Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen[Regeling vervalt per 01-01-2023.]

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 april 2009, nr. DL/B/119493, houdende een tegemoetkoming in de kosten voor een beperkt aantal opleidingsscholen (Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Wet overige OCW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De Minister kan subsidie per schooljaar verstrekken voor een tegemoetkoming in de kosten van een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool voor de begeleidingskosten van de studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen. Hiermee kunnen scholen een opleidingsinfrastructuur in de school inrichten en in stand houden en kosten dekken die gemoeid zijn met de feitelijke begeleiding van de studenten.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid, wordt met studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen, bedoeld:

    • a. studenten van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs (bachelor- of masteropleiding), die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen,

    • b. studenten van een eenjarig programma van een hbo-lerarenopleiding op grond van artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 (kopopleiding) die minimaal 50% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,

    • c. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 60 studiepunten, die 20% van het curriculum in de praktijk volgen,

    • d. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 120 studiepunten die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs, die minimaal 25% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,

    • e. studenten van een universitaire bacheloropleiding die een educatieve minor volgen die gericht is op het behalen van een bevoegdheid voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren havo en vwo die bovendien minimaal 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgen,

    • f. studenten die op basis van een geschiktheidsverklaring als leraar zijn benoemd of aangesteld (zij-instromers), of

    • g. studenten die zijn benoemd of aangesteld als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgen met als doel om een hogere of andere bevoegdheid te behalen.

Artikel 2a. Aspirant-opleidingsschool

  • 1 Een aspirant-opleidingsschool is een opleidingsschool die niet eerder subsidie heeft ontvangen in het kader van deze regeling.

  • 2 Bij de aanvraag voor een aspirant-opleidingsschool dient de aanvrager een samenwerkingsovereenkomst en een ontwikkelplan in.

  • 3 In afwijking van artikel 13, eerste lid wordt de subsidie voor een aspirant-opleidingsschool niet geweigerd op grond van onderdelen a en b van dat lid.

  • 4 Een aspirant-opleidingsschool is een opleidingsschool in het po, vo of mbo als minimaal 75% van de opleidingsplaatsen binnen de opleidingsschool zich op scholen in de betreffende onderwijssector bevindt.

Artikel 3. Subsidieontvanger

  • 1 Subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening.

  • 2 Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool zal één partner optreden als penvoerder van de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool.

  • 3 De subsidieontvanger is de penvoerder, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverlening aan opleidingsscholen, niet zijnde aspirant-opleidingsscholen, op grond van deze regeling is per jaar een bedrag van € 19.500.000 beschikbaar.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid is in de periode 2016–2019 een bedrag van € 4.200.000 per jaar beschikbaar voor de subsidieverlening aan aspirant-opleidingsscholen in het vo.

Artikel 5. Subsidiebedrag

  • 1 De hoogte van de subsidie per subsidieontvanger wordt bepaald aan de hand van het aantal studenten op de opleidingsschool in het verstreken schooljaar, zoals in bijlage 2 is aangegeven.

  • 2 De subsidie wordt verleend als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan de in artikel 2 omschreven activiteiten. Zij kan ook worden aangewend voor andere bekostigde activiteiten van de aanvrager.

  • 3 In afwijking op het eerste lid, bedraagt de subsidie aan een aspirant-opleidingsschool in het vo de eerste twee schooljaren € 300.000 per schooljaar.

Hoofdstuk 2. Subsidieaanvraag

Artikel 6. Subsidieaanvraag

Subsidie wordt op aanvraag van de penvoerder, bedoeld in artikel 3, tweede lid, verleend.

