Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling energie en innovatie[Regeling vervallen per 20-08-2014.]

Geldend van 01-07-2014 t/m 19-08-2014

Regeling van de Minister van Economische Zaken, en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 december 2009, nr. WJZ/9179413, houdende regels betreffende subsidies op het gebied van energie en innovatie (Subsidieregeling energie en innovatie)

De Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, 5, 7, 8, 12, vierde lid, 13, 14, 14a, 15, 16, 17, 18, 19, eerste lid, 23, 25, 34, eerste lid, 44, 48, eerste en derde lid, 50, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies en de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214);

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 1.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • demonstratieproject: een op bescherming van het milieu gericht samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, waarbij die activiteiten bestaan uit het door de aanvrager treffen van energiebesparende maatregelen of maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:

    • 1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of

    • 2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

  • duurzame energiehuishouding: energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;

  • experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

  • fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onder e, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

  • haalbaarheidsstudie: een samenstel van activiteiten dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de technische en economische mogelijkheden van fundamenteel, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling;

  • industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onderdeel f, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

  • kennisinstelling:

    • een onder a, b, c, f, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs,

    • een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden,

    • een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder 1°, of

    • een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

  • de minister: de Minister van Economische Zaken;

  • ondernemer in de landbouwsector: een ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector;

  • referentiekosten: kosten voor een investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project, terwijl, in geval van een uit te voeren project voor hernieuwbare energie, de capaciteit voor de opwekking van energie van dat project ten minste overeenkomt met die van de eerstbedoelde investering.

Artikel 1.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 2 Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in

    het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.3 [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 1.4 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Onder de kostensoorten, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt verstaan:

    • a. wat betreft bedrijfsterreinen: de koopsom en overdrachtskosten met uitzondering van overdrachtsbelasting of de gekapitaliseerde erfpachtcanon exclusief de kosten van vestiging van de erfpacht, indien de grond van een gemeente of enig ander van overheidswege opgericht lichaam in erfpacht is verkregen;

    • b. wat betreft bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen: de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten met uitzondering van de financieringskosten en de overdrachtsbelasting;

    • c. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor dezelfde doeleinden worden ingezet als beoogd met het project en blijven bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan;

    • d. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor andere doeleinden worden ingezet dan beoogd met het project of niet meer bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;

    • e. wat betreft materialen en hulpmiddelen: het verbruik ervan, gebaseerd op historische aanschafprijzen.

  • 2 Onder de kostensoorten, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, onderdeel e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt verstaan:

    • a. wat betreft onderhoud en inspectie alsmede beheer en administratie met inbegrip van de rapportages, bedoeld in artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met e;

    • b. wat betreft verzekeringen: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met d;

    • c. wat betreft onvoorziene reparaties: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel b tot en met d;

    • d. wat betreft monitoring: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan voortgangscontrole op een project;

    • e. wat betreft ontmanteling: kosten ervan voor zover gehele of gedeeltelijke verwijdering van een project in verband met milieubescherming verplicht is, te berekenen over een periode van ten hoogste 20 jaar;

    • f. wat betreft het geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van een project: kosten ervan die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan capaciteitsverlies en gederfde inkomsten.

Artikel 1.5 [Vervallen per 20-08-2014]

Deze regeling valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 1.6 [Vervallen per 20-08-2014]

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Onderzoek en ontwikkeling [Vervallen per 20-08-2014]

§ 2.1. EOS: lange termijn [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.1.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • lange termijnproject: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van beide, naar een duurzame energiehuishouding, waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of kunnen worden toegepast;

  • nieuw energieonderzoeksproject: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit een haalbaarheidsstudie, fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek, met betrekking tot een innovatief, niet-conventioneel idee voor energietechniek, dat een duurzame energiehuishouding stimuleert, dat kan leiden tot een nieuw onderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand onderzoeksgebied en dat een hoge technologische risicograad heeft.

Artikel 2.1.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:

    • a. een ondernemer of een kennisinstelling die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt;

    • b. een deelnemer in een samenwerkingsverband zonder Energieonderzoek Centrum Nederland die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt;

    • c. een deelnemer in een samenwerkingsverband met Energieonderzoek Centrum Nederland die een lange termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt;

    • d. degene die een nieuw energieonderzoeksproject uitvoert;

    • e. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een nieuw energieonderzoeksproject uitvoert.

  • 2 Onder speerpunten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de speerpunten opgenomen in bijlage 2.1.1.

  • 3 Tot een lange termijnproject worden niet gerekend:

    • a. activiteiten met betrekking tot sociaaleconomisch onderzoek voor zover de subsidie voor de kosten van deze activiteiten 45 procent of meer van de subsidie is;

    • b. activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

  • 4 Tot een nieuw energieonderzoeksproject worden niet gerekend activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

  • 5 De minister verstrekt geen subsidie aan het Energieonderzoek Centrum Nederland voor de uitvoering van een nieuw energieonderzoeksproject.

Artikel 2.1.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een lange termijnproject en een nieuw energieonderzoeksproject:

    • a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek.

  • 2 Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op zowel fundamenteel als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste lid genoemde percentages van de desbetreffende subsidiabele kosten.

  • 3 Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de eerste volzin.

  • 4 Onverminderd het derde lid wordt het in het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:

    • a. zich onder deze deelnemers ten minste één kennisinstelling en ten minste één ondernemer bevinden, of

    • b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer en deze deelnemer een wezenlijke bijdrage levert aan het project.

