Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland[Regeling vervallen per 01-01-2013.]

Geldend van 01-03-2010 t/m 31-12-2012

Tijdelijke regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 april 2009, nr. BJZ2009027224, houdende regels met betrekking tot subsidieverlening voor ruimtelijke activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Innovatieprogramma Mooi Nederland (Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland)

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2013]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. adviescommissie: adviescommissie als bedoeld in artikel 8;

  • b. innovatief: gericht op het toepassen van nieuwe technologie, nieuwe producten, nieuwe instrumenten, nieuwe organisatievormen en -structuren, of nieuwe samenwerkingsvormen, binnen het kader van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

  • c. Innovatieprogramma Mooi Nederland: programma, waarmee aansprekende voorbeelden van projecten worden gegenereerd die op innovatieve wijze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Nederland;

  • d. kennis- en leerprogramma: overdragen enuitwisselen van kennis en ervaringen uit de projecten van het Innovatieprogramma Mooi Nederland;

  • e. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

  • f. onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • g. project: samenhangend geheel van ruimtelijk relevante activiteiten of onderdelen daarvan, waarvan innovatieve elementen een wezenlijk onderdeel uitmaken, bestaande uit:

    • 1°. een idee of plan, of

    • 2°. een uitvoeringsproject, of -projecten;

  • h. Agentschap NL: het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken dat deze regeling uitvoert;

  • i. subsidie: subsidie of eenmalige specifieke uitkering;

  • j. verordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEG L 379/5).

Artikel 2. Doel en doelgroep [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De minister kan op aanvraag subsidie verlenen aan een provincie, gemeente, privaatrechtelijke rechtspersoon of in het handelsregister ingeschreven persoon die, of een waterschap dat, al dan niet in samenwerking, een project inbrengt dat bijdraagt aan de doelstellingen van het Innovatieprogramma Mooi Nederland en valt binnen de door de minister per aanvraagperiode vastgestelde thema’s, waarbij de ontvanger van de subsidie de innovatieve aspecten van het project inbrengt in het kennis- en leerprogramma, behorende bij het programma.

  • 2 In afwijking van het eerste lid blijven voor de toepassing van deze regeling buiten beschouwing voorbeeldprojecten die in het kader van het Programma Mooi Nederland eerder een financiële bijdrage hebben ontvangen.

Artikel 3. Aanvraagperiode en thema’s [Vervallen per 01-01-2013]

De minister stelt ten minste tweemaal een periode vast waarbinnen subsidieaanvragen met betrekking tot daarbij vast te stellen thema’s kunnen worden ingediend en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 4. Subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2013]

De minister stelt voor elke aanvraagperiode een subsidieplafond vast en maakt dit bekend in de Staatscourant.

Artikel 5. Hoogte subsidie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De subsidie bedraagt:

    • a. maximaal 50 procent van de totale subsidiabele kosten tot het maximum van het tekort op de projectbegroting en tot een maximum van € 100.000,– voor een idee of plan met dien verstande dat de subsidie de kosten van een project niet overschrijdt;

    • b. maximaal 20 procent van de totale subsidiabele kosten tot het maximum van het tekort op de projectbegroting en tot een maximum van € 1.000.000 voor een uitvoeringsproject met dien verstande dat de subsidie de kosten van een project niet overschrijdt.

  • 2 Subsidie aan een onderneming wordt slechts verstrekt, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de-minimissteun als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 van de verordening.

  • 3 De minister kan per aanvraagperiode afwijkende subsidiepercentages vaststellen en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 6. Subsidiabele kosten [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de gemaakte aan het project toe te rekenen kosten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de activiteiten die noodzakelijk zijn voor het leveren van een bijdrage aan het thema en die berekend zijn op basis van:

    • a. de methodiek van de loonkosten vermeerderd met een vaste opslag, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen:

      • 1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;

      • 2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;

      • 3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en

      • 4°. de aan derden betaalde kosten, of

    • b. de methodiek van het vaste uurtarief, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen:

      • 1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,–, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;

      • 2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en

      • 3°. de aan derden betaalde kosten.