Artikel 7. Vereisten subsidieaanvraag

  • 1 De aanvraag voor subsidie voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend met het formulier Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen dat beschikbaar is op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

  • 2 De aanvraag bedoeld in artikel 11, vierde lid, wordt ingediend met behulp van het formulier Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen dat door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de opleidingsscholen ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 7a. Samenwerkingsovereenkomst en ontwikkelplan aspirant-opleidingsscholen

  • 1 De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, bevat de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool en bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de gezamenlijke visie op het opleiden van studenten;

    • b. de inzet van middelen die beide partijen hierbij inbrengen; en

    • c. de partner die zal optreden als penvoerder, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

  • 2 Het ontwikkelplan, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, is opgesteld aan de hand van de criteria in bijlage 3 bij deze regeling en bevat een beschrijving van de mate waarin de aspirant-opleidingsschool reeds voldoet aan de kaders gesteld in onderdeel 1 van bijlage 1 bij deze regeling en welke activiteiten worden uitgevoerd om een jaar voor het einde van de subsidieperiode volledig aan deze kaders te voldoen.

Artikel 8. Termijn indiening aanvraag

  • 1 De aanvraag voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 september 2016.

  • 2 De aanvraag bedoeld in artikel 11, vijfde lid, wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin het in artikel 11 genoemde tijdvak afloopt.

Hoofdstuk 3. Subsidieverlening

Artikel 9. Verdeling bij overschrijding subsidieplafond

  • 1 De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen.

  • 2 De Minister verdeelt het beschikbare bedrag voor opleidingsscholen bedoeld in artikel 4, eerste lid bij overschrijding van het subsidieplafond evenredig over de subsidieontvangers zodanig dat iedere subsidieontvanger een gelijk percentage ontvangt van het bedrag wat op grond van de tabel in bijlage 2 aan hem zou worden verleend.

  • 3 De subsidieverlening voor aspirant-opleidingsscholen geschiedt op basis van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. De Minister hanteert hierbij de in bijlage 4 bij deze regeling opgenomen beoordelingscriteria.

  • 4 In hoeverre een aspirant-opleidingsschool bijdraagt aan een evenwichtige geografische spreiding over Nederland maakt deel uit van de geschiktheid.

  • 5 Indien het verlenen van de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond bedoeld in artikel 4, tweede lid, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

Artikel 10. Advies voorafgaand aan subsidieverlening

  • 1 De Minister beslist over de subsidieverlening mede op basis van het advies van de NVAO.

  • 2 De NVAO brengt advies uit over de kwaliteit van de opleidingsschool door middel van een beoordeling van het samenwerkingsverband.

  • 3 De NVAO brengt het advies uit op basis van het toetsingskader in bijlage 1.

  • 4 De NVAO brengt in afwijking van het tweede lid geen advies uit bij de aanvraag voor aspirant-opleidingsscholen en de Minister beslist in afwijking op het eerste lid niet mede op basis van een dergelijk advies.

Artikel 11. Tijdvak subsidieverlening

  • 1 Subsidie wordt telkens per schooljaar verleend gedurende een periode die duurt tot en met het schooljaar waarin de accreditatietermijn van de lerarenopleiding of lerarenopleidingen eindigt.

  • 2 Indien meerdere lerarenopleidingen deelnemen in een opleidingsschool, wordt de subsidie verleend tot en met het einde van het schooljaar waarin de accreditatietermijn van de door de subsidieontvanger aangewezen lerarenopleiding eindigt.

  • 3 In afwijking op het eerste lid wordt de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen verleend voor een periode van vier schooljaren.

  • 4 In afwijking op het eerste en derde lid wordt de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen die subsidie hebben ontvangen op grond van artikel 3 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016 verleend voor een periode van drie schooljaren.

  • 5 Na afloop van de periode, genoemd in het eerste lid, kan door de subsidieontvanger een nieuwe aanvraag worden ingediend.

Artikel 12. Begrotingsvoorwaarde

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de met inachtneming van artikel 4 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 13. Weigeringsgronden

  • 1 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd of beëindigd indien:

    • a. de opleidingsschool niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet aan de hand van het oordeel van de NVAO,

    • b. het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt in de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 lager is dan 40 per schooljaar of vanaf het schooljaar 2011–2012 lager is dan 80,

    • c. niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool vallen onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs,

    • d. niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO,

    • e. het subsidieplafond wordt overschreden,

    • f. niet voldaan is aan de verplichting, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

  • 2 De Minister kan voor bepaalde gevallen van het eerste lid afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk 4. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 14. Informatieplicht

  • 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de Minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de Minister te voeren beleid.