  • 5 De subsidie voor een lange termijnproject bedraagt niet meer dan € 1.200.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.200.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.200.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

  • 6 De subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject inzake fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide bedraagt niet meer dan € 100.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 100.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 100.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.1.4 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject:

    • a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan fundamenteel onderzoek;

    • b. 65 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan industrieel onderzoek.

  • 2 Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer.

  • 3 De subsidie voor een nieuw onderzoeksproject inzake een haalbaarheidsstudie bedraagt niet meer dan € 45.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 45.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 45.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.1.5 [Vervallen per 20-08-2014]

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.1.6 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verdeelt het subsidieplafond voor lange termijnprojecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 2 De minister verdeelt het subsidieplafond voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 3 De minister verdeelt het subsidieplafond voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit haalbaarheidsstudies op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

Artikel 2.1.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste 35 leden.

  • 3 De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.1.8 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is:

  • a. voor een lange termijnproject vier jaar;

  • b. voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van beide twee jaar;

  • c. voor een nieuw energieonderzoeksproject bestaande uit een haalbaarheidsstudie een jaar.

Artikel 2.1.9 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister rangschikt aanvragen om een subsidie voor een lange termijnproject waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.

  • 2 Criteria omtrent een duurzame energiehuishouding als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a. de mate waarin wordt bijgedragen aan de doelstellingen van het desbetreffende speerpunt;

    • b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan een technologische doorbraak of innovatie ten opzichte van de huidige internationale stand van de techniek;

    • c. de mate waarin in het projectplan uitwerking is gegeven aan een strategische visie op het implementatietraject van de te verkrijgen onderzoeksresultaten en aan verwachtingen over toekomstige voortzetting van de ingezette onderzoekslijn;

    • d. de slaagkans van het project.

  • 3 Criteria omtrent de versterking van de kennispositie van Nederland als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a. de mate waarin wordt bijgedragen aan de versterking van kennis, kunde of onderzoeksfaciliteiten in Nederland;

    • b. de doelmatigheid waarmee de door het project te verkrijgen kennis, kunde of onderzoeksfaciliteiten zal worden verspreid en benut op voet van non-discriminatie en tegen marktvoorwaarden.

  • 4 Voor de rangschikking weegt het gemiddelde van de in het tweede lid genoemde criteria mee voor 2/3 en het gemiddelde van de in het derde lid genoemde criteria voor 1/3.

Artikel 2.1.10 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister rangschikt aanvragen om een subsidie voor een nieuw energieonderzoeksproject waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent een duurzame energiehuishouding.

  • 2 Criteria omtrent een duurzame energiehuishouding als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a. de mate waarin het betreffende onderzoek niet-conventioneel en nieuw is;

    • b. de mate waarin het betreffende onderzoek van belang is voor de verduurzaming van de energiehuishouding;

    • c. de mate waarin het project uiteindelijk kan leiden tot een nieuw energieonderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand energieonderzoeksgebied;

    • d. de kwaliteit van het project.

  • 3 Voor de rangschikking weegt:

    • het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 2/5,

    • het in het tweede lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 1/5,

    • het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 1/5, en

    • het in het tweede lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 1/5.

Artikel 2.1.11 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

  • 2 De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, gelden gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.1.12 [Vervallen per 20-08-2014]

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

§ 2.2. EOS: korte termijn [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.2.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze paragraaf wordt verstaan onder een korte termijnproject: een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, hetzij bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of een combinatie van beide, hetzij bestaande uit een haalbaarheidsstudie.

Artikel 2.2.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

    • a. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een korte termijnproject uitvoert dat past in een speerpunt, of

    • b. een ondernemer die een korte termijnproject, niet zijnde een haalbaarheidsstudie, uitvoert dat past in een speerpunt:

      • 1°. in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen die niet in Nederland gevestigd zijn en die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden, of

      • 2°. waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden.

  • 2 Onder speerpunten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de speerpunten opgenomen in bijlage 2.1.1.

  • 3 Subsidie kan ook worden verstrekt aan een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, indien het een kennisinstelling betreft.

Artikel 2.2.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De penvoerder voor een haalbaarheidsstudie is een MKB-ondernemer.

  • 2 De penvoerder voor een korte termijnproject bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling is een ondernemer.

Artikel 2.2.4 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie:

    • a. 25 procent van de subsidiabele kosten, indien deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

    • b. 50 procent van de subsidiabele kosten, indien deze betrekking hebben op industrieel onderzoek.

  • 2 Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op zowel experimentele ontwikkeling als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende projectkosten.

  • 3 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten indien deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie. Indien de haalbaarheidstudie door een ondernemer die geen MKB-ondernemer is en ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling wordt uitgevoerd, bedraagt de subsidie 40 procent van de subsidiabele kosten.

  • 4 De in het eerste en tweede lid genoemde percentages worden verhoogd met 10 procentpunten, indien subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een MKB-ondernemer is.

  • 5 Onverminderd het vierde lid worden de in het eerste en tweede lid genoemde percentages verhoogd met 10 procentpunten, indien subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:

    • a. ten minste één deelnemer een kennisinstelling is, of

    • b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.

