Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen[Regeling vervallen per 01-12-2015.]

Geldend van 14-09-2012 t/m 30-11-2015

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 oktober 2009, nr. DGM/K&L 2009057285, houdende vaststelling van regels inzake de examinering en diplomering van personen en certificering van bedrijven die werkzaamheden verrichten aan stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten waarbij gefluoreerde broeikasgassen vrij kunnen komen (Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (PbEU L 161), de artikelen 9, tweede lid, 10, eerste lid, 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 304/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 92), en artikel 4, eerste tot en met derde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 1 [Vervallen per 01-12-2015]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • deelnemer: deelnemer aan het examen;

  • EG-verordening brandbeveiligingssystemen: verordening (EG) nr. 304/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 92);

  • examen: examen als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

  • exameninstelling: door de minister aangewezen instelling als bedoeld in artikel 10, eerste lid;

  • houder: houder als bedoeld in artikel 2, onder 12, van de f-gassenverordening;

  • installeren: het voor het eerst, op de plaats waar zij zullen worden toegepast, aansluiten van één of meer blusmiddelen met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, met bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;

  • keuringinstantie: door de minister aangewezeninstantie als bedoeld in artikel 25;

  • lekcontrole: controle op lekkage als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de f-gassenverordening;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • onderhouden: alle werkzaamheden waarbij wordt gewerkt aan de blusmiddelen met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, of aan de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;

  • terugwinnen: verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen tijdens onderhoud of voorafgaand aan de verwijdering van stationaire brandbeveiligingssystemen, brandblusapparaten of houders.

Hoofdstuk 2. Diploma’s [Vervallen per 01-12-2015]

Paragraaf 2.1. Werkzaamheden waarvoor een diploma verplicht is [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 2 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichten, beschikken over een diploma:

    • a. het verrichten van lekcontroles van stationaire brandbeveiligingssystemen die drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten;

    • b. het terugwinnen bij stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten;

    • c. het installeren van stationaire brandbeveiligingssystemen;

    • d. het onderhouden van stationaire brandbeveiligingssystemen.

  • 2 Voor personen die voldoen aan artikel 4, tweede lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen is het eerste lid voor een periode van maximaal een jaar niet van toepassing, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de opleiding.

Paragraaf 2.2. Het examen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 3 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt verkregen door het met gunstig gevolg afleggen van het examen bij de exameninstelling.

  • 2 Een persoon meldt zich voor het afleggen van het examen vooraf aan bij de betreffende exameninstelling.

  • 3 Tijdens het examen wordt getoetst of een deelnemer voldoet aan de exameneisen, die zijn neergelegd in de bijlage bij de EG-verordening brandbeveiligingssystemen.

  • 5 Onder het examen wordt in deze regeling mede verstaan het herexamen, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 4 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De minister stelt de inhoud van het examen vast waarmee getoetst wordt of een deelnemer voldoet aan de exameneisen, bedoeld in artikel 3, derde lid. Voorafgaande aan de vaststelling adviseert de exameninstelling de minister over de inhoud van het examen.

  • 2 Het examen bestaat uit een theorie- en een praktijkgedeelte.

Artikel 5 [Vervallen per 01-12-2015]

De minister stelt de uitslag van het examen met inachtneming van het advies van de exameninstelling inzake de resultaten van het door een deelnemer afgelegde examen vast en draagt er zorg voor dat de uitslag binnen drie weken na ontvangst van dat advies aan een deelnemer wordt verzonden.

Artikel 6 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het examen niet met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hij in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen.

  • 2 Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat een deelnemer van de resultaten van het examen op de hoogte is gesteld.

  • 3 Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het herexamen niet met goed gevolg heeft afgelegd, is hij niet gerechtigd opnieuw herexamen te doen.

Artikel 7 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een deelnemer is voor het afleggen van het examen voorafgaand een vergoeding verschuldigd aan de exameninstelling.

  • 2 Indien de verschuldigde vergoeding niet voor de dag waarop het examen zal worden afgenomen is ontvangen wordt de deelnemer uitgesloten van deelname aan het examen.

  • 3 De exameninstelling doet de minister jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de verschuldigde vergoeding voor het afleggen van het examen voor het volgende kalenderjaar. De minister stelt de hoogte van de vergoeding vast.

  • 4 De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor een examen of herexamen dat wordt afgelegd:

    • a. voor een examen of een herexamen op alle onderdelen: € 405,– exclusief BTW;

    • b. voor een herexamen van het theoriegedeelte: € 120,– exclusief BTW;

    • c. voor een herexamen van het praktijkgedeelte: € 285,– exclusief BTW.

  • 5 De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is niet hoger dan de noodzakelijke kosten van de exameninstelling voor het afnemen van het examen.

