Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen[Regeling vervallen per 01-01-2016.]

Geldend van 23-01-2014 t/m 31-12-2015

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 april 2009, nr. HO&S/116459, houdende regels ter verlening van subsidie ten behoeve van het bevorderen van het leren ondernemen (Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2, eerste lid, en 4, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 10.5 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 1. Definities [Vervallen per 01-01-2016]

  • 3 In deze regeling wordt voorts verstaan onder:

Artikel 2. Adviescommissie Onderwijs Netwerk Ondernemen [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Er is een onafhankelijke adviescommissie, genaamd de Adviescommissie Onderwijs Netwerk Ondernemen, die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de beoordeling van aanvragen, op basis van door de minister vastgestelde criteria, zoals omschreven in de artikelen 15, derde lid, en 24e, vijfde lid.

  • 2 De minister benoemt bij afzonderlijke regeling de leden van de adviescommissie. De adviescommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal zeven leden.

  • 3 De voorzitter en de leden worden benoemd voor een periode van een jaar.

  • 4 De periode, bedoeld in het derde lid, kan telkens met een jaar worden verlengd.

  • 5 De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien:

    • a. daar door de desbetreffende persoon om verzocht is;

    • b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft;

    • c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.

  • 6 Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een lid kan de minister een andere voorzitter of een ander lid benoemen.

Artikel 3. Integriteit [Vervallen per 01-01-2016]

Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de subsidieverlening.

Artikel 4. Informatieplicht [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De minister kan een deskundige aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.

  • 2 De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 5. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De adviescommissie stelt, op voordracht van AgentschapNL, haar eigen werkwijze vast.

  • 2 In het secretariaat van de adviescommissie wordt door AgentschapNL voorzien.

Artikel 6. Vergoeding [Vervallen per 01-01-2016]

  • 2 De voorzitter en de andere leden van de adviescommissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland. Deze vergoeding wordt door het secretariaat van de adviescommissie afgehandeld.

§ 2. Hoogte subsidie en subsidiabele kosten [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 7. Subsidieaanvrager en de te subsidiëren activiteiten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag projectsubsidie aan een samenwerkingsverband dat voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoert.

  • 2 De subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die bij de indiening van de aanvraag door de deelnemers gezamenlijk als penvoerder is aangewezen. De penvoerder is in ieder geval een onderwijsinstelling. Heeft de penvoerder zelf geen rechtspersoonlijkheid, dan wordt de subsidie betaald aan het bevoegd gezag van de penvoerder. Is er geen bevoegd gezag dan dienen de deelnemers in de aanvraag gezamenlijk aan te geven aan welke rechtspersoon de subsidie kan worden betaald.

  • 3 De subsidie wordt verleend aan projecten die tot doel hebben:

    • a. het ondersteunen van de deelnemende onderwijsinstellingen bij het effectief vormgeven en verankeren van het leren ondernemen in de eigen instellingen; en

    • b. het structureel ondersteunen van kennisopbouw en -uitwisseling over het leren ondernemen in het onderwijsnetwerk ondernemen; en

    • c. het stimuleren dat andere onderwijsinstellingen en partijen in de regio actief worden in het leren ondernemen.

  • 4 Geen subsidie wordt verstrekt:

    • a. indien reeds subsidie is verstrekt aan een penvoerder voor eenzelfde samenwerkingsverband;

    • b. voor projectkosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag.

Artikel 8. Hoogte subsidie [Vervallen per 01-01-2016]

De subsidie voor een project bedraagt maximaal 75% van de projectkosten met een maximum van € 150.000.

Artikel 9. Subsidiabele kosten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten:

    • a. personele kosten van de deelnemers uit het samenwerkingsverband op basis van een vast uurtarief van € 50;

    • b. materiaalkosten;

    • c. aan derden verschuldigde kosten;

  • 2 De in het eerste lid onder b en c genoemde kosten bedragen tezamen niet meer dan 25% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 10. Cumulatie en begrotingsvoorwaarde [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Kosten die op grond van enige andere regeling vanwege het Rijk reeds bekostigd of gesubsidieerd worden, zijn niet subsidiabel.

  • 2 In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de met inachtneming van de artikelen 11 en 24e verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 11. Aanvraagperioden en subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Bij ministeriële regeling worden de perioden vastgesteld, na afloop waarvan de aanvragen om subsidie op grond van artikel 7 die in die periode zijn ontvangen en niet reeds op grond van artikel 15, eerste lid, moeten worden afgewezen, worden behandeld.

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies op grond van artikel 7 op de in een periode als bedoeld in het eerste lid ontvangen aanvragen.

  • 3 De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2009 vastgesteld op 20 april 2009 tot en met 15 juni 2009.

  • 4 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 7 ontvangen in de in het derde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op: € 4.000.000.

  • 5 De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2010 vastgesteld op 1 augustus 2010 tot en met 1 oktober 2010.

  • 6 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 7 ontvangen in de in het vijfde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op € 7.250.000.

§ 3. Aanvraag en beslissing op de aanvraag [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 12. Aanvraagformulier [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De aanvraag om subsidie wordt ingediend door een onderwijsinstelling met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken.