  • 6 De subsidie voor een korte termijnproject inzake experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek bedraagt niet meer dan € 1.000.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

  • 7 De subsidie voor een korte termijnproject inzake een haalbaarheidsstudie bedraagt niet meer dan € 50.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 50.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 50.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.2.5 [Vervallen per 20-08-2014]

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.2.6 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verdeelt het subsidieplafond voor korte termijnprojecten bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 2 De minister verdeelt het subsidieplafond voor korte termijnprojecten bestaande uit haalbaarheidsstudies op volgorde van ontvangst van de aanvragen,

Artikel 2.2.7 [Vervallen per 20-08-2014]

De in artikel 2.1.7 bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek met betrekking tot aanvragen om subsidie voor korte termijnprojecten, bestaande uit industrieel onderzoek of ontwikkeling, te adviseren omtrent de afwijzigingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdeel e, f, en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.2.9 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 2.2.10.

Artikel 2.2.8 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is:

  • a. indien het een haalbaarheidsstudie betreft één jaar,

  • b. indien het industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling betreft vier jaar.

Artikel 2.2.9 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Artikel 2.2.10 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate het project meer bijdraagt aan de criteria omtrent:

    • a. technologische innovatie

    • b. duurzaamheid

    • c. technologische samenwerking

    • d. economisch perspectief

  • 2 Als criteria voor technologische innovatie, duurzaamheid, technologische samenwerking en economisch perspectief worden respectievelijk vastgesteld:

    • a. de mate waarin wordt bijgedragen aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie;

    • b. de mate waarin wordt bijgedragen aan verduurzaming van de energiehuishouding in Nederland;

    • c. de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van het samenwerkingsverband en de betrokkenheid van kennisinstellingen, en

    • d. de mate waarin de projectresultaten meer economische waarde creëren in Nederland, wordt aangesloten aan de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.

  • 3 Voor de rangschikking wegen alle in het eerste en tweede lid genoemde criteria gelijk.

Artikel 2.2.11 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.2.12 [Vervallen per 20-08-2014]

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

§ 2.3. EOS: demonstratie [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.3.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze paragraaf wordt verstaan onder een EOS-demonstratieproject: een demonstratieproject, geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame energiehuishouding, dat bestaat uit:

  • a. energiebesparende maatregelen,

  • b. maatregelen waarbij CO2-emissies worden afgevangen en permanent in de ondergrond opgeslagen of

  • c. maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

Artikel 2.3.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een EOS-demonstratieproject dat past in een of meerdere energiethema’s en waarin:

    • a. nieuwe technieken worden toegepast; of

    • b. nieuwe combinaties van bestaande technieken worden toegepast.

  • 2 Energiethema’s als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a. groene grondstoffen;

    • b. nieuw gas;

    • c. duurzame elektriciteitsvoorziening;

    • d. ketenefficiency;

    • e. gebouwde omgeving;

    • f. duurzame mobiliteit;

    • g. carbon capture and storage;

    • h. kas als energiebron.

  • 3 Tot een EOS-demonstratieproject worden niet gerekend activiteiten met betrekking tot kernfusie en met betrekking tot nucleair onderzoek.

Artikel 2.3.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 2 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager MKB-ondernemer is voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

  • 3 Indien de subsidieontvanger een ondernemer in de landbouwsector is, is de verhoging, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.

  • 4 Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met toepassing van het eerste en tweede lid, is niet meer dan de maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de Communautaire richtsnoeren inzake staatsteun voor milieubescherming (PbEU 2008, C82).

  • 5 De subsidie voor een EOS demonstratieproject bedraagt niet meer dan € 800.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 800.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 800.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 2.3.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 2.3.5 [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.3.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.3.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste 20 leden.

  • 3 De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.3.8 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;

    • b. er onvoldoende van de sociaalwetenschappelijke en economische effecten van het project blijk wordt gegeven.

Artikel 2.3.9 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

    • a. het project technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;

    • b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;

    • c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;

    • d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een structureler onderdeel is van de demonstratie.

  • 2 Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, eenmaal, en het gewogen gemiddelde van de criteria, genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, twee maal.

Artikel 2.3.10 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidieontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het EOS-demonstratieproject.

  • 2 De subsidieontvanger voltooit het project binnen drie jaar na aanvang van het EOS-demonstratieproject.

  • 3 De subsidie-ontvanger draagt zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het project.

  • 4 De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.3.11 [Vervallen per 20-08-2014]

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

§ 2.4. Topsector energieprojecten [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.1 [Vervallen per 20-08-2014]

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

  • b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (PbEU 2006, L 412) en Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347).

Artikel 2.4.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening.

  • 2 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten.

  • 3 De subsidie-ontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

  • 4 Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met Topsector Energie-subsidie van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 2.4.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Voor het indienen van een aanvraag voor verlening van subsidie op grond van deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van het formulier dat is opgenomen in bijlage 2.4.1 (Formulier aanvraag Topsector energieproject).

  • 2 Voor het indienen van een aanvraag voor vaststelling van een op grond van deze paragraaf verleende subsidie wordt gebruik gemaakt van het formulier dat is opgenomen in bijlage 2.4.2 (Formulier vaststelling subsidie Topsector energieproject).

Artikel 2.4.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Voor zover de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op een demonstratieproject als bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Artikel 2.4.5 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante subparagraaf van deze paragraaf genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

  • 2 Een samenwerkingsverband voert een project uit voor gezamenlijke rekening en risico.

Artikel 2.4.6 [Vervallen per 20-08-2014]

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze paragraaf per project kan worden verstrekt.

