Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Mediawet 2008

Geldend van 17-07-2009 t/m 10-12-2009

Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie, distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte

Artikel 1.1

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • aanbieder van een omroepnetwerk: natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit door middel van een omroepnetwerk ter beschikking stelt;

    • aanbieder van een omroepzender: natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit door middel van een omroepzender ter beschikking stelt;

    • aanbodkanaal: geordende geheel van media-aanbod dat onder een herkenbare naam via een elektronisch communicatienetwerk wordt aangeboden;

    • alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • commerciële mediadienst: mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 3;

    • commerciële media-instelling: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële mediadienst verzorgt en die voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt;

    • Commissariaat: Commissariaat voor de Media, genoemd in artikel 7.1;

    • dagbladmarkt: door het Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1, vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste zes keer per week verschijnen;

    • educatieve media-instelling: instelling als bedoeld in artikel 2.28, eerste lid;

    • erkenningperiode: periode als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid;

    • Europese richtlijn: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PbEG L 202);

    • evenement: georganiseerde voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op het terrein van sport of cultuur;

    • landelijke publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.2 media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst verzorgt;

    • lokale publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.3 is aangewezen voor de verzorging van een lokale publieke mediadienst;

    • media-aanbod: één of meer elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud die bestemd zijn voor afname door het algemene publiek of een deel daarvan;

    • mediadienst: dienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod door middel van openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, waarvoor de verzorger redactionele verantwoordelijkheid draagt;

    • NPS: Nederlandse Programma Stichting, genoemd in artikel 2.35;

    • omroepdienst: mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen van media-aanbod dat op basis van een schema dat is vastgesteld door de instelling die verantwoordelijk is voor het media-aanbod, al dan niet gecodeerd door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan;

    • omroepnet: transmissiecapaciteit op een omroepnetwerk of een omroepzender die noodzakelijk is om continu programma-aanbod te verspreiden;

    • omroepnetwerk: openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma’s te verspreiden;

    • omroepzender: radiozendapparaat als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel kk, van de Telecommunicatiewet dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor het verspreiden van programma’s;

    • Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    • open televisieprogrammakanaal: televisieprogrammakanaal dat ontvangen kan worden door ten minste vijfenzeventig procent van alle huishoudens in Nederland, waarvoor geen andere kosten verschuldigd zijn dan:

      • 1°. het tarief dat een aanbieder van een omroepnetwerk aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in rekening brengt voor de ontvangst van het programma-aanbod van een door de aanbieder met inachtneming van de artikelen 6.12 tot en met 6.14 vast te stellen aantal omroepnetten; of

      • 2°. de kosten van aankoop of gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma’s mogelijk maken;

    • politieke partij: politieke partij als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet subsidiëring politieke partijen;

    • programma: elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk afgebakend is en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel via een omroepdienst wordt verspreid;

    • programma-aanbod: geheel van media-aanbod dat wordt verspreid via een omroepdienst;

    • programmakanaal: geordende geheel van programma-aanbod dat onder een herkenbare naam wordt verspreid via een omroepzender of omroepnetwerk;

    • publieke mediadienst: mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 2;

    • publieke media-instelling: instelling die op grond van hoofdstuk 2 media-aanbod verzorgt;

    • publieke mediaopdracht: mediaopdracht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid;

    • raad van bestuur: raad van bestuur van de Stichting;

    • radio-omroep: omroepdienst die betrekking heeft op radioprogramma-aanbod;

    • radioprogramma: programma met uitsluitend geluidsinhoud;

    • reclameboodschap: uiting in welke vorm dan ook, niet zijnde een telewinkelboodschap, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen;

    • regionale publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.3 is aangewezen voor de verzorging van een regionale publieke mediadienst;

    • sluikreclame: het anders dan op grond van deze wet vermelden of tonen van namen, (beeld)merken, producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daarmee wordt beoogd of mede wordt beoogd reclame te maken, met dien verstande dat het oogmerk in elk geval aanwezig is als de vertoning of vermelding tegen betaling of soortgelijke vergoeding geschiedt;

    • sponsoring: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een overheidsbedrijf dat of particuliere onderneming die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod, teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken;

    • sportwedstrijd: wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd, georganiseerd door of onder auspiciën van de door het NOC*NSF erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare internationale, al dan niet overkoepelende sportorganisaties, dan wel een andere wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd van een sport die door het NOC*NSF als sport is aangemerkt;

    • Ster: Stichting Etherreclame, genoemd in artikel 2.99;

    • Stichting: Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 2.2;

    • teletekst: televisieprogramma dat uitsluitend bestaat uit stilstaande tekstbeelden die door de kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt verspreid via dezelfde transmissieruimte van een omroepzender of omroepnetwerk als die welke wordt gebruikt voor de verspreiding van andere televisieprogramma’s;

    • televisieomroep: omroepdienst die betrekking heeft op televisieprogramma-aanbod;

    • televisieprogramma: programma met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud;

    • telewinkelboodschap: uiting in een televisieprogramma die bestaat uit een rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op de levering tegen betaling van producten of diensten;

    • uitgever van een persorgaan: rechtspersoon die een persorgaan uitgeeft;

    • Wereldomroep: Stichting Radio Nederland Wereldomroep, genoemd in artikel 2.72.

  • 2 Onder reclameboodschap als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor zover dat geen betrekking heeft op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst die in de handel verkrijgbaar is.

Artikel 1.2

  • 1 Onder de bevoegdheid van Nederland vallen instellingen die een televisieprogramma verzorgen en krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid vallen.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een instelling die radioprogramma’s verzorgt, met dien verstande dat in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland valt een instelling die radioprogramma’s verzorgt die in Nederland door middel van een omroepzender, satelliet daaronder niet begrepen, worden verspreid.

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Titel 2.1. Publieke mediaopdracht

Artikel 2.1

  • 1 Er is een publieke mediaopdracht die bestaat uit:

    • a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van publieke mediadiensten door het aanbieden van media-aanbod op het terrein van informatie, cultuur, educatie en verstrooiing, via alle beschikbare aanbodkanalen; en

    • b. het verzorgen van publieke mediadiensten waarvan het media-aanbod bestemd is voor landen en gebieden buiten Nederland en voor Nederlanders die buiten de landsgrenzen verblijven.

  • 2 Publieke mediadiensten voldoen aan democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving door het aanbieden van media-aanbod dat:

    • a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;

    • b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;

    • c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen;

    • d. onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden;

    • e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen; en

    • f. voor iedereen toegankelijk is.

  • 3 Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken.

  • 4 In het kader van de uitvoering van de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren publieke media-instellingen technologische ontwikkelingen en benutten de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.

Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.2.1. Nederlandse Omroep Stichting

Paragraaf 2.2.1.1. Taken

Artikel 2.2

  • 1 De Nederlandse Omroep Stichting is het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel 2.1.

  • 2 Naast de andere taken die de Stichting heeft op grond van deze wet, is zij belast met:

    • a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • b. de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;

    • c. de verzorging van media-aanbod;

    • d. de vertegenwoordiging van de landelijke publieke media-instellingen in internationale organisaties op het gebied van media en de medewerking aan de oprichting van dergelijke organisaties;

    • e. het in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen meewerken aan Europees media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht;

    • f. het beschikbaar stellen van media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst aan het buitenland;

    • g. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen;

    • h. het in samenwerking met de Wereldomroep sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de landelijke publieke media-instellingen;

    • i. de bekostiging van de landelijke publieke media-instellingen, op basis van de door Onze Minister beschikbaar gestelde gelden;

    • j. het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording; en

    • k. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.

Artikel 2.3

  • 1 De Stichting kan in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel g, in naam van de gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met derden aangaan.

  • 2 De Stichting stelt in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel g, een gedragscode op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de landelijke publieke media-instellingen.

