Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten[Regeling vervallen per 01-01-2016.]

Geldend van 20-07-2011 t/m 31-12-2015

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 maart 2009, nr. TRCJZ/2009/620, houdende vaststelling van beleidsregels over de kwaliteit van de opvang van beschermde inheemse diersoorten (beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 75, derde en vijfde lid, en 79, eerste lid, van de Flora- en faunawet en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2016]

Deze beleidsregels gelden voor de verlening van ontheffing van de artikelen 9, 13, eerste lid, en in voorkomend geval van artikel 15, tweede lid, van de Flora- en faunawet aan opvangcentra die uit de natuur afkomstige, niet-gedomesticeerde beschermde inheemse diersoorten opvangen of gaan opvangen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2016]

Een ontheffing als bedoeld in artikel 1 wordt slechts verleend indien:

  • a. het opvangcentrum, bedoeld in artikel 1, een vereniging of stichting is en voldoet aan alle wettelijke bepalingen die verbonden zijn aan de gekozen rechtsvorm;

  • b. in de statuten van de stichting of de vereniging de doelstelling van het opvangcentrum, bedoeld in artikel 1, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van de bijlage bij dit besluit;

  • c. het opvangcentrum, bedoeld in artikel 1, beschikt over een vakbekwaam dierverzorger;

  • d. het opvangcentrum, bedoeld in artikel 1, voldoet aan de voorwaarden van het kwaliteitsprotocol, opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2016]

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit opvang beschermde inheemse diersoorten.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2016]

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 maart 2009

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Bijlage [Vervallen per 01-01-2016]

Kwaliteitsprotocol opvang beschermde inheemse diersoorten [Vervallen per 01-01-2016]

Paragraaf 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 1. Definities [Vervallen per 01-01-2016]

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • beschermde inheemse dieren: beschermde inheemse dieren, bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet;

  • bestuur: bestuur van de vereniging of stichting van het opvangcentrum;

  • opvangcentrum: iedere instelling die beschermde inheemse dieren opvangt;

  • soort: ondersoort, geografisch onderscheiden populatie van een soort of kruisingen;

  • soortgroep: een verzameling verwante diersoorten.

Artikel 2. Doelstellingen [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum heeft als doel beschermde inheemse dieren die door ziekte, verwonding of verwezing, door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren.

  • 2. De opvang is gericht op een zo spoedig mogelijke terugkeer van de dieren naar de natuur. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat dieren onnodige stress ervaren of letsel oplopen.

  • 3. De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen na terugkeer naar de natuur.

  • 4. Het opvangcentrum geeft waar mogelijk voorlichting over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbrengen, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden.

Artikel 3. Beperking activiteiten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Met de beschermde inheemse dieren vinden in het opvangcentrum geen bedrijfsmatige activiteiten plaats.

  • 3. Indien in het opvangcentrum andere dieren dan beschermde inheemse dieren, aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de faciliteiten van het opvangcentrum.

Artikel 4. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het bestuur van het opvangcentrum legt schriftelijk zijn werkwijze vast voor de volgende onderwerpen:

    • a. opvangbeleid, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie;

    • b. huisvesting en verzorging;

    • c. voeding;

    • d. hygiëne;

    • e. zoönosen;

    • f. veterinaire zorg;

    • g. het in vrijheid stellen van opgevangen dieren;

    • h. doden van opgevangen dieren;

    • i. medewerkers;

    • j. veiligheid van medewerkers, dieren en openbare veiligheid;

    • k. organisatorische continuïteit;

    • l. bezoekers.

  • 2. Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde werkwijze, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5. Bereikbaarheid [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid.

  • 2. Het opvangcentrum zorgt er tenminste voor dat:

    • a. het opvangcentrum permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en andere bevoegde opsporingsinstanties.

    • b. het publiek permanent telefonisch informatie kan verkrijgen, inclusief hoe te handelen buiten openingstijden van het opvangcentrum.