  • 2 Jaarlijks uiterlijk op 1 oktober verstrekt de subsidieontvanger de gegevens over het verstreken schooljaar die nodig zijn voor het verlenen van de subsidie voor het lopende schooljaar. Tot deze gegevens behoren in ieder geval een verantwoording van het aantal studenten bedoeld in artikel 2, tweede lid.

  • 3 De subsidieontvanger geeft aan door of namens de minster aangewezen ambtenaren op verzoek inzage in de in artikel 17 van de Wet overige OCW-subsidies bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de besteding van de subsidie.

  • 4 De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 15. Administratieve voorschriften

  • 1 De subsidieontvanger draagt zorg voor een inzichtelijke en controleerbare administratie met betrekking tot het aantal opgeleide studenten in een schooljaar.

  • 2 De administratie is zodanig opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages.

  • 3 De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in het eerste lid genoemde gegevens.

Artikel 16. Verantwoording en controle

  • 1 De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie en de rechtmatigheid van de gegevens, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

Hoofdstuk 5. Subsidievaststelling

Artikel 17. Ambtshalve subsidievaststelling

De subsidie wordt vastgesteld binnen 3 maanden na ontvangst van de verantwoording, bedoeld in artikel 16.

Hoofdstuk 6. Betaling

Artikel 18. Betaling in gedeelten

  • 1 Het jaarlijkse subsidiebedrag wordt per schooljaar in twee gedeelten aan subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte wordt betaald in november, het daarop volgende gedeelte in februari.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt het subsidiebedrag voor aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren jaarlijks in één keer betaald in december.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 19. Effectmeting

Er zal onderzoek worden gedaan naar het bereikte effect dan wel het bereikte resultaat van deze subsidie.

Artikel 20. Vervaldatum

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2022, van toepassing blijft op subsidies die zijn verleend vóór die datum.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen.

Deze regeling zal met toelichting en bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Bijlage 1. , behorende bij artikel 10 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen: NVAO toetsingskaders opleidingsschool en academische kop 2013

1. Kader beoordeling opleidingsschool

De beoordeling van de kwaliteit van de opleidingsschool wordt uitgevoerd aan de hand van de samenwerkingsovereenkomst en de explicitering daarin van de wijze waarop de partners in de opleidingsschool gestalte geven aan het programma, het personeelsbeleid, de voorzieningen en de kwaliteitszorg, alsook over ieders verantwoordelijkheid daarbij.

De leidraad voor de NVAO om de kwaliteit van de opleidingsschool te beoordelen is het bestaande accreditatiekader ‘Beperkte Opleidingsbeoordeling’. Indien nodig kunnen de criteria worden geplaatst onder de standaarden van de ‘Uitgebreide Opleidingsbeoordeling’.

Voor de beoordeling van de opleidingsschool is de standaard Kwaliteitszorg toegevoegd aan het accreditatiekader ‘Beperkte Opleidingsbeoordeling’.

Standaard 1: Beoogde eindkwalificaties

De beoogde eindkwalificaties van de opleiding zijn wat betreft inhoud, niveau en oriëntatie geconcretiseerd en voldoen aan internationale eisen.

Toelichting op standaard 1

De beoogde eindkwalificaties passen wat betreft niveau en oriëntatie (bachelor of master; hbo of wo) binnen het Nederlandse kwalificatieraamwerk. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding.

Criteria voor de opleidingsschool

De opleidingsschool heeft een geëxpliciteerde visie op opleiden in de school geconcretiseerd in een opleidingsplan.

De opleidingsschool waarborgt dat studenten de gelegenheid hebben de verbinding tussen theorie en praktijk te leggen. Het opleidingstraject in de school kent voldoende diepgang door verbindingen met de theorie. Het opleidingstraject in de lerarenopleiding sluit aan bij de praktijkervaringen in de school en is geconcretiseerd in een opleidingsplan.