Subparagraaf 2.4.1. Biobased Economy: Innovatieprojecten [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.1.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • BBE Innovatieproject: een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.3 (Programmalijnen BBE Innovatieprojecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.1.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een BBE Innovatieproject.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.1.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een BBE Innovatieproject ten hoogste:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

  • 2 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

    • a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of

    • b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per BBE Innovatieproject.

Artikel 2.4.1.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.1.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.1.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.1.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.1.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32);

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.2. Biobased Economy: Kostprijsreductie elektriciteit- en warmteproductie [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.2.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • BBE KEW-project: een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of zijnde een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.4 (BBE KEW projecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.2.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • a. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een BBE KEW-project.

  • b. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.2.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een BBE-KEW-project ten hoogste:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • c. voor een demonstratieproject:

      • 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;

      • 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

  • 3 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

  • 4 Onverminderd het derde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

    • a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of

    • b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 5 De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per BBE-KEW-project.

Artikel 2.4.2.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.2.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.2.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.2.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het BBE KEW-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.2.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.3. Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.3.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • STEM-project: een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.5 (Programmalijnen STEM) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.3.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een STEM-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit drie deelnemers, waarvan ten minste één kennisinstelling en ten minste één onderneming of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft.

Artikel 2.4.3.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een STEM-project ten hoogste:

    • a. 30% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op ondernemingen of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op economische activiteiten van kennisinstellingen;

    • c. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van kennisinstellingen;

  • 2 Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd indien het STEM-project betrekking heeft op hoofdlijn 1 uit bijlage 2.4.5: Energie gerelateerde sociale innovatie vraagstukken voor meerdere sectoren in Nederland (TSE-TKI doorsnijdende vraagstukken).

  • 3 De subsidie bedraagt maximaal € 400.000 per STEM-project.

Artikel 2.4.3.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.3.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is twee jaar.

Artikel 2.4.3.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.3.7, eerste lid, minder dan 5 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 20% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen of een organisatie zonder winstoogmerk die ondernemingen als achterban heeft;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

  • d. de subsidiabele kosten niet minimaal € 100.000 bedragen.

Artikel 2.4.3.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan de generieke doelstellingen van STEM en aan de doelstellingen van tenminste één van de STEM-programmalijnen, opgenomen in bijlage 2.4.5;

    • b. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • c. het project meer ruimte biedt voor evaluatie, reflectie en verspreiding van de projectresultaten;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.4. Biobased Economy en Gas [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.4.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.5. Groen Gas [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.5.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • GG-project: een project bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de bijlage 2.4.7 (Programmalijnen Groen Gas) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.5.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een GG-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.5.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een GG-project ten hoogste:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • c. voor een demonstratieproject:

      • 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;

      • 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, voor zover de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

  • 4 Onverminderd het derde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor ondernemingen met 5 procentpunten verhoogd indien:

    • a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening moet nemen en tenminste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of

    • b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

Artikel 2.4.5.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.5.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.5.6 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. na toepassing van artikel 2.4.5.7, eerste lid, minder dan 15 punten zijn toegekend;

    • b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

    • c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het GG-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.5.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;

    • e. het project meer bijdraagt aan de kostprijsverlaging van een duurzame energietechnologie die in aanmerking komt of zou kunnen komen voor subsidie in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.6. Upstream Gas [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.6.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • UGas-project: een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.8 (Programmalijnen Upstream Gas) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.6.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een UGas-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.6.3 [Vervallen per 20-08-2014]

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie maximaal:

  • a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

  • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

  • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

Artikel 2.4.6.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.6.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.6.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.1.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.6.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.7. Subparagraaf LNG [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.7.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • LNG-project: een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.9 (Programmalijnen LNG) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.7.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een LNG-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee ondernemingen.

Artikel 2.4.7.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een LNG-project ten hoogste:

    • a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. voor een demonstratieproject:

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;

      • 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

  • 3 De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per LNG-project.

Artikel 2.4.7.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.7.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.7.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.7.7, eerste lid, minder dan 3 punten zijn toegekend;

  • b. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.7.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.8. Systeemfunctie gas [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.8.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.9. Systeemgas Duurzaam [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.9.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.10. Gasvoorziening: acceptatie in de samenleving [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.10.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.11. Wafer Based Silicon PV Technologie [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.11.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.12. ZEGO [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.12.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • ZEGO-project: een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.13 (Prioriteitsthema's ZEGO) opgenomen prioriteitsthema's.

Artikel 2.4.12.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een ZEGO-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.12.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een ZEGO-project ten hoogste:

    • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. voor een demonstratieproject:

      • 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;

      • 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

  • 3 De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per ZEGO-project.

Artikel 2.4.12.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.12.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vijf jaar.

Artikel 2.4.12.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.12.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ZEGO-project leidt tot duurzame energie productie in 2023 en leidt tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.12.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is.

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 5 punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 30 en vervolgens opgeteld.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 5 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.13. EnerGO [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.13.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • EnerGO-project: een project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage Bijlage 2.4.14 (Programmalijnen EnerGO) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.13.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EnerGO-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.13.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een EnerGO-project ten hoogste:

    • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

    • d. voor een demonstratieproject:

      • 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden;

      • 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen.

  • 3 De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per EnerGO-project.

Artikel 2.4.13.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.13.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.13.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.13.7, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten worden gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Artikel 2.4.13.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is.

