Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling InnovatieImpuls Onderwijs[Regeling vervallen per 01-01-2017.]

Geldend van 31-12-2014 t/m 31-12-2016

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 maart 2010, nr. DL/FCA/197112, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan scholen in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs ten behoeve van het implementeren van innovatieve maatregelen in de schoolorganisatie gericht op verhoging van de arbeidsproductiviteit en ten behoeve van het meten van de effecten van deze maatregelen op de arbeidsproductiviteit (Regeling InnovatieImpuls Onderwijs)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Wet overige OCW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2017]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

  • b. po: het primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,

  • c. vo: het voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs,

  • d. school: een uit ’s Rijks kas bekostigde basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, dan wel een uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,

  • e. urgentieschool: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs waarvan minimaal 30% van het onderwijsgevend personeel 55 jaar of ouder is (peildatum 1 oktober 2009), dan wel een school voor voortgezet onderwijs waarvan minimaal 30% van het onderwijsgevend personeel 55 jaar of ouder is (peildatum 1 oktober 2009),

  • f. bevoegd gezag: het bevoegd gezag van een school,

  • g. adviescommissie: de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 11,

  • h. innovatieve maatregel: vernieuwende maatregel binnen de schoolorganisatie gericht op verhoging van de arbeidsproductiviteit,

  • i. effectmeting: het onderzoek naar de effecten van de innovatieve maatregelen op de arbeidsproductiviteit, de werkdruk en de kwaliteit van het onderwijs,

  • j. experimentgroep: de scholen die een innovatieve maatregel implementeren en participeren aan de effectmeting,

  • k. controlegroep: de scholen die uitsluitend participeren aan de effectmeting,

  • l. innovatieconcept: een door scholen ontwikkeld voorstel voor de implementatie en effectmeting van een innovatieve maatregel dat bij de adviescommissie ter beoordeling is ingediend,

  • m. gepubliceerd innovatieconcept: een innovatieconcept dat door de minister – op basis van het advies van de adviescommissie – als meest kansrijk is aangemerkt en gepubliceerd is in de Staatscourant,

  • n. voortrekkerschool: een school die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van een innovatieconcept,

  • o. projectplan: het plan voor de implementatie van een innovatieve maatregel dat een school opstelt op basis van een gepubliceerd innovatieconcept.

Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken aan het bevoegd gezag van een school:

    • a. voor de ontwikkeling van een projectplan;

    • b. voor de uitvoering van een projectplan zoals bedoeld in a;

    • c. voor deelname aan de effectmeting door scholen in de controlegroep;

    • d. voor deelname aan de effectmeting in 2015 door scholen in de experimentgroep en in de controlegroep.

  • 2 De subsidies als bedoeld in lid 1, a en b worden verleend voor de ontwikkeling en uitvoering van projectplannen:

    • a. die gebaseerd zijn op een gepubliceerd innovatieconcept;

    • b. die gericht zijn op de implementatie van innovatieve maatregelen die leiden tot een stijging van de arbeidsproductiviteit met behoud van de onderwijskwaliteit en zonder verhoging van de werkdruk van leraren, en;

    • c. die zo ingericht zijn dat de effecten van de innovatieve maatregelen op de arbeidsproductiviteit, de kwaliteit van het onderwijs en de werkdruk gemeten kunnen worden, en;

    • d. die kennis, ervaringen en inzichten opleveren die overdraagbaar zijn aan en toegepast kunnen worden door bevoegde gezagsorganen die niet van deze regeling gebruikmaken.

  • 3 De subsidie als bedoeld in het eerste lid onder c en d wordt verleend als tegemoetkoming in de kosten die voortvloeien uit deelname aan de effectmeting.

Artikel 3. Subsidieaanvrager [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Subsidie kan slechts aangevraagd worden door het bevoegd gezag.

  • 2 Subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a en subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, kan slechts aangevraagd worden indien:

    • a. het bevoegd gezag een school heeft ingeschreven op een gepubliceerd innovatieconcept, en;

    • b. indien de school die door het bevoegd gezag is ingeschreven, is toegewezen aan de experimentgroep.