  • 2 De directe loonkosten per uur worden berekend door de som van de op jaarbasis berekende bruto loonkosten, de niet-winstafhankelijke emolumenten dan wel de extra verdiensten naast het loon, de werkgeverslasten en de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden, te delen door 1650, waarbij dat getal staat voor het aantal productieve uren per jaar voor een fulltime dienstverband. Van de 1650 productieve uren kan alleen gemotiveerd worden afgeweken.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten een vast uurtarief van € 35,–.

  • 4 De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

  • 5 De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

  • 6 Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval niet:

    • a. kosten die gemaakt zijn vóór de indiening van de aanvraag om subsidie;

    • b. kosten voor eigen personeel van een gemeente, provincie of waterschap;

    • c. onvoorziene kosten;

    • d. plankosten van een uitvoeringsproject;

    • e. uitvoeringskosten van een idee of plan, en

    • f. overige projectkosten, voor zover die niet nader gespecificeerd zijn of niet doelmatig worden geacht door de minister.

Artikel 7. Aanvraag [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De aanvraag om subsidieverlening kan vanaf 1 maart 2010 worden ingediend en moet uiterlijk 31 mei 2010 om 24:00 uur ontvangen zijn door Agentschap NL, vestiging Utrecht, met gebruikmaking van het daartoe bestemde aanvraagformulier, dat aldaar verkrijgbaar is.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een beschrijving van het project en de verdiensten daarvan voor het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2, toegespitst op een voor de aanvraagperiode geldend thema, een beschrijving van de activiteiten en de wijze van uitvoering, alsmede een tijdsplanning;

    • b. een sluitende begroting en een opgave van de financieringswijze van het project;

    • c. in voorkomend geval een door de in een samenwerkingsverband verenigde partijen ondertekend document waaruit blijkt dat de partij in het samenwerkingsverband die de subsidie aanvraagt daartoe door de andere partijen is aangewezen, alsmede de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen die partijen, met dien verstande dat de aanvrager van de subsidie verantwoordelijk is voor het voldoen aan de verplichtingen en terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidie en voorschotten;

    • d. indien van toepassing, een de-minimisverklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model voor elke onderneming namens welke de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend;

    • e. de andere in het aanvraagformulier bedoelde bescheiden en gegevens.

Artikel 8. Adviescommissie [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Er is een onafhankelijke commissie die tot taak heeft de minister te adviseren over aan haar voorgelegde aanvragen om subsidie.

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste vier leden, waaronder de voorzitter, van wie uit hoofde van hun deskundigheid een nuttige bijdrage aan de werkzaamheden van de commissie kan worden verwacht.

  • 3 De minister benoemt de leden van de commissie voor een termijn van ten hoogste twee jaar. De leden zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

  • 4 De leden van de commissie kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de minister.

  • 5 De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

  • 6 De leden van de commissie nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien zij een persoonlijk belang hebben bij de ingediende aanvraag.

  • 7 De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 8 De commissie houdt de voorbereidende stukken die betrekking hebben op de door haar uitgebrachte adviezen ter beschikking van de minister.

  • 9 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

  • 10 De leden van de commissie ontvangen een door de minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 9. Beoordelingsprocedure [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De adviescommissie geeft een negatief advies indien:

    • a. geen sprake is van een project;

    • b. niet voldaan wordt aan artikel 2;

    • c. een project kennelijk niet voldoet aan een van de thema’s, bedoeld in artikel 3;

    • d. een project kennelijk niet voldoet aan twee of meer van de criteria, genoemd in artikel 11;

    • e. een project strijdig is met het vigerende Nota Ruimte-beleid, of

    • f. een project strijdig is met het in de betreffende provincie gevoerde ruimtelijk ordeningsbeleid.

  • 2 De commissie geeft inzake de aanvragen waarover zij geen negatief advies heeft gegeven een advies over de rangschikking daarvan aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 11.

Artikel 10. Subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De minister geeft een beschikking tot subsidieverlening binnen vijf maanden na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend.

  • 2 Indien de beschikking niet binnen vijf maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog tegemoet kan worden gezien.

