Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling postinitiële masteropleidingen hoger beroepsonderwijs[Regeling vervalt per 01-01-2019.]

Geldend van 13-10-2011 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2009, nr. HO&S/Prog/139873, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor het verzorgen van postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (Subsidieregeling postinitiële masteropleidingen hoger beroepsonderwijs)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 2, eerste lid, juncto artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doelomschrijving

De Minister verstrekt subsidie met als doel:

  • a. een impuls te geven aan hbo-masters voor prioritaire terreinen, genoemd in artikel 6, onder d;

  • b. het beroepsgerichte karakter van het hoger beroepsonderwijs te versterken en de professionaliteit en kwaliteit te vergroten van werknemers op het niveau van het hoger beroepsonderwijs;

  • c. een bijdrage te leveren aan een Leven Lang Leren in het hoger beroepsonderwijs; en

  • d. de nationale en internationale aantrekkingskracht en de kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs te vergroten.

Artikel 3. Subsidieaanvrager

  • 1 Subsidie wordt verleend aan het instellingsbestuur van een hogeschool.

  • 2 Voor subsidie komt uitsluitend in aanmerking een hbo-master die voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 6.

Artikel 4. Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is in 2010 € 10.452.000,– beschikbaar.

Artikel 5. Subsidieaanvraag [Vervallen per 13-10-2011]

Artikel 6. Beoordelingscriteria

De hbo-master waarvoor een subsidieaanvraag is ingediend, moet voldoen aan de volgende criteria:

  • a. De hbo-master beschikt over een van de onderstaande kwaliteitsoordelen van de NVAO:

    • 1°. een positief besluit omtrent accreditatie als bedoeld in artikel 5a.9 van de wet dat niet van een eerdere datum is dan 1 januari 2007, of

    • 2°. een positief besluit toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5a.11 van de wet dat niet van een eerdere datum is dan 1 januari 2007.

  • b. Er is vraag naar de hbo-master:

    • 1°. deze vraag is kwantitatief significant,

    • 2°. deze vraag is voldoende duurzaam, zowel op het moment van de aanvraag van de subsidie als in de toekomst, en

    • 3°. de beroepspraktijk steunt de totstandkoming van de hbo-master.

  • c. De betreffende beroepspraktijk kan op het moment van de subsidieaanvraag nog niet zelf in de financiering voorzien maar de subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de hbo-master binnen een termijn van maximaal 6 jaar zonder overheidsfinanciering verzorgd kan worden,

  • d. Het betreft een hbo-master op een of meer prioritaire terreinen, namelijk Creative industries, Grotestedenproblematiek, Plattelandsvernieuwing, Zorg, Technologie (waaronder ook zorgtechnologie), Logistiek en Bouw,

  • e. De inhoud van de hbo-master wordt mede vormgegeven vanuit een aan de desbetreffende hbo-master gerelateerde onderzoekseenheid van de hogeschool: de hbo-master is of wordt gerelateerd aan het aandachtsgebied van een of meer lectoraten van de betreffende hogeschool,

  • f. De hbo-master levert een bijdrage in het kader van het Leven Lang Leren voor studenten met werkervaring. Dit komt tot uitdrukking in de vormgeving van de hbo-master en in de eisen voor toelating tot de opleiding,

  • g. De studielast van de hbo-master bedraagt 60 studiepunten of een lichte overschrijding daarvan.

Artikel 7. Subsidieverlening

  • 1 De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie. De aanvragen worden beoordeeld naar de mate van kwaliteit waarin zij voldoen aan de criteria zoals gesteld in artikel 6. De Minister kan de commissie, genoemd in artikel 9, vragen de subsidieaanvragen te rangschikken naar de mate waarin voldaan is aan de criteria van artikel 6 en de verdeling van de aanvragen over de prioritaire gebieden, instellingen en regio’s.

  • 2 De Minister verleent subsidie voor 6 jaar. Hij bepaalt jaarlijks de hoogte van het subsidiebedrag.

  • 3 Het subsidiebedrag bedraagt 100% in het eerste en tweede jaar, 75% in het derde, 50% in het vierde en vijfde jaar en 25% in het zesde jaar van het bedrag, als bedoeld in het vierde lid.

  • 4 Het subsidiebedrag is gelijk aan de som van de volgende onderdelen:

    • a. het studentgebonden bedrag, bedoeld in artikel 4.7, derde lid, van het uitvoeringsbesluit, zoals bepaald bij de vaststelling van de voorlopige rijksbijdrage uiterlijk in oktober van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt,

    • b. de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid van het uitvoeringsbesluit, en

    • c. het aantal door de accountant gevalideerde

      • studenten op 30 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt dat niet eerder bij de bepaling van het subsidiebedrag is betrokken, en

      • graden aan studenten verleend in de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

Artikel 8. Berekening bedrag bevoorschotting

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, wordt voor het eerste subsidiejaar een voorschot op de te verlenen subsidie verstrekt. Bij de berekening van dit voorschot wordt uitgegaan van artikel 7, vierde lid, behoudens onderdeel c. In plaats daarvan wordt uitgegaan van het geschatte aantal studenten, bedoeld in artikel vijf, vijfde lid, onderdeel b.