  • 2 De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

    • a. een activiteitenplan, conform bijlage a van het aanvraagformulier;

    • b. een begroting van de kosten, uitgesplitst per deelnemer van het samenwerkingsverband, conform bijlage b van het aanvraagformulier.

Artikel 13. Elektronische aanvraag [Vervallen per 01-01-2016]

AgentschapNL draagt zorg voor de mogelijkheid om aanvragen elektronisch in te dienen.

Artikel 14. Behandeltermijn van aanvragen [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Binnen 22 weken na de laatste dag van de krachtens artikel 11, derde lid, vastgestelde periode beslist de minister op de in die periode ontvangen aanvragen om subsidie.

  • 2 De minister kan, gehoord de adviescommissie, de toegekende subsidie lager vaststellen dan op grond van de begroting bij de aanvraag is aangevraagd.

Artikel 15. Criteria bij de toekenning van subsidie [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien die aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een aanvraag op grond van deze regeling moet voldoen.

  • 2 De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van het eerste lid afwijzend is beslist, het advies in van de adviescommissie.

  • 3 De minister beslist daarbij, geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat een aanvraag op één of meer van de vijf rankingscriteria, bedoeld in het vierde lid, kennelijk onvoldoende bijdraagt.

  • 4 De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:

    • a. het meer bijdraagt aan versterking van ondernemend gedrag op alle niveaus van de onderwijsinstellingen;

    • b. het meer bijdraagt aan verankering van het leren ondernemen binnen de onderwijsinstellingen;

    • c. het meer bijdraagt aan structurele samenwerking op het leren ondernemen tussen onderwijsinstellingen, ondernemers en andere deelnemers in het netwerk;

    • d. het meer bijdraagt aan profilering van (de doelstellingen van) het samenwerkingsverband in de regio;

    • e. het samenwerkingsverband meer divers is samengesteld.

  • 5 Voor de rangschikking wegen de in het vierde lid genoemde criteria ieder even zwaar.

  • 6 De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen als bedoeld in het derde lid altijd buiten beschouwing blijven.

Artikel 16. Mandaat AgentschapNL en afhandeling bezwaarschriften [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Aan de algemeen directeur van AgentschapNL te Den Haag wordt mandaat verleend om namens de minister alle noodzakelijke besluiten te nemen met betrekking tot de behandeling van aanvragen in het kader van de uitvoering van deze regeling. De algemeen directeur van AgentschapNL kan ondermandaat verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen.

§ 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 17. Bewaarplicht [Vervallen per 01-01-2016]

De aanvrager bewaart de boeken en bescheiden en informatie of andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van deze regeling gedurende ten minste vijf jaar na datum waarop de vaststelling van de subsidie heeft plaatsgevonden.

Artikel 18. Informatieplicht [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de evaluatie van de subsidieregeling en de ontwikkeling van het beleid.

  • 2 Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan AgentschapNL.

  • 3 De subsidieontvanger is verplicht de minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met deze subsidieregeling verlangen. De subsidieontvanger geeft desgewenst deze ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.

  • 4 De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan communicatieactiviteiten gericht op het presenteren van het samenwerkingsverband en het verspreiden van de (tussentijdse) projectresultaten aan overige belanghebbenden.

  • 5 De minister kan aan de subsidieverlening voorts verdere nadere voorschriften verbinden. Deze voorschriften worden opgenomen in de beschikking.

Artikel 19. Verantwoording en voortgangsverslag [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De subsidie wordt uiterlijk binnen twee jaren en zes maanden na aanvang van het project, zoals bedoeld in artikel 21, besteed. De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan het in deze regeling omschreven doel en zoals deze zijn omschreven in het activiteitenplan bij de aanvraag. Zij kan ook worden aangewend voor andere activiteiten waarvoor aan de betrokken scholen en instellingen bekostiging wordt verstrekt. Tenzij de minister besluit tot gehele of gedeeltelijke terugvordering omdat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet zijn verricht of niet is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt geen terugvordering van niet-bestede middelen plaats.

  • 2 Over de uitgevoerde projectactiviteiten wordt verantwoording afgelegd door middel van een inhoudelijk eindverslag, waarin tevens is opgenomen een prestatieverklaring, over de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd. Dit eindverslag met de prestatieverklaring wordt overlegd bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Daarnaast geldt voor de in het eerste lid bedoelde bekostigde scholen en instellingen dat de verklaring van de accountant bij de reguliere jaarrekening tevens een oordeel omvat over de rechtmatige besteding van de subsidie.

  • 3 Naast de verantwoording van de subsidie in de jaarverslaggeving brengt de subsidieontvanger een jaar na aanvang van het project schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project. Het verslag wordt neergelegd in het formulier dat is opgenomen als bijlage 2 bij deze regeling en bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten. De inrichting van het verslag komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan en bevat, voor zover van toepassing, een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie. Voor het opstellen en versturen van het voortgangsverslag heeft de subsidieontvanger 8 weken de tijd, te rekenen vanaf het moment dat het in de eerste volzin bedoelde jaar is geëindigd.

  • 4 Het in het vorige lid bedoelde verslag wordt gezonden aan AgentschapNL.

  • 5 Naar aanleiding van het in het derde lid genoemde verslag, kan de minister besluiten om de subsidiëring van het vervolg van het project geheel of gedeeltelijk te beëindigen.

  • 6 De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a.