De opleidingsschool waarborgt dat studenten de gelegenheid hebben ervaring op te doen in gevarieerde onderwijssituaties.

Standaard 2: Onderwijsleeromgeving

Het programma, het personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde eindkwalificaties te realiseren.

Toelichting op standaard 2

De inhoud en vormgeving van het programma stellen de toegelaten studenten in staat de beoogde eindkwalificaties te bereiken. De kwaliteit van het personeel en van de opleidingsspecifieke voorzieningen is daarbij essentieel. Programma, personeel en voorzieningen vormen een voor studenten samenhangende onderwijsleeromgeving.

Criteria voor de opleidingsschool

Programma

Het programma dat door de opleidingsschool is uitgewerkt stelt de studenten in staat om de eindkwalificaties te bereiken.

De opleidingsschool heeft een samenhangend programma waarbinnen het gedeelte van het curriculum dat in de school wordt verworven en het gedeelte van het curriculum dat in de lerarenopleiding wordt verworven een geïntegreerd geheel vormen. De individuele trajecten zijn verankerd in dit programma.

De afstemming tussen de instroomkwalificaties van de studenten en het te volgen programma is transparant. Verleende vrijstellingen moeten inhoudelijk worden verantwoord. De rol van EVC wordt hierbij beschreven.

De scholen en de lerarenopleidingen hanteren in functie van het traject in de opleidingsschool een didactisch concept waarmee alle partners instemmen.

Personeel

De opleidingsschool zet voldoende personeel in om de studenten op te leiden, te begeleiden en te beoordelen. Bij de algemene gegevens van de opleidingsschool wordt aangegeven het percentage master- en hbo-geschoolde docenten.

Het personeel dat wordt ingezet voor de opleidingsschool is deskundig in het opleiden, begeleiden en beoordelen van de studenten.

De opleidingsschool heeft een visie op professionalisering uitgeschreven en borgt op systematische wijze de kwaliteit van alle personeel dat betrokken is bij de opleidingsschool.

Studiebegeleiding

De opleidingsschool zorgt ervoor dat de begeleiding vanuit de school en vanuit de lerarenopleiding op elkaar is afgestemd, transparant is voor studenten en andere betrokkenen en aansluit bij de specifieke behoeften van de studenten binnen dit traject.

Standaard 3: Toetsing

De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.

Toelichting op standaard 3

De toetsen en de beoordeling zijn valide, betrouwbaar en voor studenten inzichtelijk.

Criteria voor de opleidingsschool

De opleidingsschool hanteert duidelijke afspraken over de rol, de taken en de verantwoordelijkheden van elk van de partners bij beoordeling en toetsing. Iedere student heeft volstrekte helderheid over wat die afspraken in de praktijk van de opleiding betekenen.

De examencommissie van de betreffende instituten heeft expliciet een rol bij de beoordeling en toetsing.

Standaard 4: Kwaliteitszorg (additioneel voor de opleidingsschool)

De opleidingsschool wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan de realisatie van de streefdoelen. Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemende beroepenveld van de opleiding actief betrokken.

Criteria voor de opleidingsschool

De opleidingsschool hanteert een kwaliteitszorgplan dat waarborgt dat de streefdoelen van de opleiding gerealiseerd worden en op regelmatige tijdstippen geëvalueerd worden.

De opleidingsschool geeft aantoonbaar opvolging aan de resultaten van de regelmatige evaluaties.

De medewerkers en studenten van de opleidingsschool alsook het beroepenveld zijn actief betrokken bij de interne kwaliteitszorg van de opleidingsschool.

2. Kader voor de academische kop

De leidraad voor de NVAO om de kwaliteit van de academische kop te beoordelen is het bestaande accreditatiekader (Beperkte Opleidingsbeoordeling). De criteria van de beoordeling door DUO in 2011 zijn opgenomen in dit kader. Indien nodig kunnen de criteria worden geplaatst onder de standaarden van de Uitgebreide Opleidingsbeoordeling.

Voor de beoordeling van de academische kop zijn de standaarden Kwaliteitszorg en Kennisdeling toegevoegd aan het kader.