  • 2 In het tweede jaar wordt het voorschot zoals bepaald onder lid 1 van dit artikel verrekend met het subsidiebedrag dat is vastgesteld op basis van het door de accountant gevalideerde werkelijke aantal studenten van het eerste subsidiejaar.

Artikel 9. Advisering en besluit

  • 1 De Minister wint ten behoeve van de beslissing over nieuwe aanvragen advies in van de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs, ingesteld bij het Instellingsbesluit Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs.

  • 2 De commissie toetst de aanvraag aan deze regeling. Zij maakt hierbij gebruik van een beoordelingskader, dat als bijlage bij deze regeling wordt gevoegd.

  • 3 De commissie brengt jaarlijks vóór 1 december advies uit aan de Minister. Het advies over de aanvragen, bedoeld in artikel 5, lid 3, wordt uiterlijk 1 juni 2010 door de commissie aan de Minister uitgebracht.

  • 4 De minister beslist over nieuwe aanvragen, onder voorbehoud van een positief besluit toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5a.11 van de wet, uiterlijk op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend. Over de aanvragen die vóór 15 april 2010 zijn ingediend, beslist de Minister uiterlijk op 1 juli 2010.

Artikel 10. Begrotingsvoorbehoud

Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander voor zover van toepassing naar rato van het aantal subsidieontvangers en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 11. Verplichtingen subsidieontvanger

Vanaf het moment waarop de subsidie wordt verleend, zijn de volgende bepalingen van de wet van overeenkomstige toepassing:

Artikel 12. Ambtshalve subsidievaststelling

De subsidie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt ambtshalve vastgesteld.

Artikel 13. Betaling

Het subsidiebedrag, zoals berekend in artikel 7, wordt uitgekeerd in een door de Minister te bepalen kasritme.

Artikel 14. Besteding en verantwoording

  • 1 De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan het in de regeling omschreven doel. Zij kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de instelling waarvoor bekostiging wordt verstrekt. Terugvordering van niet-bestede middelen vindt niet plaats.

  • 2 Vier jaar na aanvang van de subsidie worden in een tussentijds verslag van de hogeschool de concrete stappen weergegeven, die al zijn gezet en in de komende jaren nog worden gezet, in overleg met de betreffende beroepspraktijk, om de hbo-master zonder subsidie aan te bieden.

  • 3 Aan het eind van de subsidieperiode wordt een verslag van de activiteiten ingediend, waarin ook informatie wordt verschaft over de toekomst van de hbo-master.

  • 4 Voor bekostigde instellingen geldt dat de verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaglegging en de FSR-bijlage bij het jaarverslag, bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Voor niet-bekostigde instellingen geldt dat de verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaglegging. Voor zowel bekostigde als niet-bekostigde instellingen geldt dat de verklaring van de accountant bij de jaarrekening tevens een oordeel omvat over de rechtmatige besteding van de subsidie.

Artikel 15. Evaluatie regeling [Vervallen per 13-10-2011]

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16a. vervaldatum

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling postinitiële masteropleidingen hoger beroepsonderwijs.

Deze regeling zal met de toelichting en bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Bijlage 1

[Red: Niet opgenomen.]

Bijlage 2. (behorend bij de wijziging van de Subsidieregeling postinitiële masteropleidingen hoger beroepsonderwijs van 24 maart 2010, nr. ho&s/bs-197015)

Het beoordelingskader van de aanvragen in het kader van de subsidieregeling hbo-masters

Bij advisering aan de staatssecretaris zal de CDHO als uitgangspunt nemen dat ingevolge artikel 6 van de Subsidieregeling de aanvraag moet voldoen aan een zevental criteria wil zij voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Indien aan één of meerdere criteria niet (in voldoende mate) wordt voldaan, zal over de aanvraag geen positief advies uitgebracht worden. Het in voldoende mate voldoen houdt in geval van criterium c, d en f een beoordeling in van ten minste 6 punten op een schaal van 10. In geval van criterium b geldt een beoordeling van ten minste 3 punten op een schaal van 5 per deelcriterium, wil er sprake zijn van in voldoende mate voldoen aan dit (deel)criterium.

Voorts zal bij advisering een rangschikking worden gemaakt naar kwaliteit en de mate waarin voldaan is aan de criteria van artikel 6. Indien er na ranking van de aanvragen te veel aanvragen van hoge kwaliteit zijn kan de CDHO gelet op artikel 7 van de Subsidieregeling gevraagd worden een verdeling van de subsidieaanvragen te maken. Hierbij worden de geselecteerde aanvragen verdeeld over de prioritaire gebieden, instellingen en regio’s. Een dergelijk verzoek hiertoe zal mede afhangen van het aantal ingediende aanvragen, de mate waarin de voornemens vergelijkbaar zijn en de hoogte van het subsidiebedrag zoals door de minister zal worden vastgesteld.

De CDHO kan derhalve een rangschikking in haar advies aangeven, waaruit voortvloeit welke aanvragen volgens haar moeten worden gehonoreerd en welke niet, waarbij moet worden opgemerkt dat derhalve niet alle aanvragen die aan alle criteria van de Subsidieregeling voldoen, ook voor een positief advies subsidiering in aanmerking komen.