  • 3 Subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, wordt ambtshalve vastgesteld en wordt uitsluitend toegekend aan het bevoegd gezag.

  • 4 Voor subsidie als bedoeld in lid 3 komt het bevoegd gezag in aanmerking indien:

    • a. het bevoegd gezag een school heeft ingeschreven op een gepubliceerd innovatieconcept, en;

    • b. de school die door het bevoegd gezag is ingeschreven, is toegewezen aan de controlegroep, en;

    • c. het bevoegd gezag zich akkoord heeft verklaard met deze toewijzing conform de procedure in artikel 8, lid 2.

Artikel 4. Subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is in totaal een bedrag van € 18 miljoen beschikbaar voor de jaren 2010 tot en met 2015. In 2015 worden subsidies aan scholen in de experimentgroep en in de controlegroep enkel verstrekt voor deelname aan de effectmeting in 2015.

  • 2 Voor verlening van subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, is een bedrag beschikbaar van € 1,8 mln.

  • 3 Voor verlening van subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, is het in lid 1 genoemde totaalbedrag beschikbaar verminderd met het in lid 2 genoemde bedrag en het bedrag gemoeid met subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c.

Artikel 5. Subsidiebedrag [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De hoogte van de subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, bedraagt € 9000,–

  • 2 De hoogte van de subsidie voor de uitvoering een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, wordt door de minister vastgesteld aan de hand van het projectplan en de projectbegroting als bedoeld in artikelen 9 en 10.

  • 3 De hoogte van de subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, bedraagt € 10.000,–

Hoofdstuk 2. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 6. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Subsidie kan slechts op aanvraag worden verleend.

  • 2 Van het bepaalde in lid 1 is uitgezonderd de subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, die ambtshalve wordt vastgesteld.

Artikel 7. Inschrijving op innovatieconcepten [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Op 8 april 2010 maakt de minister bekend welke innovatieconcepten geselecteerd zijn.

  • 2 Uiterlijk op 15 april 2010 worden de geselecteerde innovatieconcepten in de Staatscourant gepubliceerd.

  • 3 De inschrijving van een school op een gepubliceerd innovatieconcept vindt plaats door het indienen van een volledig ingevuld en ondertekend inschrijvingsformulier door het bevoegd gezag bij Agentschap NL. Het inschrijvingsformulier wordt vanaf 8 april 2010 beschikbaar gesteld.

  • 4 Het inschrijvingsformulier zoals bedoeld in lid 3 dient uiterlijk op 1 mei 2010 door Agentschap NL te zijn ontvangen. Uiterlijk op 8 mei 2010 ontvangt het bevoegd gezag een bewijs van inschrijving.

  • 5 Een bevoegd gezag mag meerdere scholen inschrijven op één of meerdere gepubliceerde innovatieconcepten, met dien verstande dat een en dezelfde school maar op één innovatieconcept ingeschreven mag worden.

  • 6 In het geval van meerdere inschrijvingen door een bevoegd gezag dient voor iedere school een inschrijvingsformulier ingediend te worden.

  • 7 De minister bepaalt per gepubliceerd innovatieconcept het maximaal aantal inschrijvingen dat benodigd is voor de experimentgroep en de controlegroep en kan, in geval van overinschrijving, inschrijvingen afwijzen.

  • 8 Indien het aantal inschrijvingen het maximum aantal als bedoeld in lid 7 niet overschrijdt, worden de inschrijvingen per gepubliceerd innovatieconcept onder toezicht van een notaris verdeeld over de experimentgroep en de controlegroep. Deze verdeling vindt, indien het evaluatiedesign van het innovatieconcept dat vereist, op a-selecte wijze plaats.

  • 9 De inschrijvingen van voortrekkerscholen die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van een gepubliceerd innovatieconcept zijn uitgezonderd van de verdeling als bedoeld in lid 8 en worden automatisch toegewezen aan de experimentgroep, met dien verstande dat per gepubliceerd innovatieconcept maximaal 8 inschrijvingen van voortrekkerscholen automatisch worden toegewezen aan de experimentgroep.

