KruimelpadGeldend op 15-04-2010
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen voor een versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis alsmede met dat doel diverse wettelijke bepalingen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1. Afdeling 2 is van toepassing op:
a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;
b. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en
c. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.
2. Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten.
Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet, kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden toegevoegd aan bijlage III bij deze wet.
Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.
In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.
1. Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
2. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.
1. De administratieve rechter behandelt het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
3. Indien de administratieve rechter het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.
4. De administratieve rechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn.
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel artikel 36, zesde lid, of artikel 39, zesde lid, van de Wet op de Raad van State of artikel 19, zesde lid, of artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt toegepast.
2. In dat geval doet de administratieve rechter:
a. binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuitspraak, en
b. binnen zes maanden na de verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien de administratieve rechter met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap prejudiciële vragen stelt.
2. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld.
3. In de tussenuitspraak beslist de rechter zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.
4. Tegen een tussenuitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
De administratieve rechter vernietigt een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
1. Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de administratieve rechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een nieuw besluit wordt genomen ter uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht.
Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is:
a. artikel 7.10 van die wet voor zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing;
b. artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.
1. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, genoemd in bijlage III bij deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een besluit omtrent verlening van een vergunning, is op de aanvraag ervan paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 4:20b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is artikel 3.16, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing indien een aanlegvergunning van rechtswege is verleend.
4. Een bevoegde instantie bevestigt de ontvangst van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, bedoeld in bijlage III, zo snel mogelijk. De ontvangstbevestiging bevat de volgende informatie:
a. de bij wettelijk voorschrift met betrekking tot die vergunning bepaalde termijn waarbinnen de beschikking wordt gegeven;
b. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te komen.
5. Indien paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht op een aanvraag van toepassing is, vermeldt de ontvangstbevestiging tevens dat de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. milieugebruiksruimte: binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende activiteiten;
b. milieukwaliteitsnorm: bij wettelijk voorschrift gestelde norm ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu.
1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan bij wijze van experiment een gebied, zijnde bestaand stedelijk gebied of bestaand bedrijventerrein, voor de duur van ten hoogste tien jaar worden aangewezen als ontwikkelingsgebied, indien dat met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied bijzonder aangewezen is.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1. Voor een ontwikkelingsgebied stelt de gemeenteraad een gebiedsontwikkelingsplan vast dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan en het exploitatieplan worden overeenkomstig met het gebiedontwikkelingsplan gewijzigd en worden tegelijkertijd met het gebiedsontwikkelingsplan vastgesteld. Het gebiedsontwikkelingsplan is gericht op een optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het totstandbrengen van een goede milieukwaliteit. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig per aangewezen gebied als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, over de wijze waarop de optimalisering van de milieugebruiksruimte plaats kan vinden.
2. Een gebiedsontwikkelingsplan bevat:
a. de vanwege het optimaliseren van de milieugebruiksruimte door de gemeenteraad voorgenomen projecten in het ontwikkelingsgebied;
b. de voorgenomen maatregelen en werken in het gebied ten behoeve van een goede milieukwaliteit;
c. de in het gebied noodzakelijke maatregelen en werken ter compensatie van het beslag op milieugebruiksruimte door de in het gebiedsontwikkelingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;
d. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en werken;
e. een raming van de kosten van uitvoering van het gebiedsontwikkelingsplan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden voorzien, en een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de met het gebiedsontwikkelingsplan beoogde resultaten zal worden nagestreefd;
f. een overzicht van de tijdstippen waarop aan de gemeenteraad een rapportage zal worden uitgebracht over de voortgang en de uitvoering van de in de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en werken, die op verzoek tevens wordt verstrekt aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
4. Tegen een gebiedsontwikkelingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan, het exploitatieplan en het gebiedsontwikkelingsplan worden voor de behandeling en uitspraak op het beroep aangemerkt als één besluit.
5. Indien voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, enig besluit is vereist, kunnen burgemeester en wethouders, met inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, dat besluit nemen, mits het gebiedsontwikkelingsplan waarin de maatregel of werken zijn opgenomen onherroepelijk is geworden en voor zover nodig in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens:
a. de Flora- en faunawet;
b. de Natuurbeschermingswet 1998;
c. de Ontgrondingenwet;
e. de Wet bodembescherming;
f. de Wet geluidhinder;
i. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2,
met dien verstande dat na vaststelling van het plan uiterlijk na tien jaar alsnog wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geven burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwaliteitsnormen.
6. Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in het vijfde lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.
7. De verklaring, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden geweigerd met het oog op het belang dat de betrokken wet beoogt te beschermen.
8. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp van de verklaring binnen acht weken aan burgemeester en wethouders. In een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders deze termijn met een bij hun besluit te bepalen redelijke termijn verlengen.
9. De artikelen 2.27, tweede, vierde en vijfde lid, en 3.11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor «omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een besluit als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, van de Crisis- en herstelwet» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Crisis- en herstelwet.
10. De gemeente draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, binnen een in het plan te noemen termijn.
11. Werken opgenomen in het gebiedsontwikkelingsplan worden aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht.
12. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat:
a. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
b. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, en
c. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken.
13. Voor zover een besluit als bedoeld in het vijfde lid zijn grondslag vindt in een gebiedsontwikkelingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen betrekking hebben.
1. Indien voor een ontwikkelingsgebied een provinciaal inpassingsplan wordt vastgesteld, stellen, in afwijking van artikel 2.3, eerste lid, voor dat gebied provinciale staten een gebiedsontwikkelingsplan vast.
2. Artikel 2.3 is van overeenkomstige toepassing op een ingevolge het eerste lid vastgesteld gebiedsontwikkelingsplan, met dien verstande dat:
a. in het eerste en tweede lid in plaats van «de gemeenteraad» wordt gelezen: provinciale staten;
b. in het eerste en vierde lid in plaats van «bestemmingsplan» telkens wordt gelezen: inpassingsplan;
c. in het vijfde en achtste lid in plaats van «burgemeester en wethouders» telkens wordt gelezen: gedeputeerde staten;
d. in het zesde lid in plaats van «Burgemeester en wethouders» wordt gelezen: Gedeputeerde staten;
e. in het tiende lid in plaats van «gemeente» wordt gelezen: provincie.
1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
a. de Elektriciteitswet 1998;
b. de Warmtewet;
c. de Wet ammoniak en veehouderij;
d. de Wet bodembescherming;
e. de Wet geluidhinder;
h. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;
i. de Wet ruimtelijke ordening, of
j. de Woningwet.
2. Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:
a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;
b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en
c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
In deze afdeling wordt:
a. verstaan onder bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van die wet, een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van die wet, een inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet;
b. onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan de onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet;
c. verstaan onder radarstation: voor de beveiliging van het nationaal luchtruim en de veilige afhandeling van het militair en burgerluchtverkeer essentieel radarstation, en
d. verstaan onder radarverstoringsgebied voor een radarstation: gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation.
1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation bevat geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de radar op het radarstation.
2. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:
a. de radarstations aangewezen;
b. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;
c. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.
3. Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt overwogen bestemmingen aan te wijzen of regels te geven omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van gevolgen van die bouwwerken voor het zenden of ontvangen van radiogolven door het radarstation. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de wijze van de totstandkoming van de beoordeling.
4. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het derde lid, alsmede het oordeel van Onze Minister van Defensie over de toereikendheid van de beoordeling en over de aanvaardbaarheid van de in de beoordeling beschreven gevolgen.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening ter zake van het oprichten van bouwwerken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden.
6. Op een besluit als bedoeld in het tweede lid is het krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste lid, in samenhang met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
7. De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing op bouwwerken:
a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds in het radarverstoringsgebied, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanwezig waren;
b. waarvoor de bouwvergunning vóór dat tijdstip is verleend, of
c. waarvan de bouw in het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.
In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Leegstandwet is artikel 247 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op vergunningen voor huur en verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet. Artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet inzake zodanige woonruimte.
1. Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van:
a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste:
1°. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel
2°. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede
b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.
2. Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in dat onderdeel blijven.
3. Deze afdeling is niet van toepassing:
a. indien voor de uitvoering van een project als bedoeld in het eerste lid een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist;
b. op projecten als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen krachtens artikel 2.18;
c. indien het project ziet op de bouw van woningen op minder dan 100 meter van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Tracéwet, gemeten vanaf de as van die weg, of van een weg die overeenkomstig een daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model is aangeduid als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dat niet is toegestaan door de krachtens artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van die weg;
d. indien het project ziet op de bouw van woningen binnen 30 meter van een krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor;
e. indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswateren of regionale wateren waaraan krachtens de artikelen 4.1 of 4.4 van de Waterwet de functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.