Artikel 6. Samenwerkingsovereenkomst andere opvangcentra [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra en werkt daarmee samen in het kader van het bepaalde in artikel 7, derde lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 9, tweede lid.

  • 2. Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen.

  • 3. Het opvangcentrum streeft naar constructieve samenwerking met andere opvangcentra ten einde kennis en kunde te vergroten en betere resultaten met de beschermde inheemse dieren te bereiken.

Paragraaf 2. Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 7. Opvangbeleid [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Als onderdeel van de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort of welke diersoorten of welke soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen.

  • 2. Het opvangcentrum is uitgerust voor een of meer van de volgende soortgroepen:

    • a. vogels;

    • b. zeezoogdieren;

    • c. marterachtigen en vossen;

    • d. hoefdieren en wilde zwijnen;

    • e. herpetofauna;

    • f. overige zoogdieren.

  • 3. Voor de soorten of soortgroepen die buiten het in het eerste lid genoemde beleid vallen verwijst het opvangcentrum naar andere opvangcentra die wel over de juiste ontheffing van de Flora- en faunawet beschikken.

Artikel 8. Specialisatie [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Een opvangcentrum kan zich binnen de in artikel 7, tweede lid, genoemde soortgroepen verder specialiseren in een of meer soorten uit de groep of groepen.

  • 2. Voor de soorten binnen de soortgroep waarvoor het opvangcentrum niet is toegerust, zorgt het opvangcentrum ervoor dat:

    • a. er een samenwerkingsovereenkomst is met een of meer andere opvangcentra met een ontheffing en uitrusting voor dezelfde soortgroep, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, zodanig dat gezamenlijk opvang geboden kan worden aan alle soorten binnen deze soortgroep;

    • b. binnen het samenwerkingsverband instructies met betrekking tot huisvesting en verzorging uitgewisseld worden tussen de samenwerkingspartners;

    • c. de opvangcentra binnen het samenwerkingsverband ervoor zorgen dat op te vangen dieren zo spoedig mogelijk naar het opvangcentrum met de juiste faciliteiten wordt gebracht;

    • d. in de samenwerkingsovereenkomst in ieder geval bepaald is hoe, en binnen welke termijn op te vangen dieren naar het juiste opvangcentrum worden gebracht;

    • e. de samenwerkingsovereenkomst een integraal onderdeel vormt van de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.

  • 3. Het opvangcentrum heeft een verblijf voor tijdelijke huisvesting, dat geschikt is voor kortstondige opvang van de overige soorten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

Artikel 9. Opname en acceptatie [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Een ter opvang aangeboden dier kan worden geweigerd, indien:

    • a. het opvangcentrum het dier gedurende de maximale opvangduur, bedoeld in artikel 25, derde lid, niet de normale benodigde zorg, kan bieden;

    • b. het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft;

    • c. het dier een risico geeft voor de aanwezige dieren;

    • d. het dier een risico geeft voor de medewerkers in het opvangcentrum.

  • 2. Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier direct in vrijheid kan worden gesteld. Indien dit niet mogelijk is, wordt onderzocht of het dier kan worden geplaatst in een in de betreffende soort gespecialiseerd opvangcentrum voorzien van een ontheffing van de Flora- en faunawet.

  • 3. Indien geen van deze mogelijkheden haalbaar is, wordt het dier gedood, overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 5.

  • 4. In de administratie, bedoeld in artikel 32, wordt opgenomen of het dier is teruggeplaatst in de natuur, geplaatst is in een ander opvangcentrum, dan wel is gedood.

Paragraaf 3. Huisvesting en verzorging [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 10. Opvanglocatie [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum beschikt over één of meer opvanglocaties die eigendom zijn van de organisatie zelf of krachtens een schriftelijke gebruiksovereenkomst ter beschikking van de organisatie staat of staan.

  • 2. Elke opvanglocatie voldoet aan de artikelen 11 tot en met 22, 32 en 33.

