Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen[Regeling vervallen per 04-05-2011 met terugwerkende kracht tot en met 01-01-2011.]

Geldend van 10-12-2009 t/m 31-12-2010

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 november 2009, nr. K&L2009063964, houdende uitvoering van de zwaardere weging van betere biobrandstoffen (Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 21, tweede lid, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 140), artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, eerste lid, van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 04-05-2011]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. besluit: Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007;

  • b. afval: materialen die voordat zij het afvalstadium hebben bereikt de gangbare gebruikscyclus hebben doorlopen;

  • c. type biobrandstof: soort biobrandstof als bedoeld in artikel 2, derde of vierde lid, van het besluit, die is geproduceerd uit één bepaalde soort biomassa;

  • d. alternatieve toepassing: toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoeder;

  • e. broeikasgasemissiereductie: vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door de inzet van biobrandstoffen voor het wegverkeer, vergeleken met de inzet van fossiele brandstoffen en berekend volgens bijlage I bij deze regeling;

  • f. inspectie-instelling: onafhankelijke instelling die voldoet aan hetgeen is beschreven in het Verificatieprotocol dubbeltelling biobrandstoffen en is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO 17020, type A, door de Raad voor Accreditatie of door een andere accreditatie-instelling die voor deze norm ondertekenaar is van de MultiLateral Agreement van de European co-operation for Accreditation, en

    • 1°. is geaccrediteerd voor de aanvullende werkzaamheden met betrekking tot het werkveld dubbeltelling biobrandstoffen of

    • 2°. ten aanzien waarvan de Raad voor Accreditatie het vooronderzoek voor de accreditatie voor de aanvullende werkzaamheden met betrekking tot het werkveld dubbeltelling biobrandstoffen heeft afgerond, en ten aanzien waarvan het accreditatieproces nog niet is geëindigd.

Artikel 2 [Vervallen per 04-05-2011]

  • 2 De wegingsfactor, genoemd in het eerste lid, wordt uitsluitend toegepast voor biobrandstoffen die:

    • a. een broeikasgasemissiereductie opleveren van ten minste 35%, en

    • b. geproduceerd zijn uit materiaal dat geen alternatieve toepassing kent of waarvan de vergunninghouder aan de hand van marktonderzoek aantoont, dat voor het betreffende materiaal geen afzetmogelijkheden zijn.

Artikel 3 [Vervallen per 04-05-2011]

  • 1 De vergunninghouder zendt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer jaarlijks met het overzicht, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van het besluit, ten aanzien van biobrandstoffen waarop hij een wegingsfactor toepast, de informatie, bedoeld in bijlage II bij deze regeling en met inachtneming van het format uit die bijlage.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan voor typen biobrandstoffen als bedoeld in bijlage III, de informatie beperkt blijven tot gegevens, waaruit blijkt dat het gaat om biobrandstoffen als bedoeld in die bijlage.

  • 3 Bij de toezending van de informatie wordt voor biobrandstoffen, die zijn geproduceerd uit grondstoffen die lignocellulose bevatten, aangegeven welk deel van de biobrandstof is geproduceerd uit het lignocellulosedeel van de grondstof en welk deel is geproduceerd uit de overige componenten van de grondstof.

  • 4 De informatie, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, is geverifieerd door een inspectie-instelling. Uit een verklaring van die inspectie-instelling blijkt dat een verificatie is uitgevoerd van de door de vergunninghouder voor de betreffende partij of partijen biobrandstoffen verstrekte informatie en dat deze biobrandstoffen met redelijke mate van zekerheid voldoen aan het bepaalde in genoemde leden en artikel 2.

Artikel 4 [Vervallen per 04-05-2011]

[Red: Wijzigt de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer.]

Artikel 5 [Vervallen per 04-05-2011]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6 [Vervallen per 04-05-2011]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 27 november 2009

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage I. – Berekening van de broeikasgasemissiereductie behorende bij artikel 1, onderdeel e [Vervallen per 04-05-2011]

A. Algemeen [Vervallen per 04-05-2011]

  • 1. Residuen en bijproducten

    In deze bijlage wordt verstaan onder residuen van landbouwproducten: plantenresten en resten van het product, waaronder stro, bagasse, doppen, schillen, kaf en kolven. Aan residuen wordt geen broeikasgasemissie toegekend tot deze worden ingezameld. Dit in tegenstelling tot bijproducten waar wel een broeikasgasemissie aan toegekend kan worden. Dit laatste overeenkomstig de regels onder C, onderdeel 14, van deze bijlage.