  • 3 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de adviescommissie een negatief advies heeft uitgebracht of het subsidieplafond is bereikt. De minister kan afwijken van een negatief advies van de commissie indien dit in strijd is met de regeling dan wel naar zijn oordeel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

  • 4 De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie. De minister kan gemotiveerd afwijken van de rangschikking.

Artikel 11. Beoordelingscriteria [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De aanvragen voor subsidie worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria en weegfactoren:

    • a. de bijdrage aan de doelstellingen van het Programma Mooi Nederland en de thema’s van het Innovatieprogramma Mooi Nederland: weegfactor 2;

    • b. de mate van innovatie: weegfactor 2;

    • c. de mate van overdraagbaarheid: weegfactor 2;

    • d. de mate van samenwerking: weegfactor 1;

    • e. het resultaat op korte termijn: weegfactor 1, en

    • f. de doelmatigheid: weegfactor 1.

  • 2 De minister kan per aanvraagperiode afwijkende criteria vaststellen en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 12. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na voltooiing van het project waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in bij Agentschap NL, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

  • 2 Indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken kan de minister naar aanleiding van een desbetreffend verzoek de termijn, genoemd in het eerste lid, verlengen.

  • 3 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een activiteitenverslag en een financieel verslag.

  • 5 In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid levert de gemeente of de provincie die een beschikking tot subsidieverlening heeft verkregen de verantwoordingsinformatie aan zoals bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die zijn verleend op aanvragen die voor die datum zijn ontvangen.

Artikel 14. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2013]

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 16 april 2009

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2013]

Verklaring de-minimissteun [Vervallen per 01-01-2013]

Aanbevolen wordt om alvorens deze verklaring in te vullen eerst de toelichting in de bijlage van dit formulier te lezen.

Verklaring [Vervallen per 01-01-2013]

Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming, alsmede aan het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort,

  • geen de-minimissteun is verleend

    Over de periode van ..... (begindatum van het belastingjaar gelegen 2 jaar vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..... (datum van ondertekening van deze verklaring) is niet eerder de-minimissteun verleend.

  • beperkte de-minimissteun is verleend

    Over de periode van ..... (begindatum van het belastingjaar gelegen 2 jaar vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..... (datum van ondertekening van deze verklaring) is eerder de-minimissteun (in welke vorm of voor welk doel dan ook) verleend tot een totaal bedrag van € .....

    Of deze de-minimissteun al daadwerkelijk is uitbetaald, doet niet ter zake. Een kopie van gegevens waaruit het verlenen van de-minimissteun blijkt, wordt bijgaand verstrekt.

  • reeds andere steun voor dezelfde in aanmerking komende kosten is verleend

    Voor dezelfde in aanmerking komende kosten is reeds staatssteun verleend tot een totaal bedrag van € ..... Deze staatssteun is verleend op grond van een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Europese Commissie op ...... Een kopie van gegevens waaruit het verlenen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten blijkt wordt bijgaand verstrekt.

Aldus volledig en naar waarheid ingevuld door:

..... (bedrijfsnaam)

..... (inschrijfnr. KvK)

..... (naam functionaris en functie)

..... (adres onderneming)

..... (postcode en plaatsnaam)

..... (datum) ..... (handtekening)

Toelichting verklaring de-minimissteun [Vervallen per 01-01-2013]

Deze toelichting dient als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan de toelichting kunnen geen rechten worden ontleend. De de-minimisverordening nr. 1998/2006 is bepalend1.

De-minimisverordening en staatssteun [Vervallen per 01-01-2013]

De staatssteunregels in het EG-verdrag (artikel 87 en 88) stellen beperkingen aan overheden als zij steun willen verlenen aan ondernemingen. Deze de-minimisverklaring is nodig om na te gaan of het voordeel dat uw onderneming door deze de-minimissteun krijgt, past binnen de voorwaarden die de Europese staatssteunregels stellen.

