KruimelpadGeldend op 06-10-2009
[Regeling treedt in werking per 01-01-2010 met terugwerkende kracht tot en met 30-06-2011]
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op de artikelen 5, tweede lid, en 6, vierde lid, van verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (PbEU L 161), de artikelen 6, eerste en tweede lid, 9, eerste en tweede lid, 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van verordening (EG) nr. 303/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 92), de artikelen 2, derde lid, en 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsvoorschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen (PbEU L 92), de artikelen 16, vijfde lid, en 17, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244), artikel 4, eerste tot en met derde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en de artikelen 4 en 6 van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
airco van een mobiel werktuig: koelinstallatie die
– niet hermetisch gesloten is en minder dan drie kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat, of
– hermetisch gesloten is en minder dan zes kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat,
en hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de bestuurdersruimte van een werktuig als bedoeld in bijlage I bij deze regeling te doen dalen;
airco van een voertuig: koelinstallatie die
– niet hermetisch gesloten is en minder dan drie kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat, of
– hermetisch gesloten is en minder dan zes kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat,
en hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de bestuurdersruimte of de passagiersruimte van een voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c en d, van de Wegenverkeerswet 1994 te doen dalen;
deelnemer: deelnemer aan het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid;
exameninstelling: door de Minister aangewezen instelling als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met vierde lid;
installeren: aaneenkoppelen van twee of meer apparatuuronderdelen of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten of daartoe bestemd zijn met het oog op het plaatsen van een systeem op de locatie waar het zal functioneren, inclusief de handeling waarbij leidingen voor gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen van een systeem worden aaneengekoppeld om een koelcircuit te voltooien ongeacht de noodzaak het systeem na montage te vullen;
keuringsinstantie: door de minister aangewezen instantie als bedoeld in artikel 25, eerste lid;
koelinstallatie: drukapparatuur of drukapparaat als bedoeld in artikel 1, onder e, van het Warenwetbesluit drukapparatuur, waarin zich gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevinden;
koudemiddelenregistratie: registratie waarbij wordt bijgehouden de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen die wordt gevuld of bijgevuld in koelinstallaties en de teruggewonnen hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen uit koelinstallaties evenals de bestemming hiervan;
lekcontrole: controle op lekkage als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de f-gassenverordening voor zover het gefluoreerde broeikasgassen betreft en controle op lekdichtheid als bedoeld in artikel 3.2, onder c, van de Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006 voorzover het gereguleerde stoffen betreft;
minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
mobiele airco: airco van een voertuig of airco van een mobiel werktuig;
mobiele koelinstallatie: koelinstallatie die
– niet hermetisch gesloten is en drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat of
– hermetisch gesloten is en zes kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat,
en zich bevindt in of op een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Spoorwegwet of een voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c of d, van de Wegenverkeerswet 1994;
onderhouden: alle werkzaamheden, met uitzondering van het terugwinnen en het uitvoeren van lekcontroles, waarbij de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten of daartoe bestemd zijn, worden geopend, waaronder het vullen van het systeem met gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen, het wegnemen van een of meer circuit- of apparatuuronderdelen, het hermonteren van een of meer circuit- of apparatuuronderdelen en het herstellen van lekken;
stationaire koelinstallatie: koelinstallatie die tijdens het functioneren niet mobiel is;
terugwinnen: verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen tijdens onderhoud of voorafgaand aan de verwijdering van koelinstallaties of houders als bedoeld in artikel 2, onder 12, van de f-gassenverordening.
1. Personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichten aan stationaire en mobiele koelinstallaties, beschikken over een bij de betreffende categorie van werkzaamheden behorend diploma als bedoeld in het tweede lid:
a. het verrichten van lekcontroles van mobiele koelinstallaties, en van stationaire koelinstallaties:
1°. die niet hermetisch gesloten zijn en drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten of
2°. die hermetisch gesloten zijn en zes kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten;
b. het terugwinnen;
c. het installeren, of
d. het onderhouden.
2. Het diploma heeft betrekking op een van de volgende categorieën van werkzaamheden:
a. categorie I: de houder van het diploma is bevoegd alle werkzaamheden als genoemd in het eerste lid te verrichten;
b. categorie II: de houder van het diploma is bevoegd:
1°. de werkzaamheid, genoemd in het eerste lid, onder a, te verrichten op voorwaarde dat hierbij het koelcircuit, dat de gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat, niet wordt geopend;
2°. de werkzaamheden, genoemd in het eerste lid, onder b tot en met d, te verrichten bij stationaire koelinstallaties die niet hermetisch gesloten zijn en minder dan drie kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten of die hermetisch gesloten zijn en minder dan zes kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten;
c. categorie III: de houder van het diploma is bevoegd de werkzaamheid, genoemd in het eerste lid, onder b, te verrichten bij stationaire koelinstallaties die niet hermetisch gesloten zijn en minder dan drie kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten of die hermetisch gesloten zijn en minder dan zes kilogram gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten;
d. categorie IV: de houder van het diploma is bevoegd de werkzaamheid, genoemd in het eerste lid, onder a, te verrichten voorzover hierbij het koelcircuit, dat de gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevat, niet wordt geopend.