1. Op verzoek of ambtshalve kan de gemeenteraad ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is.
2. Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.
3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.
4. Uit het projectuitvoeringsbesluit en de daarbij behorende toelichting blijkt welke gevolgen aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze rekening is gehouden met de daarbij betrokken belangen, waaronder in elk geval de belangen ter bescherming waarvan de wettelijke voorschriften strekken die ingevolge het tweede lid niet van toepassing zijn en, voor zover van toepassing, hoofdstuk V, paragraaf 1, van de Monumentenwet 1988.
5. Bij een projectuitvoeringsbesluit worden de bij of krachtens wet of verordening vastgestelde toetsingskaders toegepast en normen in acht genomen. Voor zover de wet of verordening afwijking van die toetsingskaders of normen toestaat, kan het projectuitvoeringsbesluit daarin voorzien.
6. Aan het projectuitvoeringsbesluit kunnen ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
7. Indien een projectuitvoeringsbesluit er toe strekt een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 te vervangen:
a. legt de gemeenteraad, indien het een archeologisch monument betreft als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Monumentenwet 1988 en in de gevallen, bedoeld in artikel 16 van die wet, het voornemen tot een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht, advies uitbrengt, en
b. zendt de gemeenteraad aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het monument gelegen is buiten de bebouwde kom, aan gedeputeerde staten:
1°. het ontwerpbesluit, en
2°. onmiddellijk na de vaststelling een afschrift van het projectuitvoeringsbesluit.
8. Indien een projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft op een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Monumentenwet 1988 zendt de gemeenteraad onmiddellijk na de vaststelling hiervan een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
9. Het tweede lid en het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, de Luchtvaartwet en de wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561) omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving van luchthavens in verband met geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid. Voor de toepassing van de Wet luchtvaart wordt het projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.
Indien sprake is van provinciale belangen, kunnen provinciale staten ten behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 2.17.
Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet.
Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist.
Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing:
b. afdeling 6.1;
c. afdeling 6.4, met dien verstande dat voor aanvang van de bouw van bouwplannen als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van die wet een melding aan burgemeester en wethouders wordt gedaan en dat burgemeester en wethouders een beschikking met de inhoud van artikel 6.17 van die wet geven bij de start van de bouw, gericht aan een eigenaar van gronden waarop gebouwd wordt.
Deze afdeling is van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.
1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen lokaal project met nationale betekenis stelt de gemeenteraad een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.
2. De structuurvisie, bedoeld in het eerste lid, bevat onverminderd het elders omtrent de inhoud van een structuurvisie bepaalde, tevens:
a. een concretisering van de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken gebied;
b. een beschrijving van de voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende onderdelen:
1°. een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten, alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad;
2°. een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie;
3°. een analyse van de risico’s ten aanzien van verplichtingen tot het toekennen van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
4°. eventuele voornemens inzake verwerving van gronden;
5°. de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van het project noodzakelijke besluiten ingevolge artikel 2.21 toepassing zal worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
c. een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig artikel 2.20, eerste lid, gevoerde bestuurlijk overleg.
1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen (boven)regionaal project met nationale betekenis stellen provinciale staten een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.
2. Op projecten als bedoeld in het eerste lid is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in de artikelen 2.19, tweede lid, onder b, onder 5°, en 2.21 in plaats van «de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: de provinciale coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.2 van de Wet ruimtelijke ordening;
b. in artikel 2.20, eerste lid, in plaats van «die diensten van provincie en Rijk» wordt gelezen: die diensten van Rijk;
c. in artikel 2.20, derde lid, in plaats van «de eerstverantwoordelijke gemeente» wordt gelezen: de eerstverantwoordelijke provincie;
d. in artikel 2.21 in plaats van «In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: In afwijking van artikel 3.33, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
e. in artikel 2.22 in plaats van «een gemeentelijke verordening» wordt gelezen: een provinciale of gemeentelijke verordening;
f. in artikel 2.23, eerste lid, in plaats van «artikel 3.10» wordt gelezen «artikel 3.27», in plaats van «kan de gemeenteraad» wordt gelezen «kunnen provinciale staten» en in plaats van «gemeentebestuur» wordt gelezen «provinciebestuur».
