoelde reis wordt een ticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017.

  • 4 Ingeval op de standplaats een epidemie uitbreekt komen de kosten van daarmee verband houdende immunisaties van de ambtenaar, tot zijn huishouding op de standplaats behorende gezinsleden en in zijn dienst zijnde huispersoneelsleden voor rekening van het rijk.

Artikel 29. Overlijden

  • 1 Ingeval de ambtenaar of een tot zijn huishouding op de standplaats behorend gezinslid komt te overlijden komen de volgende kosten, zo mogelijk rechtstreeks, voor rekening van het rijk:

    • a. indien de nabestaanden hulp behoeven bij het afwikkelen van met het overlijden verband houdende formaliteiten: de reiskosten van overkomst van een bijstandverlenende derde tot ten hoogste de kosten van een reis van Nederland naar de standplaats vice versa; en

    • b. de kosten van:

      • 1°. ingeval van een begrafenis of crematie anders dan ter plaatse van het overlijden: het vervoer van het stoffelijk overschot tot ten hoogste de kosten van vervoer van de standplaats naar Den Haag, inclusief de kosten van afleggen, bekisten, bewaring en vrijgifte, alsmede de reiskosten naar deze bestemming vice versa tot ten hoogste de reiskosten naar Nederland vice versa, van gezinsleden voor wie op grond van deze regeling een vergoeding is toegekend; of

      • 2°. ingeval van een begrafenis of crematie ter plaatse van het overlijden: de reiskosten van overkomst vice versa van gezinsleden en bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad tot ten hoogste de kosten, bedoeld ten 1°.

  • 3 In het eerste lid, onder a en onder b, ten 1°, wordt, indien de ambtenaar ten tijde van het overlijden van dienstwege op een andere plaats dan de standplaats verblijft, voor ‘de standplaats’ telkens gelezen: de plaats van overlijden.

§ 5. Functiegebonden voorzieningen

Artikel 30. Vergoeding huispersoneel

  • 1 Ter bestrijding van de kosten voortvloeiend uit het contracteren van huispersoneel in zijn persoonlijke dienst wordt aan de ambtenaar, niet zijnde een hoofd van een post of een plaatsvervangend hoofd van een post voor wie functieniveau 16 of hoger geldt, een vergoeding huispersoneel toegekend.

  • 2 De hoogte van de vergoeding huispersoneel wordt vastgesteld met toepassing van bijlage B, onder 10, overeenkomstig het daarin voor het functieniveau vermelde bedrag.

  • 3 De in bijlage B, onder 10, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het element ‘huishoudelijke diensten’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een lid van zijn huispersoneel een ontslaguitkering of daarmee vergelijkbare uitkering heeft betaald, wordt deze aan hem vergoed voor zover het ter plaatse verplicht of gebruikelijk is deze uitkering te betalen.

Artikel 31. Vergoeding huispersoneel hoofd post of plaatsvervanger functieniveau 16 of hoger

  • 1 Indien een hoofd van een post of een plaatsvervangend hoofd van een post voor wie functieniveau 16 of hoger geldt, voor de functieuitoefening huispersoneel in zijn persoonlijke dienst neemt, worden de hieruit voortvloeiende noodzakelijke kosten aan hem vergoed uit het aan de desbetreffende post ter beschikking gestelde budget.

  • 2 Onder de in het eerste lid bedoelde noodzakelijke kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a. het netto loon, indien de ambtenaar verantwoordelijk is voor afdracht van loonbelasting, dan wel het bruto loon, indien het betrokken lid van het huispersoneel verantwoordelijk is voor afdracht van loonbelasting, tot ten hoogste het ter plaatse gangbare loon voor gelijkwaardige arbeid;

    • b. de lokaal voorgeschreven belastingen, pensioenpremies en socialeverzekeringspremies voor zover de ambtenaar verantwoordelijk is voor de afdracht;

    • c. de kosten van verplichte kleding;

    • d. een vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een lid van het huispersoneel betaalde ontslaguitkering of daarmee vergelijkbare uitkering, voor zover het ter plaatse verplicht of gebruikelijk is deze uitkering te betalen.

Artikel 32. Vergoeding bij overname huispersoneel door opvolger

  • 1 Indien een lid van het huispersoneel dat in persoonlijke dienst is van de ambtenaar, na zijn definitief vertrek van de post in persoonlijke dienst van zijn opvolger wordt genomen, worden de hieruit voortvloeiende noodzakelijke kosten namens de opvolger gedurende de interim-periode vergoed uit het aan de desbetreffende post ter beschikking gestelde budget. De vergoeding wordt toegekend voor een tijdvak van maximaal twee maanden. In bijzondere gevallen kan dit tijdvak worden verlengd.

  • 2 Onder de in het eerste lid bedoelde noodzakelijke kosten worden verstaan: de in artikel 31, tweede lid, onder a en b, genoemde kosten. Onder de in het eerste lid bedoelde interim-periode wordt verstaan: de periode gelegen tussen de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen het betrokken lid van het huispersoneel en de opvolger ingaat, maar niet eerder dan de dag waarop de arbeidsovereenkomst met de voorganger is geëindigd, en de dag waarop de opvolger zijn werkzaamheden bij de post aanvangt.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde kosten worden uitsluitend voldaan voor zover het loon gedurende de interim-periode niet hoger is dan het loon dat voordien voor het betrokken lid van het huispersoneel gold.

Artikel 33. Vergoeding passieve representatie

  • 1 Ter bestrijding van de kosten van passieve representatie wordt een vergoeding passieve representatie toegekend.

  • 2 De hoogte van de vergoeding passieve representatie wordt vastgesteld met toepassing van bijlage B, onder 11, overeenkomstig het voor het functieniveau geldende bedrag, waarbij voor de ambtenaar die de functie van hoofd van een post vervult, het daarbij behorende hogere bedrag geldt.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder de ambtenaar uitsluitend de eerste tandempartner verstaan. Aan de tweede tandempartner wordt een vergoeding passieve representatie toegekend ter grootte van 45% van de vergoeding passieve representatie van de eerste tandempartner.

Artikel 34. Verhoging passieve representatie met partnerdeel

Indien de ambtenaar op de standplaats een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner wordt zijn vergoeding passieve representatie verhoogd met 35%. Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 35. Koopkrachtcorrectie vergoeding passieve representatie

  • 1 Van de vergoeding passieve representatie wordt 25% voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd, met dien verstande dat het deel van die vergoeding dat betrekking heeft op de partner of de tweede tandempartner voor 40% wordt gecorrigeerd.

  • 2 De koopkrachtcorrectie wordt berekend door de som van de op grond van het eerste lid vastgestelde delen te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1. De aldus berekende koopkrachtcorrectie wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling wordt uitbetaald.

Artikel 36. Actieve representatie

Het hoofd van de post bepaalt op welke wijze de aan een post toegewezen middelen voor de bestrijding van de kosten van actieve representatie worden aangewend, met in achtneming van de Beleidsregels vergoeding kosten actieve representatie.

Artikel 37. Transportvergoeding

  • 1 Ter bestrijding van de kosten van met de functie-uitoefening verband houdend vervoer op de standplaats, al dan niet met de eigen auto, wordt een transportvergoeding toegekend.

  • 2 De hoogte van de transportvergoeding wordt vastgesteld met toepassing van bijlage B, onder 12, overeenkomstig het voor het functieniveau geldende bedrag, waarbij voor de ambtenaar die de functie van hoofd van een post vervult het daarbij vermelde hogere bedrag geldt.

  • 4 Ter bestrijding van de kosten van de met de functie-uitoefening verband houdend vervoer met de eigen auto buiten de standplaats wordt een vergoeding toegekend van € 0,28 per kilometer.

Artikel 38. Korting transportvergoeding bij beschikbaarheid dienstauto

Indien de ambtenaar voor met de functie-uitoefening verband houdend vervoer op de standplaats voor ten minste de helft van het aantal af te leggen kilometers gebruik kan maken van een door de dienst ter beschikking gestelde auto wordt een korting op de transportvergoeding toegepast van 50%.

Artikel 39. Taallessen

Indien het wenselijk is dat de ambtenaar lessen volgt in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land van plaatsing komen de kosten daarvan rechtstreeks voor rekening van het rijk, voor zover deze lessen worden gevolgd bij een persoon die tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegd is of een passende onderwijsinstelling.

Artikel 40. Taallessen partners

  • 1 De ambtenaar wordt door het hoofd van de post ten behoeve van zijn partner, zolang deze met de ambtenaar op de standplaats een gemeenschappelijke huishouding voert als bedoeld in artikel 14, tweede en derde lid, een tegemoetkoming toegekend in de kosten van het volgen van taallessen in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land waarin die post is gevestigd, met in achtneming van het tweede tot en met vierde lid.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming geldt voor taallessen die worden gevolgd bij een persoon die tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegd is of een passende onderwijsinstelling en bedraagt per plaatsing bij een post ten hoogste het in bijlage E genoemde bedrag, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de taal waarvoor door de partner lessen worden gevolgd. Op het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in mindering gebracht een tegemoetkoming die op grond van artikel 73 voor het volgen van lessen in die taal tijdens de overplaatsingsperiode is toegekend.

  • 3 De tegemoetkoming wordt niet later aangevraagd dan twaalf maanden na de datum waarop de partner op de standplaats is aangekomen.

  • 4 Een partner die de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, kan lessen Nederlands volgen, naast lessen in een in het eerste lid bedoelde taal. Daarbij is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41. Reis- en verblijfkosten bij dienstreizen

  • 1 Ter zake van de vergoeding van reis- en verblijfkosten bij een dienstreis in het buitenland is het Reisbesluit buitenland van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor een dergelijke reis een ticket wordt verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 en in afwijking van het Reisbesluit buitenland:

    • a. de standplaats als uitgangspunt wordt genomen;

    • b. indien per eigen auto wordt gereisd, een vergoeding van € 0,28 per kilometer wordt toegekend; en

    • c. voor de vergoeding van kosten voor verlies, diefstal of beschadiging van bagage als bedoeld in artikel 6 van de Reisregeling buitenland, een maximum geldt van € 4.000,– waaronder begrepen een bedrag van € 500,– voor verlies of diefstal van geld of geldswaardige papieren.

  • 2 Ter zake van de vergoeding van verblijfkosten bij een dienstreis naar Nederland is het Reisbesluit binnenland van overeenkomstige toepassing voor de tijd doorgebracht in Nederland, met dien verstande dat indien niet een bewijsstuk kan worden overgelegd waaruit blijkt dat logieskosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid, de vergoeding voor logieskosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 11,34 per overnachting tot een maximum van vier overnachtingen per dienstreis.

§ 6. Voorzieningen in verband met een niet op de standplaats verblijvende partner

Artikel 42. Criteria voor aanspraak

  • 1 Op de in de artikelen 43, 44 en 53 bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar die vanwege een erkende reden geen gezamenlijke huishouding voert met zijn partner.

  • 2 Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien:

    • a. een afhankelijk kind dat de leeftijd van 20 jaar nog niet heeft bereikt de zorg behoeft van de partner en dat kind:

      • 1°. op de vorige standplaats is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;

      • 2°. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;

      • 3°. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs; dan wel

      • 4°. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie verblijf op de standplaats niet toelaten;

    • b. de partner niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een verblijf op de standplaats niet toelaten.

  • 3 Een tandempartner die, in opdracht van HDPO dan wel vanwege een erkende reden, op de standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats heeft, indien deze situatie ten minste zes maanden voortduurt, aanspraak op de voorziening, bedoeld in artikel 53.

Artikel 43. Kosten van dubbele huishouding bij gescheiden gezinssituatie

  • 1 Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, in Nederland of een ander niet in het tweede lid bedoeld land verblijft, wordt een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding toegekend ter grootte van een percentage van het voor hem geldende netto salaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in bijlage C, onder 2, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex.

  • 2 Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, is achtergebleven op de vorige standplaats, dan wel vooruit is gereisd naar de volgende standplaats, wordt:

    • a. een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding toegekend ter grootte van een percentage van het voor de ambtenaar geldende netto salaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in bijlage C, onder 3, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex; en

    • b. een deel van de onder a bedoelde tegemoetkoming voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd, welk deel gelijk is aan een percentage van het geldende netto salaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in bijlage C, onder 4, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex. De koopkrachtcorrectie wordt berekend door het voor koopkrachtcorrectie in aanmerking komende deel te vermenigvuldigen met het verschil van de voor de verblijfplaats van de partner geldende koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1.