  • 3 De gedragscode omvat in elk geval:

    • a. aanbevelingen voor de bestuurlijke organisatie, waaronder bestuurlijk toezicht;

    • b. een beloningskader;

    • c. gedragsregels voor integer handelen van bestuurders en medewerkers;

    • d. gedragsregels voor publieke en transparante verantwoording en verslaglegging;

    • e. procedures voor de behandeling van meldingen en vermoedens over mogelijke misstanden; en

    • f. regels voor toezicht en naleving van de gedragscode.

  • 4 Het beloningskader, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, voor zover dat betrekking heeft op medewerkers die buiten de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst een beloning ontvangen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Voor zover Onze Minister goedkeuring daaraan onthoudt of als de NPO nalatig blijft bij het vaststellen van een beloningskader, bepaalt hij de inhoud van het beloningskader. De NPO stelt vervolgens het beloningskader vast overeenkomstig de inhoud, bedoeld in de vorige volzin.

Paragraaf 2.2.1.2. Organisatie

Artikel 2.4

De organen van de Stichting zijn een raad van toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.

Artikel 2.5

  • 1 De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de Stichting, de Programmastichting, de erkende omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.24, en de erkende educatieve media-instelling, bedoeld in artikel 2.28, personen voor benoeming aanbevelen.

  • 3 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.6

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met:

    • a. het lidmaatschap van het college van omroepen;

    • b. het lidmaatschap van de raad van bestuur;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • e. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

    • f. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en

    • g. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de Stichting een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.7

  • 1 De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken bij de Stichting en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau en staat de raad van bestuur met advies terzijde.

  • 2 De raad van toezicht is verder belast met:

    • a. het vaststellen van de jaarrekening van de Stichting; en

    • b. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van de raad van bestuur;

  • 3 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 2.8

  • 1 De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 2 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 3 Besluiten tot benoeming, schorsing of ontslag behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 2.9

  • 2 De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de Stichting. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.10

  • 1 De raad van bestuur bestuurt de Stichting.

  • 2 Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

    • a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de Stichting, waaronder de verzorging van haar media-aanbod;

    • b. de dagelijkse coördinatie en samenhangende ordening van het media-aanbod op en tussen de diverse aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;

    • c. het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de Stichting, waaronder in ieder geval een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;

    • d. het vaststellen van de profielen van de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst, inhoudende de uitgangspunten voor een herkenbaar media-aanbod op die kanalen;

    • e. het vaststellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20;

    • f. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in 2.22;

    • g. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 2.147; en

    • h. het vaststellen van het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.17.

  • 3 De raad van bestuur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.11

  • 1 De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:

    • a. de besluiten, bedoeld in het artikel 2.10, tweede lid, onderdelen e tot en met h;

    • b. het doen van investeringen die een in de statuten van de Stichting vastgesteld bedrag te boven gaan;

    • c. het door de Stichting aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de Stichting of de andere landelijke publieke media-instellingen;

    • d. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers; en

    • e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.

  • 2 De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de Stichting.

Artikel 2.12

  • 1 Het college van omroepen adviseert de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

  • 2 Het college is als volgt samengesteld:

    • a. de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning hebben verkregen en de Programmastichting benoemen elk één lid;

    • b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag, bedoeld in artikel 2.42, benoemen gezamenlijk één lid; en

    • c. de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid, is lid met raadgevende stem.

  • 3 De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen kunnen elk een waarnemer in het college aanwijzen.

Artikel 2.13

  • 1 Het lidmaatschap van het college van omroepen is onverenigbaar met het lidmaatschap van een redactie als bedoeld in artikel 2.56.

  • 2 Het college wijst uit zijn midden de voorzitter aan en regelt zijn eigen werkwijze.

Artikel 2.14

  • 2 Het uitblijven van de mening van het college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van een besluit door de raad van bestuur niet in de weg.

  • 3 Als uit de mening blijkt dat het college niet instemt met een voorgenomen overeenkomst of een voorgenomen besluit dan wel belangrijke onderdelen daarvan en de raad van bestuur wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, legt de raad van bestuur de voorgenomen overeenkomst of het vastgestelde besluit samen met de mening ter instemming voor aan de raad van toezicht.

Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, jaarverslag en statuten

Artikel 2.15

  • 1 De Stichting verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Stichting.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Stichting voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.16

  • 1 Als de Stichting naar de mening van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de Stichting de noodzakelijke voorzieningen treffen.

  • 2 Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 2.17

  • 1 De Stichting stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

  • 2 In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Stichting, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

  • 3 De Stichting zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.18

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de Stichting behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht en de raad van bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de Stichting.

Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst

Artikel 2.19

  • 1 Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk besluit aan de Stichting een concessie verleend.

  • 2 De concessie geldt voor tien jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 2.20

  • 1 Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de Stichting een concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

  • 2 Het concessiebeleidsplan bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt uitgevoerd, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst;

    • b. aard en aantal van de programmakanalen en de daarvoor gewenste frequentieruimte;

    • c. aard en aantal van de overige aanbodkanalen;

    • d. een onderbouwd overzicht van de naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en

    • e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep, regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan en het tijdstip van indiening.

  • 4 De raad van bestuur stelt het concessiebeleidsplan vast na overleg met in elk geval de landelijke publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken regionale en lokale publieke media-instellingen en de Wereldomroep.

Artikel 2.21

  • 1 De Stichting maakt het concessiebeleidsplan openbaar.

  • 2 Over het concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur.

  • 4 Als de Stichting wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.21a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 2.22

  • 1 Mede op basis van het concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de Stichting een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.

  • 2 De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

    • a. kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst;

    • b. maatregelen bij niet naleving, voor zover mogelijk binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet; en

    • c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandigheden.

  • 3 De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

Paragraaf 2.2.1.5. Media-aanbod

Artikel 2.23

  • 1 De Stichting verzorgt media-aanbod dat zich bij uitstek leent voor een gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod dat:

    • a. een hoge frequentie en vaste regelmaat van verspreiding vereist;

    • b. een algemeen dienstverlenend karakter draagt; of

    • c. met een doelmatiger inzet van middelen beter gezamenlijk tot stand kan worden gebracht.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de Stichting wordt verzorgd.

  • 3 De Stichting verzorgt teletekst voor de landelijke publieke mediadienst.

  • 4 Voor de verzorging van het media-aanbod stelt de raad van bestuur een mediadirecteur aan die in dienst is van de Stichting en die geen lid is van de raad van toezicht of de raad van bestuur.

Afdeling 2.2.2. Omroepverenigingen en een educatieve media-instelling

Artikel 2.24

  • 1 Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan omroepverenigingen erkenningen en voorlopige erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

  • 2 Omroepverenigingen zijn verenigingen die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;

    • c. zich volgens de statuten ten doel stellen in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;

    • d. hun leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geven op het beleid; en

    • e. een jaarlijkse contributie van ten minste € 5,72 heffen waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.

  • 3 Het in het tweede lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 2.25

Voor een erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die:

  • a. in de voorafgaande erkenningsperiode een erkenning of een voorlopige erkenning hadden;

  • b. ten minste 150 000 leden hebben; en

  • c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is.

De hoogte van het saldo, bedoeld in de eerste volzin, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2.26

Voor een voorlopige erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die:

  • a. in de voorafgaande erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning hadden;

  • b. ten minste 50 000 leden hebben;

  • c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is; en

  • d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheiden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.

Artikel 2.25, tweede volzin, is van toepassing.

Artikel 2.27

  • 1 Het Commissariaat stelt het aantal leden per omroepvereniging die een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door Onze Minister wordt bepaald.

  • 2 Als lid tellen mee personen die:

  • 3 Het Commissariaat bepaalt de wijze waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en omroepverenigingen verstrekken aan het Commissariaat alle gegevens die het daarvoor nodig acht.