1. Bij de voorbereiding van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het geding zijn.
2. In afwijking van hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening, worden, voor zover het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot vaststelling van een structuurvisie waarmee de bestuursorganen van de betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk instemmen, aan die structuurvisie verklaringen gehecht houdende instemming van die bestuursorganen met de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling.
3. Ter uitvoering van de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van een goede begeleiding en tijdige afronding van het project een projectcommissie ingesteld. In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen, bedoeld in het tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente.
In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
Voor zover de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
1. Indien voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt genomen, kan de gemeenteraad met het oog op de invordering van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met dat projectbesluit aan dat projectbesluit voorschriften verbinden, die de verplichting inhouden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het nakomen van de ingevolge dat besluit verschuldigde rechten.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder geval het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden.
3. Bij het besluit kunnen voorschriften worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen regels worden gegeven gericht op:
a. een versnelling van de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, en
b. een goede uitvoering van deze wet.
2. Het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts van toepassing op:
a. de projecten en categorieën van projecten, genoemd in de bijlagen I en II bij deze wet;
b. de projecten waar deze wet bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.2 op van toepassing is verklaard;
c. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en
d. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.
Tegen toevoeging als bedoeld in artikel 1.2 van categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage I, van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage II of van wettelijke voorschriften aan bijlage III bij deze wet alsmede tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, een verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, of een aanwijzing van een project op grond van artikel 2.18 staat geen beroep open.
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.2, 2.2, 2.4, 2.9, 2.18 of 5.1 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
1. De artikelen 1.4 en 1.6 tot en met 1.9 zijn niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt.
2. De artikelen 1.4 en 1.9 zijn voorts niet van toepassing, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een onteigeningsbesluit, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip.
2. Een koninklijk besluit tot goedkeuring van een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 79 van de onteigeningswet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 78 van de onteigeningswet.
De Interimwet stad-en-milieubenadering, zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van die wet.
Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een tracébesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.
Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening gegeven bepalingen met betrekking tot radarstations als bedoeld in die afdeling.
De ministeriële regelingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berusten op artikel 20, eerste lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, berusten na dat tijdstip op artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing.
Onze Minister van Justitie zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een evaluatie van de effecten van de in Hoofdstuk 1 van deze wet opgenomen instrumenten op versnelling en op verbetering van de projecten waarop deze van toepassing zijn.
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2014. De artikelen 3.6 en 3.25 werken terug tot en met 1 juli 2008 respectievelijk tot en met 15 juni 2009.
2. Indien het eerste besluit ter uitvoering van een project waarop deze wet van toepassing was, is genomen voor 1 januari 2014 blijft deze wet na 31 december 2013 van toepassing op latere besluiten of handelingen ter uitvoering van datzelfde project.
3. Deze wet blijft na 31 december 2013 van toepassing op:
a. ontwikkelingsgebieden ten aanzien waarvan voor 1 januari 2014 een gebiedsontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2.3 is vastgesteld;
b. experimenten als bedoeld in artikel 2.4 die voor 1 januari 2014 zijn aangewezen overeenkomstig dat artikel;
c. de uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, indien ten aanzien van dat project voor 1 januari 2014 een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, is genomen, en
d. de uitvoering van krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten, indien ten aanzien van die projecten voor 1 januari 2014 aan de structuurvisie, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, de in artikel 2.20, tweede lid, bedoelde verklaringen zijn gehecht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Beatrix
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken ,
J. P. Balkenende
De Minister van Justitie ,
E. M. H. Hirsch Ballin
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
J. C. Huizinga-Heringa
De Minister van Verkeer en Waterstaat ,
C. M. P. S. Eurlings
De Minister van Justitie ,
E. M. H. Hirsch Ballin
1.1. aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998
1.2. ontwikkeling en verwezenlijking van bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder h, van de Wet bodembescherming
1.3. aanleg, wijziging of uitbreiding van installaties voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 in de glastuinbouw, en van energienetwerken bestemd voor levering van restenergie aan op het netwerk aangesloten glastuinbouwondernemingen, dan wel levering van restwarmte van die ondernemingen aan anderen
1.4. aanleg, wijziging of uitbreiding bij agrarische bedrijven van installaties voor co-vergisting van de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer stoffen, genoemd in bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1.5. ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het leveren van duurzame energie
2.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening
2.2. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens
2.3. projecten aangewezen krachtens artikel 2.18.