  • 3 De in het eerste lid en in het tweede lid, onder a en b, bedoelde percentages zijn vermeld in bijlage B, onder 13 en 14 respectievelijk 15, en worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente relevante gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.

Artikel 44. Overige kosten van dubbele huishouding bij gescheiden gezinssituatie

  • 1 Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, in Nederland is achtergebleven, wordt een tegemoetkoming in de woonlasten als bedoeld in artikel 76 toegekend.

  • 2 Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, is achtergebleven op de vorige standplaats, dan wel vooruit is gereisd naar de volgende standplaats:

    • a. wordt voor een periode van ten hoogste zes maanden tevens toegekend:

      • 1°. het partnerdeel van de standplaatstoelage die zou zijn verleend indien de ambtenaar als standplaats had waar zijn partner verblijf houdt, alsmede de daarvoor geldende koopkrachtcorrectie standplaatstoelage; en

      • 2°. het partnerdeel van de vergoeding passieve representatie die zou zijn verleend indien de ambtenaar als standplaats had waar zijn partner verblijf houdt, alsmede de daarvoor geldende koopkrachtcorrectie vergoeding passieve representatie;

    • b. zijn artikel 8, eerste lid, en artikel 18 van overeenkomstige toepassing op de vooruit gereisde of achtergebleven partner, met dien verstande dat indien in de huisvesting van de partner wordt voorzien lastens het rijk:

      • 1°. eventueel ter zake van de huisvesting apart in rekening gebrachte kosten van water- en energieverbruik voor rekening van het rijk komen, met inachtneming van artikel 9, vierde lid;

      • 2°. op de tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding, bedoeld in artikel 43 tweede lid, een bedrag wordt ingehouden ter grootte van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde inhouding huisvesting;

      • 3°. op de tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding, bedoeld in artikel 43, tweede lid, een bedrag wordt ingehouden ter grootte van de in artikel 9 bedoelde inhouding water- en energieverbruik.

Artikel 45

(Vervallen.)

Artikel 46. Herenigingsreis partner

  • 1 Aan de ambtenaar wiens partner vanwege een andere dan een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, niet op de standplaats verblijft, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden door middel van het verstrekken van een ticket overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor een reis in voornoemde periode, met inachtneming van het tweede tot en met het zesde lid.

  • 2 Het ticket heeft betrekking op het traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel van de standplaats naar die vaste verblijfplaats.

  • 3 De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.

  • 6 Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het vijfde lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.

§ 7. Voorzieningen in verband met niet op de standplaats verblijvende kinderen

Artikel 47. Criteria voor aanspraak

  • 1 Op de in de

    artikelen 48 tot en met 52 bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind vanwege een erkende reden niet tot zijn huishouding behoort.

  • 2 Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:

    • a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;

    • b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;

    • c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs;

    • d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een verblijf op de standplaats niet toelaten.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:

    • a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of

    • b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en de verzorging van dat kind niet in het bijzonder aan de ambtenaar is opgedragen.

  • 4

    • a. Op de in artikel 53 bedoelde voorziening heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind niet tot zijn huishouding behoort.

    • b. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing indien het kind voortkomt uit een eerder huwelijk of een eerdere andere relatie, mits het kind overigens voldoet aan één van de in artikel 1, onder l, 1° tot en met 3°, genoemde voorwaarden.

  • 5 De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 17 bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:

    • a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 44, tweede lid, en het kind bij zijn partner verblijft; of

    • b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.

Artikel 48. Internaatskosten

  • 1 Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 47, tweede lid, in een internaat verblijft, worden de ter zake van het verblijf door het internaat in rekening gebrachte kosten aan de ambtenaar vergoed, voor zover het kind de leeftijd van 20 jaar nog niet heeft bereikt en secundair onderwijs volgt en met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid en artikel 52.

  • 2 De vergoeding van internaatskosten bedraagt voor een schooljaar ten hoogste het bedrag van het door het Renswoudehuis te Den Haag voor dat schooljaar vastgestelde internaatstarief, welk tarief is vermeld in bijlage B, onder 16. Indien de ambtenaar een vergoeding voor de kosten van het volgen van primair of secundair onderwijs ontvangt die lager is dan de in artikel 77, eerste tot en met derde lid, bedoelde voor het kind geldende maximum vergoeding, wordt het in de eerste volzin bedoelde maximum van de vergoeding van internaatskosten verhoogd met het verschil tussen de ontvangen vergoeding voor de kosten van het volgen van primair of secundair onderwijs en de in artikel 77, eerste tot en met derde lid, bedoelde maximum vergoeding.

  • 3 Ingeval van gehele of gedeeltelijke restitutie door het internaat van kosten waarvoor de ambtenaar een vergoeding heeft ontvangen, wordt het gerestitueerde bedrag door de ambtenaar terugbetaald aan het rijk.

  • 4 Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een internaat, tenzij de ambtenaar is gescheiden en als enige de voogdij heeft over het niet op de standplaats verblijvende kind.

Artikel 49. Kosten van verblijf in een gastgezin

  • 1 Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 47, tweede lid, in een gastgezin verblijft, wordt aan de ambtenaar een tegemoetkoming toegekend met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid en artikel 52.

  • 2 Onder gastgezin wordt niet verstaan de huishouding van de partner, van een gewezen partner of van een ander afhankelijk kind van de ambtenaar of zijn (gewezen) partner.

  • 3

    • a. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt voor kinderen die tertiair onderwijs volgen het in bijlage B, onder 17, vermelde bedrag per maand en voor overige kinderen het in bijlage B, onder 18, vermelde bedrag per maand.

    • b. De onder a bedoelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het totaal van de delen ‘voedingsmiddelen & alcoholvrije dranken, alcoholhoudende dranken & tabak’ en ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat het kind het verblijf in een gastgezin aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind het verblijf in een gastgezin definitief heeft beëindigd.

  • 5 Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin, tenzij de ambtenaar is gescheiden en als enige de voogdij heeft over het niet op de standplaats verblijvende kind.

Artikel 50. Tegemoetkoming kosten ingeval van zelfstandige huisvesting

  • 1 Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 47, tweede lid, zelfstandig is gehuisvest, wordt aan de ambtenaar een tegemoetkoming in de kosten daarvan toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2 Van zelfstandig gehuisvest zijn is sprake indien het kind woont:

    • a. in een gehuurde kamer, voor zover deze zich niet bevindt in de woning van de partner, van een gewezen partner of van een afhankelijk kind van de ambtenaar of van zijn (gewezen) partner;

    • b. op de campus van de instelling waarbij het kind onderwijs volgt;

    • c. in een appartement of andere woning;

    • d. in andere als zelfstandig aangemerkte huisvesting.

  • 3

    • a. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt het in bijlage B, onder 19, vermelde bedrag per kind per maand.

    • b. Het onder a bedoelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat de zelfstandige huisvesting van het kind aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind de zelfstandige huisvesting definitief heeft beëindigd.

  • 5 Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting, tenzij de ambtenaar is gescheiden en als enige de voogdij heeft over het niet op de standplaats verblijvende kind.

Artikel 51. Overige verblijfkosten

  • 1 Indien voor een afhankelijk kind een tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin of een tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting is toegekend, wordt voor dat kind eveneens een tegemoetkoming toegekend in de aan het aanhouden van dubbele inrichting verbonden kosten.

  • 2

    • a. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt het in bijlage B, onder 20, vermelde bedrag per maand. Toekenning geschiedt tijdsevenredig met de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin respectievelijk tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting.

    • b. Het onder a bedoelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘stoffering, huishoudelijke apparaten en dagelijks onderhoud van de woning’ geschoond voor het element ‘goederen en diensten dagelijks onderhoud woning’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

Artikel 52. Relatie met kinderbijslag en studiefinanciering

  • 1 Indien voor een afhankelijk kind een vergoeding van internaatskosten of een tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin is toegekend, wordt daarop per kind een bedrag in mindering gebracht. Dit bedrag bedraagt:

    • a. indien studiefinanciering wordt ontvangen: de bedragen, genoemd in bijlage B, onder 26. Deze bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op grond van het verschil tussen de studiefinanciering zoals die geldt voor uitwonende en thuiswonende studenten;

    • b. indien kinderbijslag wordt ontvangen: de bedragen, genoemd in bijlage B, onder 27. Deze bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van het verschil in kinderbijslag tussen een uitwonend en een thuiswonend kind.

  • 2 De vermindering vindt tijdsevenredig plaats met de periode waarop de toekenning van de vergoeding internaatskosten of de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin betrekking heeft.

Artikel 53. Gezinshereniging

  • 1 Aan de ambtenaar wiens partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, of afhankelijk kind niet op de standplaats verblijft, wordt ten behoeve van die partner of dat kind de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het per periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, verstrekken aan de ambtenaar van ten hoogste het aantal tickets overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 dat nodig is om zijn in het eerste lid bedoelde gezinsleden in staat te stellen hem in die periode eenmaal te bezoeken. De tickets kunnen uitsluitend betrekking hebben op het traject van de vaste verblijfsplaats(en) van bedoelde gezinsleden naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats(en).

  • 3 De aanspraak op tickets vervalt zes maanden na afloop van de desbetreffende periode van zes maanden.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van een van de in het eerste lid bedoelde gezinsleden of de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 5

    • a. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien binnen de desbetreffende periode van zes maanden:

      • 1°. de plaatsing wordt of is beëindigd;

      • 2°. het betrokken kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is of zal zijn.

    • b. Artikel 24, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6 In een geval als bedoeld in artikel 1, vierde lid, kan de als enig rechthebbende aangemerkte ouder afstand doen van de aanspraak op een gezinsherenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.

  • 7 Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema's, kan worden besloten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.

Hoofdstuk 3. Voorzieningen bij overplaatsing

§ 1. Aanspraken

Artikel 54. Toepasselijkheid van dit hoofdstuk

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar:

    • a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; of

    • b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.

  • 3 De aanspraak op de in de artikelen 57 tot en met 59 bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien de in artikel 57 bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.

  • 4 De aanspraak op de in de artikelen 61 tot en met 65 bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 60, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan.

Artikel 55. Beëindiging plaatsing in verband met bijzondere omstandigheden

  • 1 Ingeval van ontslag, anders dan eervol, alsmede indien de plaatsing op de standplaats binnen de plaatsingsduur uitsluitend om persoonlijke redenen wordt beëindigd, al dan niet in samenhang met ontslag op eigen verzoek, kan worden bepaald dat:

    • a. aan de ambtenaar en tot zijn huishouding op de standplaats behorende gezinsleden de in artikel 57 bedoelde voorziening geheel of gedeeltelijk niet wordt verstrekt;

    • b. de ambtenaar de kosten van het transport van zijn boedel en auto geheel of gedeeltelijk zelf dient te dragen; of

    • c. de ambtenaar geheel of gedeeltelijk geen tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting of herinrichtingskosten als bedoeld in de artikelen 68 tot en met 70 wordt toegekend.

  • 2 In het in het eerste lid bedoelde geval wordt rekening gehouden met alle omstandigheden, waaronder de duur van de periode waarin de ambtenaar bij de desbetreffende post werkzaam is geweest.

Artikel 56. Wijziging samenstelling huishouding

  • 1 Indien de (gewezen) partner of een met die (gewezen) partner meeverhuizend afhankelijk kind de standplaats verlaat, kan worden bepaald dat aan de ambtenaar ten behoeve van die (gewezen) partner of dat kind op een ander tijdstip dan bedoeld in artikel 54, eerste lid, een voorziening wordt verstrekt als bedoeld in artikel 57 voor een reis tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland.

  • 2 Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 47, tweede lid, de standplaats verlaat en het eerste lid niet van toepassing is, kan worden bepaald dat aan de ambtenaar ten behoeve van dat kind op een ander tijdstip dan bedoeld in artikel 54, eerste lid, een voorziening wordt verstrekt als bedoeld in artikel 57 voor een reis naar de plaats van vestiging van de onderwijsinstelling van het kind tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland.

  • 3 Indien een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid is verstrekt, wordt in de resterende periode van de plaatsing van de ambtenaar bij de desbetreffende post of bij de beëindiging van deze plaatsing, niet nogmaals een dergelijke voorziening verstrekt.

