Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit protocol implanteren transponder I&R paardachtigen (PVV) 2009[Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 01-07-2009 t/m 31-12-2014

Besluit van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees van 8 april 2009 tot vaststelling van het protocol waarin nadere voorschriften zijn gegeven ter zake van het implanteren van transponders (Besluit protocol implanteren transponder I&R paardachtigen (PVV) 2009)

Het bestuur van het Productschap Vee en Vlees;

Gelet op artikel 13, derde lid, van de Verordening identificatie en registratie van paardachtigen (PVV) 2009;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Het protocol als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Verordening identificatie en registratie van paardachtigen (PVV) 2009 is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009.

  • 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit protocol implanteren transponder I&R paardachtigen (PVV) 2009.

Zoetermeer, 8 april 2009

A.L. ten Have-Mellema

plv. voorzitter

S.B.M. Jongerius

secretaris

Bijlage bij het Besluit protocol implanteren transponder I&R paardachtigen (PVV) 2009 [Vervallen per 01-01-2015]

Deel I, programma van eisen

A. Transponder

  • 1. Productie conform ISO-normen 11784 en 11785.

  • 2. Bioglas of kunststof omhulsel.

  • 3. Signaalsterkte: leesbaar tot afstand van 12 cm met normale reader.

  • 4. Stickers met nummer en barcode per transponder mee verpakt (minimaal 6 stuks).

  • 5. Individueel steriel verpakt.

  • 6. Barcode op sticker moet met reader uitleesbaar zijn.

  • 7. Defectrisico 0,5/10.000 of lager. Garantieafspraken bij defect, zie ook punt 11 onder reader.

  • 8. Levensduur garantie minimaal 25 jaar.

B. Uniciteit transpondernummer

  • 1. Sluitende registratie van uitgeleverde nummers op afnemersniveau.

  • 2. Aanlevering van uitgeleverde nummers ten behoeve van centrale uniciteitscontrole.

C. Applicator

  • 1. Steriele single-use applicator.

  • 2. Lancet geslepen naald, niet ponsend, 25 mm lang.

  • 3. Gezekerde uitstoot van transponder uit applicator.

D. Reader

  • 1. ISO-normen 11784 en 11785 (hierdoor kunnen zowel type FDX en HDX worden uitgelezen).

  • 2. CE goedkeuring (radiofrequentie).

  • 3. Minimale uitleesafstand is tot 12 cm mogelijk.

  • 4. Reader moet ook transponders die niet aan de ISO-norm voldoen kunnen uitlezen.

  • 5. Bij het vinden van een transponder moet de reader een geluidsignaal afgeven.

  • 6. Levensduur garantie minimaal 5 jaar.

  • 7. Computerverbinding moet mogelijk zijn.

  • 8. Geheugenfunkties moeten beschikbaar zijn.

  • 9. Reparatieservice in Nederland beschikbaar.

  • 10. Garantieafspraken over vervanging bij defekt, zie ook punt 7. onder transponder.

  • 11. Beschikbaarheid componenten gegarandeerd

E. Uitlevering

  • 1. Volgens gecontroleerde GDP.

  • 2. Toereikende productiecapaciteit en -zekerheid.

DEEL II, voorschriften implanteren van transponders

A. Uitrusting voor het implanteren van transponders

De paardenpaspoortconsulent of gekwalificeerde dierenarts die, in voorbereiding op de paspoortuitgifte, een paardachtige gaat identificeren en voorzien van een transponder dient over de volgende materialen te beschikken:

  • 1. Halsters voor veulens en paard/pony (moet de aanvrager/houder voor zorgen);

  • 2. (Halster)touw (moet de aanvrager/houder voor zorgen);

  • 3. Praam;

  • 4. Schone kist of trommel met daarin:

    • scheermes en eventueel tondeuse of V-schaar,

    • spiritus (knijpfles of sproeiflacon),

    • betadine (knijpfles of sproeiflacon),

    • steriele gaasjes,

    • steriel verpakte injectiepen geladen met transponder,

    • opgeladen afleesapparaat;

  • 5. Een map met daarin:

    • identificatie- en registratieformulieren,

    • schrijfwaren,

    • legitimatie;

  • 6. Medische afvalbak (gratis verkrijgbaar bij de gemeente);

  • 7. Een nietmachine voor overgebleven barcodestickers.