  • 7 Het voortgangsverslag, bedoeld in het derde lid, wordt ingeval van een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

Artikel 20. Uitvoering overeenkomstig projectplan [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, doch uiterlijk binnen een tijdvak van twee en een half jaar na aanvang van het project.

  • 2 De minister kan voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger schriftelijk ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 21. Aanvang project [Vervallen per 01-01-2016]

De subsidieontvanger begint met het project uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening.

§ 5. Voorschotten [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 22. Voorschotten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt bij de subsidieverlening van 40% van de toegekende subsidie.

  • 2 Het tweede voorschot wordt verstrekt, nadat het voortgangsrapport bedoeld in artikel 19, derde lid, positief wordt beoordeeld. Het tweede voorschot bedraagt 40% van de toegekende subsidie, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 19, vijfde lid.

§ 6. Vaststelling [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 23. Aanvraag vaststelling [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Uiterlijk dertien weken na afloop van het project dient de subsidieontvanger een aanvraag om vaststelling in.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend bij AgentschapNL met een formulier, overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling of in bijlage 6 bij deze regeling in geval van een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a en gaat vergezeld van een inhoudelijk eindverslag. Het eindverslag bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten.

Artikel 24. Beslistermijn vaststelling [Vervallen per 01-01-2016]

De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

§ 6a. Subsidieverlening 2012 [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 24a. Reikwijdtebepaling [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Deze paragraaf heeft betrekking op het verlenen van subsidies in 2012.

  • 2 De doelstelling van de subsidieverlening in 2012 is: het voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs alsmede de uitvoering daarvan en het verder verdiepen en versterken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken op dat terrein.

Artikel 24b. Te subsidiëren activiteiten [Vervallen per 01-01-2016]

De minister kan subsidie verstrekken aan een onderwijsinstelling voor activiteiten die zijn gericht op:

  • a. het voor tenminste drie andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van door de aanvrager ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs alsmede de uitvoering daarvan en

  • b. het verder verdiepen en versterken van de eigen, aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs.

Artikel 24c. Aanvraagvereisten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 De subsidieaanvraag omvat een activiteitenplan en een begroting en wordt ingediend vóór 4 januari 2012.

  • 2 De begroting wordt vastgesteld op basis van tenminste 50% medefinanciering door de aanvrager. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, en de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel b. De kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, worden uitgesplitst naar de onderwijsinstellingen waarmee een overeenkomst is gesloten.

  • 3 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.

  • 4 De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een subsidiebeschikking op grond van deze regeling, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden activiteiten op het terrein van leren ondernemen in het onderwijs heeft ontplooid;

    • b. een passage uit de schoolgids van de aanvrager voor de jaren 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden activiteiten op het terrein van leren ondernemen in het onderwijs heeft ontplooid;

    • c. een document waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden heeft deelgenomen aan een ander project in het kader van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen of

    • d. andere informatie waardoor aannemelijk wordt dat de aanvrager op het terrein van het leren ondernemen in het onderwijs een uitvoeringspraktijk van tenminste 20 maanden kent.

  • 5 De aanvraag gaat voorts vergezeld van kopieën van de getekende overeenkomsten tussen de aanvrager en de onderwijsinstellingen ten behoeve waarvan de door de aanvrager ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar zullen worden gemaakt.

Artikel 24d. Weigeringsgronden [Vervallen per 01-01-2016]

De minister wijst de aanvraag in ieder geval af, indien:

  • a. de aanvraag projectkosten betreft die zijn gemaakt vóór de datum van indiening van de aanvraag;

  • b. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt op het terrein van het leren ondernemen in het onderwijs een uitvoeringspraktijk van tenminste 20 maanden te kennen;

  • c. het aantal betrokken onderwijsinstellingen minder is dan drie;

  • d. de aanvrager niet heeft aangetoond de activiteiten voor tenminste 50% zelf te financieren of

  • e. de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, minder bedragen dan € 200.000.

Artikel 24e. Subsidieplafond en subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Het subsidieplafond voor 2012 bedraagt € 2.000.000.

  • 2 De minster beslist uiterlijk op 1 april 2012 gelijktijdig op de ingediende aanvragen.

  • 3 Voor zover de minister een aanvraag niet op grond van artikel 24d heeft afgewezen, beslist hij op de ingediende aanvragen op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de voorgestelde activiteiten om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie, bedoeld in artikel 24a, tweede lid.

  • 4 Omtrent de aanvragen waarop de minister niet met toepassing van artikel 24d afwijzend beslist, wint de minister, alvorens een beslissing te nemen, het advies in van de adviescommissie.

  • 5 De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de daarvoor in aanmerking komende aanvragen zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naarmate:

    • a. de kennisoverdracht van de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken naar de betrokken onderwijsinstellingen naar verwachting succesvol zal zijn;

    • b. er sprake is van goede samenwerking op het gebied van ondernemend onderwijs, tenminste blijkend uit de diversiteit van de projectdeelnemers en hun capaciteiten;

    • c. de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken meer bijdragen aan ondernemend onderwijs in de zin van deze regeling;

    • d. het ondernemend onderwijs binnen de betrokken onderwijsinstellingen hierdoor meer is gewaarborgd;

    • e. het verder verdiepen en versterken van de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken naar verwachting succesvol zullen plaatsvinden en

    • f. het accent van de activiteiten meer ligt op de activiteiten bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, dan op de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel b.