Artikel 8 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Indien onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de minister beslissen dat het examen geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt afgenomen.

  • 2 Indien een deelnemer in strijd heeft gehandeld met deze regeling of het examenreglement, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, of zich ten aanzien van het examen aan enig bedrog heeft schuldig gemaakt, bericht de exameninstelling de minister hieromtrent.

  • 3 In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt door een examinator binnen een week na constatering van de onregelmatigheid een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit verslag bevat in ieder geval:

    • a. het examen waarop het voorval betrekking heeft;

    • b. het tijdstip waarop het voorval heeft plaatsgevonden;

    • c. de naam van de betrokken deelnemer;

    • d. een omschrijving van het voorval;

    • e. de datum en het tijdstip waarop het verslag is gemaakt;

    • f. de zienswijze van de betrokken deelnemer;

    • g. de zienswijze van een eventuele getuige, met diens naam;

    • h. de naam en de handtekening van degene die het verslag heeft gemaakt;

    • i. zo mogelijk originele bewijsstukken die de bevindingen onderbouwen.

  • 4 Het verslag wordt aan de betrokken deelnemer toegezonden. Voorts wordt onverwijld een afschrift aan de minister gezonden.

  • 5 Indien een deelnemer zich aan een handeling als bedoeld in het tweede lid heeft schuldig gemaakt kan de minister besluiten:

    • a. dat een deelnemer voor een periode van ten hoogste zes maanden wordt uitgesloten van deelname aan het examen;

    • b. tot ongeldigverklaring van het examen;

    • c. tot intrekking van een reeds verleend diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Paragraaf 2.3. Aanwijzing, taken en verplichtingen exameninstelling [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 9 [Vervallen per 01-12-2015]

De exameninstelling is belast met de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het organiseren en afnemen van het examen, waaronder:

  • a. het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 4, eerste lid;

  • b. het geven van voorlichting over en bekendheid aan het examen;

  • c. het vaststellen van de examendatum, het tijdstip en de plaats;

  • d. het toezenden van de uitnodiging voor de deelname aan het examen;

  • e. het afnemen van het examen door examinatoren;

  • f. het factureren van de vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aan een deelnemer;

  • g. het binnen drie weken na afloop van het examen uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 5, en

  • h. het registeren van individuele en algemene resultaten van de examens.

Artikel 10 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een instelling kan door de minister worden aangewezen als exameninstelling indien zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • a. de instelling voldoet aan artikel 11, eerste lid, tweede alinea, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen;

    • b. zij beschikt over een examenreglement dat ten minste bevat:

      • 1°. de procedure- en gedragsregels die gelden voorafgaand, gedurende en na afloop van het examen;

      • 2°. de criteria op basis waarvan het examen wordt beoordeeld ten behoeve van het advies over de examenresultaten, bedoeld in artikel 5;

      • 3°. onverminderd het derde lid, de termijn waarbinnen individuele en algemene resultaten van de examens bewaard blijven, en

      • de procedures voor externe afstemming en klachten in verband met de uitvoering van deze regeling;

    • c. zij beschikt over een huishoudelijk reglement dat ten minste bevat:

      • 1°. de criteria ter uitvoering van artikel 11, vierde lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen;

      • 2°. de procedures voor interne controles en evaluaties van de uitvoering van deze regeling.

  • 2 Wijzigingen van het examenreglement en het huishoudelijk reglement behoeven de goedkeuring van de minister.

  • 3 De exameninstelling is gehouden de inschrijving van een deelnemer, de resultaten van het door hem afgelegde examen evenals het advies aan de minister, bedoeld in artikel 5, te bewaren tot:

    • a. ten minste dertien weken na de dag van het examen;

    • b. ten minste dertien weken na de dag waarop de beslissing op het bezwaarschrift bekend is gemaakt, indien tegen de uitslag van het examen bezwaar is gemaakt, of

    • c. ten minste dertien weken na de dag waarop het beroep onherroepelijk is, indien tegen de beslissing op een bezwaar beroep is ingesteld.

  • 4 De exameninstelling neemt bij de uitvoering van de werkzaamheden het examenreglement en het huishoudelijke reglement in acht en voldoet bij voortduring aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 5 De exameninstelling neemt afdoende maatregelen om fraude voor, tijdens en na het examen te voorkomen.

  • 6 Indien de exameninstelling niet meer voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

  • 7 De minister overlegt periodiek met alle exameninstellingen. De exameninstellingen zijn verplicht aan dit overleg deel te nemen.

Artikel 11 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een instelling kan een aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, indienen bij de minister.

  • 2 Bij de aanvraag toont de instelling aan dat zij voldoet aan de eisen genoemd in artikel 10, eerste lid, door overlegging van de daarvoor noodzakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 12 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De exameninstelling verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 2 De exameninstelling zendt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiend uit deze regeling.