3. Personen die belast zijn met het terugwinnen bij mobiele airco’s beschikken over een bij deze werkzaamheid behorend diploma.
4. Degene die beschikt over een diploma behorend tot categorie I als bedoeld in het tweede lid, onder a, is tevens gerechtigd de werkzaamheid, bedoeld in het derde lid, te verrichten.
5. Voor personen:
a. die een opleiding voor het kunnen verrichten van de betreffende werkzaamheid volgen met het oogmerk het hierbij behorende diploma te verkrijgen, en
b. die tot het moment dat het diploma voor die betreffende werkzaamheid is verkregen bij het verrichten van die werkzaamheid werkzaam zijn onder direct toezicht en verantwoordelijkheid van iemand die over een bij het bij die werkzaamheid behorend diploma beschikt, is het eerste lid voor een periode van maximaal twee jaar en het derde lid voor een periode van maximaal een jaar niet van toepassing, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de opleiding.
1. Een diploma wordt verkregen door het met gunstig gevolg afleggen van het examen bij een exameninstelling als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.
2. De Stichting Emissiepreventie Koudetechniek is aangewezen als de instelling die het examen afneemt voor een diploma voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan stationaire en mobiele koelinstallaties.
3. De Stichting Vakopleiding Automobiel- en Motorrijwielbedrijf is aangewezen als de instelling die het examen afneemt voor een diploma voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, aan airco’s van voertuigen.
4. De Stichting Certificering Examinering Risicovolle Taken is aangewezen als de instelling die het examen afneemt voor een diploma voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, aan airco’s van mobiele werktuigen.
5. Een persoon meldt zich voor het afleggen van het examen vooraf aan bij de betreffende exameninstelling.
6. Tijdens het examen voor een diploma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt getoetst of een deelnemer voldoet aan de exameneisen behorend bij de betreffende categorie van werkzaamheden, die zijn neergelegd in bijlage II bij deze regeling.
7. Tijdens het examen voor een diploma als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt getoetst of een deelnemer voldoet aan de exameneisen, die zijn neergelegd in bijlage III bij deze regeling.
8. Onverminderd de artikelen 8, vijfde lid, onder c, en 16 is de geldigheidsduur van het diploma onbeperkt.
9. Onder het examen wordt in deze regeling mede verstaan het herexamen, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald.
1. De minister stelt de inhoud van het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vast waarmee getoetst wordt of een deelnemer voldoet aan de exameneisen behorend bij de betreffende categorie van werkzaamheden, die zijn neergelegd in de bijlagen II of III bij deze regeling. Voorafgaande aan de vaststelling adviseert de exameninstelling de minister over de inhoud van het examen.
2. Het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een theorie- en een praktijkgedeelte.
De minister stelt de uitslag van het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, met inachtneming van het advies van de exameninstelling inzake de resultaten van het door een deelnemer afgelegde examen vast en draagt er zorg voor dat de uitslag binnen drie weken na ontvangst van dat advies aan een deelnemer wordt verzonden.
1. Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hij in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen.
2. Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat een deelnemer van de resultaten van het examen op de hoogte is gesteld.
3. Indien een deelnemer een of meer onderdelen van het herexamen niet met goed gevolg heeft afgelegd, is hij niet gerechtigd opnieuw herexamen te doen.
1. Indien onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de minister beslissen dat het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt afgenomen.
2. Indien een deelnemer in strijd heeft gehandeld met deze regeling of het examenreglement, bedoeld in artikel 9, tweede lid, of zich ten aanzien van het examen aan enig bedrog heeft schuldig gemaakt, bericht de exameninstelling de minister hieromtrent.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt door een examinator binnen een week na constatering van de onregelmatigheid een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit verslag bevat in ieder geval:
a. het examen waarop het voorval betrekking heeft;
b. het tijdstip waarop het voorval heeft plaatsgevonden;
c. de naam van de betrokken deelnemer;
d. een omschrijving van het voorval;
e. de datum en het tijdstip waarop het verslag is gemaakt;
f. de zienswijze van de betrokken deelnemer;
g. de zienswijze van een eventuele getuige, met diens naam;
h. de naam en de handtekening van degene die het verslag heeft gemaakt;
i. zo mogelijk originele bewijsstukken die de bevindingen onderbouwen.
4. Het verslag wordt aan de betrokken deelnemer toegezonden. Voorts wordt onverwijld een afschrift aan de minister gezonden.
5. Indien een deelnemer zich aan een handeling, als bedoeld in het tweede lid, schuldig heeft gemaakt kan de minister besluiten:
a. dat een deelnemer voor een periode van ten hoogste zes maanden wordt uitgesloten van deelname aan een of meer examens als bedoeld in deze regeling;
b. tot ongeldigverklaring van het examen;
c. tot intrekking van een reeds verleend diploma op grond van deze regeling.