Artikel 24f. Subsidiebedrag [Vervallen per 01-01-2016]

De subsidie bedraagt maximaal € 250.000.

Artikel 24g. Aanvang projecten in 2012 [Vervallen per 01-01-2016]

De subsidieontvanger begint met het project uiterlijk binnen drie maanden na de subsidieverlening.

Artikel 24h. Aanvullende subsidieverplichting [Vervallen per 01-01-2016]

De subsidieontvanger is verplicht bekendheid te geven aan het project, de resultaten en de algemene kennis die daaruit voortvloeien.

§ 7. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2016]

De Regeling OCW-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 25a. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 26. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2016]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2016]

Bijlage 246944.png
Bijlage 246945.png
Bijlage 246946.png
Bijlage 246947.png
Bijlage 246948.png
Bijlage 246949.png
Bijlage 246950.png
Bijlage 246951.png
Bijlage 246952.png
Bijlage 246953.png

Bijlage 2. Tussenrapportage Onderwijs Netwerk Ondernemen [Vervallen per 01-01-2016]

website: www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl – telefoon: 070-3 735 735 (op werkdagen van 09:00–17:00 uur) Onderstaande vragen geven de richtlijn voor de tussenrapportage. De gegevens in de tussenrapportage worden gebruikt voor een beslissing voor de voortzetting van de subsidie. Tevens worden de gegevens gebruikt voor een monitoringsrapportage Onderwijs Netwerken Ondernemen tranche 2009. Stuur het ingevulde formulier met bijlagen naar: Agentschap NL, afd. Human Capital Onderwijs Netwerk Ondernemen Postbus 93144 2509 AC Den Haag

Uitgangspunt bij de tussenrapportage is dat u ons inzicht geeft in de voortgang van het project en de tussenresultaten op basis van het oorspronkelijke activiteitenplan.

De tussenrapportage dient maximaal vier pagina’s te zijn en dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd met kwantitatieve gegevens.

In de tussenrapportage komen de volgende vragen aan de orde:

  • 1. Algemene indruk

    • Hoe verloopt de samenwerking tussen de deelnemers (inzet, commitment, communicatie) binnen het netwerk?

    • Geef een beschrijving van verwachte en/of onverwachte successen;

    • Welke knelpunten zijn er geweest en hoe zijn die opgelost?

  • 2. Activiteitenplan

    • Geef per activiteit aan wat het resultaat na 1 jaar is;

    • Geef per activiteit aan hoeveel leerlingen, docenten en onderwijsinstellingen per sector zijn betrokken;

    • Geef per activiteit aan hoeveel ondernemers en/of werknemers van de deelnemende ondernemingen zijn betrokken;

    • Welke overige instellingen en organisaties (niet zijnde directe deelnemers) zijn betrokken?

    • Zijn er grote wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning? Zo ja, graag de wijzigingen benoemen met daarbij de consequenties op activiteiten, planning, resultaten, samenwerking.

  • 3. Ondernemend gedrag

    • Welke activiteiten zijn uitgevoerd om het ondernemend gedrag van leerlingen/docenten/management te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting.

    • Is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 4. Verankering

    • Welke activiteiten zijn uitgevoerd om de verankering van het leren ondernemen binnen de deelnemende onderwijsinstellingen te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting.

    • Is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 5. Structurele samenwerking

    • Welke activiteiten zijn uitgevoerd om de structurele samenwerking op het gebied van het leren ondernemen te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting;

    • Kunt u al aangeven welke activiteiten worden voortgezet na de gesubsidieerde projectperiode?

    • Is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 6. Profilering in de regio

    • Met welke activiteiten heeft het netwerk zich geprofileerd in de regio of sector? Welke doelgroepen zijn bereikt? Geef per activiteit een korte toelichting.

    • Is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 7. Vragen of opmerkingen aan adviseurs Agentschap NL.

Bijlage 3. Eindrapportage Onderwijs Netwerk Ondernemen [Vervallen per 01-01-2016]

website: www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl – telefoon: 070-3 735 735 (op werkdagen van 09:00–17:00 uur) Onderstaande vragen geven de richtlijn voor de eindrapportage. De gegevens in de eindrapportage worden gebruikt voor een beslissing voor de vaststelling van de subsidie. Tevens worden de gegevens gebruikt voor een evaluatierapport Onderwijs Netwerken Ondernemen tranche 2009. Stuur het ingevulde formulier met bijlagen naar: Agentschap NL, afd. Human Capital Onderwijs Netwerk Ondernemen Postbus 93144 2509 AC Den Haag

Uitgangspunt bij de eindrapportage is dat u ons inzicht geeft in de uiteindelijke resultaten die in het project zijn behaald. De eindrapportage dient maximaal vier pagina’s te zijn en dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd met kwantitatieve gegevens.

In de eindrapportage komen minimaal de volgende vragen aan de orde:

  • 1. Algemene indruk

    • a. Hoe kijkt u terug op de samenwerking van de deelnemers (inzet, commitment, communicatie) binnen het netwerk?

    • b. Geef een beschrijving van verwachte en/of onverwachte successen;

    • c. Welke knelpunten zijn er geweest en hoe zijn die opgelost?