  • 3 Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, bedoeld in bijlage I bij deze regeling.

Paragraaf 2.4. Schorsing en intrekking aanwijzing exameninstelling [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 13 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling schorsen, indien de instelling naar het oordeel van de minister een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 12, niet of onvoldoende uitvoert respectievelijk nakomt.

  • 2 In geval van schorsing geeft de minister de exameninstelling gedurende een door hem te bepalen periode de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

  • 3 Indien de tekortkoming door de exameninstelling binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt wordt de schorsing van de aanwijzing opgeheven.

Artikel 14 [Vervallen per 01-12-2015]

De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling intrekken indien:

  • a. de instelling hierom verzoekt;

  • b. de instelling naar het oordeel van de minister ernstig tekortschiet bij de uitvoering of nakoming van een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 12;

  • c. de instelling niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling;

  • d. de aanwijzing ingevolge artikel 13, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming binnen de door de minister gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of

  • e. de exameninstelling surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

Paragraaf 2.5. Afgifte en intrekken van diploma’s [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 15 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De minister verstrekt het diploma aan een deelnemer die met gunstig gevolg het examen heeft afgelegd.

  • 2 De minister registreert aan wie een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is uitgereikt. Deze gegevens worden bewaard totdat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt doch ten minste vijf jaar.

Artikel 16 [Vervallen per 01-12-2015]

Het diploma vermeldt ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de EG-verordening brandbeveiligingssystemen.

Artikel 17 [Vervallen per 01-12-2015]

Indien degene die een diploma bezit bij voortduring in strijd handelt met deze regeling of artikel 3 van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer kan de minister tot intrekking van het diploma besluiten. In dat geval levert de betrokkene zijn diploma in bij de minister.

Paragraaf 2.6. Vergoeding aan de minister [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 18 [Vervallen per 30-08-2011]

Hoofdstuk 3. Bedrijfscertificaten [Vervallen per 01-12-2015]

Paragraaf 3.1. Aanvraag, verkrijgen, schorsen en intrekken bedrijfscertificaten [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 19 [Vervallen per 01-12-2015]

Een bedrijf dat stationaire brandbeveiligingssystemen installeert of onderhoudt mag deze werkzaamheden uitsluitend verrichten indien het beschikt over een geldig bedrijfscertificaat dat is afgegeven door een keuringsinstantie.

Artikel 20 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een bedrijf kan een bedrijfscertificaat als bedoeld in artikel 19 verkrijgen indien het beschikt over:

    • a. personeel dat in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

    • b. voldoende adequaat gediplomeerd personeel als bedoeld onder a in relatie tot het ter zake te verwachten werkaanbod, en

    • c. voldoende en adequate instrumenten voor en noodzakelijke procedures ten behoeve van het personeel dat zich bezig houdt met de betreffende werkzaamheden.

  • 2 Bij de aanvraag van een bedrijfscertificaat wordt ten minste overgelegd:

    • a. een overzicht van de beschikbaarheid van het personeel, bedoeld in het eerste lid, onder a, in relatie tot het te verwachten werkaanbod evenals kopieën van de diploma’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het personeel;

    • b. een document waarin de voor het personeel noodzakelijke instrumenten en procedures zijn beschreven, en

    • c. het registratienummer uit het handelsregister.

  • 3 Een bedrijf als bedoeld in artikel 19 kan een aanvraag voor een bedrijfscertificaat indienen bij een keuringinstantie.

  • 4 Een bedrijf voldoet na afgifte van het bedrijfscertificaat bij voortduring aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Indien het bedrijf niet meer voldoet aan de eisen op basis waarvan het bedrijfscertificaat is verleend, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de keuringsinstantie.

Artikel 21 [Vervallen per 01-12-2015]

Het bedrijfscertificaat vermeldt ten minste:

  • a. de naam van het bedrijf;

  • b. een registratienummer afgegeven door de keuringsinstantie;

  • c. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 19, die degene die in het bezit is van het bedrijfscertificaat bevoegd is te verrichten;

  • d. de datum van afgifte en de ondertekening door een vertegenwoordiger van de keuringinstantie.

Artikel 22 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De keuringinstantie voert vierentwintig maanden na afgifte van het bedrijfscertificaat een tussentijdse beoordeling uit waarbij wordt bezien of een bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 20, eerste lid. De tussentijdse beoordeling wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.

  • 2 De keuringsinstantie voert achtenveertig maanden na afgifte van het bedrijfscertificaat een herkeuring uit waarbij wordt beoordeeld of het bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 20, eerste lid. De herkeuring wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.