1. De exameninstelling is belast met de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het organiseren en afnemen van het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waaronder:
a. het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 4, eerste lid;
b. het geven van voorlichting over en bekendheid aan het examen;
c. het vaststellen van de examendatum, het tijdstip en de plaats;
d. het toezenden van de uitnodiging voor de deelname aan het examen;
e. het afnemen van het examen door examinatoren;
f. het factureren van de vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aan een deelnemer;
g. het binnen drie weken na afloop van het examen uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 5, en
h. het registeren van individuele en algemene resultaten van de examens.
2. De exameninstelling stelt een examenreglement vast. Het reglement bevat ten minste:
a. de procedure- en gedragsregels die gelden voorafgaand, gedurende en na afloop van het examen;
b. de criteria op basis waarvan het examen wordt beoordeeld ten behoeve van het advies over de examenresultaten, bedoeld in artikel 5;
c. onverminderd artikel 10 de termijn waarbinnen individuele en algemene resultaten van de examens bewaard blijven, en
d. de procedures voor externe afstemming en klachten in verband met de uitvoering van deze regeling.
3. De exameninstelling stelt een huishoudelijk reglement vast dat ten minste bevat:
a. de taken die een examinator heeft;
b. de criteria waaraan de examinator moet voldoen, waarbij ten minste wordt vastgelegd:
1°. dat hij voldoende kennis heeft van de relevante examenmethoden en de examendocumenten, en
2°. dat hij voldoende relevante praktijkervaring heeft;
c. de criteria waaraan de examenruimte moet voldoen en welke technische middelen en hulpmiddelen beschikbaar moeten zijn;
d. de procedures voor interne controles en evaluaties van de uitvoering van deze regeling.
4. Het examenreglement, het huishoudelijk reglement, en wijzigingen hiervan behoeven de goedkeuring van de minister.
5. De exameninstelling is onafhankelijk en onpartijdig en neemt bij de uitvoering van de werkzaamheden het examenreglement en het huishoudelijk reglement in acht.
6. De exameninstelling neemt afdoende maatregelen om fraude voor, tijdens en na het examen te voorkomen.
7. Indien de exameninstelling niet meer voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.
De exameninstelling is gehouden de inschrijving van een deelnemer, de resultaten van het door hem afgelegde examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, evenals het advies aan de minister, bedoeld in artikel 5, te bewaren tot:
a. ten minste dertien weken na de dag van het examen;
b. ten minste dertien weken na de dag waarop de beslissing op het bezwaarschrift bekend is gemaakt, indien tegen de uitslag van het examen bezwaar is gemaakt, of
c. ten minste dertien weken na de dag waarop het beroep onherroepelijk is, indien tegen een beslissing op bezwaar beroep is ingesteld.
1. De exameninstelling verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2. De exameninstelling zendt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiend uit deze regeling.
3. Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, bedoeld in bijlage IV bij deze regeling.
1. De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling schorsen, indien de instelling naar het oordeel van de minister een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 11, niet of onvoldoende uitvoert respectievelijk nakomt.
2. In geval van schorsing geeft de minister de exameninstelling gedurende een door hem te bepalen periode de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.
3. Indien de tekortkoming door de exameninstelling binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt, wordt de schorsing van de aanwijzing opgeheven.
De minister kan de aanwijzing van de exameninstelling intrekken indien:
a. de instelling hierom verzoekt;
b. de instelling naar het oordeel van de minister ernstig tekortschiet bij de uitvoering of nakoming van een of meer van de taken of verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 11;
c. de instelling niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling;
d. de aanwijzing ingevolge artikel 12, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming binnen de door de minister gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of
e. de instelling surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.
1. De minister verstrekt het diploma aan een deelnemer die met gunstig gevolg het examen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, heeft afgelegd.
2. De minister registreert aan wie een diploma als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is uitgereikt. Deze gegevens worden bewaard totdat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt doch ten minste vijf jaar.
Het diploma vermeldt ten minste:
a. de volledige naam van de houder van het diploma;
b. een registratienummer afgegeven door de minister;
c. de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 2, eerste of derde lid, die de houder van het diploma bevoegd is te verrichten;
d. de datum van afgifte en de ondertekening door de minister.
Indien de houder van een diploma bij voortduring in strijd handelt met deze regeling, artikel 3 van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer, of de Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006 kan de minister tot intrekking van het diploma besluiten. In dat geval levert de betrokkene zijn diploma in bij de minister.
Het bedrijfscertificaat vermeldt ten minste:
a. de naam van het bedrijf;
b. een registratienummer afgegeven door de keuringsinstantie;
c. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 18, die de houder van het bedrijfscertificaat bevoegd is te verrichten;
d. de datum van afgifte en de ondertekening door een vertegenwoordiger van de keuringinstantie.
1. De keuringsinstantie voert vierentwintig maanden na afgifte van een bedrijfscertificaat een tussentijdse beoordeling uit waarbij wordt bezien of een bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 19, eerste lid. De tussentijdse beoordeling wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.
