KruimelpadGeldend op 04-04-2012
[Regeling vervalt per 01-07-2017]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. bekwaamheidsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs;
c. Bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1.1.1., onderdeel w, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 1.1.1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of instellingsbestuur bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
d. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
e. geschiktheidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel verklaring als bedoeld in artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
f. geschiktheidsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs;
g. studiepunten: studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. leraar: persoon, die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra, artikel XI van de Wet op de beroepen in het onderwijs en artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES, danwel kan worden benoemd of tewerk worden gesteld zonder benoeming als bedoeld in artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.2.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 80 van de Wet voortgezet onderwijs BES en artikel 4.2.1. van Wet educatie en beroepenonderwijs BES, of die lesgeeft in het hoger beroepsonderwijs;
i. masteropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of een opleiding, buiten Nederland binnen de Europese Unie, die vergelijkbaar is met een opleiding, als hiervoor genoemd, wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen;
j. bacheloropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of een opleiding, buiten Nederland binnen de Europese Unie, die vergelijkbaar is met een opleiding, als hiervoor genoemd, wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen;
k. studiekosten: les- en collegegeld, studiemiddelen en reiskosten;
l. zij-instromer: persoon die wordt benoemd of wordt tewerkgesteld zonder benoeming als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet op het voortgezet onderwijs of een persoon die wordt benoemd of wordt tewerkgesteld zonder benoeming als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 80, eerste lid, onderdeel b, onder 3, van de Wet voortgezet onderwijs BES of artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
m. graad: graad als bedoeld in artikel 7.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
n. speciaal (voortgezet) onderwijs: speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra;
o. onderhandelaarsakkoord passend onderwijs: het onderhandelaarsakkoord convenant mobiliteit passend onderwijs, bedoeld in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 15 december 2011 ( TK 2011/12, 31 497, nr. 85);
p. Het project Eerst de Klas: bedoeld in de Nota werken in het onderwijs 2012 (Kamerstukken 2011/12, 27 923, nr. 117).
1. De minister kan subsidie verstrekken aan:
a. de leraar voor studiekosten in verband met het volgen van een opleiding; en
b. het bevoegd gezag voor kosten in verband met het verlenen van studieverlof aan deze leraar.
2. De subsidie kan worden verstrekt voor bachelor- of masteropleidingen, al dan niet in combinatie met een opleiding die is gericht op het wegwerken van deficiënties met als doel toelating tot een masteropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs, mits die opleiding:
1. is vormgegeven als bacheloropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs;
2. niet leidt tot de graad Bachelor binnen het wetenschappelijk onderwijs; en
3. minimaal 30 studiepunten omvat.
3. Subsidie wordt verstrekt voor het behalen van ten hoogste 90 studiepunten, met dien verstande dat:
a. voor het behalen van 31 tot en met 60 studiepunten ten hoogste twee jaar subsidie wordt verstrekt; en
b. voor het behalen van 61 tot en met 90 studiepunten ten hoogste drie jaar subsidie wordt verstrekt.
1. De subsidie voor studiekosten kan worden verstrekt aan de leraar, die:
a. op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de graad Bachelor mag voeren;
b. op het moment dat de opleiding start in dienst is bij een bevoegd gezag, dan wel een andere werkgever, en werkt bij een of meer onderwijsinstellingen die bekostigd wordt of worden door de minister of door de Minister van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie; en
c. op het moment dat de opleiding start voor minimaal 20% van zijn werktijd is belast met lesgebonden taken en pedagogisch-didactisch verantwoordelijk is voor het onderwijs.
2. De subsidie voor studiekosten wordt niet verstrekt aan de leraar, die:
a. zij-instromer is; of
b. gedurende de subsidieperiode een tegemoetkoming ontvangt op grond van afdeling 5.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of studiefinanciering BES dan wel een opstarttoelage op grond van de Wet studiefinanciering BES.
3. De subsidie voor studieverlof aan het bevoegd gezag wordt slechts verstrekt voor zover de leraar in dienst is bij een bevoegd gezag.