Artikel 2.28

  • 1 Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan een instelling een erkenning verlenen voor de verzorging van educatief media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

  • 2 Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een instelling die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend ten doel stelt het verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming;

    • c. volgens de statuten een bestuur heeft waarin deskundigen uit de kring van representatieve landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en vorming zitting hebben; en

    • d. volgens de statuten een orgaan heeft dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor maatschappelijke en levensbeschouwelijk organisaties op het terrein van onderwijs, scholing en vorming.

  • 3 De statuten en wijzigingen daarvan behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 2.29

  • 1 Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid.

  • 2 Een erkenning of voorlopige erkenning is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode.

  • 3 Een erkenning of voorlopige erkenning geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 2.30

  • 1 Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een beleidsplan.

  • 2 Het beleidsplan bevat in elk geval:

    • a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst; en

    • b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de Stichting of de Programmastichting.

  • 3 Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag;

    • b. de inrichting van een aanvraag en het beleidsplan; en

    • c. de termijn en wijze waarop een besluit op een aanvraag wordt genomen.

Artikel 2.31

  • 1 Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de Stichting binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.

  • 2 Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg.

Artikel 2.32

  • 2 Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als:

    • a. de aanvrager niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;

    • b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of

    • c. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:

      • 1°. in het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de aanvrager tot uitdrukking komt;

      • 2°. het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen; of

      • 3°. de aanvrager bereid is tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst.

  • 3 Een aanvraag van een omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen en die aansluitend voor een erkenning in aanmerking wil komen, kan daarnaast worden afgewezen als tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, onderdeel d.

Artikel 2.33

  • 2 Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als het Commissariaat aan de instelling binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3 Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken, als bij de nieuwe evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat een omroepvereniging of de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b. Artikel 2.31 is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin.

  • 4 Onze Minister kan op verzoek van de raad van bestuur een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als:

    • a. de raad van bestuur aan de instelling binnen de erkenningperiode twee maal een sanctie als bedoeld in artikel 2.154 heeft opgelegd; of

    • b. de instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst.

Artikel 2.34

  • 1 De omroepverenigingen en de educatieve media-instelling zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

  • 2 Het media-aanbod van een omroepvereniging weerspiegelt de identiteit en missie van die vereniging zoals die in de statuten zijn omschreven.

  • 3 Het media-aanbod van de educatieve media-instelling is geheel educatief van aard.

Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting

Artikel 2.35

  • 1 De Nederlandse Programma Stichting heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NPS wordt verzorgd.

Artikel 2.35a

De organen van de NPS zijn een raad van toezicht, een algemeen directeur en een adviesraad.

Artikel 2.36

  • 1 De raad van toezicht van de NPS bestaat uit vijf of zeven leden die op voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

  • 2 De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 3 Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 4 De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NPS verzorgt, aanwezig zijn.

Artikel 2.37

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPS is onverenigbaar met:

    • a. de functie van algemeen directeur van de NPS;

    • b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een andere landelijke publieke media-instelling;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal;

    • e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en

    • f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de evaluatie bedoeld, in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

  • 5 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NPS een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.37a

  • 1 De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken binnen de NPS en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NPS en staat de algemeen directeur met advies terzijde.

  • 2 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NPS.

Artikel 2.37b

  • 1 De algemeen directeur van de NPS wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 3 De algemeen directeur is in dienst van de NPS. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.37c

  • 1 De algemeen directeur bestuurt de NPS.

  • 2 De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NPS.

  • 3 De algemeen directeur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.38

De statuten van de NPS regelen de instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over het media-aanbod van de NPS.

Artikel 2.39

  • 1 De NPS verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NPS.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPS voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.40

  • 1 De NPS stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar.

  • 2 In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NPS, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

  • 3 De NPS zendt het jaarverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.41

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de NPS behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht kan niet besluiten tot ontbinding van de NPS.

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Artikel 2.42

  • 1 Het Commissariaat kan eens in de vijf jaar kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag of rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken, aanwijzen voor het verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

  • 2 Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die representatief geacht kunnen worden voor een in Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming.

Artikel 2.43

  • 1 Een aanwijzing geschiedt op aanvraag, geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van die periode.

  • 2 Een aanwijzing geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 2.44

  • 1 Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag tonen in hun aanvragen hun representativiteit voor een hoofdstroming naar genoegen van het Commissariaat aan.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag;

    • b. de inhoud van een aanvraag; en

    • c. de termijn waarbinnen een besluit op een aanvraag wordt genomen.

Artikel 2.45

  • 1 Als meerdere aanvragers een aanvraag indienen voor een hoofdstroming bevordert het Commissariaat voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is samenwerking door of samengaan van die aanvragers.

  • 2 Per kerkelijke of geestelijke hoofdstroming vindt slechts één aanwijzing plaats.

Artikel 2.46

  • 1 Het Commissariaat wijst een aanvraag voor een aanwijzing af als de aanvrager:

  • 2 Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als:

    • a. de aanvrager niet voldoet aan de krachtens artikel 2.44, tweede lid, gestelde eisen; of

    • b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij is aangewezen, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 2.47

  • 1 Het Commissariaat trekt een aanwijzing in als een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag:

    • a. niet meer voldoet aan de eisen voor aanwijzing; of

    • b. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]

  • 2 Het Commissariaat kan een aanwijzing intrekken als het Commissariaat aan het kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3 Het Commissariaat kan op verzoek van de raad van bestuur een aanwijzing intrekken als de raad van bestuur aan een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag binnen de periode waarvoor de aanwijzing geldt twee maal een sanctie als bedoeld in artikel 2.154 is opgelegd.

Artikel 2.48

  • 1 Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de Stichting de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.

  • 2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen extra uren vaststellen en toewijzen. Deze extra uren geven geen aanspraak op een vergoeding boven de vergoeding, bedoeld in artikel 2.153.

Artikel 2.49

  • 1 Het Commissariaat stelt jaarlijks voor elk van de aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag vast hoeveel uren beschikbaar zijn op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst.

  • 2 Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit.

  • 3 Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag kunnen de verzorging van hun media-aanbod opdragen aan de Stichting, een omroepvereniging of een door hen opgerichte rechtspersoon.

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Artikel 2.50

  • 1 Gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 2.19, wordt op ten minste drie algemene televisieprogrammakanalen en vijf algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst programma-aanbod verzorgd.

  • 2 Het programma-aanbod op de onderscheiden algemene programmakanalen heeft een herkenbaar profiel.

Artikel 2.51

  • 1 Op de algemene programmakanalen:

    • a. beschikken omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij 300 000 of meer leden hebben per jaar over 650 uren voor televisie en 3000 uren voor radio;

    • b. beschikken omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij ten minste 150 000, doch minder dan 300 000 leden hebben per jaar over 325 uren voor televisie en 1500 uren voor radio;

    • c. beschikken omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen per jaar over 100 uren voor televisie en 450 uren voor radio;

    • d. beschikt de Stichting per jaar over 1300 uren voor televisie en 1500 uren voor radio;

    • e. beschikt de Programmastichting per jaar over 650 uren voor televisie en 3 000 uren voor radio; en

    • f. beschikt de educatieve media-instelling per jaar over 500 uren voor televisie en 475 uren voor radio.

  • 2 De instellingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen meer uren gebruiken.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan de verdeling van het eerste lid, onderdelen a tot en met c, worden herzien als het aantal omroepverenigingen daartoe aanleiding geeft.

Artikel 2.52

  • 2 In overleg met de raad van bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid als dat voor de samenstelling van een samenhangend, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst wenselijk is.

Artikel 2.53

  • 1 De raad van bestuur deelt de uren in.

