Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009

Geldend op 21-09-2009

[Regeling vervalt per 31-12-2012]


  • Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2008, nr. WJZ/82097 (8235), betreffende de bevoegdheid tot het aanwijzen van onroerende monumenten als beschermd monument, bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988 (Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009)
  • De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

    Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 van de Monumentenwet 1988;

    De Raad voor cultuur gehoord (advies van 3 december 2008);

    Besluit:

  • Paragraaf 1. Algemene bepalingen

  • Artikel 1. Definities

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • Artikel 2. Reikwijdte

    Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister gebruik maakt van de bevoegdheid tot het aanwijzen van onroerende monumenten als beschermd monument, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet.

  • Artikel 3. Aanwijzingsprogramma

    Met het oog op de aanwijzing van monumenten of archeologische monumenten als beschermd monument kan de minister, de Raad voor cultuur gehoord, een aanwijzingsprogramma vaststellen.

  • Paragraaf 2. Gebouwde monumenten

  • Artikel 4. Aanwijzing van monumenten vervaardigd voor 1940

    • 1.De minister kan ambtshalve een monument dat is vervaardigd voor 1940 aanwijzen als beschermd monument, indien:

      • a. het monument is opgenomen in een aanwijzingsprogramma, of

      • b. het monument

        • 1. vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend monument van de Nederlandse architectuur, stedenbouw, landinrichting, bouwtechniek of ruimtegebonden kunst, en

        • 2. vanwege zijn hoge zeldzaamheid een onmiskenbare aanvulling vormt op de beschermde monumenten.

    • 2.Aanwijzingsprogramma’s als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn in elk geval:

      • a. het aanwijzingsprogramma voor monumenten in herstructureringswijken, en

      • b. het aanwijzingsprogramma voor monumenten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • Artikel 5. Aanwijzing van monumenten vervaardigd vanaf 1940

    • 1.De minister kan ambtshalve een monument dat is vervaardigd vanaf 1940 aanwijzen als beschermd monument, indien het monument is opgenomen in een aanwijzingsprogramma.

    • 2.De minister kan ambtshalve en op aanvraag een monument dat is vervaardigd vanaf 1940 aanwijzen als beschermd monument, indien het monument:

      • a. vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend kenmerkend monument van de Nederlandse architectuur, stedenbouw, landinrichting, bouwtechniek of ruimtegebonden kunst, en

      • b. vergelijkbare monumentale waarde heeft als de monumenten die behoren tot de ongeveer 100 meest waardevolle monumenten die zijn gebouwd in de periode van 1940 tot en met 1958, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007.

    • 3.Aanwijzingsprogramma’s als bedoeld in het eerste lid, zijn in elk geval:

  • Artikel 6. Criteria bij het opstellen van aanwijzingsprogramma’s

    • 1.Bij het opstellen van het aanwijzingsprogramma, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, past de minister de volgende criteria toe:

      • a. het desbetreffende monument is gelegen in een wijk die voorkomt op de definitieve selectielijst van 40 wijken, vastgesteld door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

      • b. het desbetreffende monument vormt vanwege zijn cultuurhistorische waarde en sociaal-culturele betekenis een evidente drager van de identiteit van die wijk,

      • c. het desbetreffende monument is een kenmerkend onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp van die wijk, en

      • d. het behoud van het desbetreffende monument draagt als zodanig bij aan de duurzame herontwikkeling van die wijk als geheel.

    • 2.Bij het opstellen van het aanwijzingsprogramma, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, past de minister de volgende criteria toe:

      • a. het desbetreffende monument maakt deel uit van het samenhangende verdedigingsstelsel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in ruimtelijke en historisch-functionele zin,

      • b. het desbetreffende monument is gebouwd voor een militair doel of is ingrijpend gewijzigd ten behoeve van dit doel, en

      • c. het desbetreffende monument is in voldoende mate herkenbaar en gaaf.

      • d. Inundatie- en schootsvelden worden niet opgenomen in het aanwijzingsprogramma, bedoeld in de eerste volzin.

    • 3.Bij het opstellen van het aanwijzingsprogramma, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, past de minister als criterium toe:

      • a. het desbetreffende monument is een evidente mijlpaal in de ontwikkeling van de architectuur, stedenbouw, landinrichting, bouwtechniek of ruimtegebonden kunst in Nederland, wat onder meer blijkt uit een vooraanstaande positie en duiding in de nationale en internationale vakliteratuur, of

      • b. het desbetreffende monument is een essentieel toonbeeld van de cultuurhistorische of sociaalhistorische ontwikkelingen van de wederopbouwperiode in Nederland.

  • Artikel 7. Criteria bij de aanwijzing van monumenten

    Bij de aanwijzing van een monument als beschermd monument houdt de minister rekening met de mate waarin het monument:

    • a. een positief behoudsperspectief heeft, zowel technisch als functioneel, en

    • b. een positieve invloed heeft op de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving.

  • Paragraaf 3. Archeologische monumenten

  • Artikel 8. Aanwijzing van archeologische monumenten

    De minister kan ambtshalve en op aanvraag een archeologisch monument aanwijzen als beschermd monument, indien:

    • a. het monument is opgenomen in een aanwijzingsprogramma, of

    • b. het monument

      • 1. vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend monument, en

      • 2. een wezenlijke lacune opvult in het geheel van de beschermde archeologische monumenten.

  • Artikel 9. Criteria bij het opstellen van een aanwijzingsprogramma

    Bij het opstellen van een aanwijzingsprogramma als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, past de minister de volgende criteria toe:

    • a. het desbetreffende monument kan vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend monument, en

    • b. het desbetreffende monument vult een wezenlijke lacune op in het geheel van de beschermde archeologische monumenten.

  • Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen

  • Artikel 10. Overgangsrecht

    • 1.De artikelen 4 tot en met 9 zijn niet van toepassing op een monument of een archeologisch monument ten aanzien waarvan voor 1 januari 2009:

      • a. een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, zoals dat artikellid op 31 december 2008 luidde, is ingediend,

      • b. de procedure als bedoeld in artikel 3 van de wet, zoals dat artikel op 31 december 2008 luidde, is aangevangen, of

      • c. door of namens de minister bij een belanghebbende dan wel bij een provincie of een gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat het voornemen bestaat het monument of het archeologisch monument op grond van artikel 3 van de wet, zoals dat artikel op 31 december 2008 luidde, aan te wijzen als beschermd monument.

  • Artikel 11. Geldigheidsduur beleidsregel

    Deze beleidsregel geldt vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012.

  • Artikel 12. Citeertitel

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009.

  • Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

    De

    Minister

    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

    R.H.A. Plasterk