Het subsidieplafond voor het jaar 2012 voor subsidie, bedoeld in artikel 3, bedraagt € 40.000.000,–.
De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt de som van een vergoeding voor:
a. de werkelijk gemaakte kosten voor collegegeld tot een maximum van € 3.500,–, respectievelijk € 7.000,– ingeval de leraar overeenkomstig artikel 7.46, eerste lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek instellingscollegegeld verschuldigd is;
b. de kosten van studiemiddelen ten hoogste 10% van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350,–;
c. reiskosten ten hoogste 10% van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350.
1. De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt bepaald op een bedrag per studieverlofuur.
2. Het maximale aantal studieverlofuren die voor subsidiering in aanmerking komen, is 160 uren per jaar voor een voltijdsaanstelling. In geval van een deeltijdbetrekking wordt het aantal studieverlofuren vastgesteld naar evenredigheid van de aanstellingsomvang.
3. De subsidiebedragen voor een studieverlofuur zijn voor:
a. het basisonderwijs: € 34,60
b. het speciaal (voortgezet) onderwijs: € 36,73
c. het voortgezet onderwijs: € 39,25
d. het beroepsonderwijs en de educatie: € 40,35
e. het hoger beroepsonderwijs: € 43,95
4. De bedragen, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de kabinetsbijdrage voor het betreffende jaar, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door de begrotingswetgever. Het besluit hiertoe wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
3. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de Rijksbegroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
1. De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, geschiedt overeenkomstig het aanvraagformulier, dat via de website van DUO beschikbaar wordt gesteld.
2. Een verklaring van het bevoegd gezag maakt onderdeel uit van het aanvraagformulier.
3. Indien de leraar geen verklaring van het bevoegd gezag als bedoeld in het tweede lid overlegt, omvat de aanvraag tevens informatie waaruit blijkt:
a. het dienstverband van de leraar en de duur ervan; en
b. dat de leraar gedurende de opleiding voor minimaal 20% van de werktijd is belast met lesgebonden taken en pedagogisch-didactisch verantwoordelijk is voor het onderwijs aan leerlingen.
1. Aanvragen voor subsidie, bedoeld in artikel 3, kunnen in 2012 worden ingediend van 2 april tot en met 1 juni.
2. Onverminderd het eerste lid kan de minister een extra aanvraagtermijn openstellen indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, in enig jaar niet volledig is uitgeput. Het besluit hiertoe wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
1. Onverminderd het tweede lid verdeelt de minister het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de aanvragen voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een week de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.
2. De verdeling van het beschikbare bedrag over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:
a. 40% van het budget is beschikbaar voor opleidingen van leraren waarvoor het bevoegd gezag een verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat de leraar in het kader van het onderhandelingsakkoord passend onderwijs voor omscholing in aanmerking komt.
b. 25% van het budget is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het primair onderwijs;
c. 15% van het budget is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;
d. 13% van het budget is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en
e. 7% van het budget is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.
3. Indien een van de budgetten, bedoeld in het tweede lid, niet volledig wordt benut, wordt het restbedrag naar evenredigheid verdeeld over de overige doelgroepen.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuurswet kan de minister subsidieverlening weigeren, indien aan de leraar:
a. al eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling, of
b. subsidie is verstrekt op grond van een andere regeling met hetzelfde doel.
De minister beslist binnen 8 weken na het sluiten van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 9.
De leraar behaalt het aantal in de beschikking tot verlening van de subsidie voor de opleidingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, vermelde studiepunten binnen de in artikel 17, eerste lid, bedoelde termijnen.
1.De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
2.De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
3.Het bevoegd gezag als ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, geeft aan door of namens de minister aangewezen ambtenaren op verzoek inzage in de in artikel 17 van de Wet overige OCW-subsidies bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de besteding van de subsidie.