§ 2. Overplaatsingsreis

Artikel 57. Overplaatsingsreis

  • 1 Voor een reis die in verband met een in artikel 54, eerste lid, bedoelde omstandigheid wordt gemaakt, worden aan de ambtenaar ten behoeve van hem en zijn gezinsleden waarvoor hij op grond van de artikelen 14 en 15 een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt, tickets verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor het reistraject naar:

    • a. Nederland ingeval van overplaatsing van een post naar Nederland;

    • b. de volgende standplaats ingeval van overplaatsing van Nederland naar een post;

    • c. de volgende standplaats via Nederland ingeval van overplaatsing van een post naar een andere post, tenzij anders wordt beslist;

    • d. Nederland ingeval de plaatsing bij een post eindigt door beëindiging van het dienstverband, tenzij anders wordt beslist.

    De reiskosten in het land van bestemming dan wel herkomst betrekking hebbend op het traject van en naar de luchthaven respectievelijk het station worden vergoed op basis van € 0,28 per kilometer als de reis met de auto wordt gemaakt dan wel van de werkelijke kosten als de reis op andere wijze wordt gemaakt, met dien verstande dat als Nederland het land van bestemming dan wel herkomst is vergoeding van die kosten binnen Nederland plaatsvindt overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van de ambtenaar of een van zijn in het eerste lid bedoelde gezinsleden de reis geheel of gedeeltelijk met een auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereden kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt ten hoogste betreft het traject tussen:

    • a. indien de reis tussen de vorige standplaats en de volgende standplaats geheel per auto wordt afgelegd: de vorige en de volgende standplaats;

    • b. voor zover de reis tussen de vorige standplaats en Nederland per auto wordt afgelegd: de vorige standplaats en Den Haag;

    • c. voor zover de reis tussen Nederland en de volgende standplaats per auto wordt afgelegd: Den Haag en de volgende standplaats.

  • 3 Indien de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, maar wel tot zijn huishouding op de volgende standplaats zal gaan behoren, wordt ten behoeve van de partner overeenkomstig het eerste en tweede lid een ticket verstrekt, dan wel een vergoeding van reiskosten toegekend, tot ten hoogste het traject van Den Haag naar de volgende standplaats van de ambtenaar.

  • 4 Indien een afhankelijk kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, maar wel tot zijn huishouding op de volgende standplaats zal gaan behoren, wordt ten behoeve van dat kind een ticket verstrekt, dan wel een vergoeding van reiskosten toegekend, tot ten hoogste het traject:

    • a. indien het kind onderwijs volgt buiten Nederland en de kosten van dat onderwijs op grond van deze regeling worden vergoed: van de verblijfplaats van het kind naar de volgende standplaats van de ambtenaar;

    • b. in overige gevallen: van Den Haag naar de volgende standplaats van de ambtenaar.

Artikel 58. Reiskosten ambtenaar en gezinslid [Vervallen per 06-04-2012]

Artikel 59. Bagage

Indien voor de overplaatsingsreis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 40 kilo.

§ 3. Verhuizing

Artikel 60. Begripsomschrijving

Onder het transport of het overbrengen van de boedel wordt mede begrepen:

  • a. het in- en uitpakken van de boedel;

  • b. de noodzakelijke tijdelijke opslag van de ingepakte boedel direct voorafgaand aan en direct volgend op het transport daarvan;

  • c. het afleveren van de boedel op een adres in Nederland.

Artikel 61. Bij overplaatsing over te brengen boedel

  • 1 De boedel van de ambtenaar die in overplaatsing is, wordt getransporteerd over zee of over land naar zijn nieuwe standplaats of naar Nederland.

  • 2 Indien de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post in een niet door het rijk ingerichte dienstwoning is of wordt gehuisvest, vindt het transport plaats in een 40 voet container dan wel, indien de omvang van de boedel dit toelaat, in een 20 voet container.

  • 3 Indien de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post in een door het rijk ingerichte dienstwoning is of wordt gehuisvest, vindt het transport plaats in een 20 voet container.

  • 4 In bijzondere gevallen, ter beoordeling van HDPO, kan in afwijking van het eerste lid, het transport van de boedel door de lucht plaatsvinden. In dat geval wordt ten hoogste 30 m3 boedel getransporteerd met een maximum gewicht van 167 kilogram per m3 boedel.

  • 5 De ambtenaar die tijdens zijn plaatsing bij een post in een niet door het rijk ingerichte dienstwoning is gehuisvest en bij zijn vervolgplaatsing in een door het rijk ingerichte dienstwoning wordt gehuisvest, maakt naast het in het derde lid bedoelde transport van de boedel aanspraak op transport van het restant van de boedel naar Nederland in een 20 voet container.

  • 6 De ambtenaar die tijdens zijn plaatsing bij een post in een door het rijk ingerichte dienstwoning is gehuisvest en bij zijn vervolgplaatsing in een niet door het rijk ingerichte dienstwoning wordt gehuisvest, maakt naast het in het derde lid bedoelde transport van de boedel aanspraak op transport van boedel vanuit Nederland naar de nieuwe standplaats in een 20 voet container.

  • 7 Op verzoek van de ambtenaar die wordt geplaatst bij een post met zware klimatologische omstandigheden die is opgenomen in bijlage D, onder 1, wordt ten hoogste 2 m3 van tot zijn boedel behorende kostbaarheden die niet goed bestand zijn tegen die omstandigheden over zee of over land naar Nederland getransporteerd.

  • 8 Op verzoek van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in het zevende lid bedoelde mogelijkheid, wordt bij zijn vervolgplaatsing bij een post de in het zevende lid bedoelde boedel over zee of over land naar de nieuwe standplaats getransporteerd.

  • 9 Het transport geschiedt door of in opdracht van een door HDPO aangewezen organisatie op in beginsel de voor het rijk meest economische wijze.

  • 10 De ambtenaar die met de in het negende lid bedoelde organisatie afspreekt meer boedel te transporteren of de boedel op andere wijze of volgens een andere route te transporteren dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak maakt, voldoet de daarmee verband houdende meerkosten rechtstreeks aan die organisatie.

  • 11 Voor de toepassing van dit artikel kan bij vervoer over land voor een 40 voet container en een 20 voet container ook worden gelezen een verhuiscombinatie met de capaciteit van ten minste een 40 voet container respectievelijk een 20 voet container.

Artikel 62. Tussentijdse wijziging van de gezamenlijke huishouding

  • 1 Indien het aantal personen met wie de ambtenaar op de standplaats gezamenlijk een huishouding voert tussentijds wijzigt, maakt hij in de volgende gevallen en tot ten hoogste het daarbij aangegeven volume aanspraak op transport van de boedel:

    • a. bij geboorte van een afhankelijk kind of aankomst van een afhankelijk kind jonger dan 1 jaar op een standplaats die is opgenomen in bijlage D, onder 2, naar de keuze van de ambtenaar: vanuit Nederland 4 m3 boedel vervoerd over zee of over land dan wel 2 m3 boedel vervoerd door de lucht;

    • b. bij aankomst op of definitief vertrek van de standplaats van een afhankelijk kind van 1 jaar of ouder of van de partner: vanuit respectievelijk naar Nederland 2 m3 boedel vervoerd over zee of over land dan wel, in bijzondere gevallen ter beoordeling van HDPO, door de lucht.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt op verzoek van de ambtenaar die bij zijn verhuizing naar de standplaats aanspraak maakte op transport van de boedel in een 40 voet container, ten behoeve van zijn definitief van de standplaats vertrekkende partner dan wel partner met één of meer afhankelijke kinderen een deel van de boedel in een 20 voet container naar Nederland getransporteerd. De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid, maakt bij zijn definitief vertrek van de post, in afwijking van artikel 61, tweede lid, nog slechts aanspraak op transport over zee of over land van de resterende boedel in een 20 voet container.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt op verzoek van de ambtenaar wiens boedel bij zijn verhuizing naar de standplaats voor rijksrekening door de lucht is getransporteerd, ten behoeve van zijn definitief van de standplaats vertrekkende partner dan wel partner met één of meer afhankelijke kinderen maximaal 15 m3 boedel met een maximum gewicht van 167 kilogram per m3 boedel door de lucht naar Nederland getransporteerd. De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid, maakt bij zijn definitief vertrek van de post, in afwijking van artikel 61, vierde lid, nog slechts aanspraak op transport door de lucht van het resterende deel van het in dat lid genoemde maximale volume van de boedel.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien de resterende duur van de plaatsing zes maanden of korter is.

Artikel 63. In opslag te geven boedel

  • 1 De boedel van de ambtenaar wordt voor de duur van zijn plaatsing bij een post door of in opdracht van een door HDPO aangewezen organisatie in Nederland op de voor het rijk meest economische wijze opslagen tot een volume van ten hoogste:

    • a. bij verhuizing van de boedel voor rijksrekening over zee of over land met gebruik van een 40 voet container: 10 m3;

    • b. bij verhuizing van de boedel voor rijksrekening over zee of over land met gebruik van een 20 voet container:

      • 1°. naar een niet van rijkswege ingerichte dienstwoning: 30 m3;

      • 2°. naar een van rijkswege ingerichte dienstwoning: 40 m3;

    • c. bij verhuizing van de boedel voor rijksrekening door de lucht: 40 m3.

  • 2 De boedel van de ambtenaar die naar Nederland is overgeplaatst wordt voor de duur van zijn verblijf in Nederland maar uiterlijk tot zes jaar na de dag van zijn aankomst in Nederland, door of in opdracht van een door HDPO aangewezen organisatie in Nederland op de voor het rijk meest economische wijze opslagen tot een volume van ten hoogste 10 m3.

  • 3 Indien tijdens het verblijf in Nederland komt vast te staan dat de ambtenaar niet meer voor een periode langer dan twaalf maanden bij een post zal worden geplaatst, kan door HDPO naar billijkheid een datum worden vastgesteld waarop de in het tweede lid bedoelde aanspraak voortijdig eindigt.

  • 4 De opslag van de boedel dient binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na aflevering van de boedel in Nederland te zijn gerealiseerd. Kosten als gevolg van het nadien wijzigen van de in opslag gegeven boedel voldoet de ambtenaar rechtstreeks aan de in het eerste lid bedoelde organisatie.

  • 5 De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar zijn gehele in opslag gegeven boedel in één keer op een adres in Nederland laat afleveren en hij op dat moment naar verwachting nog ten minste twee jaar aanspraak zou kunnen maken op opslag van de boedel.

  • 6 De ambtenaar die met de in het eerste lid bedoelde organisatie afspreekt meer boedel op te slaan of op andere wijze boedel op te slaan of meer wijzigingen aan te brengen in de boedel dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak heeft, voldoet de daarmee verband houdende kosten rechtstreeks aan die organisatie.

Artikel 64. Transport auto voor rijksrekening

  • 1 Indien de rechtstreekse reisroute tussen de vorige en de nieuwe standplaats over land of over zee gemeten 2000 kilometer of meer bedraagt, wordt de auto van de ambtenaar die in overplaatsing is of van een tot zijn huishouding behorend gezinslid op diens verzoek tezamen met de boedel door of in opdracht van de door HDPO aangewezen organisatie op de voor het rijk meest economische wijze getransporteerd en worden de inklaringskostenvoor rijksrekening genomen.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde reisroute minder dan 2000 kilometer bedraagt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien het met de auto afleggen van die reisroute om veiligheidsredenen of om andere bijzondere redenen, ter beoordeling van HDPO, niet in redelijkheid van de ambtenaar gevergd kan worden.

  • 3 Indien in een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid de auto elders is aangeschaft, worden de kosten van transport van de auto naar de nieuwe standplaats, de kosten van verzekering tijdens het transport en de inklaringskosten aan de ambtenaar vergoed tot ten hoogste de meerkosten die voor rijksrekening zouden zijn gekomen indien de auto tezamen met de boedel zou zijn getransporteerd overeenkomstig het eerste lid.

  • 4 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij een overplaatsing van of naar Nederland.

Artikel 65. Transport- en opslagverzekering boedel en auto

  • 1 De in de artikelen 61 tot en met 63 bedoelde boedel wordt door HDPO ten behoeve van de ambtenaar voor de vervangingswaarde tot ten hoogste het in bijlage D, onder 3, sub a, vermelde bedrag per m3 verzekerd tegen schade, verlies en diefstal tijdens:

    • a. het transport naar de volgende standplaats of naar Nederland;

    • b. de direct daaraan voorafgaande of daaropvolgende tijdelijke opslag;

    • c. de opslag in Nederland.