3.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden
3.2. projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid
3.3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens
4.1. project «Innovacomplex» en «Villa Flora» voor de Floriade 2012 in greenport Klavertje 4 te Venlo (uitvoering deel 4 Nota Ruimte)
5.1. aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet
5.2. wegaanpassingsprojecten als bedoeld in artikel 2 van de Spoedwet wegverbreding
5.3. uitvoering van onderhoud, herstel of verbetering van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
6.1. ontwikkeling en verwezenlijking van luchthavens waarvoor krachtens de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit is vereist dan wel krachtens de Luchtvaartwet een aanwijzingsbesluit is vereist
7.1. projecten ter uitvoering van de Nadere uitwerking rivierengebied (NURG)
7.2. werken als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de waterkering, of artikel 2.7, eerste lid, van de Waterwet (inclusief zandsuppleties)
7.3. aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet
7.4. [vervallen]
8.1. aanleg of wijziging van landelijke spoorwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet
9.1. aanleg of wijziging van hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet.
A. NOTA RUIMTE | |||||
|---|---|---|---|---|---|
nr | Omschrijving project | Omschrijving ligging of locatie | Vindplaats in MIRT projectenboek 2009 | Vindplaats in Nota Ruimte Uitvoeringsbudget 2007 – 2014 | Aard van het project |
1 | Amsterdam Noordelijke IJoevers | Tegenover Amsterdam CS aan de noordkant van het IJ | P 149 | P 16 en 17 | Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein |
2 | Den Bosch Spoorzone | Gelegen rondom station | P 221 | P 64 en 65 | Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering |
3 | Apeldoorn Kanaalzone | Centraal gelegen zone in de stad | P 284 | P 62 en 63 | Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering |
4 | Den Haag Internationale Stad (onderdeel Scheveningen Boulevard) Bij Boulevard van Scheveningen | P 145 | P 26 en 27 | Integrale gebiedsontwikkeling + kustversterking |
|
5 | Greenports (6 tuinbouwlocaties in Zuid-Holland en Deurne) | Prov Zuid-Holland: Boomwatering ; 4B-water Waalblok; Overbuurtsepolder; Bollenstreek; Boskoop; Prov Noord-Brabant: Deurne | Boskoop: P 190 Duin- en Bollenstreek: P 191 Westland – Oostland: P 192 | P 68 en 69 voor Boskoop, Duin- en Bollenstreek, Westland – Oostland | Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw |
6 | Greenport Aalsmeer/PrimaViera | Bij Aalsmeer | P189 | P 68 en 69 | Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw |
7 | Klavertje 4 Venlo | Bij Venlo | p. 257 | P 46 en 47 (en 68, 69) | Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw en op verbinding A73–A67 (Greenportlane) |
8 | Nijmegen Waalfront | Centrum Nijmegen aan de zuidkant van de Waal | P 264 | P 54 en 55 | Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering |
9 | Eindhoven A2 zuidelijke aansluiting (zie ook Eindhoven brainport) | Rondom A2 bij Eindhoven | P 256 | P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven) | Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen |
10 | Nieuwe Hollandse Waterlinie | Rijnauwen – Vechten, Linieland, Lingekwartier – Diefdijk | P 188 | P 40 en 41 | Integrale gebiedsontwikkeling; restauratie forten, natuurontwikkeling, verbetering infrastructuur, bouw van woningen |
11 | Waterdunen | In de buurt van Breskens | P 220 | P 52 en 53 | Integrale gebiedsontwikkeling; focus op natuurontwikkeling en recreatie, kustversterking |