In de de-minimisverordening2 heeft de Europese Commissie verklaard dat steunmaatregelen (zoals subsidieverlening) tot een bepaalde drempel het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en de mededinging niet vervalsen en daarom niet beschouwd worden als staatssteun in de zin van het EG-Verdrag. Deze drempel is gesteld op een bedrag van € 200.000.3

Dit bedrag geldt per onderneming4 over een periode van drie belastingjaren. Steun die genoemde drempelbedragen niet overschrijdt, wordt aangemerkt als ‘de-minimissteun’.

De de-minimisvrijstelling is van toepassing op steun die aan ondernemingen wordt verleend in alle sectoren. De verwerking en afzet van landbouwproducten valt sinds 1 januari 2007 onder de ‘gewone’ de-minimisvrijstelling nr. 1998/2006. Van de de-minimisregel zijn echter uitgezonderd: exportsteun en steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden bevoordeeld, steun aan ondernemingen die actief zijn in de kolenindustrie en steun verleend aan ondernemingen in moeilijkheden. Ook steun voor de aanschaf van vrachtwagens (‘wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren’) valt buiten de de-minimisvrijstelling. In deze gevallen dient steun aangemeld te worden bij de Europese Commissie. De aanmelding wordt gedaan door de provincie/gemeente/het waterschap.

Bedrag van de-minimissteun [Vervallen per 01-01-2013]

Door middel van deze verklaring geeft u aan, dat met de huidige subsidieverlening voor uw onderneming alsmede het eventuele gehele moederconcern waartoe uw onderneming behoort, de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. U moet daarom nagaan of gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren enige vorm van de-minimissteun door een overheidsinstantie aan uw onderneming is verstrekt.

De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop uw onderneming een wettelijke aanspraak op de steun verwerft. Dit betekent concreet de datum waarop het besluit tot subsidieverlening (of verlening van een voordeel) aan uw onderneming is genomen.

Het de-minimisplafond van € 200.000 (respectievelijk € 100.000/€ 30.000/€ 7.500) wordt als subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die dienen te worden gebruikt bij het invullen van de verklaring, zijn brutobedragen vóór aftrek van belastingen. Behalve om subsidieverlening kan het daarbij gaan om leningen tegen gunstige voorwaarden, de verkoop van grond tegen een lagere prijs dan de marktwaarde, vrijstellingen, verlagingen of kwijtschelding van directe of indirecte belastingen etc. Het gaat daarbij niet alleen om steun die u hebt ontvangen van de rijksoverheid, maar ook om steun die u heeft ontvangen van andere overheidsinstanties. Ook Europese subsidies dienen te worden meegerekend.

Het is belangrijk om zorgvuldig na te gaan of in uw geval de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. Bij het bedrag van de onderhavige subsidieverlening dient u eventuele andere gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren ontvangen de-minimissteun op te tellen. Immers bij overschrijding van de drempel dient de steun aangemeld te worden en kan geen beroep meer worden gedaan op de de-minimisregel. Handelen in strijd met de staatssteunregels uit het EG-verdrag kan leiden tot terugvordering van de verleende steun.

Samenloop met reguliere staatssteun [Vervallen per 01-01-2013]

Mogelijk heeft uw onderneming voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige de-minimissteun reeds staatssteun ontvangen, die door de Europese Commissie is goedgekeurd of binnen het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening valt. Het totaalbedrag van de-minimissteun en deze staatssteun mag dan de maxima niet overschrijden die op basis van het relevante besluit van de Europese Commissie of de groepsvrijstellingsverordening zijn toegestaan. In het geval bijvoorbeeld voor investeringskosten ten behoeve van het milieu een goedkeuringsbeschikking is gegeven om 30% van de subsidiabele kosten te vergoeden, dan mag bovenop deze steun voor deze zelfde kosten geen de-minimissteun worden verleend. Als u twijfelt of bepaalde steun die u heeft ontvangen goedgekeurde of vrijgestelde steun is, kunt u hierover het beste contact opnemen met de overheid of uitvoeringsinstantie van wie u de steun heeft ontvangen.