  • 2. Activiteitenplan

    • a. Geef per activiteit aan wat het eindresultaat is;

    • b. Geef per activiteit aan hoeveel leerlingen, docenten en onderwijsinstellingen per sector betrokken zijn geweest?

    • c. Geef per activiteit aan hoeveel ondernemers en/of werknemers van de deelnemende ondernemingen zijn betrokken;

    • d. Welke overige instellingen en organisaties (niet zijnde directe deelnemers) zijn betrokken geweest?

    • e. Hebben zich, na de tussenrapportage, nog wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning voorgedaan? Zo ja, graag de wijzigingen benoemen met daarbij de consequenties op activiteiten, planning, resultaten, samenwerking.

  • 3. Ondernemend gedrag

    • a. Welke activiteiten zijn uitgevoerd om het ondernemend gedrag van leerlingen/docenten/management te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting.

    • b. Heeft u effecten waargenomen van ondernemend(er) gedrag van leerlingen/docenten/management? Zo ja, waar blijkt dit uit?

    • c. Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 4. Verankering

    • a. Welke activiteiten zijn uitgevoerd om de verankering van het leren ondernemen binnen de deelnemende onderwijsinstellingen te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting;

    • b. Welke elementen van het leren ondernemen zijn in het beleid van de instelling, organisatie en onderwijsprogramma verankerd?

    • c. Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 5. Structurele samenwerking

    • a. Welke activiteiten zijn uitgevoerd om de structurele samenwerking op het gebied van het leren ondernemen te versterken? Geef per activiteit een korte toelichting;

    • b. Welke activiteiten, gestart tijdens de projectperiode, worden voortgezet na de einddatum van het project? Hoe worden de activiteiten gefinancierd?

    • c. Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 6. Profilering in de regio

    • a. Met welke activiteiten heeft het netwerk zich geprofileerd in de regio of sector? Welke doelgroepen zijn bereikt? Geef per activiteit een korte toelichting;

    • b. Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

Specificaties gerealiseerde kosten [Vervallen per 01-01-2016]

Loonkosten/Personele kosten [Vervallen per 01-01-2016]

Dit zijn kosten verbonden aan de inzet van eigen personeel (van deelnemers) voor het project Personele kosten worden uitgedrukt in een vast uurtarief van 50 euro (inclusief overheadkosten).

Naam deelnemende partij

uurtarief

aantal uren

Totaal

aanvrager

50

   

deelnemer 2

50

   

deelnemer 3

50

   

deelnemer 4

50

   

deelnemer 5

50

   

deelnemer 6

50

   

deelnemer 7

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
 

50

   
Totaal loonkosten      

Materiaalkosten [Vervallen per 01-01-2016]

De materiaalkosten van materiaal die uitsluitend voor het project zijn aangeschaft en benut, kunnen worden meegenomen

Omschrijving

Totaal

   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
Totaal materiaalkosten  

Kosten derden: [Vervallen per 01-01-2016]

Loonkosten van derden die arbeid hebben verricht voor het project

naam derden

uurtarief

aantal uren

Totaal

       
       
       
       
       
       
       
       
       
       
       
       
       
Totaal      
 

TOTAAL

Personele kosten

 

Materiaalkosten

 

Kosten derden

 
Totale kosten begroting  
LET OP !! Het totaal van de materiaalkosten en kosten derden mag niet meer bedragen dan 25% van de totale projectkosten

Aangevraagde subsidie

 

Subsidie al ontvangen

 

Nog te ontvangen/terug te betalen

 

Bijlage 4. Aanvraagformulier Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012 [Vervallen per 01-01-2016]

Stuur het ingevulde formulier met bijlagen naar:

Agentschap NL

NL Innovatie

Postbus 93144

2509AC Den Haag

Meer informatie

Voor uitgebreide toelichting bij het aanvraagformulier:

– website www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl

– telefoon 088-602 5313 (op werkdagen van 8:30–17:30 uur)

1. Aanvrager [Vervallen per 01-01-2016]

1.A. Onderwijsinstelling1 [Vervallen per 01-01-2016]

Naam organisatie

 

Postadres

 

Postcode

 

Plaats

Bezoekadres

 

Postcode

 

Plaats

Brinnummer

 

IBAN-nummer ²

 

BIC-code ²

² Vult u hier uw International Bank Account Number (IBAN) en Bank Identifier Code (BIC) in. Via www.ibanbicservice.nl kunt u van een bestaand Nederlands rekeningnummer de juiste BIC-code en het juiste IBAN-nummer opvragen.

1.B. Contactpersoon aanvrager2 [Vervallen per 01-01-2016]

Naam

 

□ Dhr. □ Mw.

Titel(s)

 

Afdeling/Vakgroep

 

Functie

 

Telefoon

 

Mobiel

E-mail

 

2. Deelnemers in het project3 [Vervallen per 01-01-2016]

 

Naam (als onderwijsinstelling ook naam bevoegd gezag en brinnummer noemen)

PO

VO

MBO

LO/HBO

LO/WO

Ondernemer

Aanvrager:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 2:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 3:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 4:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 5:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 6:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Deelnemer 7:

             

Bevoegd gezag:

 

Brinnummer:

             

Overige deelnemers 5

Deelnemer 8:

 

(Toelichting)

       

Deelnemer 9:

 

(Toelichting)

       

Deelnemer 10:

 

(Toelichting)

       

5 Graag bij overige deelnemers (dus die géén onderwijsinstelling of onderneming zijn) korte toelichting geven van de organisatie.