  • 2 De raad van bestuur kan deze indeling herzien:

    • a. als een erkenning of een voorlopige erkenning wordt ingetrokken;

    • b. als de aan een instelling ter beschikking staande uren worden ingetrokken of verminderd;

    • c. in het belang van de coördinatie en ordening op en tussen de verschillende programmakanalen van de programma’s; of

    • d. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de indeling.

Artikel 2.54

  • 1 Bij de indeling zorgt de raad van bestuur er voor dat tussen 16.00 uur en 24.00 uur op de algemene televisieprogrammakanalen en tussen 7.00 uur en 19.00 uur op de algemene radioprogrammakanalen een evenwichtige verdeling van de uren wordt bereikt.

Artikel 2.55

  • 1 De raad van bestuur bevordert dat tussen de Stichting en de andere landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.

  • 2 De instellingen:

    • a. stellen het media-aanbod dat zij ter uitvoering van hun publieke taak verzorgen ter beschikking voor verspreiding op de aanbodkanalen; en

    • b. zorgen voor voldoende gebruiksrechten op dat media-aanbod voor verspreiding, hergebruik en ontsluiting op de aanbodkanalen.

Artikel 2.56

  • 1 Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen televisieprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld:

    • a. de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de Programmastichting en de Stichting van wie een door de raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, tussen 16.00 uur en 24.00 uur is ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen elk één lid; en

    • b. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van wie uren zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen gezamenlijk één lid.

  • 2 Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een radioprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie waarin de instellingen van wie uren op het desbetreffende programmakanaal zijn ingedeeld elk één lid benoemen.

  • 3 Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een toezichts- of bestuursorgaan van een landelijke publieke media-instelling.

Artikel 2.57

Een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, regelt in elk geval:

  • a. de wijze waarop de coördinatie en ordening van het media-aanbod op en tussen de verschillende aanbodkanalen plaatsvindt;

  • b. de wijze waarop de raad van bestuur zijn bevoegdheid om het beoogde moment van verspreiding van media-aanbod te wijzigen of media-aanbod niet te verspreiden, gebruikt; en

  • c. de wijze waarop de raad van bestuur het tot stand komen van afspraken als bedoeld in artikel 2.55, eerste lid, bevordert.

Artikel 2.58

De Stichting stuurt jaarlijks vóór 1 mei aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:

  • a. een beschrijving van de wijze waarop door de landelijke publieke media-instellingen op de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht;

  • b. de samenstelling van het media-aanbod van de publieke mediadienst op de programmakanalen en voor zover mogelijk op de overige aanbodkanalen, waaronder de uren die besteed zijn aan media-aanbod op de terreinen genoemd in artikel 2.1, eerste lid;

  • c. een rapportage over de realisering van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22;

  • d. de naleving van de artikelen 2.115 tot en met 2.123; en

  • e. de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.

Artikel 2.59

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de Stichting, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is.

  • 2 De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen.

Artikel 2.60

  • 1 Onverminderd artikel 2.88, eerste lid, zijn de regelingen, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, en de overige besluiten die de raad van bestuur of de door hem gemandateerden nemen in de uitoefening van hun taken, bindend voor de landelijke publieke media-instellingen, voor zover die regelingen en besluiten hen aangaan.

  • 2 De raad van bestuur ziet er op toe dat de regelingen en besluiten worden nageleefd.

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing

Artikel 2.61

  • 1 Voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2 Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking instellingen die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen het op regionaal respectievelijk lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in een provincie, een gemeente of een deel van de provincie waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen; en

    • c. volgens de statuten een orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor de belangrijkste in de desbetreffende provincie of gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen.

Artikel 2.62

  • 1 Aanwijzing geschiedt nadat Provinciale Staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet.

  • 2 Een regionale publieke media-instelling wordt alleen aangewezen als Provinciale Staten zich bereid verklaren voor de bekostiging ervan zorg te dragen.

Artikel 2.63

  • 1 Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het College van Burgemeester en Wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen.

  • 2 Er kan per gemeente slechts één lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

Artikel 2.64

  • 1 Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als Provinciale Staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.62, eerste lid, bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.

  • 2 Het Commissariaat stelt Provinciale Staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.65

  • 1 Een aanwijzing geschiedt op aanvraag, geldt voor vijf jaar en vervalt van rechtswege na afloop van deze periode.

  • 2 Zonodig wijst het Commissariaat de dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender.

  • 3 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

Artikel 2.66

  • 1 Provinciale Staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

  • 2 Als tijdens de aanwijzingsperiode bij het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen.

Artikel 2.67

  • 1 Het Commissariaat trekt een aanwijzing in als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling:

    • a. niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid; of

    • b. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]

  • 2 Het Commissariaat trekt de aanwijzing van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.

Artikel 2.68

  • 1 Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als:

    • a. de regionale of lokale publieke media-instelling in een periode van een jaar geen media-aanbod dat voldoet aan de eisen van deze wet heeft verzorgd en dat aanbod gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is verspreid; of

    • b. het Commissariaat aan de regionale of lokale publieke media-instelling binnen een periode van een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd voor overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2 Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij Gedeputeerde Staten, respectievelijk het College van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven.

  • 3 Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg.

Artikel 2.69

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de wijze waarop aanvragen voor een aanwijzing worden ingediend;

  • b. de termijn waarbinnen beslissingen op de aanvragen worden genomen;

  • c. de termijn waarop adviezen als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, worden uitgebracht; en

  • d. de termijn waarop beslissingen over aanwijzing of intrekking van een aanwijzing in werking treden.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Artikel 2.70

Het programma-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal:

  • a. voor ten minste vijftig procent van de duur uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard dat in het bijzonder betrekking heeft op de provincie respectievelijk gemeente waarvoor het aanbod bestemd is; en

  • b. voor ten minste uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage aanbod als bedoeld in onderdeel a dat door de regionale respectievelijk lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.

Artikel 2.71

  • 1 Een lokale publieke media-instelling kan met de regionale publieke media-instelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst sluiten.

  • 2 De overeenkomst wordt overgelegd aan het Commissariaat.

  • 3 Bij een samenwerkingsovereenkomst voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel 2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst:

    • a. voor ten minste vijftig procent van de duur bestaan uit aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod bestemd is, of op de provincie waarbinnen die gemeente ligt; en

    • b. voor ten minste het percentage, bedoeld in artikel 2.70, onderdeel b, bestaan uit aanbod dat:

      • 1°. geproduceerd is door de lokale publieke media-instelling zelf;

      • 2°. geproduceerd is door de regionale publieke media-instelling waarmee zij de samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten; of

      • 3°. uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen beiden, is geproduceerd.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:

    • a. dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod is bestemd; en

    • b. dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, door de lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Artikel 2.72

De taak van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep is het uitvoeren van de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, door:

  • a. het informeren van Nederlandstaligen in het buitenland;

  • b. het voorzien in onafhankelijke informatie in landen met een informatieachterstand;

  • c. het verspreiden van een realistisch beeld van Nederland in het buitenland; en

  • d. het verrichten van alle activiteiten die daarvoor nodig of ondersteunend zijn, waaronder het oprichten van of deelnemen in organisaties en rechtspersonen.

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Artikel 2.73

De organen van de Wereldomroep zijn een raad van toezicht, een directie en een adviesraad.

Artikel 2.74

  • 1 De raad van toezicht bestaat uit zeven leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.

  • 3 Benoeming geschiedt voor vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.75

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met:

    • a. het lidmaatschap van de adviesraad;

    • b. het lidmaatschap van de directie;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal;

    • e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en

    • f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de Wereldomroep een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.76

  • 1 De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen de Wereldomroep en staat de directie met advies terzijde.

  • 2 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de Wereldomroep.

Artikel 2.77

  • 1 De directie van de Wereldomroep bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 2 Besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 4 De directieleden zijn in dienst van de Wereldomroep. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.78

  • 1 De directie bestuurt de Wereldomroep.