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 5 punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 20, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 30 en vervolgens opgeteld.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 5 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.14. Dunne Film PV (DFP) [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.1 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.2 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.4 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.5 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.6 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 2.4.14.7 [Vervallen per 01-07-2014]

Subparagraaf 2.4.15. Energiebesparing industrie: early-adopter projecten [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.15.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder early adopter-project: project bestaande uit experimentele ontwikkeling, gericht op het in een realistische industriële omgeving valideren van een nieuwe energiebesparende technologie, passend binnen de in bijlage 2.4.16 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: early adopter-projecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.15.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een early adopter-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste drie ondernemingen.

  • 3 Ten minste twee van de deelnemers zijn potentiële eindgebruikers van de technologie.

  • 4 De penvoerder van het samenwerkingsverband is een MKB-deelnemer in het samenwerkingsverband.

Artikel 2.4.15.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een early adopter-project ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

  • 3 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

  • 4 Onverminderd het tweede en derde lid, wordt het in het eerste lid bedoelde percentage voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.

  • 5 De subsidie bedraagt maximaal € 75.000 per early adopter-project.

Artikel 2.4.15.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.4.15.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is 18 maanden.

Artikel 2.4.15.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. het project onvoldoende bijdraagt aan de energiebesparing in industriële processen;

  • b. er onvoldoende sprake is van een vernieuwende technologie;

  • c. het project niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband en de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie;

  • d. de kwaliteit van het samenwerkingsverband ontoereikend is om het project uit te voeren;

  • e. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding;

  • f. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project.

Subparagraaf 2.4.16. Energiebesparing industrie: pilotprojecten [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.16.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder pilotproject energiebesparing industrie: project, bestaande uit experimentele ontwikkeling, indien noodzakelijk met inbegrip van demonstratieactiviteiten, gericht op het uitvoeren van grootschalige industriële pilots van technologieën, dat past binnen de in bijlage 2.4.17 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: pilotprojecten) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.16.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een pilotproject energiebesparing industrie.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee ondernemingen.

Artikel 2.4.16.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een pilotproject energiebesparing industrie ten hoogste:

    • a. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • b. voor demonstratieactiviteiten:

      • 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten verrekend worden;

      • 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft en waarbij de exploitatiebaten en exploitatiekosten niet verrekend worden.

  • 3 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

  • 4 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

  • 5 Onverminderd het derde en vierde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien:

    • a. geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor rekening moet nemen en ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband een MKB-ondernemer is of ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer, of

    • b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 800.000 per pilotproject energiebesparing industrie.

Artikel 2.4.16.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Per programmalijn, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.16.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.16.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.16.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 50% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. na toepassing van artikel 2.4.16.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.16.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32);

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en het plan voor de kennisverspreiding.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.17. PV-technologie [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.17.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder PV-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in de bijlage 2.4.18 (Prioriteitsthema’s PV-projecten) opgenomen prioriteitsthema’s.

Artikel 2.4.17.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een PV-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderneming en één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.17.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een PV-project ten hoogste:

    • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op een demonstratieproject dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen;

    • e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.

  • 3 De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 750.000 per PV-project.

Artikel 2.4.17.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Per prioriteitsthema, zoals beschreven in de bijlage, verdeelt de minister de beschikbare subsidies op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.17.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vijf jaar.

Artikel 2.4.17.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.17.7, eerste lid, minder dan 6 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. na toepassing van artikel 2.4.17.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.17.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32);

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 15, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 30, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 30 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 25 en vervolgens opgeteld.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.18. Demonstratie energie-innovatie (DEI) [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.18.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder DEI-project: demonstratieproject of combinatie van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en demonstratieproject, dat respectievelijk die past binnen de in de bijlage 2.4.19 (Demonstratie energie-innovatie) opgenomen beschrijving van demonstratie energie-innovatie.

Artikel 2.4.18.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een DEI-project aan:

    • a. een ondernemer die zelfstandig een DEI-project zal uitvoeren;

    • b. een deelnemer in een samenwerkingsverband.

  • 2 Een samenwerkingsverband dat een DEI-project uitvoert, bevat ten minste één onderneming.

Artikel 2.4.18.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een DEI-project ten hoogste:

    • a. voor een demonstratieproject:

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;

      • 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

  • 3 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

  • 4 De in het eerste lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

  • 5 De subsidie bedraagt minimaal € 125.000 en maximaal € 4.000.000 per DEI-project.

Artikel 2.4.18.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.18.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.18.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.18.7, eerste lid, minder dan drie punten per criterium, zijn toegekend;

  • b. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • c. het project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project;

  • d. bij een DEI-project dat bestaat uit een combinatie van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en een demonstratieproject, niet ten minste 70% van de subsidiabele kosten is toe te rekenen aan het demonstratieproject.

Artikel 2.4.18.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • b. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van de overgang naar een duurzame energievoorziening;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 50, het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 15, het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 15 en het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 20 en vervolgens opgeteld.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.19. Systeemintegratie [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.19.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder systeemintegratieproject: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.20 (Programmalijnen Systeemintegratie) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.19.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een systeemintegratieproject.

  • 2 Eensamenwerkingsverband dat een systeemintegratieproject uitvoert, bevat ten minste één onderneming.

Artikel 2.4.19.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een systeemintegratieproject ten hoogste:

    • a. 75% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. voor een demonstratieproject:

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;

      • 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 De in het eerste lid, onderdelen b, c en d, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.