Standaard 1: Beoogde eindkwalificaties

De beoogde eindkwalificaties van de opleiding zijn wat betreft inhoud, niveau en oriëntatie geconcretiseerd en voldoen aan internationale eisen.

Toelichting op standaard 1

De beoogde eindkwalificaties passen wat betreft niveau en oriëntatie (bachelor of master; hbo of wo) binnen het Nederlandse kwalificatieraamwerk. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding.

Criteria voor de academische kop

De opleidingsschool met academische kop beschikt over een gezamenlijke visie, door alle partners gedragen op het concept ‘academische opleidingsschool’.

De opleidingsschool met academische kop verbindt het opleiden van leraren met het verrichten van praktijkgericht onderzoek en schoolontwikkeling.

Standaard 2: Onderwijsleeromgeving

Het programma, het personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde eindkwalificaties te realiseren.

Toelichting op standaard 2

De inhoud en vormgeving van het programma stellen de toegelaten studenten in staat de beoogde eindkwalificaties te bereiken. De kwaliteit van het personeel en van de opleidingsspecifieke voorzieningen is daarbij essentieel. Programma, personeel en voorzieningen vormen een voor studenten samenhangende onderwijsleeromgeving.

Criteria voor de academische kop

Programma

De opleidingsschool met academische kop beschikt over een onderzoeksprogramma.

Het programma is dusdanig vormgegeven dat de student in staat wordt gesteld het uitvoeren van praktijkgericht onderzoek naar schoolontwikkeling op het juiste niveau te ontwikkelen.

Begeleiding

De opleidingsschool met academische kop beschikt over voldoende en hoogwaardige begeleiding van studenten en een goede ondersteuning van docenten bij hun onderzoeks- en begeleidingstaken.

Standaard 3:Toetsing

Er zijn geen specifieke criteria voor de opleidingsschool met academische kop voor deze standaard.

Standaard 4: Kennisdeling (additioneel voor de opleidingsscholen met academische kop)

Criterium voor de academische opleidingsschool

De opleidingsschool met academische kop zorg voor de kennisdeling tussen de partners en met de andere opleidingsscholen met academische kop.

Bijlage 2. , behorende bij artikel 5 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen:

1. Schooljaar 2013/2014:

Aantal studenten

Tegemoetkoming per jaar

80–139

€ 210.000

140–179

€ 290.000

180–219

€ 330.000

220–259

€ 350.000

260–299

€ 390.000

300–339

€ 430.000

340–379

€ 470.000

380 en meer

€ 510.000

2. Vanaf schooljaar 2014/2015:

Aantal studenten

Tegemoetkoming per jaar

80–139

€ 200.000

140–179

€ 280.000

180–219

€ 320.000

220–259

€ 340.000

260–299

€ 380.000

300–339

€ 420.000

340–379

€ 460.000

380 en meer

€ 500.000

Bijlage 3. , behorende bij artikel 7a, tweede lid, van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:

  • 1. een lijst van deelnemende opleidingen, besturen en scholen (inclusief status accreditatie, laatste inspectieoordeel);

  • 2. een opgave van de beoogde studentenaantallen (per onderwijssector) aan het einde van de ontwikkelperiode;

  • 3. een (concept)beschrijving van de beoogde structuur van de opleidingsschool (inclusief rollen schoolopleider en werkplekbegeleider*);

  • 4. een beschrijving waarin wordt aangegeven op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool al denkt te voldoen aan de kaders genoemd in bijlage 1 bij deze regeling en op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool zich nog gaat ontwikkelen in de ontwikkelperiode (inclusief hiervoor benodigde activiteiten en planning).

    Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:

    • opleidingsplan (standaard 1)

    • gezamenlijke visie op professionalisering (standaard 2)

    • gezamenlijke visie op HR-beleid

    • kwaliteitszorgplan (standaard 4)

    Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe de gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.

    Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot

    • * De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.

    De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.