  • 10 Indien het aantal inschrijvingen het maximum aantal als bedoeld in artikel 7 overschrijdt, worden de inschrijvingen per gepubliceerd innovatieconcept onder toezicht van een notaris (a-select) verdeeld over de experimentgroep en de controlegroep totdat het maximum aantal is bereikt, met dien verstande dat:

    • a) de inschrijvingen van voortrekkerscholen die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van een gepubliceerd innovatieconcept uitgezonderd zijn van de (a-selecte) verdeling en automatisch worden toegewezen aan de experimentgroep, conform het bepaalde in lid 9;

    • b) de inschrijvingen van urgentiescholen als eerste (a-select) verdeeld worden over de experimentgroep en de controlegroep;

    • c) de overige inschrijvingen vervolgens (a-select) op volgorde van binnenkomst verdeeld worden over de experimentgroep en de controlegroep;

    • d) na het bereiken van het maximum aantal de dan nog resterende inschrijvingen conform lid 7 worden afgewezen.

  • 11 Indien het aantal inschrijvingen op een innovatieconcept onvoldoende is om een effectmeting te kunnen uitvoeren, kan de minister besluiten de inschrijvingen op dit concept af te wijzen.

  • 12 Inschrijvingen die na 1 mei 2010 zijn ontvangen, worden niet in behandeling genomen.

  • 13 Uiterlijk op 15 mei 2010 ontvangt het bevoegd gezag van Agentschap NL een bewijs van toewijzing aan de experimentgroep of de controlegroep of een bericht van afwijzing.

Artikel 8. Aanvraagprocedure [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Aanvraagprocedure voor subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, en voor subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b:

    • a. Met de aanvraag van subsidie voor de uitvoering van een projectplan vraagt het bevoegd gezag tegelijkertijd subsidie aan voor de ontwikkeling van een projectplan;

    • b. Uitsluitend aanvragen die met gebruikmaking van het beschikbaar gestelde aanvraagformulier zijn ingediend, worden in behandeling genomen. Het aanvraagformulier wordt vanaf 15 mei 2010 beschikbaar gesteld;

    • c. De subsidieaanvraag dient uiterlijk op 1 oktober 2010 ontvangen te zijn door Agentschap NL;

    • d. Aanvragen die na 1 oktober zijn ontvangen, worden niet in behandeling genomen.

  • 2 Ambtshalve vaststelling van subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c:

    • a. Het bevoegd gezag verklaart akkoord te gaan met deelname aan de effectmeting door het bewijs van toewijzing aan de controlegroep als bedoeld in artikel 7, lid 13, ondertekend te retourneren aan Agentschap NL;

    • b. Het ondertekende bewijs van toewijzing aan de controlegroep dient uiterlijk op 15 juni 2010 ontvangen te zijn door Agentschap NL.

Artikel 9. Vereisten subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De aanvraag voor subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, en voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, omvat:

    • a. het volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier als bedoeld in artikel 8, lid 1, b;

    • b. het door Agentschap NL afgegeven bewijs van toewijzing aan de experimentgroep als bedoeld in artikel 7, lid 13;

    • c. een projectplan dat voldoet aan de in lid 3 en 4 vermelde vereisten;

    • d. een projectbegroting die voldoet aan de in lid 5 vermelde vereisten.

  • 2 De minister kan besluiten dat de subsidieaanvraag voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, niet hoeft te voldoen aan de vereisten zoals bepaald in lid 1, c en d.

  • 3 Het bij de aanvraag voor subsidie als bedoeld in lid 1, c, te voegen projectplan dient te passen binnen de kaders van het gepubliceerde innovatieconcept:

    • a. De wijze waarop de resultaten en effecten worden gemeten, dient conform de effectmeting van het innovatieconcept te zijn;

    • b. De in het projectplan beschreven innovatieve maatregel dient inhoudelijk overeen te komen met het innovatieconcept;

    • c. De (verwachte) effecten van de innovatieve maatregel moeten beschreven worden in termen van hogere arbeidsproductiviteit (met minder leraren dezelfde of hogere resultaten bereiken);

    • d. De begrote kosten voor uitvoering van het projectplan dienen binnen de bij het gepubliceerde innovatieconcept goedgekeurde kosten per school te blijven. Bij overschrijding is het meerdere voor eigen rekening van het bevoegd gezag.