3. Samenwerkingsovereenkomst4 [Vervallen per 01-01-2016]

De ondergetekenden komen overeen dat:

     

• zij samenwerken bij het uitvoeren van het project dat beschreven staat in deze aanvraag;

• de overeenkomst in werking is gedurende de looptijd van het project, zoals omschreven in onderdeel 4 van het aanvraagformulier;

• zij intensief zullen samenwerken in een open, duidelijke communicatiestructuur en het project jegens elkaar te goeder trouw zullen uitvoeren;

     

Namens aanvrager 1:

(penvoerder)

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? 7 (ja/nee):

Handtekening:

Namens deelnemer 2:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Namens deelnemer 3:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Namens deelnemer 4:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Namens deelnemer 5:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Namens deelnemer 6:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Namens deelnemer 7:

Naam:

Emailadres:

Functie:

BTW-plichtig? (ja/nee)

Handtekening:

Is er een bijlage toegevoegd met handtekeningen van overige deelnemers? 8

□ ja, aantal bladen:

□ nee

7 Geef aan of uw organisatie btw-plichtig is door hier ja of nee in te vullen. Let u erop dat de aanvrager (penvoerder) ook hoofdstuk 6 van het aanvraagformulier dient te tekenen.

8 Bij meer dan 7 deelnemers dient u de handtekeningen (met naam en functie) apart toe te voegen met de tekst van de samenwerkingsovereenkomst

4. Projectgegevens [Vervallen per 01-01-2016]

Naam van het project

...........

Betreft de aanvraag een vervolg op een eerder toegekend project? 9

□ Ja,

referentienummer:

□ nee

       

Gewenste startdatum project 10

 

Verwachte einddatum project

 

Totale projectkosten

 

Totaal gevraagde subsidie 11

 

Is er voor dit project, of voor onderdelen ervan, al subsidie aangevraagd of gekregen?

□ Ja

□ nee

 

Is er een verzoek tot surséance van betaling, tot faillisement, of tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling ingediend voor de aanvrager of één van de deelnemers van het samenwerkingsverband?

□ Ja, op (datum)

□ nee

Toelichting:

9 Onderwijs Netwerk Ondernemen 2009 of 2010 of Onderwijs & Ondernemen 2007.

10 De looptijd van een project kan maximaal 2,5 jaar zijn. Binnen 3 maanden na de beschikkingsdatum moet het project van start gaan.

11 De totaal gevraagde subsidie mag niet hoger zijn dan 50% van de totale projectkosten. De maximale subsidie bedraagt € 250.000,–.

5. Ondertekening [Vervallen per 01-01-2016]

Ondergetekende verklaart dat alle voor de aanvraag benodigde stukken zijn bijgevoegd en dat hij/zij bekend is met de voorwaarden en procedures van de Subsidieregeling Onderwijs Netwerk Ondernemen.
 

Naam

 

Functie

 

Datum

 

Plaats

Handtekening

 

Heeft u over dit project vooraf met een adviseur van Agentschap NL gesproken?

□ Ja, met:

□ Nee

Bijlagen5 [Vervallen per 01-01-2016]

  • Gegevens van eventuele overige deelnemers

  • Projectplan

Het projectplan beschrijft hoe het project aansluit bij de doelstellingen van de regeling.

  • Projectbegroting

De projectbegroting geeft inzicht in de totale geraamde kosten van het project en de verdeling van die kosten per projectdeelnemer.

Projectplan Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen 2011/2012 [Vervallen per 01-01-2016]

1. Doel [Vervallen per 01-01-2016]

Geef een korte, heldere beschrijving van het uiteindelijke doel dat u wilt bereiken met het voorgestelde project. Geef tevens aan hoe het project aansluit bij het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen.

2. Projectdeelnemers [Vervallen per 01-01-2016]

Motiveer de samenstelling van het samenwerkingsverband. Geef aan op welke wijze de deelnemers elkaar versterken bij het bereiken van de doelstellingen van de ONO regeling 2012.

3. Organisatie netwerk [Vervallen per 01-01-2016]

Geef in grote lijnen aan hoe het project gaat functioneren, o.a.;

wie is eindverantwoordelijk, wie heeft de projectleiding, welke overlegstructuur wordt gehanteerd.

4. Best practice [Vervallen per 01-01-2016]

Beschrijf kort de best practice. Toon aan in hoeverre de best practice, die in dit project voor uitrol in aanmerking komt, heeft geleid tot een verbetering van de ondernemendheid van leerlingen, docenten en management.

5. Activiteitenoverzicht [Vervallen per 01-01-2016]

Doelstelling Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen (ONO) 2012:

  • a) het voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot leren ondernemen in het onderwijs alsmede de uitvoering daarvan;

  • b) het verder verdiepen en versterken van van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken op dat terrein.

Geef een opsomming van de activiteiten die zowel de aanvragende instelling als de projectdeelnemers gaan ondernemen om bovenstaande doelstellingen te bereiken. Op beide doelstellingen a en b moet tenminste één activiteit worden ingezet.