  • 2 De directie is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de Wereldomroep.

  • 3 De directie is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.79

De werkwijze van de raad van toezicht en de directie wordt geregeld in de statuten en reglementen van de Wereldomroep.

Artikel 2.80

  • 1 De adviesraad van de Wereldomroep adviseert de raad van toezicht en de directie over de inhoud van het media-aanbod van de Wereldomroep.

  • 2 De leden van de adviesraad worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 3 De adviesraad regelt, met instemming van de raad van toezicht, zijn eigen werkwijze.

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Artikel 2.81

  • 1 De Wereldomroep is voor het gevoerde en te voeren beleid verantwoording verschuldigd aan Onze Minister.

  • 2 De Wereldomroep verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Wereldomroep.

  • 3 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Wereldomroep voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.82

  • 1 De Wereldomroep stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

  • 2 In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Wereldomroep, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

  • 3 De Wereldomroep zendt het jaarverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.83

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de Wereldomroep behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht en de directie kunnen niet besluiten tot ontbinding van de Wereldomroep.

Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en prestatieovereenkomst

Artikel 2.84

  • 1 De Wereldomroep dient elke vijf jaar een beleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

  • 2 Het beleidsplan bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop de Wereldomroep in de komende vijf jaar uitvoering geeft aan zijn taken, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de Wereldomroep;

    • b. aard en aantal van de te gebruiken aanbodkanalen;

    • c. een overzicht van de activiteiten in binnen- en buitenland;

    • d. een overzicht van de naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en

    • e. een beschrijving van de samenwerking met de landelijke, regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden over de inrichting van het beleidsplan en het tijdstip van indiening.

  • 4 De Wereldomroep maakt het beleidsplan openbaar.

Artikel 2.85

  • 1 Onze Minister vraagt de Raad voor cultuur en het Commissariaat binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over het beleidsplan.

  • 3 Als de Wereldomroep wijzigingen wil aanbrengen in de door Onze Minister goedgekeurde voorstellen, neemt hij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.86

  • 1 Mede op basis van het beleidsplan sluiten Onze Minister en de Wereldomroep een prestatieovereenkomst voor de duur van het beleidsplan.

  • 2 De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

    • a. kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de Wereldomroep;

    • b. maatregelen bij niet naleving, voor zover mogelijk en binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet; en

    • c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandigheden.

  • 3 De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de Wereldomroep.

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.87

  • 1 De Wereldomroep verzorgt de televisieprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland in samenwerking met de Stichting.

  • 2 Ten behoeve van de verzorging van radioprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland door de Wereldomroep vindt samenwerking met de Stichting plaats.

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid

Artikel 2.88

  • 1 De publieke media-instellingen bepalen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod en zijn daar verantwoordelijk voor.

  • 2 De publieke media-instellingen, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, brengen in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand.

  • 3 Het redactiestatuut bevat de journalistieke rechten en plichten van de werknemers, waaronder in elk geval:

    • a. waarborgen dat normen inzake journalistieke deontologie en kwaliteit worden gehanteerd; en

    • b. waarborgen voor redactionele onafhankelijkheid ten opzichte van adverteerders, sponsors en anderen die bijdragen hebben verstrekt voor de totstandkoming van media-aanbod.

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.89

  • 1 Tenzij dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen:

    • a. reclame- of telewinkelboodschappen; en

    • b. vermijdbare andere uitingen die onmiskenbaar tot gevolg hebben dat de afname van producten of diensten wordt bevorderd.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen vermijdbare uitingen zijn toegestaan en wanneer uitingen onvermijdbaar zijn.

Artikel 2.90

Behoudens toestemming van het Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten.

Artikel 2.91

  • 1 In het media-aanbod van de publieke mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden worden opgenomen.

  • 2 Reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en de Wereldomroep worden uitsluitend verzorgd door de Ster.

  • 3 De Ster kan op verzoek van regionale en lokale publieke media-instellingen reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, verzorgen die worden opgenomen in het media-aanbod van die instellingen.

Artikel 2.92

  • 1 De Ster en de regionale en lokale publieke media-instellingen die reclame- of telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zijn aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

  • 2 Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 2.93

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadiensten.

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Artikel 2.94

  • 1 Reclame- en telewinkelboodschappen zijn als zodanig herkenbaar en door akoestische of optische middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.

  • 2 Niet toegestaan zijn:

    • a. subliminale technieken;

    • b. reclame- en telewinkelboodschappen voor medische behandelingen;

    • c. reclame- en telewinkelboodschappen voor alcoholhoudende dranken tussen 06.00 uur en 21.00 uur; en

    • d. sluikreclame.

Artikel 2.95

  • 1 Het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, in het programma-aanbod bedraagt:

    • a. per programmakanaal niet meer dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de totale duur van het programma-aanbod op het programmakanaal per jaar, welk percentage niet meer bedraagt dan tien en voor radio- en televisieprogramma-aanbod kan verschillen;

    • b. per programmakanaal niet meer dan vijftien procent van de totale duur van het programma-aanbod op het programmakanaal per dag; en

    • c. per uur niet meer dan twaalf minuten.

  • 2 Ten hoogste een derde van de tijd die wordt gebruikt voor reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod wordt gebruikt voor omlijsting.

Artikel 2.96

  • 1 Reclame- en telewinkelboodschappen in het programma-aanbod worden zodanig geplaatst dat zij:

    • a. zijn opgenomen in blokken, welke blokken voor televisieprogramma-aanbod inclusief omlijsting ten minste één minuut duren;

    • b. op zondagen niet direct vooraf gaan aan of direct aansluiten op programma’s van kerkelijke of geestelijke aard, tenzij de instelling die voor de inhoud van zodanig programma verantwoordelijk is daartegen geen bezwaar heeft gemaakt; en

    • c. niet in programma’s worden opgenomen, behoudens het bepaalde in artikel 2.97.

  • 2 Telewinkelboodschappen in het programma-aanbod duren elk ten hoogste één minuut en een blok als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat voor ten hoogste tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden over de plaatsing van reclame- en telewinkelboodschappen in en rond programma-aanbod dat in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar.

Artikel 2.97

  • 1 In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als:

    • a. het desbetreffende programma langer duurt dan anderhalf uur voor televisie, dan wel drie kwartier voor radio;

    • b. het desbetreffende programma bestaat uit het volledige verslag of de volledige weergave van een evenement;

    • c. zij worden opgenomen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de in het evenement voorkomende zelfstandige onderdelen in blokken die ten minste een minuut duren;

    • d. de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het desbetreffende daartegen geen bezwaar heeft gemaakt op grond van afbreuk aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het programma; en

    • e. dit geen afbreuk doet aan de rechten van rechthebbenden.

  • 2 In programma’s van kerkelijke of geestelijke aard en in programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.

Artikel 2.98

De artikelen 2.94 tot en met 2.97 zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten. Voor artikel 2.96, eerste lid, onderdeel a, geldt de vorige volzin uitsluitend voor het overige media-aanbod met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud.

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Artikel 2.99

De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst en, op verzoek, voor de regionale en lokale publieke mediadiensten dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, inclusief omlijsting daarvan.

Artikel 2.100

  • 1 Het bestuur van de Ster bestaat uit vijf leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de Stichting.

  • 3 Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan en kan twee waarnemers met raadgevende stem in het bestuur aanwijzen.

Artikel 2.101

  • 1 Benoeming van de leden van het bestuur van de Ster geschiedt voor een periode van vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

Artikel 2.102

  • 1 De Ster verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Ster.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Ster voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.103

  • 1 De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

  • 2 In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Ster, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

  • 3 De Ster zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.104

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de Ster behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 Het bestuur kan niet besluiten tot ontbinding van de Ster.

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Artikel 2.105

  • 1 De Ster doet jaarlijks vóór 1 augustus aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst en de Wereldomroep in het lopende en in het volgende kalenderjaar.