  • 2 De in artikel 64, eerste lid, bedoelde auto wordt door HDPO ten behoeve van de ambtenaar verzekerd tegen schade, verlies en diefstal tijdens het transport naar de volgende standplaats of naar Nederland overeenkomstig de polisvoorwaarden van de door HDPO aangewezen verzekeringsmaatschappij. Verzekerd is het door de ambtenaar blijkens een aankoopfactuur voor de auto betaalde bedrag tot ten hoogste het in bijlage D, onder 3, sub b, vermelde bedrag.

  • 3 De ambtenaar die met de in het tweede lid bedoelde verzekeringsmaatschappij afspreekt zijn boedel of zijn auto voor een hoger bedrag of tegen andere voorwaarden te verzekeren dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak maakt, voldoet de daarmee verband houdende kosten rechtstreeks aan die maatschappij.

  • 4 Het in bijlage D, onder 3, sub b, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het element ‘aankoop voertuigen’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.

Artikel 66

(Vervallen.)

Artikel 67. Door de ambtenaar te dragen kosten verband houdende met de verhuizing

De ambtenaar draagt alle kosten voortvloeiende uit:

  • a. een bijzondere behandeling bij de verpakking, het transport of de aflevering van goederen die niet kunnen worden gerekend tot gangbare boedel voor ambtenaren;

  • b. vertraging van het transport van de boedel, waarin begrepen de in- of uitklaring, indien die vertraging wordt veroorzaakt door het zich in de boedel bevinden van goederen:

    • 1°. die niet op de inhoudsopgave staan;

    • 2°. waarvan de uitvoer, doorvoer of invoer is verboden;

    • 3°. waarvoor door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden;

  • c. vertraging van het transport van de auto, waarin begrepen de in- of uitklaring, indien de vertraging wordt veroorzaakt doordat:

    • 1°. door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden;

    • 2°. de technische specificaties van de auto niet voldoen aan de wettelijke eisen die worden gesteld in het land van bestemming;

    • 3°. zich daarin goederen bevinden als bedoeld onder b.

§ 4. Overige voorzieningen tijdens overplaatsing

Artikel 68. Tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting

  • 1 Aan de in overplaatsing zijnde ambtenaar wordt in de overplaatsingsperiode een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid.

  • 2 De in het eerste lid genoemde overplaatsingsperiode betreft het volgende tijdvak:

    • a. bij overplaatsing van een post naar een post: vanaf de dag volgende op de dag waarop de werkzaamheden bij de post worden beëindigd tot de dag waarop de werkzaamheden bij de volgende post worden aangevangen, met een maximum van 42 opeenvolgende dagen;

    • b. bij overplaatsing van Nederland naar een post: vanaf de dag waarop de ambtenaar zijn woning heeft verlaten, tot de dag van vertrek vanuit Nederland, met een maximum van 21 opeenvolgende dagen;

    • c. bij overplaatsing van een post naar Nederland dan wel indien het dienstverband is of wordt beëindigd: vanaf de dag waarop de ambtenaar van de standplaats vertrekt tot de dag waarop de boedel is afgeleverd in een woning, anders dan ter tijdelijke huisvesting, met een maximum van 91 opeenvolgende dagen.

  • 3 De tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting wordt op de volgende wijze berekend:

    • a. het voor logies bestemde deel van de dagvergoeding welke geldt voor dienstreizen in Nederland, wordt vermenigvuldigd met het aantal dagen van de overplaatsingsperiode;

    • b. op het onder a berekende bedrag wordt een bedrag in mindering gebracht ter grootte van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde inhouding huisvesting, berekend naar de periode waarop de tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting betrekking heeft.

  • 4 Indien voorafgaande aan de overplaatsingsperiode een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 43, eerste lid, is toegekend:

    • a. komt de ambtenaar bij overplaatsing naar Nederland niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting;

    • b. komt de ambtenaar bij overplaatsing naar een post uitsluitend in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting indien de partner vanaf de dag van zijn aankomst op de volgende standplaats tot zijn huishouding aldaar gaat behoren. In dit geval omvat de overplaatsingsperiode het tijdvak, genoemd in het tweede lid, onder b, waarbij onder ‘de ambtenaar zijn woning heeft verlaten’ dient te worden gelezen: de partner zijn woning heeft verlaten.

Artikel 69. Verhoging tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting met een gezinsdeel

  • 1 Indien tot de huishouding van de in overplaatsing zijnde ambtenaar één of meer gezinsleden behoren, wordt het in artikel 68, derde lid, onder a, berekende bedrag verhoogd met:

    a. bij één gezinslid:

    30%;

    b. bij twee gezinsleden:

    50%;

    c. bij drie of meer gezinsleden:

    60%.

  • 2 Tot de huishouding van de in overplaatsing zijnde ambtenaar behoren niet:

    • a. de partner, indien aan de ambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 43, tweede lid, wordt toegekend;

    • b. de afhankelijke kinderen, indien aan de ambtenaar tijdens de overplaatsingsperiode ten behoeve van hen een vergoeding als bedoeld in de artikelen 48, 49 of 50 wordt toegekend.

  • 3 Indien de partner in verband met een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, de standplaats eerder heeft moeten verlaten dan de ambtenaar, wordt aan hem voor ten hoogste de periode, bedoeld in artikel 68, tweede lid, een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting toegekend. De tegemoetkoming wordt als volgt vastgesteld:

    • a. ten behoeve van de partner: een bedrag gelijk aan het op grond van artikel 68, derde lid, onder a, berekende bedrag;

    • b. ten behoeve van met de partner in overplaatsing zijnde afhankelijke kinderen wordt het onder a bedoelde bedrag verhoogd met:

      1°. bij één kind:

      30%;

      2°. bij twee kinderen:

      50%;

      3°. bij drie of meer kinderen:

      60%.

Artikel 70. Tegemoetkoming in de herinrichtingskosten

  • 1 Ter bestrijding van de kosten, voortvloeiend uit het verlaten en het betrekken van een woning, wordt na het betrekken van een nieuwe woning een tegemoetkoming in de herinrichtingskosten toegekend.

  • 2

    • a. De tegemoetkoming in de herinrichtingskosten bedraagt:

      • 1°. een percentage van het voor de ambtenaar geldende bruto salaris vermenigvuldigd met achtereenvolgens 12 en 1,08, met dien verstande dat voor de vaststelling van de tegemoetkoming het bruto salaris ten minste het maximumsalaris van salarisschaal 6 en ten hoogste het maximumsalaris van salarisschaal 14 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt; vermeerderd met:

      • 2°. per afhankelijk kind het in bijlage B, onder 21, vermelde bedrag, voor zover ten behoeve van dat kind op zijn volgende standplaats een tegemoetkoming of vergoeding als bedoeld in de artikelen 15 dan wel 48 tot en met 50 wordt toegekend.

    • b. Het onder a, ten 1°, bedoelde percentage bedraagt:

      • 1°. bij overplaatsing naar Nederland of beëindiging van het dienstverband: 12%;

      • 2°. in afwijking van het onder 1° gestelde, indien de partner op grond van een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, in Nederland verbleef: 3%;

      • 3°. bij overplaatsing naar een post indien de aldaar te betrekken woning niet is ingericht, zulks ter beoordeling van Directeur Huisvesting Buitenland: 10%;

      • 4°. bij overplaatsing naar een post indien de aldaar te betrekken woning is ingericht, zulks ter beoordeling van de Directeur Huisvesting Buitenland: 3%.

    • c. Het in bijlage B, onder 21, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig artikel 51, tweede lid, onder b.

  • 3 Indien de plaatsing van de ambtenaar bij de post korter dan 30 maanden heeft geduurd en hij tijdens die plaatsing herinrichtingskosten heeft ontvangen, wordt het op grond van het tweede lid berekende bedrag verhoogd met 17,5%.

  • 4 De aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ontstaat op het volgende tijdstip:

    • a. bij overplaatsing naar een post: op de dag waarop de ambtenaar op de standplaats aankomt;

    • b. bij overplaatsing naar Nederland: op de dag waarop de ambtenaar in Nederland aankomt, dan wel, indien aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting bestaat als bedoeld in artikel 68, op de dag waarop een andere woning dan die waarvoor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting is toegekend, wordt betrokken;

    • c. bij beëindiging van het dienstverband, aansluitend op een plaatsing bij een post:

      • 1°. bij terugkeer naar Nederland: als onder b;

      • 2°. bij vestiging in het buitenland: op de dag, volgend op de dag waarop de ambtenaar definitief van de post vertrekt.

Artikel 71. Vergoeding kosten arbeidsgezondheidskundig onderzoek en immunisaties

  • 1 Voorafgaand aan een plaatsing bij een post ondergaat de ambtenaar de immunisaties die door het toekomstige land van plaatsing als eis voor binnenkomst worden gesteld, dan wel door de aangewezen medische instelling worden aanbevolen.

  • 2 Een gezinslid van de ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld immunisaties als bedoeld in het eerste lid te ondergaan.

  • 3 De kosten van arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in de artikelen 51, tweede lid en 52, tweede lid, RDBZ alsmede de kosten van de in het eerste en tweede lid bedoelde immunisaties komen voor rekening van het rijk.

Artikel 71a. Vergoeding visumkosten

  • 1 De kosten die de ontvangende staat in rekening brengt voor het afgeven van voor de plaatsing noodzakelijke visa voor de ambtenaar of zijn gezinsleden waarvoor hij aanspraak maakt op de in de artikelen 14 en 15 bedoelde vergoeding, komen voor rekening van het rijk.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gezinsleden die ingevolge artikel 46 of 53 een gezinsherenigingsreis naar de standplaats van de ambtenaar ondernemen.

Artikel 72. Taal- en acculturatiecursus

  • 1 Indien het wenselijk is dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn plaatsing bij een post een cursus volgt in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land van zijn aanstaande plaatsing, worden de kosten vergoed van:

    • a. inschrijf-, les- en examenkosten;

    • b. door de onderwijsinstelling voorgeschreven lesboeken, met uitzondering van woordenboeken;

    • c. vervoer tussen de verblijfplaats van de ambtenaar en de plaats waar bedoelde lessen worden gegeven, overeenkomstig de bepalingen die voor dienstreizen gelden.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het wenselijk is dat:

    • a. de ambtenaar voorafgaand aan zijn plaatsing bij een post een acculturatiecursus volgt;

    • b. de partner voor zijn aankomst op de standplaats een acculturatiecursus volgt.

  • 3 In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen wordt vóóraf bepaald bij welke instelling de cursus dient te worden gevolgd.

Artikel 73. Taallessen partners

Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die naar een post wordt overgeplaatst, met dien verstande dat HDPO bevoegd is op een aanvraag te beslissen.

Artikel 74. Tegemoetkoming in de gedurende de plaatsing in Nederland doorgelopen kosten van afschrijving

  • 1 Aan de ambtenaar die aansluitend aan een plaatsing of een terbeschikkinghouding in Nederland die ten hoogste zes jaar heeft geduurd, wordt geplaatst bij een post wordt, indien aan zijn plaatsing respectievelijk terbeschikkinghouding in Nederland een plaatsing bij een post voorafging, een tegemoetkoming toegekend wegens de gedurende zijn plaatsing respectievelijk terbeschikkinghouding in Nederland doorgelopen afschrijving van zijn woninginrichting.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt een percentage van het in bijlage B, onder 22, vermelde bedrag. Dit percentage is afhankelijk van het functieniveau dat voor de ambtenaar op de volgende standplaats zal gelden. Dit percentage is bij:

    a. functieniveau 16 tot en met 20:

    100%;

    b. functieniveau 9 tot en met 15:

    75%;

    c. functieniveau 1 tot en met 8:

    50%.

  • 3

    • a. Het in bijlage B, onder 22, vermelde bedrag heeft betrekking op een verblijfsperiode in Nederland van drie jaar. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig artikel 51, tweede lid, onder b.

    • b. Indien de plaatsing van de ambtenaar in Nederland korter of langer heeft geduurd dan drie jaar, wordt de tegemoetkoming naar evenredigheid vastgesteld.

  • 4 De aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ontstaat op de dag waarop de ambtenaar op de standplaats aankomt.