Geef per activiteit aan:

wie deze uitvoert;

hoeveel inzet van tijd en middelen dit vergt;

de beginsituatie;

het beoogde resultaat na 1 jaar;

het beoogde eindresultaat na 2,5 jaar;

hoeveel leerlingen, docenten en managers en overige partijen per onderwijsinstelling is betrokken.

Aangezien u verplicht bent om bekendheid te geven aan het project, de resultaten en de kennis die daaruit voortvloeit, vragen we u om de communicatie-activiteiten in het activiteitenoverzicht te beschrijven.

6. Verankering [Vervallen per 01-01-2016]

Welke van de activiteiten (beschreven onder 5) hebben betrekking op de verankering van ondernemend onderwijs in zowel de aanvragende instelling als bij de overige deelnemers?

Licht kort toe hoe de verankering plaatsvindt, bijv. in beleid, onderwijsprogramma, organisatie.

7. Begroting [Vervallen per 01-01-2016]

Doelstelling en activiteiten van het project dienen goed gerelateerd te zijn aan de kosten. Gebruik de modelbegroting (die vindt u als excel-bestand op www.onderwijsonderneemt.nl) om dit inzichtelijk te maken.

Bijlage 249379.png

Bijlage 5. Voortgangsverslag Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012 [Vervallen per 01-01-2016]

– website: www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl – telefoon: 088-602 53 13 (op werkdagen van 09:00–17:00 uur)
 
Onderstaande vragen geven de richtlijn voor een digitale tussenrapportage (na een jaar) die per email wordt verstuurd aan de projectleider. De gegevens in de tussenrapportage worden gebruikt voor een beslissing voor de voortzetting van de subsidie. Tevens worden de gegevens gebruikt voor een monitoringsrapportage Onderwijs Netwerken Ondernemen tranche 2011.

Uitgangspunt bij het voortgangsverslag is dat u ons inzicht geeft in de voortgang van het project en de tussenresultaten op basis van het oorspronkelijke activiteitenplan.

Het voortgangsverslag dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd.

In het voortgangsverslag komen de volgende vragen aan de orde:

  • 1. Algemene indruk

    • In welke mate is het doel van het project (al) bereikt?

    • Hoe verloopt de samenwerking tussen de deelnemers (inzet, commitment, communicatie) binnen het netwerk?

    • Geef een beschrijving van verwachte en/of onverwachte successen;

    • Welke knelpunten zijn er geweest en hoe zijn die opgelost?

  • 2. Ten aanzien van doelstelling A:

    Het voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot leren ondernemen in het onderwijs en de uitvoering daarvan:
    • Welke activiteiten zijn hiervoor uitgevoerd? Geef per activiteit een korte toelichting en geef aan hoe deze activiteiten zorgen voor de verankering van leren ondernemen bij de betrokken onderwijsinstellingen.

    • Geef per activiteit aan:

      • het resultaat na 1 jaar en is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

      • hoeveel leerlingen, docenten en managers en overige partijen per onderwijsinstelling is betrokken?

      • Zijn er grote wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning? Indien van toepassing, benoem de wijzigingen met daarbij de consequenties op activiteiten, financiën, planning, resultaten, samenwerking.

  • 3. Ten aanzien van doelstelling B:

    Het verder verdiepen en versterken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken:
    • Welke activiteiten zijn hiervoor uitgevoerd? Geef per activiteit een korte toelichting en geef aan hoe deze activiteiten zorgen voor de verankering van leren ondernemen.

    • Geef per activiteit aan:

      • het resultaat na 1 jaar en is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

      • hoeveel leerlingen, docenten en managers en overige partijen per onderwijsinstelling is betrokken?

      • Zijn er grote wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning? Indien van toepassing, benoem de wijzigingen met daarbij de consequenties op activiteiten, financiën, planning, resultaten, samenwerking.

  • 4. Communicatieactiviteiten

    • Welke communicatieactiviteiten zijn uitgevoerd? Geef per activiteit een korte toelichting;

    • Kunt u al aangeven welke activiteiten worden voortgezet na de gesubsidieerde projectperiode?

    • Is het beoogde resultaat na 1 jaar (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

  • 5. Financiën

    • Is de uitputting van het budget in lijn met de voortgang; zijn er financiële bijzonderheden te vermelden?

  • 6. Vragen of opmerkingen aan adviseurs van Agentschap NL.

Bijlage 6. Vaststellingsaanvraag Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012 [Vervallen per 01-01-2016]

– website: www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl – telefoon: 088-602 53 13 (op werkdagen van 09:00–17:00 uur)
 
Onderstaande vragen geven de richtlijn voor een digitale eindrapportage die per email wordt verstuurd aan de projectleider. De gegevens in de eindrapportage worden gebruikt voor een beslissing voor de voortzetting van de subsidie. Tevens worden de gegevens gebruikt voor een monitoringsrapportage Onderwijs Netwerken Ondernemen tranche 2011.

Uitgangspunt bij de eindrapportage is dat u ons inzicht geeft in de uiteindelijke resultaten en outcome die door het project zijn behaald. De eindrapportage dient zo veel mogelijk kwalitatief en kwantitatief te worden onderbouwd.