  • 2 De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat, de Stichting en de Wereldomroep.

  • 3 De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Artikel 2.106

  • 1 Media-aanbod van de publieke mediadiensten wordt niet gesponsord.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod:

    • a. van culturele aard;

    • b. van educatieve aard;

    • c. bestaande uit het verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden; en

    • d. bestaande uit het verslag of de weergave van evenementen ten behoeve van ideële doelen.

  • 3 Media-aanbod als bedoeld in het tweede lid wordt niet gesponsord als het:

    • a. geheel of gedeeltelijk bestaat uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie; of

    • b. in het bijzonder is bestemd voor kinderen jonger dan twaalf jaar.

Artikel 2.107

  • 1 Bij gesponsord media-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het media-aanbod is gesponsord.

  • 2 De vermelding geschiedt door neutrale vermelding of vertoning van naam of (beeld)merk van de sponsor.

  • 3 Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma, met dien verstande dat bij een gesponsord televisieprogramma de vermelding:

    • a. ten hoogste vijf seconden duurt;

    • b. voor zover deze niet plaatsvindt op de aan- of aftiteling uitsluitend uit stilstaande beelden bestaat; en

    • c. niet beeldvullend is.

  • 4 Het derde lid is zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten.

Artikel 2.108

  • 1 In gesponsord media-aanbod mogen producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, behalve als deze een bijdrage in geld heeft gegeven.

  • 2 Het Commissariaat kan toestemming verlenen voor het vermelden of vertonen van de naam, het (beeld)merk, producten of diensten van sponsors in de titel van gesponsord media-aanbod, mits het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.

  • 3 Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming voorschriften verbinden.

Artikel 2.109

  • 1 Sponsorbijdragen worden rechtstreeks van de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedongen of aanvaard.

  • 2 Er worden geen sponsorbijdragen bedongen of aanvaard van personen, bedrijven of instellingen die:

    • a. zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten; of

    • b. gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.

Artikel 2.110

De landelijke publieke media-instellingen sturen een afschrift van een sponsorovereenkomst aan de raad van bestuur:

  • a. binnen één week na het tot stand komen daarvan; of

  • b. als het media-aanbod eerder wordt verspreid naar het publiek, vóór laatstgenoemd moment.

Artikel 2.111

  • 1 Als de raad van bestuur binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de sponsorovereenkomst, of in het geval van artikel 2.110, onderdeel b, vóór de beoogde datum van verspreiding, schriftelijk heeft meegedeeld dat de sponsorovereenkomst in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst, wordt het media-aanbod waarop de overeenkomst betrekking heeft niet verspreid, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.

  • 2 In het geval de raad van bestuur aanvullende informatie verlangt, moet voor de toepassing van het eerste lid de schriftelijke mededeling zijn gegeven binnen twee weken nadat de aanvullende informatie is ontvangen.

Artikel 2.112

De artikelen 2.110 en 2.111 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een sponsorovereenkomst.

Artikel 2.113

De publieke media-instellingen brengen jaarlijks via de jaarrekening verslag uit over de inkomsten uit sponsorbijdragen, het gesponsorde media-aanbod en de hoedanigheid van de sponsors, gespecificeerd per onderdeel van het media-aanbod.

Artikel 2.114

  • 1 Als een gesponsord programma uit het buitenland is aangekocht en daar als programma naar het publiek is verspreid, zijn de artikelen 2.106 tot en met 2.113 van toepassing voor zover sponsorbijdragen worden gegeven voor de aankoop van het programma.

  • 2 De artikelen 2.107 tot en met 2.113 zijn van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van media-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Artikel 2.115

  • 1 Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

  • 2 Het televisieprogramma-aanbod van de Wereldomroep bestaat voor ten minste vijftig procent uit producties als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.116

  • 1 Ten minste vijfentwintig procent van de totale duur van het programma-aanbod op de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst tezamen bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

  • 2 Op elk van de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor uit ten minste zeventien en een half procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

  • 3 Op elk van de andere televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.117

Op elk van de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.118

Het televisieprogramma-aanbod van de Wereldomroep bestaat voor ten minste tien procent uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.119

Ten minste een derde deel van de programma’s, bedoeld in de artikelen 2.116 tot en met 2.118, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 2.120

  • 1 Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt media-aanbod dat niet geproduceerd is door:

    • a. een publieke media-instelling;

    • b. een commerciële media-instelling;

    • c. een buitenlandse omroepinstelling;

    • d. een rechtspersoon waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al dan niet door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

    • e. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

    • f. een vennootschap waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur:

    • a. kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid en de artikelen 2.116 tot en met 2.119; en

    • b. kan worden bepaald dat in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen media-aanbod wordt aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.121

Voor de toepassing van de artikelen 2.116 tot en met 2.120 blijft buiten beschouwing media-aanbod:

  • a. dat bestaat uit nieuws;

  • b. dat betrekking heeft op sport;

  • c. dat het karakter van een spel heeft, met uitzondering van media-aanbod van culturele of educatieve aard dat mede het karakter van een spel heeft;

  • d. dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie;

  • e. van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, politieke partijen en de overheid; en

  • f. dat bestaat uit teletekst.

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Artikel 2.122

  • 1 Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten beschouwing:

    • a. programma-aanbod dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting; en

    • b. programma-aanbod van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, politieke partijen en de overheid.

  • 3 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 2.123

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma-aanbod, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.122, eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Artikel 2.124

In het media-aanbod van de publieke mediadiensten worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Artikel 2.125

De stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties heeft tot taak:

  • a. het verstrekken van financiële bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod van bijzondere Nederlandse culturele aard ten behoeve van de landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Wereldomroep; en

  • b. het verstrekken van financiële bijdragen aan landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Wereldomroep ter bevordering van de samenwerking met instellingen op het terrein van de cultuur.

Artikel 2.126

  • 1 In deze afdeling wordt verstaan onder: stichting: stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties.

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Artikel 2.127

  • 1 De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit zeven leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door Onze Minister.

  • 2 Twee leden worden benoemd uit de kring van de publieke mediadiensten en twee leden uit de kring van de film- en podiumkunsten. Onze Minister wijst uit de andere leden de voorzitter aan.

  • 3 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 4 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Artikel 2.128

Onverminderd de artikelen 27 en 28 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bevat de begroting van de stichting:

  • a. het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst en de Wereldomroep;

  • b. het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod ten behoeve van de regionale publieke mediadienst; en

  • c. het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de samenwerking, bedoeld in artikel 2.125, onderdeel b.

Artikel 2.129

  • 1 Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekening van de stichting, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

  • 2 Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 2.130

  • 1 Op basis van de goedgekeurde begroting ontvangt de stichting jaarlijks uit de gelden, bedoeld in artikel 2.146, aanhef, van Onze Minister een bijdrage voor de kosten van de uitvoering van haar taak.

  • 2 De bijdrage bedraagt ten minste een zestiende deel van de afgedragen inkomsten van de Ster van het desbetreffende jaar.

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Artikel 2.131

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de stichting behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 Het bestuur van de stichting kan niet besluiten tot ontbinding van de stichting.

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Artikel 2.132

  • 1 De publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.

  • 2 Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten.

  • 3 Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.

Artikel 2.133

Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is.

Artikel 2.134

  • 1 In het kader van nevenactiviteiten kunnen de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van nevenactiviteiten.

  • 3 De instellingen die nevenactiviteiten willen verrichten, tonen desgevraagd ten genoegen van het Commissariaat aan dat de nevenactiviteiten voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2.132 en dit artikel.

Artikel 2.135

  • 1 Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.

  • 2 Het eerste lid en de artikelen 2.132 en 2.134 zijn niet van toepassing op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.

Artikel 2.136

  • 1 Omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor verenigingsactiviteiten.