Artikel 23 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat tijdelijk of definitief intrekken:

    • a. indien een bedrijf hierom verzoekt;

    • b. indien een bedrijf naar het oordeel van de keuringinstantie niet meer voldoet aan een of meer eisen als genoemd in artikel 20, eerste lid, of in strijd handelt met artikel 20, vierde of vijfde lid;

    • c. indien een bedrijf niet of onvoldoende meewerkt aan een tussentijdse beoordeling of herkeuring door de keuringinstantie of de keuringsinstantie anderszins niet in staat is het bedrijf te beoordelen;

    • d. het bedrijf surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

  • 2 Bij een tijdelijke intrekking stelt de keuringinstantie een bedrijf gedurende een door de keuringinstantie te bepalen periode in de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

  • 3 Indien de tekortkoming door een bedrijf binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn naar het oordeel van de keuringinstantie ongedaan is gemaakt, wordt de tijdelijke intrekking van het bedrijfscertificaat opgeheven.

  • 4 De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat in ieder geval definitief intrekken, indien het bedrijfscertificaat tijdelijk is ingetrokken en de tekortkoming binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt.

  • 5 Indien de aanwijzing van de keuringsinstantie ingevolge artikel 30, eerste lid, wordt ingetrokken, vervalt het oorspronkelijke bedrijfscertificaat van rechtswege na vierentwintig maanden te rekenen vanaf de dag van de intrekking van de aanwijzing, of zoveel eerder als dat een nieuw bedrijfscertificaat door een andere keuringsinstantie is verleend.

Artikel 24 [Vervallen per 01-12-2015]

De keuringsinstantie neemt bij de certificering, tussentijdse beoordeling en herkeuring van bedrijven, bedoeld in de artikelen 20 en 22 en de tijdelijke en definitieve intrekking van bedrijfscertificaten, bedoeld in artikel 23, de bepalingen die zijn neergelegd in bijlage II bij deze regeling in acht.

Paragraaf 3.2. Aanwijzing, taken en verplichtingen keuringinstantie [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 25 [Vervallen per 01-12-2015]

De keuringinstantie is belast met het beoordelen van bedrijven in het kader van deze regeling, het afgeven van bedrijfscertificaten en het in voorkomende gevallen tijdelijk of definitief intrekken hiervan.

Artikel 26 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een instantie kan door de minister worden aangewezen als keuringinstantie indien de instantie voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. zij is onafhankelijk en onpartijdig bij de uitvoering van de werkzaamheden ingevolge paragraaf 3.1 van deze regeling;

    • b. zij houdt in een register bij welke bedrijven over een bedrijfscertificaat beschikken en houdt deze gegevens actueel;

    • c. zij beschikt over een reglement waarin ten minste de te volgen procedures zijn neergelegd voor het verstrekken en het tijdelijk en definitief intrekken van het bedrijfscertificaat en het beoordelen en herkeuren van bedrijven, en

    • d. zij beschikt over personeel dat voor het uitvoeren van de beoordelingen van de bedrijven voldoet aan de eisen, die zijn neergelegd in bijlage III bij de regeling.

  • 2 De keuringinstantie bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, ten minste vijf jaar.

  • 3 De keuringinstantie neemt bij de uitvoering van de werkzaamheden ingevolge paragraaf 3.1 van deze regeling het reglement, bedoeld in het eerste lid, onder c, in acht en voldoet bij voortduring aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Indien de keuringsinstantie niet meer voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

  • 5 De minister overlegt periodiek met alle keuringinstanties. De keuringinstanties zijn verplicht aan dit overleg deel te nemen.

Artikel 27 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een instantie kan een aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 26, eerste lid, indienen bij de minister.

  • 2 Bij de aanvraag toont de instantie aan dat zij voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 26, eerste lid, door overlegging van de daarvoor noodzakelijke gegevens en bescheiden die direct of indirect van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 28 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De keuringinstantie verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 2 De keuringinstantie stuurt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiende uit deze regeling.

  • 3 Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, die zijn neergelegd in bijlage IV bij deze regeling.

Paragraaf 3.3. Schorsing en intrekking van aanwijzing keuringinstantie [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 29 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De minister kan de aanwijzing van een keuringinstantie schorsen, indien de instantie naar het oordeel van de minister:

    • a. niet meer voldoet aan een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 26 of 28;

    • b. niet geacht wordt in staat te zijn een of meer van de werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.1, naar behoren uit te voeren.

  • 2 Bij schorsing geeft de minister de keuringinstantie gedurende een door hem te bepalen periode gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.

  • 3 Indien de tekortkoming door de keuringinstantie binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt wordt de schorsing opgeheven.