  • 4 De in het eerste lid, onderdelen b, c en d, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

  • 5 Onverminderd het derde en vierde lid, wordt het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde percentage voor MKB-ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd indien:

    • a. sprake is van samenwerking tussen twee onderling onafhankelijke ondernemingen en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening moet nemen, of

    • b. het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 6 De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per systeemintegratieproject.

Artikel 2.4.19.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.20, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.19.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is drie jaar.

Artikel 2.4.19.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.19.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 25% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000;

  • e. na toepassing van artikel 2.4.19.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project;

  • f. meer dan 30% van de subsidiabele kosten toe te rekenen is aan fundamenteel onderzoek.

Artikel 2.4.19.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan de generieke doelstellingen van het programma systeemintegratie en aan de doelstellingen van ten minste één van de programmalijnen, genoemd in bijlage 2.4.20;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 2.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.20. Energiebesparing industrie: joint industry projects [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.20.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder jip-energiebesparing industrieproject: project, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.21 (Programmalijnen Energiebesparing industrie: joint industry projects) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.20.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderzoeksorganisatie of een ondernemer met als hoofdactiviteit het ontwikkelen van kennis en technologie voor derden, in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een jip-energiebesparing industrieproject.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste vier ondernemingen en ten minste één onderzoeksorganisatie of ondernemer met als hoofdactiviteit het ontwikkelen van kennis en technologie voor derden.

Artikel 2.4.20.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een jip-energiebesparing industrieproject ten hoogste:

    • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties.

  • 2 De in het eerste lid, onderdelen b en c, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer.

  • 3 De in het eerste lid, onderdelen b en c, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer.

Artikel 2.4.20.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.21, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.20.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.20.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.20.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze paragraaf een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding;

  • e. na toepassing van artikel 2.4.20.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.20.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van bijlage 2.4.21;

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en het plan voor de kennisverspreiding.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.21. Wind op zee: joint industry projects [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.21.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder wind op zee jip: project bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 3.7.1 (Programmalijnen Wind op zee) opgenomen innovatiethema’s.

Artikel 2.4.21.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een wind op zee jip.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste drie ondernemingen en ten minste één onderzoeksorganisatie.

  • 3 De penvoerder van het samenwerkingsverband is een onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband.

  • 4 De penvoerder geeft in de aanvraag aan binnen welke van de in bijlage 3.7.1 genoemde innovatiethema’s de aanvraag valt.

Artikel 2.4.21.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een wind op zee jip ten hoogste:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

  • 2 De subsidie bedraagt per wind op zee jip ten hoogste:

    • a. € 1.000.000 indien het valt in innovatiethema 1 (Ondersteuningsconstructies) of innovatiethema 5 (Beheer en onderhoud);

    • b. € 500.000 indien het valt in innovatiethema 2 (Optimalisatie van de windcentrale) of innovatiethema 3 (Intern elektrisch netwerk en aansluiting op het hoogspanningsnet);

    • c. € 1.500.000 indien het valt in innovatiethema 4 (Transport, Installatie en Logistiek).

Artikel 2.4.21.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.21.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.21.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, minder dan 2,5 punten per criterium zijn toegekend;

  • b. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • c. niet ten minste 50% van de financiering van de subsidiabele projectkosten bestaat uit een financiële bijdrage door ondernemingen;

  • d. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • e. na toepassing van artikel 2.4.21.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project;

  • f. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het wind op zee jip leidt tot duurzame energieproductie in 2023 en tot een besparing op de uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, die groter is dan de aangevraagde subsidie onder deze paragraaf.

Artikel 2.4.21.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan de kwantitatieve reductie van de kostprijs van windenergie op zee in 2020;

    • b. het project meer bijdraagt aan omzet en werkgelegenheid van de Nederlandse windenergie op zee sector in 2020;

    • c. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de samenstelling van het samenwerkingsverband, deelname van cruciale partijen uit de waardeketen of het MKB, het publicatieplan en de plannen voor intellectueel eigendom, de technische of wetenschappelijke onderzoeksmethode, het projectplan en de projectorganisatie;

    • d. de projectopzet kosteneffectiever is en het aandeel van de financiering door ondernemingen in de totale projectfinanciering groter is.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister kent per project 0,5 extra punten toe indien het valt in de programmalijnen 1 (Ondersteuningsconstructies) of 5 (Beheer en onderhoud) en één extra punt indien het valt in programmalijn 4 (Transport, installatie en logistiek).

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.22. EnerGO: compacte conversie en opslag [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.22.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder EnerGO CCO-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject, of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 2.4.22 (Programmalijnen EnerGO: compacte conversie en opslag) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.22.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EnerGO CCO-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband voor een EnerGO CCO-project bestaat uit ten minste één onderneming en ten minste één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.22.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een EnerGO CCO-project ten hoogste:

    • a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 60% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 40% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties;

    • e. voor een demonstratieproject:

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;

      • 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 De in het eerste lid, onderdelen b, c en e, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een MKB-onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-onderneming.

  • 4 De onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties draagt respectievelijk dragen bij fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gezamenlijk minstens 10% van de subsidiabele projectkosten en heeft respectievelijk hebben het recht de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie respectievelijk organisaties uitgevoerde onderzoek.

  • 5 De subsidie bedraagt maximaal € 3.100.000 per EnerGO CCO-project.