Hoofdstuk 4. Voorzieningen bij plaatsing of terbeschikkinghouding in nederland

Artikel 75. Toepasselijkheid van dit hoofdstuk

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de in Nederland geplaatste of ter beschikking gehouden ambtenaar indien:

    • a. de plaatsing of de terbeschikkinghouding volgt op een plaatsing bij een post waarvan de duur bij aanvang daarvan was bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; en

    • b. de duur van de plaatsing in Nederland bij de aanvang daarvan is bepaald op een periode van ten minste zes maanden dan wel bij aanvang van de terbeschikkinghouding HDPO niet verwacht dat deze korter dan zes maanden zal duren.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 76 wordt onder de ambtenaar de eerste tandempartner verstaan en geldt de tweede tandempartner als partner van de eerste tandempartner.

Artikel 76. Woonlasten

  • 1 Vanaf de dag volgend op de dag waarop de toekenning van de in artikel 68 bedoelde tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting eindigt, komt de ambtenaar wiens maandelijkse woonlast, betrekking hebbend op een andere woning dan die waarvoor de tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting is toegekend meer bedraagt dan 27% van het netto salaris, in aanmerking voor een tegemoetkoming in de woonlasten, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid. De tegemoetkoming wordt toegekend voor een periode van ten hoogste zes jaar, gerekend vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland.

  • 2

    • a. De hoogte van de tegemoetkoming in de woonlasten wordt vastgesteld met ingang van de dag waarop de tegemoetkoming ingaat en wordt telkens herberekend zodra één van de voor de toekenning noodzakelijke gegevens wijzigt.

    • b. In afwijking van onderdeel a wordt een verhoging van de woonlast als gevolg van het betrekken van een andere woning of door verhoging van het bedrag van de hypothecaire lening, voor de berekening van de tegemoetkoming buiten beschouwing gelaten. In dat geval wordt voor de resterende duur van de in het eerste lid bedoelde periode de tegemoetkoming berekend op basis van de direct voorafgaande aan die verhoging geldende woonlast.

    • c. De ambtenaar heeft geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming indien:

      • 1°. de woning door hem of zijn partner tijdens zijn plaatsing is aangehouden, gehuurd of gekocht, tenzij de woning is gehuurd of gekocht binnen een periode van één jaar voorafgaande aan de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland; of

      • 2°. door hem niet de onder ten 1° bedoelde woning, maar een andere woning wordt betrokken.

  • 3 Indien de door de ambtenaar bewoonde woning een huurwoning is, wordt onder de in het eerste lid bedoelde woonlast verstaan de kale huur, vermeerderd met de door de verhuurder aan hem in rekening gebrachte servicekosten, voor zover deze betrekking hebben op het schoonmaken van en het water- en energieverbruik voor gemeenschappelijke ruimten, het onderhoud van de gemeenschappelijke groenvoorziening en het onderhoud van de lift en het gebruik daarvan.

  • 4 Indien de door de ambtenaar bewoonde woning in eigendom toebehoort aan hem of aan zijn partner, wordt onder de in het eerste lid bedoelde woonlast verstaan het bedrag aan hypotheekrente per maand op grond van de door hem overgelegde hypotheekakte, verminderd met een bedrag ter grootte van het fiscale voordeel per maand dat de ambtenaar heeft of zou kunnen hebben als gevolg van de betaalde hypotheekrente.

  • 5 De tegemoetkoming in de woonlasten wordt berekend door op de voor de ambtenaar geldende woonlast een bedrag ter grootte van 27% van zijn netto salaris in mindering te brengen, met dien verstande dat daarbij ten hoogste het in bijlage B, onder 23, vermelde bedrag als woonlast in aanmerking wordt genomen.

  • 6 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning verstaan: een in Nederland voor permanente bewoning geschikte woning.

Artikel 77. Vergoeding kosten van Engelstalig primair en secundair onderwijs

  • 1 Indien een afhankelijk kind in Nederland primair of secundair Engelstalig onderwijs volgt, worden ten hoogste vergoed de door de International School of The Hague voor dergelijk onderwijs in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, indien het kind dergelijk onderwijs direct voorafgaande aan de overplaatsing gedurende ten minste één geheel schooljaar heeft gevolgd.

  • 2 Indien een afhankelijk kind niet wordt toegelaten tot de International School of The Hague of direct voorafgaande aan de overplaatsing van de ambtenaar naar Nederland gedurende ten minste één geheel schooljaar primair of secundair internationaal onderwijs heeft gevolgd in het Britse of het Amerikaanse onderwijssysteem en dat kind in Nederland datzelfde type onderwijs volgt, worden in afwijking van het eerste lid vergoed de door de desbetreffende onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien een afhankelijk kind in Nederland primair of secundair Frans-, Duits- of Spaanstalig onderwijs volgt.

  • 4 De aanspraak op de in dit artikel bedoelde vergoeding bestaat voor een periode van ten hoogste zes jaar gerekend vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland.

Artikel 78. Schooltransport

  • 1 Indien een afhankelijk kind primair of secundair onderwijs volgt aan een in artikel 77 bedoelde instelling en de enkele reisafstand tussen de woning van de ambtenaar en de onderwijsinstelling meer bedraagt dan 15 kilometer, worden de reiskosten tussen de woning van de ambtenaar en de onderwijsinstelling vice versa aan hem vergoed, voor zover deze betrekking hebben op:

    • a. het gebruik van een transportdienst van de onderwijsinstelling;

    • b. openbaar vervoer in de tweede klasse indien geen gebruik kan worden gemaakt van een transportdienst van de onderwijsinstelling;

    • c. de kosten van gemotoriseerd eigen vervoer indien geen gebruik kan worden gemaakt van een transportdienst van de onderwijsinstelling of van openbaar vervoer, overeenkomstig het lage tarief voor de vergoeding van dienstreizen per eigen auto op grond van het Reisbesluit binnenland.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt verminderd met de in artikel 21, tweede lid, bedoelde eigen bijdrage.

Artikel 79. Bijlessen

Ter zake van de vergoeding van de kosten van bijlessen is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 80. Taallessen

  • 1 Teneinde een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt aan een Nederlandstalige onderwijsinstelling in staat te stellen de taal bij te houden waarin het direct voorafgaande aan de overplaatsing van de ambtenaar naar Nederland ten minste twee achtereenvolgende schooljaren onderwijs heeft gevolgd, worden de kosten van het volgen van lessen in die taal aan hem vergoed, voor zover:

    • a. deze kosten betrekking hebben op een periode van ten hoogste zes jaar vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland;

    • b. de lessen worden gegeven door een tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegde persoon of worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling.

  • 2 Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in bijlage B, onder 24, vermelde bedrag per aaneengesloten periode van twaalf maanden waarin de lessen worden gevolgd, welk bedrag jaarlijks per 1 januari wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 22, derde lid.

  • 3 Teneinde een afhankelijk kind dat primair of secundair niet-Nederlandstalig onderwijs volgt in staat te stellen aanvullende lessen in de Nederlandse taal te volgen, worden de kosten van het volgen van lessen in de Nederlandse taal overeenkomstig het eerste lid aan de ambtenaar vergoed, met dien verstande dat vergoeding geschiedt tot ten hoogste 50% van het in bijlage B, onder 9, vermelde bedrag.

Hoofdstuk 5. Tewerkstellingen van korte duur

Artikel 81. Aanspraken

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:

    • a. in Nederland is geplaatst met het oogmerk om telkens tijdelijk bij een post tewerkgesteld te worden;

    • b. in Nederland is geplaatst en tijdelijk bij een post wordt tewerkgesteld voor een periode welke bij aanvang daarvan naar verwachting langer dan drie maanden, maar korter dan twaalf maanden zal duren;

    • c. bij een post is geplaatst en tijdelijk bij een andere post wordt tewerkgesteld voor een periode welke bij aanvang daarvan naar verwachting langer dan drie maanden zal duren.

  • 2 De aanspraak op de in de artikelen 82 en 83 bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn tijdelijke werkzaamheden bij de post aanvangt en eindigt op de dag waarop hij deze werkzaamheden beëindigt. Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien tijdens een tijdelijke tewerkstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, voor een periode die bij de aanvang van de tewerkstelling naar verwachting drie maanden of korter zou duren wordt besloten dat deze periode wordt verlengd waardoor de totale periode van tijdelijke tewerkstelling op dezelfde post langer zal duren dan drie maanden, eindigt op het moment waarop het besluit tot verlenging is genomen de toepasselijkheid van het Reisbesluit buitenland en bestaat er voor de resterende duur van de tijdelijke tewerkstelling op die post per gelijke datum aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in artikel 82 dan wel 83.

Artikel 82. Tijdelijke tewerkstelling bij een post, vanuit Nederland

  • 1 Op de ambtenaar die in Nederland is geplaatst en tijdelijk bij een post wordt tewerkgesteld, blijft hoofdstuk 4 van toepassing.

  • 2 Ter zake van de tijdelijke tewerkstelling wordt aan de in artikel 81, eerste lid, onder a en b, bedoelde ambtenaar:

    • a. een ticket verstrekt of een vergoeding toegekend als bedoeld in artikel 57;

    • b. Indien een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 80 kilo.

  • 3 Voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een post zijn op de in het tweede lid bedoelde ambtenaar de in de derde volzin vermelde artikelen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor vergoedingen en tegemoetkomingen die gerelateerd zijn aan het functieniveau, het niveau van de tijdelijk vervulde functie geldt. Indien echter voor de ambtenaar een hogere salarisschaal geldt dan overeenkomt met het functieniveau van de tijdelijk vervulde functie, is die salarisschaal van toepassing bij de berekening van de vergoedingen en tegemoetkomingen. De in de eerste volzin bedoelde artikelen zijn:

    • a. artikel 8, eerste lid (huisvesting), juncto artikel 3, eerste lid, van de Regeling Dienstwoningen BZ;

    • b. artikel 9, eerste en vierde lid (water- en energieverbruik);

    • c. artikel 10 (koopkrachtcorrectie);

    • d. artikel 13 (standplaatstoelage);

    • e. artikel 17 (koopkrachtcorrectie standplaatstoelage);

    • f. artikel 18 (tegemoetkoming in verband met hotelverblijf), met dien verstande dat het percentage dat voor de ambtenaar geldt op 12,5% wordt gesteld;

    • g. artikel 25, derde lid (extra verlof);

    • h. artikel 28 (bedrijfsgeneeskundige begeleiding);

    • i. artikel 29 (voorzieningen bij overlijden);

    • j. artikel 30 (vergoeding huispersoneel), indien hij gedurende zijn tijdelijke tewerkstelling een dienstwoning bewoont en ten behoeve van deze woning geen huispersoneel beschikbaar is dat direct of indirect ten laste van het rijk komt;

    • k. artikel 33 (vergoeding passieve representatie);

    • l. artikel 35, eerste lid (koopkrachtcorrectie passieve representatie), met dien verstande dat het percentage waarmee de vergoeding passieve representatie voor koopkrachtverschillen wordt gecorrigeerd 40% bedraagt;

    • m. artikel 37 (transportvergoeding);

    • n. artikel 38 (korting transportvergoeding bij beschikbaarheid dienstauto);

    • o. artikel 41 (reis- en verblijfkosten bij dienstreizen);

    (onderdeel p is vervallen)

  • 4 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar als gevolg van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een post moet worden aangemerkt als eerste of tweede tandempartner, is

Artikel 83. Tijdelijke tewerkstelling bij een post, vanaf een post

  • 1 De ambtenaar die tijdens zijn plaatsing bij een post tijdelijk bij een andere post wordt tewerkgesteld, behoudt voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 2.

  • 2 Ter zake van de tijdelijke tewerkstelling wordt aan de in artikel 81, eerste lid, onder c, bedoelde ambtenaar:

    • a. een ticket verstrekt of een vergoeding toegekend als bedoeld in artikel 57;

    • b. Indien een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 80 kilo.

  • 3 In aanvulling op het tweede lid geldt voor de aldaar bedoelde ambtenaar voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling bij de andere post dat:

    • a. de artikelen 8, eerste lid (huisvesting), juncto 3, eerste lid, van de Regeling Dienstwoningen BZ, 9, eerste en vierde lid (water- en energieverbruik) en 18 (tegemoetkoming in verband met hotelverblijf) van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 18 het percentage dat voor de ambtenaar geldt op 12,5% wordt gesteld;

    • b. indien de voor de tijdelijke standplaats geldende koopkrachtcorrectiefactor als bedoeld in artikel 11 hoger is dan de voor de eigenlijke standplaats geldende koopkrachtcorrectiefactor, de koopkrachtcorrectie netto salaris als bedoeld in artikel 10 wordt berekend met gebruikmaking van de hogere koopkrachtcorrectiefactor;

    • c. indien de voor de tijdelijke standplaats geldende zone-indeling als bedoeld in artikel 12 hoger is dan de voor de eigenlijke standplaats geldende zone-indeling, het verschil tussen de op basis van de hogere zone-indeling berekende standplaatstoelage als bedoeld in artikel 13 en de op basis van de zone-indeling van de eigenlijke standplaats berekende standplaatstoelage additioneel wordt toegekend;

    • d. de in onderdeel c bedoelde toekenning voor koopkrachtverschillen wordt gecorrigeerd op de in artikel 17, tweede en derde lid, aangegeven wijze.