Artikel 11. Verblijven [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum houdt de beschermde inheemse dieren in haar opvanglocatie of opvanglocaties in voor de soort geschikte verblijven.

  • 2. De verblijven zijn onderhouden en zodanig dat het dier in het verblijf geen letsel kan oplopen.

  • 3. De werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bevat een op soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    • a. het soorteigen gedrag van de diersoorten;

    • b. de bewegingsvrijheid van de dieren;

    • c. de (sociale) levenswijze van de dieren in het wild, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier;

    • d. de behoeften van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel.

Artikel 12. Aanwezige ruimten [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum beschikt op elke opvanglocatie tenminste over de volgende ruimten:

    • a. verblijven als bedoeld in artikel 11;

    • b. een behandelkamer waar alle dieren veterinair onderzocht kunnen worden;

    • c. een afzonderingsruimte waar zieke en besmettelijke, en nieuw opgevangen dieren separaat van de al aanwezige dieren kunnen worden gehuisvest en verzorgd.

  • 2. De in het eerste lid, onderdelen b en c, genoemde ruimtes mogen gecombineerd worden, indien:

    • a. dit het herstel van de beschermde inheemse dieren niet vertraagt of belemmert;

    • b. voorzieningen zijn getroffen die de kans op verspreiding van smetstoffen binnen en buiten de gecombineerde ruimten voldoende beperken.

  • 3. Onderling contact tussen dieren in verschillende verblijven in de afzonderingsruimte evenals contact met uitscheidingen van dieren, zoals urine, speeksel en uitwerpselen, in een ander verblijf wordt uitgesloten.

Artikel 13. Huisvesting van roof-prooi dieren [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Een opvangcentrum dat soorten opvangt, die onder natuurlijke omstandigheden een roofdier-prooidier relatie hebben, treft maatregelen om te voorkomen dat opgevangen dieren van deze soorten elkaar kunnen waarnemen.

  • 2. Alleen voor roofdier-prooidier relaties tussen vogels geldt voor het bepaalde in het eerste lid dat het uitsluiten van visueel contact voldoende is.

Artikel 14. Voeding [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. De werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, bevat een op soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met:

    • a. de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoort en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingsstoffen;

    • b. afstemming van de wijze en frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoort;

    • c. afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort;

    • d. indien dit voor het herstel van de betreffende diersoort noodzakelijk is, het gebruik van levend voer.

  • 2. Opgevangen dieren worden nooit als voer voor andere dieren gebruikt.

  • 3. De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen.

Artikel 15. Diergeneesmiddelen [Vervallen per 01-01-2016]

Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid.

Artikel 16. Hygiëne [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. De werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren.

  • 2. In de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, komt in ieder geval het volgende aan de orde:

    • a. hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt;

    • b. hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten;

    • c. hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier;

    • d. hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte;

    • e. hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden.

Artikel 17. Zoönosen [Vervallen per 01-01-2016]

In de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij dieren in het opvangcentrum. Hierbij dient tenminste opgenomen te zijn een beschrijving van de zoönosen, hoe deze herkend kunnen worden en welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt. Tevens wordt beschreven welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen de zoönose(n) en hoe een besmetting kan worden vastgesteld of uitgesloten.

Artikel 18. Voorkomen voortplanting [Vervallen per 01-01-2016]

Het opvangcentrum neemt maatregelen om voortplanting te voorkomen, bijvoorbeeld door het inbrengen van hormonale contraceptieve implantaten, bij dieren die vanwege hun natuurlijk gedrag in gemengde groepen worden gehuisvest.

Artikel 19. Veterinaire zorg [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. In de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen:

    • a. op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd;

    • b. hoe het onderzoek van binnengebrachte dieren plaatsvindt.

  • 2. Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één dierenarts te laten berusten.

Artikel 20. Beoordeling binnengebracht dier [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Bij ieder binnengebracht dier wordt beoordeeld of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is. Van deze beoordeling wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in de administratie en het logboek, bedoeld in artikelen 32 en 33.