Het formulier heeft betrekking op drie situaties:

  • uw onderneming alsmede het gehele eventuele moederconcern heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren in het geheel geen de-minimissteun ontvangen;

  • uw onderneming alsmede het gehele eventuele moederconcern heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren de-minimissteun ontvangen. Opgeteld bij het bedrag van de huidige subsidieverlening wordt echter het bedrag van € 200.000,– niet overschreden, of

  • uw onderneming alsmede het gehele eventuele moederconcern heeft voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige subsidie reeds andere vormen van staatssteun ontvangen.

U vult alléén de rubriek(en) in die op uw situatie van toepassing is/zijn. Vergeet niet om de bijlage(n) bij te sluiten.

Bijlage 2 [Vervallen per 01-01-2013]

Controleprotocol [Vervallen per 01-01-2013]

Algemeen [Vervallen per 01-01-2013]

Op grond van de subsidieverlening dient de subsidieontvanger een accountant aan te wijzen als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. De opdracht dient in te houden een onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen (artikel 4:45 Awb). De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag. De verklaring van de accountant bij het financiële verslag dient een oordeel te bevatten over de rechtmatige besteding van de subsidie. In dit protocol wordt een aantal nadere aanwijzingen gegeven voor de criteria die de accountant dient te hanteren bij de accountantscontrole van de financiële verantwoording. De subsidieontvanger is verplicht deze aanwijzingen op te nemen in de opdracht aan de accountant. Het financiële verslag dient aan te sluiten op de ingediende en goedgekeurde begroting. De accountantsverklaring die een onderdeel uitmaakt van het financiële verslag, is medebepalend voor de vraag of de minister zal overgaan tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van het verstrekte voorschot.

Normen voor de accountantscontrole [Vervallen per 01-01-2013]

De accountantsverklaring is, naast een oordeel over de juistheid en volledigheid van de verantwoorde baten en lasten in het kader van het ingediende en goedgekeurde project, gericht op de controle van de rechtmatige verantwoording van het beheer. Onder de controle op de rechtmatige besteding van de subsidie wordt verstaan de naleving van de subsidieverlening, de relevante wet- en regelgeving en de aanwijzingen in dit protocol. Daarbij wordt het oordeel beperkt tot de in de jaarrekening opgenomen financiële beheershandelingen (inclusief de niet in de balans opgenomen verplichtingen). Hiervoor wordt verwezen naar het Handboek Auditing Rijksoverheid. Het te hanteren toetsingskader:

  • de Algemene wet bestuursrecht;

  • de Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland;

  • de hierna beschreven speciale aandachtspunten en vermelde goedkeuringstoleranties;

  • de aanwijzingen voor de uitvoering van de rechtmatigheidscontrole (Handboek Auditing Rijksoverheid);

  • de algemene in Nederland aanvaarde controlenormen.

Met uitzondering van de in dit protocol opgenomen speciale en procedurele aandachtspunten dient het verslag met normale aandacht te worden gecontroleerd. Tot de normale aandacht behoort dat de financiële verantwoording is opgesteld in overeenstemming met de in dit protocol gegeven aanwijzingen.

Speciale en procedurele aandachtspunten bij de accountantscontrole [Vervallen per 01-01-2013]

De controlerend accountant in het kader van deze subsidieverlening wordt aangewezen door de subsidieontvanger. Alle in dat verband te maken afspraken vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger.

De accountant stelt uitdrukkelijk vast dat de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt nageleefd. Daarbij wordt er op toegezien dat procedures in het leven zijn geroepen om te waarborgen dat aan de betreffende voorschriften wordt voldaan en dat die procedures in feite zijn gevolgd.

Voor het oordeel over de getrouwheid, rechtmatigheid van de bestedingen (transacties) en de naleving van de subsidievoorwaarden hanteert de accountant de daarvoor gegeven aanwijzingen, opgenomen in het Handboek Auditing Rijksoverheid, in het bijzonder de getrouwheids- en rechtmatigheidscriteria.