  • 4 Het bij de aanvraag voor subsidie als bedoeld in lid 1, c, te voegen projectplan dient aan de volgende criteria te voldoen dan wel de volgende onderdelen te bevatten:

    • a. het plan bevat een gedetailleerde begroting;

    • b. het plan maakt integraal onderdeel uit van het schoolbeleid;

    • c. het plan is goedgekeurd door de (PG)MR dan wel wordt aangetoond dat het draagvlak van het plan op een andere manier voldoende is geborgd;

    • d. een gedetailleerde planning van de projectfasen en van de activiteiten gedurende de gehele looptijd van het project;

    • e. een beschrijving van de wijze waarop aansturing en coördinatie van het project plaatsvindt;

    • f. een beschrijving van de wijze waarop eigen personeel wordt ingezet voor projectleiding, projectcoördinatie en projectuitvoering;

    • g. een beschrijving van de wijze waarop derden zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, b, worden ingezet alsmede een onderbouwing van de meerwaarde van en de noodzaak tot inhuur van deze derden;

    • h. een beschrijving van de bij het project betrokken samenwerkingspartners, scholen en besturen;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop de effectmeting plaatsvindt.

  • 5 De projectbegroting als bedoeld in lid 1, d, dient aan de volgende criteria te voldoen:

    • a. De projectbegroting sluit één op één aan op de activiteiten van het projectplan;

    • b. De projectbegroting geeft inzicht in de begrote kosten per kalenderjaar;

    • c. In de projectbegroting wordt onderscheid gemaakt naar de subsidiabele kostensoorten, zoals opgenomen in artikel 10, lid 2.

Artikel 10. Subsidiabele projectkosten [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Uitsluitend de begrote kosten komen voor subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, in aanmerking.

  • 2 De volgende kostensoorten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en implementatie van het projectplan, komen in aanmerking voor subsidiëring:

    • a. tijdelijke personele kosten, uitsluitend in verband met projectleiding en procescoördinatie;

    • b. kosten voor inhuur van derden (deskundigen, adviseurs);

    • c. kosten voor aanschaf of huur van middelen en materialen die direct voor het project noodzakelijk en functioneel zijn.

  • 3 Bij de inhuur van derden als bedoeld in lid 2, b, geldt een maximumtarief van € 150 per uur inclusief BTW.

  • 4 Middelen en materialen als bedoeld in lid 2, c, moeten op basis van afschrijving worden begroot, met een termijn van 5 jaar.

  • 5 De vergoeding van tijdelijke personeelskosten als bedoeld in lid 2, a, vindt plaats op basis van reële uurtarieven inclusief sociale lasten en overhead.

  • 6 Geen subsidie wordt verleend voor tijdelijke personele kosten in verband met de uitvoering van het project.

  • 7 Geen subsidie wordt verleend voor kosten van activiteiten die voor de datum van subsidieverlening ten behoeve van het project zijn gemaakt.

  • 8 Geen subsidie wordt verleend voor de ontwikkeling van nieuwe ICT-middelen.

  • 9 Geen subsidie wordt verleend voor kosten van activiteiten die na de looptijd van de subsidie ten behoeve van het project worden gemaakt.

  • 10 Onvoorziene kosten komen niet voor subsidie in aanmerking.

Hoofdstuk 3. Adviescommissie [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 11. Samenstelling en benoeming adviescommissie [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Er is een onafhankelijke adviescommissie die tot taak heeft de minister te adviseren over de innovatieconcepten die als basis dienen voor de door scholen te ontwikkelen projectplannen.