  • 2 Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die:

    • a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen; of

    • b. die gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken.

Artikel 2.137

  • 1 Het Commissariaat stelt regels over het verstrekken van op geld waardeerbare voordelen aan leden en over activiteiten in het kader van ledenwerving.

  • 2 De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 2.138

  • 1 Als een omroepvereniging voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.

  • 2 Na de melding kan de omroepvereniging in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen.

  • 3 Tijdens de periode dat een omroepvereniging activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroepvereniging.

Artikel 2.138a

  • 2 Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen voegt het Commissariaat toe aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.

  • 3 In het geval, bedoeld in het eerste lid:

    • a. betaalt de omroepvereniging de op het moment, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, aanwezige gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke omroep, terug aan het Commissariaat;

    • b. draagt de omroepvereniging er zorg voor dat programmamateriaal dat verspreid is op de programmakanalen van de landelijke publieke omroep dan wel daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- of gebruiksrecht daarop bij de omroepvereniging berust, gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, om niet ter beschikking wordt gesteld aan de raad van bestuur voor gebruik op aanbodkanalen van de landelijke publieke omroep;

    • c. stelt de omroepvereniging het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, ter beschikking aan de door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; en

    • d. onthoudt de omroepvereniging zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, van gebruik of exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel a, en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, tenzij daarover met de raad van bestuur een overeenkomst is gesloten tegen een marktconforme vergoeding.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder omroepverenging tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende.

  • 5 Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, als:

    • a. aan een omroepvereniging geen erkenning als bedoeld in artikel 2.24 of artikel 2.28 wordt verleend;

    • b. een erkenning of voorlopige erkenning overeenkomstig artikel 2.33 wordt ingetrokken; en

    • c. een omroepvereniging in strijd met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erkenningsperiode niet langer als omroepvereniging media-aanbod voor de landelijke publieke omroep verzorgt.

Artikel 2.139

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens van hun programma-aanbod, voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van het te verspreiden programma-aanbod in gedrukte of elektronische programmagidsen, ter beschikking van de Stichting.

  • 2 Zij aanvaarden dat de Stichting de gegevens voor verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt aan de omroepverenigingen en aan anderen die daartoe een overeenkomst met de Stichting hebben gesloten.

Artikel 2.140

Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma-aanbod, geproduceerd door of in opdracht van landelijke publieke media-instellingen, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van dat programma-aanbod anders dan met toepassing van artikel 2.139 of met toestemming van de desbetreffende instelling, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.

Artikel 2.141

  • 1 De publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.

  • 2 Voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag is het eerste lid alleen van toepassing op de activiteiten ter verzorging van hun media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 2.142

  • 1 De publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke media-opdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.

  • 2 Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.

  • 3 Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.

Artikel 2.142a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.143

  • 1 De publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.

  • 2 Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.

Artikel 2.144

  • 1 De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag van € 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt vermeerderd met € 47,179 miljoen.

  • 2 Het bedrag van de rijksmediabijdrage wordt jaarlijks bijgesteld overeenkomstig:

    • a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en

    • b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.

Artikel 2.145

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de artikelen 2.143, tweede lid, en 2.144.

Artikel 2.146

De rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:

  • a. de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijke niveau volgens afdeling 2.6.2;

  • b. de bekostiging van de Wereldomroep volgens afdeling 2.6.3;

  • c. het Europese media-aanbod, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e;

  • d. het Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1;

  • e. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering over radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag;

  • f. het Commissariaat;

  • g. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie;

  • h. de bijdrage aan de stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties;

  • i. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek;

  • j. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief;

  • k. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • l. het door Onze Minister aangewezen overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen; en

  • m. bijdragen voor de verzorging van media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat gericht is op minderheden;

  • n. vergoedingen aan het landelijk orgaan dat informatie verstrekt en anderszins ondersteuning biedt aan de programmaraden, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid.

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Artikel 2.147

  • 1 De Stichting dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.

  • 2 De begroting bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die media-aanbod verzorgen voor de landelijke publieke mediadienst invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet;

    • b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen;

    • c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de landelijke publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;

    • d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en

    • e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep, de regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.

  • 3 De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:

    • a. de financiële middelen voor de verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen;

    • b. de financiële middelen voor programma-aanbod, bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.123;

    • c. de eigen inkomsten van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de Programmastichting en de Stichting, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;

    • d. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en

    • e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de Stichting die niet direct samenhangen met de verzorging van media-aanbod door de Stichting.

Artikel 2.148

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.

  • 2 Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.

  • 3 De Stichting maakt de begroting openbaar.

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Artikel 2.149

  • 1 Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten voor het komende jaar vast voor:

    • a. de verzorging van respectievelijk het televisieprogramma-aanbod, het radioprogramma-aanbod en het overige media-aanbod van de omroepverenigingen en de Programmastichting samen;

    • b. de verzorging van respectievelijk het televisieprogramma-aanbod, het radioprogramma-aanbod en het overige media-aanbod van de Stichting;

    • c. de verzorging van respectievelijk het televisieprogramma-aanbod, het radioprogramma-aanbod en het overige media-aanbod van de educatieve media-instelling;

    • d. de verzorging van programma-aanbod en daarmee direct samenhangend ander media-aanbod van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag samen;

    • e. de uitvoering van de overige taken en werkzaamheden van de Stichting; en

    • f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

  • 2 Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de Stichting de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.

Artikel 2.150

  • 2 Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan:

    • a. versterking van het onderscheidende karakter van het media-aanbod;

    • b. bevordering van een herkenbaar media-aanbod op de onderscheiden aanbodkanalen, waaronder de bevordering van samenwerkingsprojecten;

    • c. bevordering van media-aanbod gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden; en

    • d. bevordering van media-aanbod van culturele aard en programma-aanbod dat betrekking heeft op kunst, waaronder in elk geval toneel, documentaires, film, hoorspelen, klassieke muziek en opera.

  • 3 Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de Programmastichting en de Stichting.

Artikel 2.151

  • 1 Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.

Artikel 2.152

Artikel 2.152a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 2.153

Artikel 2.154

  • 1 De raad van bestuur kan ten hoogste vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag inhouden als:

    • a. de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur; of

    • b. een omroepvereniging of de educatieve media-instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.

  • 2 Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget voor versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 2.155

De raad van bestuur beslist jaarlijks vóór 1 januari over de verdeling van de budgetten.

Artikel 2.156

Met toestemming van de raad van bestuur kan met ten hoogste tien procent van het bedrag dat aan een instelling ter beschikking wordt gesteld voor de verzorging van respectievelijk radioprogramma’s, televisieprogramma’s of ander media-aanbod, worden geschoven tussen deze doelen.

Artikel 2.157

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 2 Als een instelling zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig indient:

    • a. verzoekt het Commissariaat de raad van bestuur de bevoorschotting met twintig procent te verminderen; en

    • b. kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.

  • 3 Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan de raad van bestuur de bevoorschotting verminderen of beëindigen.

  • 4 De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken, bedoeld in het tweede lid.

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Artikel 2.158

  • 1 Onze Minister kan uit de rijksmediabijdrage en uit de inkomsten van de Ster ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst gelden ter beschikking stellen voor door Onze Minister daarbij vast te stellen bijzondere doelen.

  • 2 Onze Minister stelt de gelden door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.

Artikel 2.159

  • 1 Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden voorschriften verbinden.

  • 2 Voorschriften hebben geen betrekking op de specifieke inhoud van media-aanbod.

  • 3 Onze Minister kan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen als de voorschriften niet worden nageleefd.

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Artikel 2.160

  • 1 De Wereldomroep dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister en het Commissariaat.