  • 4 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar als gevolg van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een andere post moet worden aangemerkt als eerste of tweede tandempartner, is

Hoofdstuk 6. Betalingen

Artikel 84. Betalingen

  • 2 In andere dan in het eerste lid genoemde gevallen vindt de betaling plaats in euro.

Artikel 85. Aanloopvoorschot

  • 1 De ambtenaar die voor een periode van ten minste twaalf maanden bij een post is geplaatst komt op zijn aanvraag in aanmerking voor een aanloopvoorschot. Een aanloopvoorschot dient aangevraagd te worden in de periode gelegen tussen drie maanden voorafgaande aan de verwachte dag van aankomst op de standplaats en een maand na de dag van aankomst op de standplaats.

  • 2 Het aanloopvoorschot bedraagt, met inachtneming van het derde lid, de som van

    • a. de in een periode van ten hoogste drie maanden toekomende vergoedingen op grond van artikel 10 (koopkrachtcorrectie netto salaris), de artikelen 13 tot en met 15 (standplaatstoelage), artikel 17 (koopkrachtcorrectie standplaatstoelage), artikel 30 (huispersoneel), de artikelen 33 en 34 (passieve representatie), artikel 35 (koopkrachtcorrectie passieve representatie) en artikel 37 juncto artikel 38 (transportvergoeding verminderd met de korting transportvergoeding); en

    • b. het in een periode van ten hoogste drie maanden toekomende netto salaris.

  • 3 Het aanloopvoorschot bedraagt ten hoogste het bedrag, vermeld in bijlage B, onder 25. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld op de in artikel 13, derde lid, aangegeven wijze.

  • 4 Het aanloopvoorschot is rentevrij en wordt binnen een periode van twee jaar, gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de dag van aankomst op de standplaats, in 24 gelijke maandelijkse termijnen verrekend met het totaal aan vergoedingen en tegemoetkomingen dat op grond van deze regeling wordt uitbetaald.

  • 5 Voor de eerste keer dat aan een ambtenaar een aanloopvoorschot wordt toegekend, gelden de volgende afwijkende bepalingen:

    • a. het bedrag van het aanloopvoorschot bedraagt 150% van het in het tweede lid bedoelde aanloopvoorschot;

    • b. in het vierde lid worden de zinsneden ‘binnen een periode van twee jaar’, ‘in 24 gelijke maandelijkse termijnen’ en ‘binnen de periode van twee jaar’, respectievelijk gelezen als: binnen een periode van drie jaar, in 36 gelijke maandelijkse termijnen en binnen de periode van drie jaar.

Artikel 86. Niet gebruikt of ten onrechte verstrekt ticket

  • 1 Indien na het gebruik van een op grond van deze regeling verstrekt ticket komt vast te staan dat de ambtenaar daarop geen aanspraak had en hij dat wist of redelijkerwijs kon weten, stort hij, met inachtneming van de artikelen 24, derde lid, onder b, 46, zevende lid, en 53, zesde lid, onder b, het door het rijk voor dit ticket betaalde aanschafbedrag binnen een periode van een maand, gerekend vanaf de datum waarop dit aan hem is medegedeeld, in de kas van de post of op een aangegeven bankrekening of postbankrekening.

  • 2 Indien een op grond van deze regeling verstrekt ticket niet wordt gebruikt door de ambtenaar, wordt dit zo spoedig mogelijk door de ambtenaar geretourneerd, maar uiterlijk op een zodanig tijdstip dat het ter restitutie aan de vervoermaatschappij kan worden aangeboden binnen de door die maatschappij daarvoor gestelde termijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de ambtenaar zonder geldige reden het ticket na afloop van de in de vorige volzin bedoelde termijn retourneert en de vervoermaatschappij om die reden weigert tot restitutie over te gaan.

Artikel 87. Indienen van een declaratie

  • 1 HDPO stelt voorschriften vast voor de wijze van indiening van declaraties betreffende vergoedingen en tegemoetkomingen die op declaratiebasis worden toegekend.

  • 2 Tenzij in deze regeling anders is aangegeven wordt een declaratie zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen zes maanden nadat de aanspraak op de vergoeding of tegemoetkoming is ontstaan.

  • 3 Indien een declaratie niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is ingediend, vervalt het recht op de desbetreffende vergoeding of tegemoetkoming.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 88. Informatieplicht

Indien zich omstandigheden of wijzigingen voordoen die van invloed zijn of kunnen zijn op aanspraken op een voorziening als bedoeld in deze regeling, stelt de ambtenaar HDPO dan wel het hoofd van de post daarvan onverwijld, maar uiterlijk binnen zeven dagen gerekend vanaf de dag waarop de omstandigheid of wijziging zich voordoet, schriftelijk in kennis.

Artikel 89. Verplichting tot beperking van de kosten

De ambtenaar is naar redelijkheid en billijkheid verplicht de kosten die hij maakt en waarvoor hij op grond van deze regeling op declaratiebasis een voorziening ontvangt te beperken.

Artikel 90. Hardheidsclausule

HDPO kan ten gunste van de ambtenaar artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard gelet op het belang dat ambtenaren en hun gezinsleden zich zowel tijdens de plaatsing bij een post als in de periode direct daaraan voorafgaande en direct daarop volgend een passende tegemoetkoming ontvangen in de noodzakelijke extra kosten die voortvloeien uit die plaatsing en welke ambtenaren van gelijk niveau die in Nederland werkzaam zijn niet hoeven te maken.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 91. Intrekking regelingen

  • 1 Het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel wordt, met uitzondering van artikel 27, derde lid, onderdeel a, ingetrokken.

  • 2 Artikel 27, derde lid, onderdeel a, van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel wordt ingetrokken.

  • 3 De Aanwijzingen inzake vakantiedagen en (buitengewoon) verlof tijdens plaatsing op een post zoals vastgesteld door de Secretaris-Generaal op 26 maart 1993, nr. HDBZ/AB-284/93, worden ingetrokken.

  • 4 De Aanwijzingen inzake reizen tijdens plaatsing op een post zoals vastgesteld door de Secretaris-Generaal op 26 maart 1993, nr. HDBZ/AB-284/93, worden ingetrokken

  • 5 De Aanwijzingen inzake verhuizingen zoals vastgesteld door de Secretaris-Generaal op 25 mei 1993, nr. HDBZ/AB-420/93, worden ingetrokken.

  • 6 De financiële regelingen bij repatriëring 2004 worden ingetrokken.

  • 7 De tijdelijke BO-regeling zoals bekend gesteld door HDPO op 4 april 2006, nr. HDPO/RR/AR-261/06, wordt ingetrokken.

Artikel 92. Grondslag Beleidsregels vergoeding kosten actieve representatie

Na inwerkingtreding van deze regeling berusten de Beleidsregels vergoeding kosten actieve representatie op artikel 36 van deze regeling.

Artikel 93. Grondslag en wijziging Regeling dienstwoningen BZ

  • Onderdeel II

[Red: Wijzigt de Regeling Dienstwoningen BZ.]

Artikel 94. Overgangsrecht vaststelling tijdvakken voor verhoging standplaatstoelage met partnerdeel of kinddeel

Voor de ambtenaar die op 28 februari 2007 op de standplaats een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner of een afhankelijk kind, blijven de artikelen 17 en 18 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel zoals deze luidden op 28 februari 2007 voor de duur van zijn lopende plaatsing van kracht, met dien verstande dat bij definitief vertrek van de standplaats van de partner of het kind artikel 14, derde lid, respectievelijk 15, derde lid, wordt toegepast.

Artikel 95. Overgangsrecht vergoeding kosten primair, secundair en tertiair onderwijs

  • 1 Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind op 28 februari 2007 primair of secundair onderwijs volgt en daarvoor op grond van artikel 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een vergoeding ontvangt, worden, indien dat afhankelijk kind op 28 februari 2007 primair of secundair internationaal onderwijs volgt in het Britse of Amerikaanse schoolsysteem en dat kind datzelfde type onderwijs na die datum vervolgt, in afwijking van artikel 77, tweede lid, de kosten vergoed die door de desbetreffende onderwijsinstelling voor dat onderwijs in rekening worden gebracht.

  • 2 Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind op 28 februari 2007 tertiair onderwijs volgt en daarvoor op grond van artikel 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een vergoeding ontvangt, wordt die vergoeding voor het afronden binnen de voor de studie geldende studieduur van de op dat moment gevolgde bachelor- dan wel masteropleiding ook nadien toegekend overeenkomstig de artikelen 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel zoals deze luidden op 28 februari 2007. Voor het bepalen van de resterende studieduur wordt geen rekening gehouden met opgelopen studievertraging voor inwerkingtreding van deze regeling.

  • 3 Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind een bacheloropleiding is aangevangen op of na 1 maart 2007 maar vóór 1 januari 2008, worden, onverminderd het bepaalde in artikel 19, tweede lid, voor de duur van die studie vergoed de onderwijskosten, bedoeld in artikel 19, eerste lid, tot ten hoogste het in bijlage B, onder 28, vermelde bedrag.

  • 4 In afwijking van het derde lid worden indien een afhankelijk kind Engelstalig tertiair onderwijs volgt aan een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en dat kind door de onderwijsinstelling, ondanks het door de ambtenaar of dat kind bij het daartoe bevoegde adviesorgaan in het Verenigd Koninkrijk tijdig en deugdelijk aangevraagde advies, niet wordt aangemerkt als EU-student, ten hoogste vergoed de door de University of Bristol dan wel de University College of Londen voor de opleiding of een vergelijkbare opleiding in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid.

  • 5 De hoogte van de in het derde lid bedoelde bedrag wordt jaarlijks vastgesteld op het bedrag dat door onderwijsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk voor het eerstvolgende studiejaar in rekening pleegt te worden gebracht voor het volgen van tertiair onderwijs door een EU-student.

  • 6 Onder EU-student wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een kind dat tertiair onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en door die instelling als EU-student wordt aangemerkt.

Artikel 96. Overgangsrecht reiskosten meeverhuizend personeel

Indien aan de ambtenaar voor zijn op 28 februari 2007 lopende plaatsing op grond van artikel 63 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een ticket is verstrekt dan wel vergoeding van reiskosten is toegekend voor ten hoogste twee bij hem in zijn persoonlijke dienst zijnde huispersoneelsleden, wordt ten behoeve van die huispersoneelsleden aan het einde van die plaatsing van de ambtenaar nog eenmaal een ticket verstrekt of reiskosten vergoed overeenkomstig dat artikel zoals dat luidde op 28 februari 2007.

Artikel 97. Overgangsrecht woonlasten

  • A [Red: Wijzigt het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel.]

  • B Artikel 76, tweede lid, onderdeel c, is eenmalig gedurende maximaal zes jaar niet van toepassing op de voor 1 januari 2008 in Nederland geplaatste of ter beschikking gehouden ambtenaar die:

    • a. op 28 februari 2007 aanspraak heeft of recentelijk heeft gehad op een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in artikel 73 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel;

    • b. op 28 februari 2007 aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de woonlasten als bedoeld in artikel 81 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel; of

    • c. op of na 1 maart 2007 maar voor 1 januari 2008 aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting of de woonlasten als bedoeld in artikel 68 respectievelijk artikel 76 van deze regeling.

    De eerste volzin is slechts van toepassing indien de plaatsing of terbeschikkinghouding voortvloeit uit:

    • a. het deelnemen aan de overplaatsingsronde 2007 of een eerdere overplaatsingsronde;

    • b. het voor 1 maart 2007 reageren op een tussentijdse functiebekendstelling; of

    • c. het voor 1 maart 2007 bekend gemaakte besluit tot voortijdige beëindiging van de plaatsing.

Artikel 98. Overgangsrecht woon-werkverkeer

Aan de ambtenaar die op 28 februari 2007 op grond van artikel 82 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een tegemoetkoming in de kosten voor woon-werkverkeer ontvangt, wordt deze vergoeding ook nadien nog toegekend overeenkomstig dat artikel zoals dat luidde op 28 februari 2007 voor ten hoogste de duur van de lopende plaatsing.

Artikel 99. Datum van inwerkingtreding en citeertitel

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2007, met uitzondering van:

    • a. de artikelen 25, derde lid, en 91, tweede lid, die in werking treden met ingang van 1 januari 2008;

    • b. artikel 76, zesde lid, dat in werking treedt op 1 juli van het jaar waarin het in bijlage B, onder 25, van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel vermelde bedrag, zoals dat luidde per 1 januari 1993 en sindsdien jaarlijks per 1 juli is aangepast met de door het CBS bekendgestelde gemiddelde verhoging van de woninghuur in Nederland, hoger is dan € 1.027,–, vanaf welk moment het hogere bedrag geldt;

    • c. artikel 78, derde lid, dat in werking treedt met ingang van het schooljaar 2007–2008;

    • d. artikel 97, onderdeel A, dat met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2006 in werking treedt.

  • 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 (afgekort: DBZV 2007).

’s-Gravenhage, 17 januari 2007

De

Minister

van Buitenlandse Zaken
namens deze:
de

Secretaris-Generaal

,

Ph. de Heer

Bijlage A. van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

  • 1. De in artikel 12, eerste lid, onder b, bedoelde (sub)categorieën zijn:

    Categorie

    Element

    Klimaat

    Natuurverschijnselen

     

    Luchtverontreiniging

    Gezondheid

    Gezondheidsvoorzieningen en -risico’s

    Taal

    Taal

    Cultuur

    Cultuur

    Goederen en diensten

    Kwaliteit en verkrijgbaarheid

    Infrastructuur

    Infrastructuur

    Sociaal netwerk en ontspanning

    Nieuws en media

     

    Buitenlandse gemeenschap

     

    Ontspanningsmogelijkheden

    Nutsvoorzieningen

    Nutsvoorzieningen

    Persoonlijke veiligheid en socio-politieke spanningen

    Persoonlijke veiligheid

     

    Socio-politieke spanningen

       
  • 2. De in artikel 12, eerste lid, onder b, bedoelde omzetting geschiedt als volgt:

    Aantal punten standaardscore

    Aantal punten ten behoeve van de correctie op de basis-indeling

    0 tot 30

    0

    30 tot 50

    1

    50 tot 70

    2

    70 tot 90

    3

    90 tot 110

    4

    110 tot 130

    5

    130 tot 150

    6

    150 tot 170

    7

    170 tot 190

    8

    190 tot 210

    9

    210 tot 230

    10

    230 of meer

    11

  • 3. De in artikel 16, tweede lid, bedoelde criteria zijn:

    Standaardscore voor de categorieën ‘goods, services and leisure’

    Categorie

    minder dan 10 punten

    A

    10 of meer, maar minder dan 20 punten

    B

    20 of meer punten

    C

  • 4. Indeling van de standplaatsen

    De in de artikelen 12, derde lid, en 16, derde lid, bedoelde zone- en categorie-indeling is ingaande 1 januari 2017:

    Standplaats

    Basis- indeling

    (art. 12, eerste lid, onder a)

    Correctie op basis- indeling

    (art. 12, eerste lid, onder b)

    Zone-

    indeling (art. 12, derde lid)

    Categorie- indeling

    (art. 16, derde lid)

    Abidjan

    4

    8

    12

    B

    Abu Dhabi

    4

    4

    8

    A

    Abuja

    4

    9

    13

    C

    Accra

    4

    6

    10

    B

    Addis Abeba

    4

    7

    11

    C

    Algiers

    4

    8

    12

    C

    Almaty

    4

    6

    10

    B

    Amman

    4

    5

    9

    B

    Ankara

    4

    5

    9

    A

    Antwerpen

    1

    0

    1

    A

    Astana

    4

    5

    9

    B

    Athene

    4

    3

    7

    A

    Bagdad

    4

    11

    15

    C

    Bakoe

    4

    6

    10

    B

    Bamako

    4

    9

    13

    C

    Bangalore

    4

    6

    10

    B

    Bangkok

    4

    5

    9

    A

    Beiroet

    4

    5

    9

    A

    Beijing

    4

    5

    9

    A

    Belgrado

    3

    4

    7

    A

    Berlijn

    2

    0

    2

    A

    Bern

    2

    0

    2

    A

    Boedapest

    3

    1

    4

    A

    Boekarest

    4

    3

    7

    A

    Bogota

    4

    5

    9

    A

    Boston

    4

    0

    4

    A

    Brasilia

    4

    5

    9

    A

    Bratislava

    2

    2

    4

    A

    Brussel

    1

    0

    1

    A

    Buenos Aires

    4

    4

    8

    A

    Bujumbura

    4

    9

    13

    C

    Caïro

    4

    8

    12

    B

    Canberra

    5

    0

    5

    A

    Caracas

    4

    8

    12

    C

    Chicago

    4

    1

    5

    A

    Chisinau

    4

    6

    10

    C

    Chongqing

    4

    6

    10

    B

    Colombo

    4

    7

    11

    B

    Cotonou

    4

    8

    12

    C

    Dakar

    4

    7

    11

    C

    Damascus

    4

    9

    13

    C

    Dar es Salaam

    4

    7

    11

    B

    Dhaka

    4

    10

    14

    C

    Doha

    4

    4

    8

    A

    Dubai

    4

    4

    8

    A

    Dublin

    3

    0

    3

    A

    Dusseldorp

    1

    0

    1

    A

    Erbil

    4

    9

    13

    C

    Gao

    4

    9

    13

    C

    Genève

    2

    0

    2

    A

    Goma

    4

    9

    13

    C

    Guangzhou

    4

    5

    9

    A

    Hanoi

    4

    6

    10

    B

    Harare

    4

    8

    12

    C

    Havanna

    4

    7

    11

    C

    Helsinki

    3

    0

    3

    A

    Ho Chi Minh Stad

    4

    7

    11

    B

    Hong Kong

    4

    2

    6

    A

    Islamabad

    4

    10

    14

    C

    Istanboel

    4

    4

    8

    A

    Jakarta

    4

    8

    12

    B

    Jeruzalem

    4

    4

    8

    A

    Juba

    4

    10

    14

    C

    Kaapstad

    4

    4

    8

    A

    Kabul en de Afghaanse provincies

    4

    11

    15

    C

    Kampala

    4

    7

    11

    B

    Khartoem

    4

    9

    13

    C

    Kiev

    4

    6

    10

    B

    Kigali

    4

    6

    10

    C

    Kinshasa

    4

    9

    13

    C

    Kopenhagen

    3

    0

    3

    A

    Kuala Lumpur

    4

    5

    9

    A

    Kuweit

    4

    5

    9

    B

    Lagos

    4

    9

    13

    C

    Lima

    4

    6

    10

    A

    Lissabon

    4

    0

    4

    A

    Ljubljana

    2

    1

    3

    A

    Londen

    2

    0

    2

    A

    Luanda

    4

    9

    13

    C

    Luxemburg

    1

    0

    1

    A

    Madrid

    3

    1

    4

    A

    Manilla

    4

    7

    11

    A

    Maputo

    4

    8

    12

    C

    Mexico

    4

    5

    9

    A

    Miami

    4

    1

    5

    A

    Milaan

    2

    1

    3

    A

    Minsk

    3

    6

    9

    B

    Moskou

    4

    6

    10

    A

    Mumbai

    4

    7

    11

    B

    München

    2

    0

    2

    A

    Muscat

    4

    4

    8

    A

    Nairobi

    4

    7

    11

    B

    New Delhi

    4

    7

    11

    B

    New York

    4

    1

    5

    A

    Nicosia

    4

    1

    5

    A

    Osaka/Kobe

    4

    2

    6

    A

    Oslo

    3

    0

    3

    A

    Ottawa

    4

    0

    4

    A

    Panama

    4

    4

    8

    A

    Paramaribo

    4

    6

    10

    B

    Parijs

    1

    0

    1

    A

    Port of Spain

    4

    5

    9

    B

    Praag

    2

    1

    3

    A

    Pretoria

    4

    3

    7

    A

    Pristina

    4

    6

    10

    C

    Rabat

    4

    5

    9

    B

    Ramallah

    4

    6

    10

    A

    Riga

    3

    3

    6

    A

    Rio de Janeiro

    4

    5

    9

    A

    Riyadh

    4

    7

    11

    C

    Rome

    3

    1

    4

    A

    San Francisco

    4

    0

    4

    A

    San José

    4

    4

    8

    A

    Sana'a

    4

    11

    15

    C

    Santiago de Chile

    4

    3

    7

    A

    Santo Domingo

    4

    6

    10

    A

    Sao Paulo

    4

    6

    10

    A

    Sarajevo

    3

    5

    8

    B

    Seoul

    4

    3

    7

    A

    Shanghai

    4

    5

    9

    A

    Singapore

    4

    2

    6

    A

    Skopje

    4

    3

    7

    A

    Sofia

    4

    4

    8

    A

    Stockholm

    3

    0

    3

    A

    St Petersburg

    4

    6

    10

    A

    Straatsburg

    1

    0

    1

    A

    Sydney

    5

    0

    5

    A

    Taipeh

    4

    3

    7

    A

    Tallinn

    4

    1

    5

    A

    Tbilisi

    4

    6

    10

    B

    Teheran

    4

    9

    13

    C

    Tel Aviv

    4

    3

    7

    A

    Tirana

    4

    6

    10

    B

    Tokio

    4

    2

    6

    A

    Toronto

    4

    0

    4

    A

    Tripoli

    4

    10

    14

    C

    Tunis

    4

    5

    9

    B

    Valetta

    4

    1

    5

    A

    Vancouver

    4

    0

    4

    A

    Vaticaanstad

    3

    1

    4

    A

    Vilnius

    3

    2

    5

    A

    Warschau

    3

    2

    5

    A

    Washington

    4

    1

    5

    A

    Wellington

    5

    0

    5

    A

    Wenen

    2

    0

    2

    A

    Yangon

    4

    9

    13

    C

    Yaounde

    4

    9

    13

    C

    Zagreb

    3

    1

    4

    A

Bijlage B. van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

1. Inhouding huisvesting

Het in artikel 8, derde lid, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 22,1%.

2. Inhouding water- en energieverbruik

Het in artikel 9, derde lid, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 5,9%.

3. Koopkrachtcorrectie netto Nederlands salaris

Het in artikel 10, derde lid, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 51%.

4. Koopkrachtcorrectiefactor

Het in artikel 11, tweede lid, onder b, bedoelde aantal punten is ingaande 1 januari 2017: 14.

5. Standplaatstoelage

Het in artikel 13, tweede en derde lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017 per maand:

Functieniveau

Bedrag in €

Functieniveau

Bedrag in €

20

1124

10

591

19

1061

9

554

18

1004

8

504

17

950

7

452

16

900

6

419

15

853

5

390

14

811

4

365

13

762

   

12

718

   

11

646

   

6. Wettelijke eigen bijdragen onderwijs kinderen

De in artikel 19, tweede lid, bedoelde wettelijke eigen bijdragen zijn voor het kind dat op 1 augustus van het desbetreffende jaar:

  • a. 18 jaar of ouder is én beroepsonderwijs volgt: voor het schooljaar 2016–2017: € 1.137;

  • b. hoger beroepsonderwijs volgt: voor het studiejaar 2016–2017: € 1.984;

  • c. wetenschappelijk onderwijs volgt: voor het studiejaar 2016–2017: € 1.984.

7. Schooltransport

Het in artikel 21, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017:

Aantal afhankelijke kinderen dat van schooltransport gebruik maakt

Bedrag in € per schooljaar

1

286

2

490

3

612

4 of meer

654

8. Bijlessen afhankelijke kinderen

Het artikel 22, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 1.759.

9. Nederlandse taallessen afhankelijke kinderen

Het artikel 23, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 1.024.