  • 2 Tot leden van de adviescommissie worden benoemd:

    • dhr. A. Rinnooy Kan (voorzitter),

    • dhr. L. Verburgh,

    • dhr. A. Niemeijer,

    • dhr. P. Witteveen,

    • dhr. M. Vermeulen, en

    • dhr. J. Peschar.

  • 3 De voorzitter en de leden worden benoemd voor de periode van 1 maart 2010 tot 1 mei 2010.

  • 4 De periode, bedoeld in het derde lid, kan met ten hoogste twee maanden worden verlengd.

  • 5 De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien:

    • a. daarom door de betreffende persoon verzocht is;

    • b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft;

    • c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.

  • 6 Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 12. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2 De adviescommissie wordt bijgestaan door:

    • a. Een adviserend lid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    • b. Agentschap NL, het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken, die in het secretariaat van de adviescommissie voorziet.

Artikel 13. Rol adviescommissie [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De adviescommissie beoordeelt de innovatieconcepten die zijn ingediend, rangschikt de innovatieconcepten en selecteert de meest kansrijke innovatieconcepten.

  • 2 De adviescommissie adviseert de minister uiterlijk op 30 maart 2010 over de selectie van de meest kansrijke innovatieconcepten.

Artikel 14. Integriteit [Vervallen per 01-01-2017]

Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een onverenigbaar belang heeft bij de selectie van een innovatieconcept.

Artikel 15. Informatieplicht [Vervallen per 01-01-2017]

De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 16. Openbaarmaking [Vervallen per 01-01-2017]

Rapporten, notities, verslagen en andere producten welke door of namens de adviescommissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht.

Artikel 17. Intellectuele eigendom [Vervallen per 01-01-2017]

De leden van de commissie werken mee aan het tot stand komen van een overeenkomst indien dit naar het oordeel van de minister noodzakelijk is om te komen tot het kosteloos overdragen aan de minister van rechten met betrekking tot intellectuele eigendom.

Artikel 18. Vergoeding [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen een vaste vergoeding. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitter en de andere leden is schaal 18, nr. 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter is 25 uur per maand en voor de overige leden 22,5 uur per maand. De vergoeding wordt aan het einde van de zittingstermijn van de commissie (inclusief eventuele verlenging) uitbetaald. Indien de werkzaamheden meer of minder dan het vastgestelde aantal uren bedraagt, wordt in overleg eventueel de vergoeding evenredig vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 19. Criteria verdeling bij subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen voor subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, op basis van:

    • a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;

    • b. in de tweede plaats: een verdeling van het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.

  • 2 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen voor subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, op basis van:

    • a. in de eerste plaats: de 8 voortrekkerscholen als bedoeld in artikel 7, lid 9, krijgen voorrang;

    • b. in de tweede plaats: een vergelijking van de geschiktheid van de overige projectplannen om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie;

    • c. in de derde plaats: de verhouding tussen het aantal projectplannen van urgentiescholen en het totaal aantal projectplannen.

  • 3 Indien er na toepassing van lid 2 nog sprake is van gelijke kwalitatieve geschiktheid van projectplannen, zal de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdelen.

  • 4 Met het oog op het bepaalde in het eerste en derde lid, geldt als datum van ontvangst de dag waarop de aanvraag is aangevuld, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen.

Artikel 20. Advies voorafgaand aan subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2017]

De minister beslist over subsidieverlening mede op basis van het advies van Agentschap NL.

Artikel 21. Voorschriften bij subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2017]

Aan de verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, kunnen aanvullende verplichtingen worden verbonden die noodzakelijk zijn ter waarborging van een juiste uitvoering van het project, dan wel voor het behoud van een goed inzicht in de voortgang van het project.

Artikel 22. Tijdvak subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, wordt verleend vanaf het moment van de datum van toekenning van de subsidieaanvraag tot uiterlijk 1 januari 2015.

  • 2 Subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, wordt verleend vanaf het moment van ambtshalve vaststelling van deze subsidie tot uiterlijk 1 januari 2015.