2. De keuringsinstantie voert achtenveertig maanden na afgifte van een bedrijfscertificaat een herkeuring uit waarbij wordt beoordeeld of een bedrijf nog voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 19, eerste lid. De herkeuring wordt vervolgens iedere achtenveertig maanden herhaald.
1. De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat tijdelijk of definitief intrekken:
a. indien een bedrijf hierom verzoekt;
b. indien een bedrijf naar het oordeel van de keuringinstantie niet meer voldoet aan een of meer eisen als genoemd in artikel 19, eerste lid, of in strijd handelt met artikel 19, vierde of vijfde lid, of
c. indien een bedrijf niet of onvoldoende meewerkt aan een tussentijdse beoordeling of herkeuring door de keuringinstantie of de keuringsinstantie anderszins niet in staat is een bedrijf te beoordelen.
d. een bedrijf surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.
2. Bij een tijdelijke intrekking stelt de keuringinstantie een bedrijf gedurende een door de keuringinstantie te bepalen periode in de gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.
3. Indien de tekortkoming door een bedrijf binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn naar het oordeel van de keuringinstantie ongedaan is gemaakt, wordt de tijdelijke intrekking van een bedrijfscertificaat opgeheven.
4. De keuringinstantie kan een bedrijfscertificaat in ieder geval definitief intrekken, indien een bedrijfscertificaat tijdelijk is ingetrokken en de tekortkoming binnen de door de keuringinstantie gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt.
5. Indien de aanwijzing van de keuringsinstantie ingevolge artikel 29, eerste lid, wordt ingetrokken, vervalt het oorspronkelijke bedrijfscertificaat van rechtswege na vierentwintig maanden te rekenen vanaf de dag van de intrekking van de aanwijzing, of zoveel eerder als een nieuw bedrijfscertificaat door een andere keuringsinstantie is verleend.
De keuringsinstantie neemt bij de certificering, tussentijdse beoordeling en herkeuring van bedrijven, bedoeld in de artikelen 19 en 21, en de tijdelijke en definitieve intrekking van bedrijfscertificaten, bedoeld in artikel 22, de bepalingen die zijn neergelegd in bijlage V bij deze regeling in acht.
1. De keuringinstantie verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2. De keuringinstantie stuurt elk jaar een jaarverslag aan de minister waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar taken en verplichtingen voortvloeiende uit deze regeling.
3. Het jaarverslag wordt opgesteld met inachtneming van de richtsnoeren, die zijn neergelegd in bijlage VII bij deze regeling.
1. De minister kan de aanwijzing van de keuringinstantie schorsen, indien de instantie naar het oordeel van de minister:
a. niet meer voldoet aan een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 25 of 27;
b. niet geacht wordt in staat te zijn een of meer van de werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.1, naar behoren uit te voeren.
2. Bij schorsing geeft de minister de keuringinstantie gedurende een door hem te bepalen periode gelegenheid de tekortkoming ongedaan te maken.
3. Indien de tekortkoming door de keuringinstantie binnen de door de minister gestelde termijn naar het oordeel van de minister ongedaan is gemaakt, wordt de schorsing opgeheven.
1. De minister kan de aanwijzing van de keuringinstantie intrekken, indien:
a. de instantie hierom verzoekt;
b. de instantie ernstig tekort is geschoten bij de uitvoering van artikel 24 of de naleving van een of meer van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 25 en 27;
c. de instantie misbruik maakt van haar bevoegdheden;
d. de instantie niet meewerkt aan een controle door de minister in het kader van deze regeling;
e. de aanwijzing ingevolge artikel 28, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming naar het oordeel van de minister binnen de door de hem gestelde termijn niet ongedaan is gemaakt, of
f. de instantie surseance van betaling is verleend of in staat van faillissement verkeert.
2. De keuringsinstantie overlegt bij intrekking van de aanwijzing aan de minister alle relevante inlichtingen en bescheiden, waaronder het register, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b.
3. De keuringsinstantie stelt de betrokken bedrijven onverwijld op de hoogte van het besluit van de minister tot intrekking van de aanwijzing.
1. Degene die houder is van een diploma STEK-monteur of een diploma CFK-monteur wordt geacht tot 1 juli 2010 houder te zijn van een diploma behorend bij categorie I als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a.
2. Artikel 2, derde lid, is tot 1 juli 2010 niet van toepassing op een persoon die beschikt over een diploma auto-airco monteur (STEK) of een diploma demonteur auto-airco (STEK).
3. Een bedrijf dat aan de ter zake geldende eisen ingevolge de Aanwijzingsregeling Stichting Erkenningsregeling voor de uitoefening van het Koeltechnisch Installatiebedrijf voldoet en als zodanig is erkend wordt geacht tot 1 juli 2011 houder te zijn van een tussentijds bedrijfscertificaat ten behoeve van het kunnen verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 18.
1. Nadat degene die houder is van een diploma STEK-monteur of een diploma CFK-monteur dit diploma aan de minister heeft toegezonden, verstrekt de minister een diploma behorend bij categorie I als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a.
2. Nadat degene die houder is van een diploma auto-airco monteur (STEK) of een diploma demonteur auto-airco (STEK) dit diploma aan de minister heeft toegezonden, verstrekt de minister een diploma als bedoeld in artikel 2, derde lid.
3. Indien de toezending van het diploma, bedoeld in het eerste of tweede lid, geschiedt voor 1 maart 2010, zendt de minister het diploma behorend bij categorie I als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, of het diploma, bedoeld in artikel 2, derde lid, tezamen met het oorspronkelijke diploma voor 1 juli 2010 aan de betrokkene toe.
1. Met de beroepseisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en waarop Verordening (EG) nr. 303/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 92) niet van toepassing is, worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau van deze regeling.
2. Met de beroepseisen, bedoeld in artikel 2, derde lid, en waarop Verordening (EG) nr. 307/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsvoorschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen (PbEU L 92) niet van toepassing is, worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau van deze regeling.
3. Met een bedrijfscertificaat als bedoeld in artikel 18 en waarop Verordening (EG) nr. 303/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 92) niet van toepassing is, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau van deze regeling.
De Aanwijzingsregeling Stichting Erkenningsregeling voor de uitoefening van het Koeltechnisch Installatiebedrijf wordt met ingang van 1 juli 2011 ingetrokken.
Werktuigen waarop deze regeling van toepassing is:
1. Verreiker of telescooplader
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig op wielen voorzien van een telescopische hefinrichting waarmee goederen geheven worden, en daarnaast een grondverzetfunctie, een hijsfunctie en een hoogwerkfunctie heeft.
2. Hoogwerker
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met een schaarmechanisme, een hydraulische arm die op een of meerdere plaatsen kan scharnieren dan wel een telescoopmast, met aan het eind een platform of een werkbak.
3. Mobiele kraan
Zelfrijdende, door een motor aangedreven telescoop- of vakwerkkraan die al dan niet is toegelaten op de openbare weg.
4. Heftruck
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat is voorzien van een vaste bestuurderszitplaats en een hefinrichting.
5. Laadschop, schovel of wiellader
Op wielen of rupsbanden zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig, aan de voorzijde uitgerust met een hefbare bak.
6. Graafmachine
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig, bestaande uit een onderwagen en een bovenwagen die een zwenkbeweging kan uitvoeren waarbij de hoofdgraafbeweging gemaakt wordt door een giek.
7. Graaflaadcombinatie
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat is voorzien van zowel een laadbak als een graafinrichting.
8. Bulldozer
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig op rupsbanden met een blad aan de voorkant.
9. Dumper
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig voor het verplaatsen van bulkmateriaal.
10. Scraper of schraper
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met een platliggend mes aan de onderzijde van de bak dat lagen grond afschraapt en verzamelt in een laadbak met losinrichting.
11. Grader
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met instelbaar blad waarmee grond herverdeeld kan worden.
12. Asfalt-afwerkinstallatie
Zelfrijdende door een motor aangedreven machine, die asfalt gelijkmatig verdeelt over het wegdek.
13. Asfaltfreesinstallatie
Zelfrijdende door een motor aangedreven machine die met behulp van een freesinstallatie asfalt laagsgewijs verwijdert.
14. Wals
Zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat met banden of rollen en al dan niet voorzien van een trilmechanisme een zodanig gewicht op een grondlaag brengt, dat deze verdicht.
Exameneisen aan een diploma, als bedoeld in artikel 2, eerste lid:
1. Het examen voor elk van de in artikel 2, tweede lid, genoemde categorieën werkzaamheden omvat het volgende:
a. een theoriegedeelte met een of meer vragen om die vaardigheid of kennis te testen, zoals in de categoriekolommen aangegeven met (T), en
b. een praktijkgedeelte waarbij een deelnemer de bijbehorende opdrachten verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, zoals in de categoriekolommen aangegeven met (P).
2. Het examen heeft betrekking op elk van de vaardigheids- en kennisgroepen 1, 2, 3, 4, 5 en 10.
3. Het examen heeft betrekking op minstens een van de vaardigheids- en kennisgroepen 6, 7, 8 en 9. Een deelnemer weet vóór het examen niet in welke van deze vier onderdelen hij zal worden geëxamineerd.
4. Indien in de categoriekolommen één vak overeenstemt met verschillende vakken (verschillende vaardigheden en kennis) in de kolom van de vaardigheden en kennis betekent dit dat het niet noodzakelijk is alle vaardigheden en kennis tijdens het examen te testen.
CATEGORIEËN | |||||
|---|---|---|---|---|---|
VAARDIGHEDEN EN KENNIS | I | II | III | IV | |
1 | Elementaire thermodynamica | ||||
1.01 | Kennis van de elementaire ISO-standaardeenheden zoals voor temperatuur, druk, massa, dichtheid, energie. | T | T | – | T |
1.02 | Begrip van de basistheorie van stationaire/ mobiele koelinstallaties: elementaire thermodynamica (kernbegrippen, -parameters en -processen zoals oververhitting, hogedrukzijde, compressiewarmte, enthalpie, koelwerking, lagedrukzijde, onderkoeling), eigenschappen en thermodynamische transformaties van gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen inclusief identificatie van zeotropische mengsels en vloeibare toestanden. | T | T | – | – |
1.03 | Gebruik van relevante tabellen en diagrammen en interpretatie ervan in de context van indirecte lekcontrole (inclusief controle van de goede werking van de stationaire/ mobiele koelinstallatie): log p/h diagram, verzadigingstabellen voor gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen, diagram van één compressiekoelkringloop. | T | T | – | – |
1.04 | Beschrijving van de functie van de hoofdonderdelen van een stationaire/mobiele koelinstallatie (compressor, verdamper, condensor, thermostatische expansieventielen) en de thermodynamische transformaties van de gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen. | T | T | – | – |
1.05 | Kennis van de basiswerking van de volgende in een stationaire/mobiele koelinstallatie toegepaste onderdelen en hun rol en belang voor preventie en identificatie van koellekkage: (a) ventielen (kogelventielen, membranen, bolventielen, ontlastventielen), (b) temperatuur- en drukregelaars, (c) kijkglazen en vochtindicators, (d) ontdooiingsregelaars, (e) systeembeschermers, (f) meetinstrumenten zoals een manifoldthermometer, (g) olieregelsystemen, (h) ontvangers, (i) vloeistof- en olieafscheiders. | – | – | – | |
2 | Milieueffect van gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen en bijbehorende milieuvoorschriften | ||||
2.01 | Basiskennis van klimaatverandering en het Kyoto-protocol.1 | T | T | T | T |
2.02 | Basiskennis van het concept aardopwarmingsvermogen (GWP), het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen en andere stoffen als koudemiddelen, het effect van de emissies van gefluoreerde broeikasgassen op het klimaat (grootteorde van hun GWP), relevante bepalingen van de f-gassenverordening, verordening 1516/20072 en verordening 1494/20073 en het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer. | T | T | T | T |
2.03 | Basiskennis van ozonlaagaantasting en het Montreal-protocol.4 | T | T | T | T |
2.04 | Basiskennis van het concept ozon afbrekend vermogen (ODP), het gebruik van gereguleerde stoffen en andere stoffen als koudemiddelen, het effect van de emissies van gereguleerde stoffen op de ozonlaag (grootteorde van hun ODP) en het klimaat (grootteorde van hun GWP) en relevante bepalingen van de ozonverordening, het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer en de Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006. | T | T | T | T |
2.05 | Basiskennis van het Warenwetbesluit drukapparatuur. | T | T | – | – |
3 | Controles vóór de inwerkingstelling na een lange periode van niet-gebruik, na onderhoud of reparatie, of tijdens de werking. | ||||
3.01 | Uitvoeren van een druktest om de sterkte van de stationaire/mobiele koelinstallatie te controleren. | P | P | – | – |
3.02 | Uitvoeren van een druktest om de ondoordringbaarheid van de stationaire/mobiele koelinstallatie te controleren. | ||||
3.03 | Gebruik van een vacuümpomp. | ||||
3.04 | Lediging van de stationaire/ mobiele koelinstallatie om lucht en vocht te verwijderen volgens een standaardpraktijk. | ||||
3.05 | Invullen van de gegevens in het logboek en invullen van een rapport over een of meer tests en controles die tijdens het onderzoek zijn uitgevoerd. | T | T | – | – |
4 | Lekcontroles | ||||
4.01 | Kennis van potentiële lekkagepunten van stationaire/mobiele koelinstallaties. | T | T | – | T |
4.02 | Controle van het logboek vóór een lekcontrole en vastleggen van de relevante informatie over terugkerende punten of probleemgebieden die bijzondere aandacht vereisen | T | T | – | T |
4.03 | Visuele en manuele inspectie van de hele stationaire/mobiele koelinstallatie in overeenstemming met verordening 1516/2007 en Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006. | P | P | – | P |
4.04 | Uitvoering van een lekcontrole van de stationaire/mobiele koelinstallatie aan de hand van een indirecte methode in overeenstemming met verordening 1516/2007 en het instructieboekje van de stationaire/ mobiele koelinstallatie. | P | P | – | P |
4.05 | Gebruik van draagbare meettoestellen zoals manometers, thermometers en multimeters voor volt/amp/ohm-meting in de context van indirecte methoden voor lekcontrole, en interpretatie van de gemeten parameters. | P | P | – | P5 |
4.06 | Uitvoering van een lekcontrole van de stationaire/mobiele koelinstallatie aan de hand van een van de directe methoden in de zin van verordening 1516/2007. | P | – | – | – |
4.07 | Uitvoering van een lekcontrole van de stationaire/mobiele koelinstallatie aan de hand van de directe methoden waarbij het koelcircuit niet wordt geopend, in de zin van verordening 1516/2007. | P | P | – | P |
4.08 | Gebruik van een elektronisch lekdetectieapparaat. | P | P | – | P |
4.09 | Invullen van de gegevens in het logboek. | T | T | – | T |
5 | Milieuvriendelijke behandeling van de stationaire/mobiele koelinstallatie en gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen tijdens installatie, onderhoud, revisie of terugwinning | ||||
5.01 | Verbinden en loskoppelen met minimale emissies van meetinstrumenten en leidingen. | P | P | – | – |
5.02 | Ledigen en vullen van een koudemiddelcilinder (gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen zowel in vloeibare als in gasvormige toestand). | P | P | P | – |
5.03 | Gebruik van een terugwinningsapparaat om gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen terug te winnen en verbinding en loskoppeling van het terugwinningsapparaat met minimale emissies. | P | P | P | – |
5.04 | Aftappen van met – gefluoreerd broeikasgas of – een gereguleerde stof verontreinigde olie uit een stationaire/ mobiele koelinstallatie. | P | P | P | – |
5.05 | Vaststellen van de fase (vloeibaar, gasvormig) en toestand (onderkoeld, verzadigd of oververhit) van de gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen vóór het vullen, om de correcte vulmethode en het correcte vulvolume te garanderen. Vullen van de stationaire/ mobiele koelinstallatie met gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen (zowel in de vloeibare als in de gasvormige fase) zonder verlies van gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen. | P | P | – | – |
5.06 | Gebruik van weegschalen om gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen te wegen. | P | P | P | – |
5.07 | Invullen in het logboek van alle relevante informatie betreffende het teruggewonnen of toegevoegde gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen. | T | T | – | – |
5.08 | Kennis van eisen en procedures voor behandeling, opslag en vervoer van verontreinigde gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen en oliën. | T | T | T | – |
6 | Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van eentraps- en tweetraps- zuiger-, schroef- en scroll-compressors | ||||
6.01 | Uitleggen van de basiswerking van een compressor (inclusief capaciteitsregeling en smeersysteem) en de daarop betrekking hebbende risico’s van lekkage of vrijkomen van gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen. | T | T | – | – |
6.02 | Correcte installatie van een compressor, inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat het geen gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekt of in grote hoeveelheden vrijkomt zodra de stationaire/ mobiele koelinstallatie in werking is gesteld. | P | – | – | – |
6.03 | Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars. | P | – | – | – |
6.04 | Afstellen van de aanzuig- en afvoerventielen. | ||||
6.05 | Controle van het olieterugvoersysteem. | ||||
6.06 | In- en uitschakelen van een compressor en regeling van de goede werking van de compressor, inclusief door het verrichten van metingen terwijl de compressor in werking is. | P | – | – | – |
6.07 | Schrijven van een rapport over de toestand van de compressor, waarin alle problemen in verband met de werking van de compressor worden aangewezen die de stationaire/ mobiele koelinstallatie zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of vrijkomen. | T | – | – | – |
7 | Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van luchtgekoelde en watergekoelde condensors | ||||
7.01 | Uitleggen van de basiswerking van een condensor en de risico's van lekkage die erop betrekking hebben. | T | T | – | – |
7.02 | Afstellen van een uitlaatdrukregeling van de condensor. | P | – | – | – |
7.03 | Correcte installatie van een condensor, inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat geen gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of in grote hoeveelheden vrijkomen wanneer de koelinstallatie in werking is gesteld. | P | – | – | – |
7.04 | Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars. | P | – | – | – |
7.05 | Controle van de uitlaat- en vloeistofleidingen. | ||||
7.06 | Afvoeren van niet-condenseerbare gassen uit de condensor door middel van een inrichting voor ontluchting van de koeling. | P | – | – | – |
7.07 | In- en uitschakelen van een condensor en controle van de goede werking van de condensor, inclusief door het doen van metingen tijdens de werking ervan. | P | – | – | – |
7.08 | Controle van het oppervlak van de condensor. | P | – | – | – |
7.09 | Schrijven van een rapport over de toestand van de condensor waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die de stationaire/mobiele koelinstallatie zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, de stationaire/ mobiele koelinstallatie gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of deze vrijkomen. | T | – | – | – |
8 | Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van luchtgekoelde en watergekoelde verdampers | ||||
8.01 | Uitleggen van de basiswerking van een verdamper (inclusief ontdooisysteem) en risico’s van lekkage die erop betrekking hebben. | T | T | – | – |
8.02 | Afstellen van een verdamperdrukregeling. | P | – | – | – |
8.03 | Installatie van een verdamper inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat geen gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of in grote hoeveelheden vrijkomen wanneer de stationaire/ mobiele koelinstallatie in werking is gesteld. | P | – | – | – |
8.04 | Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars. | P | – | – | – |
8.05 | Controle van de correcte positie van vloeistof- en zuigleidingen. | ||||
8.06 | Controle van de persgas-ontdooileiding. | ||||
8.07 | Afstellen van het verdamperdrukregelventiel. | ||||
8.08 | In- en uitschakelen van een verdamper en controle van de goede werking van de verdamper, inclusief door het doen van metingen tijdens de werking. | P | – | – | – |
8.09 | Controle van het oppervlak van de verdamper. | P | – | – | – |
8.10 | Schrijven van een rapport over de toestand van de verdamper waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die de stationaire/ mobiele koelinstallatie zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of vrijkomen. | T | – | – | – |
9 | Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en revisie van thermostatische expansieventielen (TEV’s) en andere onderdelen | ||||
9.01 | Uitleggen van de basiswerking van verschillende soorten expansieregelaars (thermostatische expansieventielen, capillaire buizen) en risico’s van lekkage die erop betrekking hebben. | T | T | – | – |
9.02 | Installatie van ventielen in de correcte stand. | P | – | – | – |
9.03 | Afstellen van een mechanisch/elektronisch TEV. | P | – | – | – |
9.04 | Afstellen van mechanische en elektronische thermostaten. | ||||
9.05 | Afstellen van een drukregelventiel. | ||||
9.06 | Afstellen van mechanische en elektronische drukbegrenzers. | ||||
9.07 | Controle van de werking van een olieafscheider. | P | – | – | – |
9.08 | Controle van de toestand van een filterdroger. | ||||
9.09 | Schrijven van een rapport over de toestand van deze onderdelen waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die de stationaire/mobiele koelinstallatie zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen lekken of vrijkomen. | T | – | – | – |
10 | Leidingwerk: bouw van een lekdicht leidingsysteem in een stationaire/mobiele koelinstallatie | ||||
10.01 | Lekdichte verbinding door lassen, hardsolderen en/of zachtsolderen van metalen buizen en leidingen die te gebruiken zijn in stationaire/mobiele koelinstallaties. | P | P | – | – |
10.02 | Vervaardiging/controle van steunen voor leidingen en onderdelen. | P | P | – | – |
1 Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen (Trb. 2005, 1).
2 Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Europese Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 335).
3 Verordening (EG) nr. 1494/2007 van de Europese Commissie van 17 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van de vorm van etiketteringseisen betreffende producten en apparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 332).
4 Het op 16 september 1987 te Montreal tot stand gekomen Protocol betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, met bijlagen (Trb. 1988, 11).
5 Handelingen welke opening van het koelcircuit vereisen behoren niet tot de bevoegdheden van personeel dat categorie IV werkzaamheden uitvoert.
Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:
1. Een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de exameninstelling.
2. Voor wat betreft de examens in het afgelopen kalenderjaar wordt aangegeven:
a. het totaal aantal deelnemers aan de examens en herexamens, uitgesplitst naar de aard van de examens;
b. het aantal deelnemers per examen en herexamen;
c. het aantal collectieve en individuele examens en herexamens per examenlocatie.
3. De resultaten van de interne controles en evaluaties in verband met de uitvoering van de regeling in het afgelopen kalenderjaar.
4. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het aantal gegronde klachten in het afgelopen kalenderjaar.
5. De relevante onderdelen van de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar waaronder de verantwoording van de tariefstelling van de exameninstelling.
Degene als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder d, die beoordelingen van bedrijven uitvoert, voldoet aan de volgende eisen:
Hij:
a. beschikt over relevante koeltechnische werkervaring;
b. beschikt over goede sociale en communicatieve vaardigheden;
c. is accuraat, doortastend en zelfstandig;
d. heeft verantwoordelijkheidsbesef;
e. heeft een representatief voorkomen, en
f. is klantgericht, flexibel en integer.
Hij:
a. heeft een opleiding op HBO-niveau met goed gevolg afgelegd of heeft een opleiding op MBO-niveau met goed gevolg afgelegd en beschikt over werkervaring op HBO-niveau;
b. heeft bedrijfskundig inzicht;
c. heeft kennis van administratieve en organisatorische procedures;
d. beschikt over relevante kennis van wet- en regelgeving op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen en koeltechniek;
e. heeft basiskennis van de koeltechniek verkregen door opleiding of ervaring, en
f. heeft minimaal één jaar ervaring met controle- en auditwerkzaamheden.
Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:
1. Een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de keuringsinstantie.
2. Voor wat betreft de afgifte van bedrijfscertificaten in het afgelopen kalenderjaar wordt aangegeven:
a. het aantal afgegeven bedrijfscertificaten;
b. het totaal aantal opgenomen bedrijven in het register per 31 december van het betreffende kalenderjaar;
c. het aantal en de resultaten van de tussentijdse beoordelingen respectievelijk herkeuringen in het betreffende kalenderjaar inclusief de aanvullende beoordelingen;
d. het aantal tijdelijk ingetrokken bedrijfscertificaten uitgesplitst naar de redenen van intrekking;
e. het aantal definitief ingetrokken bedrijfscertificaten uitgesplitst naar de redenen van intrekking.
3. Het aantal en de aard van de ontvangen bezwaren evenals de korte inhoud van de ter zake genomen besluiten in het afgelopen kalenderjaar.
4. Het aantal en de aard van de ontvangen beroepen en de korte inhoud van door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ter zake gedane uitspraken in het afgelopen kalenderjaar.
5. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het percentage gegronde klachten in het afgelopen kalenderjaar.
6. De relevante onderdelen van de jaarrekening waaronder de verantwoording van de tariefstelling van de keuringsinstantie.