Artikel 30 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De minister kan de aanwijzing van de keuringinstantie intrekken, indien:

    • a. de instantie hierom verzoekt;

    • b. de instantie ernstig tekort is geschoten bij de uitvoering van artikel 25 of de naleving van een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 26 en 28;

    • c. de instantie misbruik maakt van haar bevoegdheden;

    • d. de instantie niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling;

    • e. de aanwijzing ingevolge artikel 29, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming naar het oordeel van de minister binnen de door de hem gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of

    • f. de instantie surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.

  • 2 De keuringsinstantie overlegt bij intrekking van de aanwijzing aan de minister alle relevante inlichtingen en bescheiden, waaronder het register, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b.

  • 3 De keuringsinstantie stelt de betrokken bedrijven onverwijld op de hoogte van het besluit van de minister tot intrekking van de aanwijzing.

Hoofdstuk 4. Overgangsregeling [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 31 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een diploma voor het verrichten van lekcontroles van brandbeveiligingssystemen die drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor het terugwinnen bij en het, installeren en onderhouden van brandbeveiligingssystemen en voor het terugwinnen bij brandblusapparaten dat na 14 oktober 2009 en voor 1 januari 2010 door de minister is verstrekt, wordt aangemerkt als een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

  • 2 Een bedrijf dat beschikt over een geldig bedrijfscertificaat ‘blusgasinstallatiebedrijf’ dat door LPCB Nederland B.V. is afgegeven wordt geacht tot 1 juli 2010 in het bezit te zijn van een tussentijds bedrijfscertificaat ten behoeve van het kunnen verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 19.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 32 [Vervallen per 01-12-2015]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 33 [Vervallen per 01-12-2015]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 oktober 2009

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage I. , behorende bij artikel 12, derde lid [Vervallen per 01-12-2015]

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

  • 1. Een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de exameninstelling.

  • 2. Voor wat betreft de examens in het afgelopen kalenderjaar wordt aangegeven:

    • a. het totaal aantal deelnemers aan de examens en herexamens, uitgesplitst naar de aard van de examens;

    • b. het aantal deelnemers per examen en herexamen;

    • c. het aantal collectieve en individuele examens en herexamens per examenlocatie.

  • 3. De resultaten van de interne controles en evaluaties in verband met de uitvoering van de regeling in het afgelopen kalenderjaar.

  • 4. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het aantal gegronde klachten in het afgelopen kalenderjaar.

  • 5. De relevante onderdelen van de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar waaronder de verantwoording van de tariefstelling van de exameninstelling.

Bijlage II. , behorend bij artikel 24 [Vervallen per 01-12-2015]

1. Eisen voor het verkrijgen van een bedrijfscertificaat [Vervallen per 01-12-2015]

Een bedrijf moet aan de volgende eisen voldoen om een bedrijfscertificaat te verkrijgen en te behouden:

  • 1. Een bedrijf beschikt over voldoende en adequaat gediplomeerd personeel in relatie tot het ter zake te verwachten werkaanbod (artikel 20, eerste lid, onder b). Een bedrijf beschikt over voldoende personeel met een adequaat diploma indien:

    • a. dit personeel inzetbaar is op het moment dat het werk zich aanbiedt(inzetbaarheid);en,

    • b. aan dit personeel ten aanzien van de werkzaamheden voorschriften kunnen worden gegeven door een bedrijf (aansturing); en,

    • c. een bedrijf te allen tijde aansprakelijk blijft voor het doen of nalaten van dit personeel (aansprakelijkheid); en

    • d. minimaal één van deze personen bij haar in dienst is met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet in deeltijd.

    Indien een bedrijf een eenmanszaak betreft is het gestelde in de aanhef en onder a van overeenkomstige toepassing op de eigenaar.1

  • 2. Een bedrijf beschikt over de ‘noodzakelijke procedures’ (artikel 20, eerste lid, onder c), waaronder wordt verstaan dat een bedrijf, afhankelijk van de aard van de te verwachten werkzaamheden, beschikt over één of meerdere van volgende beschreven en voor het personeel beschikbare procedures:

    • a. Procedure voor het installeren van het stationaire brandbeveiligingssysteem. Deze bevat minimaal de volgende punten:

      • een beschrijving van de adequate instrumenten waarmee bepaalde werkzaamheden in de procedure worden uitgevoerd;

      • voor elke procedurestap die een diploma vereist volgens artikel 2, eerste lid, wordt aangegeven dat deze alleen met het diploma mag worden uitgevoerd;

      • welke voorzieningen of technieken moeten worden toegepast tijdens de bouw van het stationaire brandbeveiligingssysteem ten behoeve van het voorkomen van lekkage zodra het stationaire brandbeveiligingssysteem in gebruik wordt genomen;

      • bepalingen voor het stationaire brandbeveiligingssysteem ten aanzien van het uitvoeren van lekcontroles overeenkomstig de EG-verordening standaardlekcontroles brandbeveiligingssystemen, zodra het stationaire brandbeveiligingssysteem hiermee is gevuld;