  • 2. Waarden voor de broeikasgasemissiereductie

    Voor de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen, met het oog op de toepassing van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, wordt gebruikt:

    • (a) een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie indien deze in deel B van deze bijlage wordt gegeven voor het betreffende biobrandstofproductietraject; of

    • (b) een waarde berekend overeenkomstig de in deel C van deze bijlage opgenomen methode, waarbij gebruik wordt gemaakt van invoergegevens uit de praktijksituatie.

B. Standaardwaarden voor de reductie van de broeikasgasemissie [Vervallen per 04-05-2011]

Biobrandstof

Grondstof

Emissiereductie van broeikasgassen ten opzichte van fossiele referentie

Fossiele referentie ¹

Biodiesel

Plantaardige of dierlijke afvalolie

83 %

Diesel

Biogas

Organisch huishoudelijk afval

73 %

Diesel

Biogas

Natte mest

81 %

Diesel

Biogas

Droge mest

82 %

Diesel

Ethanol

Graanstro

85 %

Benzine

Ethanol

Afvalhout

74 %

Benzine

Ethanol

Geteeld hout

70 %

Benzine

Het gedeelte ethyl-tertiair-butylether (ETBE) uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Benzine

Fischer-Tropsch diesel

Afvalhout

95 %

Diesel

Fischer-Tropsch diesel

Geteeld hout

93 %

Diesel

Dimethylether (DME)

Afvalhout

95 %

Diesel

DME

Geteeld hout

92 %

Diesel

Methanol

Afvalhout

94 %

Benzine

Methanol

Geteeld hout

91 %

Benzine

Het gedeelte methyl-tertiair-butylether (MTBE) uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Benzine

¹ Zie deel C punt 16

Deze uitkomsten zijn berekend zonder rekening te houden met verandering van landgebruik.

C. Rekenmethode broeikasgasemissiereductie [Vervallen per 04-05-2011]

  • 1. Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biobrandstoffen voor vervoer worden als volgt berekend:

    E = eec + ep + etd + eu – esca – eccs –eccr –eee,

    waarbij

    E = de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;

    eec = emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;

    ep = emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;

    etd = emissies ten gevolge van vervoer en distributie;

    eu = emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;

    esca = emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter

    landbouwbeheer;

    eccs = emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof;

    eccr = emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof; en

    eee = emissiereductie door extra elektriciteit door warmtekrachtkoppeling.

    Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.

  • 2. Broeikasgasemissies ten gevolge van brandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof (gCO2eq/MJ).

  • 3. In afwijking van punt 2 mogen voor transportbrandstoffen de waarden die berekend worden in termen van gCO2eq/MJ worden aangepast om rekening te houden met de verschillen tussen brandstoffen op het vlak van nuttig verricht werk, uitgedrukt in km/MJ. Dergelijke aanpassingen worden alleen gedaan wanneer de verschillen in nuttig verricht werk worden aangetoond.

  • 4. Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt berekend:

    Broeikasgasemissiereductie = (EF – EB)/EF,

    waarbij

    EB = de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de biobrandstof; en

    EF = de totale emissies ten gevolge van het gebruik van het fossiele alternatief.

  • 5. Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:

    CO2: 1

    N2O: 296

    CH4: 23

  • 6. Emissies door de teelt of het ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of teelt zelf, door het verzamelen van de grondstoffen, door afval en lekken en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Ramingen van de emissies ten gevolge van teelt kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor kleinere geografische gebieden dan die welke gebruikt worden bij de berekening van de standaardwaarden, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.

  • 7. In de berekening van de broeikasgasemissies van biobrandstoffen wordt geen rekening gehouden met verandering van landgebruik.

  • 8. Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt.

    Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.

  • 9. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer en de opslag van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 6 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.

  • 10. De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen.

  • 11. Met betrekking tot de emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof, eccs, die nog niet zijn meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof.

  • 12. Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.

  • 13. Met betrekking tot de emissiereductie door extra elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, eee, wordt rekening gehouden met de extra elektriciteit van brandstofproductie-installaties die gebruikmaken van warmtekrachtkoppeling, behalve als de voor de warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen andere bijproducten zijn dan residuen van landbouwgewassen. Bij het berekenen van de extra elektriciteit wordt de omvang van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie geacht te volstaan om minstens de warmte te leveren die nodig is om de brandstof te produceren. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van deze extra elektriciteit wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid broeikasgas die zou worden uitgestoten als een gelijke hoeveelheid elektriciteit werd opgewekt in een centrale die gebruik maakt van dezelfde brandstof als de warmtekrachtkoppelingsinstallatie.

  • 14. Als een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (‘bijproducten’), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde (LHV) in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit).