  • 2 De begroting bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop door de Wereldomroep uitvoering zal worden gegeven aan de publieke mediaopdracht;

    • b. een opgave van de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens van de Wereldomroep te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;

    • c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten, waaronder die voor personeel, organisatie en de organen van de Wereldomroep; en

    • d. een beschrijving van de samenwerking met de Stichting.

  • 3 De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:

    • a. de kosten van de verzorging van het media-aanbod van de Wereldomroep;

    • b. de kosten die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het media-aanbod;

    • c. de kosten van het verspreiden van het media-aanbod van de Wereldomroep; en

    • d. de eigen inkomsten die moeten worden gebruikt voor de uitvoering van de publieke taak.

Artikel 2.161

De begroting bevat verder:

  • a. een beschrijving van de wijze waarop in het afgelopen kalenderjaar uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht; en

  • b. een opgave van het door de Wereldomroep in zijn media-aanbod op te nemen aanbod dat:

    • 1°. is geproduceerd door of in opdracht van landelijke publieke media-instellingen; of

    • 2°. al als onderdeel van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst is verspreid.

Artikel 2.162

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.

  • 2 Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.

  • 3 De Wereldomroep maakt de begroting openbaar.

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Artikel 2.163

Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten voor het komende kalenderjaar vast voor:

  • a. de verzorging van het media-aanbod van de Wereldomroep;

  • b. de kosten die niet direct samenhangen met de verzorging van het media-aanbod; en

  • c. het verspreiden van het media-aanbod.

Artikel 2.164

  • 1 Onze Minister stelt de budgetten ter beschikking van de Wereldomroep door tussenkomst van het Commissariaat.

  • 2 Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten voor het voorgaande jaar als de Wereldomroep de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.

  • 3 De Wereldomroep besteedt de budgetten aan de in artikel 2.163 genoemde doelen.

Artikel 2.165

  • 1 De Wereldomroep ontvangt voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 2 Als de Wereldomroep zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig indient:

    • a. vermindert het Commissariaat de bevoorschotting met twintig procent; en

    • b. kan het Commissariaat de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de Wereldomroep in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.

  • 3 Als de Wereldomroep voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen.

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Artikel 2.166

  • 1 Onze Minister kan uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster een algemene mediareserve vormen die bestemd is voor:

    • a. de opvang van dalende inkomsten van de Ster;

    • b. bijdragen in reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten; en

    • c. de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantverhouding voor de betalingen ter uitvoering van deze wet.

  • 2 Het Commissariaat beheert de algemene mediareserve.

Artikel 2.167

  • 1 Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van:

    • a. de landelijke publieke media-instellingen;

    • b. de Wereldomroep; en

    • c. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroepkoren, omroeporkesten en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie.

  • 2 Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur.

  • 3 Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de Wereldomroep en de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter beschikking.

Artikel 2.168

  • 1 Renteopbrengsten uit het beheer van de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.

  • 2 Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan landelijke publieke media-instellingen en aan de Wereldomroep.

Artikel 2.169

Artikel 2.159 is van overeenkomstige toepassing op het ter beschikking stellen van gelden op grond van de artikelen 2.167 en 2.168.

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Artikel 2.170

  • 1 Gedeputeerde Staten zorgen voor de bekostiging van het functioneren van ten minste één regionale publieke media-instelling in de provincie door vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de regionale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat:

    • a. een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk is en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd; en

    • b. in ieder geval per provincie het in 2004 bestaande niveau van de activiteiten met betrekking tot de verzorging van media-aanbod door de regionale publieke media-instelling(en) ten minste gehandhaafd blijft.

  • 2 Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 3 Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.

Artikel 2.170a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Artikel 2.171

  • 1 Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidscontrole van de uitgaven van de publieke media-instellingen.

  • 2 De landelijke publieke media-instellingen, met uitzondering van de Stichting, zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur.

  • 3 De raad van bestuur zendt vóór 1 juni zijn opmerkingen over de jaarrekeningen tezamen met de jaarrekening van de Stichting aan het Commissariaat.

Artikel 2.172

  • 1 Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekeningen, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen over de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen over winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

  • 2 Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening.

Artikel 2.173

Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.7, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing.

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Artikel 2.174

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren.

  • 2 Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van het totaal van de ter beschikking gestelde budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid.

  • 3 Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.

Artikel 2.174a

  • 1 Omroepverenigingen die een erkenning of voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor verenigingsactiviteiten.

Artikel 2.175

  • 1 De Wereldomroep kan met toestemming van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren.

  • 2 Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van het totaal van de ter beschikking gestelde budgetten, bedoeld in artikel 2.163, eerste lid.

Artikel 2.176

  • 1 Gereserveerde gelden voor de verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn.

  • 2 Onze Minister en het Commissariaat kunnen op verzoek van de raad van bestuur respectievelijk de Wereldomroep ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister en het Commissariaat kunnen aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 2.177

  • 2 Teruggevorderde gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Artikel 2.178

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen richten hun administratie zodanig in dat daaruit te allen tijde de voor de uitvoering van de taken van de raad van bestuur en het Commissariaat benodigde informatie op eenduidige en vergelijkbare wijze verkregen kan worden.

  • 2 De raad van bestuur bevordert dat de instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren.

Artikel 2.179

Deze afdeling is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van toepassing voor zover het betreft de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de verzorging van programma-aanbod en daaraan gerelateerd ander media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, muziekbibliotheek, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Artikel 2.180

  • 1 De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek , van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in.

  • 2 De meerjarenplannen zijn afgestemd op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan voor de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 2.181

  • 1 De instellingen dienen jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.

  • 2 De instellingen dienen jaarlijks vóór 1 mei bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.

Artikel 2.182

  • 1 De meerjarenplannen en de jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de Stichting.

Artikel 2.183

  • 1 Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking.

  • 2 Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.

  • 3 Als een instelling niet voldoet aan de artikelen 2.180 en 2.181 of de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:

    • a. de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of

    • b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.

Titel 2.7. Evaluatie

Artikel 2.184

  • 1 De Stichting en de Wereldomroep evalueren regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.

  • 2 Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats.

  • 3 Als in de rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, is vastgesteld dat een omroepvereniging of de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats van de wijze waarop de desbetreffende omroepvereniging of de educatieve media-instelling uitvoering geeft aan deze publieke taak.

  • 4 Als in de rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, betreffende de vorige evaluatie is vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan haar publieke taak, bedoeld in artikel 2.35, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats.

Artikel 2.185

  • 1 Voor de evaluatie stellen de Stichting en de Wereldomroep elk een commissie in voor de duur van de evaluatie, met de volgende samenstelling:

    • a. de evaluatiecommissie van de Stichting bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zoveel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek; en

    • b. de evaluatiecommissie van de Wereldomroep bestaat uit ten minste drie onafhankelijke deskundigen.

  • 2 De leden van de evaluatiecommissie van de Stichting worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.

  • 3 De leden van de evaluatiecommissie van de Wereldomroep worden op voordracht van de directie benoemd door de raad van toezicht van de Wereldomroep, gehoord Onze Minister.

Artikel 2.186

  • 1 De evaluatiecommissie van de Stichting rapporteert in elk geval over:

    • a. de wijze waarop de landelijke publieke media-instellingen zowel gezamenlijk als afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • b. de mate waarin het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen;

    • c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en

    • d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven.

  • 2 De evaluatiecommissie van de Wereldomroep rapporteert in elk geval over:

    • a. de wijze waarop de Wereldomroep uitvoering heeft gegeven aan de publieke mediaopdracht;

    • b. de mate waarin het media-aanbod van de Wereldomroep voldoet aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.72; en

    • c. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven.

Artikel 2.187

  • 1 De evaluatiecommissies kunnen aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.

  • 2 De evaluatiecommissies brengen op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de Stichting, respectievelijk de raad van toezicht van de Wereldomroep, die het aan Onze Minister zenden en openbaar maken.

Artikel 2.188