    • b. Procedure voor het onderhouden van het stationaire brandbeveiligingssysteem dat minder dan drie kilogram gefluoreerde broeikasgassen bevat. Deze omvat minimaal de volgende punten:

      • een beschrijving van de adequate instrumenten waarmee bepaalde werkzaamheden in de procedure worden uitgevoerd;

      • voor elke procedurestap die een diploma vereist volgens artikel 2, eerste lid, wordt aangegeven dat deze alleen met het diploma mag worden uitgevoerd;

      • wanneer en hoe de lekcontrole van het stationaire brandbeveiligingssysteem plaats zal vinden;

      • indien er sprake is van lekkage wordt de lekkage onverwijld hersteld en wordt de eigenaar of gebruiker van het stationaire brandbeveiligingssysteem er op geattendeerd dat deze het brandbeveiligingssysteem binnen een maand na herstel van de lekkage opnieuw moet laten controleren;

    • c. Procedure voor het onderhouden van het stationaire brandbeveiligingssysteem dat drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevat. Deze omvat minimaal de volgende punten:

      • een beschrijving van de adequate instrumenten waarmee bepaalde werkzaamheden in de procedure worden uitgevoerd;

      • voor elke procedurestap die een diploma vereist volgens artikel 2, eerste lid, wordt aangegeven dat deze alleen met het diploma mag worden uitgevoerd;

      • bepalingen voor het stationaire brandbeveiligingssysteem ten aanzien van het uitvoeren van lekcontroles overeenkomstig de EG-verordening standaardlekcontroles brandbeveiligingssystemen;

      • indien er sprake is van lekkage wordt de lekkage onverwijld hersteld en wordt de eigenaar of gebruiker van het stationaire brandbeveiligingssysteem er op geattendeerd dat deze het brandbeveiligingssysteem binnen een maand na herstel van de lekkage opnieuw moet laten controleren;

    • d. Procedure voor het bijhouden van een logboek bij het stationaire brandbeveiligingssysteem (altijd);

  • 3. Een bedrijf beschikt over ‘adequate’ instrumenten (artikel 20, eerste lid, onder c), Daaronder wordt verstaan: instrumenten die beschikbaar zijn voor het personeel en die voldoen aan de eisen gesteld in de relevante regelgeving (o.a. EG-verordening standaardlekcontroles brandbeveiligingssystemen). Dit betekent dat deze instrumenten een ijking en gevoeligheid kennen (uitgedrukt in druk, p.p.m., etc.) die minimaal aan deze eisen voldoen.

  • 4. Een bedrijf beschikt over ‘voldoende’ instrumenten (artikel 20, eerste lid, onder c). Daaronder wordt verstaan dat het personeel dat verondersteld wordt gelijktijdig met deze instrumenten te werken hier ook daadwerkelijk over kan beschikken.

2. Verlenen van een bedrijfscertificaat [Vervallen per 01-12-2015]

De keuringsinstantie volgt de volgende procedure voor de verlening van een bedrijfscertificaat:

  • 1. De keuringsinstantie stelt een formulier beschikbaar voor het aanvragen van een bedrijfscertificaat. Dit formulier omvat een beschrijving van alle bepalingen en vereisten waaraan een aanvraag moet voldoen om als aanvraag ontvankelijk te zijn. Hierin zijn minimaal opgenomen:

    • a. de eisen, bedoeld in artikel 20, tweede lid;

    • b. bepalingen rond het verstrekken van gegevens ten aanzien van het te verwachten werkaanbod, uitgesplitst naar het soort werkzaamheden (installeren of onderhouden) en de omvang van de te installeren of te onderhouden stationaire brandbeveiligingssystemen.

  • 2. De keuringsinstantie beoordeelt of een bedrijf beschikt over:

    • a. voldoende personeel dat in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in relatie tot het verwachte werkaanbod voor de komende twaalf maanden, indien een bedrijf stationaire brandbeveiligingssystemen installeert of onderhoudt;

    • b. de noodzakelijke procedures conform de bepalingen, bedoeld in paragraaf 1;

    • c. voldoende en adequate instrumenten om de verwachte werkzaamheden en het verwachte werkvolume in overeenstemming met de procedures uit te voeren.

  • 3. De beoordeling van een bedrijf ten behoeve van de bedrijfscertificering is qua tijdsbesteding zodanig dat de keuringsinstantie in staat is deze op deugdelijke wijze uit te voeren.

  • 4. De keuringsinstantie legt de resultaten van de beoordeling ten behoeve van de bedrijfscertificering schriftelijke vast.