Artikel 23. Besluitvorming door de minister [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De minister beschikt uiterlijk 6 weken na afloop van de indieningstermijn op de subsidieaanvraag voor de ontwikkeling respectievelijk uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2. lid 1, a respectievelijk b.

  • 2 Indien de minister niet tijdig een beslissing neemt, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 24. Begrotingsvoorwaarde [Vervallen per 01-01-2017]

In geval van niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen voor de uitvoering van projectplannen als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de Rijksbegroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 25. Weigeringsgronden [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan verlening van subsidie worden geweigerd indien de aanvrager op grond van een andere regeling van de (rijks)overheid reeds subsidie ontvangt voor het projectplan dat het bevoegd gezag indient in het kader van deze regeling.

  • 2 De minister kan subsidieverlening weigeren als het aantal goedgekeurde projectplannen voor implementatie van een innovatieconcept onvoldoende is om een adequate effectmeting te kunnen uitvoeren of als hiertoe het aantal controlescholen onvoldoende is.

Hoofdstuk 5. Verplichtingen subsidieontvanger [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 26. Tussentijdse audit [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De minister laat voor projecten met een looptijd van meer dan een jaar jaarlijks een audit uitvoeren om vast te stellen of het project volgens planning verloopt en of de tot dan voorgenomen resultaten zijn bereikt

  • 2 Ten behoeve van deze tussentijdse audit stelt de ontvanger van subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, gedurende de subsidieperiode iedere 12 maanden – gerekend vanaf de startdatum van het project – een inhoudelijk verslag van activiteiten op waaruit de besteding van de subsidie en de resultaten van de activiteiten duidelijk blijken.

  • 3 De inrichting van het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid komt overeen met de inrichting van het projectplan.

  • 4 Het inhoudelijk verslag dient uiterlijk binnen 3 maanden na afloop van iedere termijn van 12 maanden als bedoeld in het tweede lid ingediend te worden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

  • 5 Op basis van de resultaten van de tussentijdse audit kan de minister besluiten de middelen bestemd voor het vervolg van het project niet of niet in zijn geheel betaalbaar te stellen.

  • 6 Voor projecten met een looptijd van een jaar of minder zal geen tussentijdse audit plaatsvinden.

Artikel 27. Administratievoorschriften [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Het bevoegd gezag dat subsidie ontvangt in het kader van deze regeling voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen kunnen worden nagegaan.

  • 2 Het bevoegd gezag bewaart de boeken en bescheiden en informatie of andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van deze regeling gedurende ten minste zeven jaar na datum waarop de vaststelling van de subsidie heeft plaatsgevonden.

Artikel 28. Informatieplicht [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de evaluatie van de subsidieregeling en de ontwikkeling van het beleid.

  • 2 De subsidieontvanger werkt mee aan de voor de effectmeting benodigde gegevensverzameling door onderzoekers.

  • 3 Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

  • 4 De subsidieontvanger is verplicht de minister en door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met deze subsidieregeling verlangen. De subsidieontvanger geeft desgewenst deze ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.

  • 5 De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan communicatieactiviteiten gericht op het presenteren, verspreiden en overdragen van de (tussentijdse) projectresultaten aan overige belangstellenden.

Artikel 29. Besteding subsidie [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a en de subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan de in de regeling omschreven doelen. Terugvordering van niet-bestede middelen vindt niet plaats.

  • 2 De subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen na afloop van de looptijd van de subsidie worden teruggevorderd.

    De subsidie wordt uiterlijk in het jaar 2014 besteed.

Hoofdstuk 6. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 30. Verantwoording en controle [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De verantwoording van de subsidies voor de ontwikkeling van het projectplan respectievelijk voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, a respectievelijk c, geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidies.

  • 2 De financiële verantwoording van de subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, behorend bij de richtlijn RJ660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.

  • 3 In aanvulling op de verantwoording van de subsidie in de jaarverslaggeving stelt de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2 lid 1, b een verslag van activiteiten op waaruit de besteding van de subsidie duidelijk blijkt. Het verslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten. Het verslag wordt uiterlijk binnen 3 maanden na afloop van de subsidieperiode ingediend bij DUO.