10. Vergoeding huispersoneel

Het in artikel 30, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017 per maand:

Functie-niveau

Bedrag in €

Functie-niveau

Bedrag in €

18

1344

8

444

17

1231

7

391

16

1136

6

346

15

1019

5

314

14

941

4

288

13

849

   

12

781

   

11

670

   

10

579

   

9

522

   

11. Vergoeding passieve representatie

Het in artikel 33, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017 per maand:

Chef de Poste

Overigen

Overigen

Functie-niveau

Bedrag in €

Functie- niveau

Bedrag in €

Functie- niveau

Bedrag in €

20

1.954

18

828

8

239

19

1.799

17

758

7

211

18

1.656

16

700

6

179

17

1.137

15

610

5

162

16

1.050

14

562

4

149

15

963

13

492

   

14

888

12

452

   

13

821

11

375

   

12

754

10

324

   

11

661

9

292

   

12. Transportvergoeding

Het in artikel 37, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017 per maand:

Chef de Poste

Overigen

Functie-niveau

Bedrag p/mnd in €

Functie-niveau

Bedrag p/mnd in €

20

354

18

325

19

354

17

325

18

354

16

325

17

333

15

313

16

333

14

313

15

333

13

300

14

333

12

300

13

333

11

280

12

333

10

280

11

333

9

280

   

8

266

   

7

266

   

6

252

   

5

252

   

4

252

13. Tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding

Het in artikel 43, eerste lid, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 59,3%.

14. Tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding bij achterblijven en vooruitreizen

Het in artikel 43, tweede lid, onder a, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 45,2%.

15. Koopkrachtcorrectie tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding

Het in artikel 43, tweede lid, onder b, bedoelde percentage is ingaande 1 januari 2017: 9,1%.

16. Vergoeding van internaatkosten

Het in artikel 48, tweede lid, bedoelde internaattarief is: voor het schooljaar 2016–2017: € 30.400.

17. Tegemoetkoming voor verblijf in gastgezin bij het volgen van tertiair onderwijs

Het in artikel 49, derde lid, onder a, bedoelde bedrag voor kinderen die tertiair onderwijs volgen is ingaande 1 januari 2017: € 455 per maand.

18. Tegemoetkoming voor verblijf in gastgezin in overige gevallen

Het in artikel 49, derde lid, onder a, bedoelde bedrag voor overige kinderen is ingaande 1 januari 2017: € 900 per maand.

19. Tegemoetkoming voor zelfstandige huisvesting

Het in artikel 50, derde lid, onder a, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 238 per maand.

20. Tegemoetkoming in de kosten van dubbele inrichting

Het in artikel 51, tweede lid, onder a, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 15 per maand.

21. Tegemoetkoming in de herinrichtingskosten

Het in artikel 70, tweede lid, onder a, ten 2°, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 88.

22. Tegemoetkoming in de kosten van doorgelopen afschrijvingen

Het in artikel 74, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 3.651.

23. Tegemoetkoming in de woonlasten

Het in artikel 76, vijfde lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 juli 2016: € 1.148.

24. Lessen in een buitenlandse taal

Het in artikel 80, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 1.759.

25. Aanloopvoorschot

Het in artikel 85, derde lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: € 23.520.

26. Het verschil in basisbeurs tussen een uitwonend en een thuiswonend kind

n.v.t.

27. Eigen bijdrage bij vergoeding gastgezin en vergoeding internaatkosten in geval van kinderbijslag

De in artikel 52, eerste lid, onder b, bedoelde bedragen zijn ingaande 1 januari 2017:

Leeftijd kind(eren)

Bedrag in €

0– 6 jaar

198,38

6–12 jaar

240,89

12–18 jaar

283,40

Bijlage C. van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

  • 1. De in artikel 10, eerste lid, en artikel 11, tweede lid, onder a, bedoelde elementen van de CBS-bestedingsindex zijn ingaande 1 januari 2017:

    Categorie

    Element

    Categorie

    Element

    Woning

    Huur

    Kleding en schoeisel

    Herenkleding

     

    Huurwaarde

     

    Dameskleding

     

    Overdrachten i.v.m. woning

       
     

    Nagelvaste installaties

     

    Kleding z.n.a. (leeftijd,

    geslacht onbekend)

     

    Gas

     

    Kledingaccessoires

     

    Elektriciteit

     

    Herenschoeisel

     

    Vaste en vloeibare

    brandstoffen

     

    Damesschoeisel

     

    Overige kosten verwarming en verlichting

     

    Schoeisel z.n.a. (leeftijd,

    geslacht onbekend)

     

    Meubelen

     

    Lederwaren, sieraden e.d.

     

    Stoffering

    Hygiëne en geneesk. verzorging

    Water

     

    Versiering

     

    Cosmetica en

    parfumerieën

     

    Bedden- en linnengoed

     

    Geneeskundige

    verzorging

     

    Eet- en keukengerei en

    apparaten

       
     

    Kooktoestellen

    Ontwikkeling ontspanning en verkeer

    Opleiding

     

    Verwarmingstoestellen, excl cv

     

    Radio, tv, video, cd e.d.

     

    Verlichtingsapparaten

     

    Roken

     

    Reinigingsapparaten en gereedschap

     

    Rijwielen

         

    Bromfietsen, motoren e.d.

     

    Overige apparaten en gereedschap

     

    Auto's

     

    Brand- en

    Inbraakverzekering

     

    Accessoires auto's

  • 2. De in artikel 43, eerste lid, bedoelde elementen van de CBS-bestedingsindex zijn ingaande 1 januari 2017:

    Categorie

    Element

    Categorie

    Element

    Woning

    Huur

    Woning

    Overige apparaten en gereedschap

     

    Huurwaarde

     

    Reparatie en huur huishoudelijke apparaten

     

    Overdrachten i.v.m. woning

       
     

    Onderhoud woning

     

    Brand- en inbraakverzekering

     

    Nagelvaste installaties

     
     

    Tuin en bloemen

    Hygiëne en geneesk. verzorging

    Huishoudelijke dienstverlening

     

    Gas

     

    Reinigingsartikelen, waaronder water

     

    Elektriciteit

     
     

    Vaste en vloeibare

    brandstoffen

     
     

    Overige kosten verwarming en verlichting

    Ontwikkeling ontspanning en verkeer

    Schrijfwaren, computers en lectuur

     

    Meubelen

     

    Sport en spel

     

    Stoffering

     

    Overige ontspanning

     

    Versiering

     

    Radio, tv, video, cd e.d.

     

    Bedden- en linnengoed

     

    Openbaar vervoer

     

    Eet- en keukengerei en

    -apparaten

     

    Auto's

         

    Accessoires auto's

     

    Kooktoestellen

     

    Overige kosten eigen

    Vervoer

     

    Verwarmingstoestellen, excl. cv

     

    Overige verkeers- en vervoerskosten

     

    Verlichtingsapparaten

    Overig bestedingen
     

    Reinigingsapparaten en gereedschap

     
  • 3. De in artikel 43, tweede lid, onder a, bedoelde elementen van de CBS- bestedingsindex zijn ingaande 1 januari 2017:

    Categorie

    Element

    Categorie

    Element

    Woning

    Huur

    Woning

    Verlichtingsapparaten

     

    Huurwaarde

     

    Reinigingsapparaten en gereedschap

     

    Onderhoud woning

     

    Overige apparaten en gereedschap

     

    Nagelvaste installaties

     

    Reparatie en huur huishoudelijke apparaten

     

    Tuin en bloemen

     

    Brand- en

    inbraakverzekering

     

    Gas

     
     

    Elektriciteit

    Hygiëne en geneesk. verzorging

    Huishoudelijke dienstverlening

     

    Vaste en vloeibare brandstoffen

     

    Reinigingsartikelen,

    waaronder water

     

    Overige kosten verwarming en verlichting

     
     

    Meubelen

     
     

    Stoffering

    Ontwikkeling ontspanning en verkeer

    Schrijfwaren, computers en lectuur

     

    Versiering

     

    Sport en spel

     

    Bedden- en linnengoed

     

    Overige ontspanning

     

    Eet-, keukengerei en

    Apparaten

     

    Radio, tv, video, cd e.d.

     

    Kooktoestellen

    Overige bestedingen
     

    Verwarmingstoestellen, exclusief cv

     
  • 4. De in artikel 43, tweede lid, onder b, bedoelde elementen van de CBS-bestedingsindex zijn ingaande 1 januari 2017:

    Categorie

    Element

    Categorie

    Element

    Woning

    Onderhoud woning

    Ontwikkeling ontspanning en verkeer

    Schrijfwaren, computers en lectuur

     

    Tuin en bloemen

     

    Sport en spel

    Hygiëne en geneesk. verzorging

    Reparatie en huur huishoudelijke

    apparaten

     

    Overige ontspanning

     

    Huishoudelijke dienstverlening

    Overig bestedingen
     

    Reinigingsartikelen, exclusief water

     
  • 5. De in artikel 11, vierde lid, bedoelde landen (zogenaamde categorie 1-landen) waarvan de koopkrachtcorrectie (KKC) als gevolg van de koersfluctuaties ingaande 1 januari 2017 maandelijks wordt aangepast, zijn:

    OESO-landen m.u.v. Euro-zone

    Landen met vaste koersverhouding US$

    Landen met KKC gebaseerd op US$

    Australië

    Libanon

     

    Canada

    Oman

     

    Japan

    Panama

     

    Mexico

    Qatar

     

    Nieuw Zeeland

    Saoudi Arabië

     

    Noorwegen

    Verenigde Arabische Emiraten

     

    Polen

    Zimbabwe

     

    Singapore

       

    Verenigd Koninkrijk

       

    Verenigde Staten van Amerika

       

    Zweden

       

    Zuid-Korea

       

    Zwitserland

       
         

Bijlage D. van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

  • 1. De standplaatsen met zware klimatologische omstandigheden als bedoeld in artikel 61, zevende lid, zijn ingaande 1 januari 2017:

    Standplaatsen

    Abidjan

    Kuala Lumpur

    Abu Dhabi

    Lagos

    Almaty

    Lima

    Caïro

    Luanda

    Colombo

    Manilla

    Cotonou

    Maputo

    Dhaka

    Mumbai

    Doha

    Muscat

    Dubai

    Panama

    Havanna

    Paramaribo

    Islamabad

    Riyadh

    Jakarta

    Santo Domingo

    Khartoum

    Sao Paulo

    Kinshasa

    Singapore

     

    Yangon

     

    Yaounde

  • 2. De standplaatsen waar goederen voor kinderen jonger dan 1 jaar onvoldoende kunnen worden verkregen als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel a, zijn ingaande 1 januari 2017:

    Standplaatsen

    Abuja

    Havanna

    Addis Abeba

    Islamabad

    Algiers

    Juba

    Bagdad

    Kabul

    Bamako

    Khartoum

    Bujumbura

    Kigali

    Caïro

    Kinshasa

    Caracas

    Lagos

    Chisinau

    Luanda

    Cotonou

    Maputo

    Dakar

    Sana'a

    Damascus

    Teheran

    Dhaka

    Tripoli

    Erbil

    Yangon

    Gao

    Yaounde

    Goma

     

    Harare

     
  • 3.

    • a. Het in artikel 65, eerste lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017: ten hoogste € 2.500.

    • b. Het in artikel 65, tweede lid, bedoelde maximale verzekerde bedrag van de getransporteerde auto is ingaande 1 januari 2017: € 42.084.

Bijlage E. van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007

Tegemoetkoming taallessen partners

  • 1. Het in artikel 40, tweede lid, bedoelde bedrag is ingaande 1 januari 2017:

    Moeilijkheidsgraad van de taal

    Bedrag in €

    A

    850

    B

    1.420

    C

    1.985

  • 2. Overzicht moeilijkheidsgraad van de taal is ingaande 1 januari 2017:

    A

    B

    C

    Afrikaans

    Bulgaars

    Amharisch

    Afro-frans

    Chinees (Pinyin)

    Arabisch

    Bahasa Indonesia

    Dari

    Ests

    Braziliaans

    Farsi

    Georgisch

    Deens

    (nieuw) Grieks

    Fins

    Duits

    Haussa/Sudan

    Hebreeuws (Ivrit)

    Engels

    Hindi

    Hongaars

    Frans

    Lets

    Japans

    Ijslands

    Litouws

    Koreaans

    Italiaans

    Macedonisch

    Oezbeeks

    Catalaans

    Persisch/dari

    Tigrina

    Latino Spaans

    Philipijns/tagalog

    Turks

    Nederlands

    Pools

     

    Noors

    Russisch

     

    Portugees

    ServoKroatisch

     

    Spaans

    Sloveens

     

    Roemeens

    Slowaaks

     

    Zweeds

    (ki)Swahili/Bantu

     

    Overige talen

    Thai

     
     

    Tjechisch

     
     

    Urdu

     
     

    Vietnamees