Artikel 2.4.22.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.22.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.22.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.22.7, eerste lid, op de onderdelen a tot en met d, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend;

  • b. niet ten minste 40% van de subsidiabele projectkosten wordt gefinancierd door ondernemingen;

  • c. eerder op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. na toepassing van artikel 2.4.22.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.22.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32);

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;

    • e. het project meer kenmerken bevat van de programmatische aanpak zoals beschreven in bijlage 2.4.22.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Subparagraaf 2.4.23. Smart grids [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 2.4.23.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze subparagraaf wordt verstaan onder smart-grids-project: project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een demonstratieproject, of een combinatie daarvan, dat past binnen de in bijlage 2.4.23 (Programmalijnen Smart Grids) opgenomen programmalijnen.

Artikel 2.4.23.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een smart-grids-project.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderneming en ten minste één onderzoeksorganisatie.

Artikel 2.4.23.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een smart-grids-project ten hoogste:

    • a. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;

    • b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • d. voor een demonstratieproject:

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat energiebesparende maatregelen betreft;

      • 45% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel a of b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 30% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een project dat maatregelen betreft die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen en waarbij de subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • 3 De in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, genoemde percentages, worden verhoogd met 10 procentpunten, indien de aanvrager een MKB-ondernemer is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de MKB-ondernemer.

  • 4 De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000 per smart-grids-project.

Artikel 2.4.23.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Per programmalijn, genoemd in bijlage 2.4.23, verdeelt de minister het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 2.4.23.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 2.4.23.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 2.4.23.7, eerste lid, op de onderdelen a, b, c of d, minder dan vijf punten per criterium zijn toegekend;

  • b. de subsidie minder bedraagt dan € 125.000;

  • c. reeds eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project;

  • d. na toepassing van artikel 2.4.23.7, eerste lid, een project lager is gerangschikt dan een soortgelijk project.

Artikel 2.4.23.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding en maatschappelijk relevanter is, binnen de context van het innovatiecontract van de topsector energie (Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 32);

    • b. de mogelijke bijdrage van het project aan de Nederlandse economie groter is;

    • c. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt;

    • d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de deelnemende partijen;

    • e. de aanvrager verhoudingsgewijs minder subsidie vraagt dan op basis van de regeling is toegestaan.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

  • 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a en b, elk vermenigvuldigd met 2,5, het eerste lid, onderdelen c en d, elk vermenigvuldigd met twee en vervolgens opgeteld.

  • 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Hoofdstuk 3. Investering [Vervallen per 20-08-2014]

§ 3.1. Duurzame warmte voor bestaande woningen [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 3.1.1 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • bestaande woning: een ruimte met een woonfunctie, die is opgeleverd en in gebruik genomen voor 1 januari 2008;

    • duurzame warmtemaatregel: het aanschaffen, installeren en in gebruik nemen van een of meer nieuwe dan wel niet eerder gebruikte in bijlage 3.1.1 bij deze regeling genoemde technische voorzieningen in een bestaande woning;

    • installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling: een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 4;

    • lucht/waterwarmtepomp: een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 3;

    • warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp: een warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 2;

    • zonneboiler: een zonneboiler als bedoeld in bijlage 3.1.1, onderdeel 1.

  • 2 Met de voorzieningen genoemd in bijlage 3.1.1 worden gelijkgesteld de desbetreffende voorzieningen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 3.1.2 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel aan:

  • a. een eigenaar-bewoner van een bestaande woning, of

  • b. een eigenaar-verhuurder van een bestaande woning,

die een duurzame warmtemaatregel uitvoert.

Artikel 3.1.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De hoogte van de subsidie voor zonneboilers en warmtepompen, niet zijnde lucht/waterwarmtepompen wordt berekend door het aantal GJ of kWth te bepalen volgens de methode, opgenomen in bijlage 3.1.2, en dit getal te vermenigvuldigen met het bedrag, opgenomen in bijlage 3.1.3.

  • 2 De hoogte van de subsidie voor zonneboilers die naast een bijdrage aan warm tapwater ook een bijdrage leveren aan de ruimteverwarming, wordt gebaseerd op de bijdrage aan warm tapwater.

  • 3 De subsidie bedraagt voor:

    • a. een lucht/waterwarmtepomp € 2000 per stuk;

    • b. een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling € 4000 per stuk.

  • 4 Bij subsidie aan een ondernemer waar een Europees steunkader op van toepassing is, bedraagt de subsidie niet meer dan is toegestaan op basis van dat steunkader.

Artikel 3.1.4 [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 3.1.5 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.1.6 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. hij het onaannemelijk acht dat de aanvrager binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht zal geven tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel;

    • b. de aanvrager vóór 1 september 2008 ter zake van de duurzame warmtemaatregel waarop de aanvraag betrekking heeft, verplichtingen is aangegaan;

    • c. het project gericht is op de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen,

    • d. het project gericht is op de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen, of

    • e. het project gericht is op de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

Artikel 3.1.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidie-ontvanger geeft binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel.

  • 2 Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-bewoner is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3 Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-verhuurder is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.1.8 [Vervallen per 20-08-2014]

In afwijking van artikel 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt geen voorschot verstrekt bij een aanvraag om subsidie met een totaalbedrag van minder dan € 50.000.

Artikel 3.1.9 [Vervallen per 20-08-2014]

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie en om een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.1.4.