  • 4 De inrichting van het verslag zoals bedoeld in lid 3 komt overeen met de inrichting van het projectplan en bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het projectplan, en de feitelijke realisatie.

  • 5 Uiterlijk 1 jaar na ontvangst van het jaarverslag van het laatste jaar van besteding wordt de subsidie als bedoeld in lid 2 definitief door DUO vastgesteld.

Artikel 31. Lagere vaststelling subsidie [Vervallen per 01-01-2017]

Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

  • a. de aanvrager onjuiste, niet tijdige of voor de beoordeling van de verantwoording onvolledige gegevens heeft verstrekt;

  • b. de activiteiten niet zijn gestart, aanzienlijk zijn vertraagd of voortijdig worden beëindigd;

  • c. de subsidieontvanger heeft gehandeld in strijd met de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • d. de ontvanger van de subsidie kennelijk in strijd met het doel van de subsidie heeft gehandeld.

Hoofdstuk 7. Betaling [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 32. Betaling [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Indien er sprake is van subsidie voor de uitvoering van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, b, wordt het subsidiebedrag betaalbaar gesteld conform het in de goedgekeurde projectbegroting opgenomen bestedingspatroon. De betalingen vinden jaarlijks plaats in januari, te beginnen in 2011.

  • 2 Indien er sprake is van subsidie voor de ontwikkeling van een projectplan als bedoeld in artikel 2, lid 1, a, wordt het subsidiebedrag uiterlijk in december 2010 betaalbaar gesteld.

  • 3 Indien er sprake is van subsidie voor deelname aan de effectmeting als bedoeld in artikel 2, lid 1, c, wordt per kalenderjaar 25% van het subsidiebedrag betaalbaar gesteld. De betalingen vinden jaarlijks plaats in januari, te beginnen in 2011.

  • 4 Het betaalbaar stellen van de subsidies als bedoeld in artikel 2, lid 1, geschiedt door de DUO.

  • 5 Het betaalbaar stellen van de subsidies als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, geschiedt nadat de school tijdig de gevraagde gegevens heeft geleverd, op basis van de aanwijzingen die door de onderzoeker aan de betreffende school zijn verstrekt.

Hoofdstuk 7a. Effectmeting 2015 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 32a. Toepasselijk recht [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 De hoofdstukken 5 en 6 van deze regeling zijn op dit hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 32b. Subsidie effectmeting [Vervallen per 01-01-2017]

  • 1 Voor scholen die deel uitmaken van een experiment- of controlegroep en zich voor 1 februari 2015 aanmelden is voor deelname aan de effectmeting in 2015 een subsidie van € 2.500 per school beschikbaar.

  • 2 Deze subsidie wordt beschikbaar gesteld nadat de school tijdig aan alle onderzoeksverplichtingen heeft voldaan, conform de aanwijzingen die door de onderzoeker aan de school worden gegeven.

  • 3 De school doet de in het eerste lid bedoelde aanmelding en levert de onderzoeksgegevens aan bij de onderzoeker die de effectmeting uitvoert.

  • 4 Zodra alle gegevens geleverd zijn, meldt de onderzoeker dit aan DUO volgens het door DUO vastgestelde format, waarna de subsidie uiterlijk december 2015 wordt betaald.

Artikel 32c. Experiment- en controlegroepen [Vervallen per 01-01-2017]

In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid van artikel 32b geldt dat een vo-school zowel aan de effectmeting van de experiment- als van de controlegroep meewerkt. Daarom is voor vo-scholen voor beide inspanningen tezamen een subsidie van € 5.000 per school beschikbaar.

Artikel 32d. Voorbehoud bij onvoldoende deelnemers [Vervallen per 01-01-2017]

De minister kan besluiten de subsidie niet te verstrekken als het aantal scholen onvoldoende is om een adequate effectmeting te kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 33. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2017]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt per 1 januari 2017.

Artikel 34. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2017]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling InnovatieImpuls Onderwijs.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart