Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen

Geldend op 23-04-2014


  • Wet van 28 augustus 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen door bestuursorganen (Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belanghebbenden doeltreffendere rechtsmiddelen te bieden tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Artikel I

    [Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]

  • Artikel IA

    [Wijzigt de Beroepswet.]

  • Artikel IB

    [Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]

  • Artikel II

    [Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]

  • Artikel IIA

    • 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft de inwerkingtreding van deze wet geen gevolgen voor bepalingen van provinciale, gemeentelijke en waterschapsverordeningen ten aanzien van een financiële tegemoetkoming of dwangsom bij niet tijdig beslissen, noch voor de bevoegdheid om dergelijke bepalingen vast te stellen.

    • 2. De bepalingen van provinciale, gemeentelijke en waterschapsverordeningen ten aanzien van een financiële tegemoetkoming of dwangsom bij niet tijdig beslissen, die van kracht zijn op het tijdstip waarop artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege vervallen, evenals de bevoegdheid tot het maken van dergelijke verordeningen ten aanzien van dit onderwerp.

    • 3. Een bestuursorgaan dat krachtens een provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening een financiële tegemoetkoming of een dwangsom verschuldigd is indien het bepaalde besluiten niet tijdig neemt, kan ten aanzien van die besluiten niet een besluit nemen als bedoeld in artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • Artikel IIB

    Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vindt gedurende drie jaren na de datum waarop artikel 4:16 van die wet vervalt, geen toepassing ten aanzien van beschikkingen, genomen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, het Soeverein Besluit van 12 december 1813, titel 2, afdeling 5, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, en ten aanzien van beslissingen op bezwaar, gemaakt tegen zodanige beschikkingen, voor zover bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan niet anders is bepaald.

  • Artikel III

    • 1. Op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die of een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geworden, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

    • 2. Op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a van toepassing is geworden, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • Artikel IV

    Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

  • Artikel V

    Deze wet wordt aangehaald als: Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te
    ’s-Gravenhage, 28 augustus 2009

    Beatrix

    De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

    G. ter Horst

    De Minister van Justitie,

    E. M. H. Hirsch Ballin

    Uitgegeven de dertigste september 2009

    De Minister van Justitie,

    E. M. H. Hirsch Ballin