In de eindrapportage komen minimaal de volgende vragen aan de orde:

  • 1. Algemene indruk

    • Hoe kijkt u terug op de samenwerking van de deelnemers (inzet, commitment, communicatie) binnen het netwerk?

    • Geef een beschrijving van de successen die zijn behaald; wat is de outcome van het project?

    • Welke knelpunten zijn er geweest en hoe zijn die opgelost?

    • Wat zijn de lessons learned; zou u als projectleider (achteraf gezien) zaken anders hebben aangepakt; heeft u tips voor anderen?

  • 2. Ten aanzien van doelstelling A:

    Het voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot leren ondernemen in het onderwijs en de uitvoering daarvan:
    • Welke activiteiten zijn hiervoor uitgevoerd? Geef per activiteit een korte toelichting en geef aan hoe deze activiteiten zorgen voor de verankering van leren ondernemen bij de betrokken onderwijsinstellingen in beleid, lesprogramma, organisatie etc.

    • Welke resultaten zijn er geboekt en wat is de outcome van het project? Geef per resultaat een korte toelichting en beschrijf op welke wijze het project heeft bijgedragen aan het bereiken van bovenstaande doelstelling.

    • Hoeveel leerlingen, docenten en managers en overige partijen per onderwijsinstelling zijn uiteindelijk betrokken bij het project?

    • Hebben zich, na de tussenrapportage, nog wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning voorgedaan? Indien van toepassing, benoem daarbij de consequenties op activiteiten, financiën, planning, resultaten, samenwerking;

    • Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

    • Is het ondernemend gedrag van leerlingen, docenten en management door het project toegenomen? Waar blijkt dit uit?

    • Worden de projectactiviteiten na afloop van de subsidieperiode voortgezet en hoe wordt dat gedaan?

    • Hoe is het project of zijn de activiteiten overdraagbaar gemaakt? Geef ook aan naar welke doelgroep (basisschool, voortgezet onderwijs, MBO, Hoger Onderwijs, ondernemers, overige partijen zoals ...) en licht dat toe.

  • 3. Ten aanzien van doelstelling B:

    Het verder verdiepen en versterken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken:
    • Welke activiteiten zijn hiervoor uitgevoerd? Geef per activiteit een korte toelichting en geef aan hoe deze activiteiten zorgen voor de verankering van leren ondernemen in beleid, lesprogramma, organisatie etc.

    • Welke resultaten zijn er geboekt en wat is de outcome van het project? Geef per resultaat een korte toelichting en beschrijf op welke wijze het project heeft bijgedragen aan het bereiken van bovenstaande doelstelling.

    • Hoeveel leerlingen, docenten en managers en overige partijen per onderwijsinstelling zijn uiteindelijk betrokken bij het project?

    • Hebben zich, na het voortgangsverslag, nog wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke activiteitenplan/planning voorgedaan? Indien van toepassing, benoem de wijzigingen met daarbij de consequenties op activiteiten, financiën, planning, resultaten, samenwerking;

    • Is het beoogde eindresultaat (beschreven in oorspronkelijk activiteitenplan) gehaald?

    • Is het ondernemend gedrag van leerlingen, docenten en management door het project toegenomen? Waar blijkt dit uit?

    • Worden de projectactiviteiten na afloop van de subsidieperiode voortgezet en hoe wordt dat gedaan?

    • Is het project in zijn geheel of zijn activiteiten overdraagbaar? Zo ja geef aan naar welke doelgroep (basisschool, voortgezet onderwijs, MBO, Hoger Onderwijs, ondernemers, overige partijen zoals …) en licht toe. Zo, nee licht toe.

  • 4. Communicatieactiviteiten

    • Welke communicatieactiviteiten zijn uitgevoerd? Geef per activiteit de impact daarvan;

  • 5. Financieel

    • Is het project binnen de projectbegroting gerealiseerd?

    • Ja/Nee geef daarop een toelichting

    • Welke partijen hebben uiteindelijk de co-financiering ingebracht?

  • 6. Vragen of opmerkingen aan de adviseurs van Agentschap NL.

  • ^ [1]

    De aanvrager moet een onderwijsinstelling po, vo, mbo, lerarenopleiding voor het primair of voortgezet onderwijs of een kenniscentrum zijn. Zie ook artikel 1.

  • ^ [2]

    Vul hier de contactgegevens van de aanvrager in.

  • ^ [3]

    Vul naam en sector / categorie van alle deelnemers in.Daarnaast wordt van de onderwijsinstellingen ook de naam van het bevoegd gezag en het brinnummer gevraagd.

  • ^ [4]

    De samenwerkingsovereenkomst dient door alle partijen die bij hoofdstuk 2 van het aanvraagformulier genoemd zijn, en die in de begroting (hoofdstuk 5) van het project zijn opgenomen, ondertekend te worden door een tekenbevoegd persoon.

    Let u erop dat de nummering van de deelnemers moet overeenstemmen met die bij hoofdstuk 2.

  • ^ [5]

    Uw aanvraag is pas compleet en kan in behandeling worden genomen als alle voor uw aanvraag van toepassing zijnde bijlagen bijgevoegd zijn. Op www.agentschapnl.nl vindt u een compleet overzicht van en uitgebreide toelichting bij de benodigde bijlagen.