B. Administratieve handelingen

Vooraf:

  • 1. Vooraf de aanvrager/houder het aanvraagformulier laten ondertekenen.

Achteraf:

  • 1. Handtekening met datum zetten als bewijs van het verrichten van de hierboven genoemde handelingen en als bevestiging van het correct functioneren van de transponder na injectie.

  • 2. Noteren van alle eventuele bijzonderheden rondom het inbrengen van de transponder i.v.m. aansprakelijkheid en verzekering.

C. Werkwijze

  • 1. Met het afleesapparaat aan beide zijden van de hals controleren of er al een transponder in zit. Zo ja, geen 2e transponder inbrengen; zo mogelijk de afgelezen code administratief vastleggen.

    Als er volgens het paspoort een transponder aanwezig zou moeten zijn, maar deze is niet af te lezen, de procedure in het "protocol klachten electronische identificatie" volgen.

  • 2. Met het afleesapparaat controleren of er een werkende transponder in de steriele verpakking zit.

  • 3. Controleren of de uitgelezen identificatiecode overeenkomt met die op de barcode stickertjes. Zo nee, deze transponder niet gebruiken, het vervallen nummer registreren en injectoren inleveren bij de paspoortuitgevende instantie onder vermelding van reden van terugzending.

  • 4. Nagaan of de identificatiecode begint met de landcode 528.

  • 5. Prepareren van de injectieplaats: linkerzijde hals, halverwege tussen achterhoofd en schouders.

    Bij veulens: 2-3 vingers onder de manenkam.

    Bij paarden: een handbreedte onder de manenkam.

    • scheren van de injectieplaats;

    • ontvetten van de injectieplaats (gaasje met spiritus);

    • desinfecteren van de injectieplaats.

  • 6. Klaarmaken van de injectiepen

    • aan het handvat uit de verpakking halen;

    • bij twijfel een volgende injectiepen nemen, vervallen nummer registreren en pen inleveren bij de paspoortuitgevende instantie onder vermelding van reden van terugzending.

  • 7. Implanteren van de transponder

    • injectiepen inbrengen tot aan de huid, naald loodrecht in de spieren (tot 2 à 3 cm diepte); intramusculaire en niet subcutaan;

    • transponder met veertje uit de naald drukken;

    • met een schone tampon met betadine de injectieplaats dicht drukken;

    • eventuele bijzonderheden administratief vastleggen.

  • 8. Controleren van de werking van de transponder

    • met het afleesapparaat de identificatiecode aflezen en nogmaals controleren of deze met de barcodestickertjes overeenkomt;

    • als de code niet af te lezen is, de werking van het afleesapparaat controleren. Lukt het aflezen niet, dan een nieuwe transponder injecteren.

D. Schoonmaken en opruimen materiaal

  • 1. verpakkingsmateriaal in de gewone vuilnisbak;

  • 2. injectiepen in de medische afvalbak.

E. Administratieve handelingen

  • 1. handtekening met datum zetten als bewijs van het verrichten van de hierboven genoemde handelingen en als bevestiging van het correct functioneren van de transponder na injectie.

  • 2. noteren van alle eventuele bijzonderheden rondom het inbrengen van de transponder i.v.m. aansprakelijkheid en verzekering.

F. Protocol klachten electronische identificatie

Als bij een controle gebleken is, dat de geïmplanteerde transponder niet werkt, moeten de volgende stappen worden ondernomen:

  • 1. Afspraak maken met de dierenarts.

  • 2. De dierenarts nogmaals laten controleren of de transponder niet werkt.

  • 3. De dierenarts een röntgenfoto laten maken van de hals.

  • 4. De dierenarts op bijgaand klachtenformulier laten aantekenen wat de aard van de klacht is.

  • 5. De nieuwe transponder die is bijgevoegd door de dierenarts laten inbrengen.

  • 6. Het paardenpaspoort, het aanvraagformulier, het klachtenformulier, de transponderstickers en de röntgenfoto opsturen naar de paspoortuitgevende instantie.

  • 7. De dierenarts kan de rekening rechtstreeks naar de paspoortuitgevende instantie sturen, die deze zal betalen.

Bijlage 245220.png