Bijlage 4. , behorende bij artikel 9, derde lid, van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Beoordelingscriteria aspirant-opleidingsscholen

Deze tabel bevat een samenvatting van de criteria.

Elk van de criteria wordt uitgewerkt op drie onderdelen:

  • a. de ambitie en de visie;

  • b. de huidige stand van zaken;

  • c. het ontwikkelpad.

I. Visie op samen opleiden

a. Beschrijving van de visie op en ambitie ten aanzien van het samen opleiden binnen het partnerschap.

b. Stand van zaken van het samen opleiden binnen het partnerschap.

c. Beschrijving van de wijze waarop het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie ten aanzien van samen opleiden wil realiseren.

II. Samenwerking en organisatiestructuur

a. Beschrijving van de ambitie ten aanzien van de samenwerking en de daarmee samenhangende organisatiestructuur binnen het partnerschap.

b. Stand van zaken van de huidige samenwerking en organisatiestructuur van de partners binnen het partnerschap.

c. Beschrijving van de wijze waarop het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie ten aanzien van de samenwerking en organisatiestructuur wil realiseren.

III. Professionalisering

a. Beschrijving van de ambitie van het partnerschap ten aanzien van de professionalisering van de betrokken medewerkers van de scholen (waaronder schoolopleiders, werkplekbegeleiders, management) en betrokkenen vanuit het opleidingsinstituut (bijvoorbeeld de instituutsopleiders).

b. Stand van zaken met betrekking tot de professionalisering van alle bij het partnerschap betrokken medewerkers.

c. Beschrijving van de wijze waarop het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie met betrekking tot de professionalisering van de betrokken medewerkers van de scholen (waaronder schoolopleiders, werkplekbegeleiders, management) en betrokkenen vanuit het opleidingsinstituut (bijvoorbeeld de instituutsopleiders) wil realiseren.

IV. Kwaliteitszorg

a. Beschrijving van de ambitie ten aanzien van kwaliteitszorg van het partnerschap.

b. Stand van zaken van de kwaliteitszorg binnen het partnerschap.

c. Beschrijving van de wijze waarop het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie met betrekking tot kwaliteitszorg wil realiseren.

V. Regionale spreiding

Werkgebied van de partnerschap.

Dit criterium wordt alleen toegepast als er meer aanvragen zijn die aan bovenstaande kwalitatieve criteria voldoen, dan vanwege het subsidieplafond kunnen worden toegekend en er zodoende een selectie gemaakt moet worden.

Weging:

De minister toetst aan vijf criteria:

  • visie op samen opleiden

  • samenwerking en organisatiestructuur

  • professionalisering

  • kwaliteitszorg

  • regionale spreiding

De eerste vier criteria zijn de inhoudelijke criteria. Hier toetst de minister alle aanvragen aan. De criteria ‘visie op samen opleiden’ en ‘samenwerking en organisatiestructuur’ dienen in ieder geval voldoende te zijn, omdat dit de basis van de aspirant-opleidingsschool is. Een onvoldoende score voor ‘professionalisering’ en ‘kwaliteitszorg’ kan gecompenseerd worden door de overige scores, mits de totaalscore voldoende is. Uitgangspunt is dat ‘professionalisering’ en ‘kwaliteitszorg’ gedurende de komende jaren verder opgezet en ontwikkeld kunnen worden, met de ‘visie op samen opleiden’ en ‘samenwerking en organisatiestructuur’ als duidelijk fundament.

Het criterium ‘regionale spreiding’ wordt alleen toegepast als er meer aanvragen zijn die aan bovenstaande kwalitatieve criteria voldoen, dan vanwege het subsidieplafond kunnen worden toegekend en er zodoende een selectie gemaakt moet worden. Dit criterium geldt niet voor de aanvragers die subsidie hebben ontvangen op grond van artikel 3 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016.

De wijze waarop wordt beoordeeld en de nadere uitwerking van bovenstaande criteria is te vinden op DUO.nl via https://www.duo.nl/zakelijk/primair-onderwijs/bekostiging-en-subsidies/tegemoetkoming-opleidingsscholen.jsp.