1. De leraar dient een aanvraag voor vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, in bij de minister:
a. indien de opleiding minstens een jaar duurt, maar geen twee jaar, binnen vier jaar na verlening van de subsidie voor deze opleiding;
b. indien de opleiding minstens twee jaar duurt, maar geen drie jaar, binnen vijf jaar na verlening van de subsidie voor deze opleiding; en
c. indien de opleiding minstens drie jaar duurt, binnen zes jaar na verlening van de subsidie voor deze opleiding.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, bevat een bewijs waaruit het aantal behaalde studiepunten blijkt.
1.De minister kan de subsidie studiekosten terugvorderen indien de leraar binnen een jaar na het afronden van zijn opleiding het onderwijs verlaat om in een andere sector dan de door OCW bekostigde onderwijssector te gaan werken.
2.Terugvordering vindt niet plaats indien de leraar onvrijwillig werkloos wordt voordat de subsidie wordt vastgesteld.
3.De leraar kan een betalingsregeling treffen van minimaal € 100 per maand per automatische incasso.
De minister vordert de subsidie voor de kosten in verband met het studieverlof van de leraar geheel of gedeeltelijk van het bevoegd gezag terug, indien uit de administratie, bedoeld in artikel 14, blijkt dat het verlof geheel of gedeeltelijk niet aan de leraar is toegekend, dan wel toekenning van het verlof niet of onvoldoende uit de administratie kan worden opgemaakt.
De minister kan subsidie verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoel in artikel 1, voor activiteiten in het kader van het begeleiden van een zij-instromer, waaronder in elk geval:
a. het laten uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek betreffende een zij-instromer;
b. het afgeven van een geschiktheidsverklaring aan een zij-instromer;
c. het laten volgen van scholing door een zij-instromer;
d. het geven van verlof aan een zij-instromer; of
e. het laten uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoekbetreffende een zij-instromer.
De subsidie, bedoeld in artikel 20, bedraagt maximaal € 19.000,– per zij-instromer.
1. De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 20, geschiedt overeenkomstig het aanvraagformulier, dat via de website van DUO beschikbaar wordt gesteld.
2. Geen aanvraag kan worden gedaan door personen die ingeschreven staan of in de twee jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag ingeschreven hebben gestaan als student aan een lerarenopleiding en collegegeldplichtig zijn of waren op grond van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek.
De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 20, wordt ingediend voor 31 december van het betreffende jaar, met dien verstande dat een aanvragen voor de begeleiding van zij-instromers in het kader van het project Eerst de Klas, worden ingediend voor 31 juli 2012.
1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidie, bedoeld in artikel 20, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een week de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.
2. De verdeling van het beschikbare bedrag over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:
a. 24% van het budget is beschikbaar voor de activiteiten in het kader van het begeleiden van zij-instromers in het kader van het project Eerst de Klas.
b. 76% van het budget is beschikbaar voor de activiteiten in het kader van het begeleiden van andere dan in het eerste lid bedoelde zij-instromers.
3. Indien een van de budgetten, bedoeld in het tweede lid, niet volledig wordt benut, wordt het restbedrag toegevoegd aan het budget van de andere doelgroep.
1. De subsidieontvanger spant zich in om de zij-instromer in staat te stellen zijn onderwijsbevoegdheid te behalen.
2. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
3. De subsidieontvanger geeft aan door of namens de minister aangewezen ambtenaren op verzoek inzage in de in artikel 17 van de Wet overige OCW-subsidies bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de besteding van de subsidie. Tot deze administratie behoren in elk geval de volgende bescheiden:
a. de geschiktheidsverklaring of het bewijs dat met goed gevolg een bekwaamheidsonderzoek is afgelegd; en
b. de scholings- en begeleidingsovereenkomst.
4. De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 20. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
De minister verleent het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 22, als voorschot binnen vier weken nadat de subsidie, bedoeld in artikel 20, is verleend.
De subsidieontvanger dient een aanvraag voor vaststelling van subsidie, bedoeld in artikel 20, in bij de minister binnen drie jaar na de verlening van subsidie.
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, behorende bij de richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
[Wijzigt de Tijdelijke regeling lerarenbeurs voor scholing.]