  • 15. Met het oog op de in punt 14 vermelde berekening zijn de te verdelen emissies eec + de fracties van ep, etd en eee die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

    Met het oog op deze berekening wordt rekening gehouden met alle bijproducten, inclusief elektriciteit, die niet onder punt 16 vallen, behalve residuen van landbouwproducten. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

    Afval, residuen van landbouwproducten en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine), worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld.

  • 16. Met het oog op de in punt 4 vermelde berekening wordt voor biobrandstoffen de laatste beschikbare gemiddelde werkelijke emissie van het fossiele deel van in de Gemeenschap verbruikte benzine en diesel, zoals gerapporteerd krachtens Richtlijn 98/70/EG, gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof (EF). Als deze gegevens niet beschikbaar zijn, wordt de waarde 83,8 gCO2eq/MJ gebruikt.

Bijlage II. – Format voor het overleggen van informatie t.b.v. dubbeltelling biobrandstoffen als bedoeld in artikel 3, eerste lid [Vervallen per 04-05-2011]

A. Aard van de biobrandstof en de grondstof, herkomst van de grondstof [Vervallen per 04-05-2011]

  • 1. Soort biobrandstof waarop de wegingsfactor wordt toegepast:

    Bijvoorbeeld ethanol, butanol, biodiesel (veresterde plantaardige olie), bio-FT-diesel (via biomassa vergassing en Fischer Tropsch proces verkregen synthetische diesel).

  • 2. Hoeveelheid biobrandstof waarop dubbeltelling wordt toegepast

    • Aantal liters bij 15°C:

    • Onderste verbrandingswaarde in MJ per liter:

    • Energie-inhoud in MJ:

  • 3. Grondstof waarvan de biobrandstof afkomstig is:

    Indien het type biobrandstof is vermeld in Bijlage III: ga door naar punt C.2a en vervolgens naar de ondertekening

    Beschrijf hoe de grondstof is ontstaan:

    • a. Indien de grondstof bestaat uit gewasresten:

      Beschrijf het hoofdproduct en de wijze waarop de gewasrest als bijproduct is ontstaan.

    • b. Indien de grondstof afval of een bij- of restproduct is uit een productieproces anders dan a.:

      Beschrijf het productieproces, de wijze waarop het afval of het bij- of restproduct in dat proces is ontstaan, en, voor zover relevant voor de toetsingscriteria, de manier waarop deze is ingezameld en beschikbaar is gekomen als grondstof voor biobrandstof

    • c. Indien het afval betreft:

      Beschrijf de gebruikscyclus die het materiaal heeft doorlopen.

B. Samenstelling van de grondstof [Vervallen per 04-05-2011]

Vul in de onderstaande tabel de waarden in van de grondstof die is gebruikt voor productie van biobrandstof. Indien de grondstoffensamenstelling kan fluctueren:

  • Geef het gemiddelde en de spreiding;

  • Voeg voor de in te zetten grondstof analyseresultaten bij (literatuurwaarden of waarden van vergelijkbare, maar qua samenstelling enigszins afwijkende grondstoffen voldoen niet).

Component

Eenheid

Waarde (eventueel ook minimum en maximum)

Bron van de waarde

Drogestofgehalte

% van totale gewicht

   

Organische droge stof

% van droge stof

   

Zetmeel

% van droge stof

   

Cellulose

% van droge stof

   

Hemicellulose

% van droge stof

   

Suikers ¹

% van droge stof

   

Eiwit

% van droge stof

   

Vet

% van droge stof

   

Lignine

% van droge stof

   

As

% van droge stof

   

¹ de vrije suikers die geen onderdeel uitmaken van het zetmeel, de cellulose en de hemicellulose

C. Biobrandstofproductie [Vervallen per 04-05-2011]

  • 1. Geef de wijze aan waarop de biobrandstof is geproduceerd.

    B.v. via vergassing van biomassa en Fischer Tropsch synthese, via enzymatische voorbehandelingvan lignocellulose biomassa gevolgd door conventionele fermentatie van C6-suikers tot ethanol, enz.

  • 2. Geef aan welk deel van de biobrandstof is geproduceerd uit het lignocellulosedeel van de grondstof en welk deel is geproduceerd uit de overige componenten van de grondstof:

    • a. Vul de onderstaande tabel in:

    Percentage van biobrandstof afkomstig uit lignocellulosedeel (cellulose, hemicellulose, lignine) van de grondstof

    ..... %

    Percentage van biobrandstof afkomstig uit niet-lignocellulose-deel van de grondstof (o.a. suikers, zetmeel, eiwit, vet)

    ..... %

    Totaal:

    100 %

  • b. Geef aan hoe de ingevulde waarden zijn bepaald of berekend. Indien ze zijn bepaald, voeg de analyses als bijlage toe. Indien ze zijn berekend, voeg de berekeningen als bijlage toe.