  • 2. Dit verslag bevat ook een inschatting van de mate waarin het verantwoord zal zijn het dier, al dan niet na opvang en herstel, weer terug te plaatsen in de vrije natuur.

Artikel 21. Controle [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. De gezondheid en algehele conditie van alle dieren wordt dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum. De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 33 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 32.

  • 2. Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie als bedoeld in het eerste lid afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder. Indien een behandeling noodzakelijk is, schakelt de persoon, bedoeld in artikel 29, eerste lid, een dierenarts in.

Artikel 22. Verdenking aangifteplichtige dierziekten [Vervallen per 01-01-2016]

Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte. Deze signalen worden gemeld bij de aangewezen overheidsinstantie conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Paragraaf 4. In vrijheid stellen [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 23. In vrijheid stellen [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Indien mogelijk wordt het dier op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten.

  • 2. Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt.

  • 3. Een dier wordt na opvang in vrijheid gesteld op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, nabij de vindplaats in een geschikt natuurlijke habitat.

  • 4. In de werkwijze bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel g, komen tenminste de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a. criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden;

    • b. criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld;

    • c. criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier wordt in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag.

  • 5. De beheerder is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren.

Artikel 24. Uitwenverblijf [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanglocatie of locaties liggen.

  • 2. Het opvangcentrum zorgt ervoor dat:

    • a. het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier en voldoet aan de bepalingen van artikel 11;

    • b. alleen dieren waarvoor de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water in uitwenverblijven worden geplaatst;

    • c. de verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum;

    • d. de periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang als bedoeld in artikel 25, derde lid;

    • e. de criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, onderdeel uitmaken van de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel g;

    • f. in de administratie, bedoeld in artikel 32, wordt bijgehouden welke dieren in een uitwenverblijf gehuisvest zijn.

Artikel 25. Duur verblijf per soort [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan haar zorgen toevertrouwde dieren met in achtneming van de voor elke specialisatie apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien voldaan wordt aan artikel 26, vierde lid.

  • 3. De in het eerste lid genoemde maximale duur is voor:

    • a. vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden;

    • b. marterachtigen en vossen: negen maanden;

    • c. zeezoogdieren, hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden.

  • 4. Voor dieren die langer dan deze maximale duur in het opvangcentrum verblijven, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan inclusief een verwachte datum van loslaten opgenomen in de administratie, bedoeld in artikel 33.

Paragraaf 5. Doden [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 26. Doden [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Een dier dat niet, niet tijdig als bedoeld in artikel 25, of niet op verantwoorde wijze in vrijheid gesteld kan worden in de natuur, wordt gedood.

  • 2. Het doden geschiedt in ieder geval, indien:

    • a. een dier om welke reden dan ook niet in staat is zichzelf in leven te houden in de vrije natuur;

    • b. er geen veilige omgeving is voor het dier waar het kan worden losgelaten;

    • c. het dier een gevaar oplevert voor de bestaande populatie;

    • d. wanneer het risico bestaat dat dit dier, als gevolg van zijn opvang, behandeling of het daarmee gepaard gaande contact met mensen, na zijn vrijlating een gevaar vormt voor zichzelf, voor soortgenoten, voor andere dieren dan prooidieren, of voor mensen.

  • 3. Het dier wordt door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood.

  • 4. Alleen zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt, en zolang dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van herstel van soortgenoten, die anders geen redelijke kans op een succesvolle herstel hebben, kan het doden zoals bedoeld in het eerste lid worden uitgesteld.

  • 5. De beheerder en de dierenarts stellen een werkwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, voor het doden van opgevangen dieren.

  • 6. Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op de door het bestuur vastgestelde werkwijze en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 29, eerste lid, genomen.

  • 7. Het eerste lid is niet van toepassing, indien er sprake is van een dier waarvan de instandhouding in gevaar is en een dierentuin bereid is het dier op te vangen, zonder vergoeding of tegenprestatie.