  • 5. De keuringsinstantie besluit tot het afgeven van een bedrijfscertificaat indien de resultaten van de beoordeling van de aanvraag positief zijn, dat wil zeggen dat is vastgesteld dat een bedrijf voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een bedrijfscertificaat (artikel 20).

  • 6. Zodra de keuringsinstantie een bedrijf een bedrijfscertificaat heeft verleend, wordt dat bedrijf opgenomen in het betreffende register van de keuringsinstantie.

  • 7. De keuringsinstantie kan als sluitstuk van de bedrijfscertificering binnen zes maanden na afgifte van een bedrijfscertificaat de functionaliteit van de door een bedrijf opgestelde procedures bezien.

3. Tussentijdse beoordeling [Vervallen per 01-12-2015]

De keuringsinstantie beoordeelt een bedrijf na de afgifte van een bedrijfscertificaat tussentijds, als volgt:

  • 1. De keuringsinstantie vraagt bij een bedrijf tijdig de gegevens en documenten op die nodig zijn om de tussentijdse beoordeling te kunnen uitvoeren.

  • 2. Ten behoeve van de tussentijdse beoordeling beoordeelt de keuringsinstantie:

    • a. of een bedrijf beschikt over voldoende personeel met een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien een bedrijf stationaire brandbeveiligingssystemen installeert of onderhoudt;

    • b. of het installeren en onderhouden, de lekcontroles en andere handelingen met gefluoreerde broeikasgassen in de afgelopen vierentwintig maanden zijn uitgevoerd door daartoe adequaat gediplomeerde personeel;

    • c. of de voor het personeel beschikbare procedures nog steeds voldoen aan de geldende regelgeving in het geval er wijzigingen in de procedures óf in de regelgeving zijn doorgevoerd in de afgelopen vierentwintig maanden;

    • d. of een bedrijf beschikt over voldoende en adequate instrumenten in het geval er een relevante toename van het werkvolume heeft plaatsgevonden of wordt verwacht voor de komende vierentwintig maanden, en of de genoemde instrumenten nog steeds in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving;

  • 3. De tussentijdse beoordeling is qua tijdsbesteding zodanig dat de keuringsinstantie in staat is deze op deugdelijke wijze uit te voeren.

  • 4. De keuringsinstantie informeert een bedrijf schriftelijk over het resultaat van de beoordeling.

  • 5. Indien tijdens de tussentijdse beoordeling tekortkomingen zijn geconstateerd die niet direct leiden tot tijdelijke intrekking van een bedrijfscertificaat (zie paragraaf 5) bericht de keuringsinstantie een bedrijf schriftelijk dat het een periode van vier weken krijgt om de tekortkoming te herstellen.

  • 6. Indien de keuringsinstantie besluit tot het tijdelijk of definitief intrekken (zie paragraaf 5) van een bedrijfscertificaat bericht zij dit schriftelijk aan een bedrijf.

  • 7. Indien bij de tussentijdse beoordeling tekortkomingen waren geconstateerd, of indien een bedrijfscertificaat naar aanleiding van de tussentijdse beoordeling tijdelijk was ingetrokken en de tekortkoming nadien is hersteld, kan de keuringsinstantie als sluitstuk van de tussentijdse beoordeling binnen zes maanden na afloop van die beoordeling een aanvullende beoordeling uitvoeren.

4. Herkeuring [Vervallen per 01-12-2015]

De keuringsinstantie herkeurt een bedrijf na afgifte van een bedrijfscertificaat als volgt:

  • 1. De keuringsinstantie vraagt tijdig bij een bedrijf de gegevens en documenten op die nodig zijn om de herkeuring te kunnen uitvoeren.

  • 2. Voor de herkeuring is paragraaf 2, onder 2 tot en met 4, en paragraaf 3, onder 4 tot en met 7, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De herkeuring wordt aangevuld met een beoordeling of het installeren en onderhouden, de lekcontroles en andere handelingen met gefluoreerde broeikasgassen in de afgelopen vierentwintig maanden zijn uitgevoerd door daartoe adequaat gediplomeerde personeel.

5. Tijdelijk en definitief intrekken van een bedrijfscertificaat [Vervallen per 01-12-2015]

In de volgende gevallen wordt een bedrijfscertificaat tijdelijk of definitief ingetrokken (artikel 23, eerste lid, onder b):

  • 1. De keuringsinstantie besluit tot het tijdelijk intrekken van een bedrijfscertificaat indien bij de tussentijdse beoordeling of de herkeuring blijkt dat:

    • a. een geconstateerde tekortkoming die niet onmiddellijk leidde tot het tijdelijk intrekken van het bedrijfscertificaat niet binnen de door de keuringsinstantie gestelde hersteltermijn van vier weken is verholpen;

    • b. een bedrijf niet beschikt over een persoon die een diploma heeft als bedoeld artikel 2, eerste lid, en dat bedrijf stationaire brandbeveiligingssystemen installeert of onderhoudt;

    • c. een bedrijf geen van de noodzakelijke procedures, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder c, kan overleggen;

    • d. een bedrijf geen van de adequate instrumenten, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder c, beschikbaar heeft voor het betreffende personeel;

    • e. een bedrijf niet kan aantonen dat de afgelopen vierentwintig maanden voor de werkzaamheden waarvoor een diploma is vereist adequaat gediplomeerd personeel is ingezet.