12 | Maastricht Belvedere | Grenzend aan het centrum van Maastricht | P 214 | P 66 en 67 | Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein tot woon- en werkgebied |
13 | Nieuw Reijerwaard/ Westelijke Dordtse Oever | Industriegebied tussen Ridderkerk en Dordrecht | P 187 | P 32 en 33 (als Hoeksche Waard of alternatieve locatie) | Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein |
14 | Zuidplaspolder | Driehoek tussen Rotterdam Zoetermeer en Gouda | P 140 | P 30 en 31 | Integrale gebiedsontwikkeling voor de functies wonen, werken, glas, groen, water en recreatie |
15 | Groningen Centrale Zone | Centrum van Groningen | P 290 | P 58 en 9 | Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering |
16 | Oude Rijnzone | Strook tussen Leiden en Bodegraven | P 138 | P 36 en 37 | Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein |
17 | Westelijke Veenweiden | Groene Hart en Laag Holland | P 148 P 193, als Westelijke Veenweiden fase 1 | P 38 en 39 | Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering van kwetsbare delen van de veenweidegebieden |
18 | Hengelo Hart van Zuid | Rondom centraal station Twente | P 260 | P 60 en 61 | Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering |
19 | IJsseldelta | Bij Kampen | P 260 | P 50 en 51 | Integrale gebiedsontwikkeling; «blauwe bypass» met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en recreatie |
20 | IJsselsprong | Bij Zutphen | P 261 | P 50 en 51 | Integrale gebiedsontwikkeling met focus op woningbouw, bereikbaarheid en groene buffer |
21 | Mooi en Vitaal Delfland | Gebied tussen den Haag, Rotterdam en Zoetermeer | P 147 | P 28 en 29 | Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering glas en groen |
22 | Almere Weerwaterzone | Gelegen naast het centrum van Almere | P 139 (als Schaalsprong Almere) | P 18 en 19 (als Schaalsprong Almere) | Verdiepte aanleg A6 om barrièrewerking te voorkomen en integrale gebiedsontwikkeling te faciliteren |
23 | Rotterdam Stadshavens | Aan noord- en zuidzijde van de Maas | P 139 | P 24 en 25 | Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering van verouderde bedrijventerreinen |
24 | Brainport Eindhoven | Aanliggend aan de A2 ten westen van Eindhoven | P 218 | P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven) | Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen |
25 | Den Haag Internationale Stad (onderdeel Worldforum) | Bij Statenkwartier | P 145 | P 26 en 27 | Vestigingsplaats voor internationale bedrijven + bereikbaarheid |
26 | Westflank Haarlemmermeer | Strook ten oosten van Heemstede, Hillegom en Lisse | P 147 | P 20 en 21 | Integrale gebiedsontwikkeling; woningbouwopgave, piekwaterberging, recreatieve groenontwikkeling, versterking Groene Hart |
27 | Breda Centraal (t.b.v. Nieuw Sleutelproject) | Centrum Breda | p. 240 | n.v.t. | Ontwikkeling openbaar vervoerterminal |
28 | Windmolenpark Tweede Maasvlakte | Maasvlakte | p. 186 | n.v.t. | Ontwikkeling windmolenpark |
B BODEMBESCHERMING EN BODEMENERGIE | |||
|---|---|---|---|
nr. | Aanduiding project | Omschrijving ligging of locatie | Aard van het project |
1 | Havengebied Rotterdam | De haven van Rotterdam | Pilotproject voor gebiedsgerichte aanpak van grootschalige grondwaterverontreiniging |
2 | Utrecht biowasmachine | Utrechts Stationsgebied e.o. | Pilotproject, met combinatie van winning van bodemenergie en aanpak bodemverontreiniging |
C WATERSTAATSWERKEN | ||
|---|---|---|
nr. | Omschrijving waterstaatswerk | Aard van het project |
1 | Kustlijn en kustfundament Noordzee | Zandsuppleties en werken ter voorkoming of tegengaan van een landwaartse verplaatsing van de kustlijn |