§ 3.2. Duurzame biomassa-import [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 3.2.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • keten voor biomassa: de productie, de verwerking en de import van in het buitenland geproduceerde biomassa die leidt tot de toepassing van biomassa voor energie-, transport- of chemiedoeleinden in Nederland;

  • primaire landbouwproducent: onderneming van de landbouwproductiesector in de zin van artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector;

  • Toetsingskader voor duurzame biomassa: het toetsingskader opgesteld door de projectgroep Duurzame productie van biomassa.

Artikel 3.2.2 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor activiteiten die op innovatieve wijze bijdragen aan het verduurzamen van ketens voor biomassa.

  • 2 Onder het verduurzamen van ketens voor biomassa bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. het verduurzamen van de biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa;

    • b. de certificering van duurzame biomassaketens; of

    • c. het tegengaan van ongewenste indirecte effecten van biomassaproductie.

  • 3 Subsidie kan ook worden verstrekt aan een niet in Nederland gevestigde deelnemer in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

Artikel 3.2.3 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie:

    • a. 50 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger een ondernemer is;

    • b. 75 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger geen ondernemer is.

  • 2 De subsidie bedraagt maximaal:

    • a. € 500.000 per ondernemer, niet zijnde een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent;

    • b. € 7.500 per binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent.

  • 3 In aanvulling op het tweede lid wordt, indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 1.000.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van het samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 1.000.000 het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Artikel 3.2.4 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die noodzakelijk zijn voor de verduurzaming van ketens voor biomassa.

Artikel 3.2.5 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde subsidie-ontvanger, niet zijnde een primaire landbouwproducent, valt onder de Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis van 17 december 2008. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze kaderregeling.

  • 2 De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent valt onder verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 3.2.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.2.7 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Indien de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die betrekking hebben op vloeibare biomassa of biobrandstoffen beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de vloeibare biomassa of biobrandstoffen voldoen, of na uitvoering van de activiteiten zullen voldoen, aan de duurzaamheidscriteria genoemd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG.

  • 2 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het project gericht is op:

    • a. de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen,

    • b. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen of

    • c. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

Artikel 3.2.8 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 3.2.2. Bij de rangschikking worden de volgende criteria gehanteerd:

    • a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 3.2.2, in relatie tot de totale subsidiabele kosten van het project;

    • b. de mate waarin het project bijdraagt aan verduurzaming van ketens voor biomassa in de zin van artikel 3.2.2, tweede lid, in relatie tot de resultaten van de beoordeling van de betreffende biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa;

    • c. de mate waarin het project in de praktijk navolging kan vinden en kan worden opgeschaald, waarbij ook de navolging en opschaling leiden tot toepassing van duurzame biomassa in Nederland.

  • 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid genoemde criteria even zwaar.

Artikel 3.2.9 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 De subsidie-ontvanger voltooit de activiteiten uiterlijk op 30 juni 2013.

  • 2 Op verzoek van de minister verstrekt de subsidie-ontvanger de verkregen gegevens over de duurzaamheid van biomassaproductie, certificering en indirecte effecten.

Artikel 3.2.10 [Vervallen per 20-08-2014]

  • 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3.2.1.

  • 2 Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier opgenomen in bijlage 2.1.3.

§ 3.3. Investeringen voor verlaging elektriciteitsaansluiting van warmtepomphouders [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 3.3.1 [Vervallen per 20-08-2014]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp: een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning en die niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij warmte wordt onttrokken aan de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater;

  • elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp: een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning is en niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij de warmtepomp warmte onttrekt aan de buitenlucht of aan de ventilatielucht van de woning en warmte afgeeft met behulp van een warmte-afgiftesysteem met water als distributiemedium;

  • warmtepomp:

    • 1°. een elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp of

    • 2°. een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp.

Artikel 3.3.2 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het treffen van technische maatregelen aan een eigenaar van een woning die:

  • a. voor 1 september 2009 een warmtepomp bezit,

  • b. technische maatregelen met betrekking tot de warmtepomp of de elektriciteitsinstallatie van de woning heeft getroffen die een verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting mogelijk maakt en die noodzakelijk zijn in verband met het gebruik van de warmtepomp, en

  • c. een verzoek om verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting heeft ingediend bij de regionale netbeheerder.

Artikel 3.3.3 [Vervallen per 20-08-2014]

Voor subsidie komen in aanmerking de rechtstreeks aan de technische maatregelen, bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, toe te rekenen gemaakte en betaalde kosten.

Artikel 3.3.4 [Vervallen per 20-08-2014]

De subsidie voor het treffen van technische maatregelen als bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, bedraagt:

  • a. € 100 indien de subsidiabele kosten € 100 of minder bedragen dan wel indien de aanvrager hiervoor heeft gekozen;

  • b. € 200 indien de subsidiabele kosten € 101 tot en met € 300 bedragen;

  • c. € 400 indien de subsidiabele kosten meer dan € 300 bedragen.

Artikel 3.3.5 [Vervallen per 20-08-2014]

Artikel 3.3.6 [Vervallen per 20-08-2014]

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.3.7 [Vervallen per 20-08-2014]

De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, b, c, d, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 3.3.8 [Vervallen per 20-08-2014]

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.3.9 [Vervallen per 20-08-2014]

De verplichtingen, genoemd in de artikelen 36 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Artikel 3.3.10 [Vervallen per 20-08-2014]

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 3.3.1.

<