  • 2. De keuringsinstantie besluit tot het tijdelijk intrekken van een bedrijfscertificaat indien bij een aanvullende beoordeling, bedoeld in paragraaf 3, onder 7, een eerder herstelde tekortkoming opnieuw wordt geconstateerd.

  • 3. Indien de keuringsinstantie besluit een bedrijfscertificaat tijdelijk in te trekken, bericht de keuringsinstantie dit schriftelijk aan een bedrijf en wordt het een termijn van maximaal acht weken gegeven om de geconstateerde tekortkoming ongedaan te maken.

  • 4. De keuringsinstantie besluit tot het definitief intrekken van een bedrijfscertificaat indien de tekortkoming niet meer ongedaan kan worden gemaakt of indien een bedrijf de tekortkoming die geleid heeft tot het tijdelijk intrekken van het certificaat niet binnen de door de keuringsinstantie gestelde termijn heeft verholpen.

  • 5. Indien de keuringsinstantie heeft besloten een bedrijfscertificaat definitief in te trekken bericht de keuringsinstantie dit schriftelijk aan een bedrijf.

Bijlage III. , behorend bij artikel 26, eerste lid, onder d [Vervallen per 01-12-2015]

Degene als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, die beoordelingen van bedrijven uitvoert, voldoet aan de volgende eisen:

A. Algemene eisen [Vervallen per 01-12-2015]

Hij:

  • a. beschikt over relevante werkervaring met betrekking tot installatie en onderhoud van stationaire brandbeveiligingssystemen;

  • b. beschikt over goede sociale en communicatieve vaardigheden;

  • c. is accuraat, doortastend en zelfstandig;

  • d. heeft verantwoordelijkheidsbesef;

  • e. heeft een representatief voorkomen, en

  • f. is klantgericht, flexibel en integer.

B. Specifieke eisen voor de doorlichting van de bedrijfsvoering [Vervallen per 01-12-2015]

Hij:

  • a. heeft een opleiding op HBO-niveau met goed gevolg afgelegd of heeft een opleiding op MBO-niveau met goed gevolg afgelegd en beschikt over werkervaring op HBO-niveau;

  • b. heeft bedrijfskundig inzicht;

  • c. heeft kennis van administratieve en organisatorische procedures;

  • d. heeft relevante kennis van wet- en regelgeving op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen en stationaire brandbeveiligingssystemen;

  • e. beschikt over basiskennis van stationaire brandbeveiligingssystemen verkregen door opleiding of ervaring, en

  • f. heeft minimaal één jaar ervaring met controle- en auditwerkzaamheden.

Bijlage IV. , behorend bij artikel 28, derde lid [Vervallen per 01-12-2015]

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

  • 1. Een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de keuringsinstantie.

  • 2. Voor wat betreft de afgifte van bedrijfscertificaten in het afgelopen kalenderjaar wordt voor dat jaar aangegeven:

    • a. het aantal afgegeven bedrijfscertificaten;

    • b. het totaal aantal opgenomen bedrijven in het register per 31 december;

    • c. het aantal en de resultaten van de tussentijdse beoordelingen respectievelijk herkeuringen inclusief de aanvullende beoordelingen;

    • d. het aantal tijdelijk ingetrokken bedrijfscertificaten uitgesplitst naar de redenen van intrekking;

    • e. het aantal definitief ingetrokken bedrijfscertificaten uitgesplitst naar de redenen van intrekking.

  • 3. Het aantal en de aard van de ontvangen bezwaren evenals de korte inhoud van de ter zake genomen besluiten in het afgelopen kalenderjaar.

  • 4. Het aantal en de aard van de ontvangen beroepen en de korte inhoud van door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ter zake gedane uitspraken in het afgelopen kalenderjaar.

  • 5. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het percentage gegronde klachten in het afgelopen kalenderjaar.

  • 6. De relevante onderdelen van de jaarrekening waaronder de verantwoording van de tariefstelling van de keuringsinstantie.

  • ^ [1]

    Om te controleren of een bedrijf beschikt over ‘voldoende’ personeel in relatie tot het ter zake te verwachten werkaanbod, beoordeelt de keuringinstantie het huidige werkvolume en het verwachte werkvolume op het moment van de beoordeling.