D LUCHTHAVENS | ||
|---|---|---|
nr. | Omschrijving luchthaven | Omschrijving project |
1 | Luchthaven Twente | Ontwikkeling burgerluchthaven |
2 | Luchthaven Lelystad | Vaststellen gebruiksmogelijkheden |
3 | Luchthaven Eindhoven | Vaststellen gebruiksmogelijkheden |
E WEGENPROJECTEN | |||
|---|---|---|---|
nr. | Wegnummer | Omschrijving traject | Aard van het project |
1 | A1/A27 | Utrecht – Knooppunt Eemnes – Amersfoort (Draaischijf Nederland) | Wijziging |
2 | A1/A6/A9 | Schiphol – Amsterdam – Almere | Wijziging |
3 | A12 | Ede – Grijsoord | Verbreding |
4 | A2 | Passage Maastricht | Aanleg / wijziging |
5 | A4 | Delft – Schiedam | Aanleg |
6 | A74 | Venlo – Duitse grens | Aanleg |
7 | N61 | Hoek – Schoondijke | Aanleg / wijziging |
8 | N23 | Westfrisiaweg | Aanleg / wijziging |
9 | A6/A7 | Knooppunt Joure | wijziging |
10 | N31 | Harlingen (Flessenhals Harlingen) | wijziging |
11 | N35 | Tussen Zwolle en Wythem en tussen Nijverdal en Wierden | Aanleg / wijziging |
12 |
| Buitenring Parkstad (incl. aansluiting Nuth en aansluiting Avantis) | Ontwikkeling en aanleg |
13 | A15 | Tunnel bij Rotterdam (tweede westelijke oeververbinding) | Aanleg / wijziging (aanleg tunnel) |
14 | A7 | Zuidelijke Ringweg Groningen | Aanleg / wijziging |
F BRUGGEN | |||
|---|---|---|---|
nr. | Omschrijving brug | Aard van het project | |
1 | Boogbrug Beek | A2 knooppunt Kerensheide – afslag Maastricht Airport | Renovatie |
2 | Brienenoordbrug (westelijke boog) | A16 Ridderkerk – Terbregseplein | Renovatie |
3 | Brug bij Ewijk | A50 knooppunt Valburg – knooppunt Ewijk | Renovatie |
4 | Calandbrug | N15 bij Rozenburg | Renovatie |
5 | Galecopperbrug | A12 Oude Rijn – Lunetten | Renovatie |
6 | Gideonsbrug | A7 Groningen – Hoogezand | Renovatie |
7 | Ketelbrug | A6 Emmeloord – Lelystad | Renovatie |
8 | Kreekrakbrug | A58 knooppunt Markiezaat – afslag Rilland | Renovatie |
9 | Kruiswaterbrug | A7 Sneek – afslag Bolsward | Renovatie |
10 | Muiderbrug | A1 knooppunt Muiderberg – knooppunt Diemen | Renovatie |
11 | Scharbergbrug | A76 Stein – Belgische grens | Renovatie |
12 | Scharsterrijnbrug | A6 Lemmer – Joure | Renovatie |
13 | Suurhoffbrug | N15 Emmeloord – Oostvoorne | Renovatie |
14 | Wantijbrug | N3 Papendrecht – Dordrecht | Renovatie |
G SPOORWEGEN | |||
|---|---|---|---|
nr. | Omschrijving spoorweg of emplacement | Omschrijving traject of locatie | Aard van het project |
1 | Emplacement Amersfoort westzijde | Vrije kruising spoorlijnen Amersfoort – Utrecht en Amersfoort – Amsterdam | ongelijkvloerse kruising (tunnelbak) |
2 | Vrije kruising bij Transformatorweg, Amsterdam | Vrije kruising spoorlijnen Amsterdam Centraal – Zaanlijn – Schiphollijn – Westelijk havengebied Amsterdam | ongelijkvloerse kruising (spoorviaduct) |
3 | Zuidtak OV SAAL Riekerpolder – Duivendrecht | Knooppunt Riekerpolder – knooppunt Duivendrecht (Zuidtak), incl. aansluitingen | wijziging naar 4 en 6 sporen (incl. ongelijkvloerse dubbele vorkaansluitingen) |
4 | Traject Leeuwarden – Groningen |
| wijziging van 1 naar 2 sporen |
5 | Flevolijn OV SAAL | Weesp – Lelystad | geluidmaatregelen en spoorverdubbeling bij Almere |
H VAARWEGEN, SLUIZEN, HAVENS | |||
|---|---|---|---|
nr. | Omschrijving vaarweg | Omschrijving traject of locatie | Aard van het project |
1 | Lekkanaal | Lekkanaal bij de Prinses Beatrixsluizen | Verbreding / verdieping / aanleg derde sluiskolk |
2 | IJmond | Voorhaven IJmuiden | Lichteren bulkcarriers / aanleg nieuwe insteekhaven |
3 | Waal-Rijn | Weurt-Lobith | Aanleg twee overnachtingshavens |