D. Alternatieve toepassing [Vervallen per 04-05-2011]

Beschrijf op welke wijze(n) de grondstof kan worden toegepast, buiten het gebruik als grondstof voor biobrandstofproductie.

Het gaat hierbij om de grondstofsoort in zijn algemeenheid, rekening houdende met de samenstelling en met eventuele wettelijke beperkingen die aan een toepassing van deze grondstofsoort zijn opgelegd, en niet om een batch/partij grondstof waar deze aanvraag betrekking op heeft.

E. Reductie van de broeikasgasemissies [Vervallen per 04-05-2011]

Geef de waarde voor de reductie van broeikasgasemissie van de biobrandstof ten opzichte van de fossiele biobrandstof die hij vervangt.Geef als de grondstofsamenstelling of de (efficiëntie van) de productiewijze in de tijd varieert, ook minimum- en maximumwaarden en leg uit waarvan deze variatie het gevolg is.

F. Verklaring [Vervallen per 04-05-2011]

Ik verklaar dit formulier volledig en naar waarheid te hebben ingevuld.

G. Ondertekening: [Vervallen per 04-05-2011]

Naam vergunninghouder:

Vergunningnummer:

Adres:

Postcode en plaats:

Postbus:

Postcode en plaats:

Contactpersoon vergunninghouder:

Naam:

voor zover afwijkend van bovenstaand:

Adres:

Postcode woonplaats:

Postbus:

Postcode en plaats:

Telefoonnummer:

E-mailadres:

Plaats:

Datum:

Ondertekening door vergunninghouder:

Inspectie-instelling:

Adres:

Postcode en plaats:

Contactpersoon:

Bijlagen: [Vervallen per 04-05-2011]

  • Verificatieverklaring van de inspectie-instelling, bedoeld in artikel 3, vierde lid.

Toelichting op het format [Vervallen per 04-05-2011]

Algemeen [Vervallen per 04-05-2011]

Het formulier dient te worden ingevuld voor iedere partij van een type biobrandstof (bijvoorbeeld ‘bio-ethanol uit stro’ of ‘bio-ethanol uit gewasresten van koolzaad’) waarop de wegingsfactor van artikel 2 wordt toegepast. Een grondstof kan zijn een geteeld product, een gewasrest die vrijkomt bij teelt van andere producten, of een residu of afvalstroom uit een verwerkend proces. Indien de grondstofsamenstelling varieert in de tijd, dienen naast gemiddelde waarden ook minimum- en maximumwaarden gegeven te worden.

Voor wat betreft types biobrandstoffen die zijn opgenomen in bijlage III kan volgens de regeling volstaan worden met beperktere informatie (tot en met aanhef vraag A.3),

De getallen kunnen worden afgerond op hele getallen, met uitzondering van de onderste verbrandingswaarde in MJ per liter, bedoeld in hoofdstuk A, onder 2, daar dient het getal met een decimaal achter de komma te worden ingevuld.

Toelichting bij onderdeel D (Alternatieve toepassing) [Vervallen per 04-05-2011]

Indien er alternatieve toepassingen zijn anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulose deel van de biomassa als diervoer, moet, om de wegingsfactor te kunnen toepassen, met een marktanalyse onderbouwd worden dat met die alternatieve aanwendingen geen of slechts een deel van de totaal beschikbare hoeveelheid grondstof kan worden verwerkt. Hiermee kan dan het overige deel van de grondstof alsnog beschikbaar zijn voor energieopwekking (incl. vergisting) of compostering of moet worden gezien als afvalstroom.

Toelichting bij onderdeel E (Reductie van de broeikasgasemissies) [Vervallen per 04-05-2011]

De waarde dient bepaald te worden conform bijlage I bij de regeling.

Bijlage III. – Typen biobrandstoffen als bedoeld in artikel 3, tweede lid [Vervallen per 04-05-2011]

  • Biobrandstoffen geproduceerd uit het lignocellulose deel van grondstoffen;

  • Biobrandstoffen, geproduceerd uit ruwe glycerine;

  • Biobrandstoffen uit gebruikte frituuroliën en -vetten;

  • Biobrandstoffen uit dierlijke vetten.

Bijlage IV. , behorende bij artikel 4 (wijzigingen in overzichten in de bijlagen bij de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer) [Vervallen per 04-05-2011]

[Red: Wijzigt de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer.]