Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Onderlinge regeling Curaçao, Sint Maarten en Nederland ex art. 38, eerste lid, Statuut [...] (samenwerking op het gebied van onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit)

Geldend op 27-12-2011

[Regeling vervalt per 13-02-2014]


  • Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit
  • Curaçao, Sint Maarten en Nederland,

    Overwegende, dat in onderdeel D van de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten op 2 november 2006 is afgesproken dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland op basis van een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, met elkaar zullen samenwerken om te voorzien in het beschikbaar stellen van detentiecapaciteit ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ten behoeve van elkaar;

    Gelet op artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;

    Komen het volgende overeen:

  • Artikel 1

    • 1. Curaçao, Sint Maarten en Nederland, hierna ook aan te duiden als de landen en elk afzonderlijk als land, stellen ten behoeve van elkaar detentiecapaciteit ter beschikking op de wijze, bij deze onderlinge regeling bepaald.

    • 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder detentiecapaciteit verstaan de beschikbare verblijfsruimte voor het onderbrengen van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling tot een vrijheidsstraf, hierna ook aangeduid als gedetineerden.

    • 3. De toepasselijkheid van deze regeling beperkt zich wat betreft Nederland tot de detentiecapaciteit op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • Artikel 2

    Elk der landen draagt zorg voor voldoende detentiecapaciteit op eigen grondgebied die voldoet aan de daaraan gestelde nationale en internationale normen.

  • Artikel 3

    • 1. De landen stellen ten behoeve van elkaar tijdelijk detentiecapaciteit beschikbaar, indien onderbrenging van een gedetineerde in een ander land dan het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd noodzakelijk is:

      • a. doordat vanwege bijzondere omstandigheden of een grootschalige actie van de politie de eigen detentiecapaciteit tijdelijk onvoldoende is;

      • b. met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

      • c. ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;

      • d. met het oog op het voorkomen of opsporen van strafbare feiten.

    • 2. Indien meer dan één land detentiecapaciteit ter beschikking kan stellen, vindt onderbrenging plaats in het land dat het dichtst gelegen is bij de woonplaats van de gedetineerde.

    • 3. Zodra de noodzaak tot onderbrenging in een ander land komt te ontvallen, keert de gedetineerde terug naar het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd.

    • 4. De landen vergoeden elkaar de kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze regeling. Zij verlenen elkaar tevens alle medewerking om de uitoefening van de wettelijke verantwoordelijkheden jegens de gedetineerde te kunnen verzekeren. Met het oog daarop worden schriftelijke afspraken gemaakt over tussentijdse berichtgeving betreffende het gedrag en de toestand van de gedetineerde.

    • 5. In het belang van een goede resocialisatie keert de gedetineerde in ieder geval binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van de straf eindigt, terug.

  • Artikel 4

    • 1. De openbare ministeries van de landen richten hun verzoek om beschikbaarstelling van detentiecapaciteit door tussenkomst van de procureur-generaal tot de Minister van Justitie van het land dat mogelijkerwijs detentiecapaciteit beschikbaar kan stellen.

    • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een advies van de hoofdofficier van justitie, het extract van het vonnis dan wel een afschrift van het bevel tot voorlopige hechtenis, eventuele rapportages over de gedetineerde alsmede overige gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek.

    • 3. De Minister van Justitie van het aangezochte land wijst het verzoek, bedoeld in eerste lid, slechts af, indien:

      • a. de gevraagde capaciteit niet beschikbaar is;

      • b. de onderbrenging onverenigbaar is met de orde of de veiligheid in de inrichting;

      • c. dit noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;

      • d. het belang van de voorkoming of opsporing van strafbare feiten zich verzet tegen de onderbrenging;

      • e. een land dat dichterbij de woonplaats van gedetineerde is gelegen dan het aangezochte land, detentiecapaciteit ter beschikking kan stellen.

    • 4. In het geval, bedoeld in artikel 3, derde lid, stelt het openbaar ministerie van het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht op de hoogte van de mogelijkheid van terugkeer van de gedetineerde.

  • Artikel 5

    De openbare ministeries van de landen plegen, onder voorzitterschap van de procureur-generaal, periodiek overleg over de uitvoering van deze onderlinge regeling. Bij dit overleg worden de directeuren van de detentie-inrichtingen van de landen betrokken.

  • Artikel 6

    • 1. Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze regeling evalueren de Ministers van Justitie de werking van deze regeling in praktijk.

    • 2. Deze regeling kan in onderlinge overeenstemming worden gewijzigd of naar aanleiding van de evaluatie in onderlinge overeenstemming worden beëindigd.

  • Artikel 7

    Deze onderlinge regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Rijkswet wijziging Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

  • Deze regeling wordt binnen 30 dagen na ondertekening geplaatst in de Staatscourant en de Curaçaosche Courant.

    Willemstad, 11 februari 2010
    De

    Minister

    van Justitie van Nederland,

    E.M.H. Hirsch Ballin

    De

    Staatssecretaris

    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland,

    A.Th.B. Bijleveld-Schouten

    De

    gedeputeerde

    van Constitutionele Zaken van Curaçao,

    Z.A.M. Jesus-Leito

    De

    gedeputeerde

    van Constitutionele Zaken van Sint Maarten,

    W. Marlin