De criteria van de regeling

a. De opleiding beschikt over een positief kwaliteitsoordeel van de NVAO

Art. 6 sub a. ‘De hbo-master beschikt over een van de onderstaande kwaliteitsoordelen van de NVAO: 1°. een positief besluit omtrent accreditatie als bedoeld in Art. 5a.9 van de wet dat niet van een eerdere datum is dan 1 januari 2007, of

  • 2°. een positief besluit toets nieuwe opleiding als bedoeld in Art. 5a.11 van de wet dat niet van een eerdere datum is dan 1 januari 2007’.

Beoordeling: de CDHO stelt vast of de aanvraag ja dan nee is voorzien van een positief kwaliteitsoordeel van de NVAO.

b. Er is vraag naar de hbo-master

Art. 6 sub b. ‘Er is vraag naar de hbo-master

  • 1°. deze vraag is kwantitatief significant,

  • 2°. deze vraag is voldoende duurzaam, zowel op het moment van de aanvraag van de subsidie als in de toekomst, en

  • 3°. de beroepspraktijk steunt de totstandkoming van de hbo-master’.

Bij de aanvraag moet een arbeidsmarktonderzoek en een instroomonderzoek worden overgelegd.

In vergelijking met de overige criteria wordt aan criterium b meer gewicht gegeven in verband met de kernvraag die daaraan ten grondslag ligt: Is er vraag naar de hbo-master?

Voor de beoordeling van dit criterium zijn een viertal subcriteria te onderscheiden, waarvan er drie inhoudelijk zijn en er één kwalitatief is:

  • 1. de vraag is kwantitatief significant;

  • 2. de vraag is voldoende duurzaam, zowel op het moment van de aanvraag van de subsidie als in de toekomst;

  • 3. vertaling naar de regionale behoefte/steun beroepspraktijk;

  • 4. kwaliteit van de overgelegde bewijzen.

Beoordeling: voor elk van de vier subcriteria geldt een beoordelingsschaal van 1 tot en met 5 punten. De beoordeling is afhankelijk van de mate waarin de onderbouwing slaagt, respectievelijk de mate van kwaliteit van de overgelegde bewijzen.

c. Een plan van aanpak voor de vervolgfinanciering

Art. 6 sub c. ‘De betreffende beroepspraktijk kan op het moment van de subsidieaanvraag nog niet zelf in de financiering voorzien maar de subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de hbo-master binnen een termijn van maximaal 6 jaar zonder overheidsfinanciering verzorgd kan worden’.

Bij de aanvraag moet een plan van aanpak worden overgelegd, waaruit moet blijken dat aan dit criterium wordt voldaan.

Beoordeling: voor de beoordeling van dit criterium geldt een beoordelingsschaal van 1 tot en met 10 punten. De beoordeling is afhankelijk van de mate waarin het plan van aanpak overtuigt en het voornemen kan rekenen op de steun vanuit de beroepspraktijk.

d. Prioritaire terreinen

Art. 6 sub d. ‘Het betreft een hbo-master op een of meer prioritaire terreinen, namelijk; Creative industries, Grotestedenproblematiek, Zorg, Plattelandsvernieuwing, Technologie (w.o. zorgtechnologie), Logistiek, Bouw’.

Beoordeling: voor de beoordeling van dit criterium geldt een beoordelingsschaal van 1 tot en met 10 punten. De beoordeling is afhankelijk van de mate waarin het voornemen toeziet op het prioritaire terrein.

e. Relatie hbo-master en de onderzoekseenheid van de hogeschool

Art. 6 sub e. ‘De inhoud van de hbo-master wordt mede vormgegeven vanuit een aan de desbetreffende hbo-master gerelateerde onderzoekseenheid van de hogeschool: de hbo-master is of wordt gerelateerd aan het aandachtsgebied van een of meer lectoraten van de betreffende hogeschool’.

Beoordeling: de CDHO stelt vast of de aanvraag ja dan nee voldoet aan deze voorwaarde.

f. Leven Lang Leren (LLL)

Art. 6 sub f. ‘De hbo-master levert een bijdrage in het kader van het Leven Lang Leren voor studenten met werkervaring. Dit komt tot uitdrukking in de vormgeving van de hbo-master en in de eisen voor toelating tot de opleiding’.

Beoordeling: voor de beoordeling van dit criterium geldt een beoordelingsschaal van 1 tot en met 10 punten. De beoordeling is afhankelijk van de mate waarin uit de aanvraag blijkt dat de toegangseisen tot de opleiding specifiek gericht zijn op studenten met (2 tot 3 jaar) werkervaring.

g. 60 studiepunten

Art. 6 sub g. ‘De hbo-master omvat de norm van 60 studiepunten, conform de studielast voor één studiejaar, of een lichte overschrijding daarvan’.

Beoordeling: een overschrijding tot 90 EC is toegestaan. De CDHO stelt vast of de aanvraag voldoet aan de norm van 60 studiepunten dan wel binnen de toegestane overschrijding van het aantal studiepunten blijft.