Als verantwoorde uitgaven (lasten) zijn gebaseerd op gegevens van individuen en andere instellingen en organisaties, dient de subsidieontvanger deze gegevens te (doen) controleren op de juistheid, tijdigheid en volledigheid. Daarbij behoort ook het voldoen aan alle wettelijke verplichtingen terzake van personele kosten in het bijzonder bij inhuur van derden. Er dient een beleid te zijn geformuleerd dat misbruik en oneigenlijk gebruik op adequate wijze bestrijdt. De accountant dient hierop toe te zien en afwijkingen te rapporteren.

De accountantsverklaring en het rapport van bevindingen [Vervallen per 01-01-2013]

Voor de formulering van de goedkeurende accountantsverklaring hanteert de accountant het NIVRA-model nummer 10.3. De accountantsverklaring betreft zowel de getrouwheid als de naleving van de subsidievoorwaarden. Voor de strekking van de accountantsverklaring hanteert de accountant de volgende tabel:

In % van de kosten

Goedkeuring

Beperking

Oordeelonthouding

Afkeuring

Fout in de financiële verantwoording

< = 1%

> 1% < 3%

n.v.t.

> 3%

Onzekerheden in de controle

< = 3%

> 3% < 10%

> = 10%

n.v.t.

De bedragen voor de rapporteringstoleranties die de accountant hanteert ten behoeve van de rapportering in het verslag van bevindingen zijn de bedragen die voortvloeien uit de goedkeuringstoleranties. De in de tabel vermelde percentages dienen voor wat betreft de balans en de exploitatierekening te worden toegepast op het totaal van de baten. Als de accountant kwalitatieve gebreken van noemenswaardig belang constateert, meldt hij deze in het verslag van bevindingen, ook als deze gebreken niet leiden tot het onthouden van een goedkeurende accountantsverklaring. Tijdens de controle geconstateerde onjuistheden dienen te worden gecorrigeerd in de financiële verantwoording. Geconstateerde opzettelijke fouten worden, ook als de invloed op het totaal van de bestedingen lager is dan de toleranties in de tabel, vermeld in het verslag van bevindingen. Bij de oordeelvorming over de verantwoording spelen de goedkeuringstoleranties een belangrijke rol. De goedkeuringstoleranties zijn kwantitatieve criteria. Als de goedkeuringstoleranties niet worden overschreden, wordt in beginsel een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven. De accountant kan op grond van zijn deskundigheid ook besluiten dat er kwalitatieve gebreken zijn van dusdanige aard, dat de goedkeuring wordt onthouden. Als één der of beide goedkeuringstolerantie(s) worden overschreden zal geen goedkeurende accountantsverklaring, maar één van de drie hierna genoemde oordelen verstrekt door de accountant: verklaring met beperking, oordeelonthouding of afkeuring.

Dossiervorming [Vervallen per 01-01-2013]

De accountant richt zijn controledossiers zodanig in dat een efficiënte en effectieve review door de departementale auditdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op korte termijn mogelijk is.

  • ^ [1]

    Voor de sector van de primaire productie van landbouwproducten is de Verordening (EG) Nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector bepalend. Voor de sector visserij is het de-minimisplafond vastgesteld bij Verordening (EG) Nr. 875/2007 van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004.

  • ^ [2]

    Verordening (EG) Nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de-minimissteun.

  • ^ [3]

    Voor de periode tot en met 31 december 2010 geldt een nationaal kader voor het onder voorwaarden tijdelijk verlenen van beperkte steunbedragen tot een maximumbedrag van € 500.000. Bij beschikking van 1 april 2009 met nummer N 156/2009 is dit kader door de Europese Commissie goedgekeurd op basis van artikel 87 3.b. van het EG-verdrag.

  • ^ [4]

    Als uw onderneming niet als een zelfstandige onderneming kan worden aangemerkt dan dient voor de bepaling van de hoeveelheid ontvangen de-minimissteun ook rekening te worden gehouden met de de-minimissteun verstrekt aan het gehele moederconcern waartoe uw onderneming behoort. Een onderneming wordt als ‘zelfstandig’ beschouwd indien deze niet voor 25% of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen is van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk. Zie Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003, PbEU L 124 van 20.5.2003.