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Een dier waarvan de doodsoorzaak onbekend is, en waarvan de bepaling van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of andere onnatuurlijke doodsoorzaken, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van politie, de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of andere bevoegde opsporingsinstanties.

  • 2. Een in het opvangcentrum gestorven of gedood dier wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan:

    • a. een door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan te wijzen wetenschappelijk instituut;

    • b. een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende ontheffing beschikt.

Paragraaf 6. Medewerkers [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 28. Beheerder [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een natuurlijk persoon of meerdere natuurlijke personen, tot beheerder of beheerders van het opvangcentrum, die is of zijn belast met de dagelijkse leiding daarvan.

  • 2. De taken en bevoegdheden van de beheerder of beheerders worden vastgesteld in de werkwijze betreffende het personeel bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i.

Artikel 29. Medewerkers [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige vakbekwame dierverzorger, die voldoende kennis, ervaring en vaardigheden heeft.

  • 2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens beheerder, bedoeld in artikel 28 zijn.

  • 3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, heeft voldoende kennis, ervaring en vaardigheden als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen.

  • 4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, heeft in ieder geval voldoende kennis, ervaring en vaardigheden als hij aantoonbaar met succes een opleiding in de richting van dierverzorging of diergeneeskunde heeft afgerond op niveau 2, MBO, of hoger.

  • 5. In de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, wordt ingegaan:

    • a. op het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren, de vereiste intensiteit, en de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers, overleg tussen medewerkers;

    • b. de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers.

Artikel 30. Operationele continuïteit [Vervallen per 01-01-2016]

In de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel k, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren tenminste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn.

Paragraaf 7. Bezoekers [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 31. Bezoekers [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel en het in vrijheid stellen van de opgevangen dieren in de vrije natuur niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2, derde lid.

  • 2. De werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel l, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij tenminste wordt ingegaan op de volgende punten:

    • a. de ruimte waar bezoekers niet mogen komen;

    • b. fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren;

    • c. de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten zicht van de bezoekers;

    • d. de veiligheid van bezoekers.

Paragraaf 8. Administratie en logboek [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 32. Administratie [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Ieder opvangcentrum heeft een administratie van opgenomen dieren. Nieuw opgenomen dieren worden terstond in de administratie vermeld.

  • 2. In de administratie is opgenomen hoeveel dieren zijn gehuisvest, gerubriceerd naar diersoort.

  • 3. Indien dieren als 1 groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangebracht worden, mogen deze als groep, onder vermelding van het aantal, worden opgenomen.

  • 4. In de administratie worden bij ieder nieuw opgenomen dier de volgende gegevens opgenomen:

    • a. diersoort;

    • b. (geschat) geslacht;

    • c. (geschatte) leeftijd;

    • d. indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder;

    • e. datum van binnenkomst;

    • f. reden van aanbieden;

    • g. eerste beoordeling als bedoeld in artikel 20;

    • h. veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen;

    • i. de verwachte behandelingsduur;

    • j. indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding;

    • k. de definitieve bestemming van het dier, bedoeld in artikel 9, vierde lid.

  • 5. In de veterinaire verslaglegging, zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel h, worden de volgende gegevens genoteerd:

    • a. behandelend dierenarts;

    • b. gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose;

    • c. verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering;

    • d. datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden;

    • e. eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek.

  • 6. De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in de werkwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

  • 7. De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien.

Artikel 33. Logboek [Vervallen per 01-01-2016]

  • 1. Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd.

  • 2. Het logboek beschreven in het eerste lid kan eventueel als aanvulling worden opgenomen in de administratie als beschreven in artikel 32.

Paragraaf 9. Slotbepaling [Vervallen per 01-01-2016]

Artikel 34. Afwijkingsmogelijkheid [Vervallen per 01-01-2016]

Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het opvangcentrum zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt hij onverwijld Dienst Regelingen daarvan op de hoogte.